Democratie

On 11 mei 2015, in boeken, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A pattern language’ (1977) van Christopher Alexander:

A Pattern Language.jpg

Ik geef toe, ik schiet weer vanuit mijn boekenkast. Overigens, tot mijn schuld moet ik bekennen dat ik het boek pas onlangs in New York kocht, terwijl het al dateert van 1977: Christopher Alexander’s ‘A pattern language’. Direct na aanschaf las ik het. Dat dan weer wel. Want wat een geweldig boek is dit! Tien jaar had hij eraan gewerkt. In werkelijkheid ging het om drie boeken, geschreven door een team van onderzoekers onder aanvoering van Alexander, hoogleraar architectuur aan University of California, Berkeley. Zelfhulpboeken waren het voor architecten, stedenbouwkundigen en planners. Of beter: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, street and communities.” Het hele democratische idee is op dit moment weer actueel. “This idea may be radical (it implies a radical transformation of the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.”  Die observatie waren we na 1977 helemaal vergeten. Of wilden we het liefste toedekken, bang als we waren om werk te verliezen.

Gemeenschappen tellen niet meer dan 7.000 personen, aldus Alexander. Het is een oud idee. Ook in het antieke Athene was dit de maat van politieke gemeenschappen. De overheid, aldus de architect, moet steeds decentraliseren tot op dit niveau en mensen zelf hun gemeenschappen van maximaal 10.000 laten samenstellen. Grenzen zouden daarbij zoveel mogelijk moeten samenvallen met natuurlijke en historische barrières. “Give each community the power to initiate, decide, and execute the affairs that concern it closely: land use, housing, maintenance, streets, parks, police, schooling, welfare, neigborhood services.” Zelfbestuur is belangrijk, ook in een grote stad. Mensen moeten elkaar persoonlijk kennen. Elke subcultuur heeft recht op een eigen  gemeenschap. Een zekere mate van autonomie is goed. Fora moeten ook duidelijke plekken hebben. Allemaal grote waarheden. Deed me denken aan de intreerede van Job Cohen aan de Universiteit van Leiden. In ‘De vierde D’ (9 januari 2015) wijdt hij uit over nieuwe vormen van lokale democratie. De onlangs door Den Haag doorgevoerde decentralisatie vormt de aanleiding. Die gaat nog lang niet ver genoeg. Ook de gemeenten moeten decentraliseren. Dit is wel de richting.

Global City

On 20 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseiland campus op 16 april 2015:

Een geweldig betoog stak Ruurd Gietema af over Moskou afgelopen week bij Urban Studies. Gietema is partner bij KCAP, het Rotterdamse stedenbouwkundige bureau dat overal in Europa stedelijke projecten ontwerpt. In een gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam vertelde hij over zijn avonturen in Russische steden, met name Moskou. De vraag was of Moskou een ‘global city’ is. Het begon allemaal in Londen, vertelde hij, waar KCAP betrokken was geweest bij de planning van de Olympische Spelen 2012. Daar leerde hij een Russische zakenman kennen die hem vroeg met hem mee te gaan naar Perm. Na aanvankelijke schroom vloog hij naar de Oeral en betrad daar een stad die decennialang van de buitenwereld afgesloten was geweest. In Perm, het centrum van het militair-industriële complex van de voormalige Sovjet-Unie, begon hij een planningstraject dat met recht Europees genoemd kan worden, met groene en rode contouren, maar dat eindigde als Russische roulette. We zagen jets en dure hotels in Siberië. Het leek op ‘Leviathan’ van Andrei Zvyagintsev. De middag kon niet meer stuk. Met rode oortjes luisterden we naar zijn surrealistische belevenissen.

Via Perm raakte Gietema betrokken bij twee grootschalige stadsuitbreidingen in Moskou: een in het noorden, dicht bij luchthaven Sjeremetevo, de ander in het westen, in een bocht van de Moskva rivier. Beide terreinen bevinden zich ver buiten de MKAD – de reusachtige ringweg rond Moskou –, beide zijn ook privaat geïnitieerd. Een puissant-rijke Rus wilde op eigen grond een enorme campus bij de luchthaven bouwen, in het andere geval wilde een Russische bank een Internationaal Financieel Centrum in Rublyovo-Arkhangelskoye ontwikkelen op 460 hectare grond waar al talrijke eerdere vergeefse pogingen waren gedaan om iets te bouwen. Vooral in het laatste geval kreeg zijn betoog surrealistische trekken. Een groot financieel centrum bouwen in ‘the middle of nowhere’ zonder goede verbindingen met het centrum en de luchthaven is zelfs in het snel groeiende Moskou nauwelijks geloofwaardig te noemen. Maar avontuurlijk is het wel. Een mooi ontwerp trouwens. Hoe moesten we dit nu interpreteren? De studenten zag je peinzen. Gietema vertelde dat de crisis roet in het eten heeft gegooid. Op de plek komen nu waarschijnlijk woningen. Zo wordt Moskou nooit een ‘global city’.

Tagged with:
 

City of Opportunity

On 8 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Power Broker’ (1975) van Robert Caro:


Op een zonnige zondagmiddag reden we met de metro naar Queens, New York, om het grootste park van Robert Moses te bekijken. Een echte halte heeft Flushing Meadows niet, dus stapten we uit in Forest Hills. Vandaaruit liepen we in noordelijke richting door een laagbouwwijk van overwegend duur verbouwde bungalows. Daar, beneden ons, lag ineens Flushing Meadows, aangelegd in een voormalig moeras tevens vuilnisbelt, omzoomd door brede autosnelwegen. Welkom in Queens, welkom in de wereld van Robert Moses! Moses, de machtige directeur stadsontwikkeling van New York en liefhebber van autosnelwegen en stadsparken, realiseerde hier op het eind van zijn veertigjarige carriėre het grootste park van New York – anderhalf maal Central Park. Midden in Queens, wist Moses, betekent centraal in de metropool. Om het aan te leggen had de man twee grote Wereldtentoonstellingen nodig: die van 1939 en die van 1964, beide in New York gehouden. Na afloop lag in de barre locatie een megalomaan park met stadion, museum en paviljoens, goed bereikbaar per auto, maar niet met de  metro (want dan kreeg je maar arme mensen in je park). Het was zijn grote droom. Kosten destijds: 59 miljoen dollar.

Het paviljoen van New York City bleek in 1994 verbouwd door Rafael Vignoli. We namen er een kijkje. Binnen is nog altijd de enorme maquette van de metropool te zien die destijds, in 1964, op de Wereldtentoonstelling figureerde en die door honderd man in drie jaar tijd was gebouwd. Wat een ongelooflijke sensatie! Minutieus gedetailleerd ligt hier de machtigste stad ter wereld anno 1964 zoals de stadsbouwer die op het eind van zijn indrukwekkende carrière had afgeleverd in de schaal 1:1200. Tijdens de Wereldtentoonstelling kon men eroverheen vliegen in een gesimuleerde indoor helikoptervlucht van 9 minuten. Met een ‘God’s eye view’ ervoer men ‘The City of Opportunity’. We ervoeren het opnieuw. We zagen de modernistische metropool van 1964, groots, uitgestrekt, suburbaan, regelmatig, strak geregisseerd, keurig geordend. Iedereen moet ‘The Power Broker’ lezen, de maquette zien en dan beseffen dat die tijd voorbij is. Voorgoed voorbij.

Tagged with:
 

Utopisch

On 2 maart 2015, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de inleiding bij ‘De Stijl: 1917-1931’ (1982) van Hans Jaffé:

Alweer een tijdje geleden een lezing gegeven in Rotterdam over stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988). Frits Palmboom, bezetter van de Van Eesterenleerstoel in Delft, had mij gevraagd in Het Nieuwe Instituut te spreken over het ontwerp van Van Eesteren van de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen. Wie was eigenlijk Van Eesteren? In de eerste plaats, zei ik, was hij een kind van de Eerste Wereldoorlog. Die gebeurtenis heeft zijn werk blijvend beïnvloed. Kunsthistoricus Jaffé omschreef deze oorlog, die Van Eesteren als jongeman had beleefd, als een periode van volstrekte chaos, die mensen verlangend had doen uitzien naar evenwicht en harmonie. De kring van kunstenaars waarin de jonge Van Eesteren verkeerde, zocht die harmonie in abstractie en precisie. Piet Mondriaan deed dat in zijn schilderijen, Van Eesteren in de functionele organisatie van stad en landschap. Ook met het latere beloop van de Houtribdijk had Van Eesteren, destijds adviseur van de Zuiderzeewerken, naar harmonie en evenwicht gestreefd. Zo is de dijk schitterend opgespannen tussen twee Zuiderzeestadjes, het oude Enkhuizen en het nieuwe Lelystad.

In de inleiding bij de catalogus over De Stijl-tentoonstelling in Stedelijk Museum en het Kröller-Müller Museum uit 1982 had de oude Jaffé geschreven over de tijd waarin de kunstenaars van De Stijl volwassen waren geworden – de schoksgewijze veranderingen door de industrialisatie en de onstuimige groei van de steden. “Op al deze gebieden werd een algemeen plan, een denkbeeld aanvaard als vervanging van individuele, vaak willekeurige beslissingen. Een blauwdruk, een formule vormde de basis voor alle eigentijdse, vooruitstrevende scheppingen.” De blauwdruk moest in de chaos van de moderniteit houvast bieden, ze werd tevens gezien als model voor artistieke productie. “De kunst was een pionier, een gids naar een lichtere toekomst, naar een nieuwe en revolutionaire utopie.” Hoe anders is het nu. De blauwdruk heeft afgedaan, een algemeen plan wordt verafschuwd, abstractie en precisie schitteren door afwezigheid, de chaos wordt aanvaard, verwerkelijking van de harmonie zoeken we tegenwoordig in de achtergebleven stad, niet in een zogenaamd nieuw leven. Er is geen geloof meer in een nieuwe en revolutionaire utopie. Wie begrijpt de Houtribdijk nog? Niemand.

Tagged with:
 

Luchtfietserij

On 5 februari 2015, in stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 januari 2015:

The Elevators installation in the Central Pavilion

ThyssenKrupp, de staalgigant uit Essen, heeft een lift ontwikkeld die zowel verticaal als horizontaal kan bewegen. Carola Houtekamer schreef er een reportage over. In NRC handelsblad interviewt ze onderzoeker Markus Jetter die haar vertelt dat de liftenbouwers met het oude systeem een grens hebben bereikt. De kabels worden te lang en te zwaar, de liften hebben brede schachten nodig, “we kunnen niet hoger.” De nieuwe kabelloze magneetlift, Multi geheten, is ontwikkeld uit de oude Transrapid-techniek, de magneetzweeftrein die het dertig jaar geleden met Siemens ontwikkeld maar die nooit aansloeg. De Multi biedt 25 procent meer oppervlak en 50 procent meer doorstroom. En ja, hij kan ook opzij bewegen. Alexander Keller, directeur van de liftendivisie van ThyssenKrupp, ziet hiermee een hele nieuwe markt voor zich opdoemen: nog hogere gebouwen en gebouwen die in de breedte gaan. Wat gaat dit in de toekomst betekenen?

Volgens Keller groeien megasteden “als de hel”. Wolkenkrabbers zullen vijfhonderd tot zeshonderd meter hoog kunnen worden. Dat worden steden op zichzelf waar mensen in werken en leven. Als in 2017 de Multi in productie wordt genomen kunnen architecten weer volop dromen over nieuwe steden uitgevoerd in hoogbouw. Liften, aldus Keller, vormen nu nog een enorme beperking voor architecten. Straks niet meer. De liften bewegen dan rond, als in een reuzenrad. Tijdens de architectuurbiënnale afgelopen zomer in Venetië toonde curator Rem Koolhaas in zijn eigen paviljoen al een prototype van een verticaal en horizontaal bewegende lift. Ze was ontworpen door de TU Eindhoven, meende ik, en paste in de opstelling die de nieuwe mogelijkheden van hoogbouw schetste. Toen leek dit nog luchtfietserij. Maar nu dus niet meer. 2017 is niet ver weg.

Tagged with:
 

Bestemming worden

On 15 januari 2015, in openbare ruimte, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Zaanstad en Almere op 2 januari 2015:

Tijdens de feestdagen twee nieuwe winkelcentra bekeken: dat van Zaanstad en Almere. Ik was onder de indruk. Misschien kwam het door het mooie winterweer, misschien ook door de vrolijke kerstdrukte. Beide winkelcentra werden een paar jaar geleden opgeleverd, beide proberen een hoogwaardig middelpunt met eigen voorzieningen en een eigen identiteit te creëren in een voorstedelijke setting van overwegend dorpsgewijze bewoning, alles onder de rook van Amsterdam. Beide verbinden het treinstation met het water via een winkelstraat. Beide maken daarbij gebruik van een stadhuis, een bioscoopcomplex, een busstation, een hotel en het water. Beide bieden een prettige verblijfsruimte voor wandelaars. O ja, beide gemeenten zijn ongeveer even groot en beide worstelen met de nabijheid van Amsterdam, dat alle voorzieningen al in ruime mate heeft. Immers, voor de inwoners van zowel Zaanstad als Almere is Amsterdam een ideale bestemming, omgekeerd worden zij voor de Amsterdammers nooit een bestemming, wat ze ook doen. Sterker, met de bouw van hun winkelapparaat lopen zij het risico hun eigen winkelstand te ondergraven. Het internet-winkelen zal hen bovendien als eerste bereiken.

Maar de verschillen tussen de twee waren even opvallend. Zaanstad koos voor retro, Almere voor het modernisme. Almere bestaat uit één groot hellend gebouw, Zaanstad bestaat uit een labyrint van bruggen. Almere omarmt de auto, Zaanstad bedient vooral de fiets en het openbaar vervoer. Het jongere Almere heeft het voordeel van een treinstation à niveau, bij Zaanstad liggen de sporen op het maaiveld, wat de ontsluiting veel moeilijker maakt. In Almere domineren de landelijke ketens, in Zaanstad profiteert de plaatselijke middenstand. Almere heeft een schitterende openbare bibliotheek toegevoegd, in Zaanstad heb ik die niet kunnen ontdekken (blijkt in de Verkadefabriek aan de Zaan te zijn gevestigd). Almere heeft meer uitgepakt dan Zaanstad. Zaanstad is ook armer dan Almere. Nog een verschil: in Almere draait niet de film Mr. Turner, dit tot groot ongenoegen van sommige Almeerders, maar in Zaanstad draait hij wel. Daarvoor moet je in Zaanstad wel naar De Fabriek aan de overzijde van de Zaan, want in het nieuwe winkelcentrum draait hij niet. In Amsterdam draait Mr. Turner in vier bioscopen op tien verschillende tijden. Toch raadt iemand op internet aan een treinreis naar Groningen te wagen voor het zien van de film. Grappig.

Tagged with:
 

Beter dan verdichten?

On 13 januari 2015, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le plus grand Paris’ (1970) van Jean Vaujour:

La Grande borne à Grigny (Essonne), quartier classé

Afgelopen zondag stonden we zowaar op Place de la République, Parijs, machteloos te staren naar de immense menigte in zwart geklede Parijzenaars. De moord op zeventien Fransen was toen amper 24 uur achter de rug. Alle aandacht van de pers ging uit naar het beroemde stadscentrum, de boulevards tussen Nation en République en het grote plein zelf. Anderhalf miljoen Fransen verenigd in het centrale consumptieparadijs om de eenheid te bevestigen en het leed met elkaar te delen. ‘s Avonds weer thuis in Amsterdam las ik de kranten er op na. In Het Parool zag ik een grote luchtfoto van banlieu Pantin, Bobigny, óók Parijs. De kop: ‘Hier kon radicalisme groeien.’ Het bijbehorende artikel van de hand van Tobias den Hartog schetst de uitzichtloosheid van Pantin, in het bijzonder van La Grande Borne, waar de broers, tevens daders Kouachi en ook Coulibaly opgroeiden. Pantin: het is één lange strip van kille flats. “De Parijse grandeur is lichtjaren verwijderd.”

Tijdens mijn studie, eind jaren zeventig, was uitgerekend La Grande Borne de bestemming van menig planologische excursie. Deze toentertijd spiksplinternieuwe woonwijk in de nieuwe stad Grigny ten zuiden van Parijs was een toonbeeld van stedenbouwkundig vernuft, met ranke torens en gebogen, felgekleurde woonblokken in een uitgestrekt grastapijt. Een soort Almere. De frisse wijk, ontworpen door Emile Aillaud, liep over van de goede bedoelingen. Over Bobigny: “L’objectif poursuivi c’est de créer des ensembles compacts, ayant une structure solide, composés des élements-supports d’une vie sociale complete.” De planologische oplossing van toen – een nieuwe stad, in lage dichtheid gebouwd, met collectieve openbare ruimtes, dominante sociale woningbouw, ontsluiting per trein – achtte men veel beter dan de grote stad Parijs zelf verdichten. Jean Vaujour schreef destijds: “Cette politique est beaucoup plus apte a protéger la vocation des cités traditionelles que le ‘laisser-faire’ qui aboutirait tot ou tard a les enserrer dans une immense banlieu parisienne sans vie propre et sans beauté.” Hoe onnozel heeft men kunnen zijn.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #4

On 9 januari 2015, in gezondheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Foto: Danny Schwarz

Jaap Seidell is de vierde spreker in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen gewijd aan het thema ‘Amsterdam kennisstad’. Seidell is universiteitshoogleraar Overgewicht, voeding en chronische ziekten aan de Vrije Universiteit. Van zijn hand verscheen onlangs ‘Het voedsellabyrint’, een boek over al die eetadviezen. Universiteitskrant Folia typeerde hem onlangs als wetenschapper die niet van de ivoren toren is. Hij schrijft columns in Het Parool en twittert over gezondheid en voeding. Samen met Arnoud Verhoeff, epidemioloog bij de GGD, is hij betrokken bij de oprichting van het Sarphati Institute. Dat is een nieuw instituut waarin UvA, VU, AMC, VUmc, GGD en bedrijfsleven samen onderzoek doen naar nieuwe epidemische ziekten in grote steden. Zoals obesitas. Overgewicht heeft alles te maken met armoede. Arme mensen eten te vet, te zoet, te zout. Veelal eten ze ongezond. Mensen met de laagste opleiding hebben dan ook het meeste last van obesitas. Hun levensverwachting is jaren korter dan die van hoogopgeleiden. Vooral kinderen. “Als je van Amsterdam-Zuid naar West fietst, kom je ineens terecht tussen een bevolking die vijftien jaar langer ongezond is en acht jaar korter leeft.” Acht jaar!

Seidell is betrokken bij het veelomvattende plan Amsterdam Gezond Gewicht van wethouder Eric van der Burg (VVD). Kern van de Amsterdamse aanpak is de omgeving te veranderen waarin kinderen opgroeien. Wijken moeten weer stimulerend worden gemaakt voor gezond gedrag. Tegenover VUmc verklaarde de hoogleraar dat  je daarmee in een klap vele problemen zult oplossen: “de verkeersveiligheid neemt toe, het leefmilieu wordt gezonder, de schoolprestaties stijgen en je krijgt meer sociale integratie en participatie.” Voedsel en beweging als sleutel voor een beter ingerichte stad. In 2033 moet het probleem in Amsterdam zijn opgelost. Maar hoe gaan we dat voor elkaar krijgen? Is niet eerder participatie de sleutel? Zomaar een vraag. Seidell zal er op maandagavond 2 maart 2015 om 20.00 uur op reageren. Locatie: CREA, Roeterseiland. Toegang gratis. Aanmelden vooraf wel verplicht.

Tagged with:
 

Stedenbouw begrijpen

On 4 november 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 27 oktober 2014:

Book cover 'Atlas of the Functional City'

Op het symposium bij de presentatie van de ‘Atlas of the Functional City’, afgelopen dinsdag in een steenkoude kerk in Rotterdam, spraken overwegend kunsthistorici. Hun lezingen gingen over het legendarische vierde congres van C.I.A.M. (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) dat in de zomer van 1931 was gehouden tijdens een boottocht tussen Marseille en Athene. Het eerste exemplaar van het vuistdikke boek, gesponsord onder andere door de EFL-stichting, werd vlak voor de pauze in ontvangst genomen door Titia Frieling, de weduwe van stedenbouwkundige Dirk Frieling. In haar dankwoord herinnerde ze aan de bijzondere werkwijze van de architecten die zich destijds verzameld hadden op het schip. Van Eesteren had er haar en haar man veel over verteld. Architecten uit vele landen werkten er samen, hun vergelijkend onderzoek naar steden vond plaats in een informele, kameraadschappelijke sfeer. Diezelfde coöperatieve werkwijze had ze later ook aangetroffen in Nederland Nu Als Ontwerp en nog weer later in De Nieuwe Wibaut.

Kunsthistorici zijn niet in werkwijzen geïnteresseerd. Hen interesseren alleen de kaarten. Gregor Harbusch uit Zürich sprak over de stadsanalyses, de Berlijnse historicus Thomas Flierl over Moskou, waar het congres oorspronkelijk had moeten plaatsvinden, Lara Voerman over de technische realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Vincent van Rossem, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, over de invloed van Fritz Schumacher op het denken van Cornelis van Eesteren (‘Eerst denken, dan pas ontwerpen’). Na afloop van de lezingen volgde discussie. Gevraagd werd naar de communicatie rond het congres. Wat kwam er naar buiten? Het was een vraag waar de sprekers niet goed raad mee wisten. Ook op de vraag naar nieuwe inzichten die het negatieve imago van de functionele stedenbouw zouden kunnen bijstellen kwam geen respons. Ten slotte volgde een vraag over de bewoners. Waren zij door de architecten van CIAM ooit gehoord? Doodse stilte. Voerman vertelde over persoonlijke brieven van Van Eesteren, gevonden in de archieven, met burgers die over stof en zand hadden geklaagd. Van Rossem vond dit onzin. Volgens hem was stedenbouw zo ingewikkeld dat gewone burgers er toch niets van begrepen. Hoezo niet begrijpen? Kunsthistorici begrijpen niets van planning.

Tagged with:
 

Public-Private-People

On 16 oktober 2014, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in One Whitehall Place, Londen, op 15 oktober 2014:

Annex D: Toronto Waterfront Region

Het congres Cities 2014 van Marketforce en Ernst & Young in Londen bracht afgelopen woensdag steden uit het hele Verenigd Koninkrijk bij elkaar. Opvallend veel bestuurders waren aanwezig. Hun bijdragen vielen op door hun grote inhoudelijkheid. Je kunt het een mooi voorbeeld noemen van Benjamin Barber’s droom: “if mayors ruled the world.” Steden willen van elkaar leren. De burgemeester van Newham, Robin Wales, vertelde over de legacy van de Olympische Spelen 2012 in zijn gemeente, de burgemeester van Bristol, George Ferguson, maakte indruk met zijn verhaal over lokale duurzaamheid en de burgemeester van Stoke-on-Trent pleitte voor een tussenstop op de nieuwe hogesnelheidslijn HS2 tussen Manchester en Birmingham. Centraal stond het idee van Smart Cities en veel bijdragen gingen over nieuwe vormen van governance waarin publiek-privaat nauw samenwerken met burgers aan stedelijke smart grids. De gedachte dat grotere betrokkenheid van de bevolking nodig en ook nuttig is kwam vooral naar voren in de mooie bijdrage van Tom Shakhli uit Lambeth, Zuid-Londen. Zijn verhaal over ‘Made in Lambeth’ ging over hoe een vaste groep van vierhonderd burgers voortdurend door de gemeente wordt geconsulteerd, “using online communities to do good for nothing.” Boodschap: het werkt.

Meeste indruk op de aanwezigen maakte de bijdrage over Toronto Waterfront. De Canadees William Hutchison van het Centre for Smart City Innovation van Ernst & Young vertelde over twintig jaar zorgvuldige planning langs de stedelijke oevers van de Don. Het betreft hier een transformatie van oude industrieterreinen op land dat voor 70 procent in bezit is van de gemeente, een vastgoedinvestering ter waarde van liefst 34 miljard Canadese dollar. In 1999 begonnen, toen nog bedoeld voor de Olympische Spelen 2008, leek het project in 2011 vast te lopen door verzet van de even eerder aangetreden rechtse burgemeester Rob Ford. Die wilde de publieke planners van Toronto Waterfront eruit gooien en het plan verder geheel door marktpartijen laten ontwikkelen. Terwijl aan de basis van het megaplan juist uitgebreide publieke consultatie ligt, een gevoelige samenwerking tussen stad, provincie en ministeries, en parken, pieren, infrastructuur en openbare ruimtes (o.a. van West8) juist de kern van het plan uitmaken. In 2013 werd het project daarom geëvalueerd. Uitslag: positief. Op dit moment speelt de omstreden komst van een vliegveld in het waterfront, en de bouw van een casino. En afgelopen zomer ontstond er heibel over parasols die waren geplaatst op Sugar Beach en die elk liefst 12.000 dollar zouden hebben gekost. Ai, de burgers! En dat terwijl Toronto Waterfront op dit moment 1,65 miljard dollar extra vraagt om het karwei af te maken. Eind oktober zijn er in Toronto verkiezingen.

Tagged with: