The next best thing

On 22 november 2013, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 10 september 2013:

Begin september maakte het IOC in Buenos Aires bekend dat Tokio de Olympische Spelen in 2020 mag organiseren. Tokio, met 37 miljoen inwoners de grootste metropool ter wereld, won gemakkelijk van kandidaat-steden Istanbul en Madrid. Wat behelzen eigenlijk de Japanse plannen? Geen grootschalige infrastructuur, zoals bij de Spelen van 1964, toen Japan het unieke en futuristische hogesnelheidstreinennet aanlegde. De voorgenomen investeringen bedragen slechts de helft van die voor ‘Londen 2012’ (namelijk 8 miljard US dollar). Ruim 40 procent van de 37 accommodaties staat er al; veel van de Olympische infrastructuur van 1964 zal opnieuw worden gebruikt. Ruim 85 procent van de olympische evenementen zal binnen een straal van 8 kilometer van het Olympische dorp plaatsvinden. Alles kan dus te voet of met de fiets worden bereikt. Het nieuwe stadion komt op de plek van het oude en zal al tijdens de Wereld Rugby Cup van 2019 in gebruik worden genomen. Alleen het Olympische dorp zal nieuw worden gebouwd in de baai van Tokio. “De sporters hebben hier een prachtig uitzicht op een landschap van water en futuristische hoogbouw,” schreef Kjeld Duits in NRC Handelsblad. En inderdaad, het geheel oogt fraai, als een IJburg eerste en tweede fase.

Toch verwacht de stad een forse impuls in de lokale economie, met tenminste 150.000 extra banen, zelfs na verplaatsing van de oude vismarkt. Er komt weliswaar geen nieuwe metro, maar de beide luchthavens – Haneda en Narita – zullen wel met elkaar worden verbonden. Wat een verschil met de bids van Beijing, Londen en Rio de Janeiro! Daarom schreef The New Yorker: “By rewarding Tokyo’s seemingly restrained plan to host a more modest Olympics, the IOC may be signalling its desire to move away from the kinds of nationalistic, gaudy and transformative Olympic Games represented by Beijing and Sochi, which, combined, have made for a trillion dollars in spending.” Het tijdschrift toonde zich voorstander van vaste locaties voor zomer- en winterspelen. Geen verspillende stedenstrijd meer. De kans daarop achtte het echter niet groot, hoewel het tijdschrift de nieuwe IOC-voorzitter Bach aanhaalt, die steden opgeroepen zou hebben na te denken over meer duurzame bids in de toekomst. “But if we can’t have the twin Olympias, then perhaps Tokyo is the next best thing: a city prepared for the challenges of hosting an international spectacle, and modest enough to shape the Olympics to fit a city rather than reshape a city to fit the Olympics.”

Tagged with:
 

Keynsiaans en Berlagiaans

On 4 september 2013, in duurzaamheid, economie, sport, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 juli 2013:

Komkommernieuws was het. Maar wel belangwekkend komkommernieuws. De Olympische Spelen in Londen hebben, zo bleek deze zomer, de Britse hoofdstad meer opgeleverd dan gekost: 9,9 miljard pond tegen 9 miljard pond. En wat misschien nog wel belangrijker is: alle acht stadions hebben nieuwe huurders en worden bespeeld, het mediacomplex heeft een nieuw leven als data-opslaggebouw, de 2800 flats in het Olympische dorp ontvangen deze maand hun nieuwe bewoners, het winkelcentrum van Westfield blijkt een hit, het Olympische park – omgedoopt in Queen Elisabeth Olympic Park – werd deze zomer feestelijk heropend en het station voor de Eurostar-treinen functioneert goed en is elke dag druk en vol. Heel Oost-Londen is dankzij de Olympische Spelen in een paar jaar tijd herschapen in een bruisend stadsdeel, terwijl het nog niet zo lang geleden de armste buurten bevatte van heel Londen, met 2,5 vierkante kilometer industrieel vervuild land. Sebastian Coe, voorzitter van het organiserend comité van de Spelen en tegenwoordig legacy advisor, kon dan ook meer dan tevreden deze zomer de resultaten presenteren tegenover een naar vakantie hunkerende pers.

Al met al duurde de planvorming in Londen niet meer tien jaar. Het resultaat is verbluffend. Niet alleen is de oostkant van Londen qua uitstraling en voorzieningen door de Olympische infrastructuur sterk verbeterd, ook het Britse bedrijfsleven heeft van de Spelen immens geprofiteerd. Zelfs degenen in Londen die bang waren voor een yuppiesville hebben geen gelijk gekregen. Trouwens, het hele Verenigd Koninkrijk is door de Spelen bekend komen te staan als een knap organisator en een professioneel sport- en medialand. Dat de organisatie van het grootste sportevenement ter wereld altijd uitloopt op een financieel fiasco is met de Londense ervaring ook meteen gelogenstraft. Dat brengt me op het volgende. Je zou de kwakkelende economie van Nederland een enorme impuls kunnen geven door de Olympische Spelen naar de hoofdstad te halen. Eindelijk bouwen we dan een echte metropool. In 15 jaar kun je niet alleen een erfenis voorbereiden waarvan volgende generaties als geen ander zullen profiteren, maar kun je ook de zittende bevolking een grote dienst bewijzen door midden in de crisis de economie Keynsiaans en Berlagiaans te stimuleren.

Tagged with:
 

Cool Brooklyn

On 19 maart 2013, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 31 december 2012:

Voor kantoren en woningen geldt in makelaarskringen de winnende leuze ‘locatie, locatie, locatie’. Hetzelfde blijkt te gelden voor sport. Sportief succes wordt in hoge mate bepaald door waar een sportclub gevestigd is. Dat luistert nauw. Het bewijs levert basketbalclub de Brooklyn Nets. Zij verhuisden afgelopen jaar van het saaie New Jersey naar het hippe Brooklyn, New York. Zo’n verhuizing is in de Verenigde Staten niet ongewoon. Sindsdien zijn de Nets favoriet en mateloos populair. Rapper Jay-Z, zelf afkomstig uit Brooklyn, stak geld in de club en heeft er zijn naam – en die van zijn vrouw Beyoncé – aan verbonden. Elke wedstrijd opent sindsdien met een stevige rap. Dat trekt vooral jongeren; Brooklyn is sowieso cool. Bij elke thuiswedstrijd is het echtpaar bovendien aanwezig. Jay-Z ontwierp ook de clubshirts, in een retro-stijl zwart-wit, met ouderwetse letters. Muziek, mode, sport en locatie maken de Nets tot een felbegeerde club. Omgekeerd vaart Brooklyn zelf er wel bij.

Een artikel over Brooklyn en de Nets verscheen op oudejaarsavond 2012 in de Volkskrant. Aanvankelijk las ik eroverheen. Nu spel ik het. Het nieuwe stadion is gelegen midden in de wijk, op de hoek van Flatbush Avenue en Atlantic Avenue. Met 18 duizend zitplaatsen is het tevens geschikt voor popconcerten. Half verzonken in de grond, in een ovale vorm, oogt het ook nog eens aantrekkelijk. Het aanvankelijke protest van de rijke yuppen in de buurt tegen de komst van het stadion is op slag verstomd. Vanaf 2015 zullen ook de ijshockeyers van de Islanders hier gaan spelen. Brooklyn, met 2,5 miljoen inwoners, heeft met de Nets een absolute troef in huis gehaald. New York telt 8 miljoen inwoners en heeft nu twee professionele honkbalclubs, twee American footballteams, twee ijshockeyploegen en ook nog eens de New York Knicks. Allemaal zijn ze jaloers op het eclatante succes van de Brooklyn Nets. Alleen, begrijp ik, nu moeten de Nets nog wedstrijden winnen.

Tagged with:
 

World Cup High-Speed Rail

On 20 september 2012, in infrastructuur, sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Moscow Times van 24 augustus 2012:

In 2018 worden de wereldkampioenschappen voetbal gespeeld in Rusland. In totaal dingen 13 Russische steden mee naar de mogelijkheid om een of meer wedstrijden van het toernooi te accommoderen. Eind september, begin oktober wordt bekend gemaakt welke steden dat zullen zijn. Toen het immense land zijn bid in 2010 beloond zag, maakte het direct haar voornemen bekend om in ieder geval een aantal hogesnelheidslijnen aan te leggen vóór 2018 tussen de steden Moskou en Sint Petersburg en tussen de hoofdstad en Yekaterinburg, uiteraard om er voetbalfans mee te vervoeren. In 2013 zou de aanleg al van start gaan. Het idee was om de reistijd op de 660 kilometer tussen de twee grootste metropolen met 400 kilometer per uur terug te brengen van 4,5 uur tot 2,5 uur. Kosten: 1,12 triljoen roebel. Sinds 2008 rijden er al snelle treinen tussen beide steden, maar hun snelheid is gelimiteerd (250 kilometer per uur). De tweede lijn naar het oosten, via Nizhny Novgorod en Kazan, zou neerkomen op ‘slechts’ 26 uur treinen tussen de hoofdstad en de Oeral. Kosten: onbekend. In totaal zou het gaan om een investering van, omgerekend, 175 miljard US dollar.

Inmiddels groeit twijfel of het spoorplan ook werkelijk doorgang zal vinden. Nog steeds menen de autoriteiten dat de uitvoering van het ambitieuze vijfjarenplan mogelijk moet zijn, maar de kosten blijken nu zo hoog dat The Moscow Times deze zomer al berichtte over een rapport dat de autoriteiten vermoedelijk zal doen zwichten. Goedkopere alternatieven zijn voorhanden. In ieder geval komt de investering niet voor in het investeringsplan van de Russische spoorwegen tot 2020. Een dezer dagen maakt de regering bekend of het Russische HSL-plan zal worden doorgezet. Ondertussen tekenden sommige deelnemende internationale teams aan de Moscow Competition een hele serie nieuwe HSL-lijnen die Moskou moeten verbinden met Azië, Europa en het Midden Oosten. Kosten: een veelvoud van wat nu al begrotelijk is.

Tagged with:
 

London delivered

On 27 augustus 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 augustus 2012:

Ook zo genoten van de Olympische Spelen? De Britten wel. Alle restjes scepsis verdwenen tijdens de spelen uit Londen, heel Groot Brittannië vierde twee weken lang feest. Engeland eindigde op de derde plaats in de medaillespiegel, na de USA en China. Mooi om te zien hoe de Britse hoofdstad het hele land op sleeptouw nam en heeft laten delen in de feestvreugde door de Olympische Spelen te organiseren. Zelf bivakkeerde ik in Frankrijk, op het platteland. Eenmaal weer thuis las ik een ingezonden brief in NRC Handelsblad van iemand uit Veendam, die vaststelde dat alle Nederlandse medaillewinnaars tot dan van het platteland afkomstig waren: Marianne Vos uit Meeuwen, Ranomi Kromowidjojo uit Sauwerd, Epke Zonderland uit Lemmer en Dorian van Rijsselberghe uit Den Burg. Hij trok er voor zichzelf een opmerkelijke conclusie uit: “de kans dat je op het platteland in een sportieve sfeer en dus in een gezonde leefomgeving opgroeit, is veel groter dan als je wieg in de stad staat.” Zijn conclusie was voorbarig.

Volgens mij zag deze meneer uit Veendam de roeiers en hockeyers over het hoofd. Overigens, waar je wieg staat is niet zo belangrijk. Waar je traint en waar je als sporter groot gemaakt wordt lijkt mij veel relevanter als het om topsport gaat. Volgens mij hebben alle medaillewinnaars in grote steden getraind; immers, daar zijn de beste trainingsfaciliteiten, daar ook is de beste sportkennis en sportbegeleiding, daar is het grote publiek, daar zijn de sponsors. Sterker, alle grote sporters reizen over de wereld om hun krachten te meten in de beste stadions en zwembaden die zich alle in metropolen bevinden. Sport is een typisch grootstedelijk fenomeen. De gezondste leefomgeving is metropolitaan, niet dorps of landelijk. Het idee dat het platteland gezonder is dan de stad is oud en wordt in ons land gevoed door een hardnekkig minderwaardigheidsgevoel van plattelanders dat waarschijnlijk nooit helemaal zal verdwijnen. Is het elders beter? In Frankrijk werden de Franse medaillewinnaars toegezongen in hoofdstad Parijs, in Nederland gebeurde dat in Sauwerd, Lemmer en Den Bosch.

Tagged with:
 

Urban feel

On 20 juni 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Volkskrant Magazine van 26 mei 2012:

Sportscholen opgelet, jullie krijgen concurrentie van de stad. Uit Volkskrant Magazine begrijp ik dat in steden als New York, Chicago en San Francisco de mensen op grote schaal de sportscholen verruilen voor de straat. Het is de nieuwste trend. De sporters combineren hardlopen met krachtoefeningen in de buitenlucht: door buizen kruipen, over wegversperringen springen, trappen oprennen, over auto’s klimmen. Mensen hebben inmiddels door dat je geen ingewikkelde apparaten nodig hebt om je lijf te trainen en dat de stad zelf daarvoor voldoende mogelijkheden biedt. Het blad ‘Men’s Health’ heeft daartoe de ‘Urbanathlon’ bedacht: een parcours van 12 kilometer hardlopen met veel obstakels onderweg. Het gaat om obstakels die horen bij de urban feel. “De Urbanathlon is al in meerdere wereldsteden populair.” In september wordt er een gehouden in Amsterdam.

Veelal rennen de sporters in groepjes. Het is geen duurprestatie. De oefeningen zijn ook leuk en komen meer overeen met natuurlijke bewegingen. Zoals: over banken springen, zigzaggen door een rijtje paaltjes, hangen in een fietsrek, rennen met zandzakken, over muurtjes klauteren, onder een hek doorkruipen. Met zulke oefeningen kom je uit bij de essentie van bewegen waar je ‘verbluffend fit’ van wordt. VK Magazine citeert Erica Bakker die tweemaal in de week de trainingen verricht: “We rennen dwars door Amsterdam en doen dingen waar ik zelf niet op zou komen. Op handen en voeten de tientallen trappen af kruipen bij het technologiemuseum Nemo bijvoorbeeld.” Het gaat allemaal weer een stap verder dan joggen. Mij lijkt het leukste ervan dat je met Urbanathlon de stedelijke ruimte op een totaal andere manier ervaart. Niet meer als dreiging of verstopping, maar als te nemen hindernis en geweldige uitdaging. Ongepolijst, pretentieloos, grappig, effectief. En je doet het met vrienden.

Tagged with:
 

Springplank voor innovaties

On 13 april 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 maart 2012:

Zelf zat ik op judo, van 1965 tot 1969 om precies te zijn, bij sportschool Spermon in Emmen. Het winnen van olympische goud van Anton Geesink in Tokio in 1964 lag aan die keus mede ten grondslag. Een Nederlander die won in Japan, in een Japanse vechtsport! Veel jongetjes van mijn leeftijd kozen na dat kampioenschap voor judo als hun favoriete sport. Misschien daarom ook viel mijn oog op Het Parool van ruim een maand geleden, waarin Steven van der Gaag de geschiedenis optekende van sportschool Gé Koning in Amsterdam. Sinds 1952 huist deze sportschool onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum. Eigenaar Gé Koning had zijn diploma jiujitsu – “de vechtkunst der Japaneeschen” – gehaald bij de Japanner K.T.Yo. “Koprollen op de stoep in zwarte gebreide korte broekjes, dat soort werk.” Al voor de oorlog was de jonge Koning begonnen in jiujitsu les te geven in Amsterdam. Na de oorlog ging hij met Pim Smit op de motor naar Parijs. “Ze hadden gehoord over de jiujitsuclub van Jean Beaujean, maar keerden terug met een nieuwe sport: judo.” In Bordeaux leerden ze de Japanner Michigami kennen die voor hen de techniek van de onbekende vechtkunst ontleedde. Elke drie maanden haalden ze hem op met de auto. Zo belandde judo als vechtsport in Amsterdam. Diezelfde Gé Koning zat tien jaar later als bondscoach langs de mat in Tokio, toen Anton Geesink daar zijn olympische gouden plak won.

Opnieuw een fraai voorbeeld van hoe innovaties zich succesvol via steden verspreiden. Wat niemand dus weet is dat het Nederlandse judo zijn oorsprong vond in Parijs en Bordeaux en dat ze letterlijk op de motor vervoerd werd naar Amsterdam. Geesink woonde destijds in Utrecht, maar na een telefoontje dat ze daar een jongen hadden “die ze niets meer konden leren”, maakte Koning met hem kennis en haalde hem naar de hoofdstad. Onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum, werd het olympische succes van later voorbereid. Koning junior over Geesink: “Hij heeft hier lesgegeven en mijn moeder heeft nog kleren voor hem gemaakt.” Ziedaar het nut van grote steden. Ze fungeren als springplank voor innovaties, die later de rest van het land bereiken. Want wat destijds voor judo gold, geldt nog steeds voor talloze andere zaken. Zaken die we nog niet kennen. Omdat het innovaties zijn. Die wij in de provincie nog moeten leren.

Tagged with:
 

Sportieve rivalen

On 3 februari 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 2 februari 2012:

Amerikanen zijn gek van sport, dat is bekend. Sommige Amerikaanse steden zijn nog extremer als het aankomt op sport en sportbeoefening dan andere. Tijdens mijn korte verblijf in Boston, Massachusetts, viel het me al op. Alles lijkt in die stad aan de Oostkust te draaien om wedstrijden, clubs, stadions en toernooien. De lokale aanhang beweegt mee met het seizoen. In de winter is ijshockey favoriet en loopt iedereen uit voor de Boston Bruins; ‘s zomers is het eerder honkbal en basketbal, en staat heel Boston in het teken van de Patriots en de Boston Celtics. Ook de universiteiten hebben hun eigen studentenclubs en hun eigen stadions. Het stadion van Boston College is bijvoorbeeld groter dan de Ajax Arena in Amsterdam. Prijzenkasten beslaan er hele verdiepingen en iedereen eert de lokale helden. Sportheld ben je hier voor je hele leven. Hoe anders is dat bij ons.

In het nieuwste nummer van The Atlantic wijst de Amerikaanse econoom Richard Florida op het feit dat sport sterk gebonden is aan de grootste steden. De verschillen tussen steden zijn, als het aankomt op sport, echter veel extremer dan als het gaat om economie of cultuur. De ene stad presteert uitzonderlijk, terwijl de andere nauwelijks meetelt. Zo ontdekte Florida dat de zone Boston-New York-Washington veruit de kroon spant als het gaat om het winnen van kampioenschappen, de zone van Chicago-Detroit-Cleveland-Pittsburgh blijkt een goede tweede. Nummer drie en vier zijn al veel kleiner. Nee, de sportprestaties blijken tussen steden zeer ongelijk verdeeld. De Amerikaanse topsport wordt beheerst door de rivaliteit tussen het kleine Boston en de reus New York. Die rivaliteit verwijst ver terug in de Amerikaanse geschiedenis, toen de twee steden nog wedijverden om de macht binnen de jonge Republiek. In de afgelopen jaren was het Boston dat zijn grote buur aftroefde. Ja, dat is sport: een sportstad kun je niet maken door een stadion te bouwen en een club financieel te ondersteunen. Die sportieve status heeft hele sterke historische wortels, aardend in een geschiedenis van stedelijke macht en rivaliteit.

Tagged with:
 

Olympische schuld

On 23 juni 2011, in sport, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 22 juni 2011:

Gisteren gesproken op het Nationaal Congres over Olympische Sportaccommodaties in Rotterdam. Aanwezig was de fine fleur van de Nederlandse gemeenten op het gebied van sportvoorzieningen, hun raadgevers en architecten. Titel van mijn lezing: ‘Olympische Polis: sport als stedenvormende kracht.’ Het ging over de rol die sport speelt in de moderne grootstad en hoe Amsterdam daarmee omgaat. Maar eerst vertelde ik over ons bezoek aan Londen. Die Londense ervaringen de afgelopen maanden interesseerden het publiek wel. Je wordt er ook enthousiast van. Mijn opmerking dat de aanvankelijk begrote kosten van de Spelen in Londen 2012, groot tweeënhalf miljard euro, waren overschreden met bijna zeven miljard, leidde echter tot grote opschudding. Dacht men dan werkelijk dat het organiseren van de Spelen zo weinig zou kosten? In Londen begrepen ze het wel. In de zaal circuleerde een bedrag van ruim vier miljard euro dat men kennelijk als redelijk beschouwde. Getuigt dat van goed koopmanschap?

Wat kostten die andere Olympische Zomerspelen? Een rijtje. Athene (2004) was net even een miljard duurder dan Londen: 10 miljard euro. Dat was dan wel het dubbele van wat er was begroot. Het tekort op de Griekse begroting steeg hierdoor tot boven de 4 procent, hetgeen de Europese Commissie ertoe bracht een reprimande aan de Griekse regering te geven (toen al!). Er resteert nog altijd een schuld van 7,2 miljard die de Grieken hun geldschieters moeten terugbetalen. De stand van zaken van de Helleense staatsbegroting is iedereen genoegzaam bekend. Atlanta bleef met een schuld zitten van 609 miljoen dollar en Sydney moet nog altijd bloeden voor 700 miljoen. (Die bedragen zijn vergelijkbaar met de extra kosten voor Amsterdam voor de Noord-Zuidlijn). Alleen Los Angeles (1984) kwam met winst uit de Olympische Spelen tevoorschijn. Maar dat hield verband met de uitzendrechten, die de stad grotendeels zelf opstreek. Die truc is sindsdien niet meer mogelijk, want het IOC eist die inkomstenbron tegenwoordig voor zich op. Overigens kostten de Olympische Spelen in Sydney in totaal 4 miljard euro. Dat rekensommetje klopt aardig met wat men in de zaal in Rotterdam aanvaardbaar achtte. Weerhoudt dat ons ervan om een stad in Nederland in 2019 te kandideren? Het is wachten op een uitspraak van de Nederlandse regering. Die heeft echter even geen tijd. Ze is bijeen om te bepalen of ze de Olympische schuld van Athene zal kwijtschelden.

Tagged with:
 

Commerciële kunst òf ruimhartig burgerdom

On 19 juni 2011, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Systems of Survival’ (1994) van Jane Jacobs:

Voor morgen uitgenodigd door de Vaste Commissie voor Cultuur van de Tweede Kamer om te komen praten over de voorgenomen bezuinigingen op de kunsten door de regering. Er wordt een statement van mij verwacht. Ter voorbereiding lees ik Systems of Survival van Jane Jacobs. Daarin worden de twee overlevingssystemen van de mensheid aan elkaar gespiegeld: het private en het publieke (commercial syndrome resp. guardian syndrome). De waarden van het private syndroom, aldus Jacobs, verschillen geheel van die van het publieke, het verschil komt neer op: geen macht uitoefenen versus geen handel drijven of winst maken, eerlijk zijn versus gehoorzaam zijn, concurreren versus loyaal zijn, optimistisch zijn versus fatalistisch zijn, innovatief zijn versus zich schikken in de traditie, contracten respecteren versus wraak nemen, enzovoort. Het private systeem heeft natuurlijk de voorkeur van de Amerikaanse activiste, maar in de loop van haar onderzoek komt ze tot de ontdekking dat het publieke minstens zo belangrijk is. Beide heb je nodig. Domineert het publieke teveel, dan krijg je staatssocialisme, domineert het private, dan krijg je maffiose praktijken. De twee systemen moeten elkaar in evenwicht houden.

Kunst en cultuur, net als sport en vermaak, schaart Jacobs onder het waardensysteem van het publieke. De waarde waar het om gaat duidt ze aan als “make rich use of leisure”. Terwijl ondernemers hard werken voorop stellen (‘de hard werkende Nederlander’) en de kunsten zien als nutteloos en overbodig, viert de overheid juist het vermaak en vertier, het spel en de cultuur. Denk aan de riddertijd met haar poëzie, zang en dans, en de aristocratische traditie waarin burgers zich als amateurs trachten te bekwamen in sport, muziek en spel, zonder winstbejag. “Think about royal and aristocratic patronage of artists, musicians, writers, opera, and theater, continued by many democratic governments today.” Al deze voorbeelden laten zien dat de overheid de kunsten altijd actief heeft beschermd en kunstenaars heeft vrijgesteld om juist niet hard te hoeven werken. Hierdoor begrijp je ook, aldus Jacobs, dat commerciële kunst met de nek wordt aangekeken en dat de sympathie uitgaat naar de amateursport, niet naar commerciële sport. Hoe kan het dan dat we de laatste tijd vaak horen dat kunst en cultuur economische activiteiten zijn die zich zonder subsidie moeten zien te bedruipen en zelfs geld moeten genereren, en dat zelfs kunstenaars keer op keer beklemtonen dat ze wel degelijk heel hard werken? “The sour doctrine that idleness is a playground for the devil belongs to the commerical syndrome with its esteem for industriousness.” Wie het publieke met het commerciële verwart, dreigt een grote fout te maken. Was het niet de Duitse filosoof Peter Sloterdijk die onlangs in de Vrijstaat Amsterdam voor ‘ruimhartig burgerdom’ pleitte? ”De theorie van de stad, zowel de historische als de toekomstige, – en eo ipso de theorie van de democratie – kan alleen worden gebaseerd op het bewijs van de mogelijkheid van ‘liberaal’, dat wil zeggen vrijmoedig en ruimhartig gedrag.” Ruimhartigheid, dat is wat je van de politiek toch zou mogen verwachten.

Tagged with: