Economic gardening

On 14 december 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in National League of Cities van 5 december 2012:

Longmont, Colorado, telt bijna 100.000 inwoners. De stad ligt ten noorden van Denver. Haar economie was oorspronkelijk agrarisch, maar na de Tweede Wereldoorlog vestigde zich in het stadje een fabriek van IBM, evenals het luchtverkeersleidingcentrum van de Amerikaanse regering. Dit leidde tot snelle groei, maar haar economie bleef eenzijdig. Daarom besloot het gemeentebestuur, op voorspraak van een aantal bedrijfjes, in 2005 tot een wijziging van haar economische politiek. Zij ging over tot ‘economic gardening’. Economisch tuinieren volgens het principe van Longmont bestaat uit het voeden en opkweken van de lokale economie door het geven van trainingen en het aanbieden van diensten aan de lokale ondernemers. “Economic gardening seeks to focus on growing and nurturing local businesses, particularly those with an external footprint, rather than hunting for ‘big game’ outside the area.” Alle economische functies van de gemeente werden daartoe samengebracht in één alliantie. De ruimtelijke diensten werden eraan toegevoegd en letterlijk onder één dak gehuisvest. Binnen de nieuwe eenheid – LEGI – werd een informele sfeer gecreëerd, geografisch richtte de nieuwe organisatie zich op het historische centrum met zijn uitgebreide winkelstand, men benaderde elke ondernemer daar individueel. Kern van het programma is training, het geven van workshops, het leveren van data en vergunningverlening, alles op vertrouwelijke basis. De plaatselijke kennisinstellingen werken mee.

Na drie jaar zijn er al meer dan zeventig bedrijven aangesloten op LEGI. Daaronder bevinden zich veel start-ups. Data worden over en weer geleverd, er ontstaat een beter beeld van de lokale economie. “They talk about an ‘exchange of value’ – what the business can expect from the city and what the city can expect from the business.” Op de website van LEGI vertellen ondernemers over hun ervaringen met de ambtenaren, waardoor er bij de ondernemers in de stad minder argwaan tegen de overheid bestaat. “Proximity really helps here.” Iedereen kan bij elkaar binnen lopen. “When land-use regulators and economic developers are in each other’s world, they respect individual missions; they advance each other’s causes.”  Economisch tuinieren blijkt te bestaan uit het bouwen aan een lokale gemeenschap van ondernemers waarin samenwerking voorop staat, niet concurrentie. De lokale economie wordt transparant. Een stad wordt daardoor sterker, complexer, veerkrachtiger, diverser. Een proces van importvervanging komt hierdoor op gang, met schitterende bijvangsten. “The collaboration is wonderful. All of the services are interwoven, and there is a strong intention not to duplicate services.”

Tagged with:
 

Veerkrachtige steden

On 3 december 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Chicago Tribune van 29 november 2012:

De beste manier om de economie van een land te bestuderen is haar steden goed te volgen. Afgelopen week publiceerde Brookings Institution weer zijn jaarlijkse overzicht van de staat van de steden in de USA. Liefst 76 van de 300 grootste metropolitane regio’s ter wereld tellen de Verenigde Staten. Dat is meer dan enig ander land. Vandaar ook dat de VS over de krachtigste economie ter wereld beschikken. Slechts drie Amerikaanse steden presteerden het afgelopen jaar economisch weer beter: Knoxville (Tennessee), Dallas en Pittsburgh. Knoxville is een kleintje, de andere twee zijn beduidend groter. Wat hebben de drie steden met elkaar gemeen? Brookings noemt: “strong social services such as health care, and business and financial services that cater for specific industries.” Ook zijn het drie steden die hun publieke middelen zijn blijven investeren na de recessie, (al vrezen de drie steden dat Washington hen uiteindelijk zal dwingen toch te bezuinigen). "All three cities created long-term stability with local services and the public sector, and growth with business and financial services.”

De Amerikaanse steden met veel industrie, export of logistiek deden het allemaal beroerd. Opnieuw blijkt dat grote steden met een sterk ontwikkelde zakelijke dienstverlening en een krachtige publieke sector, waarin door de lokale overheid onafgebroken wordt geïnvesteerd in hoger onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en publieke dienstverlening veerkrachtiger zijn en beter bestand tegen crises dan traditionele industriële steden. Allicht, zou je zeggen, zulke dienstverlenende metropolen zijn minder afhankelijk van de rest van de wereld en creëren permanent welvaart voor hun eigen bevolking. Het zijn sociale steden waar mensen graag willen leven. Het is duurzaam, sociaal en economisch profijtelijk tegelijk.

Tagged with:
 

The Brightest Light

On 27 november 2012, in economie, by Zef Hemel

Gezien in ‘Queen of Versailles’ op 22 november 2012:

Misschien was ik wel de enige in Amsterdam die hem nog niet had gezien: de documentaire ‘Queen of Versailles’. Afgelopen week was hij te bewonderen in Holland Doc van de VPRO. Aanvankelijk dacht ik dat de film over Parijs zou gaan, maar dat bleek niet zo te zijn. Het gaat over Jackie en David Siegel en hun nieuwe huis-in-aanbouw in Miami, Florida. Dat woonhuis werd een kopie van Versailles, door het echtpaar bewonderd en nagetekend op een servetje tijdens hun huwelijksreis in Frankrijk. Het zou het grootste woonhuis van de VS zijn geworden als het was afgebouwd. Maar dat gebeurde niet. De crisis sloeg toe, in september 2008. Daarna verloor David al zijn geld, dat helemaal geen echt geld bleek te zijn. Zijn vastgoedimperium – formule: timesharing – bleek gebouwd op bankleningen, verstrekt tegen lage rente. Toen de banken instortten kon David niet meer aan nieuw geld komen. Ook zijn oude geld bleek helemaal niets waard te zijn. Alles was gefinancierd met leningen. Terwijl David probeert zijn vrouw en kinderen te leren het licht uit te doen als ze het huis verlaten, spendeert zijn vrouw – een voormalige Miss Florida – , verslaafd aan haar creditcard, gewoon door.

De film laat mooi zien hoe onze economie de afgelopen decennia vorm kreeg: met een monetair beleid dat ons tot extreem consumeren aanzette. Het blijkt allemaal botox te zijn. VINEX is in dat opzicht niet beter dan Miami of Las Vegas. Weet u nog van die Belle van Zuylentoren die Utrecht wilde bouwen in het midden van Leidsche Rijn? Vlak voor de crisis had David het grootste timesharinghotel van de wereld laten bouwen in Las Vegas. Met zijn 52 verdiepingen en 1200 appartementen torent het blauwe PH Towers Westgatehotel uit boven de andere hotels. David wil het aanvankelijk niet verkopen. Het is zijn grote trots. Echter, op het eind van de film dooft toch het licht, maar op de website staat nog steeds het volgende te lezen: ‘"With the unveiling of the PH Towers Westgate signage on top of the building, the brand name ‘Westgate’ took its place above the Las Vegas Strip illuminated with a newly patented LED lightning system boasting the largest letters of any hotel sign on The Strip. The Westgate brand is now the brightest light in Las Vegas.”

Tagged with:
 

Verplichte lectuur

On 27 oktober 2012, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Reizen zonder John’ (2012) van Geert Mak:

In zijn nieuwste boek reist Geert Mak de Amerikaanse schrijver John Steinbeck achterna op zijn tocht dwars door de VS, nu vijftig jaar geleden. Ik heb het boek gelezen. De route die Mak in 2011 aflegde is precies die waarover Steinbeck in 1960 publiceerde in zijn reisverhalen gebundeld in ‘Travels with Charley’. Charley, dat was Steinbeck’s hond. ‘Travels with Charley’ was het boek dat destijds de temperatuur opnam van het naoorlogse Amerika en dat Steinbeck’s zwanenzang zou worden. De nu even oude Mak schrijft er vijftig jaar later een nog veel dikker boek over. Te dik, als je het mij vraagt. Om kort te gaan, Steinbeck was al oud, voelde zich depressief, slikte amfetamine en vluchtte min of meer voor zijn vrouw, zijn gestrande huwelijk en zijn twee verloren zonen. Wat voor indruk van Amerika kun je dan als schrijver geven?

Opvallend is dat Steinbeck de grote steden systematisch meed. Volgens Mak verlangde hij terug naar het oude Amerika, het Jeffesonse ideaal van het stoere, eerlijke Amerikaanse platteland. Dat ideaal vond hij overigens niet meer. Over de USA was Steinbeck dan ook ronduit pessimistisch. Mak begrijpt dat achteraf wel. Maar nu, vijftig jaar later, blijkt het nog veel erger te zijn: het Amerikaanse platteland, net als het Russische, het Duitse en het Chinese, loopt leeg, raakt in verval, de mensen trekken naar de grote steden. Mak, die het verval nauwgezet beschrijft, bezoekt slechts een paar grote steden: Detroit, Chicago en New Orleans. Alleen de laatste beschreef ook Steinbeck. Mak zet hiermee de toon, want Detroit kwijnt op dit moment weg en New Orleans is de ramp van orkaan Kathrina nog lang niet te boven. Chicago is bovendien nog even woest als destijds. Daarmee levert Mak een even vertekend beeld van de USA als Steinbeck in 1960. Anders gezegd, wie ‘Reizen zonder John’ leest moet ook ‘Triumph of the City’ van Ed Glaeser lezen. Anders zou je misschien gaan denken dat de Verenigde Staten inboeten aan vitaliteit.

Tagged with:
 

Reizen zonder Geert

On 19 september 2012, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Travels with Charley’ (1961) van John Steinbeck:

Van iemand kreeg ik ‘Reizen zonder John’ van Geert Mak bij mijn inauguratie cadeau. Het was aanleiding om weer die oude pocketeditie van John Steinbeck ter hand te nemen. De hernieuwde kennismaking was verrassend. Het bleek zondermeer leuk om die zoektocht van de zestigjarige schrijver naar Amerika opnieuw te lezen.  Let wel, het is de tijd van ‘Mad Men’. Ditmaal echter geen New York, maar wel San Francisco, Montana, Mojave. Trouwens, heel Californië trekt voorbij. Steinbeck reist opnieuw door zijn vaderland na vijfentwintig jaar, maar hij vermijdt de grote steden. “Of course, I had been reading about the population explosion on the West Coast, but for West Coast most people substitute California. People swarming in, cities doubling and trebling in numbers of inhabitants, while the fiscal guardians groan over the increasing weight of improvements and the need to care for a large new spate of indigents.”

Mooi hoe hij Seattle beschrijft. Het is 1960. “I remember Seattle as a town sitting on hills beside a matchless harborage – a little city of space and trees and gardens, its houses matched to such a background. It is no longer so.” Wat ziet hij na vijfentwintig jaar? “The tops of hills are shaved off to make level warrens for the rabbits of the present. The highways eight lanes wide cut like glaciers through uneasy land.” Dit was niet het Seattle dat hij zich herinnerde. “I wonder why progress looks so much like destruction.” Dan volgt zijn analyse van de moderne Amerikaanse stad anno 1960: “When a city begins to grow and spread outward, from the edges, the center which was once its glory is in a sense abandoned to time.” Het verval begint al snel; arme mensen trekken naar binnen. “Nearly every city I know has such a dying mother of violence and despair where at night the brightness of the street lamps is sucked away and policemen walk in pairs.” Totdat ooit alles weer goed komt en de stad monumenten bouwt voor zijn verleden. Of niet. Ik ben benieuwd hoe Mak de toestand in de Amerikaanse steden, vijftig jaar later, beschrijft.

Tagged with:
 

Reusachtige visioenen

On 18 september 2012, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Over de democratie in Amerika’ van Alexis de Tocqueville:

In 1840 publiceerde de politiek filosoof Alexis de Tocqueville zijn tweede deel over de democratie in Amerika. Het eerste deel was vijf jaar eerder verschenen. De jonge staat in de nieuwe wereld fungeerde bij hem als model voor het postrevolutionaire Frankrijk. Kunst, schreef hij in deel 2, wordt talrijker en onbeduidender in de democratie dan in een absolutistische staat. Maar er zijn uitzonderingen. Vervolgens behandelde hij de ‘kunstmonumenten’ in de nieuwe hoofdstad Washington DC. “De Amerikanen hebben op de plek waarvan zij de hoofdstad wilden maken de ruimte afgepaald voor een immense stad die vandaag nauwelijks meer inwoners telt dan Pontoise, maar die volgens hen ooit een miljoen inwoners moet herbergen; zij hebben de bomen al gerooid tot tien Franse mijl in de omtrek uit angst dat deze de toekomstige bewoners van de imaginaire metropool zouden hinderen. In het centrum van de stad hebben zij een prachtig paleis gebouwd dat als zetel van het Congres moet dienen, en zij hebben het de pompeuze naam Capitool gegeven.” Niet bepaald een onbeduidend werk van een democratie, die hoofdstad.

Hoe kan De Tocqueville het imposante stedenbouwkundige werk van de Franse ingenieur L’Enfant rijmen met een democratische politiek die doorgaans slechts ‘onbeduidende’ werken voorbrengt? Immers, “nergens lijken de burgers kleiner dan in een democratische natie.” Zijn verklaring voor deze ongerijmdheid luidt als volgt: “In democratische samenlevingen wordt de verbeeldingskracht kleiner wanneer zij aan zichzelf denken en wordt zij oneindig groot als zij aan de staat denken. Dat leidt ertoe dat dezelfde mensen die klein leven in minuscule woningen, dikwijls reusachtige visioenen krijgen als het gaat om publieke monumenten.” Een teken van verlichting vindt hij die grootheidswaan niet. De Romeinen, schrijft hij, zouden nooit al die aquaducten rond hun steden hebben gebouwd als ze de wetten van de hydraulica hadden begrepen. “Het volk dat geen andere sporen van zijn verblijf op aarde achterlaat dan een paar loden pijpen in de grond en enkele ijzeren stangen aan de oppervlakte, zou meer meester over de natuur kunnen zijn geweest dan de Romeinen.”

Tagged with:
 

Stedenbouwkundig exzeem

On 24 mei 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The City in History’ (1961) van Lewis Mumford:

Mijn afscheid van Washington DC ging gepaard met een haastig bezoek aan het graf van Pierre Charles L’Enfant. Het graf van de stedenbouwkundige, ontwerper van het grondplan van de Amerikaanse hoofdstad, bevindt zich op het hoogste punt van Arlington, vlak bij het graf van John F. Kennedy. Het uitzicht is adembenemend. Van die grote afstand is niet te zien dat de obelisk zich niet in de zichtas van het Witte Huis bevindt en dat er meer oneffenheden in het barokke assenstelsel vallen te bespeuren, alsof de stedenbouwkundige zich toch nog net heeft vergist. Het plan dateert van 1791, dat is ruim honderd jaar na Versailles. In die honderd jaar beleefde de westerse wereld zeker drie revoluties: de Engelse, de Franse en de Amerikaanse. De koning maakte plaats voor de gewone burger, het absolutistische gezag werd verruild voor de democratie. In dat opzicht is het al opmerkelijk dat de jonge Amerikaanse republiek een Franse ingenieur uitkoos om haar hoofdstad te ontwerpen en dat hij daarbij een vormentaal koos die rechtstreeks ontleend was aan die van oude despotische regimes. Het plan bestaat uit hele grote lanen en pleinen, een stratenplan ontbreekt nagenoeg, evenals gebouwen. Lewis Mumford verbaasde zich al over de verkwisting van ruimte. “Only a modern highway engineer, with his extravagant intersections, could compete with L’Enfant in this reckless wastage of precious urban land.”

Mumford legde ook uit waarom de obelisk niet in de as ligt. “The framework was there, but the contents were absent. For one thing was lacking: the power to execute the plan by building.” De plek van de nieuwe stad was bovendien ongelukkig gekozen, het betrof een moeras in de bocht van de Potomac river, en daardoor kon de zware obelisk bijvoorbeeld niet gebouwd worden op de plek die er aanvankelijk voor was bestemd. L’Enfant probeerde het terrein weliswaar naar zijn hand te zetten, maar wat de overheid naliet was de grond in eigendom nemen om het plan te realiseren. In plaats daarvan verkocht zij deze aan particulieren. Zelfs de McMillan commissie uit 1901 lukte het later niet om alle gemaakte fouten recht te zetten. “Planning and building, in Karlsruhe, Versailles, St. Petersburg, went hand in hand. Under the conditions that governed L’Enfant’s work, the paper plan had no influence whatever over the contents.” De Amerikaanse overheid koos voor het model van laissez-faire. Gevolg: “The landcape was filled with a spreading mass of urban flotsam and jetsam, cast overboard in the storm of capitalist enterprise.” In 1961, toen Mumford dit schreef, was laissez-faire uit de mode, maar in 2012, als u dit leest, beleeft laissez-faire weer een ware hausse. ‘Spontane’ en ‘organische’ stedenbouw is niet anders dan wat Mumford destijds afkeurend neerzette als ‘stedenbouwkundig exzeem’. In de naam van de vrijheid werd alle sublieme orde overboord gezet.

Tagged with:
 

What’s going on?

On 23 mei 2012, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Edge City’ (1991) van Joel Garreau:

Toen mijn vliegtuig de landing inzette boven Maryland ontwaarde ik de contouren van wat Washington DC moest zijn. Die contouren leken ongedefinieerd, ze waren vaag verstedelijkt, half landelijk, half suburbaan. De autotocht van Dulles International Airport naar Georgetown voerde vervolgens een uur lang door bosachtig landschap, maar overal achter de struiken doemden anonieme kantoorgebouwen op. Niet dat Washington opvalt door echte hoogbouw, integendeel. De stad is juist laag gebouwd en eindeloos uitgestrekt. Washington zelf telt niet veel meer dan 570.000 inwoners, maar de regio is goed voor bijna vijf miljoen. De mensen die ik in Washington sprak – meest landschapsarchitecten – waren  unaniem in hun afkeurende oordeel over de stedelijke ontwikkeling: afgezien van het moordende klimaat met zijn vochtige drukkendhete zomer was de stad vooral intens lelijk geworden, want wat er de afgelopen dertig jaar in en rond Washington is gebouwd was naar hun oordeel vooral goedkoop, lelijk, van bordkarton, lukraak neergezet en eindeloos uitgestrekt.

Opeens herinnerde ik mij de laatste hoofdstukken uit Joel Garreau’s knappe studie van de Amerikaanse ‘Edge Cities’. Die gingen óók over Washington. De hoofdstad van de Verenigde Staten telde begin jaren negentig liefst zestien Edge Cities. ‘Edge Cities’ zijn moderne voorsteden die bestaan uit meer bureaus dan bedden, meer parkeerplaatsen dan huizen, steden met glazen atria en glimmende malls en eindeloos veel alleenstaande woonhuizen. In Tysons Corner bijvoorbeeld werken liefst 107.000 mensen, terwijl er slechts 17.000 mensen wonen. Dertig jaar eerder was het terrein nog weiland, korte tijd later bleek alles te zijn volgebouwd. Garreau voert de figuur van Till Hazel op, die als ontwikkelaar begin jaren tachtig aan de wieg stond van onder andere Tysons Corner, Virginia, en William Center. Hazel schroomde niet om voormalige slagvelden als die van Manassas – monumenten uit de Amerikaanse burgeroorlog – om te vormen tot ordinaire bedrijvenparken. Mensen reden indertijd door Washington met bumperstickers als ‘Have a Nice Day. Shoot a Developer.’ Garreau probeert de volkswoede te verklaren, zoals die tegen de shopping malls. Garreau: “Perhaps that is why the malls at the centers of our Edge Cities so frustrate us. The very moment they succeed in finding a way to help us express our individuality, their distributive function denies it – by spreading it nationwide.” Zou het werkelijk? Garreau schreef dit ruim twintig jaar geleden. Sindsdien is Washington alleen maar uitgestrekter geworden.

Tagged with:
 

Be yourself

On 12 april 2012, in demografie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 6 april 2012:

‘Going Solo’ heet het nieuwste boek van Eric Klinenberg, hoogleraar sociologie aan New York University. Het gaat over alleenstaanden in steden als Washington, Denver, Dallas, San Francisco en New York. Ik las een bespreking in NRC Handelsblad, geschreven door Guus Valk. Bijna de helft van de volwassen Amerikanen heeft geen gezin, in grote steden is het aandeel alleenstaanden nog groter. In Scandinavië is het aandeel nog groter dan in de VS. “Deze ontwikkeling voltrekt zich internationaal. Er is geen beschaving uit het verleden waar eerder zoveel mensen alleen woonden.” Eenderde van de alleenstaanden bestaat uit ouderen. Doordat we steeds ouder worden, wordt deze groep ook steeds groter. De andere tweederde is alleenstaand voor bepaalde tijd. “De snelst groeiende groep bestaat uit mensen tussen de 35 en 65, die ooit een tijd een lange relatie hebben gehad.” Volgens Klinenberg heeft de groei van die groep te maken met de emancipatie van vrouwen. Vrouwen kunnen tegenwoordig in hun eigen levensonderhoud voorzien. ‘Going Solo’ bevat driehonderd interviews met stedelingen die alleen leven, zonder partner. Ze blijken niet minder gelukkig of succesvol te zijn dan echtparen. Alleen wonen is ook niet langer een vloek, al wil lang niet iedereen zijn hele leven zonder verbintenis leven. De groep ‘Happy Singles’ is naar verhouding klein.

Klinenberg merkt op dat de groei van grote steden dit proces nog heeft versneld. “Een stad biedt een plek aan mensen die zich individueel willen uiten, en creëert nieuwe subculturen.” Als voorbeeld noemt hij groepen veertig-plussers die kiezen voor woongroepen, waar ze samenleven zonder te veel verplichtingen. Ook gelooft hij dat de opkomst van social media als facebook en skype het sociale leven van mensen overhoop gooit. “Interessant is dat die communicatiemiddelen mensen niet afstompen of vervreemden van hun omgeving, ze gaan juist sneller naar feesten of andere ontmoetingen.” Social media bevorderen dus het grootstedelijke leven. Klinenberg: “Er is een gigantische verschuiving van ons sociale leven gaande en niemand weet nog of dat goed of slecht is.” De strekking van zijn betoog deed me denken aan ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) van Richard Florida. Daarin schetste deze Amerikaanse econoom een beeld van nieuwe opkomende samenlevingsvormen die onze culturele economie sterk aanjagen: “Our evolving communities and emerging society are marked by a greater diversity of friendships, more individualistic pursuits and weaker ties within the community. People want diversity, low entry barriers and the ability to be themselves.” Voorwaarden voor economische groei, dat zijn het.

Tagged with:
 

Smalltown USA

On 5 april 2012, in demografie, film, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in Tuschinski Amsterdam op 1 april 2012:

Naast andere thema’s spelen ook bevolkingskrimp en stad en land een belangrijke rol in de nieuwste Muppetfilm. Hoofdpersoon Walter trekt met zijn oudere broer en diens vriendin van Smalltown naar Los Angeles. De Geyhoundbus wordt door het hele dorp vrolijk uitgezwaaid. Tot overmaat van ramp zakken alle inwoners letterlijk door hun knieën nadat de bus is vertrokken. Prompt daalt het inwonertal van Smalltown tot nog geen 99 zielen. Smalltown krimpt. Los Angeles komt nu in beeld. LA is de grote stad met de filmstudio’s, waaronder die van de Muppets, de stad waar alles mogelijk is, maar waar het oude studioterrein niettemin op instorten staat. De tijd van de Muppets lijkt voorgoed voorbij. Een rijke kapitalist, Chris Cooper, is zelfs van plan het voormalige studioterrein op te kopen, zogenaamd om er een Muppetmuseum te bouwen, maar in werkelijkheid blijkt hij alles te willen slopen om er naar olie te boren. Kermit woont teruggetrokken in een villa in Bel Air; zijn hippievrienden zijn afgezwaaid, de meesten aan lager wal geraakt, alleen Miss Piggy maakt furore in Parijs. Wauw, Parijs!!

Walter blijkt een joch uit de provincie, keurig netjes, middenklasse. In het grote Los Angeles ontmoet hij al zijn helden die hij bewondert, maar waar hij niet kan aan tippen. Hij voelt zich erg gewoon. Tenmidden van zijn onaangepaste helden gaat hij op zoek naar zijn verborgen talent. Want daar gaat de stad immers over: talent benutten, carrière maken, jezelf zijn. Tussen al die extraverte stadse types valt dat lang niet mee. Het hilarische slot van de film wordt ingeluid wanneer Walter de laatste twee minuten van de Muppet Show moet vullen; iets wat hij eerst niet denkt te kunnen, maar wat hij ten slotte toch doet door virtuoos op zijn mond te fluiten. Met getuite lippen weet hij het verwende publiek van Los Angeles voor zich te winnen. Onnavolgbaar, hilarisch, amusant. Na zijn act wordt hij tot zijn stomme verbazing opgenomen in de grootstedelijke meute van de Muppets. Hij is nu voldoende vreemd en onaangepast om mee te mogen doen. Heerlijk slot, troostrijk inzicht, onverwachte wending. Los Angeles heeft weer een ziel gewonnen, en Smalltown een ziel verloren. Heerlijke illustratie van het ‘voorstadgevoel’.

Tagged with: