Versteende tentenkampen

On 19 augustus 2014, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 1 augustus 2014:

Curator Rem Koolhaas had de samenstellers van de inzendingen van de landenpaviljoens voor de Internationale Architectuur Biënnale Venetië 2014 gevraagd terug te blikken op honderd jaar Modernisme in hun eigen land. Een bijzondere inzending bleek die van Peru. Het Zuid-Amerikaanse land toonde vijf naoorlogse uitbreidingen van de hoofdstad Lima, alle een reactie op de snelle en ongecontroleerde groei van sloppenwijken die begon in de jaren veertig. De architecten hadden de nieuwkomers een eenvoudige en rationele plattegrond aangeboden, waarop de zelfbouwers vervolgens hun eigen woning konden realiseren. “The research presented in this exhibition reveals that Peruvian Modernity is the encounter of a rationally systematized spatial organization with a spontaneously squatted and self-built architecture.” De oudste nederzetting was die van de Ciudad de Dios uit 1955, de nieuwste het Huaycan Programma uit 1984. De laatste was het initiatief van burgemeester Alfonso Barrantes, die met lede ogen had moeten toezien hoe het nationale verstedelijkingsprogramma van president Belaunde in de crisisjaren op de klippen liep. De president probeerde de ontwikkeling van sloppenwijken tegen te gaan en in plaats daarvan keurige woonwijken te bouwen. Het alternatief van Barrantes – Proyecto Especial de Huanycan – bestond uit een participatief ontwerpproces dat op een nieuwe, snelle en effectieve manier duizenden mensen uitzicht bood op goedkope woningen (24.000 in totaal) in een ravijn van 462 hectare.

Peru neemt met zijn ‘In/Formal’ duidelijk stelling in een omgeving die er trouwens helemaal niet om vraagt. Koolhaas is alleen geïnteresseerd in architectuur, niet in steden. Lima is in korte tijd uitgegroeid tot een metropool van meer dan zeven miljoen inwoners. Daar kwam geen Le Corbusier of machtige bouwindustrie aan te pas. Lima laat zien dat het anders kan. Niet de architectuur staat er voorop, maar de mensen. Niet de commercie, maar zelforganisatie. Niet het resultaat, maar het proces. “It reassesses this unique encounter of the bottom-up and top-down processes, and poses the question of how architecture and society will build the city during the next century.” Hoe gaan wij in de 21ste eeuw onze steden bouwen? Nog altijd met architecten, maar zij dienen nu de mensen. Ik moest denken aan oud-wethouder Adri Duivesteijn, die na een studiereis door Peru al vroeg tot inzicht was gekomen en die dit idee van zelforganisatie tijdens zijn wethouderschap in Almere in praktijk heeft proberen te brengen. “Het maakt de stad diverser, kleurrijker, interessanter en persoonlijker,” schreef hij in november 2013. Architect Carel Weeber noemde dergelijke zelfbouwwijken in 1998 ‘versteende tentenkampen’.

Tagged with:
 

De weg en de waarheid

On 24 juni 2014, in infrastructuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All that is solide Melts Into Air’ (1982) van Marshall Berman:

Ergens moet het Modernisme voor de machine hebben gekozen, in plaats van de mens. Techniek wilden de internationale architecten humaniseren, dat wil zeggen dienstbaar maken aan het moderne leven. Ze omarmden haar, de industrie, de machines en dus ook de auto, volledig, omdat ze dachten dat deze de mensen comfort en een beter leven zouden brengen. Waren ze erdoor verblind? In 1948 publiceerde Siegfried Giedion  ‘Mechanization Takes Command’. Daarin onderzocht deze Zwitserse ideoloog van de CIAM – de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne – hoe de mechanisering ons moderne leven steeds meer beheerst en bepaalt. Beweging legde hij aan de basis van de vooruitgang en de auto zag hij als transportmiddel en snelheidsduivel bij uitstek die eind negentiende eeuw het privéleven van gewone stervelingen binnendrong. De auto, schreef hij, is de voorloper van de ‘volledige mechanisatie’ en de autosnelweg is de ultieme stedenbouwkundige uitdrukking ervan. Eerder, in ‘Space, Time and Architecture’ (1945), had hij al beschreven hoe de autosnelweg als parkweg onze grote steden binnendrong. Giedion: "In de eerste plaats vervult de parkweg een fundamentele wet van de stad in opkomst: hij scheidt de dooreengehaalde functies van het voertuig- en het voetgangersverkeer. Tevens brengt de parkweg de doodsteek aan de opvatting toe, als zou een verkeersweg een geïsoleerde baan zijn die maar ergens door het landschap heenslingert, doch er geen verband mee houdt." Je kunt er gelukkig niet langs wonen, merkte de ideoloog van het Modernisme op. "De parkweg wijst naar een verschiet waarin, nadat het hoognodige gedokter achter de rug is, de kunstmatig opgeblazen stad tot haar normale omvang zal zijn teruggebracht."

De autoweg als wapen tegen de grote stad. Wat een vergissing. Kijk naar de Gooiseweg/Wibautstraatcorridor, daterend van 1965, die na de IJtunnel in Amsterdam Noord overgaat in de Nieuwe Leeuwarderweg. Of neem de ‘Weg van de Broederschap en Eenheid’ die op last van Tito zowel oud als Nieuw Belgrado bruut doormidden klieft. Beide Modernistische autowegen hebben de oude en nieuwe stad bijna om zeep geholpen, ze omarmden het landschap maar isoleerden de aanpalende wijken. De Amerikaanse architectuurcriticus Marshall Berman zei het in 1982 zo mooi toen hij terugkeerde van een bezoek aan Brasiliá. De Brazilianen vervloekten de door Costa en Niemeyer ontworpen Modernistische stad, terwijl moderne architecten haar juist verafgooddden. Berman moest de gewone man gelijk geven. "My sense of what Brasiliá lacked brought me back to one of my book’s central themes, a theme that seemed so salient to me that I didn’t state it as clearly as it deserved: the importance of communication and dialogue." Modern klonk het misschien niet, voegde hij eraan toe, maar sinds het begin van de menselijke beschaving zijn onderlinge verstandhouding en dialoog de basis van alle bouwen en ontwerpen geweest. "We need to make the most of these possibilities; they should shape the way we organize our cities and our lives."

Tagged with:
 

Europese stad

On 13 juni 2014, in politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in De Gids nr. 3, 2014:

Tot nu toe is de betekenis van de stad in het Europa-debat sterk onderbelicht gebleven, nee vrijwel genegeerd. Dat stelt Ed Taverne, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, in een artikel in De Gids. Het artikel verscheen omstreeks de Europese verkiezingen in mei. Taverne’s stelling gaat nog verder, hij meent dat historici, architecten en sociologen zelfs hun vertrouwen in de stad hebben opgezegd en op dit moment vooral debatteren over het einde van de Europese stad. De Europese stad, dat is volgens Taverne "de stad opgevat als een esthetisch bedacht, compact ensemble, rijk aan historische verwijzingen naar de opkomst van een burgerlijke samenleving." Voor zijn stelling dat dit idee wordt losgelaten refereert hij aan het globaliseringsdebat enerzijds, met zijn gevoel van vervreemding door de alomtegenwoordigheid van het stedelijke op het platteland, en anderzijds ook aan de rellen en opstanden in de voorsteden van Londen, Stockholm en Parijs. Taverne: "Voor velen lijkt met het vuur van de straatbarricades, maar vooral met de onmacht en radeloosheid van de autoriteiten, ook de idee van de Europese stad als uniek model van samenleving definitief in rook te zijn opgegaan."

Volgens Taverne is er nog maar één argument over om te blijven geloven in het bestaansrecht van de Europese stad. Steden – zeker de Europese – zijn beter in staat problemen op te lossen dan staten of unies. Dat doen ze vooral lokaal, samen met hun burgers. Daarmee treedt Taverne in de voetsporen van filosofen en geografen als Benjamin Barber, Ed Glaeser, Richard Florida en Jeb Brugman. Niet verrassend dus, maar wel hoopgevend. Steden, aldus Taverne, zijn broedplaatsen voor creatieven, innovatieplatforms voor bedrijven en emancipatiemachines voor kansarmen tegelijkertijd. De EU zou het unieke concept van de Europese stad veel sterker moeten omarmen en promoten. Het meest iconische gebouw dat volgens de architectuurhistoricus Taverne deze boodschap uitstraalt is de Beurs van Berlage op het Amsterdamse Damrak. Taverne: Het gebouw, verwijzend met zijn campanile naar de middeleeuwse Italiaanse stadstaten, staat in het economisch-financiële hart van de stad en verheerlijkt “de rijke geschiedenis van Amsterdam als vrije koopmansstad.” Het wijst handelaren op subtiele wijze op de idylle van een samenleving zonder geld. Mooi om te weten nu Nederland voorzitter zal zijn van de EU in 2016.

Tagged with:
 

Provinciaals

On 6 maart 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2012) van Lydia Hagoort:

In het najaar van 1851 maakte Samuel Sarphati een studiereis naar Brussel, Londen en Parijs. Het was het jaar van de grote Wereldtentoonstelling. Vooral Londen maakte grote indruk op de Joodse geneesheer-ondernemer. De metropool werd door tijdgenoten gezien als de stad van de toekomst. Hier aanschouwde men de ware kracht van de Industriële Revolutie. Lydia Hagoort schrijft: "Londen was de grootste en rijkste metropool ter wereld. De stad telde tweeënhalf miljoen inwoners, tweemaal zoveel als Parijs." Den Haag en Amsterdam vielen in het niet vergeleken bij de Britse hoofdstad. In Hyde Park bezocht Sarphati de wereldtentoonstelling, waar Paxton zijn reusachtige Christal Palace had gebouwd. Het glazen gebouw mat 563 meter in de lengte, 116 meter in de breedte en 33 meter in de hoogte. De Nederlandse inzending die hij er aantrof bleek beschamend, het gebouw zelf vond hij echter meer dan indrukwekkend. Sarphati ging er een aantal keren kijken. Eind oktober was hij weer terug in Amsterdam.

Door toedoen van Sarphati kreeg Amsterdam zijn Paleis voor Volksvlijt – een licht verkleinde kopie van Christal Palace. Het gebouw kwam te staan aan het Frederiksplein. Maar hoe dit gebouw te financieren? Bestaande instituties wilden er, zoals zo vaak, geen cent in steken. In de zomer van 1852 richtte Sarphati daarom een Vereniging voor Volksvlijt op. Iedereen kon er lid van worden, wat een novum was. Eind 1853 telde de vereniging al 700 leden. Uiteindelijk wilden enkele vermogende burgers borg staan voor enkele tonnen, maar daarop reageerde het gemeentebestuur niet. Eind mei 1856 gaf Sarphati aandelen uit. Er waren nu vijfduizend aandelen van tweehonderd gulden te vergeven. Een dag later was een miljoen gulden opgehaald. Twee jaar later koos de vereniging Cornelis Outshoorn als architect. Maar de plek waar het paleis moest komen te staan was gedeeltelijk in handen van het Ministerie van Defensie. Onderhandelingen tussen stad en staat verliepen traag, ook omdat PW tegenwerkte. Op 7 september 1858 kon dan eindelijk de eerste paal worden geslagen. Juni 1864 – bijna zes jaar later en na ontzettend veel gedoe – was het werk eindelijk voltooid. En wat bleek? De bouwinspecteur oordeelde het paleis te hoog.

Tagged with:
 

Hoe Heineken won

On 5 maart 2014, in economie, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 23 februari 2014:

 

Na ‘Booming Amsterdam’ – de fraaie tentoonstelling over de Gouden Eeuw en de aanleg van de grachtengordel in De Bazel – waren de verwachtingen hooggespannen. Maar ‘Heinekens Amsterdam’ in diezelfde De Bazel, op dit moment daar te zien, valt tegen. De tentoonstelling pretendeert Amsterdams Tweede Gouden Eeuw te tonen aan de hand van het korte leven van bierbrouwer Gerard Heineken (1841-1893), de grondlegger van het bierimperium aan het Weteringplantsoen. Maar wat de tentoonstelling laat zien is niet de planvorming en aanleg van het Noordzeekanaal en de haven, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, de Wereldtentoonstelling van 1884 op het Museumplein, de bouw van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal station, de enorme werkzaamheden rond de aanleg van het spoor, de drastische plannen voor de stadsuitleg. Nu ja, van alles ziet men iets, maar niet veel. Wel veel bierviltjes, etiketten, oorkondes voor bier, de opening van Die Port van Cleve. Gek, want samensteller Erik Schmitz viel het juist op dat Heikenen voortdurend ‘adressen’ stuurde naar het gemeentebestuur over de stadsuitbreiding. Waarom Heineken dat deed?

In ‘1000 jaar Amsterdam’ (2012) had Fred Feddes een fraaie kaart opgenomen van het deelplan van de noordelijke Pijp uit 1873, die echter niet getoond wordt op de tentoonstelling. Daarop prijkt brouwerij De Hooiberg van Gerard Heineken aan het nieuwe tracé van de Stadhouderskade. De bouw ervan startte in 1868, midden in de weilanden, op een stuk grond gekocht uit de boedel van Sarphati. Het deelplan was opgesteld na afwijzing van het plan Van Niftrik (1867). In Van Niftriks esthetische plan was geen plaats geweest voor een bierbrouwer op de kade. Fabrieksterreinen waren ingetekend achter de Oosterparkbuurt en achter de Staatsliedenbuurt. Van Niftrik wilde het Centraal Station op de te dempen Zaagmolensloot – de huidige Albert Cuyp -, met een entree naar de stad via het Paleis voor Volksvlijt en de Utrechtsestraat. Heineken echter won. Op de tentoonstelling zien we het latere plan-Kalff (1877). Het accepteert de brouwerij; het deelplan uit 1873 is keurig opgenomen. Het Centraal Station ligt nu in het IJ, voor het Damrak. En de Ferdinand Bolstraat is ter hoogte van De Hooiberg afgeknepen. Tot op de dag van vandaag is dat een smalle passage waar trams, voetgangers en fietsers elkaar naar het leven staan. En de nieuwe metro moet er gestapeld onderdoor.

Tagged with:
 

Abnormaal

On 3 maart 2014, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Nieuw-West op 20 februari 2014:

Obesitas is een snel groeiend maatschappelijk probleem. Overgewicht staat niet op zichzelf; ze hangt samen met vele gezondheidsklachten. Deels schuilt het probleem in verkeerde of teveel voeding, deels in te weinig lichaamsbeweging. Jaarlijks sterven 9.000 mensen in Nederland door inactiviteit. Dat begint al op jonge leeftijd. Willem van Mechelen, hoogleraar Sociale geneeskunde, was door de gemeente Amsterdam gevraagd een masterclass hierover te leiden in Slotermeer. In ‘Gezond ingerichte stad’ voerde hij een gesprek met een dertigtal experts van verschillende gemeentelijke diensten op locatie, op zoek naar de ruimtelijke condities voor meer lichaamsbeweging door kinderen in de stad. Slotermeer is een typische naoorlogse woonwijk. Doodnormaal dus. Maar voor Van Mechelen, die zelf als kind in Slotermeer is opgegroeid, is het een abnormale omgeving die vreemd gedrag uitlokt waar kinderen dik van worden. Ze zouden veel meer moeten bewegen. De winst denkt hij vooral te behalen door ander gewoontegedrag. Daartoe zou de context moeten worden veranderd. Eigenlijk, denkt hij, zou de hele omgeving opnieuw ontworpen moeten worden. Welke ingrepen zijn effectief en haalbaar? Daarover ging de masterclass.

Naast de vele kleine ingrepen in speelpleintjes, schoolroutes, stoepen, plekjes, mengen van functies en verkeerssoorten, stoppen met ontwerpen voor specifieke leeftijdsgroepen, introductie van experimenteerruimtes en regelvrije zones, het weghalen van hekken, hervatting van acties als ‘Heel Nederland op de fiets!’ enzovoort, waren de deelnemers het vooral eens over de andere werkwijze die zou moeten worden gevolgd. Deelnemers noemden: een meer multidisciplinaire aanpak, samen met de gebruikers de rangorde van interventies bepalen, ook de kinderen actief consulteren, niet meer in projecten werken, meer ruimtelijk denken, het beheer goed aanhaken. Inderdaad "niet weer zo’n projectje". Zes regels dus voor een succesvolle aanpak. De wethouder (Eric van der Burg) en de portefeuillehouder (Jesse Bos) van het stadsdeel kwamen langs. Buiten regende het. Van Mechelen, bang dat het weer bij goede voornemens zou blijven, nam de oogst in ontvangst.

Tagged with:
 

A perpetual fair

On 3 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

‘Lui’ was de bijnaam van Louis Napoleon, de latere Napoleon III. In 1849 kwam hij over uit Londen om de Franse troon te bestijgen. Parijs was in een ware revolutiestemming en die hete zomer werd de hectische metropool opnieuw bezocht door een hevige cholera-aanval. Karl Marx en zijn vrouw, die Parijs ‘de stad der steden’ noemde, kregen in een kennelijke poging om orde op zaken te stellen het bevel om de Franse hoofdstad binnen vierentwintig uur te verlaten. De Duitse revolutionair Marx vertrok daarop naar Londen. Even later stelde het reactionaire Franse staatshoofd Georges-Eugène Haussmann aan als prefect met de opdracht de onrustige hoofdstad opnieuw ruimtelijk in te richten. Zijn grondige stedelijke herstructurering, tevens ongekende stadverfraaiing, leidde, bedoeld of onbedoeld, tot enorme prijsstijgingen, waardoor veel Parijse paupers in tien jaar tijd de stad uit verdreven werden. Dit zette kwaad bloed, waardoor vanaf 1860 eerst regelmatig studentenrevoltes uitbraken, die uiteindelijk leidden tot de bloedige Parijse Commune van 1871, met als gevolg de vlucht van Napoleon en, even eerder al, zijn stedenbouwkundige Haussmann.

In ‘Love and Capital’ beschrijft Mary Gabriel fraai hoe Marx zijn door ziekte en ouderdom verzwakte vrouw mee op reis neemt naar het vernieuwde Parijs nadat zij hem had toevertrouwd het resultaat van Haussmann’s inspanningen te willen zien. In 1881, na tweeëndertig jaar, arriveren ze dan eindelijk weer in hun geliefde, maar nu totaal getransformeerde Parijs. Gabriel: “They rode in an open carriage along boulevards that had not existed in 1849, past what Marx called a perpetual fair in all its colorful glory.” Waaraan Gabriel toevoegt: “Next to gray, gray London, Paris was a carnival.”  Ze drinken koffie op een terrasje en genieten van de onmiskenbaar Franse straatleven. “For a moment, Marx and Jenny may have even imagined themselves young again, he the fiery black-haired philosopher turned revolutionary, she the belle of Trier, both eager to challenge the world.” In werkelijkheid waren ze twee oude mensen (Karl 65 jaar, Jenny 69 jaar), onherkenbaar te midden van de vele duizenden jongeren op straat: hij, de schrijver van ‘Das Kapital’, zij, de moeder van zeven kinderen waarvan vier tijdens het schrijven waren gestorven.

Tagged with:
 

My Ideal City

On 12 december 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Skills in a Complex World’ (2013) van faculteit Architectuur van TUe:

Verrassende oogst in het recente masterprogramma Architectuur van de Technische Universiteit Eindhoven: ‘Skills in a Complex World’. De studenten die aan het masterprogramma deelnamen constateren dat de groei van steden onvermijdelijk doorzet. Van de 86 steden met meer dan een miljoen inwoners in 1950 ging de wereld naar 550 miljoenensteden in 2004. De komende jaren zullen er nog vele bijkomen. Informele stedenbouw wordt het dominante patroon. “People and also architects focus on STARchitecture instead of the real problem of unstoppable informal growth.” De studenten probeerden, anders dan hun voorgangers, van de informele stedenbouw maximaal te leren. “We were inspired by the fact that problems in these areas get solved in collaborative and innovative new ways, and decided that our skills as an architect can be derived from this way of handling with the biggest urban problem in the world.” Vandaar hun analyse van bottom-up strategieën in Zuid-Amerikaanse steden: in Chili, Brazilië, Colombia en Venezuela.

Aansprekend vond ik het voorbeeld van ‘downtown Bogotà’. Traditionele topdown-strategieën werken hier niet meer. Dat blijkt uit het feit dat burgemeesters in de Colombiaanse hoofdstad hun termijn niet afmaken en al na gemiddeld drie jaar het veld ruimen. Ook de corruptie tiert er welig. Rodrigo Nino begon daarom een website ‘My Ideal City’. Hierop konden mensen hun ideeën ten aanzien van de stad van de toekomst met elkaar delen. Ook een radioprogramma besteedde zendtijd aan het ideeënfestival. Uit de veelheid van inzichten ontwikkelde Nino projecten als de revitalisering van het stadscentrum, waar bijna geen mensen meer wonen en dus ook geen grootstedelijke voorzieningen meer zijn. Gesuggereerd werd om hier studentenwoningen te introduceren als eerste stap. Bogotà kent 33 universiteiten met in totaal een miljoen studenten, vrijwel alle bevinden zich in de binnenstad. Het bouwprogramma werd samen met de bevolking ontwikkeld. Op dit moment worden twee woontorens gebouwd, met elk 66 verdiepingen en 114.348 m2. Er komen een winkelcentrum, een congresruimte, een hotel, parkeergarages en heel veel wonen. Alles met crowdsourcing gefinancierd. Conclusie van de studenten: “To bring the information about city planning to the community the information flows have to change. Don’t keep the information on the office desks but create a platform where the community can be interactively involved.”

Tagged with:
 

Nederland in wording

On 5 december 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De functionele stad’ (2007) van Kees Somer:

Ongelooflijk. De kaarten van de achttien steden die in 1933 aan boord van de Patris II door de leden van CIAM werden besproken en later in Athene tentoongesteld zijn teruggevonden. Ze lagen in Zürich, Zwitserland. Op basis van de kaarten werd ooit het Charter van Athene geschreven: de bijbel van de functionalistische stedenbouw. Honderd congresleden stapten op 29 juli 1933 in Marseille aan boord van een schip dat hen naar Athene zou varen; onder hen bevonden zich Otto Neurath, Moholy-Nagy, Fernand Léger, Siegfried Giedion, Le Corbusier en Cornelis van Eesteren. Gewapend met kaarten, rapporten, typemachines en een stencilmachine aanvaardden ze de zeetocht, die op 13 augustus weer in Marseille zou eindigen. De steden die ze op de heenweg aan boord vergeleken waren Charleroi, Brussel, Den Haag, Bandoeng, Detroit, Zürich, Barcelona, Dessau, Athene, Warschau, Madrid, Stockholm, Oslo, Verona, Littoria, Como, Parijs, Keulen, Frankfurt, Amsterdam en Rotterdam. Ook behandelden ze het recente plan voor de Wieringermeerpolder. “Geheel deze vacantiewereld vormde een drijvende toren van Babel, vol vriendelijkheid en goed humeur, vol schilderachtigheid in één woord, uiterst ‘Montparnasse’ achtig,” schreef een van de leden later.

Op de terugweg componeerden de moderne architecten stedenbouwkundige resoluties op basis van het bestudeerde materiaal. Hoewel Le Corbusier ze te politiek vond, schaarde een meerderheid zich achter de verstrekkende eisen, door een van de jongeren aldus geformuleerd: “een organisatie op basis van een economisch plan voor de regio; afschaffing van het particuliere eigendom van grond, gebouwen, transportmiddelen en organisatie voor ravitaillering; een organisatie van het platteland door middel van een functionele herverkaveling van landbouwpercelen en de creatie van nieuwe agrarische centra; en een stedenbouwkundige ontwikkeling met behulp van moderne techniek en een rationele organisatie, gericht op een planmatige verdeling van bevolkingsdichtheden, een herinrichting van de grond en een regeling van het transport op basis van productie, distributie en de levensstandaard van de bevolking.” Achteraf lijken de resoluties afkomstig uit een communistisch manifest. Of beter wellicht: uit Nederland in wording.

Tagged with:
 

Stedelijke laboratoria

On 3 december 2013, in geschiedenis, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Iron Curtain’ (2012) van Anne Applebaum:

In het magistrale ‘Iron Curtain. The Crushing of Eastern Europe’ besteedt Anne Applebaum relatief veel aandacht aan steden. Hoofdstuk 15 is zelfs helemaal gewijd aan ‘Ideal Cities’. Deze ideaalsteden werden in Oost Europa door de communisten direct na de Tweede Wereldoorlog gebouwd: Nova Huta in Polen, Stalinvaros in Hongarije en Eisenhüttenstadt in Oost-Duitsland. Vooral Russische planologen bemoeiden zich met de plek en opbouw van de nederzettingen, die rond gigantische staalbedrijven werden opgetrokken en die uitdrukkelijk symbool kwamen te staan voor de creatie van een totalitaire samenleving. Het was een samenleving waarin hoofdzakelijk voor de wapenindustrie werd geproduceerd en waarin de staat het absolute middelpunt vormde. “In these brand-new communities, traditional organizations and institutions would have no sway, old habits would not hinder progress and communist organizations would exert enormous influence over young people because there weren’t any others.” De nieuwe steden werden beschouwd als de ‘laboratoria van een toekomstige maatschappij’.

Ook de architectuur van de nieuwe steden was overwegend politiek, door de overheid topdown gestuurd: een socialistisch-realistische architectuur die dictator Stalin voorstond. De verwachtingen waren hoog gespannen en die verwachtingen werden door de lokale autoriteiten steeds verder opgevoerd, aldus Applebaum. De eerste bouwjaren overtroffen inderdaad alle prognoses, want de bevolking groeide snel. Applebaum: “In any developing country such rapid growth was guaranteed to bring chaos, disorganization, mistakes and worse. And so it did.” En dan volgt een beschrijving van tal van fouten in de nieuwe steden in opbouw, met deze conclusie: “Rapid development often leads to these kind of mistakes and failures in poor countries. But in the new socialist cities the gap between the utopian propaganda and the sometimes catastrophic reality of daily life was so wide that the communist parties scrambled constantly to explain it away.” Terwijl het enthousiasme daarna snel wegebde, verdween ook de utopische droom van de socialistische stad achter de horizon. Uiteindelijk zouden Nova Huta en andere nieuwe steden symbool komen te staan voor het failliet van de totalitaire staat: ‘failed planning, failed architecture, a failed utopian dream.

Tagged with: