Polynuclear nonsense

On 19 juni 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in ‘The World Cities’ (1966) by Peter Hall:

 

Dutch planners love polynuclear patterns of urbanisation. They think these patterns are the most sustainable. Polynuclearity, they say, is the best you can get. The Dutch became world champions in developing polynuclearity and are still proud of it. It became part of the Dutch planning paradigm. It has to do with planning history. The Golden Age of Modernist planning were the sixties, when the young Peter Hall praised the socalled Randstad concept in The Netherlands. In his ‘The World Cities’ (1966) the Randstad is one of the seven ‘World Cities’, next to London, Paris, New York, Ruhr Area, Moscow, and Tokyo. Mind you! The little country next to the big Germany was praised by a young teacher from Birkbeck College London, who described it as a planning paradise. It made Peter Hall world famous, at least in The Netherlands. Problems of a world city in general, Hall declared, were its sheer size, its fast growth and complexity. Big cities would become too crowded. The biggest problem by far was the city-centre. So Hall advocated solutions he adopted from his hero-pioneer Ebenezer Howard. These were all utopian ideas – nineteenth-century schemes which were very anti-urban, something of a fusion of city and countryside. It was all nonsense of course, but Hall became the evangelist of decentralization: build new towns! Add green belts! Develop new centres! Dismantle the exisiting city! The Dutch promised to do all this. They were full of good intentions.

Polynuclearity fitted remarkably well in the existing Dutch geography of small cities, lacking real urban centres. So ironically the only thing Dutch planners had to do was avoid the coming of a big city. Which they did with fervour. Postwar planning in The Netherlands became vehemently anti-urban from the start. Polynuclearity is not wrong of course. If only you develop it within an existing agglomeration. The Dutch polynuclear pattern is different. It isn’t sustainable. The ecological footprint of The Netherlands is one of the worst in the world. Congestion though isn’t evil either, on the contrary, it is admirable, something really to aim for. And megacities are, in fact, the best and the most sustainable you can get. If only you keep them livable. For that, you don’t need huge amounts of countryside, but parks, not highways, but public transport, not many centres, but one big city-centre with many subcentres. Peter Hall thought the megaregion was not social. Again he was wrong. He just hated heterogeneity, diversity, chaos, density, and he was afraid of complexity. So are the Dutch. And the problem is: they all agree.

Amsterdam verdubbelen

On 18 mei 2015, in demografie, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 22 januari 2015:

Drukte op het Damrak - foto copyright Hauptillusionator via Flickr (cc)

De aanleiding was de drukte in Amsterdam. Het televisieprogramma Nieuwsuur wilde er een item over maken. Was het er nou werkelijk zo druk? Ze zochten iemand die het onderwerp wilde relativeren. Ik moest onmiddellijk denken aan de recente demografische studie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Die ging over de bevolkingsgroei in Nederland. In ‘De stad: magneet, roltrap en spons’ (2015) wordt geconstateerd dat veel jongeren naar de grote steden trekken. Tussen 2000 en 2014 is Amsterdam met 80.000 inwoners (IJburg) gegroeid. Ook Utrecht (95.000, Leidsche Rijn), Groningen (20.000, De Held) en Den Haag (70.000, Ypenburg, Leidscheveen) zijn groeiers. Of die groei doorzet vindt het Planbureau onzeker. Het aantal jongeren zou immers afnemen. Werkelijk? Volgens mij is een nieuwe generatie VINEX-locaties in de grote steden veel bepalender voor doorgaande groei. En vergeleken bij die lichte demografische rimpeling zijn cijfers over groeiende bezoekersstromen in ieder geval voor steden veel relevanter. Waar is het rustig, waar wordt het druk?

Om hoeveel bezoekers gaat het eigenlijk?, wilde de reporter weten. Zelf kwam hij uit Haarlem. Daar was het niet zo druk. Zeventien miljoen bezoekers per jaar, antwoordde ik. Hij wilde het niet geloven. Het waren er toch niet meer dan 5 miljoen? Nee, lichtte ik toe, dat zijn alleen de buitenlandse toeristen die hier in hotels overnachten. De werkelijke bezoekersaantallen liggen veel hoger. Stephen Hodes hanteert een getal van 8 miljoen. Ik put uit de laatste Amsterdam City Index. Je hebt immers ook dagjesmensen, winkelend publiek, gasten die op campings in de regio logeren, de 0,6 miljoen mensen die op cruiseschepen in de haven overnachten, mensen die congressen en evenementen in de hoofdstad bezoeken, enzovoort. En, voegde ik eraan toe, de prognoses wijzen op een verdubbeling in de komende tien jaar. In 2005 kwamen 11 miljoen mensen naar de hoofdstad, in 2014 waren dat er al 17,3 miljoen. Elk jaar groeit hun aantal met circa 1 miljoen. Daarover maken de Amsterdammers zich zorgen. Worden zij straks een minderheid die onder de voet wordt gelopen? De wereld is groot, de urbanisatie zet door, de middenklasse groeit, iedereen wil reizen, en Amsterdam is klein. Wat moeten we doen?, vroeg de reporter vertwijfeld. Amsterdam verdubbelen, zei ik.

Tagged with:
 

De opslingering van Amsterdam

On 10 maart 2015, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Besproken in B.Amsterdam op 6 maart 2015:

couleurlocale

Couleure Locale klinkt misschien kneuterig, maar is het beslist niet. Het betreft een initiatief van Emilie Vlieger en Kris Oosting. In het kader van het Jaar van de Ruimte 2015 organiseren deze twee jonge Utrechtse ondernemers het komende jaar een aantal Ruimteverkenningen op verschillende plekken in Nederland. De eerste vond afgelopen vrijdag plaats in Amsterdam. Daarvoor kozen ze als locatie B.Amsterdam – de nieuwe broedplaats naast IBM in Nieuw-West – , ze namen de internationale concurrentiepositie van Amsterdam als thema en, getriggerd door een interview met hem in Vrij Nederland, vroegen ze Zef Hemel als spreker.  Aansluitend nam Vincent Kompier, overgekomen uit Berlijn, de circa dertig deelnemers mee op metro-excursie. Het gezelschap, afkomstig uit heel Nederland en Vlaanderen, bezocht o.a. de Zuidas en het Marineterrein, waar Startup Delta is gevestigd. Wat was hun indruk? Ik vermoed, na de lezing, dat ze vooral in verwarring waren gebracht.

De lezing van Hemel ging over ‘De opslingering van Amsterdam’. Daarmee wilde hij zeggen dat er feitelijk geen keuze is: Amsterdam wordt door mondiale krachten opgeslingerd. Wie goed oplet ziet dat aan de lokale toeristenmarkt (‘drukte in de stad’), de woningmarkt (‘Amsterdam is een spons’), de kantorenmarkt (verziekt, maar op de Zuidas geen leegstand), enzovoort. Die opslingering komt door de verknoopte mondiale netwerken, de waarde van het merk ‘Amsterdam’ in de wereld, glasvezel en internet en nog zo wat zaken waarvan de betekenis de landsgrenzen verre overstijgt. Het enige wat we kunnen doen is de groei van Amsterdam proberen af te remmen. Dat doen we dan ook met volle kracht. Amsterdam zelf creëert bewust schaarste om vastgoedprijzen hoog te houden, haar bevolking wil liefst niet groeien en klaagt over de drukte, de regering, gesteund door het Interprovinciaal Overleg en in de nek geblazen door de Tweede Kamer, spreidt en smeert programma’s en geld uit over de provincies onder het mom van verdelende rechtvaardigheid, ruimtelijke ordening in Nederland is per definitie distributieplanologie opgevat als eng-nationaal gezelschapsspel, Europa ten slotte gedraagt zich als een fort dat immigratie verhindert. “Waarom zou je als Amsterdam ook moeten willen groeien?”, was de vraag die het bij de aanwezigen opriep. Inderdaad, de vraag stellen alleen al. De Nederlanders vonden het maar negatief, de Vlamingen juist verfrissend. Ik vlieg vandaag naar Seoul, waar men wel bereid is op te slingeren.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with:
 

Verschil of diversiteit?

On 18 december 2014, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 15 december 2014:

Distribution des villes selon Christaller

Het werd een volle bak, de pre-startbijeenkomst voor het Jaar van de Ruimte 2015 in Pakhuis de Zwijger, afgelopen maandagavond in Amsterdam. Bijna vierhonderd mensen – meest vakgenoten – luisterden naar zes sprekers die elk in 15 minuten probeerden een toekomstagenda voor Nederland te maken: Reinier de Graaf (intro), Maarten Hajer (productie), Marleen Stikker (netwerken), Marjan Minnesma (kringlopen), Zef Hemel (steden) en Henk Ovink (water). Natasja van den Berg praatte alles aan elkaar. Wat er zoal voorbijkwam? Van alles.Veel verwarring dus, maar ook opwinding. Het jaar 2015 moet immers nog beginnen. Directeur Nationale Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van Infrastructuur Hans Tijl sloot de avond af. Zijn departement zal het komend jaar vooral luisteren, zei hij, het land intrekken en als gelijkwaardige partij deelnemen. Geen visievorming meer vanuit Den Haag.

Reinier de Graaf (OMA) sprak in zijn inleiding niet over Nederland, maar over de wereld. Als uitgangspunt nam hij Thomas Piketty’s ‘Capital in the 21st Century’. De bijna honderd jaar die achter ons liggen, zei hij, blijken achteraf beschouwd uitzonderlijke jaren in de menselijke geschiedenis. Nooit waren we zo gelijk. Jaren ook van grootse utopiën. Deze goede jaren liepen af in 1989. Eerst dachten we dat overal democratie zou uitbreken, maar dat bleek niet het geval. Er begon juist een periode van grote politieke turbulentie en groeiende ongelijkheid. Autocratische regimes zijn aan de winnende hand. Echter, de Nederlandse regering van 2030, schatte De Graaf, zal niet anders zijn dan die van 1980. Mooi. Mijn eigen verhaal sloot er naadloos bij aan. Ebenezer Howard’s tuinstedenschema en Walter Christaller’s centraleplaatsentheorie hebben de ruimtelijke inrichting van ons land bijna honderd jaar gedomineerd: ze genereerden – aangestuurd van bovenaf – een ruimtelijk patroon van gelijkheid, regelmaat, hiërarchie, veel infrastructuur en bewust kleingehouden steden. Het resultaat blijkt achteraf niet duurzaam. Howard en Christaller zijn ook passé omdat we de komende jaren te maken krijgen met sterke metropoolvorming versus krimp: groeiende ruimtelijke ongelijkheid dus. Beide feiten vragen om een heel ander soort planning: niet meer centraal gestuurd, maar interactief, lokaal, regionaal, holistisch, improviserend, bovenal menselijk. We zullen verschillen moeten leren waarderen als diversiteit. En complexiteit niet langer afwijzen.

Londenfobie

On 9 december 2014, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 6 december 2014:

IMG_0944.JPG

Verontrustend artikel van Patrick van IJzerdoorn in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. In ‘Londen eet Engeland op’ beschrijft deze buitenlandse correspondent hoe de Britse hoofdstad groeit, terwijl de rest van Engeland stelselmatig krimpt. Vijftien procent van de bevolking (dit zijn de 8,3 miljoen Londenaren) verdient eenvijfde van het nationaal inkomen, de productiviteit in Londen ligt 29 procent hoger dan erbuiten. Een op de drie afgestudeerden trekt naar de hoofdstad, 58 procent bezit er een academische titel, dat is twintig procent meer dan in de rest van Engeland. Eenvijfde van de Londenaren komt uit het buitenland, de stad wordt ontwikkeld met vreemd kapitaal. Londen wijkt steeds meer af van de rest van Engeland en de metropool is buitengewoon succesvol, ze barst uit haar voegen. Doordat ze niet snel genoeg groeit en er verdringing optreedt, moeten mensen haar noodgedwongen weer verlaten. En dat terwijl de rest van het land achterblijft.

Het verschil in ontwikkeling leidt in Groot Brittannië tot ‘Londenfobie’. Britse politici willen Londen straffen voor haar succes. De kop boven het artikel in de Volkskrant geeft ook voeding aan die haatgevoelens. Want Londen eet Engeland helemaal niet op. Ze presteert gewoon beter. De concurrentie tussen steden is ook helemaal geen ‘zero-sum game‘. Een metropool is zelfs duurzamer dan gespreide verstedelijking. Van IJzerdoorn: “De grote vraag is of Londen de rest van het land rijker maakt of uitzuigt.” Politici weten het antwoord al: ze zullen het evenwicht herstellen. Daarom komt er een peperdure hogesnelheidstrein van Londen naar het noorden, om steden als Manchester en Glasgow mee te laten profiteren. Terecht vraagt Van IJzerdoorn zich af of die spoorlijn het succes van Londen niet nog verder zal vergroten. Laatst, in Londen, hoorde ik de experts erover praten. Ze zagen wel in dat die dure spoorlijn nergens op slaat. Klakkeloos neemt de politiek aan dat Londen andere steden ‘opeet’, ‘uitzuigt’. En de media huilen mee. Het slachtoffergevoel neemt snel de overhand. Ik zei toch: verontrustend.

Tagged with:
 

Borrowed size

On 5 september 2014, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Territorial Review The Netherlands (2014):

 

 

;

 

 

 

 

 

 

Nederland profiteert economisch onvoldoende van agglomeratievoordelen, althans volgens de OECD. Onze steden zijn te klein. De Organisation for Economic Cooperation and Development beveelt bij de Nederlandse regering daarom grotere steden aan. Daarnaast echter biedt ze een ontsnappingsroute. Geen grotere steden, maar betere verbindingen. Zoiets heeft ze niet van zichzelf. Iemand moet de organisatie dit hebben gevraagd. Dat ze in haar Territorial Review van Nederland het alternatief voor een echte nationale grootstedelijke politiek om maximaal te profiteren van agglomeratievoordelen door de opdrachtgever ingefluisterd moet hebben gekregen maak ik mede op uit het feit dat dat alternatief alleen in de samenvatting wordt opgevoerd: ‘borrowed size’. Door snelle verbindingen tussen de bestaande stedelijke gebieden, stelt de OECD daar zonder nadere toelichting, kan ook winst worden geboekt. Gelooft u het? Ik heb de motivering opgezocht. Die bleek schamel. Leest u met mij mee.

Alleen in de ‘key recommendations’ van het uitvoerige rapport, op bladzijde 23, staat de volgende aanbeveling. In de rest van het dikke rapport geen spoor. In plaats van een nationaal grootstedelijk beleid dat nu in Nederland ontbreekt en dat erop neer zou moeten komen dat van agglomeratievoordelen op het juiste schaalniveau – de stad en de stedelijke regio – wordt geprofiteerd, kan de regering er ook voor kiezen om de verbindingen tussen functionele stedelijke regio’s te verbeteren. Het is, stelt de OECD met nadruk, geen vervanging van agglomeratievoordelen, maar steden en stedelijke regio’s kunnen profiteren van grotere nabijheid ten opzichte van elkaar en op deze wijze agglomeratie van elkaar ‘lenen’. Een soort Peerby voor steden. En dan komt het: "Recent studies show that a doubling of the population living in urban areas within a 300 km radius, increases productivity of the city in the centre by 1 tot 1,5 percent." Een gebied met een straal van 300 kilometer beslaat gemakkelijk heel Nederland; een verdubbeling van de bevolking in een dergelijk omvangrijk gebied kan leiden tot een productiviteitsgroei van 1 tot 1,5 procent. Buiten het feit dat ik het niet begrijp vraag ik u: Is dit veel, een verdubbeling van de bevolking? Volgens mij wel. En hoe realistisch is dit? Onrealistisch, denk ik.

Tagged with:
 

Urburb

On 3 september 2014, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 31 juli 2014:

Het paviljoen van Israël tijdens de 14e architectuur biënnale in Venetië zette me aan het denken. Het is gevuld met vier printers die elk in fijn zand telkens weer vanuit het niets een ruimtelijk patroon schrijven: het land Israël, de joodse stad, de buurt en het bouwblok. Titel: the Urburb. Het geheel wil duidelijk maken dat het antistedelijke sentiment diep geworteld is in de Israëlische samenleving en vanaf het allereerste begin van de joodse staat – tweede helft negentiende eeuw – door de politiek opgelegd. Uit de tekst maak ik op dat vooral het Plan Sharon centraal staat. Sharon was leider van de Likud partij en vanaf 2001 premier van Israël. Hij was tegen grote steden en gebood de bouw van nieuwe nederzettingen, zowel in Israël zelf als in bezet Palestijns gebied. De steden in Israël zijn bijgevolg relatief klein, niet urbaan, niet suburbaan, en zelf weer onderverdeeld in relatief afgesloten buurten. De opbouw van Jeruzalem strekte tot voorbeeld; deze heilige stad wordt gekenmerkt door sterke interne segregatie.

Zelfs op blokniveau is er topdown gepland: het blok als "an independent agent dropped from above, free-standing on the plane, open on every side and usually set on pilotis." Het Israëlische paviljoen toont daarmee een politieke ruimtelijke orde volgens modernistische principes die als doel had "to create small egalitarian communities while accommodating a large and diverse population; to spread throughout the country while converging and closing-in; and to reconnect to the land via a top-down planning system that treats the surface as a clean slate." Honderd jaar modernistische stedenbouw en ruimtelijke planning hebben in Israel de Urburb opgeleverd, dat is iets tussen stad en land in, en dat uitgesmeerd over het kleine land, alsof het een lege zandvlakte is, van bovenaf gepland, compleet maakbaar. Het is net VINEX. De gelijkenissen met de Nederlandse ruimtelijke orde, begreep ik ineens, zijn treffend.

Tagged with:
 

Welvaartsverliezen

On 23 juni 2014, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Economic Survey: Netherlands (2010):

 

Een beetje laat misschien. Toch nuttig om te lezen: de analyse van de Nederlandse economie volgens de OECD in 2010. Ik las het hoofdstuk over de woningmarkt. Die is naar de maatstaven van de OECD te gereguleerd, allesbehalve flexibel. Dat komt doordat de overheid zich er teveel in mengt. Met 35 procent van alle woningen heeft Nederland veruit de grootste voorraad sociale huurwoningen; tegelijk zijn de wachtlijsten voor deze woningen in Nederland, Amsterdam voorop, het langst. Het totaal van woningen afgemeten aan de totale bevolking is in ons land vrij normaal, maar de toedeling van die voorraad aan inkomenscategorieën en de werkelijke vraag blijkt juist beroerd. Om kort te gaan, de Nederlandse woningmarkt is sterk aanbodgestuurd, door de overheid bepaald. Daarbij komt dat de al even overheidsgestuurde ruimtelijke ordening dit allemaal nog erger maakt: die is restrictief en reageert niet op de vraag. Ze maakt de woningbouw bovendien duurder: naar schatting wordt een derde van de woningprijs in Nederland door ruimtelijke ordening bepaald.

Ruimtelijk betekent dit dat mensen op de verkeerde plekken wonen, ver van hun werk, in de woning die zich eigenlijk liever niet willen. Sommige steden, zoals Amsterdam en Utrecht, kunnen bovendien niet voldoende groeien omdat de overheid met ruimtelijke maatregelen dit verhindert. De OECD schat dat Nederland hierdoor aanzienlijke welvaartsverliezen lijdt. Hoeveel precies kan ze niet zeggen: "It is difficult to estimate welfare losses because of the fact that physical planning regulations also prevent the reaping of agglomeration benefits from further growth of cities and indirectly depress labour supply." In de Randstad, constateert ze, zijn de agglomeratievoordelen het grootst en is de banengroei het sterkst, maar de vereiste woningen ontbreken daar. Daardoor worden weer agglomeratievoordelen gemist. Enzovoort. Extra woningen bouwen in de Randstad is dus dringend is nodig, terwijl elders in het land minder zou moeten worden gebouwd, maar dit moet wel vergezeld gaan van grotere lokale belastinginkomsten, want voorzieningen mogen in de Randstad niet achterblijven. De woningprijzen zouden flink kunnen dalen. We zijn inmiddels vier jaar verder. Iemand een idee hoe het ermee staat?

Tagged with:
 

Zelfhaat

On 10 juni 2014, in benchmarks, cultuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Abram de Swaan:

Illustratief waren de reacties van de meeste Nederlanders op het artikel van Simon Kuper in FT van vorige week. "Amsterdam gezakt op de lijstjes van wereldsteden naar de subtop? In die wereldtop heeft ze toch nooit gestaan?" Ook de verzuchting in Het Parool: "Amsterdam doet op geen enkel vlak meer mee" was tekenend. Dat Amsterdam en Nederland in het algemeen in de wereld niet zouden meetellen – we zijn immers zo klein – is een hardnekkig geloof van Nederlanders zelf, niet van het buitenland. Abram de Swaan, PC Hooftprijswinnaar en emeritus-hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef het al: "Het koddige beeld dat Nederland zo gretig van zichzelf biedt aan het buitenland is onwaarachtig." Nederland telt wel degelijk mee en Amsterdam is een belangrijke stad in de wereld. Haar metropolitaanse betekenis komt vooral tot uitdrukking in de culturele betekenis die Amsterdam wereldwijd heeft. "In een internationaal onderzoek naar de reputatie van Amsterdam bij ondernemers wordt de stad in één adem met Parijs en Londen gerekend tot de aantrekkelijkste steden in Europa als het gaat om ontspanning en cultuur." De Swaan noemt Amsterdam daarom ‘de culturele binnenstad van de metropool Groot-Holland’ met een uitstraling tot diep in het West-Europese achterland.

Maar de meeste mensen ervaren het anders. En ook dat het van de Nederlanders allemaal niet zo metropolitaans hoeft, is begrijpelijk: we zijn een klein land. De ‘politieke onvindbaarheid’ van de metropool werkt ook al niet bevorderlijk. De Swaan concludeert: "Er is dus een metropool, Groot-Holland, met een stedelijk potentieel dat door slechts drie, vier andere wereldsteden geëvenaard wordt, en met een werkingssfeer die zich tot ver in West-Europa uitstrekt, maar zonder bestuurlijke eenheid en zonder enige naam of faam." De onderschatting van de schaal door de inwoners en haar bestuurders maakt Nederland volgens hem tot een kleingeestig, kleinsteeds en provinciaals land. De Swaan: "De weerstand die Amsterdam als cultuurcentrum oproept, het wantrouwen en de gierigheid, is ingegeven door simpele cultuurhaat en ook door een afschuw van het metropolitane leven in het algemeen, waarvan Amsterdam in Nederland immers de meest zichtbare manifestatie is." En die zelfhaat proefden we afgelopen week dus opnieuw.

Tagged with: