Zorg om burgerschap

On 24 februari 2017, in onderwijs, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 21 februari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor geert ten dam amsterdamlezing

De eerste Amsterdamlezing van dit jaar werd gehouden door Geert ten Dam, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ten Dam, die tevens kroonlid is van de SER, voorzitter van het College van Bestuur van de UvA en tot eind 2014 voorzitter van de Onderwijsraad, behandelde burgerschapsvorming in het Nederlandse onderwijs. Burgerschap vond ze een uiterst belangrijk onderwerp – een onderwerp dat ze ook bewust breed opvatte: het actief meedoen aan de samenleving. Het is een aandachtsgebied dat teruggaat op een wet die tien jaar geleden in Nederland werd ingevoerd. Scholen dienen aandacht te besteden aan burgerschapsvorming, maar hoe ze dat precies moeten doen wordt door de wetgever helemaal vrijgelaten en de regering biedt ook geen ondersteuning. Die ruimte was het gevolg van de vrijheid van onderwijs, maar het helpt niet echt, aldus Ten Dam. Een eerste internationale vergelijkende meting in 2009 gaf bijvoorbeeld aan dat het met die burgerschapsvorming onder de Nederlandse jeugd slecht gesteld is. Ons land, zo zei Ten Dam, “bungelde helemaal onderaan”. Dit najaar zullen nieuwe gegevens bekend worden. Ze had er weinig vertrouwen in. Uit eigen onderzoek kwam naar voren dat de Nederlandse jeugd een steeds ‘plattere’ opvatting heeft over bijvoorbeeld het begrip ‘democratie’. Voor steeds meer kinderen staat die gelijk aan de meerderheid plus één.

Gevraagd of ze zich zorgen maakte, reageerde ze in eerste instantie ontkennend. Het was minder de slechte score die haar interesseerde dan het grote belang dat ze aan het onderwerp hechtte, zeker nu de grootstedelijke bevolking steeds heterogener wordt. Een vraag uit de zaal of mensen in achterstandswijken niet meer bezig zijn met overleven dan met burgerschap, begreep ze wel, maar bracht haar niet van haar stuk. Ook dat de scholen al zo zwaar belast zijn en dat leraren van 24 jaar soms klassen tegenover zich vinden van liefst 32 kinderen die de dag ervoor allemaal de aanslagen in Parijs hebben gezien, het deed niets af aan het feit dat met name scholen tot veel in staat zijn. Burgerschap vond ze nu eenmaal erg belangrijk; ze schatte de impact van een goede school op liefst twintig procent. Daarop roerden zich verscheidene medewerkers van met name twee Amsterdamse scholen. Eén school werkte actief aan burgerschapsvorming, de andere bewust niet. Wat me duidelijk werd is dat het niet gaat om een apart vak ‘burgerschapskunde’, maar dat in elk onderdeel van het curriculum elementen van het brede begrip van burgerschap aan de orde moeten komen. Het is, zei Ten Dam, aan de scholen zelf om dit intern te bespreken. Ze noemde de Academische Werkplaats die sinds ruim twee jaar in Amsterdam bestaat als plek waar wetenschappers en onderwijsmensen elkaar over dit soort kwesties kunnen spreken. Nog een tip uit de zaal: als leerlingen burgerschapsvorming goed kunnen duiden en de taal leren begrijpen vinden ze het vast niet meer saai.

Tagged with:
 

Waarom doen we het?

On 9 december 2016, in infrastructuur, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn nr. 5, 2016:

Gerelateerde afbeelding

Het laatste themanummer van dit jaar van het Amsterdamse planologentijdschrift Rooilijn is gewijd aan ‘Het institutionele perspectief’ van de ruimtelijke planning. Aanleiding is het afscheid van Willem Salet als hoogleraar Stedelijke en Regionale Planning aan de Universiteit van Amsterdam. De socioloog Salet bezette de leerstoel van 1995 tot 2017 en richtte die vooral op de context van planning, op “een veel bredere institutionele reflectie over de condities die bepalen wat planning vermag.” Daarmee nam hij afstand van de praktijk, Salet plaatste zich zelfs met opzet buiten het vakgebied. Op het eind van het nummer wordt de vertrekkende hoogleraar geïnterviewd door Els Beukers. Beukers vraagt hem naar de beoefening van het vak door de gemiddelde planoloog. Die opereert, antwoordt Salet, hoofdzakelijk pragmatisch en probeert voortdurend maatschappelijke problemen op te lossen. Maar daar hoort wel een institutionele verantwoording bij. De planoloog moet zich voortdurend afvragen wat hij eigenlijk doet en waarom hij dat doet. Problemen oplossen? Zal best. Maar wat geeft hem het recht om te doen wat hij doet? “Dat legitimeren houdt me wel enorm bezig en dat geef ik ook aan studenten mee. Waarom doen we wat we doen?

Vervolgens vraagt Beukers hoe het institutionele denken in de planologie helpt om de ruimtelijke dynamiek te begrijpen. De stad, antwoordt Salet, wordt institutioneel nog altijd veel te eng gedefinieerd. Als voorbeeld noemt hij de Noord/Zuidlijn in Amsterdam. Die is volgens hem een antwoord op de problemen van 1970. Het woon-werkverkeer is inmiddels sterk regionaal, dus de Noord/Zuidlijn is allang niet meer de juiste oplossing: voor Salet een teken dat de Amsterdamse regio zich institutioneel niet goed heeft georganiseerd. Randstadrail in de Zuidvleugel beoordeelt hij in dat opzicht veel gunstiger. Ik las het met stijgende verbazing. De eerste plannen voor een metrostelsel in Amsterdam dateren van 1960. Qua schaal was het afgeleid van die van metropolen als Londen en Parijs. Amsterdam koos voor de maat en schaal van Stockholm. Nog steeds is deze goed gekozen. Immers, het stadscentrum van Amsterdam is extreem druk, metronetwerken zijn erg duur, ze dienen compact te zijn en hebben elke 800 meter een halte, ze ontsluiten alleen die stadsdelen die voldoende dichtheid hebben en veel bezoekers ontvangen. Randstadrail is een treinstelsel voor een uit de hand gelopen suburbane ontwikkeling, noodzakelijk voor het woon-werkverkeer, vergelijkbaar met de Zuidtangent tussen Haarlem, Schiphol en Amsterdam Zuidoost, niet met de Noord/Zuidlijn. Nee, in institutioneel opzicht is er met de Metropoolregio Amsterdam weinig mis. Wel heeft Amsterdam dringend behoefte aan meer metro. Het stadscentrum slibt dicht.

Staatserfgoedwerken

On 30 november 2016, in regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De herbestemming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie’ (2016) van Koen Raats:

kaart1

Op 7 oktober 2016 promoveerde planoloog Koen Raats aan de Universiteit van Amsterdam op de herbestemming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Promotor: Willem Salet. Raats onderzocht hoe een groot aantal partijen heeft samengewerkt aan de herbestemming van een reeks leegstaande forten, sluizen en voormalige inundatiegebieden in de langgerekte zone van het IJmeer tot aan de Biesbosch. Noem het project van de Waterlinie gerust ambitieus. Het plangebied bestrijkt een strook land tweemaal de lengte van de Afsluitdijk. De Waterlinie zou dan ook al snel uitgroeien tot het paradepaardje van de nota Belvedere, een rijksnota uit 1999 die, aldus Raats, “voor een fundamentele verandering heeft gezorgd in het denken over en werken met erfgoed.” Belvedere wilde niet sectoraal en niet op behoud gericht opereren, maar het erfgoed inzetten voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens Raats is dat gelukt. Er werden integrale plannen geproduceerd voor de hele waterlinie. Echter, een intern gerichte project-oriëntatie ging ermee gepaard die behoorlijk ingewikkeld was en die veel afstemming tussen tal van overheden vergde. Burgers en gemeenten voelden zich buitenspel gezet en de waterlinie werd sterk afhankelijk van rijkssubsidies.

Was dit te voorkomen geweest? Ik vroeg het aan Raats tijdens zijn verdediging. Hij meende van niet. De forten, zei hij, waren rijksbezit en forten zijn nu eenmaal lastige dingen om te herbestemmen. Mij deed het planproces op deze schaal eerder denken aan grote ingenieurswerken zoals de Zuiderzeewerken en de Deltawerken, dat wil zeggen aan rijksdiensten die zich ontfermen over een groot stuk Nederland en lagere overheden en burgers gemakkelijk opzij zetten, overtuigd als ze zijn van de goede bedoelingen van hun grote werken, dan aan een normale gebiedsontwikkeling. Ook de rol van de ontwerpers herinnerde sterk aan de Rijksdienst IJsselmeerpolders, de Rijkswaterstaat, de Landinrichtingsdienst en Staatsbosbeheer. De collectieve acties die Raats in zijn proefschrift nauwgezet beschrijft hebben, kortom, een hoog-modernistisch karakter, zijn sterk top-down gericht, kosten veel geld, getuigen vooral van een benadering van een overheid die weliswaar het beste met ons voorheeft, maar die gemeenten negeert. Ongerijmd en zeker in erfgoedkringen, waar particuliere eigenaren van monumentale panden en landgoederen de toon zetten, ongehoord. Raats dekt het toe. Misschien is hij tevreden met het resultaat. Lezen dat boek, te bestellen bij www.inplanning.eu!

Modern en reflexief

On 14 november 2016, in wetenschap, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Moderniteit en suburbaniteit in de nieuwe stad’ (2016) van Ivan Nio:

Afbeeldingsresultaat voor ivan nio moderniteit en suburbaniteit

Onlangs promoveerde de stadssocioloog Ivan Nio op ‘moderniteit en suburbaniteit in de nieuwe stad’ aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn promotores waren Arnold Reijndorp en René Boomkens.  Nio onderzocht het alledaagse leven van gewone mensen in hun privésfeer in de nieuwe steden Almere, Cergy-Pontoise en Milton Keynes. Dit deed hij door gewone mensen op straat te interviewen. Daarbij kantelde hij het perspectief op moderniteit, dat doorgaans gericht is op de openbaarheid in met name de grote steden. Sociologen als Berman, Jacobs, Bardt en Sennett zagen het leven in de buitenwijken vooral als verlies en een vlucht uit de moderniteit, die bij uitstek in de grote stad te ervaren was. Moderne ervaringen als de schok van het onbekende, de confrontatie met vreemden, de verrassing en wisselende perspectieven zouden in de suburb ontbreken. Nio ziet dat anders. Bij hem is de privésfeer de locus van de persoonlijke autonomie en ontplooiing van de gezinsleden, de suburb de plek voor bevrijding en emancipatie. Er bestaat volgens hem ook een suburbane moderniteit. Deze wilde hij op het spoor komen en in zijn ambiguïteit beschrijven.

‘’Moderniteit en suburbaniteit in de nieuwe stad’  is een in vele opzichten fraai proefschrift. Nio formuleert helder, zijn hoofdstukken over theorieën zijn knap en toegankelijk geschreven. Boeiend is ook zijn vergelijking tussen de drie steden, de ene nabij Londen, de ander onder de rook van Parijs, een derde op afstand van Amsterdam. Met name was ik geïnteresseerd in zijn beschrijving van de conflicten. Volgens Sennett zat hier de zwakte van de suburb: mensen die welvarend worden kopen liefst een conflictloze privésfeer. Die vinden ze in simplificatie en in afzondering: in woonbuurten, liefst onder soortgenoten, veilig, stabiel, overzichtelijk, harmonisch. Sennett bespeurde zelfs een gevaarlijk streven naar zuiverheid. Mensen, schreef hij, zouden conflicten niet meer kunnen verdragen en als ze zich voordeden, zouden ze deze gaan uitvergroten. En wat blijkt? In de paragraaf over conflicten en wrijvingen treft men mensen aan die zich storen aan het feit dat de buurman hen niet meer groet, dat de caravan al een jaar op de oprit geparkeerd staat, die de verhuizing van buren ervaren als ‘donkere wolken die zich samentrekken’, die sociale woningbouw aan de overkant van de weg opvatten als een veeg teken, die vooral in Almere telkens doorverhuizen naar de nieuwste woonwijk. In Almere is de PVV de grootste politiek partij.Volgens Nio verhouden deze mensen zich tot hun buurt ‘op een moderne en reflexieve wijze’. Ik hou het toch liever op Sennett’s analyse.

European Knowledge Hub

On 22 september 2016, in wetenschap, by Zef Hemel

Read in  ‘Mapping Research and Innovation’ (2015) of Elsevier/Urban Innovation Network:

Afbeeldingsresultaat voor amsterdams competitive advantage

Last year, scientific publisher Elsevier and the Urban Innovation Network (UIN) published a comparative study of research output of eleven comparative European university cities, amongst them Amsterdam. The other cities were Barcelona, Berlin, Brussels, Copenhagen, Dublin, Hamburg, Madrid, Manchester, Stockholm and Vienna. In ‘Mapping Research and Innovation’ (2015) the researchers distinguished four dimensions of research strength: relative volume, relative usage, relative impact and research excellence. Excellence was measured by a city’s relative share of the most impactful research – “that which is among the top decile worldwide in terms of citations within a given subject area. We call these star articles.” Overall conclusion: Amsterdam has a strong claim to being one of the top knowledge cities in Europe. Its research output per capita is second only to Copenhagen, but the relative impact of its research is the highest. The researchers discovered that Amsterdam has a very strong position in medicin, in volume and impact. “It is nearly twice the world average in relative volume, given the city’s size and overall research output.” Orange (picture) means its impact is also quite high, “more than twice that of the world average.” Winners are oncology, radiology, nuclear medicine and imaging.

Striking is Amsterdam’s output in computer science, which nearly doubled over the past decade. In terms of publications per capita, Amsterdam’s output in computer science is now second among the eleven cities. “These growth trends suggest that Amsterdam is growing a world-class base of computer science researchers, which can both help train the next generation of tech workers and attract the most promising tech companies.” What about social sciences? Psychology has a very strong position, but only in volume, the other social sciences are performing above average, but their impact is rather low. In terms of publications per 1000 residents, the researchers found growth in all eleven cities. But the absolute winners are Amsterdam en Copenhagen, with Vienna and Stockholm following at a distance. How important is this? Elsevier: “Universities creat jobs and demand for real estate space, attract and retain talent, stimulate investment beyond their walls. (…) But, the central role played by universities in the innovation ecosystem is not well understood and an untapped resource.” Exploring a city’s innovation ecosystem is a valuable way of seeing the future with greater clarity.

Tagged with:
 

Urban university walk

On 2 november 2015, in onderwijs, wetenschap, by Zef Hemel

Seen and heard on 20 October 2015 at Morningside Heights, NYC:

The weather, that day, was excellent. His walk started at the old campus site. Then he took us eastward, to the rim of the heights, showing us West Harlem deep down below. Wonderful view! John Reddick is from Yale, where he studied history of architecture, with Vincent Scully. With his loud voice Mr. Reddick guided us around, told us some great stories on the history of Columbia University and its neigbourhood. The site, in northwest Manhattan, was an empty plateau in 1890. In the beginning the city wanted it to become the site of the Columbian Exposition of 1893, but Chicago won the competition. So the future of the place had to be reconsidered. Columbia University, which moved up from 50th Street and Madison Avenue to 116th Street and Broadway, now forms the centerpiece of Morningside Heights, but the Cathedral of St. John the Divine, Barnard College and Riverside Church were its competitors. At the end of the nineteenth century Columbia was ‘a sleepy little place’, but Seth Low – who would become Mayor of New York City – had a great vision when he took over as the university’s president in 1889. Low didn’t want the Gothic of the traditional Ivy League campus. He wanted Columbia to become a great urban university, in and of the city.

So McKim, Mead & White, Columbia’s architects, adopted an urban Renaissance model for the campus. It was a conscious decision to be different from places like Princeton and Yale. This you can also read in Andrew Dolkart’s ”Morningside Heights: A History of Its Architecture and Development” (Columbia University Press, 1998). Only when the subway was built in 1904, the place became a residential neighborhood. Since then, most of the appartment building have been purchased by Columbia, which needed ever more extension space. So that’s where our sunny walk ended: strolling along Riverside Drive in northern direction, crossing a tall bridge. Deep down below us we had a stunning view on Manhattanville, where Columbia University is building its brand new second campus on a 17 acre-site, costing 6.8 billion US dollars. Welcome to the masterclass New York City, moderated by the Wibaut Chair at the University of Amsterdam, on the future of the city and its universities.

Tagged with:
 

Subtle thinkers

On 8 oktober 2015, in theorie, wetenschap, by Zef Hemel

Read in ‘Superforecasting’ (2015) of Philip Tetlock and Dan Gardner:

Superforecasters don’t have special genetics, or uncommon luck.

Today, in Noordwijk on the Dutch coast, I will give my view on the long term future of the Amsterdam region for a small group of people. They invited me. Can I predict the future? Of course not. But according to Philip Tetlock and Dan Gardner some people can. These ‘superforcasters’ are so-called ‘foxes’.  The writer and philosopher Isaiah Berlin, who wrote ‘The Hedgehog and the fox’, made a distinction between people whose understanding of the world depends on one or two big ideas (hedgehogs) and people who think the world is too complicated to boil down into a single slogan (foxes) (http://www.zefhemel.nl/?p=6556). Only foxes, Tetlock and Gardner write, can really predict. Tetlock is psychology researcher at the University of Pennsylvania, Gardner a Canadian journalist. “Humility in the face of a complex world makes superforecasters subtle thinkers”. Subtle thinkers? Superforecasters are not statisticians, although they feel comfortable with data. Their greatest ability is to synthesise material from sources with very different outlooks on the world. They think in fine gradations. They are willing to learn from mistakes. Am I a fox?

Those who stood out as superforecasters were anything but experts: one was a retired pipe installer, another a former ballroom dancer. Groups of people can also forecast. Again, not specialists or experts, people who think they know more than amateurs. According to Tetlock and Gardner, the average expert is “roughly as accurate as a dart-throwing chimpanzee.” No, you need an eclectic bunch of people: housewives, unemployed factory workers, homeless, professors of maths. Superforecasters are clever, but not superintelligent. They are less interested in whether they are right or wrong; they always want to know why. They are cautious, sceptic people, searching for nuance. Eminence and confidence are less relevant to them. “Superforecasters make for bad media stars.” Sounds familiar.

Tagged with:
 

Wat ons te doen staat

On 3 oktober 2015, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Eerste Kamer der Staten Generaal op 1 oktober 2015:

Vooruit dan. Nog eenmaal in het Nederlands. Omdat dit de toekomst van het Koninkrijk betreft. Over die toekomst organiseerden het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) afgelopen week een uiterst boeiende dag in de Eerste Kamer aan het Binnenhof. Zes wetenschappers en journalisten gaven elk een kort college, waarna studenten reageerden. Ochtend en middag werden afgesloten door een paneldiscussie. Paul Scheffer was de dagvoorzitter. Minister Plasterk hield de openingsrede door te zeggen dat hij vrij snel na zijn openingsrede helaas verstek moest laten gaan en dat dit hem zeer speet, waarna hij zijn agenda van die dag oplepelde. Geen leuk vooruitzicht, gaf Scheffer toe. De bewindsman kon maar beter blijven, want een hele dag nadenken en praten over de toekomst van het Koninkrijk was echt zinvoller. Waarna de minister in de pauze ijlings verdween.

Waarover ging het die dag? Alles kwam voorbij. Dominant in alle bijdragen bleek de globalisering: het islamisme, het gevaar van de totalitaire staat, het democratische tekort, de problemen in de zorg, de verwarring, het internet, de technologie, de crises, de urbanisatie, de klimaatverandering, de bevolkingskrimp. Vrijwel alle sprekers waren somber gestemd. Het slotdebat ging over de vraag wat te doen als het kleine Koninkrijk (die dunbevolkte, allerminst duurzame stadstaat van 17 miljoen inwoners) in de mondiale dynamiek dreigt te verdwijnen. Aan tafel zaten Pim van der Feltz (directeur Google Nederland), Hella Hueck (RTL), Erik Stam (UU) en ondergetekende. De scherpste vragen kwamen van Andreas Kinneging (ULeiden) en Henk te Velde (ULeiden). Alle vier panelleden waren min of meer eensluidend in hun repliek. In het Koninkrijk der Nederlanden moet veel lichter worden gestuurd, met minder regels en grotere vrijheden op lokaal niveau, alle instituties moeten soepeler meebewegen, uiterste wendbaarheid is vereist (Stam gebruikte de metafoor van de tango). En we moeten elkaar beter vasthouden, goed naar elkaar luisteren en elkaar opzoeken door inspirerende toekomstverhalen te vertellen, want verhalen kunnen ademen, zijn open, kunnen ons motiveren, brengen ons tot samenwerking. En bouw nou eindelijk eens een echt grote stad, voegde ik eraan toe. Niet dat de zaal was gerustgesteld. Allerminst. De heer Plasterk heeft het allemaal gemist.

Tagged with:
 

City collaboration

On 30 juni 2015, in wetenschap, by Zef Hemel

Read on the blog of Olivier Beauchesne 11 August 2014:

Olivier Beauchesne created a world map of scientific collaboration a few years ago. Last year he attempted to make a new one. Because most of the scientific papers are guarded, he worked with Scimago Lab feed, an active feed on social media. Scimago and he decided to collaborate. Great! His map shows the collaboration networks between researchers in different cities. It seems, he writes on his blog, that every researcher in every French city collaborates with at least a researcher in Paris. “Unsurprisingly, the map also shows quite clearly that the location (of) scientific institutions follows the population density.” Furthermore, he discovered close collaboration between cities and their former colonies. Paris is a star indeed. Next is Boston-New York. Tokyo and the Japanese cities show themselves. Seoul, Taipei, also very strong. Amsterdam too! Europe is dense, with Paris in a star-shaped network. The Eastcoast of the US is dense too, but more like a real network, a grid. So is Japan. The map looks like some spiderweb, silkworms that have weaven continents in cocoons.  There must be larvae hidden somewhere. Maybe a queen.

His next step was adopting the Louvain method. By using it, Beauchesne could identify global communities of scientists. Also these follow linguistic or old colonial lines. Fascinating stuff. Olivier presents himself on his website as “the lead data scientist at one of the largest online ad network.” I guess he is from Montreal. So living on the fringe of the networked collaboration of cities. What does it matter? He is able to make great maps! Best map of collaboration on a continental and global scale in the new knowledge based economy. Mind blowing!

Tagged with:
 

Big mistake

On 15 juni 2015, in technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Read in ‘Red Plenty’ (2010) of Francis Spufford:

flat,550x550,075,f

What’s wrong with Russian society? Also with the West? Only after reading ‘Red Plenty’ of the British writer Francis Spufford I really understood. It’s the withering of social sciences. Spufford’s book, which I can recommend everybody, is a lively, dramatised history of the postwar years of the USSR, partly facts, partly dramatized. In part III he explains what happened with universities and science after Stalin took over. In 1930 the Soviet emperor abolished all universities in the country. Research and education were split up. Research moved to secret science cities, education, taught in Moscow, Leningrad and the other soviet cities, was from that moment on mainly focussed on technology. The curriculum became ‘fiercely utilitarian’. No liberal arts anymore. No social sciences. “Philosophy died, anthropology died, sociology died, law and economics withered: the Party regarded ‘social sciences’ as its own private technology, to be taught to cadres within the Party itself, and dispensed to college students in the form of compulsory courses in Marxism-Leninism.” Poor country. But wait.

The result we still can feel. More than we think, Russian society is still soviet based, due to a lack of social researchers, which means: thinking “of culture as something operating top-down, an enlightenment spread to the many by the educated few: and what was the Bolshevic mission but an elite’s twentieth-century effort to raise lumpish Russia high?” The spirit is one of engineering a society. “It has always been prone to believing in panaceas, in ideas that could solve every problem all at once; and what was Bolshevism but the ultimate key to open all locks, the last and best and greatest system of human knowledge?” So after reading and rereading this great book, I not only understood the enduring problems in Russia, but also the coming problems in het West. More and more we, in Europe and the US, are also thinking technology is key. Engineers are our new magicians.  Humanities and social sciences wither. Research wins, education loses. We think we can find solutions top-down for everything. We are becoming fiercely utilitarian. ‘Comrades, let’s optimise!’ It is a big mistake.

Tagged with: