Welvaartsverliezen

On 23 juni 2014, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Economic Survey: Netherlands (2010):

 

Een beetje laat misschien. Toch nuttig om te lezen: de analyse van de Nederlandse economie volgens de OECD in 2010. Ik las het hoofdstuk over de woningmarkt. Die is naar de maatstaven van de OECD te gereguleerd, allesbehalve flexibel. Dat komt doordat de overheid zich er teveel in mengt. Met 35 procent van alle woningen heeft Nederland veruit de grootste voorraad sociale huurwoningen; tegelijk zijn de wachtlijsten voor deze woningen in Nederland, Amsterdam voorop, het langst. Het totaal van woningen afgemeten aan de totale bevolking is in ons land vrij normaal, maar de toedeling van die voorraad aan inkomenscategorieën en de werkelijke vraag blijkt juist beroerd. Om kort te gaan, de Nederlandse woningmarkt is sterk aanbodgestuurd, door de overheid bepaald. Daarbij komt dat de al even overheidsgestuurde ruimtelijke ordening dit allemaal nog erger maakt: die is restrictief en reageert niet op de vraag. Ze maakt de woningbouw bovendien duurder: naar schatting wordt een derde van de woningprijs in Nederland door ruimtelijke ordening bepaald.

Ruimtelijk betekent dit dat mensen op de verkeerde plekken wonen, ver van hun werk, in de woning die zich eigenlijk liever niet willen. Sommige steden, zoals Amsterdam en Utrecht, kunnen bovendien niet voldoende groeien omdat de overheid met ruimtelijke maatregelen dit verhindert. De OECD schat dat Nederland hierdoor aanzienlijke welvaartsverliezen lijdt. Hoeveel precies kan ze niet zeggen: "It is difficult to estimate welfare losses because of the fact that physical planning regulations also prevent the reaping of agglomeration benefits from further growth of cities and indirectly depress labour supply." In de Randstad, constateert ze, zijn de agglomeratievoordelen het grootst en is de banengroei het sterkst, maar de vereiste woningen ontbreken daar. Daardoor worden weer agglomeratievoordelen gemist. Enzovoort. Extra woningen bouwen in de Randstad is dus dringend is nodig, terwijl elders in het land minder zou moeten worden gebouwd, maar dit moet wel vergezeld gaan van grotere lokale belastinginkomsten, want voorzieningen mogen in de Randstad niet achterblijven. De woningprijzen zouden flink kunnen dalen. We zijn inmiddels vier jaar verder. Iemand een idee hoe het ermee staat?

Tagged with:
 

Zelfhaat

On 10 juni 2014, in benchmarks, cultuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Abram de Swaan:

Illustratief waren de reacties van de meeste Nederlanders op het artikel van Simon Kuper in FT van vorige week. "Amsterdam gezakt op de lijstjes van wereldsteden naar de subtop? In die wereldtop heeft ze toch nooit gestaan?" Ook de verzuchting in Het Parool: "Amsterdam doet op geen enkel vlak meer mee" was tekenend. Dat Amsterdam en Nederland in het algemeen in de wereld niet zouden meetellen – we zijn immers zo klein – is een hardnekkig geloof van Nederlanders zelf, niet van het buitenland. Abram de Swaan, PC Hooftprijswinnaar en emeritus-hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef het al: "Het koddige beeld dat Nederland zo gretig van zichzelf biedt aan het buitenland is onwaarachtig." Nederland telt wel degelijk mee en Amsterdam is een belangrijke stad in de wereld. Haar metropolitaanse betekenis komt vooral tot uitdrukking in de culturele betekenis die Amsterdam wereldwijd heeft. "In een internationaal onderzoek naar de reputatie van Amsterdam bij ondernemers wordt de stad in één adem met Parijs en Londen gerekend tot de aantrekkelijkste steden in Europa als het gaat om ontspanning en cultuur." De Swaan noemt Amsterdam daarom ‘de culturele binnenstad van de metropool Groot-Holland’ met een uitstraling tot diep in het West-Europese achterland.

Maar de meeste mensen ervaren het anders. En ook dat het van de Nederlanders allemaal niet zo metropolitaans hoeft, is begrijpelijk: we zijn een klein land. De ‘politieke onvindbaarheid’ van de metropool werkt ook al niet bevorderlijk. De Swaan concludeert: "Er is dus een metropool, Groot-Holland, met een stedelijk potentieel dat door slechts drie, vier andere wereldsteden geëvenaard wordt, en met een werkingssfeer die zich tot ver in West-Europa uitstrekt, maar zonder bestuurlijke eenheid en zonder enige naam of faam." De onderschatting van de schaal door de inwoners en haar bestuurders maakt Nederland volgens hem tot een kleingeestig, kleinsteeds en provinciaals land. De Swaan: "De weerstand die Amsterdam als cultuurcentrum oproept, het wantrouwen en de gierigheid, is ingegeven door simpele cultuurhaat en ook door een afschuw van het metropolitane leven in het algemeen, waarvan Amsterdam in Nederland immers de meest zichtbare manifestatie is." En die zelfhaat proefden we afgelopen week dus opnieuw.

Tagged with:
 

Gebalanceerde groei

On 5 mei 2014, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Cities of Russia’ (1997) van Dmitri Pitersky:

Iedereen heeft het over Detroit. Maar wat te denken van al die krimpende Russische steden? Officieel voerde de Sovjet Unie een ruimtelijke politiek van afremmen van grootstedelijke groei onder gelijktijdige stimulering van groei van kleine en middelgrote steden. De autoriteiten zongen een lofzang op de middelgrote stad. In die politiek is ze maar ten dele geslaagd of eigenlijk helemaal niet. Zoals Sidan Southall schreef in ‘The City in Time and Space’ (1998): “Control of urban growth was a key priority, but Moscow proved uncontrollable.” Terwijl het officiële doel was de groei van met name Moskou tegen te gaan, nam de bevolking van de hoofdstad van de USSR tussen 1959 en 1989 met liefst drie miljoen zielen toe. Moskou telde bijna 9 miljoen inwoners op het moment dat  de Sovjet Unie in elkaar stortte. Inmiddels is haar omvang met nog eens drie miljoen inwoners gegroeid. Moskou groeit nu ten koste van de rest van het land. De omslag vond plaats ergens in de jaren ‘90. Veel Russische migranten uit de voormalige Sovjet republieken vluchtten na 1989 naar de hoofdstad van de pas gevormde Federatie. Tussen 1989 en 1994 ging het om 5,5 miljoen migranten in totaal. Maar ook daarna bleven de mensen naar die ene metropool komen. Volgens sommige schattingen telt Groot-Moskou op dit moment daarom niet 12, maar 15 miljoen inwoners.

In Geojournal schreef Dmitri Pitersky indertijd een lezenswaardig artikel over de stedenpolitiek van de Sovjet Unie en wat ervan terecht is gekomen. De meeste kunstmatig opgekweekte steden van de Sovjets hebben het niet gered, zo laat hij zien. Hun economie was centraal gestuurd; 45 procent van hun economieën bleek militair-industrieel, dus door eenzijdige overheidsinvesteringen geschraagd (foto: Baikonur in Kazachstan). Achteraf blijkt dat de stedelijke bevolking van de Sovjet Unie al die tijd ook niet groeide, ondanks alle ruimtelijke stimuleringsbeleid, en zelfs met 1,5 miljoen afnam na de val van de muur. Zonder de immigratie was die afname nog veel groter geweest. Overal in de wereld ziet men ditzelfde patroon: twintigste eeuwse ruimtelijke politiek om gebalanceerde stedelijke groei te ontwikkelen heeft domweg niet gewerkt. Conclusie: een land kan proberen kunstmatig (nieuwe) steden te laten groeien, maar het zal daarin uiteindelijk jammerlijk falen. De beste ruimtelijke politiek is een organische, een niet (door een centrale overheid) gestuurde. En als een grote stad eenmaal organisch groeit, dan moet men haar niet willen afremmen of haar in haar groei beletten. Metropoolvorming is een teken van succes.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘Hochparterre’ van mei 2014:

Het themanummer van het Zwitserse architectuurtijdschrift Hochparterre is geheel gewijd aan de ruimtelijke planning van de stadsregio’s Zürich en Amsterdam. In ‘Stadtregionen planen’ worden beide planningsbenaderingen – de Zwitserse en de Amsterdamse – nauwkeurig met elkaar vergeleken. Een artikel is opgenomen van de hand van Kees Christiaanse, hoogleraar Architectuur en stedenbouw aan de ETH in Zürich. In het stuk betoogt Christiaanse dat de ruimtelijke inrichting van Nederland in de jaren negentig in toenemende mate aan de markt werd overgelaten, waarbij gemeenten hevig met elkaar concurreerden om grond en ontwikkeling en burgers en marktpartijen goedkoop geld konden lenen om te bouwen. Om aan de wildgroei paal en perk te stellen introduceerde het Paarse kabinet eind jaren negentig rode en groene contouren, door Christiaanse verduidelijkt met een kaartbeeld uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Binnen de rode mocht worden gebouwd, daarbuiten niet; binnen de groene waren natuur en landschap beschermd, daarbuiten was dit veel minder het geval. Toen het kabinet viel werd geen gevolg gegeven aan de contourensystematiek. "Stattdessen setzte man die nachfolgende und zahnlose ‘Nota Ruimte’ in Kraft."

Christiaanse lijkt de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland na het stuklopen van de contourensystematiek en geringe sturingsbereidheid van de Nederlandse regering te betreuren. In grensgebieden als Capelle bij de Van Brienenoordbrug ziet hij chaos ontstaan. Het uiteenvallen van de Randstad, het mislukken van bestuurlijk geoutilleerde stadsregio’s, de vrijblijvendheid van de structuurvisies, de leegheid van de nationale ruimtelijke politiek, alles wijst volgens hem op een gebrek aan planning en een teloorgang van een grote traditie. Weliswaar lijkt nieuwe Amsterdamse structuurvisie 2040 ook een contourensystematiek te hanteren, maar Christiaanse betwijfelt of de grenzen tussen stad en land zullen worden gerespecteerd. De structuurvisie is bindend voor de overheid die hem opstelde, maar voor de buurgemeenten weer niet. "Vielleicht gelingt es." Daartegenover stelt hij de Zwitserse planning waarbij het Richtplan van de kantons de Zwitserse ruimte krachtig ordent: afwijken is daar niet mogelijk. Het Richtplan is voor alle inliggende gemeenten bindend. Zijn voorkeur is duidelijk. Zwitserland loopt voorop, Nederland loopt achter.

Kapitalistische metropolen

On 21 februari 2014, in boeken, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Communist Manifesto’ (1848) van Karl Marx en Friedrich Engels:

Verwierp Karl Marx de grote stad? In zijn theorie was de stad in ieder geval de fysieke neerslag van het kapitalisme. In Het Communistisch Manifest (1848) luidt het: “The bourgeosie has subjected the country to the rule of the towns. It has created enormous cities, has greatly increased the urban population as compared with the rural, and has thus rescued a considerable part of the population from the idiocy of rural life.” Uit die overigens adequate analyse spreekt weliswaar nog geen verwerping van de grootstad, wel een toerekening van de verstedelijking aan de klasse van de bourgeosie. Marx: “It (de bourgeosie) has agglomerated population, centralized means of production, and has concentrated property in a few hands.” In zijn heilstaat – de dictatuur van het proletariaat – bestaan dan ook geen grote steden meer. Althans, het tienpuntenplan uit het Communistisch Manifest bevat onder andere dit devies: “Combination of agriculture with manufacturing industries; gradual abolition of the distinction between town and country, by a more equable distribution of the population over the country.”

Die opvatting waren vele utopisten destijds toegedaan. In hun ogen waren steden als Londen, Berlijn en Parijs gewoon veel te groot; de mensen moesten daarom worden gespreid, terug naar het platteland. De Britse stenograaf Ebenezer Howard zou er vijftig jaar later een praktische invulling aan geven met zijn eenvoudige tuinsteden-diagram. Dat diagram werd later in praktijk gebracht, ook in de Nederlandse ruimtelijke ordening in de twintigste eeuw. De grote steden in het Westen des Lands werden ontmanteld; mensen moesten naar groeikernen en industrialisatiesteden overlopen in een poging de ‘onvermijdelijke suburbanisatie’ in goede banen te leiden. Het gevolg is dat Nederland anno 2014 verrassend dicht in de buurt komt van de communistische heilstaat van Marx en Engels. Jammer dat Marx vergat hoeveel hij te danken had aan die verwerpelijke kapitalistische metropolen. Zonder de bibliotheek van het British Museum bijvoorbeeld had hij nooit zijn Communistisch Manifest kunnen schrijven.

Tagged with:
 

Historische vergissing

On 3 oktober 2013, in geschiedenis, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New Towns. The Answer To Megalopolis’ (1969) van Frederic Osborn:

Kreeg afgelopen week een exemplaar van ‘The New Towns’ van Frederic Osborn in handen. In het vuistdikke boek worden alle nieuwe steden van Groot Brittannië uitvoerig beschreven. Osborn was de general manager van de eerste nieuwe stad in Groot-Brittannië: Welwyn Garden City. Het boek opent met een inleiding van de Amerikaanse architectuurcriticus Lewis Mumford. Die schrijft dat ongecontroleerde groei van steden ronduit onbeschaafd is. Ebenezer Howard daarentegen vond hij dapper. Deze Britse stenograaf had eind negentiende eeuw een nieuwe vorm voor grote steden gevonden: de regionale of sociale stad, bestaande uit allemaal kernen van beperkte omvang die werden bijeengehouden door een regionaal vervoerssysteem. Zo’n regionaal systeem was beter dan één grote stad, schreef hij, want veel beschaafder. “The translation of these principles into the realities of the new towns movement is one of the most encouraging manifestations of our age.” Nieuwe steden waren in de ogen van Mumford niet minder dan de overwinning van de ratio, het menselijke, het gedisciplineerde en het vermetele: “a proof that sound ideas are not condemned by massive human folly or institutional inertia to remain inoperative.” 

Zijn gelijk haalde Mumford bij de oude Grieken. Aristoteles zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden, groot genoeg om alle functies te vervullen, maar niet te groot om functies te verstikken. Ook Leonardo da Vinci zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden; het organisch gegroeide Milaan had volgens deze kunstenaar in tien nieuwe steden van, opnieuw, elk 30.000 inwoners moeten worden opgedeeld. Van Howard mocht een stad niet groter zijn dan, wederom, 30.000 inwoners. Met die boude historische vergelijkingen stelde Mumford Ebenezer Howard op één lijn met Aristoteles en Leonardo da Vinci. Kom er maar eens om. “The creation of this new kind of metropolitan area, based on a union of greenbelt towns, and the establishment of a system of local government, federal in structure but thoroughly integrated, is perhaps one of the principal tasks opened up by the very success of the new towns movement to date.” Wat een propaganda, wat een idiote vergelijking, wat een historische vergissing. Ook Nederlandse planologen zouden Mumford maar al te graag volgen. Ze verzonnen een Groen Hart met een krans van groeikernen rond de grote steden. Na het lezen van dit boek begrijp ik pas goed waarom.

Golfslag

On 5 maart 2013, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen S&RO nr. 6 van 2011:

Afgelopen week werd bekend dat het kabinet 6 miljard euro bezuinigt op infrastructuur. Voor 670 miljoen euro zijn er projecten geschrapt, de rest van de werken wordt uitgesteld. De projecten vormen onderdeel van een Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In die structuurvisie, die in 2011 het licht zag, valt te lezen hoe de Nederlandse regering haar ruimtelijke inrichting wil vormgeven de komende jaren. De infrastructuur maakt daar onderdeel van uit. Welke consequenties hebben de bezuinigingen op de inrichting van ons land? Ik heb er in de kranten erop nageslagen, maar niets kunnen vinden. Daarom de structuurvisie zelf nog maar eens doorgebladerd. Zo kwam ik het artikel van Hans van der Cammen weer tegen, verschenen in Stedebouw & Ruimtelijke Ordening in de zomer van 2011, waarin deze emeritus-hoogleraar ruimtelijke planning aan de Universiteit van Amsterdam de structuurvisie afzet tegen de eerdere rijksnota’s over de ruimtelijke ordening. “Hoe presteert de nieuwe structuurvisie in dit gezelschap?”

Van der Cammen is wijs genoeg om elke rijksnota op zijn eigen merites te beoordelen. Elk heeft zijn eigen voorgeschiedenis, context en kleur. Hij spreekt ook van een ‘golfslag’ in het nationale ruimtelijke beleid sinds 1945: “Maatschappelijke urgenties varieerden, evenals de juridificatie van de maatregelen, hun afdwingbaarheid en succes.” Ten aanzien van de SVIR spreekt hij van een grote opruimactie – een ‘opgeschoonde canon van dertien rijksbelangen’. Veel uitspraken, stelt hij vast, over mobiliteitsnetwerken, goederenstromen, multimodale knooppunten, draaischijven en ga zo maar door. Maar helemaal niets over de steden. De steden waren sinds de Tweede Nota (1966) juist een hoeksteen van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Vreemd vindt hij het ook om een andere reden. “Niet eerder in de hier besproken vijftig jaar waren stedelijke gebieden zó bepalend voor de toekomst van het land als nu. Daar concentreren zich de grote kansen en bedreigingen. Daar zitten de innovatiebolwerken van onze economie, de feeders van het verkeer, de labs van de sociale integratie. Niet eerder waren de steden zozeer culturele brandpunten en consumptieparadijzen als nu. Niet eerder wilden zoveel mensen (weer) in de stad wonen en werken.”  Van der Cammen spreekt van het ‘kannibaliseren van de nationale ruimtelijke ordening’. Twee jaar later, met de bezuinigingen van het kabinet die ook de steden treffen, wordt het dus nog erger. Ondertussen stelt president Obama in Washington een Ministerie voor Steden in. Wie een economie wil redden, investeert nu in de stad, maar onze regering doet het niet. Golfslag? Nee, het is eb.

Tagged with:
 

‘Ill Fares The Planning’

On 11 januari 2013, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Ill Fares The Land’ (2010) van Tony Judt:

Op de valreep van 2012 eindelijk ‘Ill Fares The Land’ van de Britse historicus Tony Judt gelezen. Indrukwekkend betoog over de teloorgang van de sociaal-democratie en de gevaren die schuilen in de manier waarop wij tegenwoordig leven. Gelukkig beseft Judt ook wel dat hij het verleden niet moet verheerlijken. Uitgerekend in dat verband noemt hij de naoorlogse planning en stedenbouw, die hij klaarblijkelijk verafschuwt. “The social democratic consensus and the welfare institutions of the postwar decades coincided with one of the worst town planning and public housing of modern times.” Bij zijn terugblik stelt hij de diagnose van een grote onverschilligheid voor het lot van gewone mensen. Erger, de autoriteiten meenden het allemaal beter te weten. “The idea that those in authority know best – that they are engaged in social engineering on behalf of people who do not understand what is good for them – was not born in 1945, but it flourished in the decades that followed.” Eind jaren zestig komen de mensen hier tegen in opstand, maar de haat en wrok zouden daarna alleen maar groeien. De afhankelijkheid van mensen van de autoriteiten bleef namelijk en de regelgeving die alles ‘in goede banen’ moest leiden werd steeds meer gezien als onderdeel van die paternalistische betweterigheid en onverschilligheid. Overheidsplanning moest het uiteindelijk ontgelden.

Het is een korte passage in het lange betoog dat weinig hoopvol stemt en ook geen perspectief biedt voor planners. Wat zag Judt, die eind 2010 overleed, als uitweg? “Incremental improvements upon unsatisfactory circumstances are the best that we can hope for, and probably all we should seek.” Dat is ronduit weinig ambitieus. En verder sprak hij de hoop uit dat de samenleving in zijn egoïstische woede niet alles afbreekt wat na de oorlog door eerdere generaties is opgebouwd. Echter, de naoorlogse wijken en nieuwe steden mogen wat hem betreft gerust tegen de vlakte. Ruim ze maar op of nee, ze storten vanzelf wel in.

Tagged with:
 

Kwaliteit loont

On 6 december 2012, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 17 september 2012:

Twee berichten over de gevolgen van de crisis. Het eerste betreft het wonen en is het al wat oudere nieuws uit de Atlas van Gemeenten van afgelopen zomer, namelijk dat vooral de jongere steden in Nederland te lijden hebben onder de economische crisis. Brabantse steden als Oss, Roosendaal en Eindhoven doen het op woongebied slecht, de vastgoedprijzen dalen er. Alleen het historische Den Bosch is in het zuiden nog op orde. Ook Almere, Emmen, Spijkenisse, Vlaardingen, Almere, Helmond, Heerlen, Almelo en Enschede worden allerminst aantrekkelijk gevonden. En in het westen van het land raakt de crisis vooral Rotterdam en omstreken. Ook daar betreft het jonge, dikwijls haastig neergezette bebouwing: “De achterstand van het zuidelijke deel van de Randstad op het noordelijke deel neemt verder toe.” De oude steden doen het beter. Amsterdam blijkt op woongebied het aantrekkelijkst. Het andere bericht is afkomstig uit Het Parool. Dat gaat over kantoren. Nederland, aldus het bericht, telt in totaal 232 kantorengebieden in de vijftig grootste gemeenten; volgens Jones Lang Lasalle is dat veel te veel. De meeste deugen niet, er is gebrek aan kwaliteit. “Wij zien dat kantoorgebieden met de meeste leefbaarheid het beste scoren.” Bijna alle gebieden zijn echter middelmatig. De beste kantorenlocaties liggen, opnieuw, in Amsterdam: Zuidas, het centrum en Oost, en de historische centra van Den Haag en Rotterdam.

Als de crisis in ons land één ding duidelijk maakt, dan is dat gebrek aan kwaliteit op de meeste plekken. Die locaties vallen nu door de mand. Vooral de nieuwste bebouwing lijdt aan middelmatigheid. En van alles is er te veel. Dat duidt op gebrekkige ruimtelijke planning. Nationaal is er de laatste decennia allesbehalve zorgvuldig en gedoseerd gebouwd. Het land blijkt overvoerd met middelmatigheid. Behalve in Amsterdam en in de historische centra van Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam is juist gebrek aan alles. Ik leid het af uit de twee rapportages. We naderen het einde van het jaar. Ik zou zeggen: laten we het erover hebben.

Tagged with:
 

Roel de Wit, 1927-2012

On 6 juni 2012, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in’Amsterdam op de helling’ (2010) van Herman de Liagre Böhl:

Afgelopen zondag overleed in zijn woonplaats Haarlem oud-wethouder van Amsterdam en oud-Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, Roel de Wit. De Wit werd 85 jaar oud. Een paar weken geleden belde hij me nog om te vertellen dat hij de kwaliteit van het tijdschrift PlanAmsterdam zeer waardeerde. De Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, voegde hij eraan toe, was weer op hetzelfde niveau als de Afdeling Stadsontwikkeling van destijds, toen deze nog onder zijn politieke leiding opereerde. Voor De Wit betekende dat: zeer hoogstaand, in de voorhoede van de discipline. Roel de Wit’s maatstaven waren streng. Als bestuurder had hij het paradigma van de modernistische planning geheel verinnerlijkt. Zo verdedigde hij het overloopbeleid uit de jaren zeventig met verve en bleef dit doen toen iedereen er al afstand van had genomen. Voor hem bestond er werkelijk een Randstad en een Groene Hart. Als sociaal-democraat en latere voorzitter van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening streed hij voor alles wat de naoorlogse planologie in Nederland aan schoons bedacht had. “Wat zou er zijn gebeurd zonder gericht overloopbeleid? Amsterdam zou zijn uitgegroeid tot een mammoetstad van 1 tot 1,5 miljoen inwoners,” zei hij in een interview in 2007. Voor natuurbeschermer De Wit was een metropolitaan toekomstbeeld altijd afschrikwekkend geweest. Nee, het was erger. “Uiteindelijk was het deel van Noord-Holland rond Amsterdam een grote autostad geworden, zoiets als Los Angeles.”

Als bestuurder is De Wit in hoge mate verantwoordelijk geweest voor het naoorlogse spreidingsbeleid. Onder zijn leiding verscheen ook de eerste stadsvernieuwingsnota, in 1969. De Kinkerbuurt zou geheel worden gesloopt. Ook de Nieuwmarktbuurt kwam volgens de wethouder voor afbraak in aanmerking. Pas op het laatst zwichtte De Wit voor de opposanten onder leiding van Geurt Brinkgreve. “Na veel heen en weer gepraat ging de wethouder door de knieën. Hij liet weliswaar de bestaande sloopopdrachten afwerken, maar beval het stopzetten van nieuwe opdrachten.” Huis De Pinto bleef daardoor op het nippertje gespaard. Door De Wit’s toedoen verlieten tussen 1975 en 1986 circa 197.000 Amsterdammers de stad. Echte keus hadden ze niet, want alleen in de groeikernen werd voor hen nog gebouwd. Het leidde uiteindelijk tot een stad in verval. Pijnlijk voor De Wit was bovendien dat achteraf bleek dat als Amsterdam wèl als mammoetstad gebouwd was, dit tot veel minder autoverkeer zou hebben geleid. Het meeste autoverkeer komt tegenwoordig namelijk uit Alkmaar, Hoorn, Lelystad, Hoofddorp en Almere. Los Angeles werd mede door zijn toedoen realiteit.

Tagged with: