Un reve formidable

On 14 mei 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 20 april 2013:

Vier jaar geleden lanceerde de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy met veel bombarie het project ‘Grand Paris’. Vijftien architecten van wereldfaam ontwikkelden op zijn verzoek in een paar maanden tijd ruimtelijke ideeën voor Groot-Parijs. Onder hen bevond zich Winy Maas van het Rotterdamse bureau MVRDV. Op vrijdag 19 april jongstleden kwamen de architecten opnieuw bijeen in Palais de Tokyo, waar destijds ook de tentoonstelling van plannen en projecten was gehouden. Initiatiefnemer was het AIGP, het Atelier International du Grand Paris. De opzet: opnieuw het uitspreken van de ambitie om 70.000 woningen per jaar te bouwen in de Franse metropool. De meeste architecten hadden destijds voor de stedelijke periferie als de plek gekozen voor die woningbouw. Alleen Winy Maas, Roland Castro, Richard Rogers en Elisabeth de Portzamparc hadden voor verdichting van het historische centrum geopteerd. In Le Monde verscheen van de bijeenkomst een verslag.

Alle architecten bleken achteraf zwaar teleurgesteld in de uitkomsten tot nu toe. Vier jaar na de competitie, stelden ze vast, was er nog altijd weinig gebeurd. Christian de Portzamparc meende dat alleen politieke besluiten waren genomen over de bouw van een nieuwe metrolijn. Er moest, stelde hij, nu ook iets bovengronds gebeuren. Jean Nouvel bespeurde een politieke coup, waarbij de president zijn hoofd had gebogen voor de oud-staatssecretaris voor Groot-Parijs, Christian Blanc. Stedenbouwkundige Michel Cantal-Dupart sprak zelfs van een farce. “Les architectes sont les cocus (bedrogen echtgenoten, ZH) du Grand Paris.” En Roland Castro verwoordde zijn teleurstelling aldus: “Il y avait un reve formidable. Il a disparu.” De journalist van Le Monde, Beatrice Jérome, tekende alle teleurgestelde reacties op. De heren en dames architecten hadden het zo goed voorgehad met Parijs. “Si elles restent volontiers agitateurs de concepts et pourvoyeurs d’études dans le cadre de l’AIGP, les quinze équipes attendent toutefois avec impatience que le gouvernement se penche enfin sur leurs idées.” Alsof ruimtelijke planning bestaat uit het al of niet accepteren van een paar ideeën van een stelletje geniale architecten. Wie is hier nu teleurgesteld? Tot zover dit bericht uit het land van Le Corbusier.

Tagged with:
 

Gemeentelijk initiatief

On 17 april 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam in kaarten’ (1987):

Bijna tweehonderd jaar lang, vanaf rampjaar 1672, vormde de Amsterdamse Plantage een onbebouwd gebied binnen de stadswallen. Al die tijd werd er hier geen kavel uitgegeven. Ook de bevolkingsomvang van Amsterdam bleef gedurende die hele periode steken op precies 200.000. Daarin kwam pas verandering na 1850. De groei zette toen lichtjes in. In de verarmde oude binnenstad raakten de kelders en zolders het eerste overbevolkt. Totdat in 1857 de gemeenteraad besloot met alle huurders van de tuinen in de Plantage het contract te beëindigen. Het gebied, ingeklemd tussen het Roeterseiland met uitsluitend industrie in het zuiden, de Kadijken met hun pakhuizen en Entrepotdok in het noorden en de Jodenbuurt in het westen, leek voorbestemd om een armeluisbuurt te worden. Echter, de gemeente bezat alle grond, wat in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was, en stelde hoge eisen aan de nieuwe bebouwing. Zo vormde zich in korte tijd een van de mooiste woonwijken van Amsterdam.

Toegegeven, deels was het succes van de Plantage als nieuwe, deftige woonbuurt te danken aan Artis, dat in 1838 werd aangeplant en dat met zijn in 1851 geopende Parkzaal de gegoede burgerij een passende entourage bood voor uitgaan en vertier. Maar de gemeente maakte het stedenbouwkundige plan en dat zou voor het uiteindelijke succes beslissend blijken. Dertig jaar later, zo rond 1890, was het grootste deel van de Plantage al bebouwd. In ‘Amsterdam in kaarten’ lees ik hierover: “De opzet van burgemeester en wethouders was geslaagd. De buurt had een uitgesproken deftig karakter gekregen, wat een breuk met de aangrenzende gebieden vormde.” Opnieuw een bewijs dat lang niet alle grote stedenbouw in het negentiende eeuwse Amsterdam uitsluitend te danken was aan de burgerij, maar dat ook de gemeente duidelijk initiatief nam en actief ingreep waar zij dat nodig achtte. Tussen 1860 en 1900 gingen de grondprijzen in de Plantage vijftig maal over de kop. De stad zelf werd ineens rijk. Voor wethouder Treub reden om in Amsterdam erfpacht in te voeren. En voor wethouder Wibaut reden om de gemeente stedenbouwkundig te outilleren.

Tagged with:
 

Amateur peers

On 12 april 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amateurism’ (2008) van Erik Kessels:

Vorige week college gegeven op de Academie van Bouwkunst Amsterdam. Onderwerp: wat ontwerpers van planologen kunnen leren. Opnieuw bleek het niet eenvoudig om de beide disciplines dichter bij elkaar te brengen, laat staan de ontwerpdiscipline anders te laten denken. Zwichten voor de crisis die het vak bijna om zeep helpt zou ook niet goed zijn. Beter de rug recht houden en wachten op betere tijden, lijkt het motto. En ja, de architectuur heeft wel eens zwaardere crises gekend. Dat er, los van de economische malaise, iets structureels aan de hand is waardoor het stedenbouwkundige ontwerpen fundamenteel zal veranderen, bleek moeilijk te accepteren. Met name het punt van de ‘massa-amateurisatie’ wilde er bij de studenten niet in. Planologen vormen de voorhoede en zijn dit aan het leren; ontwerpers zijn nog niet zover. Zit je net op een Academie vier jaar lang moeizaam het vak te leren, krijg je te horen dat amateurs het van je gaan overnemen. Begrijpelijk, die fronsende wenkbrauwen.

Na afloop kreeg ik een fantastisch publicatie van reclamemaker/kunstenaar Erik Kessels in handen. In 2008 had hij aan de Amsterdamse Academie als 4e ‘Artist in Residence’ een research group geleid die uitgerekend het verschijnsel ‘amateurisme’ had bestudeerd: “what is an amateur and what is a professional? Is one somehow superior to the other?” Dat soort vragen. De resultaten waren opgenomen in het boekje.  Allemaal buitengewoon aandoenlijke en ontroerende werkstukken van amateurs. Conclusie van Kessels: “Instead of closing ourselves off from amateurs and their influences, it might be beneficial to welcome them, their inspirations and enthusiasm. Those of us lucky enough to get paid for our creativity should welcome our amateur peers, not sneer down our marker pens at them.” Nieuw is het niet. In de negentiende eeuw was het de adel die zich er op liet voorstaan. Amateurisme betekende voor hen werkelijke passie. In de 21ste eeuw gaat het om een variant hiervan: “Increasingly, our entertainment is no longer the work of megastars but of regular people with a sketchpad, a digital camera and a strong inventive streak.”

Tagged with:
 

Nieuwe Plantages

On 18 maart 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 16 maart 2013:

Sinds een aantal weken is er een fraaie tentoonstelling te zien in het Amsterdamse Stadsarchief aan de Vijzelstraat. In ‘Booming Amsterdam’ kunnen bezoekers de ‘Gouden Eeuw’ van Amsterdam in originele kaarten bewonderen en beleven. Tussen 1596 en 1672, in amper zeventig jaar tijd, verviervoudigde de bevolking van Amsterdam. De met deze onstuimige groei verband houdende monumentale stadsuitbreiding van een metropool-in-wording voltrok zich in enkele grote stappen: de eerste tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), de laatste vanaf 1661. Tussentijds werden nog Kattenburg en Wittenburg aangelegd. De expositie is een uitstekende les in grootschalige planning en stedenbouw. Niets ‘spontane stad’, maar juist geplande stadsuitbreiding met een vaste hand.

Alles komt abrupt tot stilstand in het Rampjaar 1672. Daarna wordt vrijwel geen kavel in de stad meer verkocht. Tien jaar later, in 1682, besluit het bestuur om de Plantage te ontwerpen op de braakliggende kavels in het oosten, met groene alleeën, grote tuinen, een magistraal ontwerp. Wie kon destijds bevroeden dat in die tuinen later, in de negentiende eeuw, een hortus en een dierentuin zouden komen, een universiteit zich zou vestigen, diverse schouwburgen zouden openen, een statige woonwijk zou verrijzen? ‘Booming Amsterdam’ is uitgerekend te zien in de huidige crisis, kort na het rampjaar 2008. Na decennia van stedelijke groei tijdens de zogenaamde ‘Derde Gouden Eeuw’ is de stadsontwikkelingsmachine van Amsterdam opnieuw tot stilstand gekomen. Ook op dit moment wordt er in de stad geen kavel meer verkocht. Nee, deze tentoonstelling is ironisch en buitengewoon leerzaam. Op alle bouwrijp gemaakte binnenstedelijke terreinen zouden vanaf nu schitterende Plantages moeten worden ontworpen, als een bescheiden maar waardevolle investering voor het nageslacht.

Tagged with:
 

Concurrentie

On 25 februari 2013, in economie, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op 19 februari 2013 in Parijs:

La Défense, het zakencentrum van Parijs, bestaat vijftig jaar. “Als het gereed is, kan La Défense een van de meest boeiende voorbeelden worden van moderne stedenbouw in een oude stad van de gehele wereld,” schreef Peter Hall in 1966. Parijs wilde geen wolkenkrabbers in het oude centrum en zocht daarom een symbolische plek in het westen, op het grondgebied van de buurgemeenten Courbevois en Puteaux, even buiten de Périphérique, om er een Amerikaans zakencentrum in hoogbouw te ontwikkelen. Het gebied ligt aan de dure kant van Parijs, in de as van het Louvre, de Tuileries en de Champs Elysées. Een snelle RER-verbinding met het hart van de stad zorgde ervoor dat La Défense niet al te excentrisch kwam te liggen. Alle hoofdkantoren van de grote Franse bedrijven zijn er tegenwoordig gevestigd. Een congres dat afgelopen week aan de toekomst van La Défense was gewijd, opende met cijfers over de naamsbekendheid van het Franse zakencentrum. Vierhonderd opinieleiders uit Frankrijk, Spanje en Italië bleken in grote meerderheid met het zakencentrum goed bekend, maar Canary Wharf in Londen kenden ze toch beter. Iedereen was het er over eens geweest dat een internationaal zakencentrum in de hoofdstad van het land uitermate belangrijk is voor de concurrentiepositie. Tijdens het congres spiegelde men zich aan de Amsterdamse Zuidas.

De aanleiding voor het organiseren van het congres bleek geld te zijn. Of : dreigend gebrek aan geld. De vorige president, Nicolas Sarkozy, had in zijn ambtstermijn een ambitieus regionaal metroplan voor Groot-Parijs goedgekeurd, met twee nieuwe lijnen die beide La Défense en omgeving zouden aandoen (zie eerdere blogitems). Het zakencentrum zou daarmee directe verbindingen krijgen met de twee Parijse luchthavens, Orly en Charles de Gaulle. Maar de nieuwe regering-Hollande dreigt vanwege bezuinigingen de uitvoering van de metroplannen, die alweer 9 miljard euro duurder bleken, te temporiseren, ook al worden de plannen vooral uit lokale belastingen betaald. Met het congres wilden de organisatoren de druk op de regering opvoeren. Boodschap: de concurrentie zit niet stil. Niet, aldus de dagvoorzitter, dat de Zuidas nu een bedreiging voor de Fransen vormde. Daarvoor kwam deze te laat en was ze te onbeduidend. Philippe Chaix, directeur van EPADESA, vond ook dat La Défense er mooi bij ligt. De verdere ontwikkeling zou wat hem betreft meer bottom-up moeten gebeuren en vooral de software van het gebied behoeft verbetering. Een gejoel steeg op in de zaal. Het Franse publiek gruwde van al die anglicismen.

Tagged with:
 

Clarity of Forms or Garbage

On 7 januari 2013, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Russia: An Architecture for World Revolution’ (1984) van El Lissitzky:

Fraaie tentoonstelling gezien in het Van Abbemuseum: ‘Lissitzky – Kabakov. Utopie en werkelijkheid’. Door beide Russische kunstenaars tegenover elkaar te plaatsen worden idealen uit de begintijd van de Sovjet-Unie – het werk van Lissitzky – vergeleken met wat ervan terecht is gekomen – het werk van het echtpaar Kabakov. Een hoofdrol hierin speelt Moskou. De stad werd in 1918 aangewezen als de nieuwe hoofdstad van het socialistische wereldrijk. Daar hoorde ook een nieuwe stadsvorm bij. Zo ontwierp Lissitzky, die afwisselend in Berlijn en in Moskou verbleef,  in 1924 voor de nieuwe hoofdstad de ‘Wolkenbügel’: een enorme kantoordoos die hoog boven de ringweg zou zweven, precies op de plek waar de radialen de stad binnendringen. Het was bedoeld om als baken te dienen langs de ringweg van Moskou. Rondom de stad zouden vijf van deze gebouwen neergezet worden, elk in een andere kleur, zodat je wist waar je de stad in moest rijden. Zelf schreef hij: “Moscow is as centralized city, characterized by a number of concentric ring boulevards connected by radial main streets emanating from the Kremlin. The proposal intends to place these structures at the intersections of the radials and the boulevards, where the most intense traffic is generated.” Het zich onttrekken aan de wetten van de zwaartekracht door het doen zweven van enorme volumes op grote hoogte, het gebruikmaken van liften, het werken met vrije plattegronden die geen hinder ondervinden van de beperkingen van verkavelingen, en ook: “The resulting external building volume achieves elementary diversity in all six visual directions.”

Tegenover dit utopische bouwwerk, wat het stadsbeeld van Moskou danig zou hebben gedomineerd als het ooit was gebouwd, staat Kabakov’s ‘doos met rotzooi’ (1986). Alle rommel in dit werk is door Ilya Kabakov nauwkeurig beschreven op kleine papiertjes en deze zijn aan lijnen gehangen zodat de opschriften te lezen zijn voor de toeschouwer. De eens zo maakbare werkelijkheid is in stukjes uiteengevallen. Deze fragmenten, brokstukken, worden als archeologische voorwerpen geordend met behulp van woorden. Kabakov: “This image of a cluttered, dusty, half-abandoned, ownerless existence is firmly connected for me with the feeling of my Homeland and with the hopeless feeling that it is impossible to get rid of the situation, that it is here forever, and that garbage and dirt are the very unique ‘genius’ of our place, having taken up residence in it forever.” (The Man Who Threw Never Away Anything, 1996). Een mooiere beschrijving van wat Moskou en eigenlijk elke stad feitelijk is, is nauwelijks denkbaar.

Tagged with:
 

As well equipped as a factory

On 13 november 2012, in infrastructuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All that is solid melts into air’ (1982) van Marshall Berman:

Donderdagmiddag 22 november aanstaande geef ik college in het Bungehuis over de Bijlmer. Het wordt een college over ‘social engineering’. Hoe zal ik beginnen? Waarmee kan ik de aandacht van de studenten van meet af aan het beste vangen? Met het neerhalen van Pruitt Igoe in St. Louis? Daarmee zet ik wel direct de toon. Maar het gevaar dat ik de Bijlmer dan tendentieus neerzet is wel erg groot. Het is van dik hout zaagt men planken. Iets constructievers is ook mogelijk. Beginnen met het Algemeen Uitbreidingsplan bijvoorbeeld. Nee, dan kies ik liever nog iets anders, iets wat aan het AUP voorafging. Ik begin met de wandeling van Le Corbusier in 1924 op de Champs Elysées, Parijs.

Toen de Frans-Zwitserse architect Charles Jeanneret, alias Le Corbusier, op 1 oktober 1924 over de Champs Elysées flaneerde, werd hij bijna omver gereden door hardrijdende auto’s. Het was op een zwoele nazomeravond. Le Corbusier: “It was as if the world had suddenly gone mad.” Twintig jaar eerder, tijdens zijn studententijd, behoorde de straat nog aan hem en zijn vrienden – “we sang in it, we argued in it, while the horse-bus flowed softly by.” Le Corbusier realiseerde zich ineens dat die tijd voorgoed voorbij was. De nieuwe mens, aldus de jonge architect, had een nieuw soort straat nodig, een soort machine voor verkeer; een werkelijk moderne straat moet zijn “as well equipped as a factory.” Op zo’n moderne straat lopen geen mensen meer. “Cafes and places of recreation will no longer be the fungus that eats up the pavements of Paris.”  Marshall Berman, die Le Corbusier hier citeert, noemt dit inzicht op die nazomeravond in Parijs allesbepalend voor wat later komen zou: “From Le Corbusier’s magic moment on the Champs Elysées, a vision of the new world is born: a fully integrated world of high-rise towers surrounded by vast expanses of grass and open space – the tower in the park – linked by aerial superhighways, serviced by subterranean garages and shopping arcades.” Dat jaar nog publiceerde hij ‘La Ville Radieuse’. Vijftig jaar later volgde de Bijlmer.

Tagged with:
 

Traag bouwen

On 15 oktober 2012, in monumentenzorg, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op 28 september 2012 in Stockholm:

Hun bureau heet Visiondivision. De twee jonge Zweedse architecten ontvingen ons in hun woonkamer, hartje Stockholm. Hun startende bureau had even geen onderdak meer, vandaar. Provisorisch presenteerden ze er ‘Stockholm Stacked: Vertical City Fantasy’, al werden we eerst getrakteerd op een overzicht van hun hele oeuvre, wat door de prilheid van het bureau natuurlijk niet veel om het lijf had, maar dat wel lang duurde. ‘Stockholm Stacked’ bleek een luchtig gebrachte toekomstfantasie over het snel groeiende Stockholm. Hoogbouw verschijnt er op alle bebouwde binnenterreinen als in een SimCity-film. Zonder al teveel ingrijpende aanpassingen en vanaf de straat vrijwel onzichtbaar verdubbelt hierdoor het inwonertal van de Zweedse hoofdstad, met gemak. “Stockholm is one of the fastest growing cities in Europe at the moment, but the pace of new constructions of housing is not at all in tune with the current demand.” Opschieten dus. De hoogte in. Iedereen zoekt woon- en werkruimte in Stockholm, maar die is er niet. Stockholm wordt voor velen te duur om in te wonen. De schaarste en de hoge prijzen drijven de onderklasse naar buiten, de segregatie neemt hierdoor toe. Volgens de architecten is er sprake van onwil bij de autoriteiten om op grote schaal binnenstedelijk te bouwen. En de ontwikkelaars geloven nog steeds niet dat mensen allang niet meer suburbaan willen wonen, maar binnen de bestaande stad.

A dense city is good for the environment and this type of development also takes away the pressure on the important green areas that are open for all. (…) With a larger density of people also comes a wider range of things to do. More museums, libraries, restaurants, bars, cafés, places where people can meet. The result will be a better Stockholm for everyone.” Wie naar buiten keek zag een historisch Stockholm met een skyline die al in 1965 was bevroren. Nergens hoogbouw te zien, alleen maar monumenten. De conserverende ruimtelijke politiek die Stockholm al decennia volgt heeft inderdaad grote nadelen – lees ‘Triumph of the City’ van Edward Glaeser er op na. De vraag is wel of aan de toekomstfantasie van Visiondivision niet ook grote bezwaren kleven. Stockholm kiest daarom voor binnenstedelijk bouwen in de havens en op brownfields rond het historische centrum. Wat is daar op tegen? Overal in Europa kampen succesvolle steden als Parijs, Wenen, Stockholm en Amsterdam met hetzelfde probleem: er wordt te traag gebouwd.

Tagged with:
 

Olympische stedenbouw

On 10 oktober 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Stockholm op 28 september 2012:

Op roeiafstand van het historische centrum van Stockholm ligt Hammarby Sjöstad. Je kunt er eenvoudig komen door een pontje te nemen vanaf Ostermalm. De overtocht duurt niet langer dan hooguit tien minuten. Hammarby is een stevige woonwijk die vanaf 2001 werd ontwikkeld op een voormalig industrieterrein ten zuidoosten van Sördermalm. Alle grond bleek er vervuild, de meeste fabrieken moesten worden gesloopt voordat de eerste woningen konden worden gebouwd. Rond 2017 zal de wijk zijn voltooid. De dichtheid is er hoog, overigens zonder dat het benauwd wordt. Het water maakt dat alles groen en open oogt. Er rijdt een tram en de parkeernorm is er extreem laag: 0,8 auto’s per woning. De bouw doet sterk denken aan het KNSM-eiland in Amsterdam, dat iets eerder in de tijd werd ontwikkeld. Er wonen op dit moment 11.000 mensen, terwijl er nog eens 10.000 mensen werken.

Hammarby Sjöstad dankt zijn ontstaan aan de mislukte bid van Stockholm voor de Olympische Spelen van 2004. Dat bid werd uiteindelijk gewonnen door Athene. Nadat de Zweden eind jaren ‘90 hun tranen hadden gedroogd, besloten ze het als Olympisch dorp bedoelde plan alsnog uit te voeren. Er werden geen concessies gedaan aan de ambities, de planning werd gehaald, het is de eerste grote binnenstedelijke woonwijk in hoge dichtheid van Stockholm en in Zweden, gebouwd als alternatief voor de new towns die achteraf niet duurzaam bleken en de segregatie binnen Groot Stockholm alleen maar aanwakkerden. Hammarby Sjöstad staat tegenwoordig bekend als een buitengewoon geslaagde wijk. Meer van dergelijke voormalige industrieterreinen rond de oude stad staan op de nominatie om herontwikkeld te worden, zoals Norra Djurgardsstaden. Dat men de Olympische Spelen niet heeft gewonnen, wordt achteraf dus allerminst betreurd. Een bid uitbrengen op de Olympische Spelen is altijd profijtelijk. Het maakt grote steden duurzamer. 

Tagged with:
 

Het kan verkeren

On 8 oktober 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Brazilië’ (1998) van Paul Meurs en Esther Agricola (red.):

Omdat zoonlief naar Brazilië wil, sla ik de architectuurgids van Paul Meurs en Esther Agricola nog eens open. Het boek is de neerslag van een aantal Braziliëreizen die het tweetal architectuurhistorici midden jaren negentig organiseerde naar het Zuid-Amerikaanse land, dat toen juist in opkomst was. Deelnemers aan de excursies schrijven over hun bevindingen in steden als Rio de Janeiro, Brasilia, Curitiba, Salvador en Sao Paulo. Het slothoofdstuk is van de hand van architectuurcriticus Hans van Dijk, destijds hoofdredacteur van het spraakmakende architectuurtijdschrift ‘Archis’. De titel luidt: ‘Factor Brazilië: weidsheid’. Het stelt de vraag: ‘wat neemt men uit Brazilië mee, behalve de op talloze dia’s vastgelegde bevestiging van het beeld dat voor vertrek al in die reisbagage zat.”

Weidsheid dus. Van Dijk: “De grote schaal is lange tijd anathema geweest in Europa. In Nederland was Maaskant de enige architect die haar aandurfde en daarmee heeft hij veel kritiek geoogst.” Hier spreekt iemand over moderne architectuur. Hoewel. “Nu ook in de Europese steden opgaven worden gesteld met grootschalige programma’s op stedelijke leegtes in verlaten haven- en industrieterreinen, bovenop gereorganiseerde spoorwegemplacementen, langs uitgestrekte bundels infrastructuur en in de stedelijke periferie, wint het vermogen om met de grote schaal om te gaan aan relevantie.” Dat was in 1998. Anno 2012 leest de passage van Van Dijk als een fragment uit een vreemd, ander tijdperk. Inmiddels koesteren we namelijk weer de kleine schaal, die ene kavel, het individuele huis, de ‘spontane stad’. Nederland is vijftien jaar later totaal veranderd. Alle Braziliereizen zijn vergeefs geweest. We zijn weer terug bij af. Het kan verkeren.

Tagged with: