Gelezen in Wired van 2 februari 2013:
Een van de leukste websites van de laatste tijd is www.tweetping.net. Het betreft een real-time visualisatie van al het tweet-verkeer van over de hele wereld. Zodra je de pagina opent begint het te stromen. Webontwerper Franck Ernewein heeft de site ontwikkeld. Nathan Hurst schreef er een kort artikel over in Wired. De wereldkaart is afgebeeld als een nachtkaart, de tweets lichten op, onderin de pagina zie je de score per continent. Hoe meer tweets, hoe feller de plek oplicht. Grote steden springen er direct uit. Met tweetping krijg je opnieuw een goed beeld van het dominante verstedelijkingspatroon in de wereld, net zoals enkele jaren terug de eerste nachtelijke satellietbeelden van de aarde waarop de verlichting te zien is ons verrasten. Tweetping is dynamischer en daardoor leuker; telkens wanneer je hem opstart bouwt het beeld zich weer op. Ik kan er uren naar kijken.
Het grote verschil met alle nachtelijke satellietbeelden is dat bij tweetping China aardedonker blijft. Dat land kleurt nog donkerder dan donker Afrika. Geen spoor van twitterverkeer in het hart van Azië, terwijl de hele Pacific Rim juist fel oplicht: Japan, Korea, Java, Sumatra, Bangkok. Het zwarte gat wordt verklaard door het feit dat de Chinese overheid het twitteren onmogelijk heeft gemaakt. Hierdoor realiseer je je dat tweetping niet zozeer de mondiale verstedelijking afbeeldt, maar de wereldwijde communicatie, met de belangrijkste steden als knooppunten. China communiceert niet met de rest van de wereld. Europa doet nog wel stevig mee, al overtreffen de aantallen Aziatische tweets, ook zonder China, nu al bij verre de Europese. En kijk eens naar Istanbul, Moskou en Dubai!
Gelezen in The Economist van 27 oktober 2012:

Dat was een aardige Special Report van The Economist over technologie en geografie. De conclusie van het katern is dat de virtuele en de fysieke wereld steeds meer verknoopt raken (“they are complements, not substitutes for each other”) en dat de technologie niet alleen mondiaal maar vooral ook lokaal georiënteerd is. “What seems certain is that life online will become more local without becoming less global.” Dat betekent dat de eenvormigheid door globalisering weliswaar blijft toenemen, maar dat tegelijk op lokaal niveau steeds meer heel specifieke plaatsgebonden diensten worden geleverd. Bovendien groeit een nieuw soort lokaliteit doordat sociale media in elke plek gebonden cultuur weer anders gebruikt worden. Met computers op zak kunnen mensen steeds meer achter de voordeur kijken (wat biedt deze winkel?) en om de hoek gluren (komt er een taxi aan?), maar ook in het verleden van gebouwen en straten kijken (wat gebeurde hier in 1945?).
De nieuwe communicatietechnologie kan steden beter maken, aldus The Economist. Door de technologie worden immers massa’s lokale data verzameld uit massa’s lokale bronnen waardoor stromen mensen, maar ook ongeregeldheden en ongelukken, beter te voorspellen en te reguleren zijn. Dat vereist overigens wel dat stedelijke instanties goed gaan samenwerken en de lokale politiek adequaat reageert. “In newly built places institutions have to be designed along with the infrastructure.” Het blad noemt Rio de Janeiro en het Mexicaanse Guadalajara als voorbeelden van ‘creatieve digitale steden’ waar nieuwe organisaties toezicht houden op lokale online diensten en die zorgen voor gelijke toegang tot alle informatie voor iedere burger. Los daarvan kunnen burgers ook zelf goedkope online diensten aanbieden wanneer overheden hun data om niet beschikbaar stellen. Helsinki, Amsterdam en Lissabon worden hier als goede voorbeelden genoemd. “Many ideas are brewing in the world’s cities, from grand projects to single apps. Some will be dead ends; others will rely on the enthousiasm of citizens, which will not always be in plentiful supply. But in lots of imperceptible ways, from better traffic management to bins that tweet when they are ready to be emptied, city life is getting better.”
Gelezen in Het Parool van 4 oktober 2012:

Afgelopen donderdag meldde Het Parool een ware opmars van de digitale media-industrie in en rond Amsterdam. Onder de kop ‘Stad magneet voor digitale media’ deed journalist Marc Laan uitvoerig verslag van een opmerkelijke trend. Bijna de helft van de Nederlandse bedrijven in de sector van de digitale media is op dit moment in de hoofdstad gevestigd, de meeste in de westelijke binnenstad, de grote jongens langs de stadsranden. Nog eens een op de vijf heeft de randgemeenten als vestigingsplaats gekozen, vooral Hoofddorp en Hilversum. Daarmee zitten twee van de drie bedrijven in deze sector in en rond Amsterdam. In totaal gaat het om zo’n driehonderd bedrijven: websitebouwers, ontwerpers van apps, de gaming industrie, tv-bedrijven, reclamebureaus, consultants en makers van e-books en online-tijdschriften. Ondanks de crisis doen deze bedrijven het nog redelijk goed. De regio Amsterdam begint daarmee op Silicon Valley te lijken.
De opmerkelijke gegevens blijken afkomstig van de Amsterdam Innovatie Motor (AIM). Deze heeft ook het succes van de Amsterdamse regio geprobeerd te verklaren. Belangrijkste reden volgens haar: het grote belang van face-to-face contacten. Verder ook: de nabijheid van klanten en opdrachtgevers. Ook telt de aanwezigheid van uitgeverijen, evenals van Vodafone, Ziggo en UPC. Ten slotte schrijft zij het succes toe aan de supersnelle glasvezelinfrastructuur van AMS-IX waarmee de bedrijven gegevens uitwisselen. Laan: “De digitale industrie brengt opmerkelijk veel werkgelegenheid mee voor de regio. Gemiddeld werken er 45 personeelsleden per bedrijf, negen keer meer dan bij een doosneebedrijf in de regio, dat vijf werknemers telt.” Inderdaad, Amsterdam begint verdacht veel op San Francisco te lijken.
Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Kevin Kelly, auteur van ‘De wil van technologie’, beschrijft het technium – het geheel van technologieën in de wereld – als een complex systeem met landbouw als basistechnologie, met infrastructuur als goede tweede en met steden als derde belangrijkste technologie. Elke technologie, schrijft hij, streeft naar alomtegenwoordigheid. “Bij de knooppunten van wegen die zich als een wijdvertakte mantel rond de continenten buigen, staan schitterende steden van steen en silicium die de materiaalstromen zo hebben gekanaliseerd dat een groot deel van het technium via hen circuleert.” Kelly spreekt van “rivieren van voedsel en ruwe materialen” die naar de steden stromen en van afval dat er weer uitstroomt. “Iedere bewoner van een ontwikkeld stedelijk gebied verplaatst jaarlijks twintig ton materiaal.” Nog zo’n opmerkelijk gegeven: “In stedelijke gebieden overal ter wereld is de snelheid toegenomen waarmee nieuwe technologieën zich tot het verzadigingspunt verspreiden.” Grote aantallen van een bepaalde technologie doen nieuwe systemen ontstaan die hun eigen dynamiek genereren. “Alomtegenwoordigheid verandert alles telkens opnieuw.”
Binnenkort zullen er op aarde zoveel steden zijn dat vermoedelijk een heel nieuw systeem zal ontstaan. Schrijft Kelly hier iets over? Wel schrijft hij dit: “Een technologie die alomtegenwoordig wordt, verdwijnt meestal uit het zicht.” Daarop noemt hij het voorbeeld van motoren. Eén kamer van zijn huis alleen al bevat twintig motoren. Maar ook elektriciteit, papier en katoen zijn alomtegenwoordig en worden nauwelijks meer opgemerkt. Zullen onze steden ook uit ons bewustzijn verdwijnen? Wanneer Kelly de schoonheid van technologie beschrijft ga je daaraan twijfelen. Oude, gelaagde, complexe steden, schrijft hij, vinden wij het mooist. Jonge steden vinden we steevast lelijk. “De schoonheid van de evolutie heeft ons in haar ban.” Daarom vinden we de natuur doorgaans ook mooi: omdat ze oud, complex en gelaagd is. Technologie, aldus Kelly, wil niet alleen maar nuttig zijn. Ze wil kunst worden, zebwil mooi en nutteloos zijn. Ik moest onmiddellijk denken aan steden als Venetië, Rome, Florence en ook wel Amsterdam. Allemaal steden die als grote kunst ogen, die extreem mooi en tegelijk nutteloos zijn. Elke stad in de wereld streeft naar dat stadium in de technologische evolutie. Kelly: “We zullen lyrisch praten over de charmes van een bepaalde technologie en ons vergapen aan de subtiliteit ervan. We zullen onze kinderen ermee naartoe slepen en de imposantheid ervan zwijgend bewonderen.” Beschrijft hij hier niet gewoon toerisme?
Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Afgelopen donderdagavond sprak op uitnodiging van Hare Majesteit in het Paleis op de Dam de CEO van Google, Eric Schmidt. De hoofdlijn van zijn lezing, getiteld ‘The Internet in the past, present and future’, was spannend en eenvoudig te volgen. De komende tien jaar zal het aantal gebruikers van internet wereldwijd stijgen van de huidige twee miljard naar liefst zeven miljard. De technologie wordt sneller, beter en goedkoper. Een ongehoorde collectieve intelligentie zal zich meester maken van de planeet aarde. Het web bevrijdt alle mensen, het belooft grote openheid. “To connect people is to free people.” Vooral de enorme groep achtergestelden in de wereldsteden – in de termen van Schmidt ‘the inspiring majority’- zal van het web gaan profiteren. Het wordt, belooft hij, ‘earth shattering’. Weliswaar zullen de maatschappelijke verschillen, wereldwijd, groter worden, maar de vooruitgang voor iedereen ligt in het verschiet. Schmidt toonde zich erg optimistisch, al zag hij ook gevaren. Hij noemde er drie: ‘cyber crime’, ‘lack of privacy’‘ en de onvoorspelbare reactie van overheden. Die laatste konden wel eens besluiten het internet minder vrij en open te maken. Echter, het zal de opmars van het web niet kunnen stuiten. “Internet is like water”, op termijn zal internet ervaren worden als elektriciteit – als iets dat overal in overvloed aanwezig is.
Op de bevrijdende werking van internet gaat ook Kevin Kelly, mede-oprichter van Wired’, in in zijn nieuwste boek. Eigenlijk geldt dit – die toenemende vrijheid – voor alle technologieën, zo stelt hij. “Het technium breidt eerst het scala aan mogelijke keuzes uit en vervolgens het scala aan mogelijke beslissers die keuzes kunnen maken. Hoe krachtiger een nieuwe technologie is, hoe groter de nieuwe vrijheden die ze ontsluit.” Technologische ontwikkeling vergroot dus onze persoonlijke vrijheid, tegelijk vergroot ze de mogelijkheden tot samenwerking. Vroeger was een samenwerking tussen miljoenen mensen logistiek lastig te verwezenlijken. Nu niet meer. We zijn nu in staat om samen encyclopedieën te maken, videoarchieven aan te leggen en software te realiseren. “Kunnen we op dezelfde manier bruggen, universiteiten en nieuwe steden bouwen?” Voor Kelly is dit bijna een retorische vraag. Vroeger hadden we regeringen nodig, schrijft hij, nu steeds minder. Lange tijd vertrouwden we, in plaats daarvan, op de vrije markt. Binnenkort zullen we onze collectieve wensen realiseren door samenwerking. Dankzij de samenwerkingstechnologieën van het wereldwijde web en de zeven miljard mensen die er dagelijks gebruik van zullen maken. Schmidt noemde de nieuwe generatie studenten als voorbeeld. Zij staan op en zijn online, tot ze uiteindelijk gaan slapen. Zo zal iedereen straks leven. Het eindstadium voor de mensheid wordt: vrijheid en samenwerking. Je hoeft er geen politieke partij meer voor op te richten. Het komt vanzelf.
Gehoord in Amsterdam op 12 april 2012:

Interdisciplinaire studievereniging Bèta-Gamma vierde afgelopen week haar lustrum met een heus congres. Het ging over ‘Metropolis. Over de stad van morgen’. Ik was een van de sprekers. De spreker voor mij heette Madeleine van Mansveld, ze is verbonden aan de Universiteit van Wageningen als landschapsecoloog. Van Mansveld sprak over ‘metropolitane voedsel clusters’. Steden, zei ze, bepalen steeds meer de aard van de voedselproductie. Voedsel wordt een modeartikel. Neem bijvoorbeeld hash: het is een van onze grootste exportartikelen. Ook de wijze waarop het voedsel wordt geproduceerd, wordt steeds kritischer door stedelingen gevolgd. Duurzaamheid is belangrijk, de ethische dimensie staat voorop. Echter, de voedselproductie blijft achter bij de economische groei. Daarom is er een tweede voedselrevolutie nodig. Denktanks van ondernemingen, overheden en kennisinstituten rond Wageningen hebben daarom het volgende bedacht. Er moeten agroparken dicht bij de steden komen, liefst in havengebieden. Op die zeer grootschalige agroparken zullen plantaardige ketens, dierlijke ketens en afbrekende ketens (van algen en paddestoelen) worden samengebracht. Door er bovendien de verwerkende industrie tegenaan te zetten, ontstaan stedelijke agrocomplexen waar de kringlopen zullen worden gesloten. Ziektes krijgen dan niet meer de kans, want transport – de grote boosdoener in deze – wordt tot een minimum beperkt. O ja, het platteland wordt dankzij de agroparken weer een plek voor wonen, natuur en recreatie; megastallen horen daar immers niet thuis.
Dat de stedelingen steeds meer eisen stellen aan hun voedsel staat buiten kijf. De agrarische sector kan niet meer ongestoord zijn gang gaan. Maar zullen de stedelingen reusachtige agroparken in hun achtertuin wèl accepteren? Ik betwijfel het. Die twijfel bespeurde ik ook bij de studenten in de zaal. Kritische vragen over de bio-industrie werden op Van Mansveld afgevuurd. Juist deze week las ik in ‘De wil tot technologie’ (2012) het hoofdstuk waarin Kevin Kelly zich afvraagt of een grootschalige, op aardolie draaiende landbouw echt onvermijdelijk is. Zeker, hierdoor is in het verleden op grote schaal goedkoop voedsel geproduceerd. Maar die werkwijze heeft volgens hem en anderen geen toekomst meer. “Volgens veel voedseldeskundigen is het probleem van de huidige voedselproductie dat ze sterk afhankelijk is van monoculturen (geen diversiteit), van te weinig verschillende gewassen (wereldwijd maar vijf), wat een onevenredig intensieve toepassing van medicijnen, pesticiden en herbiciden noodzakelijk maakt, de landbouwgrond vervuilt (vermindering van kansen) en voor zowel energie als voedingsstoffen te zwaar op goedkope aardolieproducten leunt (verminderde vrijheid).” Kelly ziet meer in een gedecentraliseerde, heterogene landbouw van lokale, gespecialiseerde boerderijen, eventueel bemand door robots. Zo’n voedselproductie voldoet wèl aan de eisen van goede technologie; ze vermeerdert de keuzes en vergroot de vrijheid. Stedelingen zullen, denk ook ik, zo’n landbouw eerder accepteren dan die Wageningse agroparken.
Gelezen in ‘De wil van Technologie’ (2010) van Kevin Kelly:

De auteur Kevin Kelly kennen we van ‘Out of Control’, dat weergaloze boek uit 1994. Nu is er een nieuw boek van zijn hand verschenen: De Wil van Technologie. Ik lees het met rode oortjes. Kort samengevat komt het hierop neer: het geheel van technologieën dat ons omringt – het Technium – is ouder dan de mensheid, het groeit, het groeit steeds sneller en het groeit in een bepaalde richting. Haar eigenschappen lijken op die van de natuur, zij het dat in de natuur soorten uitsterven, terwijl in het technium alles blijft bestaan. Nieuwe technologie bouwt voort op oude technologie, de introductie van nieuwe technologie in een omgeving zonder oude technologie blijkt niet te werken. “Alle complexe, adaptieve systemen met een stabiele zelforganisatie kennen voorbeschikte vormen en karakteristieke gerichtheden.” Technologie dijt uit, stuwt zich voort en niemand die er wat aan kan doen, zelfs de Unabomber niet. “De versnelling van de vooruitgang op lange termijn is te danken aan de groei van het Technium als een soort biologisch systeem.” Alles wat leeft wil zichzelf behouden, zichzelf verbeteren en groeien, en dat geldt ook voor het Technium. Sterker, wij mensen leven in een symbiose met de technologie, die wij niet kunnen verwerpen. Doen wij dat toch, dan is dat een vorm van zelfhaat. We moeten daarom beter luisteren naar de technologie en kiezen voor het onvermijdelijke.
Steden noemt Kelly de grootste technologische constructen die wij mensen maken. Op de schaal van de evolutie is verstedelijking een verschijnsel van zeer recente datum. Tot de laatste twee eeuwen gebeurt er niet veel. “Dan explodeert de bevolkingsgroei, neemt de innovatie razendsnel toe, komt de informatie tot bloei, ontwikkelen de vrijheden zich en heersen de steden.” De wijze waarop steden groeien – rommelig, vanuit krottenwijken – is die van de technologie: het begint met een krakkemikkig prototype, iets wat nauwelijks werkt, daarna volgt de verbetering, de verbeteringen volgen elkaar steeds sneller op. “De stad als geheel is een prachtige technologische uitvinding, die de energiestromen en de denkkracht bundelt in een computerchipachtige dichtheid. Binnen een betrekkelijk kleine omtrek biedt een stad niet alleen woonruimte op een minimum aan oppervlakte, maar produceert ze ook een maximum aan ideeën en uitvindingen.” Dankzij het technische construct ‘stad’ bloeit de informatie en groeit de menselijke vrijheid. De stad is geen Utopia en de menselijke vrijheid is niet onbegrensd. Want, schrijft Kelly, de technologie heeft een eigen wil. Maar daarbinnen kunnen mensen wel uit steeds meer mogelijkheden kiezen. Dat is vrijheid. En dat is wat Kelly met zijn eigen leven doet: zich met technologie omringen die hem de grootst mogelijke keuzeruimte biedt. In de stad, in zijn geval San Francisco.
Gehoord in de RAI op 27 maart 2012:

Tijdens Inter Traffic, de grootste internationale beurs op het gebied van verkeer en vervoer in de Amsterdamse RAI, vond de kick off plaats van Commons4EU. Vijf steden presenteerden er hun nieuwste apps die de digitale uitwisseling tussen burgers en hun stad moeten stimuleren: Boston, Barcelona, Rome, Londen en Amsterdam. Esteve Almirall, hoogleraar aan Esade Business School in Barcelona, maakte duidelijk waarom open innovatie voor steden zo belangrijk is. De publieke sector heeft vaak erg veel taken, maar haar budgetten slinken zienderogen, om lokale problemen op te lossen kunnen burgers veel actiever worden ingeschakeld. Bovendien moeten de steden zichzelf opnieuw uitvinden. Bedrijven die al eerder open innovatie omarmden, zoals Procter & Gamble, varen er economisch wel bij, dus waarom de overheid niet? Het gaat hier niet om complexe grootschalige digitaliseringsprojecten die maar al te vaak mislukken. De projecten zijn juist klein, goedkoop, experimenteel en snel te realiseren. Elke stad kan zijn eigen apps ontwikkelen en beproeven. Deze civic commons, soms gratis, soms betaald, kunnen een nieuwe manier zijn om op stedelijk niveau een civil society te bouwen.
Boston, Massachusetts, gaf in Amsterdam van die civic commons instructieve voorbeelden. Nigel Jacob, werkzaam bij The Mayor’s Office of New Urban Mechanics, vertelde hoe Boston de afgelopen jaren open innovatie in het centrum van haar werkzaamheden plaatste. Onder het motto ‘Source, Support, Study, Share, Scale’ werden eerst ideeën opgehaald, vervolgens in pilots ondersteund, op hun impact bestudeerd, de resultaten gedeeld, om ten slotte te worden opgeschaald naar stedelijk niveau. ‘Street Bump’ is wel de leukste app in Boston: de app, actief geladen in de mobiele telefoon die in de auto meereist, registreert automatisch gaten in het wegdek. Burgers tellen de gaten, maar de gemeente kan ook op het stratenplan direct aflezen waar de gaten zich bevinden. Is het gat gedicht, dan krijgt de burger daarvan onmiddellijk bericht. Zulke apps zijn praktisch, leuk en stimulerend. Ze bevorderen het contact tussen burgers en gemeentelijke diensten. Boston kent inmiddels meer apps die de burgers actief inschakelen bij het oplossen van problemen: apps voor onderwijsprestaties, voor schoolbussen, voor afvalverwerking, voor sneeuwruimen. Vijftig apps voor twintig gemeentelijke diensten in de laatste vijf jaar is de stand van zaken. Commons4EU gaat soortgelijke toepassingen in Europese steden stimuleren en delen. Onder aanvoering van Amsterdam zullen Manchester, Helsinki, Rome, Barcelona, Berlijn, Parijs en de Nederlandse hoofdstad een ‘Code for Europe’ ontwikkelen. “Sharing data, civic commons, meeting place for city experts. Which apps are really cutting edge?” Ik zou zeggen: Eureka!
Gelezen in Second Sight van 16 januari 2012:

Kort na de Tegenlicht-uitzending over coöperaties in het Baskische Mondragon ontmoette ik Leanne Bogers van clev, creatief communicatiebureau in Amsterdam. We spraken over het fenomeen ‘coöperatie’ als een nieuwe conditie voor effectieve planning. Wist u dat de Verenigde Naties 2012 hebben uitgeroepen tot Jaar van de Coöperatie? Ze zond me een recent interview met Herman Wijffels, voormalige voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, tevens ambassadeur voor de coöperatieve organisatiestructuur, verschenen in Second Sight. in ‘A New World View’ zet hij uiteen hoe de opkomst van de coöperatieve structuur volgens hem samenhangt met de huidige stand van de sociaal-economische ontwikkeling en met de opkomst van nieuwe werkrelaties. De welvaart is gestegen, de wereldbevolking is sterk toegenomen en het gemiddelde onderwijsniveau is hoger dan ooit. Individualisme en creativiteit zijn de dominante trends. Deze nopen tot andere samenwerkingsverbanden. “On the one hand that leads to crisis, because old systems no longer work properly and on the other hand new principles must be adopted.” Het is noodzakelijk dat we ons op zodanige wijze organiseren dat we gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven, nee, dat we er met z’n allen ervoor gaan zorgen dat we zullen overleven.
Omdat we in staat zijn zoveel spullen te produceren dat we de aarde gemakkelijk kunnen uitputten, moeten we leren ons te beheersen en de grondstoffen beter te gebruiken. Daartoe moeten we veel inniger samenwerken en ook innovatiever zijn. Veel mensen willen dit ook. Er zijn voldoende kleinschalige technologieën beschikbaar die ons daarbij behulpzaam kunnen zijn. Coöperaties zijn de ideale werkvorm om dat te doen. Mensen organiseren zichzelf, in kleine groepen, ze nemen verantwoordelijkheid voor elkaar en voor hun omgeving. Ze ontvluchten de piramidale hiërarchische structuren van het grootkapitaal en de machtige overheden. “Selforganization is now becoming an important phenomenon.” Wijffels spreekt van een ware cultuuromslag die leidt tot samenwerking – een die vertrekt vanuit het idee van eenheid en ondeelbaarheid. Vooral de laatste twee jaar gaat het snel. Veel mensen – vooral elites – zien dit nog als een bedreiging en een verlies, maar wie het nieuwe wereldbeeld omarmt ziet het juist als een kans. Voor Wijffels is het de essentie van het streven naar duurzaamheid. “If we continue as we are, we will further erode the basis of life. It’s not merely a hobby, it is an absolute necessity.” Stel dat de grote steden hun logge bureaucratieën weten om te vormen tot meer coöperatieve structuren, dan zou de wereld veel duurzamer worden. Zoiets.
Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Kan internet ons helpen bij het samenwerken? Bijvoorbeeld om samen een stad te bouwen? De Amerikaanse socioloog Richard Sennett stelt zich die vraag in ‘Together’, zijn nieuwste boek. Om de vraag te beantwoorden beschrijft hij het experiment van Google Wave. Die software was precies bedoeld om mensen bij het samenwerken behulpzaam te zijn. Bij Google Wave ging het niet om ‘sociale networking online’ waarbij mensen vooral vol zijn van hun eigen ego en aandacht vragen met hun oneliners. Google Wave moest juist ‘online conversatie’ mogelijk maken, het liefst ook over politiek gevoelige onderwerpen. Doorgaans betreft het dan al snel vuilspuiterij en grove beledigingen, dus de vraag was of de software dit gedrag kon ombuigen naar een meer open gesprek: “only a dialogical, exploratory conversation could help us gain insight into the complex issues we faced.” Sennett nam als gebruiker deel aan het kortstondige experiment. Google Wave werkte slechts één jaar, tussen 2009 en 2010. Daarna werd het door de producent uit de lucht gehaald. Sennett weet achteraf ook waarom. De programmeurs meenden te weten hoe een goed gesprek verloopt. Ze hadden er weinig van begrepen.
De softwareontwikkelaars bouwden een website met een veelheid van schermen, met op het middenscherm een verhaal dat geleidelijk werd gedistilleerd uit alle deelgesprekken – een soort van consensusbuilding waarbij zijwegen in de gesprekken werden gedempt, irrelevant verklaard of gewoon vastliepen in cul-du-sacs. Dat laatste was goed te zien omdat de geschiedenis van de gesprekken nauwkeurig werd vastgelegd en het verloop ervan kon worden getraceerd. Men beweerde dat dit een efficiënte manier was om samen te werken. Maar met efficiency, aldus Sennett, heeft samenwerking niets te maken. “Its dialectical, linear structure failed to account for the complexities which develop through cooperation.” Echte open gesprekken doen je dingen vinden die je mischien niet had gezocht, bijvoorbeeld door vergelijkingen en associaties van anderen die je op het spoor zetten van zaken waaraan niemand had gedacht. Die rijkdom bood Google Wave je niet. “Because complex layers of meaning did not seem to build up, dealing with neither our social nor technical issues, enthousiasm in our group began to wane as we followed the dialectical narrative envisioned by the program.” In plaats van online te gaan, besloot de groep toch maar weer het vliegtuig te nemen om bij elkaar op bezoek te gaan. Inderdaad, ook wat niet gezegd wordt, behoort tot het domein van de nuttige conversatie. Daarvoor moet je mensen zien.

reacties