Mensen willen metropolen

On 18 april 2013, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The cities of Russia’ van Dmitri Piterski in GeoJournal (1997):

Vandaag alweer het derde hoorcollege over Moskou aan de Universiteit van Amsterdam, in de minor ‘Cities in Transition’. Tot de verplichte literatuur behoort een artikel over de steden van Rusland. Auteur is Dmitri Piterski van het Institut für Länderkunde in Leipzig. Van recente datum is het artikel niet. Wel schetst het een goed beeld van de stedenpolitiek in de voormalige Sovjet-Unie. Meest opvallende feit vond ik dat Rusland een land is van grote steden. Tussen 1970 en 1990 steeg het aantal steden van meer dan 500.000 inwoners van 17 naar 34. Die grootstedelijke groei ging veel sneller dan de planners hadden gedacht. Vele Sovjet-plannen voor steden bleken keer op keer achterhaald, want stelselmatig had men met een sterkere groei van middelgrote steden gerekend en een tragere groei van grote steden. Die laatste waren meest nieuwe steden, door de Sovjet-planners op papier bedacht. Sterker, de ruimtelijke politiek in de jaren zestig en zeventig was er een van opzettelijke decentralisatie: grote steden tolereerden de Sovjets niet. Dat Moskou zo snel tot veruit de grootste stad van de Sovjet-Unie zou uitgroeien was ook onbedoeld.

Op dit moment krimpen veel Russische steden en het aantal krimpende steden neemt nog steeds toe. Vooral de westelijk gelegen industriële centra en provinciesteden verliezen hun bevolking. Moskou daarentegen groeit. Die sterke groei is niet het gevolg van een hoog geboortecijfer, want net als in de rest van Rusland is hier sprake van een natuurlijke bevolkingskrimp. De Moskouse groei is er een van zuivere immigratie. Russische migranten uit alle windstreken – Europees Rusland, Siberië en het Verre Oosten – trekken massaal naar de allergrootste steden in het centrum. Is dit slecht nieuws? Nee, eerder lijkt sprake van een natuurlijke correctie. Wat jarenlang planmatig ruimtelijk is gespreid – met new towns en antistedelijk beleid – blijkt bij nader inzien toch niet levensvatbaar, sterft af en ruimt zichzelf op. Mensen willen metropolen. Alle nieuwe steden zijn mislukt. Achteraf jammer van zoveel geforceerde planning, waarin overigens niet alleen Sovjetplanners excelleerden. In Europa en Amerika was de situatie niet wezenlijk anders.

Tagged with:
 

Erwten als bewijs

On 16 april 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2013:

Onder de kop ‘Het begin van landbouw was bewuste keuze’ verscheen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad laatst een artikel over het ontstaan van de landbouw. Volgens de gangbare theorie ontstond deze geleidelijk, doordat mensen en gewassen langzaam naar elkaar toegroeiden. ‘Cultivatie vóór domesticatie’ heet deze theorie. Die theorie blijkt niet langer houdbaar. Waarom? Omdat wilde erwten nooit een belangrijke voedingsbron kunnen zijn geweest voor jager-verzamelaars. De opbrengst was daarvoor te laag. Erwten, linzen (foto) en kikkererwten moeten onaantrekkelijk zijn geweest om te verbouwen. Toch waren deze peulvruchten een ‘rotsvast onderdeel’ van het allereerste akkerbouwpakket, samen met granen als eenkoorn, emmer en gerst. Wetenschapsjournalist Hendrik Spiering: “Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkerwerwten gevonden.” Conclusie van de wetenschappers? “Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten.” Geen jager-verzamelaars dus. Maar wat voor mensen dan wel?

De wetenschappers houden het op ‘vroege boeren’, maar alles wijst erop dat het gaat om stedelingen. Circa 11.000 jaar vormden zich namelijk de eerste steden in de wereld. Overal waar de vroegste steden werden aangetroffen treft men korte tijd later ook sporen van vroege landbouw aan. Voor Jane Jacobs was het aanleiding om in ‘The Economy of Cities’ (1968) de theorie te ontvouwen dat de vroege landbouw een stedelijke innovatie is geweest en dat er dus eerst steden waren, en daarna pas landbouw. Nog steeds ontkennen veel archeologen deze bijzondere hypothese die steden aan de basis van de menselijke evolutie plaatst.  Waarom? Omdat ze nog altijd veronderstellen dat boeren hun omgeving als de beste begrepen en stedelingen, die dat veel minder deden, pas veel later op het wereldtoneel zouden zijn verschenen. Stedelingen zouden natuur en landbouw nooit hebben begrepen. Preciezer, stedelingen zijn boeren die van hun omgeving vervreemd zijn geraakt. Zoiets. Een hele merkwaardige redenering. Het is omgekeerd: de vroege boer was een stedelijke innovatie, die later van de stad vervreemd is geraakt.

