Digital Matatus

On 26 november 2014, in participatie, technologie, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 20 en 21 november 2014:

In Parijs spraken Nederlandse en Franse experts twee dagen lang over Smart Cities en de toekomst van de metropool. Het grappige van de conferentie was dat verscheidene sprekers met Afrikaanse voorbeelden kwamen van hele intelligente stedelijke systemen die nauwelijks gebruik maken van technologie en die juist van onderop, met weinig geld, zijn gebouwd. De lichte technologie ondersteunt vooral het bottom-up proces. Zo sprak Remy Dorval, directeur van Cite de la Fabrique, over ‘Digital Matatus’, een digitaal systeem dat het van onderop georganiseerde openbaar vervoer in de Keniase hoofdstad slimmer en toegankelijker maakt. Het openbaar vervoer in de vier miljoen tellende metropool werkt met kleine busjes van heel veel particuliere eigenaren. Columbia University uit New York, MIT uit Boston en de Universiteit van Nairobi ontwikkelden voor hen een digitale wegwijzer die aan de hand van informatie uit mobiele telefoons de routes bepaalt waarlangs de busjes de meeste passagiers kunnen ophalen. Omgekeerd geeft een digitale kaart de passagiers een overzicht van de routes die de busjes actueel rijden. Deze rijden inmiddels in acht corridors door de stad, maar daarbinnen is alles flexibel. En mobiele telefoons die de data verzenden en ontvangen zijn relatief goedkoop en sterk in opmars in Afrika. Men wil het systeem exporteren naar andere steden.

Dat Smart City een typisch Europees of westers fenomeen zou zijn werd dan ook als een ernstige misvatting gezien. Vooral daar waar de digitale systemen aansluiten bij spontane organisatievormen van burgers en deze ondersteunen winnen ze aan betekenis en kracht. Dat zie je in Afrika en Zuid-Amerika. Dikwijls zijn lokale organisatievormen in de slums van de metropolen al bijzonder complex, knap maar moeilijk te doorgronden. Wanneer de makers van de digitale systemen zich in dienst zouden stellen van deze complexe vormen van zelforganisatie kunnen ze de steden buitengewoon intelligent maken. Grote steden zijn van nature intelligent. Met lichte technologie kunnen ze nog enorm aan intelligentie winnen. Daardoor, aldus de Franse ambassadeur in Nederland, Laurent Piq, in zijn slotwoord, wint de lokale democratie op dit moment zo sterk aan kracht. Met name in grote steden.

Tagged with:
 

Smart Cities

On 5 november 2014, in duurzaamheid, economie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Smart about Cities’ (2014) van Maarten Hajer en Ton Dassen:

Vorige week een masterclass gegeven aan veertien internationale studenten uit het Amsterdam Excellence Scholarship-programma van de UvA en zeven excellente studenten uit verschillende masterprogramma’s binnen Nederland. Onderwerp: ‘Smart Cities’. Drie uur lang spraken we over het onderwerp aan de hand van het recent verschenen boek van het Planbureau voor de Leefomgeving, i.c. het essay van Maarten Hajer. In ‘On Being Smart about Cities’ stelt de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving dat het vertoog over slimme steden tot nu toe a-historisch is en zich weinig gevoelig toont voor sociale context waarin steden zich ontwikkelen. Technologische preoccupatie staat een bredere, meer vruchtbare benadering in de weg. Steden moeten economische groei combineren met ambitieuze duurzaamheidsdoelen die per saldo zullen leiden tot beduidend minder energie- en grondstoffengebruik. Juist een meer historische en gedragswetenschappelijke aanpak is hard nodig om te overleven.

Doordat de studenten uit alle studierichtingen behalve geografie en planning afkomstig waren konden we het onderwerp onbevooroordeeld bespreken. Moeiteloos schakelden we tussen fundamentele vragen als ‘wanneer en hoe veranderen wij ons gedrag?’ naar ‘hoe intelligent zijn steden?’ Tussendoor ging het over: ‘welke invloed heeft onze omgeving op ons gedrag?’ en ‘wat is het verschil tussen ons aanpassen en creatief zijn?’ Ook stonden we stil bij de vraag of een kritische houding en het koesteren van wetenschappelijke twijfel voldoende zijn om ons snel aan kunnen te passen aan een veranderende omgeving. Is, anders gezegd, de wetenschap wel voldoende wendbaar en innovatief? Tegenover hoogtechnologische steden als New Songdo plaatsten de studenten, waarvan sommigen zelf afkomstig uit India en Midden Amerika, de slums en favela’s van Mumbai en Mexico City. Overheden maken daar steeds dezelfde fouten. Biedt de ’smart city’ daar wel oplossingen voor? Een student vroeg: wat is het doel van steden? Dat wisten we niet goed. We refereerden aan de natuur. Vergelijkingen werden gemaakt met dieren en planten. Welke organismen passen zich het snelste aan? Ondertussen vertelden we elkaar verhalen, uitmondend in de speculatie dat fictie met zijn spanningsboog en vermogen om soms miljoenen mensen te boeien, veel meer dan non-fictie, ons zou kunnen redden. Iemand wilde weten waar dit gesprek nu precies over ging.

Tagged with:
 

In the Thick of Things

On 3 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen op Business Insider van 7 mei 2014:

cornell tech campus

De derde en laatste casus in de Masterclass Stedenbouw New York 2015 wordt die van Cornell NYC Tech. Deze spiksplinternieuwe universiteit in New York – een samenwerking van Cornell University en Technion-Israel Institute of Technology – zal zijn deuren openen in 2017 op een nog te bouwen campus van 12 acres (met 2 miljoen square feet aan gebouwen) op Roosevelt island. Voorlopig zit ze in een oud gebouw. Cornell Tech moet grootstedelijke problemen helpen oplossen en New York gaan positioneren als ‘major tech center’. Gerekend wordt op circa 2.000 studenten voor in totaal acht masterprogramma’s, waarvan drie duaal: connective media, healthier life, built environment. Door alle acht loopt informatietechnologie als rode draad. De universiteit is de uitkomst van een tender, uitgeschreven door burgemeester Bloomberg die de technologische en de grootstedelijke vraagstukken met elkaar wil verbinden.  Kosten: 2 miljard dollar. Maar voorlopig zit de universiteit nog in “a nondescript third-floor loft’ in Chelsea, Manhattan, haar beschikbaar gesteld door Google. Het New Yorkse initiatief heeft bijvoorbeeld Amsterdam geinspireerd om te komen tot een soortgelijke tender, waarvan AMS de uitkomst is: Graduate School for Amsterdam Metropolitan Solutions.

Alles is hier nieuw, niets is zeker bij Cornell Tech. Het terrein op Roosevelt island is eigendom van de gemeente, die steekt er tot 100 miljoen dollar in. Cornell, nu nog gevestigd in Ithaka, ziet grote voordelen in een vestiging op Manhattan. Dan gaat het volgens de voorzitter, David Skorton, om “the rather old-school benefit of being in the thick of things. Anders gezegd:  “Interactions can occur at a very long distance now, but you still see that many, many serendipitous steps forward are based on the old concept of bumping into people, having lunch, that personal interaction,” En: “We’re already seeing that in the temporary campus, in the Google space. “Even with all our technology proximity still really matters.” Ziedaar de voordelen van een stadscampus in hartje New York. Voordelen die ook Columbia en New York University ertoe hebben gebracht flink te investeren in hun campussen in ‘The Big Apple’. Want geen universiteit kan achterblijven.

Tagged with:
 

Maakbaarheidsdenken

On 26 augustus 2014, in geschiedenis, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Red Plenty’ (2010) van Francis Spufford:

In 1930 schaften de Bolsjewieken in de Sovjet Unie de universiteiten af; hun hooglerarenstaven werden door Stalin gezuiverd. Vervolgens richtten ze de universiteiten opnieuw op, nu als fabrieken – VUZy’s en VTIZ’s – waar de intellectuelen op grote schaal voor de nieuwe samenleving zouden worden klaargestoomd. Alle sociale wetenschappen gingen in de ban. Wat overbleef waren alleen de technische universiteiten en de bèta-faculteiten. Uitsluitend ingenieurs, meenden de Sovjets, waren nodig om de gewenste industrialisatie gestalte te geven, sociale wetenschappen beschouwden ze als overbodig, die werden door het Marxisme-Leninisme vervangen, of eigenlijk werden we als kritisch en staatsgevaarlijk beschouwd. Meer dan de helft van de studenten studeerde vanaf nu af op techniek; filosofie, sociologie, antropologie, ze werden vrijwel niet meer gepraktiseerd. Francis Spufford schrijft in ‘Red Plenty’ overigens dat dit paste in een bekend Russisch patroon: "The Russian intelligentsia had always been committed to modernising Russia: and what were these chimneys but modernity on the march?"

Technici regeerden vanaf nu, de economie domineerde, iedereen was optimistisch, maar verstand van de complexe maatschappij hadden de nieuwe intellectuelen niet. “It had always been prone to believing in panaceas, in ideas that could solve every problem all at once: and what was Bolshevism but the ultimate key to open all locks, the last and best and greatest system of human knowledge?” Op universiteiten werd überhaupt geen onderzoek meer gedaan, er werd daar alleen nog onderwezen. Onderzoek gebeurde in aparte instituten in wetenschapssteden – onderzoek was daar uitsluitend op valorisatie gericht. Het resultaat? Een te groot zelfvertrouwen in de samenleving, een naïef maakbaarheidsgeloof, een ongekende oplossingsgerichtheid. Er was, schreef Spufford, geen ruimte meer voor pessimisme. Door dit optimistische vooruitgangsgeloof creëerde de nieuwe ingenieurskaste op den duur grote frustraties en veroorzaakte ze hele grote maatschappelijke problemen. Economisch ging het al snel ook minder zonder dat men doorhad waardoor dit precies kwam. Zelden las ik overtuigender dat een samenleving en een economie niet kunnen functioneren zonder actieve beoefening van de sociale wetenschappen.

Tagged with:
 

Fascinerend

On 1 juli 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gezien in de Westergasfabriek te Amsterdam op 12 juni 2014:

De keynote op de negende Kennisdag ruimtelijke sector van de gemeente Amsterdam was niemand minder dan Carlo Ratti, directeur van de SENSEable City Lab, MIT Department of Urban Studies and Planning. Zelden zo’n swingende presentatie gezien. Als een VJ stond de magere, in een T-shirt gehulde Ratti achter het katheder, waarin zijn computer zat verstopt, die hij uiterst behendig bediende en waarmee hij het ene na het andere filmpje de zaal inslingerde, telkens ondersteund door een stevige beat. We zagen allerlei toepassingen van technologie in het stedelijke, hoe apps ons kunnen volgen, zelfsturende auto’s, ik ontwaarde zelfs een drone. Het zag er allemaal puik uit, en het leek vooral ook heel kostbaar. Elk filmpje werd afgesloten met reclame van grote bedrijven die de ontwikkelde technologie – prototypes – hadden helpen financieren. We werden niet alleen vermaakt, nee we werden verleid. Technologie is ook fascinerend.

Bij veel technologische toepassingen, viel me op, fungeren de stedelingen min of meer als bevers die, met zendertjes uitgerust, de planners precies laten weten waar ze zitten en wat ze zoal uitspoken. Op basis van die informatie kunnen planners de ruimte inrichten, of manipuleren. Veel toepassingen vond ik slim, sommige waren comfortabel. Enkele echter voelden juist heel oncomfortabel omdat ze me deden denken aan moderne oorlogvoering. Als sociale wetenschapper vroeg ik me af of mensen – consumenten – dit allemaal werkelijk willen, of dat deze technologie hen door de industrie wordt opgedrongen. Als planoloog twijfelde ik of je hiermee aan een goede samenleving bouwt. En dat is toch wat publieke ruimtelijke planning wil: bijdragen aan een ‘civil society’. Techniek maakt mensen vrij, schreef Kevin Kelly in ‘What Technology Wants’. Zou dat het zijn? Misschien kan iemand me geruststellen.

Tagged with:
 

Technologische tuinen

On 7 maart 2014, in participatie, planningtheorie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

 


"Providing the right platform is something all it takes." Met die zin begon een opmerkelijk artikel in een Special Report van The Economist, gewijd aan Tech Startups. Het artikel beschreef de toekomstige economie, die vooral zal bestaan uit fysieke en virtuele platforms. Het platform is het ‘operating system’ waarvan veel mensen gebruik kunnen maken met een bepaald doel. Sinds we vertrouwd zijn geraakt met IT-software zijn we steeds meer in termen van platforms gaan denken. Inmiddels weten we dat alle complexe systemen vanuit platforms werken, zowel biologische als economische systemen. "The core building blocks are kept stable so that the other parts can evolve more rapidly by combining and recombining them and adding new ones." Onze wereld wordt steeds complexer. IT dringt in alle geledingen door. We gaan naar een ‘platformisering’ van de samenleving.

Hoe ziet zo’n wereld eruit? "The bottom, where economies of scale rule, is made up of just a few powerful platforms; the top, where creativity and agility are at a premium, is becoming ever more fragmented. There is not much in between." Zo gaat onze samenleving er ook steeds meer uitzien: als een omgekeerde piramide. Horizontalisering is onvermijdelijk, een combinatie van hele grote platforms aan de ene kant en een grote variatie van miniproductiewijzen aan de andere kant, dat is ons voorland. Alle onderdelen van de economie gaan lijken op zulke ‘technologische tuinen’ waar duizenden bloemen bloeien en waar slechts enkele zeer groot zullen worden. Ook steden gaan op deze manier functioneren: ze organiseren zich rond platforms waar snel in grote gemeenschappen wordt geleerd. Sommigen noemen dit een ‘bottom-up’-beweging. In de Amsterdamse leergang De Nieuwe Wibaut spreken we van prototypes van nieuwe open werkwijzen, want ook de ruimtelijke planning moet eraan geloven. The Economist: "Currently governments resemble a vending machine offering a limited set of choices. They would work much better as a platform for a thriving bazaar of government services, offering basic building blocks that others can use."

Tagged with:
 

Street life

On 30 januari 2014, in openbare ruimte, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 17 januari 2014:

 

Keith Hampton, verbonden aan Rutgers University, had een briljant idee. Hij besloot de publieke ruimtes die de socioloog William Whyte in 1975 met zijn filmische ‘Street Life Project’ op slag wereldberoemd hadden gemaakt opnieuw te filmen. Dat meldde laatst The New York Times. Hampton ging terug naar plekken als Briant Park, direct achter de New York Public Library, maar ook naar pleinen en straten in Los Angeles, Philadelphia en Boston. Whyte had hier destijds met een super-8 camera vanaf een hoog standpunt de mensen op straat gefilmd. Zijn camera werkte met een digitale klok: elke 10 seconde volgde een filmshot. Zo was Whyte in staat geweest het gedrag van mensen in de publieke ruimte in New York en andere Amerikaanse steden gedurende de dag vast te leggen en wetenschappelijk te observeren. Van zijn ‘The Social Life of Small Urban Spaces’ (1980) heb ik nog altijd een exemplaar. Hampton deed het opnieuw. Hij wilde weten of in de kleine veertig jaar die sindsdien verstreken het gedrag van mensen in diezelfde openbare ruimte ook is veranderd. Dat blijkt inderdaad het geval.

Hampton meende dat stedelingen in 2013 eenzamer zouden zijn dan in 1975, meer in zichzelf gekeerd, druk in de weer met hun mobieltjes, ear phones en laptops. Dat bleek niet het geval. Gemiddeld slechts 3 procent van de wandelaars stond te bellen, te gamen of te mailen op straat; de meesten leken dit te doen in afwachting van de komst van iemand met wie ze een afspraak hadden. Het sociale verkeer op straat bleek juist veel intenser, wat Hampton deels verklaart uit de mobiele technologie die meer ontmoetingen in de publieke ruimte lijkt uit te lokken. “Technology is not driving us apart.” Technologie verbindt juist mensen. Opvallend was ook de toegenomen drukte op straat in het algemeen, op alle plekken die Hampton opnieuw had onderzocht. En het meest verrassende was wel dat vooral het aandeel vrouwen in de publieke ruimte sterk was toegenomen. Vrouwen bleven in 1975 nog overwegend thuis, bij de kinderen, je zag ze bijna niet op straat (alleen in winkelstraten.) Tegenwoordig domineren ze overal de stedelijke publieke ruimte. Ze eten, drinken, wandelen, ontmoeten elkaar. De stedelijke publieke ruimte, concludeert Hampton, is door de emancipatie van vrouwen publieker en socialer geworden.

Tagged with:
 

Startup ecosystems

On 24 januari 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

Interessante Special Report in het Londense The Economist deze week. Over ‘Tech Startups’. Er staat een wereldkaartje bij afgedrukt met de fraaie titel ‘Bowei’s travels’. Afgebeeld zijn de belangrijkste technologische ecosystemen van de wereld. Dat zijn zogenaamde startup kolonies, waar veel jonge mensen samenkomen om met elkaar nieuwe technologische bedrijfjes te starten omdat onderwijs, ondernemerschap, financiering, cultuur en beleid hun pogingen hier goed ondersteunen.  Silicon Valley, bij San Francisco, is misschien wel de oudste. Het kaartje blijkt gemaakt door Bowei Gai, een Chinees-Amerikaanse ondernemer. Tussen januari 2013 en september reisde hij alle zesendertig ecosystemen die de wereld op dit moment telt bij langs. Hij begon in New Delhi en eindigde in Singapore. Binnenkort verschijnt van zijn hand een ‘World Startup Report’. Ook Amsterdam deed hij aan.

Bowei over zijn ecosystemen: “They often form in places where young people want to live: Berlin, Boulder, London.” Als dat zo is, dan toont het wereldbeeld volgens Bowei niet alleen de technologische ecosystemen van jonge startups, maar tevens de steden waar de kosmopolitische hoogopgeleide jeugd het liefste leeft: New York en San Francisco in de eerste plaats; in Europa zijn dat Londen, Berlijn en Parijs; maar ook Tel Aviv, Mumbai, New Delhi, Bangalore, Rio de Janeiro, Sao Paulo, Buenos Aires, Shanghai, Bangkok, Jakarta, Seoul, Tokio, Taipei, Hongkong, Helsinki en, jawel, ook Amsterdam. Vaak worden de startup bemenst door jonge internationals. Vooral in Singapore is dit opvallend; daar werken jonge mensen uit de hele wereld samen, slechts een enkeling is Singaporees. De eigen bevolking prefereert daar nog altijd een overheidsbaan. Kortom, de ecosystemen zijn kwetsbaar en overheden dienen te beseffen dat ze gemakkelijk iets kapot kunnen maken. Uiteindelijk willen alle jonge mensen het liefst in de Verenigde Staten hun bedrijfje starten. Daar is de grootste markt en het meeste geld, maar ook een paar grote steden waar jongeren maar wat graag in kolonies willen leven. En geef toe, wie wil er niet in San Francisco, Boston of New York zijn geluk beproeven?

Tagged with:
 

Man en machine

On 22 november 2013, in technologie, by Zef Hemel

Gehoord in Carré op 21 november 2013

Peter Diamandis, oprichter van de Singularity University in Silicon Valley, sprak afgelopen week in Carré in Amsterdam ten overstaan van honderden CEO’s van Nederlandse bedrijven. Voordat hij aan het woord kwam, spraken nog vijf andere mannen: Rens de Jong, Pieter Hilhorst, Wassili Bertoen, Yuri van Geest en David Roberts. Ook de zaal was met overwegend goed geklede mannen gevuld. Het onderwerp: ‘disruptive technology’ oftewel ‘man en machine’. Boodschap: we worden door de machines verslagen. Was de gemiddelde levensduur van een bedrijf begin twintigste eeuw nog 67 jaar, tegenwoordig is dat nog maar 15 jaar, en het zal nog korter worden. Boosdoener: de nieuwste technologie. Veertig procent van de bedrijven zal de komende tien jaar niet overleven. De zaal huiverde. Gelukkig hadden ze er op de Singularity University iets op gevonden. Daar kunnen jonge mannen met de nieuwste machines spelen – robots, drones, camera’s, glasses -, om zo weer gevoel te krijgen voor wat hen in de nabije toekomst te wachten staat.

De vraag uit de zaal kon natuurlijk niet uitblijven: als moderne technologie elke organisatie overhoop blaast, bestaat er over tien jaar dan nog wel een overheid? Diamandis aarzelde met het geven van een antwoord. Zijn repliek, zei hij, was in dit geval slechts een mening. Dit was wat hij ervan vond: overheden lopen hopeloos achter als het gaat om opname van en aanpassing aan nieuwe technologie. De overheid zal het dus nog moeilijker gaan krijgen dan nu, maar of hij helemaal verdwijnt wist Diamandis niet. Ook het begrip vrijheid werd die middag in Carré geproblematiseerd. Als technologie ons bevrijdt, wat zouden we dan nog moeten doen? Zo’n vraag stellen kunnen alleen mannen. Niet alleen de overheid krijgt het moeilijk, maar vooral de mannen, al was het maar met de vraag wat mannen aan moeten met hun vrije tijd. Het was alsof mannen nog steeds niet doorhebben dat ze niet zozeer door technologie overbodig worden gemaakt, als wel door …. vrouwen. Ik weet het zeker, als Carré die middag overwegend met vrouwen was gevuld, was over het onderwerp heel anders gesproken. Vrouwen zijn nu eenmaal beter geëquipeerd voor de moderne diensteneconomie die door de moderne biologische technologie mogelijk wordt gemaakt.

Tagged with:
 

Smart City

On 14 oktober 2013, in innovatie, stedelijkheid, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De stad als interface’ (2013) van Martijn de Waal:

Ergens halverwege zijn boek beschrijft filosoof De Waal het uitzicht vanuit een ‘executive apartment’ op de 62e verdieping van het First World Towers-complex in New Songdo, de gloednieuwe stad die daar uit het niets wordt opgetrokken, op een opgespoten zandbank in de Gele Zee vlak voor de kust van Zuid-Korea. Er is helemaal niets te zien. Een stormfront uit Japan drijft een dikke laag wolken voorbij die het zicht op de nieuwe stad benemen. Projectontwikkelaar Gale International probeert daarom met een flitsende powerpoint-presentatie dit visuele gemis te compenseren. Songdo wil de eerste ‘smart city’ zijn en is daarmee icoon geworden van een nieuwe wedloop tussen steden. De Waal is gast, net als al die andere delegaties van steden uit de rest van de wereld. De laatste technologieën zullen hier straks nauw verweven zijn met het alledaagse leven, merkt De Waal in ‘De stad als interface’ op. “Is dit de stad van de toekomst? En zo ja, willen we in zo’n stad leven?” Ook al doet hij voorkomen neutraal te zijn, hij ziet zijn republikeinse ideaal hier ondermijnd worden. Hij vreest dat burgers niet meer zelf actief zullen kunnen handelen en dat commerciële partijen van Songdo een gesloten stad zullen maken waar burgers in de eerste plaats consumenten zijn die tegen betaling diensten moeten afnemen.

Toen bijna tien jaar geleden een Zuid-Koreaanse delegatie Amsterdam bezocht met het doel om voor het ontwerp van Songdo lessen te leren, viel me de gretigheid en grondigheid op waarmee de Koreanen in het vervullen van die opdracht te werk gingen. Ze hadden nauwgezet studie gemaakt van de Amsterdamse stadsontwikkeling – vooral van IJburg – en bestookten ons met hele lijsten trefzekere vragen. Nu, tien jaar later, is Songdo opgespoten en al bijna helemaal voltooid. Daarmee hebben de Koreanen voor zichzelf een fantastisch grootstedelijk experiment gecreëerd dat zich nog het beste te vergelijken laat met onze Zuiderzeewerken en Deltawerken. Wat je er ook van vindt als filosoof of burger, ze hebben het gedaan. In ons land echter worden grote steden nog steeds met grote argwaan beschouwd en vinden er nauwelijks experimenten plaats met gedurfde vormen van stadsontwikkeling. Ook De Waal voedt weer die allergie tegen de grote stad. Door zich af te zetten tegen New Songdo en ook de stedelijkheid van het negentiende eeuwse Parijs en Wenen van de hand te wijzen, daartegenover een ‘netwerkstedelijkheid’ als richtsnoer voor Nederland te nemen, voegt hij zich bij de meerderheid die de suburbane bric-à-brac van de Hollandse polder al mooi genoeg vinden.

Tagged with: