Veerkracht

On 19 november 2012, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 16 november 2012:

Bij het in ontvangst nemen van de Maaskantprijs afgelopen vrijdag in Rotterdam typeerde de stadssocioloog Arnold Reijndorp zichzelf als ‘een loopjongen’. Hij was, zei hij, steeds loopjongen geweest tussen architectuur en sociologie. Reijndorp: “Hoewel ik moet zeggen dat architecten en stedenbouwkundigen ontvankelijker blijken te zijn voor sociologische inzichten dan sociologen voor opvattingen van architecten en stedenbouwkundigen.” De jury die hem de prijs toekende vond zijn werk juist nu relevant, omdat de context van bouwen en wonen is veranderd van uitbreiden naar transformeren, waarbij de behoeften van mensen centraal zijn komen te staan. Met thema’s als het alledaagse gebruik van de stad, nieuwe netwerken in de stad en het functioneren van het publieke domein “reikt Reijndorp waardevolle instrumenten aan voor de ontwerppraktijk van architecten en vooral stedenbouwkundigen.”

Reijndorp hield daarop een schitterende rede. Echter, waarom hij daarbij zo afgaf op de persoon van Richard Florida was me niet duidelijk. Het had zelfs iets verbetens. Zelf zei hij het zo: “De vitaliteit van een stad is verbonden met diversiteit in sociaal, economisch, cultureel en ruimtelijk opzicht. Het is dan ook de vraag of het wedden op het ene paard van de creatieve kenniseconomie wel zo verstandig is.” Herwaardering van de stad is omgeslagen in overwaardering, voegde hij eraan toe. Liever sprak hij van de veerkracht van een stad. Die kan aan andere zaken worden afgemeten dan de drie T’s: Talent, Technologie, Tolerantie. Het klonk alsof Reijndorp de ‘creatieve steden’ hun succes niet gunde en Richard Florida om zijn roem benijdde. Ik kan me er alles bij voorstellen, maar die veerkracht en die aandacht voor ‘gewone mensen’ lijken me toch andere, niet minder interessante onderwerpen. Londen, Parijs en in zekere zin ook Amsterdam, zou je kunnen zeggen, hebben hun veerkracht al bewezen; hun economieën zijn hoogwaardig en creatief gebleken, precies zoals Richard Florida die eigenschappen tien jaar geleden typeerde, overigens met nog steeds een arme onderkant. Florida aanrekenen dat woningcorporaties en gemeentebesturen zijn visie verhaspelden mag natuurlijk niet. Wedden op dat ene paard? Ook Florida noemde destijds diversiteit en het tegengaan van segregatie als belangrijke voorwaarden.

Tagged with:
 

Gelezen in The Atlantic van maart 1982:

Afgelopen week overleed James Q. Wilson. Samen met George Kelling was hij de bedenker van de ‘Broken Windows Theory’. Ter gelegenheid van zijn overlijden publiceerde The Atlantic opnieuw hun geruchtmakende artikel uit maart 1982. Volgens die theorie, die wordt ondersteund door zowel psychologen als politiemensen, zal een gebroken raam in een stadsbuurt binnen de korste tijd helemaal sneuvelen. Nette buurten of achterbuurten, zwarte bevolking of blanke bevolking, het maakt niet uit, één gebroken raam is het signaal dat mensen niet om hun buurt geven, dus is het breken van nog meer ruiten geoorloofd. En van het een komt het ander. “A piece of property is abandoned, weeds grow up, a window is smashed. Adults stop scolding rowdy children; the children, emboldened, become more rowdy. Families move out, unattached adults move in. Teenagers gather in front of the corner store. The merchant asks them to move; they refuse. Fights occur. Litter accumulates. People start drinking in front of the grocery; in time, an inebriate slumps to the sidewalk and is allowed to sleep it off. Pedestrians are approached by panhandlers.” Op deze manier, aldus Kelling en Wilsom, ontstaat criminaliteit, raken buurten in verval. De politie zou, aldus de onderzoekers, minder moeten optreden als ‘crimefighter’ en meer als beschermer van buurten. “Just as physicians now recognize the importance of fostering health rather than simply treating illness, so the police – and the rest of us – ought to recognize the importance of maintaining intact, communities without broken windows.”

Bij herlezing van het artikel ben ik weer onder de indruk van het heldere betoog, de eenvoudige bewijsvoering en de logische argumenten. Tegelijk vraag ik me af of we ervan hebben geleerd. Me dunkt, meer dan ooit wordt de criminaliteit zelf bestreden, en niet de omstandigheden die er de oorzaak van zijn. Stel, je maakt de openbare ruimte op de Amsterdamse wallen geheel volgens het grachtenprofiel en je beheert de straten, stegen en pleinen voorbeeldig; je dwingt eigenaren tot stipt onderhoud aan hun panden, waardoor er in de hele buurt geen ‘gebroken raam’ meer te vinden is. Wat zou er dan gebeuren? Eigenlijk is het de normaalste zaak van de wereld. Alleen, we doen het niet en we spreken elkaar er niet op aan. Ik moest er ook aan denken toen ik het Atlasgebouw in Amsterdam Zuidoost onlangs bezocht. Een paar jaar geleden nog stond het leeg; toen overwoog men om het complex uit begin jaren tachtig te slopen. Gelukkig is dat niet gebeurd. De nieuwe eigenaar besloot tot een goedkopere oplossing; hij ging de publieke ruimte intensief beheren en de gebouwen renoveren. Nu is het hele complex – Atlas Arena – weer gevuld. Het is een van de interessantste plekken van de Bijlmer. En bedenk ten slotte hoe sinds de abri’s in de stad goed onderhouden worden het straatbeeld is verbeterd en veiliger voelt.

Tagged with:
 

Het ‘silo effect’

On 20 februari 2012, in regionale planning, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

‘The Craftsman’ heette het eerste boek van socioloog Richard Sennett over vaardigheden die mensen in staat stellen een waardevol leven te leiden – het zogenaamde ‘homo faber project’. Het verscheen in 2008. Dingen maken en daar plezier aan te beleven wordt in de huidige tijd vervangen door vluchtig en weinig prikkelend werk, was de boodschap van Sennett in ‘The Craftsman’. Dingen maken kan ook denkwerk betreffen – ook dat wordt steeds moeilijker. Onlangs verscheen deel twee, getiteld ‘Together’. Het boek vertelt het verhaal van het samenwerken en hoe moeilijk dat eigenlijk is. Eigenlijk is het heel praktisch werk, dat samenwerken. “My focus in ‘Together’ is on responsiveness to others, such as listening skills in conversation, and on the practical application of responsivesness at work or in the community.” Ik ben het boek aan het lezen en ik moet zeggen, het is fascinerend en tegelijk huiveringwekkend. Deel drie is in de maak. Het zal gaan over het bouwen van steden. “They aren’t made very well today; urban design is a craft in peril.” U bent gewaarschuwd: “my hope is that understanding material craftmanship and social cooperation can generate new ideas about how cities might become better made.” Ziedaar het uiteindelijke doel van de reeks: steden worden steeds slechter gebouwd, maar het kan beter.

Zonder samenwerking kun je geen steden bouwen en zonder de vaardigheid om dingen te maken kun je niet samenwerken, het klinkt allemaal logisch. Elke maatschappij eist samenwerking, aldus Sennett. Maar management deelt mensen op in organisaties en eenheden; dit noemt hij het ‘silo effect’. Dat effect leidt ertoe dat mensen van elkaar vervreemden en dat er een antagonistische wij-zij-verhouding ontstaat die samenwerking juist belemmert. Door snelle wisselingen wordt die samenwerking nog lastiger gemaakt. Een jonge werknemer die in 2000 in dienst treedt, zal twaalf tot vijftien keer van werkgever wisselen. Managers zorgen ervoor dat mensen gemiddeld niet langer dan negen tot twaalf maanden in hetzelfde teamverband werken. Niemand raakt ingewerkt en ingespeeld op de ander. De moderne samenleving, aldus Sennett, leert mensen hun vaardigheden af om samen te werken. De uitkomst zijn slecht gebouwde steden: qua vorm homogeen en rigide, sociaal drukt de stad nauwelijks nog een persoonlijke of gedeelde ervaring uit. “These are unfortunately familiar complaints.” Door ‘The Craftsman’ en ‘Together’ te schrijven hoopt Sennett dat wij weer betere steden zullen gaan bouwen. Kunnen wij nog meester worden over onze omgeving? Ik hoop het. En ik zie uit naar het derde en laatste deel.

Tagged with:
 

De echte crisis

On 24 januari 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 november 2010:

De Duitse socioloog Hartmut Rosa, auteur van Beschleunigung. Die Veränderung der Zeitstrukturen in der Moderne (2005), noemt zich de socioloog van de versnelling. Hij constateert dat wij sneller moeten handelen, sneller moeten beslissen, de tijd vliegt tussen onze vingers weg. Bijgevolg komen we steeds meer tijd tekort. Ergens zijn we met z’n allen een grens overschreden en gaat het leven met ons aan de haal. Niet dat we er iets tegen kunnen doen. We zitten in een systeem gevangen. We moeten sneller werken en sneller leven om hetzelfde welvaartspeil te behouden, niet om erop vooruit te gaan. “You have to run very, very fast just to stay in the same place.” We hebben geen keus. “Zelfs collectief staan we machteloos,” stelt hij. “We hebben in de jaren tachtig en negentig onze economie drastisch geliberaliseerd. Dat zou innovatie en bedrijvigheid ten goede komen.” Maar, voegt hij daaraan toe, “de liberalisering kwam ook voort uit het onvermogen van onze westerse democratieën, toen al, om deze kapitalistische krachten bij te benen. Besluitvorming in een democratie vergt tijd.” Er is zelfs steeds méér tijd nodig voor democratische besluitvorming. “Nu problemen grensoverschrijdend worden en de samenlevingen meer multicultureel en dus complexer zijn, heb je méér tijd nodig om tot afgewogen beslissingen te komen. Politici en ambtenaren kunnen de versnelling van de vrije markteconomie daarom al heel lang niet meer bijbenen.” Volgens de Duitse geleerde was dit destijds mede een reden om te dereguleren: de politiek geloofde niet meer in zichzelf. “Ons probleem is nu dat de remmen weg zijn en dat we niet meer bij het stuur kunnen.” Hij spreekt van een crisis van de democratie, stelt vast dat er geen ruimte meer is voor geschiedenis en verhalen. Ronduit pessimistisch is hij omdat uiteindelijk de maakbaarheid van de samenleving een illusie blijkt. “Het leven zou steeds beter worden, dachten we, en de mens steeds vrijer. Maar ons jachtige leven is uiteindelijk een vorm van totalitarisme. En in dat totalitaire systeem leven wij zonder al te veel hoop. De vooruitgang is bezig zijn eigen kinderen op te eten.”

Rosa noemt het ironisch dat uitgerekend de Europese Unie sterk heeft bijgedragen aan de deregulering. “Alles is nu competitie, alles moet sneller en efficiënter.” Het lukt de EU niet om de geest terug in de fles te krijgen. Sterker, Brusselse politici lijken het systeem verder te willen dynamiseren door nog verdergaande privatiseringen en drastische reductie van het ambtelijke apparaat. Hij stelt vast dat in deze situatie de Europese politiek traag reageert, nog trager dan de nationale staten. Hij zegt er niet bij dat steden precies om die reden het voortouw zouden moeten nemen. Steden kunnen het snelste reageren, zich onmiddellijk aanpassen en hier en daar een dam opwerpen. De politiek besluitvorming moet op een veel lager schaalniveau plaatsvinden. Alleen op die manier kan sprake zijn van een voldoende adaptief systeem. Tot mijn verbazing is zelfs McKinsey & Company hiervan overtuigd. Op hun website las ik op 7 januari een artikel van Parag Khanna:  “In a world that increasingly appears ungovernable, cities—not states—are the islands of governance on which the future world order will be built. Cities are humanity’s real building blocks because of their economic size, population density, political dominance, and innovative edge. They are real “facts on the ground,” almost immeasurably more meaningful to most people in the world than often invisible national borders.” Rosa gelooft er niet meer in. “De hulpeloosheid van de politici is niet om aan te zien.”

Tagged with: