De opmars van Brussel

On 4 maart 2013, in citymarketing, economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in De Morgen van 18 februari 2013:

Franse filmsterren verhuizen niet alleen naar Moskou. Door de verhogingen van de vermogensbelasting die de socialistische regering-Hollande in Frankrijk wil doorvoeren zoeken steeds meer rijke, veelal oudere en geslaagde Fransen een goed heenkomen in Londen, New York en vooral Brussel. In de Vlaamse krant De Morgen werd onlangs gemeld dat in de Brusselse gemeenten Ukkel en Elsene nu al tien tot elf procent van de bevolking Frans van origine is. Niet alleen de hogesnelheidstrein heeft Brussel aantrekkelijk gemaakt (de afstand is gereduceerd tot een uur), ook de Franse taal die men er spreekt en de aanwezigheid van een Frans lyceum in Ukkel dragen bij aan de snelle opmars. Bovendien zou de Financial Times gesproken hebben van het zogenaamde ‘Arnault-effect’, verwijzend naar de Franse miljardair Bernard Arnault die een Belgische private stichting oprichtte om de belangen van zijn kinderen te beschermen. Daarmee trof hij doel bij de Franse pers. Rijke landgenoten overwegen nu hetzelfde te doen.

Maar er is meer. Op de Franse televisiezenders wordt Brussel tegenwoordig neergezet als een gezellige en betaalbare hippe stad. Voor de Franse middenklasse is de Belgische hoofdstad ook aantrekkelijk omdat de huurprijzen in Brussel de helft lager zijn dan in Parijs. Brussel profiteert er sterk van. De Franse bedrijven verhuizen mee. Van stijgende woningprijzen is nog geen sprake, want de Brusselse woningmarkt is zwak. Tja, wanneer de hogesnelheidstrein naar Amsterdam werkelijk snel was geweest en er niet zoveel problemen mee waren, had de Nederlandse hoofdstad mee kunnen profiteren. Helaas is dit niet het geval. Ook ontbreken in Amsterdam de hyperluxueuze appartementencomplexen die de rijke omgeving van Parijs vaak sieren. Hoe gezellig, betaalbaar en hip vinden de Franse rijken trouwens Amsterdam?

Tagged with:
 

Bouwen in Brazilië

On 24 februari 2013, in duurzaamheid, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 16 februari 2013:

Tijdens het internationale colloquium ‘Les Villes-Monde, moteurs de croissance pour demain?’, op 19 februari in Parijs gehouden, sprak onder andere Pierre-André de Chalendar, CEO van Saint-Gobain. Deze vertegenwoordiger van een grote speler in de Franse bouwindustrie hield daar een opmerkelijk krachtig pleidooi voor duurzaam bouwen. Zijn invalshoek was mondiaal, vooruitstrevend en verlicht. Hij wees het Franse publiek op de opkomst van China, noemde het grote belang van metropolen, pleitte voor hoogwaardig openbaar vervoer in de grote steden en stelde dat het energie- en klimaatprobleem binnen twintig jaar moet worden opgelost. Opvallend vond ik zijn verwijzing naar Brazilië als het gaat om verduurzaming van de woningbouw. De Chalendar bedoelde het in brede zin: de woningbouwprogramma’s van de Braziliaanse regering waren voor hem sociaal, duurzaam, economisch en rechtvaardig tegelijk. Het klonk alsof hij de Franse regering verweet veel te weinig te doen.

Diezelfde week las ik in The Economist een artikel over datzelfde ambitieuze woningbouwprogramma van de regering-Rousseff in Brazilië. In 2009 begonnen, probeert MCMV (Minha Casa Minha Vida) de groeiende Braziliaanse middenklasse aan een betaalbare eigen woning te helpen door hypotheken te subsidiëren. Het programma doet denken aan onze premie A, B en C-woningen. Tot voor kort waren hypotheken voor mensen met bescheiden inkomens eenvoudig te duur en verstrekten de Braziliaanse banken hoofdzakelijk leningen aan rijke particulieren voor de aankoop van zwembaden, dure auto’s en boten. Nu vertrekken ze leningen aan de opkomende middenklasse voor de aanschaf van een bescheiden woning. Door certificering worden bovendien kwaliteitsmaatstaven nagestreefd die ook werkelijk tot goede woningbouw zullen leiden. Inmiddels zijn 2,3 miljoen leningen verstrekt. In de bouwindustrie heeft dit werk voor 1,4 miljoen extra bouwvakkers opgeleverd. Van de 2,3 miljoen leningen is overigens slechts 45 procent voor de armen, terwijl het doel was 60%. In een land waar 11,4 miljoen mensen in favela’s leven, is dat nog lang niet genoeg. Maar een begin is gemaakt. Rond de Braziliaanse metropolen worden nu woonwijken gebouwd die optimisme, duurzaamheid en rechtvaardigheid uitstralen. De favela’s kunnen – geleidelijk – worden afgebroken. De Chalendar heeft gelijk: we moeten veel ambitieuzer worden.

Tagged with:
 

Träume in Trümmern

On 14 februari 2013, in duurzaamheid, regionale planning, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Atlas Nieuwe Steden’ (2012) van Arnold Reijndorp e.a.:

Laatst een lezing gehouden in Amstelveen. Over de toekomst van Amstelveen. De locatie was het buurtcentrum van Middenhoven in Amstelveen Zuid. Toen ik ’s avonds uit de sneltram stapte – halte Meent – sneeuwde het. Het buurtcentrum oogde als een groot Piet Blom-dorp, in 2009 nog door een grote brand verwoest, stond het er weer in volle glorie te stralen; rondom waren parkeerterreinen, overal stond blik. Daar omheen lagen eenvormige huizenrijtjes, verpakt in ijle plantsoenstroken, de verkeerssoorten waren keurig gescheiden, terwijl er van verkeer geen sprake was. Hier en daar zag ik wat mensen in het donker over de besneeuwde voetpaden schuifelen. In het buurtcentrum was het drukker; daar klaverjasten oude mensen. Ik wist, ik was gearriveerd in ‘Atlas Nieuwe Steden’, mijn onderwerp van die avond. Wat een merkwaardige samenkomst van suburbane leegte en kostbare grootstedelijke infrastructuur.

Hoe boeiend ook, het boek van Reijndorp c.s. is toch vooral een reactie op de overwegend negatieve oordelen van planners over de naoorlogse groeikernen: “Het getuigt allemaal van weinig compassie met de bestaande nieuwe stad als het ‘middle landscape’ van de (lagere) middenklasse.” In hun atlas proberen de auteurs – sociologen verbonden aan de Universiteit van Amsterdam – het ‘alledaagse’ in de groeikernen te herwaarderen. “Positief omgaan met het eigen groeikernenverleden is een voorwaarde om de nieuwe stad te kunnen voltooien.” Daarin hebben zij natuurlijk gelijk. Maar waarom het nu vooral de opgave is ‘de suburbane kwaliteiten van de bestaande wijken te handhaven en te versterken’, is me niet duidelijk. Zeker, die kwaliteiten staan op dit moment onder druk. Ik begrijp, de auteurs vrezen een grootschalige herstructurering van deze dikwijls eenvormige en niet al te best gebouwde wijken; ook komen ze op voor de generatie jonge ontwerpers van destijds. Maar met teveel compassie komen we er niet. Hier is sprake van, wat de Duitse historici Gutschow en Durth noemen, ‘Träume in Trümmern’ of wat Amos Oz aanduidt als ‘dromen van adolescenten’: de bouw van de nieuwe steden in de jaren ‘70 stond in het teken van de emancipatie van groepen stadsbewoners, maar van die idealen is weinig meer over. Ook aan de jaren ‘30-wijken konden ze qua stijl niet tippen. Het feit dat de bewoners nu allemaal rondrijden in auto’s en op zichzelf best tevreden zijn is op zichzelf nog geen aanleiding voor herwaardering. Als ze  in de grote stad hadden geleefd, waren ze niet minder geëmancipeerd geweest, maar hadden ze vaker de metro genomen. Wat die avond in De Meent gebeurde, is juist hard nodig: wakker worden en je realiseren dat je deel uitmaakt van Groot-Amsterdam. En dat Groot-Amsterdam zich staande probeert te houden in een snel veranderende wereld.

Tagged with:
 

Amsterdam Kennisstad

On 28 januari 2013, in benchmarks, wetenschap, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in De Balie op 24 januari 2013:

VVD-er Eric Wiebes gaf vorige week zijn kijk op Nederland. Het schouwspel vond plaats in De Balie. Ik was erbij. Wiebes positioneerde Amsterdam als trekker van de Nederlandse economie en meende dat de hoofdstad economisch veel beter kan presteren, en daarmee het land dienen, als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Hij noemde drie hendels waaraan de stad kan trekken. Eén: de stad kan veelbelovende jongeren aantrekken en zelf opleiden. Twee: de stad kan veelbelovende afgestudeerden aantrekken en van hen profiteren. Drie: de stad houdt de grote talenten vast. In zijn vergezicht beperkte hij zich tot de enge gemeentegrenzen. De Amsterdamse woningvoorraad was volgens hem het grote probleem. Die zit op slot. Daarna brandde een discussie los, in de zaal, maar vooral op Twitter en even later ook in de andere media. Die reacties gingen alle over de door Wiebes voorgestelde halvering van de sociale woningvoorraad in Amsterdam (van 60% naar 30%). Dat is een heikele kwestie in de hoofdstad. Van Kalshoven noemde dit in De Volkskrant van zaterdag ‘een roze olifant op de woningmarkt’. Hij was blij, schreef hij, dat die nu eindelijk was genoemd.

Niemand had het over de kritiek van Wiebes op de twee Amsterdamse universiteiten. Die presteren volgens hem ronduit slecht. Zelf noemde hij het “geen onbelangrijke hendel”, want sommige steden komen hiermee op een voorsprong. Maar de UvA en de VU zijn dus niet goed. “Amsterdam helpt de universiteiten. Maar helpen de universiteiten Amsterdam wel genoeg?” Volgens onderzoek, aldus Wiebes, zouden de instromende eerstejaars lagere VWO-cijfers hebben dan gemiddeld en tonen zowel studenten als docenten van UvA en VU zich ontevreden over hun universiteit. “Hier mogen we toch niet tevreden mee zijn?” Zelf vind ik de UvA een van de leukste universiteiten om te werken, maar als nieuwkomer ben ik natuurlijk geen maatstaf. Alleen cijfers tellen. Maar kennelijk is ook de benchmark van Cushman & Wakefield van afgelopen najaar voor Wiebes geen maatstaf: op de ranglijst van onderwijssteden staat Amsterdam wereldwijd op plaats acht! Dat is ronduit vorstelijk. Dan kunnen die twee universiteiten toch niet zo slecht zijn. Tijdens de komende Amsterdam Lezingen, die op maandagavond 4 februari in CREA beginnen, zullen we het onderzoeken. De onderste steen moet boven. U kunt zich trouwens nog aanmelden.

Tagged with:
 

Kwaliteit loont

On 6 december 2012, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 17 september 2012:

Twee berichten over de gevolgen van de crisis. Het eerste betreft het wonen en is het al wat oudere nieuws uit de Atlas van Gemeenten van afgelopen zomer, namelijk dat vooral de jongere steden in Nederland te lijden hebben onder de economische crisis. Brabantse steden als Oss, Roosendaal en Eindhoven doen het op woongebied slecht, de vastgoedprijzen dalen er. Alleen het historische Den Bosch is in het zuiden nog op orde. Ook Almere, Emmen, Spijkenisse, Vlaardingen, Almere, Helmond, Heerlen, Almelo en Enschede worden allerminst aantrekkelijk gevonden. En in het westen van het land raakt de crisis vooral Rotterdam en omstreken. Ook daar betreft het jonge, dikwijls haastig neergezette bebouwing: “De achterstand van het zuidelijke deel van de Randstad op het noordelijke deel neemt verder toe.” De oude steden doen het beter. Amsterdam blijkt op woongebied het aantrekkelijkst. Het andere bericht is afkomstig uit Het Parool. Dat gaat over kantoren. Nederland, aldus het bericht, telt in totaal 232 kantorengebieden in de vijftig grootste gemeenten; volgens Jones Lang Lasalle is dat veel te veel. De meeste deugen niet, er is gebrek aan kwaliteit. “Wij zien dat kantoorgebieden met de meeste leefbaarheid het beste scoren.” Bijna alle gebieden zijn echter middelmatig. De beste kantorenlocaties liggen, opnieuw, in Amsterdam: Zuidas, het centrum en Oost, en de historische centra van Den Haag en Rotterdam.

Als de crisis in ons land één ding duidelijk maakt, dan is dat gebrek aan kwaliteit op de meeste plekken. Die locaties vallen nu door de mand. Vooral de nieuwste bebouwing lijdt aan middelmatigheid. En van alles is er te veel. Dat duidt op gebrekkige ruimtelijke planning. Nationaal is er de laatste decennia allesbehalve zorgvuldig en gedoseerd gebouwd. Het land blijkt overvoerd met middelmatigheid. Behalve in Amsterdam en in de historische centra van Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam is juist gebrek aan alles. Ik leid het af uit de twee rapportages. We naderen het einde van het jaar. Ik zou zeggen: laten we het erover hebben.

Tagged with:
 

Het scheve wonen

On 25 september 2012, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 juli 2012:

Afgelopen zomer bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor het eerst een kaart naar buiten waarop het aantal scheefwoners per Nederlandse gemeente stond afgebeeld. Hoe blauwer, hoe meer scheefwonen. Voor de goede orde, scheefwoners zijn mensen die corporatiewoningen bewonen, maar die daarvoor eigenlijk een te hoog salaris hebben. Het is een typisch Nederlands fenomeen. Van de 2,2 miljoen sociale woningen in Nederland worden er 609.000 scheef bewoond. Landelijk gemeten wordt 28 procent van de sociale huurwoningen scheef bewoond. Wat blijkt? Het Westen van het Land kampt het meeste met scheefwoners, met blauwe uitstralingsgebieden langs de kust, richting de Veluwe en het noorden van Noord-Brabant, de rest van het land is met het fenomeen veel minder vertrouwd. Nog een opvallend feit: anders dan je zou verwachten weten de grote steden het aandeel scheefwonen aardig in te tomen. Het blauwst zijn de gemeenten in het zogenaamde Groene Hart. De onderzoekers hadden geen duidelijke verklaring en minister Spies waarschuwde in haar brief aan de Tweede Kamer van 5 juli dat uit het onderzoek geen conclusies mochten worden getrokken.

Het kaartbeeld deed me sterk denken aan het rapport van de Werkcommissie Westen des Lands uit 1958. Daarin werd voor het eerst de Randstad als een probleem getypeerd. Omdat de staatscommissie meende dat bevolking, welvaart en inkomen moesten worden gespreid, werd er door de regering een beleid ontwikkeld om de grote steden in het westen te ‘ontlasten’. Hele contigenten sociale huurwoningen werden vervolgens jarenlang door het Rijk naar de omgeving van de steden gedirigeerd, tot op grote afstand. Dit zogenaamde ‘uitstralingsbeleid’ heeft in die zin gewerkt, dat de meeste goedkope woningen zich tegenwoordig in een royale straal rond de grote steden bevinden; nabij de steden zelf gold een beschermingsbeleid, met het Groene Hart als pièce de résistance. De erfenis hiervan zag ik fraai in het kaartbeeld terug. Ook na vijftig jaar spreidingsbeleid is de druk op de grootstedelijke woningmarkt nog erg hoog. Met scheefwonen tot gevolg.

Tagged with:
 

Be yourself

On 12 april 2012, in demografie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 6 april 2012:

‘Going Solo’ heet het nieuwste boek van Eric Klinenberg, hoogleraar sociologie aan New York University. Het gaat over alleenstaanden in steden als Washington, Denver, Dallas, San Francisco en New York. Ik las een bespreking in NRC Handelsblad, geschreven door Guus Valk. Bijna de helft van de volwassen Amerikanen heeft geen gezin, in grote steden is het aandeel alleenstaanden nog groter. In Scandinavië is het aandeel nog groter dan in de VS. “Deze ontwikkeling voltrekt zich internationaal. Er is geen beschaving uit het verleden waar eerder zoveel mensen alleen woonden.” Eenderde van de alleenstaanden bestaat uit ouderen. Doordat we steeds ouder worden, wordt deze groep ook steeds groter. De andere tweederde is alleenstaand voor bepaalde tijd. “De snelst groeiende groep bestaat uit mensen tussen de 35 en 65, die ooit een tijd een lange relatie hebben gehad.” Volgens Klinenberg heeft de groei van die groep te maken met de emancipatie van vrouwen. Vrouwen kunnen tegenwoordig in hun eigen levensonderhoud voorzien. ‘Going Solo’ bevat driehonderd interviews met stedelingen die alleen leven, zonder partner. Ze blijken niet minder gelukkig of succesvol te zijn dan echtparen. Alleen wonen is ook niet langer een vloek, al wil lang niet iedereen zijn hele leven zonder verbintenis leven. De groep ‘Happy Singles’ is naar verhouding klein.

Klinenberg merkt op dat de groei van grote steden dit proces nog heeft versneld. “Een stad biedt een plek aan mensen die zich individueel willen uiten, en creëert nieuwe subculturen.” Als voorbeeld noemt hij groepen veertig-plussers die kiezen voor woongroepen, waar ze samenleven zonder te veel verplichtingen. Ook gelooft hij dat de opkomst van social media als facebook en skype het sociale leven van mensen overhoop gooit. “Interessant is dat die communicatiemiddelen mensen niet afstompen of vervreemden van hun omgeving, ze gaan juist sneller naar feesten of andere ontmoetingen.” Social media bevorderen dus het grootstedelijke leven. Klinenberg: “Er is een gigantische verschuiving van ons sociale leven gaande en niemand weet nog of dat goed of slecht is.” De strekking van zijn betoog deed me denken aan ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) van Richard Florida. Daarin schetste deze Amerikaanse econoom een beeld van nieuwe opkomende samenlevingsvormen die onze culturele economie sterk aanjagen: “Our evolving communities and emerging society are marked by a greater diversity of friendships, more individualistic pursuits and weaker ties within the community. People want diversity, low entry barriers and the ability to be themselves.” Voorwaarden voor economische groei, dat zijn het.

Tagged with:
 

Adapt!

On 13 maart 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Een van de workshops afgelopen vrijdagmorgen tijdens het Integrating Cities congres in Amsterdam ging over ‘urban planning: a solution for integrating policies?’ Deelnemers kwamen uit Toulouse, Nantes, Espoo, Valencia, Rhoon, Amsterdam en Den Haag, iets meer vrouwen dan mannen, iets meer blank dan gekleurd. Als onderwerp had ik de Bijlmer gekozen, of liever: Bijlmer part III. Welke volgende transformatie komt er op de Bijlmer af en hoe gaan we dat aanpakken? Maar voordat we op die vragen konden ingaan stonden we stil bij het oorspronkelijke ontwerp, de goede bedoelingen van de ontwerpers, de overdaad aan sociale woningen, de komst van de Surinaamse bevolking, de vliegtuigramp in 1992, de grootschalige herstructurering, wooncarrieres, de verkoop van woningen, sociale stijging, de lage vastgoedwaarde, het relatieve isolement en de kantorenbouw aan de andere kant van het spoor plus de recente leegstand. Voor de volgende transformatie van de Bijlmer, concludeerden we, was een inspirerend langetermijnperspectief nodig, maar in een stedenbouwkundige excercitie had geen van de aanwezigen veel vertrouwen.

Het dilemma van ruimtelijke planning, vond men, is dat hij oplossingen verzint die zelden in de praktijk goed uitwerken. Niemand kan voorspellen hoe mensen in de toekomst zullen leven of hoe de stad over veertig, vijftig jaar zal worden gebruikt. De opmerkingen deden me denken aan het fundamentele dilemma dat Richard Sennett in zijn nieuwste boek schetst aan de hand van een voorbeeld. In ‘Together’ vertelt hij over de werkplaats van zijn cellobouwer in Londen. Die moest verhuizen. Een jonge architect maakte een mooi, tot in detail doordacht ontwerp. Op de openingsdag zag alles er nog netjes en opgeruimd uit, maar acht maanden later lag niets meer op zijn plaats. “These changes have happened in bits and pieces, from month to month, as people adapted the clear architectural design to their more complicated bodily gestures at work.” Wat voor een werkplaats geldt, geldt ook voor een buurt of stadsdeel. Zo’n buurt moet bovenal flexibel zijn en prettig informeel en zich gemakkelijk aanpassen aan het dagelijks gebruik, hij moet zich voegen naar de bewegingen van mensen. Nee, nog beter, laat mensen zelf hun leefomgeving meebepalen en probeer niet, hoe goedbedoeld ook, alles vast te leggen in een vooraf doordacht, tot in detail geregeld ontwerp.

Tagged with:
 

Eigen kracht

On 2 februari 2012, in sociaal, stadsvernieuwing, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in DCentric van 1 februari 2012:

Niet iedereen stemde in met mijn analyse van ‘het mirakel van Amsterdam’. Dat alle Amsterdamse buurten naar het oordeel van de bewoners nu een voldoende scoren als het gaat om leefbaarheid, het zou allemaal wel degelijk te danken zijn aan de herstructureringsinspanningen van de woningbouwcorporaties en de stadsdelen en niet, zoals ik als mogelijkheid opperde, aan de mensen in de buurten zelf. Ik leidde dat laatste af uit de opvallend hoge scores voor betrokkenheid bij de eigen buurt. Bereik je betrokkenheid door goedkope woningen te slopen en nieuwe, duurdere woningen terug te bouwen? Zijn de mensen niet zelf in actie gekomen? Door goed gedrag? Gedrag is immers besmettelijk, en goed gedrag werkt aanstekelijk. In Het Parool las ik zelfs een ingezonden brief van een deelraadslid die meende dat hiermee voldoende bewijs was geleverd van de waarde van de Amsterdamse stadsdelen, punt uit. En Aedes Magazine, het blad van de koepelorganisatie van woningcorporaties in Nederland, belde me op om te vragen wat ik nou precies bedoelde. Ze overtuigden me niet, integendeel.

Een aanwijzing dat ik wel eens dicht bij de verklaring kon zitten vond ik in een bijzonder artikel in DCentric. Het hier onbekende blad verschijnt in Washington DC en doet verslag van stedelijke rassenpolitiek. Via Twitter werd ik erop gewezen. Zoals bekend is Washington een van de meest etnisch gesegregeerde steden van Amerika. In ‘The Disappearing Segregated City’ doet journalist Elahe Izadi verslag van een merkwaardige ontwikkeling in het recente verleden: vrijwel alle Amerikaanse steden hebben de afgelopen jaren hun etnisch gesegregeerde wijken verloren. Ook Washington DC kent geen zwarte ghetto’s meer. Rassenscheiding is over de hele linie sinds 2000 fors teruggelopen, zij het in Washington iets geleidelijker dan in de acht andere meest gesegregeerde steden. Izadi baseert zich op een studie van de Manhattan Institute. Ook puur blanke woonwijken, schrijft ze, bestaan er in Amerikaanse steden bijna niet meer. Je vindt ze alleen nog op het platteland en in steden waar nu eenmaal bijna geen zwarte bevolking woont. Een verklaring heeft Izadi niet, of het moet al zijn dat mensen verhuizen en dat met name de zwarte bevolking is gesuburbaniseerd. Ik kan u verzekeren: Vogelaarwijken kennen ze in Amerika niet, en ook geen VINEX, laat staan woningcorporaties of stadsdelen. De mensen hebben het daar op eigen kracht gedaan. Ze zijn verhuisd, ze gingen naar school, ze hebben werk gevonden, ze emanciperen en ze integreren. Heus, van mij geen berichten dat alle sociale problemen in de Amerikaanse steden zijn opgelost, maar mensen blijken tot veel in staat.

Tagged with:
 

Het mirakel van Amsterdam

On 25 januari 2012, in sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 21 januari 2012:

Goed nieuws, nee heel goed nieuws. “Voor het eerst hele stad tevreden met eigen buurt”, kopte afgelopen zaterdag Het Parool op de voorpagina. Wat blijkt? Voor het eerst in tien jaar zijn alle Amsterdammers tevreden met hun eigen buurt. Ja, ook in de Bijlmer. Dat blijkt uit onderzoek dat de gemeente en de woningbouwcorporaties onlangs hebben laten uitvoeren. Tien jaar geleden kregen nog veertien buurten een onvoldoende. De snelste stijger is nota bene de buurt die twee jaar geleden nog zwaar onvoldoende scoorde: Overtoomse Veld. Maar het goede nieuws wordt nog beter. Het gemiddelde rapportcijfer dat inwoners aan hun eigen buurt gaven steeg van 6,9 in 2001 naar 7,3 in 2011. Het hoogste cijfer dat mensen aan hun buurt toekenden was een 8. Dat rapportcijfer ging uiteraard naar de westelijke grachtengordel en naar landelijk Noord (Ransdorp, Holysloot). Een gemiddelde van 7,3 is dus vrij uitzonderlijk en geen onvoldoende meer is voor een grote stad ronduit opzienbarend. Dacht u nu heus dat steden als Parijs of Berlijn, laat staan Londen, over de hele linie ooit positief scoorden?

Vanzelfsprekend werd er in de krant onmiddellijk naar een verklaring voor het wonder van Amsterdam gezocht. De onderzoeker van de woningbouwcorporaties schreef het resultaat toe aan de herstructureringsoperaties van de woningbouwcorporaties en de stadsdelen. Er was, zei hij, gewoon in de gebouwen geïnvesteerd. Ook het onderhoud aan de openbare ruimte zou aan het positieve oordeel hebben bijgedragen. “De leefbaarheid in aandachtswijken kruipt langzaam richting het niveau van het stedelijke gemiddelde.” En verder meende hij dat bewoners hun buurt bewuster kiezen. En ook dat Amsterdam gewoon een heel aantrekkelijke stad is geworden. Wat mijzelf vooral opviel was dat bewoners meer het gevoel hadden dat hun medebewoners zich betrokken voelen bij hun buurt. Ook dachten zij overwegend positief over hoe hun buurt zich de komende jaren zal ontwikkelen. Dat lijkt mij minder met stenen stapelen te maken te hebben, ook omdat door de crisis er weinig meer wordt gebouwd. Zou er niet sprake kunnen zijn van eigen initiatief? Gewoon van een groeiend sociaal verband over de volle breedte in de stad zonder dat de woningbouwcorporaties of de stadsdelen daar direct de hand in hebben gehad? Een spontane mentaliteitsverandering? Wat meer vriendelijkheid op straat, wat meer warmte, en dat mensen elkaar hebben aangestoken? Mijn eigen ervaring is dat wanneer ik besluit positiever in het leven te staan, de stad mij direct toelacht en ik overal schoonheid zie en mensen mij ook gaan toelachen. Ik weet het niet. Ik had het de bewoners van Amsterdam graag willen vragen.

Tagged with: