Gelezen S&RO nr. 6 van 2011:
Afgelopen week werd bekend dat het kabinet 6 miljard euro bezuinigt op infrastructuur. Voor 670 miljoen euro zijn er projecten geschrapt, de rest van de werken wordt uitgesteld. De projecten vormen onderdeel van een Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In die structuurvisie, die in 2011 het licht zag, valt te lezen hoe de Nederlandse regering haar ruimtelijke inrichting wil vormgeven de komende jaren. De infrastructuur maakt daar onderdeel van uit. Welke consequenties hebben de bezuinigingen op de inrichting van ons land? Ik heb er in de kranten erop nageslagen, maar niets kunnen vinden. Daarom de structuurvisie zelf nog maar eens doorgebladerd. Zo kwam ik het artikel van Hans van der Cammen weer tegen, verschenen in Stedebouw & Ruimtelijke Ordening in de zomer van 2011, waarin deze emeritus-hoogleraar ruimtelijke planning aan de Universiteit van Amsterdam de structuurvisie afzet tegen de eerdere rijksnota’s over de ruimtelijke ordening. “Hoe presteert de nieuwe structuurvisie in dit gezelschap?”
Van der Cammen is wijs genoeg om elke rijksnota op zijn eigen merites te beoordelen. Elk heeft zijn eigen voorgeschiedenis, context en kleur. Hij spreekt ook van een ‘golfslag’ in het nationale ruimtelijke beleid sinds 1945: “Maatschappelijke urgenties varieerden, evenals de juridificatie van de maatregelen, hun afdwingbaarheid en succes.” Ten aanzien van de SVIR spreekt hij van een grote opruimactie – een ‘opgeschoonde canon van dertien rijksbelangen’. Veel uitspraken, stelt hij vast, over mobiliteitsnetwerken, goederenstromen, multimodale knooppunten, draaischijven en ga zo maar door. Maar helemaal niets over de steden. De steden waren sinds de Tweede Nota (1966) juist een hoeksteen van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Vreemd vindt hij het ook om een andere reden. “Niet eerder in de hier besproken vijftig jaar waren stedelijke gebieden zó bepalend voor de toekomst van het land als nu. Daar concentreren zich de grote kansen en bedreigingen. Daar zitten de innovatiebolwerken van onze economie, de feeders van het verkeer, de labs van de sociale integratie. Niet eerder waren de steden zozeer culturele brandpunten en consumptieparadijzen als nu. Niet eerder wilden zoveel mensen (weer) in de stad wonen en werken.” Van der Cammen spreekt van het ‘kannibaliseren van de nationale ruimtelijke ordening’. Twee jaar later, met de bezuinigingen van het kabinet die ook de steden treffen, wordt het dus nog erger. Ondertussen stelt president Obama in Washington een Ministerie voor Steden in. Wie een economie wil redden, investeert nu in de stad, maar onze regering doet het niet. Golfslag? Nee, het is eb.
Gelezen in ‘Ill Fares The Land’ (2010) van Tony Judt:

Op de valreep van 2012 eindelijk ‘Ill Fares The Land’ van de Britse historicus Tony Judt gelezen. Indrukwekkend betoog over de teloorgang van de sociaal-democratie en de gevaren die schuilen in de manier waarop wij tegenwoordig leven. Gelukkig beseft Judt ook wel dat hij het verleden niet moet verheerlijken. Uitgerekend in dat verband noemt hij de naoorlogse planning en stedenbouw, die hij klaarblijkelijk verafschuwt. “The social democratic consensus and the welfare institutions of the postwar decades coincided with one of the worst town planning and public housing of modern times.” Bij zijn terugblik stelt hij de diagnose van een grote onverschilligheid voor het lot van gewone mensen. Erger, de autoriteiten meenden het allemaal beter te weten. “The idea that those in authority know best – that they are engaged in social engineering on behalf of people who do not understand what is good for them – was not born in 1945, but it flourished in the decades that followed.” Eind jaren zestig komen de mensen hier tegen in opstand, maar de haat en wrok zouden daarna alleen maar groeien. De afhankelijkheid van mensen van de autoriteiten bleef namelijk en de regelgeving die alles ‘in goede banen’ moest leiden werd steeds meer gezien als onderdeel van die paternalistische betweterigheid en onverschilligheid. Overheidsplanning moest het uiteindelijk ontgelden.
Het is een korte passage in het lange betoog dat weinig hoopvol stemt en ook geen perspectief biedt voor planners. Wat zag Judt, die eind 2010 overleed, als uitweg? “Incremental improvements upon unsatisfactory circumstances are the best that we can hope for, and probably all we should seek.” Dat is ronduit weinig ambitieus. En verder sprak hij de hoop uit dat de samenleving in zijn egoïstische woede niet alles afbreekt wat na de oorlog door eerdere generaties is opgebouwd. Echter, de naoorlogse wijken en nieuwe steden mogen wat hem betreft gerust tegen de vlakte. Ruim ze maar op of nee, ze storten vanzelf wel in.
Gelezen in Het Parool van 17 september 2012:

Twee berichten over de gevolgen van de crisis. Het eerste betreft het wonen en is het al wat oudere nieuws uit de Atlas van Gemeenten van afgelopen zomer, namelijk dat vooral de jongere steden in Nederland te lijden hebben onder de economische crisis. Brabantse steden als Oss, Roosendaal en Eindhoven doen het op woongebied slecht, de vastgoedprijzen dalen er. Alleen het historische Den Bosch is in het zuiden nog op orde. Ook Almere, Emmen, Spijkenisse, Vlaardingen, Almere, Helmond, Heerlen, Almelo en Enschede worden allerminst aantrekkelijk gevonden. En in het westen van het land raakt de crisis vooral Rotterdam en omstreken. Ook daar betreft het jonge, dikwijls haastig neergezette bebouwing: “De achterstand van het zuidelijke deel van de Randstad op het noordelijke deel neemt verder toe.” De oude steden doen het beter. Amsterdam blijkt op woongebied het aantrekkelijkst. Het andere bericht is afkomstig uit Het Parool. Dat gaat over kantoren. Nederland, aldus het bericht, telt in totaal 232 kantorengebieden in de vijftig grootste gemeenten; volgens Jones Lang Lasalle is dat veel te veel. De meeste deugen niet, er is gebrek aan kwaliteit. “Wij zien dat kantoorgebieden met de meeste leefbaarheid het beste scoren.” Bijna alle gebieden zijn echter middelmatig. De beste kantorenlocaties liggen, opnieuw, in Amsterdam: Zuidas, het centrum en Oost, en de historische centra van Den Haag en Rotterdam.
Als de crisis in ons land één ding duidelijk maakt, dan is dat gebrek aan kwaliteit op de meeste plekken. Die locaties vallen nu door de mand. Vooral de nieuwste bebouwing lijdt aan middelmatigheid. En van alles is er te veel. Dat duidt op gebrekkige ruimtelijke planning. Nationaal is er de laatste decennia allesbehalve zorgvuldig en gedoseerd gebouwd. Het land blijkt overvoerd met middelmatigheid. Behalve in Amsterdam en in de historische centra van Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam is juist gebrek aan alles. Ik leid het af uit de twee rapportages. We naderen het einde van het jaar. Ik zou zeggen: laten we het erover hebben.
Gelezen in’Amsterdam op de helling’ (2010) van Herman de Liagre Böhl:

Afgelopen zondag overleed in zijn woonplaats Haarlem oud-wethouder van Amsterdam en oud-Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, Roel de Wit. De Wit werd 85 jaar oud. Een paar weken geleden belde hij me nog om te vertellen dat hij de kwaliteit van het tijdschrift PlanAmsterdam zeer waardeerde. De Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, voegde hij eraan toe, was weer op hetzelfde niveau als de Afdeling Stadsontwikkeling van destijds, toen deze nog onder zijn politieke leiding opereerde. Voor De Wit betekende dat: zeer hoogstaand, in de voorhoede van de discipline. Roel de Wit’s maatstaven waren streng. Als bestuurder had hij het paradigma van de modernistische planning geheel verinnerlijkt. Zo verdedigde hij het overloopbeleid uit de jaren zeventig met verve en bleef dit doen toen iedereen er al afstand van had genomen. Voor hem bestond er werkelijk een Randstad en een Groene Hart. Als sociaal-democraat en latere voorzitter van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening streed hij voor alles wat de naoorlogse planologie in Nederland aan schoons bedacht had. “Wat zou er zijn gebeurd zonder gericht overloopbeleid? Amsterdam zou zijn uitgegroeid tot een mammoetstad van 1 tot 1,5 miljoen inwoners,” zei hij in een interview in 2007. Voor natuurbeschermer De Wit was een metropolitaan toekomstbeeld altijd afschrikwekkend geweest. Nee, het was erger. “Uiteindelijk was het deel van Noord-Holland rond Amsterdam een grote autostad geworden, zoiets als Los Angeles.”
Als bestuurder is De Wit in hoge mate verantwoordelijk geweest voor het naoorlogse spreidingsbeleid. Onder zijn leiding verscheen ook de eerste stadsvernieuwingsnota, in 1969. De Kinkerbuurt zou geheel worden gesloopt. Ook de Nieuwmarktbuurt kwam volgens de wethouder voor afbraak in aanmerking. Pas op het laatst zwichtte De Wit voor de opposanten onder leiding van Geurt Brinkgreve. “Na veel heen en weer gepraat ging de wethouder door de knieën. Hij liet weliswaar de bestaande sloopopdrachten afwerken, maar beval het stopzetten van nieuwe opdrachten.” Huis De Pinto bleef daardoor op het nippertje gespaard. Door De Wit’s toedoen verlieten tussen 1975 en 1986 circa 197.000 Amsterdammers de stad. Echte keus hadden ze niet, want alleen in de groeikernen werd voor hen nog gebouwd. Het leidde uiteindelijk tot een stad in verval. Pijnlijk voor De Wit was bovendien dat achteraf bleek dat als Amsterdam wèl als mammoetstad gebouwd was, dit tot veel minder autoverkeer zou hebben geleid. Het meeste autoverkeer komt tegenwoordig namelijk uit Alkmaar, Hoorn, Lelystad, Hoofddorp en Almere. Los Angeles werd mede door zijn toedoen realiteit.
Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Wat moeten we hier van denken? In hoofdstuk 8 van ‘Triumph of the City’ stipt Harvard-econoom Ed Glaeser het onderwerp van duurzaamheid aan. In ‘Dirty Footprint’ wijst hij erop dat steden als Houston en Atlanta door hun uitgestrektheid en lage dichtheid benzine vreten en daardoor een enorme ecologische voetafdruk bezitten. Daarbij voegt hij elektriciteitsverbruik, koeling en verwarming, waarna hij komt te spreken over het klimaat. In het zuiden en midden van de USA zijn de zomers heet, aan de oostkust zijn de winters koud. In deze streken wordt bijgevolg veel energie verbruikt. “Coastal California is by far the greenest part of the country.” Dus waarom leven er niet meer Amerikanen in Californië?, vraagt hij zich af. Er is daar ruimte genoeg. Er zouden er nog miljoenen mensen kunnen wonen. Zelfs in het hart van Silicon Valley, langs route 280, ervaart de automobilist het landschap als “an open Eden”. Toch is de bevolkingsgroei er dramatisch teruggelopen na 1990. “Over the last seventeen years, Silicon Valley has been one of the most productive places on the planet, but its population growth has lagged behind the rest of the nation’s.” Ed Glaeser begrijpt het niet. Uit oogpunt van duurzaamheid zouden minder mensen in Houston en Dallas moeten wonen, en juist veel meer in Silicon Valley. Het klimaat is daar gunstiger, de inkomens zijn er hoger, en ook de prijzen van onroerend goed lachen je toe.
Het antwoord weet hij. Volgens hem worden in Silicon Valley te weinig huizen gebouwd. Dat komt doordat de milieubeweging woningbouw verhindert. In 2000 was al een kwart van het land in de Bay Area beschermd gebied. Hij wijst erop dat de milieuactivisten daar zeer trots op zijn, maar trekt hun triomf in twijfel. Wanneer milieubeschermers de bouw in bepaalde gebieden verhinderen, dan zal die bouw elders neerslaan. Vaak zijn die plekken ongunstiger gelegen. “While limits on California’s growth may make that state seem greener, they’re making the country as a whole browner and increasingly carbon emissions worldwide.” Ik moest onmiddellijk denken aan de grote steden in de Randstad. Vooral rond Amsterdam wordt veel grond tegen woningbouw beschermd. Nee, het is erger. Zelfs IJburg tweede fase lijkt niet van de grond te komen. Maar als Amsterdam zelfs IJburg II niet bouwt, dan zal de woningbouw elders neerslaan. Grote klimaatverschillen kennen we binnen Nederland niet. Maar de afstanden tussen woning en werk kunnen wel flink oplopen. Is er iemand in Nederland die hier op let?
Gehoord op 26 oktober 2011 in Wuhan, China:

Het recente nummer van S&RO – het vaktijdschrift Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening van het NIROV – staat geheel in het teken van de nieuwe Structuurvisie Mobiliteit en Ruimte van het rijk. De commentaren deden me sterk denken aan de Nederlandse avond tijdens het onlangs gehouden wereldcongres van planners in Wuhan, China. Op donderdagavond 26 oktober organiseerde de Nederlandse delegatie van de International Society Of City And Regional Planners (ISOCARP) een Dutch-Chinese Technical Evening. Ook ik was er te gast. Als gastheer trad op het Nederlandse Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het Haagse departement presenteerde er zijn – jawel – nieuwe Structuurvisie Mobiliteit en Ruimte aan circa honderd buitenlandse planners, waaronder vele Chinese vakgenoten. Aanvankelijk dacht ik dat het aanhoudende rumoer in de balzaal van het Marco Polo Hotel te maken had met de kwaliteit van het vertalen, maar dat bleek niet het geval. De Britten hielpen me uit de droom: ze vertelden me dat ze niet konden geloven dat de Nederlandse planners zoiets onbeduidends hadden afgeleverd. Een aansprekende visie op het land – een unieke prestatie van de Nederlanders uit het verleden – ontbrak ten enen male. Nederland was toch altijd een planologisch gidsland geweest? “This is worse than Thatcher.”
Vervolgens spraken de Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen die in China opereerden. Zij kregen van de gastheer volop de gelegenheid hun Chinese werk aan de aanwezigen te presenteren. Een voor een toonden ze hun ontwerpen, dikwijls inzendingen voor niet gewonnen wedstrijden. Wat leerden we hiervan over China? Niets. Was dit wel goede stedenbouw? Een vraagteken. En wat had dit te maken met het thema van het congres – ‘liveable cities’? Weinig. Het had er de schijn van dat hier pure handel met Chinese opdrachtgevers werd gedreven, er moest geld worden verdiend. In elk geval voelden de buitenlanders die aanwezig waren in de zaal zich geleidelijkaan overbodig, ze verkozen een voor een de wandelgangen boven de voorgeprogrammeerde zaal. Misschien heb ik het helemaal verkeerd, maar was dit nu een illustratie van de staat waarin de Nederlandse ruimtelijke ordening op dit moment verkeert? Handel drijven, geld verdienen, zonder visie, zonder maatschappelijk ideaal.
Gelezen in ‘Een vreemde eend’ (2002) van Herman Vuijsje:
Afgelopen weekeinde overleed alweer een grote naam uit de Nederlandse ruimtelijke ordening. Theo Quené was directeur-generaal van de ruimtelijke ordening in de roemruchte jaren zestig van de twintigste eeuw. Zijn naam wordt door kenners direct in verband gebracht met de legendarische Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland (1966). Die zou hij grotendeels zelf hebben geschreven. Ooit vertelde hij mij dat hij als jonge plaatsvervangend directeur-generaal direct na aantreden belast werd met het regelen van een nieuwe nota ruimtelijke ordening. Daartoe kon hij vrijelijk mensen aannemen en de organisatie aanpassen aan het ene doel. Herman Vuijsje schrijft in het gedenkboek bij de opheffing van de Rijksplanologische Dienst in 2002 hierover: “Hij (Quené, ZH) had de leiding over de hele operatie en schreef zelf grote delen van de nota. Dat was trouwens nodig ook, want de echte ‘scheppers’ ervan, Eo Wijers en Götz Nassuth, konden wel denken maar niet schrijven.” Quené: “Die kwamen bij me en dan lieten ze me kaarten zien en schetsen, en dan praatten ze. Maar opschrijven, en daarbij ook nog rekening houden met maatschappelijke punten, dat konden ze niet. Daar waren ze ongelukkig van. Ik heb heel lang geluisterd en dagen geschreven, en dan terug: is dit wat we bedoelen? Ik kreeg vaak de reactie: ja, of zelfs: goh, wat leuk dat we dat bedoeld hebben! Zo heb ik naar heel veel mensen uit de dienst in eindeloze gesprekken geluisterd.”
Voor de cultuurtechnicus Quené was de ruimtelijke ordening een nieuw vak. Hij betrad het terrein toen het op nationaal niveau nog moest worden uitgevonden. Zijn Tweede Nota was een regelrechte triomf. Maar de tragiek ervan school in de afloop. Amper een maand na vaststelling van de nota vervoegde Shell Chemie zich bij het Ministerie van Economische Zaken met het verzoek een raffinaderij te mogen bouwen buiten Rotterdam, aan het Hollands Diep, nabij Moerdijk. Reden: het rumoerige Rotterdam, waar stakingen de pertochemie aan de lopende band platlegden, moest worden vermeden. Het verzoek was een regelrechte inbreuk op het amper vastgestelde ruimtelijke beleid, dat de centrale open ruimte inclusief het natuurgebied De Biesbosch wilde beschermen. Twee jaar later besloot het kabinet de vergunning te verlenen. Een journalist smeet die avond op TV een exemplaar van de Tweede Nota in het Hollands Diep. Quené: “De Moerdijk was onze eerste nederlaag. Voor mij persoonlijk was het een geweldig verlies, waarbij ik me nooit echt heb kunnen neerleggen. De Moerdijk is een scherf in mijn hart geweest.” Op diezelfde Moerdijk brandde afgelopen winter, net als in mei 2009, nog een geweldige brand in een chemiecomplex. Wat zal Theo Quené toen hebben gedacht? We kunnen het hem niet meer vragen.
Gelezen in S&RO nr. 1 van jaargang 2011:

Met een overigens matig geredigeerd artikel van Willem Buunk steelt de redactie van S&RO ook dit keer de show. Een show in uitdunnend planologenland, dat wel. Buunk is lector aan de Christelijke Hogeschool Windesheim te Zwolle en gemeenteraadslid voor de VVD in Utrecht. De ruimtelijke ordening in Nederland verkeert helemaal niet in een crisis, maar wordt stevig hervormd, dat is de strekking van Buunks artikel. Hervormd naar christelijk-liberale-populistische snit, wel te verstaan. De overheid voert in die hervorming niet meer de regie, er komt een einde aan de grote projecten, hoogbouw is taboe, van intensivering van het ruimtegebruik wordt afscheid genomen, de wijkaanpak is verleden tijd, en compacte steden staan niet meer centraal. Dat was allemaal gedachtengoed naar sociaal-democratische snit. Wat ervoor in de plaats komt is ‘spontane orde’, prijsmechanismen en markten hun werk laten doen, bereikbaarheid centraal stellen, minder regels, decentralisatie naar gemeenten, stoppen met rijksnota’s. Buunk, die spreekt van “een frisse wind”, schrijft bestraffend aan zijn vakgenoten: “Het vergt misschien een grote mentale flexibiliteit, maar die mag dan ook wel eens getoond worden.” Alsof alle planologen linkse hobbyisten zijn. Het is rechtse retoriek. Je zou er bijna aan gewend raken.
Op de analyse sec van Buunk valt weinig aan te merken, op de toon heel veel. Ergens voel je toch een afrekening. Mooi ook die Nederlandse taal: ‘hervorming’, ‘spontane orde’, ‘’je gaat erover of niet’’. Diepgang mis ik wel. Wat er in het recente verleden misgegaan is, daarover lees je niets. Nee, we leven in gevaarlijke tijden. Bijna schuldbewust lees ik het volgende artikel in dit mooie ‘crisisnummer’. Dat is van de hand van Jeroen Saris, ooit wethouder GroenLinks te Amsterdam, en Evert Verhagen. De vastgoedcrisis en de kredietcrisis, stellen zij, hangen nauw met elkaar samen. Er werd gespeculeerd op oneindige waardestijging. (De markt deed zijn werk!). “Nu deze miljardenwolk is leeggelopen staat vast dat de vastgoedwereld nooit meer dezelfde zal zijn. De ruimtelijke ordening evenmin.” Ook linkse mensen begrijpen dus dat er een hervorming nodig is. Hoe komt die nieuwe, linkse ruimtelijke ordening er dan uit te zien? “Het nieuwe buzz-woord is ‘organische groei’.” Organische groei? Spontane orde? Wat is het verschil?
Gelezen in De Volkskrant van 22 januari 2011:

Psycholoog Hans Boutellier schreef een nieuw boek. Het heet ‘De improvisatiemaatschappij’. In NRC Handelsblad stond een recensie. Ik begreep de strekking van de inhoud aldus: de beste metafoor voor de huidige samenleving is die van de jazz. Er is chaos, er is veel vrijheid, maar er is ook orde, want er zijn wel degelijk regels. Het is een complexe, richtingloze samenleving die veel onrust wekt, maar die ook kansen en mogelijkheden biedt. Laten we zeggen dat ik de metafoor zeer herkenbaar vind. Wij ervaren vooral een versnelling van de tijd. In de nieuwe werkwijze van de DRO oefenen we deze vluchtige conditie door te improviseren. Improviseren beschouwen we als een grote kwaliteit. Dat is misschien wel ongewoon voor een ambtelijke organisatie, maar de creativiteit die ermee wordt losgemaakt, wordt wel degelijk herkend. Ten slotte is het merendeel van ons ontwerper. En dat de samenleving vloeibaar begint te worden, onbegrensd en hoogstpersoonlijk, dat ondervinden we dagelijks aan den lijve. Panta Rhei!
In dezelfde recensie als waarin ‘De improvisatiemaatschappij’ kritisch tegen het licht wordt gehouden, wordt Homo Ludens van Johan Huizinga gerecenseerd. Er is namelijk een herdruk van dit opzienbarende boek uit 1938 verschenen. Wie mijn weblog volgt, weet dat ik dat boek van de Leidse Sanskritist vorig jaar, na de rede van Peter Sloterdijk in de Tolhuistuin, opnieuw heb gelezen. De recensent benadrukt in de krant wel erg het conservatisme van Huizinga, terwijl het geleerde en originele boek zulke ideologische kwalificaties verre overstijgt. Spelen, aldus Huizinga, is voor de mens even essentieel als maken. Sterker, Huizinga herinnert eraan dat vroeger alle menselijke handelingen ook wel als spel werden opgevat. Zover wil hijzelf niet gaan. Wel beschouwt hij spelen als de kern van de menselijke beschaving. Spelen met een ‘heilige ernst’, dat wel. De cultuur, meent hij, draagt zelf een spelkarakter. In een omgeving als die van de stadsontwikkeling en de ruimtelijke ordening is die notie van Huizinga dikwijls afwezig, gepreoccupeerd als men er is door geld, bouwen en uitvoeren. Echter, niet door te maken ontwikkelt zich een beschaving, maar door te spelen. Spelen? Beter werkwoord is: improviseren!
Gelezen in ’Sterke verhalen. Hoe Nederland de planologie opnieuw uitvindt’ (2010):

“Het is ondenkbaar dat Nederland de toekomststrategie van een duurzaam, prettig en innovatief land waarmaakt zonder een sterk verhaal. Een sterk verhaal vormt het wervende perspectief waarin burgers, bestuurders en bedrijven hun toekomst zien. Zonder verhaal, zoveel is wel duidelijk, is iedere tussenevaluatie steeds weer teleurstellend.” Dat schrijven Maarten Hajer, Jantine Grijzen en Susan van t Klooster in het derde deel van Design and Politics. In het boek kijken de auteurs – directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, medwerkster bij McKinsey resp. onderzoeker aan de Vrije Universiteit – terug op twintig jaar experimenteerfreude in de Nederlandse ruimtelijke ordening. Door hen wordt de balans opgemaakt. Ze constateren een herstelde relatie met de burger, een trage besluitvorming, planners als procesbegeleiders, een aan de markt uitbestede planning en, recentelijk, een terugkeer van de staat. Maar ook stellen ze vast dat er in brede kring serieus gediscussieerd wordt over de noodzaak van een duurzaam beleid in het licht van klimaatverandering, afname van biodiversiteit, vergrijzing, bevolkingskrimp en toenemende mobiliteit. Waar, vragen ze zich af, blijft het sterke verhaal? Alleen een goed verhaal kan al deze zaken met elkaar verknopen en de relatie tussen bestuurders, experts en burgers herstellen. “Zijn deze drie goed op elkaar betrokken, dan ontstaan plannen met kwaliteit en legitimiteit.”
In het hoofdstuk ‘Een planologie van verhalen’ wordt het zelfs met zoveel woorden gezegd: een gedeelde visie is essentieel, ze is het medicijn tegen bestuurlijke drukte, alleen als het proces van articulatie en betekenisgeving gezamenlijk wordt doorlopen kan een goed, doorleefd plan ontstaan. Dat proces organiseren is de taak van ruimtelijke planners. “Sterke verhalen zijn niet alleen cruciaal voor de inbreng en borging van visies en inhoud, ze helpen ook bij de realisatie van een functionele, duurzame en mooie ruimtelijke inrichting. Een sterk verhaal inspireert uitvoerders tot het leveren van betere prestaties. Het geeft controllers houvast bij het bepalen of de afgesproken kwaliteit geleverd is. (…) Sterke verhalen zijn een middel voor een dmocratisch legitiem planningsproces. Een narratieve planning maakt het mogelijk vakinhoudelijke deskundigheid te koppelen aan publieksparticipatie.” Eenvoudiger kunnen de auteurs de planningsopgave niet maken. Maar ze waarschuwen wel: een mooi verhaal alleen is niet voldoende, het gaat er ook om dat het verhaal door alle betrokkenen eigen wordt gemaakt. En er moet worden afgerekend met allerlei institutionele arrangementen die dit soort open planprocessen in de weg staan. De planning is te zeer institutioneel ingekaderd geraakt. “Kunnen we deze slag maken?” Niet zonder reden stellen de auteurs deze vraag. Ze wijzen op het gevaar dat de staat zich dan opdringt, “dat het leidt tot een staatsplanning waarin de centrale overheid beslist zonder reflectie of inspraak van buiten.” Ze verwijzen naar de Crisis- en Herstelwet. Ik ben inderdaad bang dat hun waarschuwing te laat komt. Het is namelijk al zo ver. Of ben ik te somber?
reacties