‘In de wereld zijn’

On 27 juni 2011, in Geen categorie, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Utopie van de Vrije Markt’ (2010) van Hans Achterhuis:

De Duitse Hannah Ahrend en de Russische Alissa Rosenbaum alias Ayn Rand werden kort na elkaar geboren: de eerste in 1906, de tweede in 1905. Beide vrouwen hadden een joodse achtergrond, beiden vluchtten naar New York, de eerste in 1933 via Frankrijk, de tweede in 1926 via Chicago en Los Angeles. Vluchtte de eerste vanwege de opkomst van de nazi’s, de tweede verliet haar vaderland vanwege het communistische regime. Beiden vrouwen schreven vervolgens over vrijheid van het individu en gebruikten hun geliefde New York als inspiratiebron. Hannah Ahrend stierf in 1975, Ayn Rand in 1982.

Een derde vrouw die in diezelfde tijd New York gebruikte als achtergrond van haar boeken, was Jane Jacobs. Geboren in 1916 in Scranton, Pennsylvania, vluchtte ook zij begin jaren dertig naar New York. Vrijwel tegelijk met Rand en Ahrend kwam ze daar aan. Geen communisten of nazi’s die haar achtervolgden – ze had ook geen joodse achtergrond – maar armoede en werkloosheid. Ook zij schreef daarna boeken over de vrijheid van mensen. Drie filosofisch geschoolde vrouwen, drie tijdgenoten, drie New Yorkers, drie migranten. In het objectivisme van Rand is het volgen van hun eigenbelang de meest redelijke optie voor mensen en gaat de vrije samenleving ten onder wanneer het individu de behoeften van anderen een rol laat spelen. In het pragmatisme van Jacobs staat de menselijke ervaring voorop en schuilt in kleine, alledaagse verrichtingen de sleutel tot het menselijke kenvermogen. Bij Ahrend is de wereld een ruimte waarin de veelvormigheid van het bestaan tot uitdrukking komt; door bij te dragen aan de veelheid van stemmen kunnen mensen hun hoogste bestemming bereiken. Jacobs en Ahrend geloofden in een radicale vorm van democratie, Ayn Rand volstrekt niet. In de utopische wereld van Rand wordt de wereld gedragen door vrije, hard werkende individuen die elkaar op leven en dood bevechten, voor geld. Je zou er een fraai toneelstuk over kunnen maken: een socratisch gesprek tussen drie vrijheidslievende vrouwen.

Tagged with:
 

Weesperplein

On 17 december 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De erfenis van de utopie (1998) van Hans Achterhuis:

ImageShack, share photos of metro weesperplein, share pictures of metro weesperplein, share video of metro weesperplein, free image hosting, free video hosting, image hosting, video hosting.

Vandaag weer eens gebruik gemaakt van metrostation Weesperplein. Elke keer als ik er ben verbaas ik me over de enorme ruime opzet, de brede perrons en de royale ondergrondse hal erboven. Het station oogt als een reusachtige grot. De onlangs geplaatste tourniquets doen wat dat betreft mal en klunzig aan. Ik zag laatst plannen die bedoeld waren om het station, ontworpen door Sier van Rijn, helemaal te verbouwen. Aanleiding is officieel de groei van de Universiteit van Amsterdam op Roeterseiland en de komst van het Hogeschool van Amsterdam naar de kop van de Wibautstraat. Op termijn wordt Weesperplein een zeer druk bezocht station, intensief gebruikt door studenten en docenten. Zo intensief benut was het station destijds, toen het ontworpen werd, ook bedoeld. Vandaar die enorme, ruime afmetingen. Toen verwachtte men dat Weesperplein een kruispunt zou worden van metroverkeer. Het was gedacht op de kruising van de Oostlijn met de Oost-Westlijn die de Watergraafsmeer zou verbinden met Slotervaart en Osdorp. Daarvan is het echter nooit gekomen. Amsterdam koos, jaren later, voor de Noord-Zuidlijn. Voor de bezoekersstromen is verbouwing van station Weesperplein overigens helemaal niet nodig. Het station is groot genoeg. Het gaat om iets anders. Men wil het aantal in- en uitgangen reduceren. Onzin? Ik moest denken aan Hans Achterhuis.

Hans Achterhuis zag in de oude Amsterdamse metrostations zijn theorie over de moralisering van apparaten bevestigd. De Amsterdamse metro, schreef hij, werd eind jaren zestig ontworpen. “Het was de tijd van het geloof in de morele kracht van de mens die zijn eigen verantwoordelijkheid waar kon maken zonder op de betuttelende wijze van de jaren vijftig gecontroleerd te hoeven worden. In Amsterdam verdween bijvoorbeeld de controleur uit de tram. (…) Vanuit diezelfde filosofie over de vrije, verantwoordelijke mens werd de metro ontworpen.” Die mens, aldus Achterhuis, bestaat helemaal niet. De filosoof dacht dat met de introductie van tourniquets het euvel snel verholpen zou worden. “Iedere Nederlander kent de verhalen over de fraude, de misdaad en de verloedering in Amsterdam. Zij werden altijd met graagte aan het gedrag van bepaalde bevolkingsgroepen toegeschreven. De vraag of ze ook direct verbonden zijn met een materiële omgeving, in dit geval met het simpele ontbreken van tourniquets, werd zelden of nooit gesteld. Nee, de moraal van de mensen moest worden aangepakt, kinderen moesten op school sociaal gedrag aanleren. Het hielp niet.” Inmiddels zijn tourniquets geplaatst. Nu rest de in- en uitgangen nog. Daarna zal de vrije, verantwoordelijke mens niet meer bestaan. We hebben hem ook niet meer nodig.

Tagged with:
 

Verboden te dromen

On 9 december 2010, in ethiek, participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in De Rode Hoed in Amsterdam op 7 december 2010:

De bijeenkomst in De Rode Hoed afgelopen dinsdagavond ging over ‘Gedroomde stedebouw’. Wouter Veldhuis van MUST presenteerde zijn ontwerp voor de Amstelscheg en Danielle Huls en Mascha Onderwater van B+B toonden hun ontwerp voor de Sloterplas. Het waren ‘gedroomde’ ontwerpen, allemaal even mooi bedacht, bestemd voor de Vrijstaat Amsterdam, waar duizenden mensen vorig jaar gesprekken hadden gevoerd over de toekomst van Amsterdam. Hoogleraar Maurits de Hoog reflecteerde op het geheel. Hij rekende de Vrijstaat tot het ambacht van het verkennen. Dat ambacht hoorde bij de stedebouw. Daarnaast was er de realisatie, het daadwerkelijk bouwen aan de stad. Fraaie voorbeelden liet hij zien uit de Amsterdamse stedenbouwpraktijk van de afgelopen tien jaar. Allemaal werk van de Dienst Ruimtelijke Ordening en anderen. Het was een mooie, serene avond met een dromerig publiek.

De avond werd alleen even ruw verstoord door de boosheid van Veldhuis. Eigenlijk wilde de ontwerper van MUST het helemaal niet over de Amstelscheg hebben. De grootschalige sloop in Nieuw-West vond hij veel relevanter. Die  noemde hij een nachtmerrie. 3000 woningen waren de afgelopen jaren in Amsterdam gesloopt! En ondanks de crisis hield het slopen maar niet op. Hij toonde een grasveld waar een jaar geleden nog de Pius X-kerk had gestaan, alleen maar gesloopt omdat het stadsdeelbestuur van Slotervaart de op handen zijnde monumentenstatus wilde voorkomen. Nu was er helemaal niets meer en voorlopig werd er ook niet gebouwd. Het maïsveld op de Zuidas vond hij net zo’n aanfluiting. En kijk eens naar al die afzichtelijke leegstaande kantoorgebouwen! Hij toonde kaarten van lege terreinen in de stad, allemaal sloopvelden. Te weinig kunstenaars had de stad, smaalde hij, om al die lege velden te vullen. “Ze hebben onze stad kapotgemaakt!” Zijn woede was begrijpelijk. Het was precies deze neoliberale praktijk van stadsontwikkeling – waarbij iedereen door geld en macht verblind werd – waarop de Vrijstaat een antwoord probeerde te formuleren. De Vrijstaat was een schuilplaats geweest, een onschuldige plek waar iedereen zich zes weken lang vrij had mogen voelen. Mascha Onderwater vroeg daarop aan de curator van de Vrijstaat hoe het nu verder ging.

Tagged with:
 

Revolutie Index

On 29 juni 2010, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 26 juni 2010:

Columniste Marjolijn Februari maakt zich zorgen over het woelige politieke klimaat in Europa. Onder de kop ‘Wij als volk moeten constructiever zijn’ beschrijft ze de maatschappelijke onrust van dit moment, die zich vooral uit in rancune. “Waar je ook gaat, wie je ook spreekt, overal rommelt het: in Duitsland, België, Frankrijk, Nederland. Alsof de revolutie aanstaande is.” Sympathie voor de revolutionairen voelt ze niet. Ze is meer van de club die de boel bij elkaar wil houden. Ze ergert zich vooral aan degenen die problemen afwentelen op hun volksvertegenwoordigers. “Het zal duidelijk zijn dat het cultiveren van kleine onderhuidse irritaties geen goede voorbereiding is op de mondiale golf die over Europa heen gaat spoelen.” Ze citeert met instemming Dirk-Jan van Baar in HP/De Tijd, die naar een verklaring zoekt waarom overal in Europa het liberalisme aan kracht wint: “"de weerzin tegen de staat drijft mensen van links naar rechts, van de partijen die collectieve oplossingen voorstaan, naar partijen die vrijheid beloven.” Ondertussen moet diezelfde staat de banken redden. Februari begrijpt niet waarom mensen geen kritiek hebben op het falen van de markt, maar paradoxaal genoeg tegelijk daadkrachtig optreden van de overheid eisen èn inkrimping van diezelfde overheid. Het volk zou constructiever moeten zijn.

Ook ik maak me zorgen over de toekomst van de staat, maar uit een eerder verschenen artikel in diezelfde Volkskrant in de wetenschapsbijlage, van de hand van de socioloog Loek Halman van de Universiteit van Tilburg, begrijp ik de achtergronden beter. Het volk, lees ik, is wel degelijk constructief. "Bevolkingen van welvarende samenlevingen vinden autonomie belangrijker dan autoriteit.” Het verlangen naar vrijheid en de ergernis over regelgeving, collectieve arrangementen en bureaucratie komt precies hieruit voort. “Slechts een kleine minderheid van de Nederlanders voldoet nog aan het klassieke beeld van de plichtsgetrouwe burger die vasthoudt aan tradities en materiële bezittingen.” Nederland neemt in dat opzicht een voorhoedepositie in, het is een typisch postmodern land. “De acceptatie van hiërarchisch autoritair gezag is afgenomen, maar burgers wenden zich niet af van hun overheden en zijn niet minder maatschappelijk geëngageerd dan vroeger.” Dat klinkt geruststellender dan wat Februari afgelopen zaterdag schreef.

Om onrust onder bestuurders weg te nemen, of om bestuurders alerter te laten reageren, bedachten Mark Woerde van het Amsterdamse reclamebureau Lemz en ik laatst een zogenaamde Revolutie Index. Aanleiding waren de onlusten in Bangkok. Kan dat in Amsterdam ook gebeuren?, vroegen wij ons af. Een te ontwikkelen Revolutie Index meet welke steden in de wereld rekening moeten houden met een mogelijke opstand van hun bevolking. In welke stad broeit het het meest? Hoe zou Amsterdam op de Index scoren? Ik denk vrij hoog. Mark dacht heel laag.

Tagged with:
 

‘’Laat ze hun gang maar gaan”

On 30 januari 2010, in cultuur, economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

30 januari

 

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Bram de Swaan:

Het ambtswoninggesprek dat Carolien Gehrels, wethouder van kunst en cultuur, gistermiddag aan de Herengracht organiseerde, deed me weer even terugverlangen naar de Vrijstaat. Twintig burgers van de stad praatten in aanwezigheid van twee wethouders met elkaar over stedelijkheid en de betekenis van de grote stad voor Nederland. In twee uur tijd ontspon zich een fascinerend gesprek dat, regelmatig opgezweept door de anarchistische interventies van actrice Adelheid Roossen, zich in rap tempo uiteenzette met het lastige, complexe begrip ’stedelijkheid’. Alles kwam voorbij. Op de vraag waarom er in dit kleine landje zo negatief over de grote steden werd gedacht passeerde het ene naar het andere verhelderende inzicht: ook de grote stad denkt negatief over zichzelf (Paul Spies); de grote stad ìs voor veel mensen ook gekmakend (psychiater Wilco Tuinebreijer); de grote stad balanceert voortdurend tussen bloei en verval en in dit precaire evenwicht slaat de balans soms door naar het negatieve (Rudy Stroink); vroeger dacht men overwegend negatief over de stad, maar nu niet meer, de grote steden zijn weer motor van de economie (Wiebe Eijbers); niet elke grote stad doet het overigens goed, maar Amsterdam doet het zeker goed (Adelheid Roosen), zie maar, Amsterdam staat nummer één op de woonaantrekkelijkheidsindex van Gerard Marlet (Robert Kloosterman), iedereen wil naar Amsterdam (Ellen Walraven), Amsterdam groeit en zou nog veel sterker kunnen groeien door binnen de ring A10 flink te verdichten (Maarten Hajer); Amsterdam is groter dan haar administratieve grenzen (Maarten van Poelgeest); mensen buiten Amsterdam zouden zich maar wat graag met Amsterdam willen identificeren. Door hen bij Amsterdam te betrekken ontstaat vanzelf het Groot-Amsterdamgevoel.

Op de tweede vraag – wat is de waarde van de grote stad voor Nederland – kwamen evenzovele antwoorden. Emancipatiemachine, laboratorium van innovatie, cultuurcentrum, forum, plek met stedelijke woonkwaliteit. Eijbers wees op de afkalvende bovenkant van de economie en de voortdurende opbouw aan de onderkant. Die onderkant zou veel meer aandacht en ruimte moeten krijgen. Hij doelde op buurten die nu economisch bijna dood zijn en opnieuw tot leven moeten worden gewekt. Engelen dacht daarbij aan de Zuidas, die hij economisch diskwalificeerde: typisch de door Eijberd bedoelde ‘bovenkant’. De geldstromen van rijk en regio voor het dokmodel zag Engelen liever naar het stedelijke onderwijs gaan. Francien Houben noemde de woonkwaliteit als zwaar onderschatte factor; deze vroeg volgens haar om veel meer variatie in woonmilieus – en graag wat minder aandacht voor de toeristen, voegde ze er als Rotterdammer aan toe. Remco Daalder wees vervolgens op de grote waardering van de gemiddelde Amsterdammer voor groen en landschap en voor fraaie parken. Ellen Walraven wilde meer ‘lege ruimten’ waar iedereen zijn gang kan gaan en noemde Berlijn en Lubljana als voorbeeld.

Toen stuitten we op het begrip ‘chaos’, door de anarchistische Adelheid Roossen bozig geïntroduceerd toen ze tegenover haar voortdurend herhaalde klacht over de verstikkende regelgeving het nastrevenswaardige alternatief van de chaos stelde. De grote stad, "dat is nu eenmaal chaos". Waarop Stroink er op schampere toon aan toevoegde dat de overheid denkt die stedelijke chaos te kunnen beheersen. Niet dus. Helemaal géén regelgeving dan? Ach, zei de historicus Spies, de grote stad zit nu eenmaal vol regels, ze telde in de zeventiende eeuw zelfs veel meer regels dan nu. En ex-kraker Remco Daalder was blij dat de anarchie van de jaren tachtig niet meer op straat heerste ("het was toen echt knokken geblazen"), maar miste wel de vrijheid die er in de vele kraakpanden in de stad toen was. Nee, die regelgeving was er niet voor niets, want er is ook nog zoiets als veiligheid, aldus Andree van Es. Burgers èisen zelfs regelgeving van de overheid om zich veilig te kunnen voelen. Waarop Ewald Engelen er op wees dat veel regelgeving preventief is; je zou, zei hij, gewoon moeten ingrijpen als er echt iets misgaat en niet met regelgeving alles vooraf willen dichtkitten. Volgens Engelen en Stroink was er behoefte aan een ‘verlicht regime’ in de grote stad. Iemand pleitte daarop voor stadsstaat-constructies waardoor de grote stad zich meer of minder kan onttrekken aan de strenge regime van de natiestaat. Stroink oogstte bijval toen hij strengheid in het beheer van het publieke domein suggereerde (de stad moet er ’s ochtends vroeg schoon bijliggen en daar is de overheid voor), maar veel vrijheidsgraden in het private. Anders gezegd, een park moet schoon en goed beheerd zijn, maar in datzelfde park moeten ook spontane dingen kunnen gebeuren. Die combinatie van streng beheer en ruimte voor spontaniteit en hoe moeilijk dat is werd door Max van Engen mooi geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld van de Ten Catemarkt. In een zijstraat waren Marokkaanse handelaren met veel succes begonnen met de verkoop van verse groenten tegen lage prijzen; de hele markt reageerde opgewonden, er ontstond commotie. Deze opleving plaatste het stadsdeel voor een dilemma: de verandering de kop indrukken en de regelgeving streng handhaven of de handelaren hun gang laten gaan. Omdat het tij niet meer te keren leek, legde men zich uiteindelijk bij de verandering neer. Zo reageert de overheid dus op spontaniteit; ze vindt het maar knap moeilijk. Het leidde bij Carolien Gehrels tot de verzuchting dat acht overheidslagen met hun eigen regels en beleid haar ook wel eens moedeloos maakten; ook zij ervoer al die regels en bemoeizucht als belemmerend in haar handelen.

Het was een fraaie voorzetting van het debat over de creatieve stad, een discours dat enkele jaren geleden was verengd tot de vraag hoe je de creatieve industrie kon aanblazen en daarna een langzame dood gestorven. Het ging weer over de metropool als innovatief milieu, met een belangrijke rol voor kunst en cultuur. Hoe creëer je daarvoor de condities? Ik keek naar buiten. Ik moest denken aan het fraaie essay van Bram de Swaan uit 1985, getiteld ‘Amsterdam, Groot-Holland en de wereld’. Daarin wijst hij op de forumfunctie van Amsterdam voor de metropool ‘Groot-Holland’, een functie die een uitstraling heeft tot diep in het West-Europese achterland. De Swaan woonde toen nog aan de gracht. "De Amsterdamse binnenstad vervult zo’n forumfunctie en vormt zo’n monumentale achtergrond, is sinds jaar en dag het culturele centrum voor de Groot-Hollandse metropool en voor de rest van Nederland; het is een van de voornaamste cultuursteden van Europa, alleen overtroffen door Londen en Parijs, misschien geëvenaard door Berlijn en Rome." Over de gevels aan de overkant viel de avond. De gedachtewisseling in de ambtswoning van de Amsterdamse burgemeester op deze winterse vrijdagmiddag was van die forumfunctie een treffend voorbeeld. Het was gewoon een goed gesprek.

Tagged with:
 

Miljoenen regels

On 7 januari 2010, in planningtheorie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Next van 4 januari 2010:

Er wordt veel geklaagd over regelgeving en een overheid die beleid op beleid stapelt. Veel mensen denken dat er alleen maar regels bijkomen. Lees de verkiezingsprogramma’s er maar op na. Deze week nog in NRC Next een verhaal over het bruisende Berlijn en hoe Amsterdam het aflegt tegen deze ’spannende stad’. De Canadese journalist Steve Corver weet het zeker. Jaren geleden konden kunstenaars nog hun gang gaan in Amsterdam. Nu kan dat niet meer. "Zodra op grass roots level iets gebeurt, is de gemeente er als de kippen bij om mensen miljoenen regels op te leggen." Mensen als Corver vergeten dat ècht vroeger, dat wil zeggen vóór 1968 – er véél meer regelgeving was dan tegenwoordig, ook in Amsterdam. Maar dat zijn we vergeten. We meten alles af aan ”68. Neem het mattenkloppen. In Amsterdam waren er speciale mattenklopdagen en na twaalf uur ’s ochtends mocht je niet meer buiten mattenkloppen. Op een alleraardigste website van stadsdeel Oost lees ik: "Vroeger kon je niet zomaar matten kloppen wanneer je dat wilde. De gemeente had bepaald dat je alleen op dinsdag en op vrijdag de matten mocht kloppen, en dan nog slechts tussen 9 en 10 uur. Alhoewel ik geloof dat het voor 8 uur op elke dag ook wel was toegestaan, maar de dinsdag en de vrijdag herinner ik mij als de mattenklopdagen. En de politie zag erop toe dat de mensen zich daaraan hielden. Maar de mensen waren toentertijd ook veel gezagsgetrouwer en bovendien haalde je het niet in je hoofd om op andere tijden de matten te kloppen, want dan had je zo een slechte naam in de buurt. Dat ging vroeger heel gemakkelijk."

Regels voor mattenkloppen. Regels voor het mensenpark. De stad zit vol regels. En het worden er steeds minder. Want de mensen houden zich er toch niet aan. Zit het probleem bij de overheid? Of bij de mensen zelf? Steve Corver moet zijn mening trouwens herzien. Op het eind van het artikel erkent hij dat de gemeente Amsterdam goed werk verricht met zijn broedplaatsenbeleid en tussen de regels door begrijpt hij ook wel dat Amsterdam nu eenmaal kleiner is dan Berlijn, en ook succesvoller en daardoor duurder dan de Duitse hoofdstad. Ronduit slecht geïnformeerd is hij over citymarketing. Hij vindt dat Amsterdam zijn dure geld voor citymarketing beter aan (nog meer) broedplaatsen kan besteden. Ach meneer Corver, Amsterdam besteedt jaarlijks slechts 1,5 miljoen aan citymarketing, Berlijn liefst 20 miljoen. That’s different cook! Slechte journalistiek, kortom. Waar is de mattenklopper?

Tagged with:
 

Waanzinnig

On 29 november 2009, in boeken, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 april 2009:

Aan de vooravond van de Vrijstaat Amsterdam overleed de Britse cultschrijver J.G. Ballard. Pieter Steinz schreef een necrologie in NRC Handelsblad. Volgens mij is Steinz kort daarna ook overleden. Enfin, door de drukte had ik nauwelijks tijd zijn tweekolomstekst tot me te nemen; ik knipte hem nu pas uit de krant. Het was George Brugmans die me jaren geleden op het spoor zette van Ballard en diens science fiction-achtige oeuvre. Intrigerend vond ik het hoe deze schrijver een principe dat hij waarneemt in de realiteit in zijn uiterste consequentie doorredeneert. "Zie mijn verhalen als wegen die we kunnen kiezen: ik laat zien waartoe ze leiden," zei hij ooit. Dat is geen science fiction meer, maar fictie van een klasse waar vooral Kurt Vonnegut een patent op had.

Steinz citeert uit een oud CS-interview met Ballard: "De technologische maatschappij berooft ons van meer en meer morele beslissingen. Tegelijkertijd eisen we in ons privéleven juist steeds meer vrijheid. En dat is geen wonder, want in een door de staat gecontroleerde maatschappij is het eigen hoofd het enige domein waar de verbeelding haar gang kan gaan. In een totaal gerationaliseerde staat is waanzin de enige vrijheid."

Tagged with:
 

Weinig opwekkend

On 27 oktober 2009, in internationaal, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 26 oktober 2009:

Amsterdam is een Vrijstaat en tegelijk geen echte Vrijstaat meer. De vijf buitenlanders met wie de curator een avond lang sprak waren opvallend gelijkstemd ten aanzien van de staat waarin Amsterdam op dit moment verkeert. Stuk voor stuk vonden ze vervelend om het te zeggen; en keer op keer verontschuldigden ze zich voor hun klagerige toon, maar het was niet anders: het vrijgevochten Amsterdam had zijn vrijheid verloren.

Ann Demeester, Belgische en directeur van De Appel, prees het culturele klimaat in Amsterdam – de tentoonstelling Vrijstaat met zijn pseudo-utopische plannen vond ze daarvan een bewijs -, maar de vrije ruimte om dingen te creëren was wel verloren gegaan, zowel fysiek als geestelijk. Projecten in de openbare ruimte konden domweg niet meer en ook in leegstaande gebouwen waren vergunningen vereist die niet meer werden afgegeven. Deborah Abrahams, afkomstig uit Engeland, was ooit via Spanje naar Amsterdam gekomen vanwege het vrijgevochten klimaat. Alles kon hier, alles was mogelijk, er was geen instantie die dingen verbood. Voor iemand die theaterstudies had gevolgd, was het een heerlijk klimaat om in te werken en te wonen – heel anders dan elders in Europa. Maar Amsterdam was dit vrije helemaal kwijtgeraakt, al woonde en werkte ze nog steeds met veel plezier op dezelfde plek in de stad. Alleen, niets leek meer te kunnen, overal doken instanties op die dingen verboden. Zena Hockley, uit Londen, vond Amsterdam nog steeds veel leuker en opwindender dan de Britse metropool. Amsterdam was een ‘bubble’, een eiland in een zee van intolerantie. Zij, maar ook Deborah en Ann, gruwden van de benepenheid die Nederland op dit moment in haar greep had. Het recente kraakverbod, aangenomen door de Tweede Kamer, vonden ze symbool staan voor de kleinburgerlijkheid van de Nederlanders in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw.  Cyrus Clark, een Amerikaanse architect uit de omgeving van Chicago, had eerst Rotterdam geprobeerd, maar na zes jaar had hij het daar wel voor gezien gehouden. Amsterdam was zijn nieuwe bestemming. Inmiddels was Amsterdam de enige plek in Nederland die hem beviel – aan de rest van het land moest ook hij niet denken. Ann meende dat buitenlanders op dit moment zich nog steeds aangetrokken voelen tot Amsterdam vanwege het imago van vrijheid. Ook geloofde ze dat dit idee nog lang zal naijlen en dat ook de komende jaren buitenlanders om deze reden naar Amsterdam zullen komen. Terwijl de vrijheid allang verdwenen is. En ook niet meer terug zal komen. Hen wachtte een grote teleurstelling.

Ronduit vernietigend waren de buitenlanders over de stadsdelen en hun regelgeving. Wilde je iets doen in Bos en Lommer of in Oud-West of in Oost-Watergraafsmeer, steeds waren er andere ambtenaren en weken de regels af van die van de buren. Ondertussen bleven de straten vies en vuil. In welke grote stad in de wereld zet je je vuilnis nog in een zak op straat? Amsterdam werd bestuurd als een verzameling dorpen, klaagde Axel Rüger, afkomstig uit Dortmund en sinds drieënhalf jaar directeur van het Van Goghmuseum. Rüger, die zowel in steden in Amerika als in Londen heeft gewoond en gewerkt, kon het maar niet begrijpen. "Maak zo’n Museumplein nou grootstedelijk! Maar nee, dat durven de bestuurders van de Centrale Stad niet. Alsof ze bang zijn voor de stadsdelen en hun deelraden." Hij zei dat hij kon leven met de samenwerking tussen Oud-Zuid en Centrale Stad van dit moment en het zou ook wel goedkomen, maar: wat duurde het allemaal lang! Op de opmerking dat Londen toch ook bestond uit tientallen boroughs, repliceerde hij dat zijn eigen borough, Westminster, even groot was als heel Amsterdam. Nee, hij gruwde van het polderen van de Amsterdammers.

Lyrisch waren de buitenlanders over het multiculturele karakter van de Amsterdamse buurten. Deborah woonde in de Staatsliedenbuurt en had een Vietnames onderbuurman, Iraniërs, Fransen en Turken naast en boven zich. Zena wentelde zich in de multiculturele gemeenschap van haar buurt. Axel vond de mix van wonen en toeristen in de binnenstad waar hij woonde heel prettig en aangenaam. Zeker geen Venetië. "Hou nou eens op met dat klagen over al de toeristen op hun fietsen of wandelend op de fietspaden, wees blij dat ze er zijn!" Ann prees de wijze waarop Amsterdam omgaat met haar historische binnenstad. Ze vergeleek het met de wijze waarop de burgemeester van Brugge had gedreigd om tarief te heffen voor bezoekers van de binnenstad. Als provocatie. Maar toch. En Cyrus vond IJburg de enige stadsuitbreiding in Nederland die geen buitenwijk was, al kon je het nog geen echte bestemming noemen. Wel was de dichtheid goed. Op den duur zou daar een interessant stadsleven kunnen groeien. Almere daarentegen vond hij verschrikkelijk. Een waanidee van Hollandse maakbaarheid. Creëer dan echte suburbane gebieden. Maar dat gebeurde in Nederland weer niet. Een typisch voorbeeld van, opnieuw, polderen.

Hoe was het om je als buitenlander te settelen in Amsterdam? Zena was daarover het duidelijkst. Als free mover had ze zichzelf moeten redden. Dat viel niet mee. Het duurt twee jaar voordat je doorhebt hoe de dingen hier werken. En om aan die moeilijke taal te wennen. Alles is hier dichtgeregeld, ingewikkeld gemaakt, gebureacratiseerd. Het vergt veel doorzettingsvermogen om vol te houden. Ben je de grens van twee jaar gepasseerd, dan blijf je vaak wel. Veel van haar vrienden hadden het niet volgehouden en hadden de stad voortijdig verlaten. Geen fijn land wat dat betreft. Axel had van vrienden de extreme huurprijzen gehoord die hier werden gevraagd aan buitenlanders voor gemeubileerde appartementen. Hij sprak er schande van. Hoe kan dat nou, zo’n extreme schaarste aan fatsoenlijke woonruimte voor buitenlanders, terwijl de stad het in economische opzicht steeds meer van buitenlanders moet hebben. Wachtlijsten, vertelden de anderen, werken niet. Je wilt als buitenlander snel handelen. Vrienden en netwerken die je helpen, heb je vaak niet. Ook de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum, afkomstig uit LA, was op dit moment woonruimte aan het zoeken, zei iemand. Ook zij had zich over het tekort verbaasd. Ann, Deborah en Zena, ze hadden allemaal een woning moeten kopen. Maar zij waren dan ook voor langere tijd gebleven. Ze konden moeilijk namens al diegenen spreken die hadden afgehaakt. Nee, geen opwekkende avond. Nogmaals, de buitenlandse gasten, beleefd als ze waren, bleven zich ervoor verontschuldigen. Ik voelde me ook bezwaard. Ik dacht, wat jammer dat er zo weinig Amsterdammers aanwezig zijn om deze verhalen aan te horen.

Tagged with:
 

Verhelderend

On 24 oktober 2009, in stadsvernieuwing, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 23 oktober 2009:

Remco Daalder, stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening, was moderator deze avond. Er werd gesproken over het ontwerp van Karres en Brands voor de Oostelijke Eilanden. Motto: Bedreigde vrijheid. Zelf kwam Daalder van Kattenburg, een van de eilanden. Bijna zijn hele familie kwam van Kattenburg: zijn ouders, grootouders en overgrootouders – vier generaties Daalder. Niemand in de zaal kon daaraan tippen, ook geen van de aanwezige bewoners. Hij schilderde met scherp oog voor detail het leven op de eilanden, het isolement, de dicht opeengepakte mensenmassa, de slechte woningtoestanden, het anarchisme, de vrijheid, de eigen wetten, maar ook de vele kroegen, het drankmisbruik en de knokpartijen tussen de Kattenburgers en de Wittenburgers op de brug die de beide eilanden van elkaar scheidde, het familieleven per woningblok, de intense sociale controle waaraan zijn moeder na de oorlog maar wat graag ontvluchtte. Want na de oorlog werden de bouwvallige huizen op de eilanden afgebroken en in stadsvernieuwing opnieuw opgetrokken. Weg kroegen, weg sociale leven, weg isolement. "We hebben het vanavond over vrijheid en isolement. Laten we niet vergeten dat het isolement van de eilanden twee kanten heeft, evenals die zogenaamde vrijheid."

Marco Broekman van bureau Karres en Brands construeerde daarna het verhaal over ‘bedreigde vrijheid’. Het ontwerp, dat niet als een plan mocht worden opgevat, was opgebouwd uit drie interventies: het autovrij maken van de eilanden, het terugbrengen van het isolement door het terugbrengen van het water en het introduceren van tien ‘vrijdenkplaatsen’ – ommuurde open ruimtes die telkens voor tien jaar werden uitgegeven aan bedreigde kunstenaars, politici en intellectuelen. De ‘evenementisering’ van de binnenstad zou aan de Oostelijke Eilanden voorbij gaan, want de ontwerpers "wilden niet alles met elkaar in verbinding brengen" – de toeristenstromen gingen over fiets- en voetgangersbruggen via de Valkenburgerstraat naar de cruiseterminal via de mond van de IJtunnel, die herschapen was in een heus ”Museumsinsel’ met nog drie musea erop en de tunnel buiten werking gesteld. Zo ontstond het paradoxale beeld van een druk bezocht NEMO-eiland en een verstild eilandenrijk dat de ontwerpers nota bene vergeleken met Venetië: een geheel autovrij eilandenrijk, bevolkt door 60.000 Venetianen, maar tegelijk bezocht door miljoenen toeristen uit de hele wereld. Broekman rook onraad; helemaal consequent, gaf hij toe, was zijn redenering niet.

Enfin, het isolement hoefde van de aanwezige bewoners niet terug en helemaal autovrij maken, daar geloofden ze niet in. "Mensen moeten toch met hun auto, af en toe." Daalder geloofde zelfs dat auto’s op straat goed is voor de sociale controle. "Mensen kijken eerder op straat als ze iets horen, bang als ze zijn dat hun auto wordt beschadigd". Maarten Kloos, directeur van ARCAM, richtte zich op de versterking van het isolement. Hij was teleurgesteld in de ontwerpers, zei hij. Hij wilde nog veel meer water graven. Maar het gesprek concentreerde zich al snel op de derde interventie, want vooral tegen de ‘vrijdenkplaatsen’ rees bezwaar. Fons Elders, de filosoof, bewoner en initiatiefnemer van het Vierwindenhuis op de kop van Wittenburg, dacht dat het ‘gated communities’ waren en vertelde van het binnenterrein van zijn bouwwerk, waar ‘nooit een politieman zou mogen komen’, maar dat wel vier ingangen kende die altijd open stonden, al twintig jaar. De curator bracht in dat hier de overheid de vrijheid van het zwakke beschermde en zijn rol van ‘nachtwakerstaat’ op zich nam. De verwijzing van Broekman naar het gedwongen verblijf van Ayaan Hirshi Ali gedurende de bedreigingen aan haar adres op de eilanden, in het Marine-etablissement, bracht Kloos in verwarring, die dacht dat bunkers in het spel waren en die vertelde hoe hij vanuit zijn raam bij ARCAM op de commandantswoning uitkeek waar Ayaan verbleef. "Ze woonde er schitterend, in een prachtige villa, aan het water, omringd door groen!" Daalder verwees naar de activiste LaDonna Redmond, die in de ghetto’s van West-Chicago groenten in moestuinen was begonnen te kweken. "Waarom de ommuurde ‘vrijdenkplaatsen’ alleen voor bedreigde kunstenaars bestemmen? Waarom niet voor het kweken van groenten en andere vrije initiatieven?" Jeroen, die ook in het Vierwindenhuis woonde, vertelde hoe de bewoners de inrichting van de eilanden het liefste zagen. Het klonk alleszins redelijk en sloot in veel opzichten op het ontwerp van Karres en Brands aan. Ze hadden moeite met de wijze waarop het stadsdeelbestuur de eilanden zag en hoopten op een nieuw bestuur met andere inzichten. Hij verwees naar de vrijplaatsen langs de Dijksgracht. Die vond hij in orde, hij noemde ze vrijplaatsen en hoopte dat ze zouden blijven.

In de loop van de avond begonnen de aanwezigen steeds meer te begrijpen dat de maquette geen plan verbeeldde, maar heel iets anders. Er ontspon zich een gesprek waarbij hele praktische zaken werden afgewisseld met de meest abstracte filosofische redeneringen. Fons Elders miste bijoorbeeld een filosofische basis onder de ideeën rond vrijheid in het ontwerp waardoor alles aanvechtbaar was en uiteengeslagen kon worden, terwijl de curator vroeg of we niet ergens op de eilanden zouden kunnen beginnen met het autovrij maken. En als de bewoners er niets voor voelden, zouden we het ontwerp dan niet kunnen realiseren op de eilanden van IJburg Tweede Fase? "Stel je voor, 8000 huishoudens zonder auto voor de deur, overal kinderen spelend op straat, op elke hoek weer een winkeltje of een kroeg, een Vlieland-gevoel voor de kust van Amsterdam, tien Blijburgen erbij!" Wiebe Eijbers verwees naar het GWL-terrein in Westerpark. Ook daar was de auto radicaal uit de buurt gehaald. Het kan! Tuinen waren ervoor in de plaats gekomen, en café restaurant Amsterdam. Al tien jaar wonen de mensen daar zeer tevreden. Vrolijk eindigde de avond met een commentaar van Remco Daalder op alle ideeën. Daarmee sloot hij de cirkel die hij twee uur eerder geopend had.

Tagged with:
 

Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with: