Provinciaals

On 6 maart 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2012) van Lydia Hagoort:

In het najaar van 1851 maakte Samuel Sarphati een studiereis naar Brussel, Londen en Parijs. Het was het jaar van de grote Wereldtentoonstelling. Vooral Londen maakte grote indruk op de Joodse geneesheer-ondernemer. De metropool werd door tijdgenoten gezien als de stad van de toekomst. Hier aanschouwde men de ware kracht van de Industriële Revolutie. Lydia Hagoort schrijft: "Londen was de grootste en rijkste metropool ter wereld. De stad telde tweeënhalf miljoen inwoners, tweemaal zoveel als Parijs." Den Haag en Amsterdam vielen in het niet vergeleken bij de Britse hoofdstad. In Hyde Park bezocht Sarphati de wereldtentoonstelling, waar Paxton zijn reusachtige Christal Palace had gebouwd. Het glazen gebouw mat 563 meter in de lengte, 116 meter in de breedte en 33 meter in de hoogte. De Nederlandse inzending die hij er aantrof bleek beschamend, het gebouw zelf vond hij echter meer dan indrukwekkend. Sarphati ging er een aantal keren kijken. Eind oktober was hij weer terug in Amsterdam.

Door toedoen van Sarphati kreeg Amsterdam zijn Paleis voor Volksvlijt – een licht verkleinde kopie van Christal Palace. Het gebouw kwam te staan aan het Frederiksplein. Maar hoe dit gebouw te financieren? Bestaande instituties wilden er, zoals zo vaak, geen cent in steken. In de zomer van 1852 richtte Sarphati daarom een Vereniging voor Volksvlijt op. Iedereen kon er lid van worden, wat een novum was. Eind 1853 telde de vereniging al 700 leden. Uiteindelijk wilden enkele vermogende burgers borg staan voor enkele tonnen, maar daarop reageerde het gemeentebestuur niet. Eind mei 1856 gaf Sarphati aandelen uit. Er waren nu vijfduizend aandelen van tweehonderd gulden te vergeven. Een dag later was een miljoen gulden opgehaald. Twee jaar later koos de vereniging Cornelis Outshoorn als architect. Maar de plek waar het paleis moest komen te staan was gedeeltelijk in handen van het Ministerie van Defensie. Onderhandelingen tussen stad en staat verliepen traag, ook omdat PW tegenwerkte. Op 7 september 1858 kon dan eindelijk de eerste paal worden geslagen. Juni 1864 – bijna zes jaar later en na ontzettend veel gedoe – was het werk eindelijk voltooid. En wat bleek? De bouwinspecteur oordeelde het paleis te hoog.

Tagged with:
 

Hoe Heineken won

On 5 maart 2014, in economie, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 23 februari 2014:

 

Na ‘Booming Amsterdam’ – de fraaie tentoonstelling over de Gouden Eeuw en de aanleg van de grachtengordel in De Bazel – waren de verwachtingen hooggespannen. Maar ‘Heinekens Amsterdam’ in diezelfde De Bazel, op dit moment daar te zien, valt tegen. De tentoonstelling pretendeert Amsterdams Tweede Gouden Eeuw te tonen aan de hand van het korte leven van bierbrouwer Gerard Heineken (1841-1893), de grondlegger van het bierimperium aan het Weteringplantsoen. Maar wat de tentoonstelling laat zien is niet de planvorming en aanleg van het Noordzeekanaal en de haven, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, de Wereldtentoonstelling van 1884 op het Museumplein, de bouw van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal station, de enorme werkzaamheden rond de aanleg van het spoor, de drastische plannen voor de stadsuitleg. Nu ja, van alles ziet men iets, maar niet veel. Wel veel bierviltjes, etiketten, oorkondes voor bier, de opening van Die Port van Cleve. Gek, want samensteller Erik Schmitz viel het juist op dat Heikenen voortdurend ‘adressen’ stuurde naar het gemeentebestuur over de stadsuitbreiding. Waarom Heineken dat deed?

In ‘1000 jaar Amsterdam’ (2012) had Fred Feddes een fraaie kaart opgenomen van het deelplan van de noordelijke Pijp uit 1873, die echter niet getoond wordt op de tentoonstelling. Daarop prijkt brouwerij De Hooiberg van Gerard Heineken aan het nieuwe tracé van de Stadhouderskade. De bouw ervan startte in 1868, midden in de weilanden, op een stuk grond gekocht uit de boedel van Sarphati. Het deelplan was opgesteld na afwijzing van het plan Van Niftrik (1867). In Van Niftriks esthetische plan was geen plaats geweest voor een bierbrouwer op de kade. Fabrieksterreinen waren ingetekend achter de Oosterparkbuurt en achter de Staatsliedenbuurt. Van Niftrik wilde het Centraal Station op de te dempen Zaagmolensloot – de huidige Albert Cuyp -, met een entree naar de stad via het Paleis voor Volksvlijt en de Utrechtsestraat. Heineken echter won. Op de tentoonstelling zien we het latere plan-Kalff (1877). Het accepteert de brouwerij; het deelplan uit 1873 is keurig opgenomen. Het Centraal Station ligt nu in het IJ, voor het Damrak. En de Ferdinand Bolstraat is ter hoogte van De Hooiberg afgeknepen. Tot op de dag van vandaag is dat een smalle passage waar trams, voetgangers en fietsers elkaar naar het leven staan. En de nieuwe metro moet er gestapeld onderdoor.

Tagged with:
 

Abnormaal

On 3 maart 2014, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Nieuw-West op 20 februari 2014:

Obesitas is een snel groeiend maatschappelijk probleem. Overgewicht staat niet op zichzelf; ze hangt samen met vele gezondheidsklachten. Deels schuilt het probleem in verkeerde of teveel voeding, deels in te weinig lichaamsbeweging. Jaarlijks sterven 9.000 mensen in Nederland door inactiviteit. Dat begint al op jonge leeftijd. Willem van Mechelen, hoogleraar Sociale geneeskunde, was door de gemeente Amsterdam gevraagd een masterclass hierover te leiden in Slotermeer. In ‘Gezond ingerichte stad’ voerde hij een gesprek met een dertigtal experts van verschillende gemeentelijke diensten op locatie, op zoek naar de ruimtelijke condities voor meer lichaamsbeweging door kinderen in de stad. Slotermeer is een typische naoorlogse woonwijk. Doodnormaal dus. Maar voor Van Mechelen, die zelf als kind in Slotermeer is opgegroeid, is het een abnormale omgeving die vreemd gedrag uitlokt waar kinderen dik van worden. Ze zouden veel meer moeten bewegen. De winst denkt hij vooral te behalen door ander gewoontegedrag. Daartoe zou de context moeten worden veranderd. Eigenlijk, denkt hij, zou de hele omgeving opnieuw ontworpen moeten worden. Welke ingrepen zijn effectief en haalbaar? Daarover ging de masterclass.

Naast de vele kleine ingrepen in speelpleintjes, schoolroutes, stoepen, plekjes, mengen van functies en verkeerssoorten, stoppen met ontwerpen voor specifieke leeftijdsgroepen, introductie van experimenteerruimtes en regelvrije zones, het weghalen van hekken, hervatting van acties als ‘Heel Nederland op de fiets!’ enzovoort, waren de deelnemers het vooral eens over de andere werkwijze die zou moeten worden gevolgd. Deelnemers noemden: een meer multidisciplinaire aanpak, samen met de gebruikers de rangorde van interventies bepalen, ook de kinderen actief consulteren, niet meer in projecten werken, meer ruimtelijk denken, het beheer goed aanhaken. Inderdaad "niet weer zo’n projectje". Zes regels dus voor een succesvolle aanpak. De wethouder (Eric van der Burg) en de portefeuillehouder (Jesse Bos) van het stadsdeel kwamen langs. Buiten regende het. Van Mechelen, bang dat het weer bij goede voornemens zou blijven, nam de oogst in ontvangst.

Tagged with:
 

A perpetual fair

On 3 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

‘Lui’ was de bijnaam van Louis Napoleon, de latere Napoleon III. In 1849 kwam hij over uit Londen om de Franse troon te bestijgen. Parijs was in een ware revolutiestemming en die hete zomer werd de hectische metropool opnieuw bezocht door een hevige cholera-aanval. Karl Marx en zijn vrouw, die Parijs ‘de stad der steden’ noemde, kregen in een kennelijke poging om orde op zaken te stellen het bevel om de Franse hoofdstad binnen vierentwintig uur te verlaten. De Duitse revolutionair Marx vertrok daarop naar Londen. Even later stelde het reactionaire Franse staatshoofd Georges-Eugène Haussmann aan als prefect met de opdracht de onrustige hoofdstad opnieuw ruimtelijk in te richten. Zijn grondige stedelijke herstructurering, tevens ongekende stadverfraaiing, leidde, bedoeld of onbedoeld, tot enorme prijsstijgingen, waardoor veel Parijse paupers in tien jaar tijd de stad uit verdreven werden. Dit zette kwaad bloed, waardoor vanaf 1860 eerst regelmatig studentenrevoltes uitbraken, die uiteindelijk leidden tot de bloedige Parijse Commune van 1871, met als gevolg de vlucht van Napoleon en, even eerder al, zijn stedenbouwkundige Haussmann.

In ‘Love and Capital’ beschrijft Mary Gabriel fraai hoe Marx zijn door ziekte en ouderdom verzwakte vrouw mee op reis neemt naar het vernieuwde Parijs nadat zij hem had toevertrouwd het resultaat van Haussmann’s inspanningen te willen zien. In 1881, na tweeëndertig jaar, arriveren ze dan eindelijk weer in hun geliefde, maar nu totaal getransformeerde Parijs. Gabriel: “They rode in an open carriage along boulevards that had not existed in 1849, past what Marx called a perpetual fair in all its colorful glory.” Waaraan Gabriel toevoegt: “Next to gray, gray London, Paris was a carnival.”  Ze drinken koffie op een terrasje en genieten van de onmiskenbaar Franse straatleven. “For a moment, Marx and Jenny may have even imagined themselves young again, he the fiery black-haired philosopher turned revolutionary, she the belle of Trier, both eager to challenge the world.” In werkelijkheid waren ze twee oude mensen (Karl 65 jaar, Jenny 69 jaar), onherkenbaar te midden van de vele duizenden jongeren op straat: hij, de schrijver van ‘Das Kapital’, zij, de moeder van zeven kinderen waarvan vier tijdens het schrijven waren gestorven.

Tagged with:
 

My Ideal City

On 12 december 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Skills in a Complex World’ (2013) van faculteit Architectuur van TUe:

Verrassende oogst in het recente masterprogramma Architectuur van de Technische Universiteit Eindhoven: ‘Skills in a Complex World’. De studenten die aan het masterprogramma deelnamen constateren dat de groei van steden onvermijdelijk doorzet. Van de 86 steden met meer dan een miljoen inwoners in 1950 ging de wereld naar 550 miljoenensteden in 2004. De komende jaren zullen er nog vele bijkomen. Informele stedenbouw wordt het dominante patroon. “People and also architects focus on STARchitecture instead of the real problem of unstoppable informal growth.” De studenten probeerden, anders dan hun voorgangers, van de informele stedenbouw maximaal te leren. “We were inspired by the fact that problems in these areas get solved in collaborative and innovative new ways, and decided that our skills as an architect can be derived from this way of handling with the biggest urban problem in the world.” Vandaar hun analyse van bottom-up strategieën in Zuid-Amerikaanse steden: in Chili, Brazilië, Colombia en Venezuela.

Aansprekend vond ik het voorbeeld van ‘downtown Bogotà’. Traditionele topdown-strategieën werken hier niet meer. Dat blijkt uit het feit dat burgemeesters in de Colombiaanse hoofdstad hun termijn niet afmaken en al na gemiddeld drie jaar het veld ruimen. Ook de corruptie tiert er welig. Rodrigo Nino begon daarom een website ‘My Ideal City’. Hierop konden mensen hun ideeën ten aanzien van de stad van de toekomst met elkaar delen. Ook een radioprogramma besteedde zendtijd aan het ideeënfestival. Uit de veelheid van inzichten ontwikkelde Nino projecten als de revitalisering van het stadscentrum, waar bijna geen mensen meer wonen en dus ook geen grootstedelijke voorzieningen meer zijn. Gesuggereerd werd om hier studentenwoningen te introduceren als eerste stap. Bogotà kent 33 universiteiten met in totaal een miljoen studenten, vrijwel alle bevinden zich in de binnenstad. Het bouwprogramma werd samen met de bevolking ontwikkeld. Op dit moment worden twee woontorens gebouwd, met elk 66 verdiepingen en 114.348 m2. Er komen een winkelcentrum, een congresruimte, een hotel, parkeergarages en heel veel wonen. Alles met crowdsourcing gefinancierd. Conclusie van de studenten: “To bring the information about city planning to the community the information flows have to change. Don’t keep the information on the office desks but create a platform where the community can be interactively involved.”

Tagged with:
 

Nederland in wording

On 5 december 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De functionele stad’ (2007) van Kees Somer:

Ongelooflijk. De kaarten van de achttien steden die in 1933 aan boord van de Patris II door de leden van CIAM werden besproken en later in Athene tentoongesteld zijn teruggevonden. Ze lagen in Zürich, Zwitserland. Op basis van de kaarten werd ooit het Charter van Athene geschreven: de bijbel van de functionalistische stedenbouw. Honderd congresleden stapten op 29 juli 1933 in Marseille aan boord van een schip dat hen naar Athene zou varen; onder hen bevonden zich Otto Neurath, Moholy-Nagy, Fernand Léger, Siegfried Giedion, Le Corbusier en Cornelis van Eesteren. Gewapend met kaarten, rapporten, typemachines en een stencilmachine aanvaardden ze de zeetocht, die op 13 augustus weer in Marseille zou eindigen. De steden die ze op de heenweg aan boord vergeleken waren Charleroi, Brussel, Den Haag, Bandoeng, Detroit, Zürich, Barcelona, Dessau, Athene, Warschau, Madrid, Stockholm, Oslo, Verona, Littoria, Como, Parijs, Keulen, Frankfurt, Amsterdam en Rotterdam. Ook behandelden ze het recente plan voor de Wieringermeerpolder. “Geheel deze vacantiewereld vormde een drijvende toren van Babel, vol vriendelijkheid en goed humeur, vol schilderachtigheid in één woord, uiterst ‘Montparnasse’ achtig,” schreef een van de leden later.

Op de terugweg componeerden de moderne architecten stedenbouwkundige resoluties op basis van het bestudeerde materiaal. Hoewel Le Corbusier ze te politiek vond, schaarde een meerderheid zich achter de verstrekkende eisen, door een van de jongeren aldus geformuleerd: “een organisatie op basis van een economisch plan voor de regio; afschaffing van het particuliere eigendom van grond, gebouwen, transportmiddelen en organisatie voor ravitaillering; een organisatie van het platteland door middel van een functionele herverkaveling van landbouwpercelen en de creatie van nieuwe agrarische centra; en een stedenbouwkundige ontwikkeling met behulp van moderne techniek en een rationele organisatie, gericht op een planmatige verdeling van bevolkingsdichtheden, een herinrichting van de grond en een regeling van het transport op basis van productie, distributie en de levensstandaard van de bevolking.” Achteraf lijken de resoluties afkomstig uit een communistisch manifest. Of beter wellicht: uit Nederland in wording.

Tagged with:
 

Stedelijke laboratoria

On 3 december 2013, in geschiedenis, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Iron Curtain’ (2012) van Anne Applebaum:

In het magistrale ‘Iron Curtain. The Crushing of Eastern Europe’ besteedt Anne Applebaum relatief veel aandacht aan steden. Hoofdstuk 15 is zelfs helemaal gewijd aan ‘Ideal Cities’. Deze ideaalsteden werden in Oost Europa door de communisten direct na de Tweede Wereldoorlog gebouwd: Nova Huta in Polen, Stalinvaros in Hongarije en Eisenhüttenstadt in Oost-Duitsland. Vooral Russische planologen bemoeiden zich met de plek en opbouw van de nederzettingen, die rond gigantische staalbedrijven werden opgetrokken en die uitdrukkelijk symbool kwamen te staan voor de creatie van een totalitaire samenleving. Het was een samenleving waarin hoofdzakelijk voor de wapenindustrie werd geproduceerd en waarin de staat het absolute middelpunt vormde. “In these brand-new communities, traditional organizations and institutions would have no sway, old habits would not hinder progress and communist organizations would exert enormous influence over young people because there weren’t any others.” De nieuwe steden werden beschouwd als de ‘laboratoria van een toekomstige maatschappij’.

Ook de architectuur van de nieuwe steden was overwegend politiek, door de overheid topdown gestuurd: een socialistisch-realistische architectuur die dictator Stalin voorstond. De verwachtingen waren hoog gespannen en die verwachtingen werden door de lokale autoriteiten steeds verder opgevoerd, aldus Applebaum. De eerste bouwjaren overtroffen inderdaad alle prognoses, want de bevolking groeide snel. Applebaum: “In any developing country such rapid growth was guaranteed to bring chaos, disorganization, mistakes and worse. And so it did.” En dan volgt een beschrijving van tal van fouten in de nieuwe steden in opbouw, met deze conclusie: “Rapid development often leads to these kind of mistakes and failures in poor countries. But in the new socialist cities the gap between the utopian propaganda and the sometimes catastrophic reality of daily life was so wide that the communist parties scrambled constantly to explain it away.” Terwijl het enthousiasme daarna snel wegebde, verdween ook de utopische droom van de socialistische stad achter de horizon. Uiteindelijk zouden Nova Huta en andere nieuwe steden symbool komen te staan voor het failliet van de totalitaire staat: ‘failed planning, failed architecture, a failed utopian dream.

Tagged with:
 

Tijdklok

On 15 november 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op 14 november 2013 in Amsterdam:

Bijzondere avond beleefd in het Van Eesteren Museum in Amsterdam Nieuw-West. Vijf oudgedienden vertelden donderdagavond over hun kennismaking met de persoon van Cornelis van Eesteren, stedenbouwkundige van Amsterdam (1873-1988). Van Eesteren ontwierp o.a. Amsterdam Nieuw-West, Buitenveldert en het Amsterdamse Bos. Vier van de vijf waren ooit student-assistent bij hem geweest toen Van Eesteren nog in Delft doceerde, de vijfde had onderzoek naar zijn werk gedaan. Het beeld dat uit al die anekdotes oprees, was dat van een ontwerper die uiterst nauwgezet stedenbouwkundige studies las, die deze vanaf papier interpreteerde als hele concrete wandelingen en menselijke ervaringen in de ruimte. Elke route, elk denkbeeldig motief van mensen om zich te verplaatsen wilde hij heel precies doorgronden. Onderweg moest er altijd iets gebeuren, mensen moesten kunnen dwalen en in een hele kleine ruimte diende zoveel mogelijk ongezochte afwisseling te zijn. Aan iconen, frivoliteiten en uitzonderlijke ingrepen schijnt Van Eesteren een hekel te hebben gehad. Alles moest gelijkmatig zijn, van een uniforme kwaliteit. Architectuur mocht bij hem ook gerust bescheiden zijn; die zou na verloop van tijd toch verdwijnen en ingeruild worden voor iets anders, iets beters.

Prachtig was de anekdote van Pieter de Gier over Van Eesteren’s bezoek aan diens woning. Van Eesteren had zich met zijn vrouw bij het echtpaar De Gier gemeld voor een visite. Toen ze arriveerden bleek de professor niet zozeer in het echtpaar geïnteresseerd, maar in hun huis. Zelf had Van Eesteren juist een woning in Buitenveldert gekocht en was deze op papier aan het inrichten. Alles had hij een plek gegeven, maar in de keuken was hij gestuit op een probleem. In de oven kwam een spit, maar waar liet hij de spit als hij die niet nodig had? Dit wilde hij van De Gier en zijn vrouw graag weten. Of hij even in hun keuken mocht kijken. Waarop De Gier een mandje zou hebben aangereikt met de mededeling dat het spit daar wel in zou passen. Het verhaal herinnerde me aan mijn eigen bezoeken, afgelegd tussen 1982 en 1986, aan Van Eesteren, toen ik telkens langs stapeltjes knipsels werd geleid die heel precies op tafels in zijn werkkamer waren uitgestald. Ook is me bijgebleven dat de stedenbouwkundige in zijn huis overal tijdklokken had hangen. Op een avond tijdens het gesprek was het licht automatisch uitgegaan. Van Eesteren was daarop opgesprongen en had mij op de tast naar de deur begeleid. Het was, voegde hij me toe, de hoogste tijd om het pand te verlaten. Bij Van Eesteren was het hele leven geordend, zowel in ruimte als in tijd.

Tagged with:
 

No future

On 28 oktober 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Belgrado op 27 oktober 2013:

‘No future’, sprak de 36-jarige Serviër gelaten. Hij stond met ontbloot bovenlijf op het dak van de twaalf verdiepingen tellende flat, gebouwd in 1976, ons toe te spreken. Zijn moeder kwam hem ijlings een T-shirt brengen. Haar gespierde twee meter lange zoon woonde nog altijd bij zijn zieke ouders in hun veel te kleine flat. Het liefst, vertelde hij ons in gebrekkig Engels, wilde hij emigreren. Er was geen uitzicht op werk, een vrouw had hij niet, de Servische politiek was corrupt en al zijn vrienden hadden het land al verlaten. De situatie oordeelde hij totaal uitzichtloos. We keken over de daken van de nieuwe stad, door president Tito na de Tweede Wereldoorlog aan de overzijde van de rivier gebouwd. De ideale stad, in de vorm van een veel te ruim grid – ooit bedoeld als de nieuwe hoofdstad van het verenigde Joegoslavië – lag er verstild bij. Nu, ruim zestig jaar later, was het modernistische grid nog altijd niet gevuld, ook al wonen hier bijna evenveel Serviërs als in het oude Belgrado.

Terwijl veel jonge mensen haar willen ontvluchten, groeit de bevolking van de Servische hoofdstad onverminderd door. De nieuwelingen zijn vooral afkomstig van de niet-Servische delen van de voormalige Joegoslavische republiek.  Belgrado zien zij vooral als springplank naar de wereld, niet als eindbestemming, want daarvoor is de werkloosheid te groot. Van de ruim vijf miljoen Serviërs woont nu al twee miljoen in de hoofdstad. En een eind aan deze trek is nog niet in zicht. Als de migratie aanhoudt wonen over twintig jaar alle Serviërs in één reusachtige metropool: Belgrado. De vraag is of deze grootstad voldoende werk biedt aan al die jonge nieuwkomers en wat er zal gebeuren met de streken die zij massaal hebben verlaten. Een troost: van leegstand is geen sprake en de modernistische flats in Novi Beograd worden nog altijd hoog gewaardeerd. Hier kan men het modernistische ideaal vervuld zien, zoals Le Corbusier en vrienden zich dat ooit hadden gedroomd. Tegelijkertijd groeien in het oosten en zuidoosten van de stad de illegale zelfbouwwijken, met een omvang nu al geschat op zeker 250.000 woningen.

Tagged with:
 

‘Bucky’ versus Jane

On 10 oktober 2013, in duurzaamheid, stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969):

Vandaag laatste college inleiding planologie gegeven aan eerstejaars studenten planologie van de UvA. Twee bepalende figuren uit de twintigste eeuwse planningsgeschiedenis heb ik behandeld: Richard Buckminster Fuller en Jane Jacobs. De eerste staat voor de mannelijke kant van het vakgebied, de tweede voor de vrouwelijke. Van elk las ik tijdens mijn studie een boek dat destijds grote indruk op mij maakte: ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) respectievelijk ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961). De eerste wordt tegenwoordig niet meer gelezen, de tweede maakt de ene comeback na de andere. Wat heet. Het lijkt erop dat de vrouwelijke benadering het uiteindelijk ruimschoots heeft gewonnen. Ogen op straat, straatleven, straathoeken, minder auto’s, veel voetgangers, diversificatie, creativiteit, productiviteit, organisch gegroeide steden, ja de spontane stad zit tegenwoordig sterk in de lift.

Echter, minstens zo interessant is het gedachtegoed van Buckminster Fuller, al lijkt deze futurist vooral onder hippies furore te hebben gemaakt. Toen Jacobs haar tirade tegen de New Yorkse sloopplannen van Robert Moses optekende, tekende Bucky een enorme ‘dome’ over Manhattan. Daarmee dacht deze voormalige marine-officier, uitvinder en futuroloog het ecosysteem van New York te kunnen redden. De wereld ging immers aan milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen ten onder, maar Bucky wist raad. In zijn ogen was de ‘planeet aarde’ een groot ruimteschip waarvan de raadselen door de wetenschap eindelijk waren opgelost. Computers zouden het hele ecosysteem precies kunnen reguleren en tegelijk de mensen van groeiende welvaart verzekeren. Bezit kon worden afgeschaft, de bevolkingsexplosie was een mythe, mensen hadden veel minder ruimte nodig, de planoloog kwam aan de macht. Fuller: “Wanneer de wereld haar potentiële mogelijkheden van welvaart verwezenlijkt zal hebben, zal er in New York ruimte genoeg zijn voor de gehele wereldbevolking; ieder mens zal ruimte genoeg hebben om een gemiddelde receptie te houden. Wij zullen in de toekomst steeds vaker bijeen komen in culturele centra. En anderzijds zullen wij meer gelegenheid krijgen om in alle ruimte die nog steeds op ons ruimteschip beschikbaar is tot grotere zelfontplooiing te komen.” Buckminster Fuller verwachtte ook veel van menselijke samenwerking, ingebed in ‘een metafysica van collectief ontwaken’ (Sloterdijk, Schuim, 2004). “Dus, planologen, architecten en ingenieurs, neemt het initiatief. Gaat allen aan de slag en tracht tot samenwerking te komen.” De computers zijn er; die samenwerking, daar wachten we nog op.