Tagged with:
 

Future City anno 1973

On 25 maart 2013, in boeken, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Future City’ (1973) van Roger Elwood:

Twee dozen met boeken kreeg ik over de post van stedenbouwkundige Fred Zandvoort (1923). Fred is onlangs negentig jaar geworden. Boeken stuurde hij over steden uit de periode 1960 tot 1975. Een ervan is getiteld ‘Future City’ (1973). Erin opgenomen zijn korte verhalen van Amerikaanse schrijvers over steden in de toekomst. De toekomst van het jaar 2000 of zelfs 2050, wel te verstaan. De verhalen herlezen anno 2013 is ronduit curieus. Redacteur is science fictionschrijver Roger Elwood. Het voorwoord is van de hand van Clifford Simak. Dat stuk alleen al is veelzeggend over de situatie in het jaar 1973 en bepalend voor de oriëntatie van de redacteur en veel schrijvers van destijds. Simak: "The city today lives on as an anachronism propped up by tradition."

Handel was internationaal geworden, ze vond niet meer plaats tussen steden, aldus Simak in 1973. Zakendoen vroeg ook niet langer om nabijheid. Reizen en transport waren gemakkelijk en goedkoop geworden en konden over grote afstanden plaatsvinden. Bescherming hoefden steden niet meer te bieden. Steden waren ook niet meer nodig voor het bestuur. Steden, kortom, waren overbodig geworden. "Heroic efforts have been made to keep them alive and habitable, but these efforts have been of a patchwork nature as expedience demanded." Overal was sprake van verval. "The city today is strangling and suffocating and there does not seem that much can be done with it." Helemaal opnieuw beginnen en compleet nieuwe steden bouwen dan? Zou kunnen. Maar dan zouden die nieuwe steden zelfvoorzienend moeten zijn, zonder achterbuurten, zonder vervuiling en zonder werkloosheid. Simak: "But why save the city at all? Why spend money on it?" En dan: "The day may come, sooner than we think, when business and industry, as well as people, will have fled the city." Het eerste verhaal speelt in New York: "a searing vision of a decaying New York segregated from the rest of the country, replete with bedicabs (taxi’s voorzien van prostituees en bedden), real murder films, dingy hotels – visitors must be subjected to a lung-cleansing machine before they leave." Wegwezen dus. In Amsterdam was de situatie toentertijd niet heel anders. Twee jaar later startte de bouw van Almere. Daarna begon de stedelijke renaissance.

Tagged with:
 

Veerkrachtige steden

On 3 december 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Chicago Tribune van 29 november 2012:

De beste manier om de economie van een land te bestuderen is haar steden goed te volgen. Afgelopen week publiceerde Brookings Institution weer zijn jaarlijkse overzicht van de staat van de steden in de USA. Liefst 76 van de 300 grootste metropolitane regio’s ter wereld tellen de Verenigde Staten. Dat is meer dan enig ander land. Vandaar ook dat de VS over de krachtigste economie ter wereld beschikken. Slechts drie Amerikaanse steden presteerden het afgelopen jaar economisch weer beter: Knoxville (Tennessee), Dallas en Pittsburgh. Knoxville is een kleintje, de andere twee zijn beduidend groter. Wat hebben de drie steden met elkaar gemeen? Brookings noemt: “strong social services such as health care, and business and financial services that cater for specific industries.” Ook zijn het drie steden die hun publieke middelen zijn blijven investeren na de recessie, (al vrezen de drie steden dat Washington hen uiteindelijk zal dwingen toch te bezuinigen). "All three cities created long-term stability with local services and the public sector, and growth with business and financial services.”

De Amerikaanse steden met veel industrie, export of logistiek deden het allemaal beroerd. Opnieuw blijkt dat grote steden met een sterk ontwikkelde zakelijke dienstverlening en een krachtige publieke sector, waarin door de lokale overheid onafgebroken wordt geïnvesteerd in hoger onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en publieke dienstverlening veerkrachtiger zijn en beter bestand tegen crises dan traditionele industriële steden. Allicht, zou je zeggen, zulke dienstverlenende metropolen zijn minder afhankelijk van de rest van de wereld en creëren permanent welvaart voor hun eigen bevolking. Het zijn sociale steden waar mensen graag willen leven. Het is duurzaam, sociaal en economisch profijtelijk tegelijk.

Tagged with:
 

Getting Better

On 15 november 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 27 oktober 2012:

Dat was een aardige Special Report van The Economist over technologie en geografie. De conclusie van het katern is dat de virtuele en de fysieke wereld steeds meer verknoopt raken (“they are complements, not substitutes for each other”) en dat de technologie niet alleen mondiaal maar vooral ook lokaal georiënteerd is. “What seems certain is that life online will become more local without becoming less global.” Dat betekent dat de eenvormigheid door globalisering weliswaar blijft toenemen, maar dat tegelijk op lokaal niveau steeds meer heel specifieke plaatsgebonden diensten worden geleverd. Bovendien groeit een nieuw soort lokaliteit doordat sociale media in elke plek gebonden cultuur weer anders gebruikt worden. Met computers op zak kunnen mensen steeds meer achter de voordeur kijken (wat biedt deze winkel?) en om de hoek gluren (komt er een taxi aan?), maar ook in het verleden van gebouwen en straten kijken (wat gebeurde hier in 1945?).

De nieuwe communicatietechnologie kan steden beter maken, aldus The Economist. Door de technologie worden immers massa’s lokale data verzameld uit massa’s lokale bronnen waardoor stromen mensen, maar ook ongeregeldheden en ongelukken, beter te voorspellen en te reguleren zijn. Dat vereist overigens wel dat stedelijke instanties goed gaan samenwerken en de lokale politiek adequaat reageert. “In newly built places institutions have to be designed along with the infrastructure.” Het blad noemt Rio de Janeiro en het Mexicaanse Guadalajara als voorbeelden van ‘creatieve digitale steden’ waar nieuwe organisaties toezicht houden op lokale online diensten en die zorgen voor gelijke toegang tot alle informatie voor iedere burger. Los daarvan kunnen burgers ook zelf goedkope online diensten aanbieden wanneer overheden hun data om niet beschikbaar stellen. Helsinki, Amsterdam en Lissabon worden hier als goede voorbeelden genoemd. “Many ideas are brewing in the world’s cities, from grand projects to single apps. Some will be dead ends; others will rely on the enthousiasm of citizens, which will not always be in plentiful supply. But in lots of imperceptible ways, from better traffic management to bins that tweet when they are ready to be emptied, city life is getting better.”

Tagged with:
 

Verplichte lectuur

On 27 oktober 2012, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Reizen zonder John’ (2012) van Geert Mak:

In zijn nieuwste boek reist Geert Mak de Amerikaanse schrijver John Steinbeck achterna op zijn tocht dwars door de VS, nu vijftig jaar geleden. Ik heb het boek gelezen. De route die Mak in 2011 aflegde is precies die waarover Steinbeck in 1960 publiceerde in zijn reisverhalen gebundeld in ‘Travels with Charley’. Charley, dat was Steinbeck’s hond. ‘Travels with Charley’ was het boek dat destijds de temperatuur opnam van het naoorlogse Amerika en dat Steinbeck’s zwanenzang zou worden. De nu even oude Mak schrijft er vijftig jaar later een nog veel dikker boek over. Te dik, als je het mij vraagt. Om kort te gaan, Steinbeck was al oud, voelde zich depressief, slikte amfetamine en vluchtte min of meer voor zijn vrouw, zijn gestrande huwelijk en zijn twee verloren zonen. Wat voor indruk van Amerika kun je dan als schrijver geven?

Opvallend is dat Steinbeck de grote steden systematisch meed. Volgens Mak verlangde hij terug naar het oude Amerika, het Jeffesonse ideaal van het stoere, eerlijke Amerikaanse platteland. Dat ideaal vond hij overigens niet meer. Over de USA was Steinbeck dan ook ronduit pessimistisch. Mak begrijpt dat achteraf wel. Maar nu, vijftig jaar later, blijkt het nog veel erger te zijn: het Amerikaanse platteland, net als het Russische, het Duitse en het Chinese, loopt leeg, raakt in verval, de mensen trekken naar de grote steden. Mak, die het verval nauwgezet beschrijft, bezoekt slechts een paar grote steden: Detroit, Chicago en New Orleans. Alleen de laatste beschreef ook Steinbeck. Mak zet hiermee de toon, want Detroit kwijnt op dit moment weg en New Orleans is de ramp van orkaan Kathrina nog lang niet te boven. Chicago is bovendien nog even woest als destijds. Daarmee levert Mak een even vertekend beeld van de USA als Steinbeck in 1960. Anders gezegd, wie ‘Reizen zonder John’ leest moet ook ‘Triumph of the City’ van Ed Glaeser lezen. Anders zou je misschien gaan denken dat de Verenigde Staten inboeten aan vitaliteit.

Tagged with:
 

Fraaie nutteloosheid

On 31 mei 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Kevin Kelly, auteur van ‘De wil van technologie’, beschrijft het technium – het geheel van technologieën in de wereld – als een complex systeem met landbouw als basistechnologie, met infrastructuur als goede tweede en met steden als derde belangrijkste technologie. Elke technologie, schrijft hij, streeft naar alomtegenwoordigheid. “Bij de knooppunten van wegen die zich als een wijdvertakte mantel rond de continenten buigen, staan schitterende steden van steen en silicium die de materiaalstromen zo hebben gekanaliseerd dat een groot deel van het technium via hen circuleert.” Kelly spreekt van “rivieren van voedsel en ruwe materialen” die naar de steden stromen en van afval dat er weer uitstroomt. “Iedere bewoner van een ontwikkeld stedelijk gebied verplaatst jaarlijks twintig ton materiaal.” Nog zo’n opmerkelijk gegeven: “In stedelijke gebieden overal ter wereld is de snelheid toegenomen waarmee nieuwe technologieën zich tot het verzadigingspunt verspreiden.” Grote aantallen van een bepaalde technologie doen nieuwe systemen ontstaan die hun eigen dynamiek genereren. “Alomtegenwoordigheid verandert alles telkens opnieuw.”

Binnenkort zullen er op aarde zoveel steden zijn dat vermoedelijk een heel nieuw systeem zal ontstaan. Schrijft Kelly hier iets over? Wel schrijft hij dit: “Een technologie die alomtegenwoordig wordt, verdwijnt meestal uit het zicht.” Daarop noemt hij het voorbeeld van motoren. Eén kamer van zijn huis alleen al bevat twintig motoren. Maar ook elektriciteit, papier en katoen zijn alomtegenwoordig en worden nauwelijks meer opgemerkt. Zullen onze steden ook uit ons bewustzijn verdwijnen? Wanneer Kelly de schoonheid van technologie beschrijft ga je daaraan twijfelen. Oude, gelaagde, complexe steden, schrijft hij, vinden wij het mooist. Jonge steden vinden we steevast lelijk. “De schoonheid van de evolutie heeft ons in haar ban.” Daarom vinden we de natuur doorgaans ook mooi: omdat ze oud, complex en gelaagd is. Technologie, aldus Kelly, wil niet alleen maar nuttig zijn. Ze wil kunst worden, zebwil mooi en nutteloos zijn. Ik moest onmiddellijk denken aan steden als Venetië, Rome, Florence en ook wel Amsterdam. Allemaal steden die als grote kunst ogen, die extreem mooi en tegelijk nutteloos zijn. Elke stad in de wereld streeft naar dat stadium in de technologische evolutie. Kelly: “We zullen lyrisch praten over de charmes van een bepaalde technologie en ons vergapen aan de subtiliteit ervan. We zullen onze kinderen ermee naartoe slepen en de imposantheid ervan zwijgend bewonderen.” Beschrijft hij hier niet gewoon toerisme?

Tagged with:
 

Wat wil het technium?

On 10 april 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van Technologie’ (2010) van Kevin Kelly:

De auteur Kevin Kelly kennen we van ‘Out of Control’, dat weergaloze boek uit 1994. Nu is er een nieuw boek van zijn hand verschenen: De Wil van Technologie. Ik lees het met rode oortjes. Kort samengevat komt het hierop neer: het geheel van technologieën dat ons omringt – het Technium – is ouder dan de mensheid, het groeit, het groeit steeds sneller en het groeit in een bepaalde richting. Haar eigenschappen lijken op die van de natuur, zij het dat in de natuur soorten uitsterven, terwijl in het technium alles blijft bestaan. Nieuwe technologie bouwt voort op oude technologie, de introductie van nieuwe technologie in een omgeving zonder oude technologie blijkt niet te werken. “Alle complexe, adaptieve systemen met een stabiele zelforganisatie kennen voorbeschikte vormen en karakteristieke gerichtheden.” Technologie dijt uit, stuwt zich voort en niemand die er wat aan kan doen, zelfs de Unabomber niet. “De versnelling van de vooruitgang op lange termijn is te danken aan de groei van het Technium als een soort biologisch systeem.” Alles wat leeft wil zichzelf behouden, zichzelf verbeteren en groeien, en dat geldt ook voor het Technium. Sterker, wij mensen leven in een symbiose met de technologie, die wij niet kunnen verwerpen. Doen wij dat toch, dan is dat een vorm van zelfhaat. We moeten daarom beter luisteren naar de technologie en kiezen voor het onvermijdelijke.

Steden noemt Kelly de grootste technologische constructen die wij mensen maken. Op de schaal van de evolutie is verstedelijking een verschijnsel van zeer recente datum. Tot de laatste twee eeuwen gebeurt er niet veel. “Dan explodeert de bevolkingsgroei, neemt de innovatie razendsnel toe, komt de informatie tot bloei, ontwikkelen de vrijheden zich en heersen de steden.” De wijze waarop steden groeien – rommelig, vanuit krottenwijken – is die van de technologie: het begint met een krakkemikkig prototype, iets wat nauwelijks werkt, daarna volgt de verbetering, de verbeteringen volgen elkaar steeds sneller op. “De stad als geheel is een prachtige technologische uitvinding, die de energiestromen en de denkkracht bundelt in een computerchipachtige dichtheid. Binnen een betrekkelijk kleine omtrek biedt een stad niet alleen woonruimte op een minimum aan oppervlakte, maar produceert ze ook een maximum aan ideeën en uitvindingen.” Dankzij het technische construct ‘stad’ bloeit de informatie en groeit de menselijke vrijheid. De stad is geen Utopia en de menselijke vrijheid is niet onbegrensd. Want, schrijft Kelly, de technologie heeft een eigen wil. Maar daarbinnen kunnen mensen wel uit steeds meer mogelijkheden kiezen. Dat is vrijheid. En dat is wat Kelly met zijn eigen leven doet: zich met technologie omringen die hem de grootst mogelijke keuzeruimte biedt. In de stad, in zijn geval San Francisco.

Tagged with:
 

Ongewoon vitaal

On 26 januari 2012, in demografie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 november 2011:

Op het verkeerde been gezet door een enorme afbeelding van een schilderij van Rembrandt, vergat ik het bijbehorende krantenartikel te lezen. Echter, de reproductie was weer zo boeiend dat ik het artikel toch uitknipte en bewaarde. Nu las ik het. Het betreft een demografisch onderzoek naar de levensverwachting van kunstenaars in de zeventiende eeuw. Frans van Poppel, Dirk van der Kaa en Govert Bijwaard distilleerden uit 108.000 levensbeschrijvingen in totaal 15.000 Nederlandse kunstenaars, geboren tussen 1500 en 1909. Wat bleek? Kunstenaars geboren voor 1500 werden gemiddeld 63 jaar oud. Vanaf de Gouden Eeuw daalt hun levensverwachting naar zo’n 55 jaar. Die daling zou verband houden met pestepidemieën. "Voor de Zeeuwen duurt de dip het langst, maar die leefden in het algemeen korter, mogelijk doordat ze naast pest, pokken en cholera ook te lijden hadden van overstromingen, malaria en door verzilting vervuild water." Na de zeventiende eeuw constateren de onderzoekers in de levensverwachting weer een stijgende lijn, om na 1850 het eerbiedwaardige getal te bereiken van 70. Begin twintigste eeuw is ze zelfs 75 voor mannelijke kunstenaars respectievelijk 79 voor vrouwen.

Kunstenaars behoorden tot de middenklasse, ze leefden in steden, dicht bij hun clientèle, maar ze behoorden daar niet tot de elite. Tot diep in de negentiende eeuw waren steden demografische ‘zwarte gaten’, ze hadden open riolen, stinkende grachten en zaten vol met ratten en ander ongedierte. Je werd er snel ziek en je ging er vroeg dood. Toch werden kunstenaars gemiddeld ouder dan de elite, die doorgaans leefde op het veel gezondere platteland. Voor de demografen was dit een opzienbarende uitkomst van hun onderzoek. Hoe kan dat nou, in de stad wonen en toch oud worden? Naar een verklaring, zo lees ik, moeten ze gissen. Was het omdat schilders en beeldhouwers zelden ten strijde trokken? Of omdat ze over weinig personeel beschikten, dat dikwijls ziektes overbracht? Ze weten het niet. "Misschien waren kunstenaars wel ongewoon vitaal." Zeker, dat is mogelijk. Maar een andere verklaring is ook denkbaar. Misschien waren de steden om in te wonen, ook toen, zo slecht nog niet. Wel voor de onderklasse natuurlijk, maar niet voor de middenklasse. Dat zou betekenen dat historici hun oren hebben laten hangen naar de mening van de elite, die het land verkoos boven de stad, ver weg van het plebs. Maar dat land was, goed beschouwd, helemaal zo gezond nog niet. Is het denkbaar?

Tagged with:
 

Global Thought

On 13 december 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord op 12 december 2011 in Amsterdam:

In de Oude Lutherse Kerk – “Luther, is he present here?” – sprak Saskia Sassen ter gelegenheid van de opening van het Centre for Urban Studies, gevestigd aan de Universiteit van Amsterdam. Sassen is hoogleraar sociologie aan Columbia University, New York. Ze sprak over ‘The Urbanization of Global Networks’. Daarmee bedoelde ze dat in de netwerken die de wereld omspannen steden steeds bepalender worden, soms zelfs bepalender dan landen; immers, sommige steden bevinden zich “at the intersection of multiple mobilities, multiple histories, multiple stories”, soms gaat het ook om meer onzichtbare verstedelijking van mondiale netwerken. Van elke vorm gaf ze voorbeelden en ze hoopte maar dat het publiek dit ten minste als een mogelijkheid wilde aanvaarden. Zo bespeurde ze binnen landen assen van sleutelsteden, voor elk netwerk probeerde ze de bepalende steden te vatten. Voor China waren dat Peking en Hong Kong, volgens haar niet Shanghai. Voor Turkije waren het Istanbul en Ankara. In de Verenigde Staten zijn het New York, Washington en Los Angeles. Chicago voegde ze daar nog aan toe. In Europa noemde ze de as Berlijn-Frankfurt en meende daarmee de nodige controverse uit te lokken. Even later schaarde ze Brussel in het opmerkelijke rijtje. Ze prees de hoofdstad van Europa, vanuit wereldperspectief bezien achtte ze Brussel zelfs “a heroic attempt to develop soft power, unique in its effort,” en: “I wish the world had more of it.” Ten slotte noemde ze de “admirable axis” van Genève, Wenen en Nairobi. Die drie steden deelden volgens haar veel kennis over mondiale armoede, hongersnood en internationale hulpverlening. In haar artikel in Foreign Policy hierover had de redactie ze echter geschrapt. Alle steden die ze noemde beschreef ze als sterren aan het firmament en de stedenassen waren als sterrenbeelden. Er waren duizenden netwerken, zei ze, en in elk netwerk spelen weer andere steden een meer of minder strategische rol.

Steden worden ook in concrete zin steeds bepalender in het politieke en sociale domein. Ze maken nieuwe realiteiten. De Occupy-beweging noemde ze als treffend voorbeeld. Met zijn bezetting van stedelijke pleinen door middel van tenten wist deze beweging een nieuwe politieke realiteit te scheppen, alles heel fysiek want “they enter a territory of global finance and with their encampment they make the political, the social.” Occupy vond ze heel anders dan het gebruikelijke kortstondige demonstreren op straat. Hier werd een nieuwe democratie uitgevonden, sommigen bedreven er urban agriculture, mensen leerden talen, men bracht duurzaamheid in praktijk, en dat alles in de directe nabijheid van Wall Street. Het feit dat stad na stad zich aansloot zonder direct contact vond ze een sterk voorbeeld van het ontstaan van “emergent urban political systems” via mondiale netwerken. Het Tahrirplein in Caïro had model gestaan, zeker, maar de makers hadden er hun eigen betekenis aan gegeven. Occupy, zei ze, liet mooi zien “the capabilities of urban space,” oftewel hoe mensen zonder macht geschiedenis kunnen maken en dingen daadwerkelijk naar hun hand kunnen zetten. Kortom, iedereen opgelet: grote steden, gevat in mondiale netwerken, zijn bezig de wereld snel en ingrijpend te veranderen.

Tagged with: