Veerkracht

On 19 november 2012, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 16 november 2012:

Bij het in ontvangst nemen van de Maaskantprijs afgelopen vrijdag in Rotterdam typeerde de stadssocioloog Arnold Reijndorp zichzelf als ‘een loopjongen’. Hij was, zei hij, steeds loopjongen geweest tussen architectuur en sociologie. Reijndorp: “Hoewel ik moet zeggen dat architecten en stedenbouwkundigen ontvankelijker blijken te zijn voor sociologische inzichten dan sociologen voor opvattingen van architecten en stedenbouwkundigen.” De jury die hem de prijs toekende vond zijn werk juist nu relevant, omdat de context van bouwen en wonen is veranderd van uitbreiden naar transformeren, waarbij de behoeften van mensen centraal zijn komen te staan. Met thema’s als het alledaagse gebruik van de stad, nieuwe netwerken in de stad en het functioneren van het publieke domein “reikt Reijndorp waardevolle instrumenten aan voor de ontwerppraktijk van architecten en vooral stedenbouwkundigen.”

Reijndorp hield daarop een schitterende rede. Echter, waarom hij daarbij zo afgaf op de persoon van Richard Florida was me niet duidelijk. Het had zelfs iets verbetens. Zelf zei hij het zo: “De vitaliteit van een stad is verbonden met diversiteit in sociaal, economisch, cultureel en ruimtelijk opzicht. Het is dan ook de vraag of het wedden op het ene paard van de creatieve kenniseconomie wel zo verstandig is.” Herwaardering van de stad is omgeslagen in overwaardering, voegde hij eraan toe. Liever sprak hij van de veerkracht van een stad. Die kan aan andere zaken worden afgemeten dan de drie T’s: Talent, Technologie, Tolerantie. Het klonk alsof Reijndorp de ‘creatieve steden’ hun succes niet gunde en Richard Florida om zijn roem benijdde. Ik kan me er alles bij voorstellen, maar die veerkracht en die aandacht voor ‘gewone mensen’ lijken me toch andere, niet minder interessante onderwerpen. Londen, Parijs en in zekere zin ook Amsterdam, zou je kunnen zeggen, hebben hun veerkracht al bewezen; hun economieën zijn hoogwaardig en creatief gebleken, precies zoals Richard Florida die eigenschappen tien jaar geleden typeerde, overigens met nog steeds een arme onderkant. Florida aanrekenen dat woningcorporaties en gemeentebesturen zijn visie verhaspelden mag natuurlijk niet. Wedden op dat ene paard? Ook Florida noemde destijds diversiteit en het tegengaan van segregatie als belangrijke voorwaarden.

Tagged with:
 

Stiefmoederlijk behandeld

On 7 november 2012, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in Taipei op 29 oktober 2012:

De groei van de Taiwanese economie lijkt te stokken. Men wijt dit aan de opkomst van het nabije China, dat Taiwanese investeerders aantrekt. De lonen zijn op het vasteland lager en de vooruitzichten van groei groter. Dit, gepaard gaande met de politieke onzekerheid over de toekomst van Taiwan, maakt de inwoners van Taiwan onzeker. Overigens is er een groot verschil tussen het noorden en het zuiden van het eiland. De hoofdstad Taipei, ruim 2,5 miljoen inwoners, in het noorden presteert economisch beter dan de tweede stad van het land, Kaohsiung, in het zuiden. Kaohsiung telt ruim 2 miljoen inwoners en bezit de grootste containerhaven van Taiwan. Daar ook is de meeste industrie gevestigd. Door die eenzijdige economische structuur vallen de klappen vooral in het zuiden. Taipei daarentegen kent een meer diverse economie en doet het daardoor beter. Maar in Kaohsiung gelooft men dat de hoofdstad zichzelf voortrekt en dat het industriële zuiden ooit door de regering gedwongen werd zich te specialiseren in laagwaardige industrie. Ze zou stiefmoederlijk zijn behandeld.

De situatie doet denken aan de verhouding tussen het stagnerende Rotterdam en het rijke Amsterdam. In beide gevallen waren de verhoudingen ooit omgekeerd, toen zowel Rotterdam als Kaohsiung floreerden dankzij hun havens en industrie en beide regeringen stevig in de infrastructuur van de twee steden investeerden. De haven van Kaoshiung is bijna even groot als die van Rotterdam. Maar nu de kaarten zijn gewisseld, klagen beide havensteden steen en been over ongelijke behandeling, terwijl de hoofdsteden met hun grote vliegvelden bloeien. De regeringen van beide landen hebben tussen hun grootste steden daarom hogesnelheidslijnen aangelegd. Tussen Amsterdam en Rotterdam rijdt nu de Fyra, tussen Taipei en Koahsiung de Pingtun. Het enige verschil is dat de Fyra niet harder rijdt dan 250 kilometer, terwijl de Pingtun snelheden van liefst 500 kilometer per uur bereikt. Aan het verongelijkte gevoel doet het niets af. Dat wordt pas anders als de twee industriële steden hun havens van zich afschudden en hun economieën divers maken. Maar dat doen zij natuurlijk niet. Er valt veel te verliezen.

Tagged with:
 

Uitverkoop

On 1 juni 2012, in economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Over vertrouwen’ (2012) van Cees de Bruin:

Twee berichten uit Rotterdam. Het ene is een interview met Wouter Vanstiphout, architectuurcriticus te Rotterdam, verschenen op 29 mei op Architectenweb. Vanstiphout klaagt daarin over het feit dat projectontwikkelaars in Rotterdam de stad niet meer serieus nemen. “Ze worden op geen enkele manier gedwongen, verleid of geholpen om na te denken over de context, de identiteit van de stad, de lokale gevoeligheden, de publieke belangen. Het is gewoon een uitverkoop.” Volgens de architectuurcriticus, tevens lid van de Rotterdamse welstand, laat Rotterdam zien “dat onze eigen overheden het laten lopen.” Er is in Rotterdam een cultuur ontstaan waarin degene die betaalt, bepaalt. Desintegratie van de publiek planning, noemt Vanstiphout dat. Er zou sprake zijn van een ideeën- en machtsleegte aan gemeentelijke zijde. De oorzaak zoekt hij onder andere in het feit dat de gemeentelijke diensten zijn “kapot gereorganiseerd” en “geen enkele samenhangende lijn” meer kennen in de omgang met projectontwikkelaars. Er is in de Maasstad niet veel meer om trots op te zijn.

Het andere bericht is de Van Beuningenlezing 2012 van Cees de Bruin. Het boekje is een uitgave van de Economic Development Board Rotterdam, een college bestaande uit dertig onafhankelijke en gezichtsbepalende Rotterdammers uit bedrijfsleven, onderwijs, wetenschap, gezondheidszorg en cultuur. De Bruin is oprichter en eigenaar van Indofin Group, een internationale investeringsmaatschappij met een vestiging te Rotterdam. Vol afschuw beschrijft hij hoe de gemeente Rotterdam eind jaren tachtig “in tomeloze zelfoverschatting” steeds meer beleid ging ontwikkelen. “Dus begon de overheid te sturen, terwijl juist het laten vieren van de teugels zo cruciaal is voor het ontstaan van economische creativiteit of, met andere woorden, ondernemerschap.” De gemeente zou veel bescheidener moeten zijn, en dienender, en de lokale bureaucratie zou nog verder moeten worden teruggebracht. De gemeente moet het zich ook niet zo moeilijk maken door in lastige wijken aan de slag te gaan. “Kies voor de wijken waar al enige saamhorigheid of organisatie bestaat.” De Bruin: “De overheid lijkt nog steeds de omgekeerde beweging te maken: zij trekt nog steeds zaken naar zich toe die ze los zou moeten durven laten.” Op het omslag van het boekje staat een foto afgedrukt van het beeld van Naum Gabo voor de Bijenkorf aan de Lijnbaan. Dat kunstwerk roest weg. Dat beeld opknappen, dáárover zou de gemeente zich druk moeten maken. Aldus De Bruin van de Rotterdamse Economic Development Board.

Tagged with:
 

Wu-Wei

On 18 april 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Retracking America’ (1971) van John Friedmann:

Donderdag 19 april opent in Rotterdam de Internationale Architectuur Biënnale. Thema: ‘Making City’. De stad wordt dit keer echt gemaakt. Het deed me denken aan ‘The Tao of Transactive Planning’, opgenomen in ‘Retracking America’ (1971) van de Amerikaan John Friedmann. Friedmann schrijft daarin dat hij zich een incident herinnert waarbij een planner zijn geduld verloor omdat iets wat hij bedacht had niet werd uitgevoerd. “His model of the planning process was simplistic. The planner plans; the client buys the plans and uses all the means at his disposal to see them carried out.” Volgens Friedmann gaat goede planning heel anders in zijn werk. “The Tao says: All things go through their own transformations.” Waarop hij een meer complex model van planning introduceert, dat hij aanduidt als ‘transactive planning’. “The Taoist philosophy of wu-wei – doing nothing – would seem to be more appropriate to this model than controlled impatience.” Veel krachten in de stadsontwikkeling verlopen automatisch, die kennen hun eigen dynamiek. Soms ontbreekt de dynamiek, of verloopt de verandering te snel. De planner kan er vaak niet veel aan doen. “Both planner and client must respect the laws of transformation and be mindful of their limited abilities to control the flow of events.” Beter is het soms om helemaal niets te doen.

Behartigenswaardig vond ik ook een ander citaat: “Tao invariably does nothing, yet there is nothing that is not done.” Het lijkt er vaak op, verklaart Friedmann, alsof de planner niets doet; echter, hij leert en al lerende vergaart hij nieuwe kennis. Hierdoor veranderen wel de perspectieven, en in het verlengde daarvan verandert het gedrag. Het mag dus lijken alsof er helemaal niets gebeurt, toch verandert alles wel degelijk. “Persons change, institutions change, the environment for action changes.The ideas of the learner take root, are themselves transformed, and pass into action, affecting the behavior of society.” Toen ik het tijdens mijn planologische studie las, begreep ik het niet. Een planner moet toch maken, creëren? Nu, na dertig jaar praktijkervaring, kan ik de betekenis ervan doorgronden. Wat Friedmann schrijft is pure wijsheid, een groot planoloog waardig. ‘Making City’ is vaak gewoon niets doen, wachten, geduld oefenen, leren, perspectief veranderen, meebewegen, de tijd zijn werk laten doen.

Tagged with:
 

Pragmatistisch broddelwerk?

On 13 februari 2012, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 januari 2012:

In mijn zoektocht naar een economie die duurzaam is, stuitte ik op Granny’s Finest, een bedrijf van twee Rotterdamse bedrijfskundestudenten, Niek van Hengel en Jip Pulles. Hun bedrijf produceert breiwerk. Niet zomaar breiwerk, maar goed gebreide artikelen, ontworpen door Rotterdamse kunstenaars. Granny’s Finest zoekt modeontwerpers die breipatronen voor haar ontwikkelen, en zet deze uit bij bejaarden- en verzorgingstehuizen in het Rotterdamse, waar bejaarden vervolgens de artikelen breien. Afgelopen zomer zijn ze begonnen met een groep van 25 bejaarden; na zes maanden waren al 120 items gebreid en verkocht. Elke donderdagmiddag komen de dames bij elkaar in een zaaltje van verzorgingstehuis Laurens in het Rotterdamse Ommoord. Ervoor betaald krijgen ze niet; ook het bedrijf zelf maakt nauwelijks winst, want het kent de vorm van een stichting. De verkoop verloopt via de website of via de winkel van Granny’s Finest. De prijzen beginnen bij 27,95 euro (stropdas). Iedereen doet zinvol werk, dat wel. En bedrijfsuitjes, een concert, lunch of kerstpakket zijn de beloning, in natura.

Door kunstenaars in contact te brengen met bejaarden wordt het breien ineens bijzonder en markttechnisch interessant gemaakt; de toegevoegde waarde van de breisels stijgt. De oude breitechnieken – handwerk, noem het: maakindustrie – blijven bovendien bewaard en kunst en ambacht, nee vakmanschap, komen weer bij elkaar. Dingen maken is sowieso bevredigende arbeid maar dreigt, aldus socioloog en pragmatist Richard Sennett in The Craftsman (2008), in de moderne economie geheel te verdwijnen. Die laatste wordt geleid door managers die het niet uitmaakt wat ze managen. Hier niet. Breimachines zijn exit; ouderen worden weer geactiveerd; winstmaken staat niet meer voorop; jong bekommert zich om oud; de economie wordt weer lokaal; veel mensen worden gelukkig gemaakt. Ouderwets is deze economie zeker niet, want de verkoop verloopt via internet en de breipatronen zijn kunstzinnig en innovatief. Ziedaar de contouren van een nieuwe, duurzame stedelijke economie. Het kan. Nu nog de wil om te veranderen.

Tagged with:
 

Eenrichtingverkeer

On 20 december 2011, in afval, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘When a Billion Chinese Jump’ (2010) van Jonathan Watts:

Vanavond alweer de derde aflevering van de tiendelige VPRO-serie ‘Nederland van Boven’. Ik ben nog aan het bijkomen van deel twee. Dat ging over Nederland als doorvoerhaven van spullen. Het zag er allemaal fantastisch uit. De Rotterdamse haven werd voorgesteld als een heroïsch verdeelcentrum van goederen voor vijfhonderd miljoen Europeanen. We zagen hoe reusachtige containerschepen de Nieuwe Waterweg naderden. De duizenden containers die ze vervoerden bleken volgeladen met linkerschoenen, printerplaten enzovoort, ze naderden de ‘open muil van de hongerige delta’. We zagen vervolgens het ‘precisie-uurwerk’ van de moderne logistiek: onbemand, gerobotiseerd, grootschalig, op tijd. En ergens tussen al dat anonieme containergeweld, op het grootste natuurterrein van Nederland (de Tweede Maasvlakte), was een eenzame jager lieve konijntjes aan het doodschieten. “Iemand moet het doen.” De konijnen waren een gevaar omdat ze de dijkjes doorgroeven die bij calamiteiten de olie uit de leeglopende olietanks moeten opvangen. Dat neerknallen bleek nog niet gerobotiseerd. Maar gelukkig, dat ene hertje tussen de Mazarati’s dat de lak dreigde te beschadigen, had de jager gespaard.

Alle mooie, dure spullen die we zagen waren bestemd voor het Europese achterland. Maar wat gebeurde er met de containers als ze eenmaal waren geleegd? In Jonathan Watts’ “When a Billion Chinese Jump’ valt te lezen hoe de containers in Rotterdam gevuld worden met afval. In Zuidoost-China, in Guangdong, arriveert al dat ‘foreign rubbish’ van een dolgedraaide consumptiemaatschappij om er te worden ‘gerecycled’. Watts: “Carrier bags and bottles were shipped to Shunde and Heshan from London, Rotterdam and Hong Kong for chopping, melting and remoulding into pellets. In the electronic waste communities of Guiyu and Qingyuan, old computers, televisions and home appliances from the US, Japan and South Korea were stripped down and broken up.” Watts begrijpt het wel. “In handelstermen is het zeer voor de hand liggend om afval te verschepen en elders te laten recyclen.” De schepen varen van China naar het Westen, maar dreigen leeg terug te keren. Wat is er voordeliger dan ze te vullen met soms zwaar vervuild afval? “It was cheaper to send a container of waste from London to Guangdong on an otherwise empty ship than it was to truck it to Manchester.” Het gevolg: “People in other countries were being exposed to risks and pollution that wealthy foreign consumers were not willing to accept themselves.” Watts bezoekt Guiyu, ‘s werelds grootste begraafplaats van computers. Kinderen hebben er 50 procent meer lood in hun bloed dan gezondheidsorganisaties aanvaardbaar achten. Het brengt hem tot de volgende conclusie: “Rather than cut down on consumption, which would hurt economic growth, governments encouraged citizens to recycle, which appeared to be a clean, efficient alternative to burning and landfilling. But all too often this meant sending the waste overseas, particularly to China.” We zagen het vorige week allemaal niet. In de uitzending scheen boven Rotterdam vooral de zon.

Tagged with:
 

Vies voor een hoger doel

On 20 oktober 2011, in duurzaamheid, economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The EUCO2 80/50 project’ (2011) van The University of Manchester:

Het kwade getwitter van rechtse politici over het artikel van Marcel aan de Brugh in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag hield niet over. In ‘Groen? Onzin. We leven in een vies land’ noteerde de journalist Aan de Brugh dat Nederland viezer is dan Roemenië, Italië of Polen. “Nederland is een vies, grauw land.” Bron: een vergelijkend onderzoek van de stichting Natuur en Milieu op basis van cijfers van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Europees Milieu Agentschap. Aan de Brugh interviewde onder andere Ron de Wit, hoofd klimaat bij Natuur en Milieu, die er geen misverstand over liet bestaan. Nederland heeft het meest vervuilde oppervlaktewater en de hoogste concentraties fijnstof in de lucht in heel Europa. “Dat staat haaks op wat het huidige kabinet ons voorspiegelt.” Het kabinet zou hebben beweerd dat Nederland in duurzaamheid voorop loopt. Volgens De Wit bungelt ons land juist onderaan. Dit bericht beviel de regeringspartijen duidelijk niet. Vooral Jan Rotmans, hoogleraar duurzame transitie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam, moest het ontgelden. Ook hij werd door Aan de Brugh geïnterviewd. Hij ziet Nederland niet groener worden. Waarom scoort Nederland volgens hem zo slecht? “Onder andere omdat het land zo dichtbevolkt is.” Nederland is niet dichtbevolkt, maar dun verstedelijkt. “Maar het heeft net zoveel te maken met de economische historie van Nederland. De drie sectoren die de afgelopen vijftig jaar voor veel welvaartsgroei hebben gezorgd – de petrochemie, de intensieve landbouw en de logistiek – zijn een bepalende factor in de vervuiling.” Dat laatste is juist. De Nederlandse economie is vies en vervuilend. Die economie wordt gemaakt en gefaciliteerd door het Ministerie van Economische Zaken, dat maar al te graag zaken doet met gevestigde belangen: de intensieve landbouw, de petrochemie en de logistieke sector.

Fraai viel dit alles afgelopen maand vast te stellen in Hamburg, toen veertien Europese metropolen daar hun cijfers over hun hun CO2-emissies naar buiten brachten. De Universiteit van Manchester had de afgelopen twee jaar veertien Europese steden doorgelicht op hun CO2-uitstoot, de herkomst ervan, dus zeg maar hun vervuilingsbronnen: Hamburg, Glasgow, Rotterdam, Parijs, Oslo, Madrid, Porto, Helsinki, Turijn, Napels, Brussel, Stockholm, Frankfurt en Stuttgart. Rotterdam scoorde veruit het slechtste. “This is because the energy industry ( mostly petroleum refineries) dominates the Rotterdam emissions inventory largely because it is an energy-intensive sector.” In het geval van Rotterdam hangt alles af van de olie-industrie of de stad zijn reductiedoelstellingen (80 procent minder) zal realiseren. “It is recognized that different sectors have differing abilities to reduce their emissions and therefore regions with differing economic make ups, affluence, industries and access to renewable resources are likely to seek differing emissions reductions.” Waarop de Britse onderzoekers laten volgen: “This is notable in the case of the City of Rotterdam, where its emissions were dominated in 2005 by the petroleum refineries in the region.”  De stad is veruit de vieste stad omdat ze olie raffineert voor een Europese markt, zeeschepen ontvangt die olie verstoken en transport naar het achterland organiseert dat de lucht ernstig vervuilt. “The majority of Rotterdam’s emissions are from industry and energy industry.” (…) “Due to the slow rate of capital stock turnover, lack of financial and technical resources, and limitations in the ability of businesses to access and incorporate technological information, decarbonisation can be harder than it appears.” Moeilijk te tackelen dus, die Rotterdamse problemen, en daarom is Rotterdam nu al verexcuseerd. Net als de rest van Nederland. Het vieste land van Europa.

Tagged with:
 

Proefwonen

On 12 september 2011, in demografie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen op Grotevier.nl op 11 september 2011:

Afgelopen augustus werd het Nederlandse komkommernieuws heel even beheerst door het Haagse feestje van de verwelkoming van de 500.000-ste inwoner. Den Haag gaf aan heel graag te willen groeien. Sinds kort organiseert de gemeente zelfs ‘proefwonen’. Belangstellenden mogen dan een weekje in Den Haag komen wonen op kosten van de gemeente: om te ervaren hoe leefbaar en aangenaam Den Haag wel niet is; de wethouder ontvangt ze zelfs met een ontbijt. Even kreeg ik de indruk dat het hier gaat om een wedloop tussen gemeenten, waarbij Den Haag een sprintje trekt. Een grafiek die de demograaf van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam me na zijn vakantie aanreikte, sterkte me in dat vermoeden.

Drie van de vier grote steden groeien de laatste tien jaar relatief sneller dan de rest van Nederland; alleen Rotterdam daalde gestaag in inwonertal, zij het dat de havenstad de laatste drie jaar toch weer een positief saldo laat zien. (let op, Rotterdam dankt zijn recente groei aan een fusie met de buurgemeente Rozenburg). Van de vier grote steden groeit Amsterdam in absolute zin het snelst, sinds 2010 ook relatief. Grote concurrent was steeds Utrecht, maar de hoofdstad loopt nu ook snel uit op de ‘draaischijf van Nederland’. Het is een opmerkelijk gegeven, dat inderdaad het gevoel oproept van een race om zieltjes. Ben benieuwd wanneer Amsterdamse en Utrechtse raadsleden gaan voorstellen om ook bij hen in de gemeente ‘proefwonen’ te introduceren. Nee sterker, alle gemeenten en provincies in Nederland zullen waarschijnlijk binnenkort overgaan op ‘proefwonen’, want zo is Nederland. Het resultaat zal zijn dat alle Nederlanders binnenkort gratis wonen, met een gratis ontbijt, in een andere gemeente – proefwonen als een grote happening. Zijn de problemen van de woningmarkt en de krimp in één keer opgelost. Den Haag, zet hem op!

Tagged with:
 

Veranderingen mogelijk maken

On 15 juli 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 14 juli 2011:

Mooie, secure lezing van Stefan Gall in de Zuiderkerk. Onderwerp: de nieuwe stedenbouw. Gall, directeur van Quadrat en sprekend als professional, bakende de stedenbouwkundige discipline stevig af. Hij zette vooral piketpaaltjes bij de architectuur. Die ging over het maken van dingen, zei hij, de stedenbouw daarentegen gaat over het mogelijk maken van veranderingen, over het scheppen van condities. Stedenbouw gaat over flexibiliteit. Het voorbeeld dat hij vervolgens noemde, was het Wederopbouwplan van Rotterdam en de nieuwbouw van de Bijenkorf van Marcel Breuer die niet bij de gedachte stedenbouwkundige ritmiek van de Coolsingel wilde aansluiten. De architect Breuer ontwierp gewoon een doos. Het was de kunstenaar Naum Gabo die uitkomst bood door met zijn kunstwerk de ritmiek te respecteren. Tja. Het Modernisme, zei hij, voegde zich naar de architectuur en bedreef de stedenbouw van de montage. De traditionele stedenbouw ging uit van het boetseren, waarbij de architectuur zich naar het stedenbouwkundige weefsel had te voegen. Het Berlijnse wederopbouwplan vormde van die laatste een mooie illustratie. Drie gradaties van flexibiliteit in de stedenbouw onderkende hij: het zoning plan als het meest abstracte, de guidelines bewandelden een middenweg, het precieze plan dat alles gedetailleerd voorschreef, was iets als het Amerikaanse new urbanism. Gall bekende zich tot de school van de guidelines. Die school bood zijns inziens voldoende flexibiliteit.

Na een uitstapje naar Berlijn toonde Gall meer Rotterdamse voorbeelden. Het ontwerp van de Kop van Zuid beschouwde hij in zekere zin een hoogtepunt. Als ambtenaar in dienst van de gemeente Rotterdam had hij er eind jaren ‘80 stevig aan meegewerkt. De maquette beschreef hij in euforische termen: gedetailleerd uitgewerkt, op zonlicht, waterhuishouding en milieu nauwgezet doorgerekend, ook financieel helemaal kloppend gemaakt: de grex van dit miljarden euro’s kostende masterplan was helemaal sluitend gemaakt. Later zou echter alles anders worden – Gall vertelde over de ontspannen Rotterdamse markt die het plan niet bepaald voedde – waardoor de stedenbouwkundigen weer aan de slag hadden gemoeten: de woonbebouwing moest verhuizen van de middenstrook van de Wilhelminapier naar de zijde van de Rijnhaven, de MAB wilde met crisisgeld van de gemeente 150.000 vierkante meter massieve Koolhaas bouwen, Lantaarn/Venster verhuisde naar de overkant, enzovoort. De stedenbouwkundige vond er steeds een oplossing voor. Blauwdrukplanning wilde hij het niet noemen, integendeel. De maquette die hij toonde wekte echter op zijn minst de indruk dat hier wel degelijk van een blauwdrukplanning sprake was. Toen ik ernaar vroeg, ontkende hij het in alle toonaarden. De maquette had slechts als verleiding gediend, zei hij, als bewijs dat het werkelijk kon. Zonder de maquette was de beslissing tot het bouwen van de Kop van Zuid nooit genomen. Dat het later niet bleek te kunnen – omdat er zoveel overheidsgeld bij moest en er geen markt voor bleek te zijn en het plan meermalen op de helling moest -, deed daar niets aan af. Het bewees in zijn ogen dat stedenbouw flexibel is. Stedenbouw gaat immers over het mogelijk maken van veranderingen. Hoe flexibel kan je zijn? Verleiding en misleiding liggen soms dicht bij elkaar.

Tagged with:
 

2.939 wolkenkrabbers

On 13 mei 2011, in hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 18 april 2011:

Gek. “Hoog wonen heeft de toekomst,” schreef NRC Handelsblad in bijlage Lux van vorige week. Journalist Arjen Ribbens wist te vertellen dat volgens de Nota Ruimte in 2040 zo’n tien procent van de 200.000 te bouwen woningen in de Randstad uit hoogbouw zal moeten bestaan. Die rijksinstructie was mij nog niet bekend. Toch herinner ik me de vorige minister, Jacqueline Cramer, iets debiteren over de noodzaak van hoogbouw in de Randstad om het Groene Hart open te houden.  Enfin, “Rotterdam is nu nog de enige Nederlandse stad met een ‘hoogbouwklimaat’. Maar Den Haag, Leeuwarden, Arnhem en Tilburg werken aan hun skyline.” Aldus Ribbens. Een panorama vanuit de Red Apple in de Rotterdamse Wijnhaven staat boven het artikel afgedrukt. Tot de top tien van steden in de EU met hoogbouw prijkt Parijs bovenaan. De Franse hoofdstad telt op dit moment 112 torens van 90 meter en hoger. Londen volgt met 49 torens. Rotterdam staat op plaats vijf, met 29 torens, na Benidorm met 35 torens. De Nederlandse hoofdstad noemt Ribbens niet, maar blijkens een figuur telt Amsterdam liefst 27 torens, vijf meer dan Den Haag, en slechts twee minder dan Rotterdam. Over het hoogbouwklimaat van Amsterdam zullen we, net als Ribbens, maar zwijgen. Terecht, want vrijwel al die torens blijken daar, net als in Den Haag overigens, kantoortorens te zijn. En die staan leeg. Jan van V. kan u er meer over vertellen.

Het artikel herinnerde me aan een verslag in The New Yorker van twee weken geleden waarin Evan Osnos op hilarische wijze verslag doet van een reis van Chinese toeristen naar Europa. De reis, met als thema ‘’Classic Europe’, voert van de luchthaven Frankfurt via het Duitse Trier (geboortehuis van Karl Marx) en een overnachting in Luxemburg, naar Parijs. “I dozed off, and awoke on the outskirts of Paris. We followed the Seine west and passed the Musée d’Orsay just as the sun bore through the clouds. Li shouted: “Feel the openness of the city!” Cameras whirred, and he pointed out that central Paris had no skyscrapers. “In Shanghai, unless you’re standing right next to the Huangpu River, you can’t get any sense of the city, because there are too many tall buildings.” Europeans, he added, “preserve anything old and valuable.” Volgens de statistieken in NRC Handelsblad telt Shanghai op dit moment 549 wolkenkrabbers. Dat is vijfmaal Parijs, maar een fractie van topper Hongkong, met 2.939 wolkenkrabbers. Hongkong heeft – hoe zal ik het zeggen? – een echt ‘hoogbouwklimaat’.

Tagged with: