Verschil of diversiteit?

On 18 december 2014, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 15 december 2014:

Distribution des villes selon Christaller

Het werd een volle bak, de pre-startbijeenkomst voor het Jaar van de Ruimte 2015 in Pakhuis de Zwijger, afgelopen maandagavond in Amsterdam. Bijna vierhonderd mensen – meest vakgenoten – luisterden naar zes sprekers die elk in 15 minuten probeerden een toekomstagenda voor Nederland te maken: Reinier de Graaf (intro), Maarten Hajer (productie), Marleen Stikker (netwerken), Marjan Minnesma (kringlopen), Zef Hemel (steden) en Henk Ovink (water). Natasja van den Berg praatte alles aan elkaar. Wat er zoal voorbijkwam? Van alles.Veel verwarring dus, maar ook opwinding. Het jaar 2015 moet immers nog beginnen. Directeur Nationale Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van Infrastructuur Hans Tijl sloot de avond af. Zijn departement zal het komend jaar vooral luisteren, zei hij, het land intrekken en als gelijkwaardige partij deelnemen. Geen visievorming meer vanuit Den Haag.

Reinier de Graaf (OMA) sprak in zijn inleiding niet over Nederland, maar over de wereld. Als uitgangspunt nam hij Thomas Piketty’s ‘Capital in the 21st Century’. De bijna honderd jaar die achter ons liggen, zei hij, blijken achteraf beschouwd uitzonderlijke jaren in de menselijke geschiedenis. Nooit waren we zo gelijk. Jaren ook van grootse utopiën. Deze goede jaren liepen af in 1989. Eerst dachten we dat overal democratie zou uitbreken, maar dat bleek niet het geval. Er begon juist een periode van grote politieke turbulentie en groeiende ongelijkheid. Autocratische regimes zijn aan de winnende hand. Echter, de Nederlandse regering van 2030, schatte De Graaf, zal niet anders zijn dan die van 1980. Mooi. Mijn eigen verhaal sloot er naadloos bij aan. Ebenezer Howard’s tuinstedenschema en Walter Christaller’s centraleplaatsentheorie hebben de ruimtelijke inrichting van ons land bijna honderd jaar gedomineerd: ze genereerden – aangestuurd van bovenaf – een ruimtelijk patroon van gelijkheid, regelmaat, hiërarchie, veel infrastructuur en bewust kleingehouden steden. Het resultaat blijkt achteraf niet duurzaam. Howard en Christaller zijn ook passé omdat we de komende jaren te maken krijgen met sterke metropoolvorming versus krimp: groeiende ruimtelijke ongelijkheid dus. Beide feiten vragen om een heel ander soort planning: niet meer centraal gestuurd, maar interactief, lokaal, regionaal, holistisch, bovenal menselijk. We zullen verschillen moeten leren waarderen als diversiteit. En complexiteit niet langer afwijzen.

Londenfobie

On 9 december 2014, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 6 december 2014:

IMG_0944.JPG

Verontrustend artikel van Patrick van IJzerdoorn in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. In ‘Londen eet Engeland op’ beschrijft deze buitenlandse correspondent hoe de Britse hoofdstad groeit, terwijl de rest van Engeland stelselmatig krimpt. Vijftien procent van de bevolking (dit zijn de 8,3 miljoen Londenaren) verdient eenvijfde van het nationaal inkomen, de productiviteit in Londen ligt 29 procent hoger dan erbuiten. Een op de drie afgestudeerden trekt naar de hoofdstad, 58 procent bezit er een academische titel, dat is twintig procent meer dan in de rest van Engeland. Eenvijfde van de Londenaren komt uit het buitenland, de stad wordt ontwikkeld met vreemd kapitaal. Londen wijkt steeds meer af van de rest van Engeland en de metropool is buitengewoon succesvol, ze barst uit haar voegen. Doordat ze niet snel genoeg groeit en er verdringing optreedt, moeten mensen haar noodgedwongen weer verlaten. En dat terwijl de rest van het land achterblijft.

Het verschil in ontwikkeling leidt in Groot Brittannië tot ‘Londenfobie’. Britse politici willen Londen straffen voor haar succes. De kop boven het artikel in de Volkskrant geeft ook voeding aan die haatgevoelens. Want Londen eet Engeland helemaal niet op. Ze presteert gewoon beter. De concurrentie tussen steden is ook helemaal geen ‘zero-sum game‘. Een metropool is zelfs duurzamer dan gespreide verstedelijking. Van IJzerdoorn: “De grote vraag is of Londen de rest van het land rijker maakt of uitzuigt.” Politici weten het antwoord al: ze zullen het evenwicht herstellen. Daarom komt er een peperdure hogesnelheidstrein van Londen naar het noorden, om steden als Manchester en Glasgow mee te laten profiteren. Terecht vraagt Van IJzerdoorn zich af of die spoorlijn het succes van Londen niet nog verder zal vergroten. Laatst, in Londen, hoorde ik de experts erover praten. Ze zagen wel in dat die dure spoorlijn nergens op slaat. Klakkeloos neemt de politiek aan dat Londen andere steden ‘opeet’, ‘uitzuigt’. En de media huilen mee. Het slachtoffergevoel neemt snel de overhand. Ik zei toch: verontrustend.

Tagged with:
 

Borrowed size

On 5 september 2014, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Territorial Review The Netherlands (2014):

 

 

;

 

 

 

 

 

 

Nederland profiteert economisch onvoldoende van agglomeratievoordelen, althans volgens de OECD. Onze steden zijn te klein. De Organisation for Economic Cooperation and Development beveelt bij de Nederlandse regering daarom grotere steden aan. Daarnaast echter biedt ze een ontsnappingsroute. Geen grotere steden, maar betere verbindingen. Zoiets heeft ze niet van zichzelf. Iemand moet de organisatie dit hebben gevraagd. Dat ze in haar Territorial Review van Nederland het alternatief voor een echte nationale grootstedelijke politiek om maximaal te profiteren van agglomeratievoordelen door de opdrachtgever ingefluisterd moet hebben gekregen maak ik mede op uit het feit dat dat alternatief alleen in de samenvatting wordt opgevoerd: ‘borrowed size’. Door snelle verbindingen tussen de bestaande stedelijke gebieden, stelt de OECD daar zonder nadere toelichting, kan ook winst worden geboekt. Gelooft u het? Ik heb de motivering opgezocht. Die bleek schamel. Leest u met mij mee.

Alleen in de ‘key recommendations’ van het uitvoerige rapport, op bladzijde 23, staat de volgende aanbeveling. In de rest van het dikke rapport geen spoor. In plaats van een nationaal grootstedelijk beleid dat nu in Nederland ontbreekt en dat erop neer zou moeten komen dat van agglomeratievoordelen op het juiste schaalniveau – de stad en de stedelijke regio – wordt geprofiteerd, kan de regering er ook voor kiezen om de verbindingen tussen functionele stedelijke regio’s te verbeteren. Het is, stelt de OECD met nadruk, geen vervanging van agglomeratievoordelen, maar steden en stedelijke regio’s kunnen profiteren van grotere nabijheid ten opzichte van elkaar en op deze wijze agglomeratie van elkaar ‘lenen’. Een soort Peerby voor steden. En dan komt het: "Recent studies show that a doubling of the population living in urban areas within a 300 km radius, increases productivity of the city in the centre by 1 tot 1,5 percent." Een gebied met een straal van 300 kilometer beslaat gemakkelijk heel Nederland; een verdubbeling van de bevolking in een dergelijk omvangrijk gebied kan leiden tot een productiviteitsgroei van 1 tot 1,5 procent. Buiten het feit dat ik het niet begrijp vraag ik u: Is dit veel, een verdubbeling van de bevolking? Volgens mij wel. En hoe realistisch is dit? Onrealistisch, denk ik.

Tagged with:
 

Urburb

On 3 september 2014, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 31 juli 2014:

Het paviljoen van Israël tijdens de 14e architectuur biënnale in Venetië zette me aan het denken. Het is gevuld met vier printers die elk in fijn zand telkens weer vanuit het niets een ruimtelijk patroon schrijven: het land Israël, de joodse stad, de buurt en het bouwblok. Titel: the Urburb. Het geheel wil duidelijk maken dat het antistedelijke sentiment diep geworteld is in de Israëlische samenleving en vanaf het allereerste begin van de joodse staat – tweede helft negentiende eeuw – door de politiek opgelegd. Uit de tekst maak ik op dat vooral het Plan Sharon centraal staat. Sharon was leider van de Likud partij en vanaf 2001 premier van Israël. Hij was tegen grote steden en gebood de bouw van nieuwe nederzettingen, zowel in Israël zelf als in bezet Palestijns gebied. De steden in Israël zijn bijgevolg relatief klein, niet urbaan, niet suburbaan, en zelf weer onderverdeeld in relatief afgesloten buurten. De opbouw van Jeruzalem strekte tot voorbeeld; deze heilige stad wordt gekenmerkt door sterke interne segregatie.

Zelfs op blokniveau is er topdown gepland: het blok als "an independent agent dropped from above, free-standing on the plane, open on every side and usually set on pilotis." Het Israëlische paviljoen toont daarmee een politieke ruimtelijke orde volgens modernistische principes die als doel had "to create small egalitarian communities while accommodating a large and diverse population; to spread throughout the country while converging and closing-in; and to reconnect to the land via a top-down planning system that treats the surface as a clean slate." Honderd jaar modernistische stedenbouw en ruimtelijke planning hebben in Israel de Urburb opgeleverd, dat is iets tussen stad en land in, en dat uitgesmeerd over het kleine land, alsof het een lege zandvlakte is, van bovenaf gepland, compleet maakbaar. Het is net VINEX. De gelijkenissen met de Nederlandse ruimtelijke orde, begreep ik ineens, zijn treffend.

Tagged with:
 

Welvaartsverliezen

On 23 juni 2014, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Economic Survey: Netherlands (2010):

 

Een beetje laat misschien. Toch nuttig om te lezen: de analyse van de Nederlandse economie volgens de OECD in 2010. Ik las het hoofdstuk over de woningmarkt. Die is naar de maatstaven van de OECD te gereguleerd, allesbehalve flexibel. Dat komt doordat de overheid zich er teveel in mengt. Met 35 procent van alle woningen heeft Nederland veruit de grootste voorraad sociale huurwoningen; tegelijk zijn de wachtlijsten voor deze woningen in Nederland, Amsterdam voorop, het langst. Het totaal van woningen afgemeten aan de totale bevolking is in ons land vrij normaal, maar de toedeling van die voorraad aan inkomenscategorieën en de werkelijke vraag blijkt juist beroerd. Om kort te gaan, de Nederlandse woningmarkt is sterk aanbodgestuurd, door de overheid bepaald. Daarbij komt dat de al even overheidsgestuurde ruimtelijke ordening dit allemaal nog erger maakt: die is restrictief en reageert niet op de vraag. Ze maakt de woningbouw bovendien duurder: naar schatting wordt een derde van de woningprijs in Nederland door ruimtelijke ordening bepaald.

Ruimtelijk betekent dit dat mensen op de verkeerde plekken wonen, ver van hun werk, in de woning die zich eigenlijk liever niet willen. Sommige steden, zoals Amsterdam en Utrecht, kunnen bovendien niet voldoende groeien omdat de overheid met ruimtelijke maatregelen dit verhindert. De OECD schat dat Nederland hierdoor aanzienlijke welvaartsverliezen lijdt. Hoeveel precies kan ze niet zeggen: "It is difficult to estimate welfare losses because of the fact that physical planning regulations also prevent the reaping of agglomeration benefits from further growth of cities and indirectly depress labour supply." In de Randstad, constateert ze, zijn de agglomeratievoordelen het grootst en is de banengroei het sterkst, maar de vereiste woningen ontbreken daar. Daardoor worden weer agglomeratievoordelen gemist. Enzovoort. Extra woningen bouwen in de Randstad is dus dringend is nodig, terwijl elders in het land minder zou moeten worden gebouwd, maar dit moet wel vergezeld gaan van grotere lokale belastinginkomsten, want voorzieningen mogen in de Randstad niet achterblijven. De woningprijzen zouden flink kunnen dalen. We zijn inmiddels vier jaar verder. Iemand een idee hoe het ermee staat?

Tagged with:
 

Zelfhaat

On 10 juni 2014, in benchmarks, cultuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Abram de Swaan:

Illustratief waren de reacties van de meeste Nederlanders op het artikel van Simon Kuper in FT van vorige week. "Amsterdam gezakt op de lijstjes van wereldsteden naar de subtop? In die wereldtop heeft ze toch nooit gestaan?" Ook de verzuchting in Het Parool: "Amsterdam doet op geen enkel vlak meer mee" was tekenend. Dat Amsterdam en Nederland in het algemeen in de wereld niet zouden meetellen – we zijn immers zo klein – is een hardnekkig geloof van Nederlanders zelf, niet van het buitenland. Abram de Swaan, PC Hooftprijswinnaar en emeritus-hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef het al: "Het koddige beeld dat Nederland zo gretig van zichzelf biedt aan het buitenland is onwaarachtig." Nederland telt wel degelijk mee en Amsterdam is een belangrijke stad in de wereld. Haar metropolitaanse betekenis komt vooral tot uitdrukking in de culturele betekenis die Amsterdam wereldwijd heeft. "In een internationaal onderzoek naar de reputatie van Amsterdam bij ondernemers wordt de stad in één adem met Parijs en Londen gerekend tot de aantrekkelijkste steden in Europa als het gaat om ontspanning en cultuur." De Swaan noemt Amsterdam daarom ‘de culturele binnenstad van de metropool Groot-Holland’ met een uitstraling tot diep in het West-Europese achterland.

Maar de meeste mensen ervaren het anders. En ook dat het van de Nederlanders allemaal niet zo metropolitaans hoeft, is begrijpelijk: we zijn een klein land. De ‘politieke onvindbaarheid’ van de metropool werkt ook al niet bevorderlijk. De Swaan concludeert: "Er is dus een metropool, Groot-Holland, met een stedelijk potentieel dat door slechts drie, vier andere wereldsteden geëvenaard wordt, en met een werkingssfeer die zich tot ver in West-Europa uitstrekt, maar zonder bestuurlijke eenheid en zonder enige naam of faam." De onderschatting van de schaal door de inwoners en haar bestuurders maakt Nederland volgens hem tot een kleingeestig, kleinsteeds en provinciaals land. De Swaan: "De weerstand die Amsterdam als cultuurcentrum oproept, het wantrouwen en de gierigheid, is ingegeven door simpele cultuurhaat en ook door een afschuw van het metropolitane leven in het algemeen, waarvan Amsterdam in Nederland immers de meest zichtbare manifestatie is." En die zelfhaat proefden we afgelopen week dus opnieuw.

Tagged with:
 

Gebalanceerde groei

On 5 mei 2014, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Cities of Russia’ (1997) van Dmitri Pitersky:

Iedereen heeft het over Detroit. Maar wat te denken van al die krimpende Russische steden? Officieel voerde de Sovjet Unie een ruimtelijke politiek van afremmen van grootstedelijke groei onder gelijktijdige stimulering van groei van kleine en middelgrote steden. De autoriteiten zongen een lofzang op de middelgrote stad. In die politiek is ze maar ten dele geslaagd of eigenlijk helemaal niet. Zoals Sidan Southall schreef in ‘The City in Time and Space’ (1998): “Control of urban growth was a key priority, but Moscow proved uncontrollable.” Terwijl het officiële doel was de groei van met name Moskou tegen te gaan, nam de bevolking van de hoofdstad van de USSR tussen 1959 en 1989 met liefst drie miljoen zielen toe. Moskou telde bijna 9 miljoen inwoners op het moment dat  de Sovjet Unie in elkaar stortte. Inmiddels is haar omvang met nog eens drie miljoen inwoners gegroeid. Moskou groeit nu ten koste van de rest van het land. De omslag vond plaats ergens in de jaren ‘90. Veel Russische migranten uit de voormalige Sovjet republieken vluchtten na 1989 naar de hoofdstad van de pas gevormde Federatie. Tussen 1989 en 1994 ging het om 5,5 miljoen migranten in totaal. Maar ook daarna bleven de mensen naar die ene metropool komen. Volgens sommige schattingen telt Groot-Moskou op dit moment daarom niet 12, maar 15 miljoen inwoners.

In Geojournal schreef Dmitri Pitersky indertijd een lezenswaardig artikel over de stedenpolitiek van de Sovjet Unie en wat ervan terecht is gekomen. De meeste kunstmatig opgekweekte steden van de Sovjets hebben het niet gered, zo laat hij zien. Hun economie was centraal gestuurd; 45 procent van hun economieën bleek militair-industrieel, dus door eenzijdige overheidsinvesteringen geschraagd (foto: Baikonur in Kazachstan). Achteraf blijkt dat de stedelijke bevolking van de Sovjet Unie al die tijd ook niet groeide, ondanks alle ruimtelijke stimuleringsbeleid, en zelfs met 1,5 miljoen afnam na de val van de muur. Zonder de immigratie was die afname nog veel groter geweest. Overal in de wereld ziet men ditzelfde patroon: twintigste eeuwse ruimtelijke politiek om gebalanceerde stedelijke groei te ontwikkelen heeft domweg niet gewerkt. Conclusie: een land kan proberen kunstmatig (nieuwe) steden te laten groeien, maar het zal daarin uiteindelijk jammerlijk falen. De beste ruimtelijke politiek is een organische, een niet (door een centrale overheid) gestuurde. En als een grote stad eenmaal organisch groeit, dan moet men haar niet willen afremmen of haar in haar groei beletten. Metropoolvorming is een teken van succes.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘Hochparterre’ van mei 2014:

Het themanummer van het Zwitserse architectuurtijdschrift Hochparterre is geheel gewijd aan de ruimtelijke planning van de stadsregio’s Zürich en Amsterdam. In ‘Stadtregionen planen’ worden beide planningsbenaderingen – de Zwitserse en de Amsterdamse – nauwkeurig met elkaar vergeleken. Een artikel is opgenomen van de hand van Kees Christiaanse, hoogleraar Architectuur en stedenbouw aan de ETH in Zürich. In het stuk betoogt Christiaanse dat de ruimtelijke inrichting van Nederland in de jaren negentig in toenemende mate aan de markt werd overgelaten, waarbij gemeenten hevig met elkaar concurreerden om grond en ontwikkeling en burgers en marktpartijen goedkoop geld konden lenen om te bouwen. Om aan de wildgroei paal en perk te stellen introduceerde het Paarse kabinet eind jaren negentig rode en groene contouren, door Christiaanse verduidelijkt met een kaartbeeld uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Binnen de rode mocht worden gebouwd, daarbuiten niet; binnen de groene waren natuur en landschap beschermd, daarbuiten was dit veel minder het geval. Toen het kabinet viel werd geen gevolg gegeven aan de contourensystematiek. "Stattdessen setzte man die nachfolgende und zahnlose ‘Nota Ruimte’ in Kraft."

Christiaanse lijkt de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland na het stuklopen van de contourensystematiek en geringe sturingsbereidheid van de Nederlandse regering te betreuren. In grensgebieden als Capelle bij de Van Brienenoordbrug ziet hij chaos ontstaan. Het uiteenvallen van de Randstad, het mislukken van bestuurlijk geoutilleerde stadsregio’s, de vrijblijvendheid van de structuurvisies, de leegheid van de nationale ruimtelijke politiek, alles wijst volgens hem op een gebrek aan planning en een teloorgang van een grote traditie. Weliswaar lijkt nieuwe Amsterdamse structuurvisie 2040 ook een contourensystematiek te hanteren, maar Christiaanse betwijfelt of de grenzen tussen stad en land zullen worden gerespecteerd. De structuurvisie is bindend voor de overheid die hem opstelde, maar voor de buurgemeenten weer niet. "Vielleicht gelingt es." Daartegenover stelt hij de Zwitserse planning waarbij het Richtplan van de kantons de Zwitserse ruimte krachtig ordent: afwijken is daar niet mogelijk. Het Richtplan is voor alle inliggende gemeenten bindend. Zijn voorkeur is duidelijk. Zwitserland loopt voorop, Nederland loopt achter.

Kapitalistische metropolen

On 21 februari 2014, in boeken, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Communist Manifesto’ (1848) van Karl Marx en Friedrich Engels:

Verwierp Karl Marx de grote stad? In zijn theorie was de stad in ieder geval de fysieke neerslag van het kapitalisme. In Het Communistisch Manifest (1848) luidt het: “The bourgeosie has subjected the country to the rule of the towns. It has created enormous cities, has greatly increased the urban population as compared with the rural, and has thus rescued a considerable part of the population from the idiocy of rural life.” Uit die overigens adequate analyse spreekt weliswaar nog geen verwerping van de grootstad, wel een toerekening van de verstedelijking aan de klasse van de bourgeosie. Marx: “It (de bourgeosie) has agglomerated population, centralized means of production, and has concentrated property in a few hands.” In zijn heilstaat – de dictatuur van het proletariaat – bestaan dan ook geen grote steden meer. Althans, het tienpuntenplan uit het Communistisch Manifest bevat onder andere dit devies: “Combination of agriculture with manufacturing industries; gradual abolition of the distinction between town and country, by a more equable distribution of the population over the country.”

Die opvatting waren vele utopisten destijds toegedaan. In hun ogen waren steden als Londen, Berlijn en Parijs gewoon veel te groot; de mensen moesten daarom worden gespreid, terug naar het platteland. De Britse stenograaf Ebenezer Howard zou er vijftig jaar later een praktische invulling aan geven met zijn eenvoudige tuinsteden-diagram. Dat diagram werd later in praktijk gebracht, ook in de Nederlandse ruimtelijke ordening in de twintigste eeuw. De grote steden in het Westen des Lands werden ontmanteld; mensen moesten naar groeikernen en industrialisatiesteden overlopen in een poging de ‘onvermijdelijke suburbanisatie’ in goede banen te leiden. Het gevolg is dat Nederland anno 2014 verrassend dicht in de buurt komt van de communistische heilstaat van Marx en Engels. Jammer dat Marx vergat hoeveel hij te danken had aan die verwerpelijke kapitalistische metropolen. Zonder de bibliotheek van het British Museum bijvoorbeeld had hij nooit zijn Communistisch Manifest kunnen schrijven.

Tagged with:
 

Historische vergissing

On 3 oktober 2013, in geschiedenis, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New Towns. The Answer To Megalopolis’ (1969) van Frederic Osborn:

Kreeg afgelopen week een exemplaar van ‘The New Towns’ van Frederic Osborn in handen. In het vuistdikke boek worden alle nieuwe steden van Groot Brittannië uitvoerig beschreven. Osborn was de general manager van de eerste nieuwe stad in Groot-Brittannië: Welwyn Garden City. Het boek opent met een inleiding van de Amerikaanse architectuurcriticus Lewis Mumford. Die schrijft dat ongecontroleerde groei van steden ronduit onbeschaafd is. Ebenezer Howard daarentegen vond hij dapper. Deze Britse stenograaf had eind negentiende eeuw een nieuwe vorm voor grote steden gevonden: de regionale of sociale stad, bestaande uit allemaal kernen van beperkte omvang die werden bijeengehouden door een regionaal vervoerssysteem. Zo’n regionaal systeem was beter dan één grote stad, schreef hij, want veel beschaafder. “The translation of these principles into the realities of the new towns movement is one of the most encouraging manifestations of our age.” Nieuwe steden waren in de ogen van Mumford niet minder dan de overwinning van de ratio, het menselijke, het gedisciplineerde en het vermetele: “a proof that sound ideas are not condemned by massive human folly or institutional inertia to remain inoperative.” 

Zijn gelijk haalde Mumford bij de oude Grieken. Aristoteles zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden, groot genoeg om alle functies te vervullen, maar niet te groot om functies te verstikken. Ook Leonardo da Vinci zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden; het organisch gegroeide Milaan had volgens deze kunstenaar in tien nieuwe steden van, opnieuw, elk 30.000 inwoners moeten worden opgedeeld. Van Howard mocht een stad niet groter zijn dan, wederom, 30.000 inwoners. Met die boude historische vergelijkingen stelde Mumford Ebenezer Howard op één lijn met Aristoteles en Leonardo da Vinci. Kom er maar eens om. “The creation of this new kind of metropolitan area, based on a union of greenbelt towns, and the establishment of a system of local government, federal in structure but thoroughly integrated, is perhaps one of the principal tasks opened up by the very success of the new towns movement to date.” Wat een propaganda, wat een idiote vergelijking, wat een historische vergissing. Ook Nederlandse planologen zouden Mumford maar al te graag volgen. Ze verzonnen een Groen Hart met een krans van groeikernen rond de grote steden. Na het lezen van dit boek begrijp ik pas goed waarom.