Gelezen in ‘Geography of Patisserie’ (2012) van Kai van Hasselt:

De nieuwjaarswensen van Kai van Hasselt, directeur van Shinsekai Analysis, gingen vergezeld van een prachtige kaart van Amsterdam met toelichting. Ook ik ontving er een. Op de kaart staan twintig banketbakkers in en rond de Amsterdamse binnenstad gelokaliseerd, elk voorzien van een eigen invloedssfeer. De straal en de kleur van hun invloedssfeer vertellen iets over de nabijheid van winkels. “The map shows the intensity of Amsterdam’s pastry urbanism.” 2013 verklaart Van Hasselt tot het jaar van de ‘Patisseries sans frontières’. “Patisseries give a sense of joy to the city. They are the icing on the cake, so to say. What about 2013? What will the year bring? Dark chocolate for darker times or sweets to celebrate?” Volgens Van Hasselt geeft de aanwezigheid van banketbakkers in de buurt een goed beeld van de plaatselijke vastgoedwaarden. Waarop hij zich de vraag stelt of ontwikkelaars met de introductie van banketbakkers de waarde van hun bezit ook kunnen verhogen. “’The proof of the pudding is in the eating and the challenge is out there for a real estate developer and a pastry chef to collaborate and make it work.”
Hoe zit de Amsterdamse geografie van de banketbakkers in elkaar? De zaken volgen een rode band van de binnenstad (grachtengordel) via het Museumplein en de Vondelparkbuurt naar de Zuidas. Ter weerszijden liggen bescheiden concentraties: de Haarlemmerbuurt en Oost. De meeste zaken treft men aan in de zuidelijke binnenstad en bezuiden het Vondelpark. Inderdaad, daar zijn de vastgoedwaarden het hoogst. Om ons definitief te overtuigen heeft Van Hasselt op de achterkant foto’s toegevoegd van banketbakkerszaken in de belangrijkste steden van de wereld: Parijs, New York, Kyoto, Basel, Zurich, Londen, Istanbul, Düsseldorf, Maastricht. Deze ‘geografie van de verleiding’ ziet er overtuigend uit. Hij heeft gelijk. In een metropolitane voedselstrategie kan dit aspect, dat teruggaat op de oude paleiscultuur en traditie van de Europese aristocratie, zeker niet ontbreken.
Gelezen in NRC Handelsblad van 4 november 2011:

Elke dag verliest Nederland 17,5 hectare landbouwgrond. Elke dag zijn er zes boeren minder. Telde ons land in 1960 nog 270.000 boeren, nu zijn er nog amper 68.000 agrariërs over. Toch neemt de agrarische productie nog steeds toe. Die vindt in toenemende mate plaats in kassen. Die kassenverbouw is echter sterk afhankelijk van olie en aardgas en ook van schaars wordende fosfaatertsen. Veel van ons voedsel wordt bovendien geïmporteerd dankzij een transportsector die al even afhankelijk is van olie. Een artikel van Sietz Leeflang en Jan Willem van der Schans in NRC Handelsblad luidde een tijdje geleden de noodklok. Leeflang is voorzitter van De Twaalf Ambachten, Van der Schans is onderzoeker aan de Wageningse Landbouwuniversiteit. In hun artikel stellen ze dat wij ons niet langer buiten de natuurlijke kringloop van onze planeet kunnen plaatsen. Hun argumenten klinken plausibel. Maar worden zij gehoord?
In hun artikel schrijven ze over de herontdekking van natuurlijke hulpbronnen die in stedelijk afval zitten en die heel goed zouden kunnen worden aangewend door de Nederlandse land- en tuinbouwsector. De landbouw ontbeert echter deze waardevolle grondstoffen omdat ze via het riool worden afgevoerd. In Amsterdam wordt het rioolslib zelfs verbrand. “Dit is verspilling, zeker nu verantwoorde recycling tot compost mogelijk is, die ook voor aanmerkelijke structuurverbetering van landbouwgrond kan zorgen.” Daarom stellen ze voor om over te stappen op zogenaamde ‘kringlooplandbouw’. Die bestaat uit stadsgerichte boerenbedrijven in groene zones rond de grote steden. Ze spreken zelfs van een ‘eetbaar metropolitaan landschap’. Hun voorstel herinnerde me aan de lezing van Susan Taylor, onlangs in Washington gehouden, over de zogenaamde ‘sewage gardens’ die ten tijde van Baron Haussmann in een zone rond Parijs werden aangelegd. De lozingen uit het pas aangelegde riool – destijds een technisch hoogstandje van de stadsingenieurs – werden daar gebruikt voor bemesting van tuinbouwgrond via uitgekiende irrigatietechnieken, alles speelde zich net buiten de vestingmuren van Parijs af. Emile Zola heeft ze nog in een van zijn romans beschreven. Ze lagen bij Batignolles, op de plaats waar nu een park aangelegd wordt. U moet het maar nalezen. Lijkt me overigens echt iets voor de volgende Floriade. Het komt allemaal terug. Als een echte kringloop.
Gehoord op 5 mei 2012 in Washington DC:

De ochtend van de tweede dag van het symposium ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, was geheel gewijd aan Parijs. Al tijdens het ‘Ancien Regime’ waren de zogenaamde ‘kitchen gardens’ in en rond de Franse hoofdstad een bezienswaardigheid. De ‘Marais’ liepen in een band rond Parijs van het noorden naar het oosten, ze waren bestemd voor intensieve groenteteelt, op de zuidhellingen van de stad groeiden druiven. Florent Quellier van Université Francois Rabellais vertelde er het volgende over: “Not only were the Parisian kitchen gardens spaces of modernity, displaying technical advances such as fertilizing, climate control, and pruning techniques, they also illustrated the concept of urbanity and civility.” Kortom, innovaties in de land- en tuinbouw vonden in steden plaats, ze waren onderdeel van de beschaving, dit is trouwens van alle tijden. Soortgelijke innovaties behandelde Susan Taylor-Leduc van Trinity College in Parijs. Zij vertelde over de ‘jardin maraichers’ even buiten de vestingwerken in de negentiende eeuw, die het sterk vervuilde maar vruchtbare water uit de pas aangelegde riolering van Baron Haussmann gingen gebruiken voor bevloeiing van het land. “The concept of a circulus, an interconnected organic system, inspired 19th-century engineers, hygienists and chemists to industrialize the process of intensive fertilization practiced by market gardeners to irrigate land with non-human waste.” In 1893 werd bij Gennevilliers een ‘sewage farm’ gesticht die uiteindelijk tweeduizend ares land met stront bevloeide; jaarlijks werden daar meer dan 40.000 witte, groene en rode kolen geoogst, die buiten Les Halles aan de burgers van Parijs werden verkocht.
Het derde deel in de reeks Parijs-lezingen werd verzorgd door Meredith Tenhoor van Pratt Institute. Zij liet haar licht schijnen over de twintigste eeuwse voedselvoorziening van de Franse hoofdstad en andere Franse steden in de vorm van de naoorlogse ‘Marchés d’Interet National. De voedselmarkt van Rungis ten zuiden van Parijs was er een onderdeel van. De staat ontfermde zich over het voedsel, dat tot dan toe lokaal werd georganiseerd. Door deze grootschalige, aan de nationale spoorwegen gekoppelde marktplaatsen werd het Franse landbouwbedrijf en de organisatie van de steden totaal veranderd. Voedselproductie werd op slag grootschalig en industrieel. Het voedsel, zo centraal in het stedelijke leven, verdween in luttele jaren uit de stad en verschoof naar de periferie, het raakte uit het zicht van de burgers en maakte zowel voedselproductie als voedselconsumptie volkomen anoniem. Weg was het rijke culturele leven van de Parijzenaar waarin voedsel zo’n voorname rol speelde. Toch geloofde Tenhoor dat Rungis een nuttige rol kan spelen in een terugkeer naar duurzamer, meer lokaal georiënteerde voedselpatronen. Hoe precies, dat vertelde ze er niet bij. Het was een klein lichtpuntje in een verder somber stemmende ochtend.
Gehoord op 4 en 5 mei 2012 in Washington DC:

Een interessante bijdrage leverde ook Tal Alon-Mozes aan het congres ‘Food & The City’ op Dunbarton Oaks, Washington DC. Haar paper ging over Israelische voedsellandschappen in de twintigste eeuw. Minder bekend dan de roemruchte Kibbutzim waren de kleine stedelijke boerderijen in en rond Tel Aviv die voedsel leverden aan de Joodse migranten die zich vanaf de jaren ‘20 vestigden in Palestina. Als voorbeeld noemde ze Kiryat Avoda. Volgens de volkstelling van 1942 waren er 4669 kleine stadslandbouwbedrijfjes in Palestina. Hun agrarische activiteiten waren geïnspireerd door Ebenezer Howard’s idee van de ‘garden city’ en Leberecht Migge’s gemeenschapstuinen. Het waren vooral vrouwen die het tuinieren in praktijk brachten. Economisch stelde het volgens Alon-Mozes allemaal niet veel voor, maar in de opbouw van het land speelde het verschijnsel een uitermate belangrijke rol. Stadslandbouw werd zelfs een zeer prominent onderdeel van het eerste Nationale Masterplan voor de jonge staat Israel, door Arie Sharon opgesteld (1951). Alon-Mozes: “In nurturing a domestic vegetable garden, one was implementing the essentials of the nation’s revival: productivity, native connectedness to the land, independence and self-fulfillment.” Later zou stadslandbouw in de vergetelheid raken en geen rol meer spelen in de opbouw van het Joodse land.
Tal Alon-Mozes vertelde dat het idee van stadslandbouw ook in Israel weer een comeback maakt. Met name door NGO’s worden achtergestelde groeperingen aangespoord om zich door middel van tuinieren te emanciperen, vooral de recente migranten uit Ethiopië verbouwen hun eigen groente om te integreren in de harde Israelische samenleving. Wat me vooral bijbleef van haar paper waren de aspecten van stadslandbouw die minder met voedsel te maken hebben, maar veeleer met het sociale, zoals vrouwenemancipatie, onafhankelijkheid, zelfverwerkelijking en zelfvertrouwen. In Israel lijkt stadslandbouw vooral ideologisch ingegeven, en natuurlijk ook religieus. Althans, die indruk kreeg ik. Of vergis ik me? Op een website las ik over een ‘urban rooftop garden party’ op de achtste verdieping van een gebouw in het centrum van Tel Aviv, georganiseerd door Green Prophet Jeff, alias The Compost Guy. Het deed me ergens aan denken. “So what’s the schedule for this urban farming extravaganza?”
Gehoord in Dumbarton Oaks, Washington DC, op 4 en 5 mei 2012:

Het symposium over ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, vond plaats in de Music Room, een uitbreiding daterend uit 1928 van het achttiende eeuwse landhuis waar in 1944 de geallieerden onderhandelden over de oprichting van de Verenigde Naties. In deze historische, met gedempt licht beschenen zaal klonken de historische bijdragen van David Haney (Kent University), David Rifkind (Miami International University), Tal Alon-Mozes (Technion University) en Mary McLeod (Columbia University) over de voedselproblematiek van steden in de twintigste eeuw met een merkwaardige echo. Vreemd, dat de recente trend van ‘urban farming’ zulke duidelijke historische parallellen kent. Want kort voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog en later tijdens de Grote Depressie en de wederopbouw outilleerden alle grote steden zich met tuinen, volkstuinen en tuinbouwarealen om in de eigen behoefte aan voedsel te voorzien. Deze stadslandbouw werd ook toen al gezien als sociaal, emanciperend, duurzaam en gezond. Haney plaatste de figuur van ‘the Anarchist Prince’ Leberecht Migge centraal, en alle latere sprekers refereerden aan deze unieke Duitse tuinarchitect uit het Interbellum. Zo mogelijk nog opmerkelijker vond ik dat alle sprekers erop wezen dat deze stedelijke beweging steeds gepaard was gegaan met oproepen tot ‘spontane’ en ‘organische’ stedenbouw. Migge schreef over ‘Die Wachsende Siedlung’ en Le Corbusier tekende zijn ‘Ferme Radieuse’ en zijn ‘Village Radieux’
Iemand in de zaal vroeg of de populariteit van stadslandbouw en van organische stedenbouw misschien iets te maken heeft met de crisis. Gaan mensen hun eigen voedsel verbouwen zodra er sprake is van ernstige maatschappelijke ontwrichting? En verlangt iedereen ineens naar zelfbouw en ongeplande buurten als de economie stevig neerwaarts gaat? Geen van de historisch geschoolde sprekers durfde dit te ontkennen. Hun verhalen hadden ze geplaatst in situaties van grote maatschappelijke onrust, armoede, ontwrichting, idealisme, bevlogenheid en hoop. Hier een bloemlezing van Twitter-volgers die, door mij gevraagd naar de reden waarom stadslandbouw wereldwijd op dit moment zo populair is, antwoordden: omdat het zo leuk staat in de media, vanwege imagoverbetering van eigenaren, vanuit het besef dat langeafstandsrelaties met landbouw en voedselvoorziening onzeker en niet transparant zijn, om dezelfde reden waarom we in het voorjaar krokussen en hyachinthen op tafel zetten, vanwege de structurele leegstand en de duurzaamheid, omdat het zo leerzaam is voor kinderen. Iemand zond me een samenvatting van een boek van André Viljoen en Han Wiskerke, getiteld ‘Sustainable food planning: evolving theory and practice’. Daarin worden voedselveiligheid en duurzaamheid van de voedselproductie als de belangrijkste aanleidingen genoemd. “In the wider contexts of global climate change, resource depletion, a burgeoning world population, competing food production systems and diet-related public health concerns, new paradigms for urban and regional planning capable of supporting sustainable and equitable food systems are urgently needed.” Dat laatste klinkt behoorlijk verontrustend. Het antwoord is dus ja.
Gelezen in ‘Low City, High City’ (1983) van Edward Seidenstick:

Jordan Sand van Georgetown University had een paper geschreven over ‘How Tokyo invented Sushi’. Zijn verhaal droeg hij afgelopen week voor tijdens het ‘Food & The City’ symposium in Washington DC. Sushi zoals wij dat als lekkernij kennen is een uitvinding, gedaan in Tokio rond 1820. Het gerecht bestaat uit gekookte rijst, gedrenkt in azijn, met rauwe vis er bovenop. Sushi is tegenwoordig even populair als pizza, maar tweehonderd jaar geleden kenden alleen de inwoners van Tokio het gerecht. Tokio was op dat moment een van de grootste steden ter wereld, de stad telde meer dan een miljoen inwoners. In de achttiende eeuw trof men in Tokio al zeer grote restaurants aan met soms wel meer dan 200 man bedienend personeel. Dat op grote schaal buiten de deur eten hield verband met de aard van de inwoners en hun werk. Tokio werd in de zestiende eeuw gesticht als garnizoensstad van de Shoguns en heette destijds Edo, haar bevolking bestond uit mannelijke adel, priesters en een zeer omvangrijke bureaucratie. Mede daardoor telde de stad veel prostituees. Sushi, aldus Sand, is een erotisch gerecht, een soort van negentiende eeuws fast food dat relatief snel gegeten kon worden door de mannen en hun tijdelijke vriendinnen.
Sushi werd in Tokio zo populair dat de baai voor de kust in relatief korte tijd werd leeggevist. Alle dorpen rond de baai leefden van de visvangst ten behoeve van de sushi-keuken. Er was wel regulering van de vangst, maar die werd na 1870 door de opening van Japan voor buitenlanders opgeheven. De visvangst werd daarna verruild voor de teelt van zeewier. Ook deze zeewier werd weer hoofdzakelijk gebruikt voor de bereiding van sushi. Grote delen van de baai werden hiervoor aangewend. Tot ook deze zeewierbedden moesten wijken, maar dat gebeurde pas begin jaren ‘60 van de twintigste eeuw, toen de zeevaart onbelemmerde toegang tot de baai eiste en de landwinning, gebaseerd op visionaire stedenbouwkundige plannen, aldaar grootse vormen aannam. In ‘Low City, High City’ vergelijkt Seidenstick Tokio met Washington. Beide steden zijn gestichte hoofdsteden, al verbleef de keizer in Kyoto. “More like Washington than London or Paris, it was an early instance, earlier than Washington, of a fabricated capital.” Met geen woord rept hij over sushi. Sushi lijkt echter de verbindende schakel tussen beide hoofdsteden. Zelden zag ik buiten Tokio zoveel sushibars als in Washington DC. Ambtenaren en sushi, een gouden combinatie.
Gehoord in Amsterdam op 12 april 2012:

Interdisciplinaire studievereniging Bèta-Gamma vierde afgelopen week haar lustrum met een heus congres. Het ging over ‘Metropolis. Over de stad van morgen’. Ik was een van de sprekers. De spreker voor mij heette Madeleine van Mansveld, ze is verbonden aan de Universiteit van Wageningen als landschapsecoloog. Van Mansveld sprak over ‘metropolitane voedsel clusters’. Steden, zei ze, bepalen steeds meer de aard van de voedselproductie. Voedsel wordt een modeartikel. Neem bijvoorbeeld hash: het is een van onze grootste exportartikelen. Ook de wijze waarop het voedsel wordt geproduceerd, wordt steeds kritischer door stedelingen gevolgd. Duurzaamheid is belangrijk, de ethische dimensie staat voorop. Echter, de voedselproductie blijft achter bij de economische groei. Daarom is er een tweede voedselrevolutie nodig. Denktanks van ondernemingen, overheden en kennisinstituten rond Wageningen hebben daarom het volgende bedacht. Er moeten agroparken dicht bij de steden komen, liefst in havengebieden. Op die zeer grootschalige agroparken zullen plantaardige ketens, dierlijke ketens en afbrekende ketens (van algen en paddestoelen) worden samengebracht. Door er bovendien de verwerkende industrie tegenaan te zetten, ontstaan stedelijke agrocomplexen waar de kringlopen zullen worden gesloten. Ziektes krijgen dan niet meer de kans, want transport – de grote boosdoener in deze – wordt tot een minimum beperkt. O ja, het platteland wordt dankzij de agroparken weer een plek voor wonen, natuur en recreatie; megastallen horen daar immers niet thuis.
Dat de stedelingen steeds meer eisen stellen aan hun voedsel staat buiten kijf. De agrarische sector kan niet meer ongestoord zijn gang gaan. Maar zullen de stedelingen reusachtige agroparken in hun achtertuin wèl accepteren? Ik betwijfel het. Die twijfel bespeurde ik ook bij de studenten in de zaal. Kritische vragen over de bio-industrie werden op Van Mansveld afgevuurd. Juist deze week las ik in ‘De wil tot technologie’ (2012) het hoofdstuk waarin Kevin Kelly zich afvraagt of een grootschalige, op aardolie draaiende landbouw echt onvermijdelijk is. Zeker, hierdoor is in het verleden op grote schaal goedkoop voedsel geproduceerd. Maar die werkwijze heeft volgens hem en anderen geen toekomst meer. “Volgens veel voedseldeskundigen is het probleem van de huidige voedselproductie dat ze sterk afhankelijk is van monoculturen (geen diversiteit), van te weinig verschillende gewassen (wereldwijd maar vijf), wat een onevenredig intensieve toepassing van medicijnen, pesticiden en herbiciden noodzakelijk maakt, de landbouwgrond vervuilt (vermindering van kansen) en voor zowel energie als voedingsstoffen te zwaar op goedkope aardolieproducten leunt (verminderde vrijheid).” Kelly ziet meer in een gedecentraliseerde, heterogene landbouw van lokale, gespecialiseerde boerderijen, eventueel bemand door robots. Zo’n voedselproductie voldoet wèl aan de eisen van goede technologie; ze vermeerdert de keuzes en vergroot de vrijheid. Stedelingen zullen, denk ook ik, zo’n landbouw eerder accepteren dan die Wageningse agroparken.
Gelezen in The Atlantic van 28 maart 2012:

Obesitas is een van de alarmerendste trends in de gezondheidstoestand van Amerikanen. In The Atlantic verscheen dezer dagen een artikel van de hand van Kaid Benfield, directeur van het ‘Sustainable Communities and Smart Growth programme’ van de Natural Resources Defense Council. Een daarin opgenomen statistiek toont de snelle groei van het verschijnsel over de laatste veertien jaar. Waren in 1994 alleen nog de staten in het zuiden van de VS aangedaan, anno 2008 zijn vrijwel alle staten onder invloed geraakt van obesitas. Het is alsof een felle brand uitslaat. Het gemiddelde percentage van de bevolking liep in die veertien jaar op van 15 tot 19 procent naar 25 tot 29 procent en in sommige staten zelfs tot boven de 30 procent. Het gecombineerde aandeel van overgewicht en obesitas is in de VS zelfs gestegen tot boven de 60 procent. Ook het aandeel diabetes stijgt al jaren angstaanjagend. De kans op sterfte is onder deze groep patiënten ruim tweemaal groter dan normaal. Daarmee prijkt Amerika helemaal bovenaan in de statistieken. Na de VS volgen eerst Mexico en Groot Brittannië, daarna Australië, Nieuw Zeeland en Slowakije, vervolgens Hongarije, Tsjechië, Portugal en IJsland. Helemaal onderaan treft men Korea en Japan aan. Nederland bevindt zich ergens in het midden, wat ook niet geruststellend is.
Deels heeft de epidemie te maken met slechte voeding, deels met gebrek aan bewegen. Amerikanen bewegen steeds minder. Duitsers bijvoorbeeld bewegen veel meer, net als Brazilianen. Hoe dit komt? Volgens Benfield heeft dit alles te maken met hoe de Amerikaanse steden zijn ingericht. Ze zijn helemaal gebouwd op de auto. Hij haalt Howard Frumkin aan, een expert op het gebied van obesitas, die zegt: “we have engineered walking and bicycling out of our communities.” Daarom pleit Benfield voor de herintroductie van ‘complete straten’, met gescheiden fiets- en voetpaden, fijnmaziger stratenpatronen, compactere bebouwing en buurtwinkels in plaats van shopping malls. Zulke stedenbouwkundige structuren bouw je echter niet zomaar terug – dat kost jaren. Ondertussen neemt het obesitasvraagstuk verder toe; het is een tijdbom die binnen tien jaar zal afgaan. Rest de vraag waarom ook Nederland er relatief slecht op staat. Hier zijn toch veel fiets- en wandelpaden? Jawel, maar het helpt niet. Nederlanders gebruiken relatief vaak de auto. Nederland is met zijn VINEX, na Groot Brittannië, de meest gesuburbaniseerde natie van Europa. En niemand die er iets aan doet.
Gehoord op 24 maart 2012 in Amsterdam:

Woensdag 4 april 2012 opent de Floriade in Venlo zijn poorten. Afgelopen vrijdag kwam een journalist van ‘Change Magazine’ mij interviewen over het Floriade-fenomeen. ‘Change Magazine’ is een tijdschrift over duurzaamheid en klimaatverandering; het interview paste in een zogenaamde ‘Floriade Dialoog’. De journalist vroeg me vooral over het stadsgroen en over hoe ik over stadslandbouw dacht. Stadslandbouw, antwoordde ik, is in feite een moderne beweging die de trekken vertoont van de Occupy-beweging: een grootstedelijk protest tegen de ontwikkelingen in de tuinbouwsector. Stedelingen accepteren niet langer de vervreemding van hun voedsel, van hun bloemen, bomen en planten. Stadslandbouw is ook geen antwoord, maar een protest, geen modeverschijnsel, maar een beweging. Volkstuinen kennen de grote steden al lang; nieuw is het allemaal niet, nee. Steden willen iets duidelijk maken. Hun bevolking wil weer eerlijk voedsel, eten dat zij kent en dat ze kan vertrouwen. Het is een appèl aan de tuinbouwsector om te veranderen. Daarom bezetten de mensen hun plantsoenen en braakliggende terreinen en kweken ze groenten en fruit op hun dakterrassen of balcons. Als creatief protest.
Ik betwijfel of dat ze dat in Venlo begrijpen. De Wageningse hoogleraar Arnold van der Valk vertelde me laatst over de voedselstrategie van New York, die hij drie maanden ter plekke bestudeerde. In het Hudsondal ten noorden van Manhattan gebeurt iets heel eigenaardigs. Directe verkoop van boer aan afnemer is daar sterk gestegen, van 0% naar liefst 17% (van de totale productie). De kiem ervan werd gelegd in de hongerige, ongezonde en gesegregeerde metropool van de jaren zeventig. Daar begon de stadslandbouw als een modern protest in de buurten en wijken. Inmiddels is ze uitgegroeid tot een enorme beweging die het voedselsysteem van New York radicaal wil veranderen en die zijn sporen trekt tot in de verre uithoeken van het ‘metropolitane landschap’. Ondanks de crisis groeit daar het aandeel ‘organisch’ buitengewoon snel. Het gevolg is dat nieuwe bedrijfjes in het gat springen dat de traditionele sector laat vallen. Locale en regionale voedselplanning is zelfs een belangrijk onderwerp geworden binnen de American Planning Association. Ik vertelde Van der Valk dat wij in Amsterdam sinds 2006 dezelfde voedselstrategie volgen. Hij wist het niet. “Wageningen,” verontschuldigde hij zich, “is nu eenmaal ver weg van Amsterdam.”
Gelezen in China Daily van 2 november 2011:
Niet alleen stijgt de Chinese suikerconsumptie explosief, ook de consumptie van wijn groeit sterk in China. Afgelopen jaar met liefst 16,7 procent. De inname is nog altijd veel minder dan het wereldgemiddelde van 7 liter per persoon, maar dat verandert snel. Thee wordt verdrongen door wijn. Het zijn allemaal effecten van de snelle verstedelijking en de daarmee gepaard gaande welvaartsgroei. Veel wijn in China wordt uit Australië geïmporteerd, maar in de autonome provincie Xinjiang worden ook steeds meer druiven verbouwd. Druiven vervangen daar de katoen. In het noordelijk gelegen Changyu bijvoorbeeld zijn inmiddels 4666 hectare als wijngaard in productie. Het klimaat is er droog, de bodem gunstig en met 2700 uur zon per jaar blijkt het een van de beste plekken op aarde om wijn te verbouwen. Het water komt over een afstand van 200 kilometer uit de Tainshan bergen. “The sunshine and huge day-night temperature differential result in grapes with more sugar content, according to Wang Jianguo, manager of the Xinjiang vineyards.” Het suikergehalte vorig jaar was zelf hoger dan die van de beste Bordeaux wijnen. De nieuwste trend is zelfs om organische, niet bespoten druiven te kweken. De eerste 26 hectare zijn al in bedrijf. Neem de 8ste Divisie van de Xinjiang Production and Construction Corp. Volgend jaar denkt men daar 5330 hectare in productie te hebben genomen.
In het Chinese landschap rond Changyu worden inmiddels complete Franse kastelen nagebouwd. De China Daily: “It has also built iconic chateaux at its vineyards, with another in Xinjiang – Chateau Changyu Baron Balboa – now under construction.” De tekening bij het artikel toont niet alleen een nepkasteel à la Viollet Le Duc, maar ook een Franse kathedraal. Met zijn barokke tuinaanleg wil het communistische ‘kasteel’ uitgroeien, zo lees ik, tot een van de meest prestigieuze wijnhuizen van West China. In de Grote Hal van het Volk in Peking, meldt de krant vervolgens trots, wordt uitsluitend nog wijn uit Changyu geschonken. In 2015 denkt men hier 400.000 ton wijn te produceren van de allerbeste kwaliteit. Wat schrijft Jonathan Watts over deze westelijke wijnstreek in ‘When a Billion Chinese Jump’ (2010)?: “It is not far from heaven to hell in Xinjiang.”
Dit moet dan de hemel zijn. Wat is de hel?
reacties