Unequal geography

On 31 oktober 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op CityLab (The Atlantic) van 20 oktober 2014:

Are big successful cities the new normal?” Dat vraagt de Canadees-Amerikaanse economisch geograaf Richard Florida zich af naar aanleiding van nieuw onderzoek van Josh Lehner naar werkgelegenheidsgroei tussen 2007 en 2013 in Amerikaanse steden. Een artikel van zijn hand stond onlangs te lezen op CityLab. De bestudeerde periode betreft die van de economische crisis, die volgens Florida een ‘great reset’  is waarin alles anders wordt. Wat er zoal anders is geworden? Volgens Lehner, werkzaam bij het Oregon Office for Economic Analysis, zijn het de sterker wordende agglomeratievoordelen. Alle Amerikaanse steden, schrijft hij, werden hard geraakt in de eerste jaren van de crisis, maar daarna veerden ze op. Echter, vooral de grote steden met meer dan 1 miljoen inwoners creëerden toen meer banen, beduidend meer dan de kleinere steden.

Bezien over een langere periode blijkt dat tot 1995 de kleinere steden nog relatief meer banen schiepen dan de grote, maar daarna verandert dit. Tot 2008 doen de grote het niet slechter dan de kleine, waarna de grote metropolitane gebieden consequent beter gaan presteren. Die tussenperiode van gelijke groei was volgens Lehner het gevolg van de door de Amerikaanse overheid aangejaagde hypotheekmarkt met goedkope leningen, waarvan vooral de kleinere steden profiteerden en die ook mensen uit de steden heeft weggezogen. Maar in de crisis houdt deze bevoordeling op. Dan wordt zichtbaar dat de grote metropolen het gewoon beter doen. Lehner wijt dit aan hele sterke agglomeratievoordelen. Florida: “Larger metros, it seems, are the main beneficiaries from the ongoing clustering of talent, industry and investment that are part and parcel of our increasingly spiky and unequal geography.” Het is nog even wennen. VINEX bevoordeelde de kleinere steden in ons land, maar de grote steden presteren economisch gewoon beter. Jammer alleen dat onze grote steden relatief klein zijn. Waren ze groter, dan had onze economie het beter gedaan.

Tagged with:
 

Success breeds inequality

On 12 juni 2013, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic Cities van 30 januari 2013:

Hoogopgeleiden trekken samen in een beperkt aantal steden, de andere steden verarmen of lopen leeg. Dat gebeurt in Europa, maar vooral in de Verenigde Staten. We noemen dat: ‘Success breeds success.’ In goede Nederlands: ‘de duivel schijt op de grote hoop’. Jaap van Till en ondergetekende schreven er al over in ‘Verbonden netwerken’, een publicatie van het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, mei 2002. In datzelfde jaar beschreef Richard Florida het verschijnsel in ‘The Rise of the Creative Class’. Nu, tien jaar later, is het een feit. Florida opende onlangs een debat over de schaduwkanten van deze sociale uitsortering in ‘The Atlantic’. In ‘More Losers Than Winners in America’s New Economic Geography’ beschrijft hij hoe steden als Washington, Boston, San Jose, Raleigh-Durham en San Francisco steeds meer hoogopgeleiden trekken, terwijl andere Amerikaanse steden nauwelijks van deze ontwikkeling profiteren. In Nederland gebeurt hetzelfde. Hoogopgeleiden trekken samen in Amsterdam en in mindere mate in Utrecht, Groningen en Maastricht, de andere steden blijven zitten met lageropgeleiden.  “At first blush, everyone seems to profit from the clustering and sorting of talent.” Salarissen stijgen van zowel de creatieven als de dienstverleners en de industrie-arbeiders. Maar de status van creatieve metropool is niet alleen begerenswaardig; ze blijkt gepaard te gaan met een venijnig sociaal probleem.

Door het succes prijzen de creatieve steden zichzelf uit de markt. Vooral het woongenot wordt er flink duurder. Door hun salarissen te verminderen met de huisvestingskosten ontstaat een reëler beeld van de welvaart van individuele huishoudens. Wat blijkt? Onder de creatieven is nog steeds sprake van een stijgende lijn. Maar onder de dienstverleners en de industrie-arbeiders daalt juist het netto besteedbare inkomen als gevolg van de snel stijgende woonlasten, ook al gaan ze er in salaris op vooruit. Lager opgeleiden profiteren daardoor niet tot nauwelijks van het succes van het creatieve milieu waarin ze verkeren. Er ontstaat een kloof. De voordelen van het wonen en werken in succesvolle steden als Washington en San Francisco komt eigenlijk alleen ten goede aan de hoogopgeleiden, niet aan de gewone man. Wat te doen?Eigenlijk is het heel simpel. De lonen van de laagstbetaalden in de dienstensector zouden verder moeten stijgen door betere scholing. En voor succesvolle steden zit er niets anders op dan meer goedkope woningen te bouwen, ook al hongert de creatieve klasse er vooral naar dure appartementen. Dat geldt dus ook voor Amsterdam. Ten slotte moeten we niet vergeten dat ook de allerarmsten profiteren van de voorzieningen in de grote stad.

Tagged with:
 

Veerkracht

On 19 november 2012, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 16 november 2012:

Bij het in ontvangst nemen van de Maaskantprijs afgelopen vrijdag in Rotterdam typeerde de stadssocioloog Arnold Reijndorp zichzelf als ‘een loopjongen’. Hij was, zei hij, steeds loopjongen geweest tussen architectuur en sociologie. Reijndorp: “Hoewel ik moet zeggen dat architecten en stedenbouwkundigen ontvankelijker blijken te zijn voor sociologische inzichten dan sociologen voor opvattingen van architecten en stedenbouwkundigen.” De jury die hem de prijs toekende vond zijn werk juist nu relevant, omdat de context van bouwen en wonen is veranderd van uitbreiden naar transformeren, waarbij de behoeften van mensen centraal zijn komen te staan. Met thema’s als het alledaagse gebruik van de stad, nieuwe netwerken in de stad en het functioneren van het publieke domein “reikt Reijndorp waardevolle instrumenten aan voor de ontwerppraktijk van architecten en vooral stedenbouwkundigen.”

Reijndorp hield daarop een schitterende rede. Echter, waarom hij daarbij zo afgaf op de persoon van Richard Florida was me niet duidelijk. Het had zelfs iets verbetens. Zelf zei hij het zo: “De vitaliteit van een stad is verbonden met diversiteit in sociaal, economisch, cultureel en ruimtelijk opzicht. Het is dan ook de vraag of het wedden op het ene paard van de creatieve kenniseconomie wel zo verstandig is.” Herwaardering van de stad is omgeslagen in overwaardering, voegde hij eraan toe. Liever sprak hij van de veerkracht van een stad. Die kan aan andere zaken worden afgemeten dan de drie T’s: Talent, Technologie, Tolerantie. Het klonk alsof Reijndorp de ‘creatieve steden’ hun succes niet gunde en Richard Florida om zijn roem benijdde. Ik kan me er alles bij voorstellen, maar die veerkracht en die aandacht voor ‘gewone mensen’ lijken me toch andere, niet minder interessante onderwerpen. Londen, Parijs en in zekere zin ook Amsterdam, zou je kunnen zeggen, hebben hun veerkracht al bewezen; hun economieën zijn hoogwaardig en creatief gebleken, precies zoals Richard Florida die eigenschappen tien jaar geleden typeerde, overigens met nog steeds een arme onderkant. Florida aanrekenen dat woningcorporaties en gemeentebesturen zijn visie verhaspelden mag natuurlijk niet. Wedden op dat ene paard? Ook Florida noemde destijds diversiteit en het tegengaan van segregatie als belangrijke voorwaarden.

Tagged with:
 

Mislukt experiment?

On 26 september 2012, in cultuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 23 juni 2012:

Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef op de opiniepagina van NRC Handelsblad dat de stad gevaar loopt. Torenhoge schulden zouden zijn opgebouwd om de creatieve klasse te lokken. Later herhaalde hij zijn dreigende woorden in een essay in een recente bundel opstellen van het Planbureau voor de Leefomgeving. “Wandel willekeurig welke Nederlandse stad binnen en je struikelt over de bouwputten. (…)” Zijn woede richt zich met name op de geograaf Richard Florida, die lokale bestuurders gek zou hebben gemaakt met beloftes van groei als ze maar voor een creatieve klasse zouden bouwen en die steden heeft opgezadeld met ‘megalomane paradeprojecten’. Die bestuurders, schrijft hij, zijn allemaal gaan geloven dat als je maar chique museumkwartieren bouwt en parken aanlegt, de mensen en de bedrijven vanzelf komen. Niet dus. “Terwijl de bankier en de vastgoedjongen genieten van een vroeg pensioen, betaalt Jan Modaal het gelag. Werkloos, de gevangene van zijn worghypotheek, met ouders en kinderen die schraalhanserige zorg en onderwijs ontvangen, mag hij tot in lengte van jaren opdraaien voor Florida’s mislukte experiment. Dat de steden van Zutphen tot Amsterdam vol staan met prijswinnende musea, bibliotheken en stations is niet meer dan een schrale troost.”

Ik moest aan zijn tirade denken toen ik vorige week maandag Dordrecht bezocht. Die stad, met ruim honderdduizend inwoners, investeert op dit moment voor zeker honderd miljoen euro in cultuur. Zo is de oude watertoren veranderd in een hotel, is het Dordrechts museum uitgebouwd met een nieuwe vleugel, worden bioscopen gebouwd in historische panden in de binnenstad, wordt het voormalige gebouw van het Gemeentelijk Energiebedrijf aan de Noordendijk omgebouwd tot cultuurpaleis voor de podiumkunsten, verandert het pand De Holland van 1859 van Sybold van Ravesteyn in een nationaal onderwijsmuseum, wordt een historisch museum gevestigd in Het Hof van Dordrecht en is Schouwburg Kunstmin van diezelfde Van Ravesteyn uitgebreid met een nieuw achtertoneel. Last but not least wordt er met financiële steun van de gemeente een University College gevestigd in de historische binnenstad. De publieke investeringen worden gedaan in crisistijd. Engelen, die zelf keer op keer een Keynesiaanse stimuleringspolitiek bepleit, zal het wel rekenen tot Florida’s mislukte experiment, maar ik sluit niet uit dat Dordrecht zich op deze manier uit de crisis werkt. Den Bosch, Deventer, Amsterdam, Groningen, Middelburg en Maastricht gingen haar voor.

Tagged with:
 

Sportieve rivalen

On 3 februari 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 2 februari 2012:

Amerikanen zijn gek van sport, dat is bekend. Sommige Amerikaanse steden zijn nog extremer als het aankomt op sport en sportbeoefening dan andere. Tijdens mijn korte verblijf in Boston, Massachusetts, viel het me al op. Alles lijkt in die stad aan de Oostkust te draaien om wedstrijden, clubs, stadions en toernooien. De lokale aanhang beweegt mee met het seizoen. In de winter is ijshockey favoriet en loopt iedereen uit voor de Boston Bruins; ‘s zomers is het eerder honkbal en basketbal, en staat heel Boston in het teken van de Patriots en de Boston Celtics. Ook de universiteiten hebben hun eigen studentenclubs en hun eigen stadions. Het stadion van Boston College is bijvoorbeeld groter dan de Ajax Arena in Amsterdam. Prijzenkasten beslaan er hele verdiepingen en iedereen eert de lokale helden. Sportheld ben je hier voor je hele leven. Hoe anders is dat bij ons.

In het nieuwste nummer van The Atlantic wijst de Amerikaanse econoom Richard Florida op het feit dat sport sterk gebonden is aan de grootste steden. De verschillen tussen steden zijn, als het aankomt op sport, echter veel extremer dan als het gaat om economie of cultuur. De ene stad presteert uitzonderlijk, terwijl de andere nauwelijks meetelt. Zo ontdekte Florida dat de zone Boston-New York-Washington veruit de kroon spant als het gaat om het winnen van kampioenschappen, de zone van Chicago-Detroit-Cleveland-Pittsburgh blijkt een goede tweede. Nummer drie en vier zijn al veel kleiner. Nee, de sportprestaties blijken tussen steden zeer ongelijk verdeeld. De Amerikaanse topsport wordt beheerst door de rivaliteit tussen het kleine Boston en de reus New York. Die rivaliteit verwijst ver terug in de Amerikaanse geschiedenis, toen de twee steden nog wedijverden om de macht binnen de jonge Republiek. In de afgelopen jaren was het Boston dat zijn grote buur aftroefde. Ja, dat is sport: een sportstad kun je niet maken door een stadion te bouwen en een club financieel te ondersteunen. Die sportieve status heeft hele sterke historische wortels, aardend in een geschiedenis van stedelijke macht en rivaliteit.

Tagged with:
 

Boston bijvoorbeeld

On 19 september 2011, in benchmarks, economie, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 15 september 2011:

Komt het doordat mijn oudste dochter sinds deze zomer in Boston, USA, studeert? Allemachtig, wat heeft ze het naar haar zin! Naar Nederland, zegt ze, wil ze niet meer terug. Iedereen is er zo eager, heel anders dan in Amsterdam. In de rangorde van ‘s werelds krachtigste stedelijke economieën die The Atlantic afgelopen week publiceerde, zag ik dat Boston inderdaad op plaats 6 staat, na Tokio, New York, Londen, Chicago en Parijs. Boston is ongeveer zo groot als Amsterdam, maar presteert vele malen beter dan de Nederlandse hoofdstad. Sterker, Amsterdam komt in de hele top vijfentwintig niet voor. Interessant is dus om te zien waarom de Amerikaanse stad van nog geen miljoen inwoners, gelegen op ruim drie uur treinen van de metropool New York (vergelijkbaar met Amsterdam-Parijs), het zo opvallend goed doet. Boston heeft in ieder geval geen groot vliegveld, geen grote haven, geen greenport, geen mainport. Is het eagerness?

Eerst de cijfers. Qua innovatie scoort de stad waanzinnig goed (wereldwijd een verdiende plaats 6); als financieel centrum scoort ze 655, dat is vergelijkbaar met Parijs maar minder dan Hong Kong; de economische output van de stad bedraagt 290 miljard dollar (dat is de helft van Parijs, met 460 miljard dollar, maar meer dan rivaal Hong Kong, met 211 miljard dollar). De vergelijkende cijfers zijn gegenereerd door Richard Florida – wat ze precies behelzen kan ik vanaf hier niet helemaal doorgronden, maar dat maakt ook niet uit. De relevante vraag is: hoeveel zou Amsterdam op al deze punten scoren? Beduidend minder dus. Eigenlijk weten we het wel. Boston is de stad van Harvard University, van MIT (Massachusetts Institute of Technology), Boston University en Boston College. Vier imposante universiteiten. Qua intellect en menselijk kapitaal is de stad vele malen krachtiger dan Amsterdam. En talent trekt talent, talent trekt bedrijven, of beter, lokaal talent creëert lokale bedrijven. Boston hoeft niet de halve wereld af te reizen om filialen van internationale hoofdkantoren naar zich toe te halen. Ze creëert haar eigen, lokale economie. Boston hoeft ook geen miljoenen transferpassagiers te accommoderen om met de wereld verbonden te zijn. Al die verbindingen zijn niet zo relevant. Als er één stad in de wereld is waar Amsterdam zich aan zou moeten spiegelen, dan is het Boston. Waar blijft die hoogwaardige technische universiteit die de hoofdstad in 1963 was beloofd maar die er nooit is gekomen? Dit schrijf ik vanuit Wenen, de stad die mij gevraagd heeft te adviseren. Wenen staat op plaats 22.

Tagged with:
 

Een lesje in nederigheid

On 22 juli 2011, in benchmarks, economie, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 21 juli 2011:

metro-map.png

Verrassend nieuw vergelijkend onderzoek van Richard Florida verscheen deze week in The Atlantic. In ‘If U.S. Cities Were Countries, How Would They Rank?’ vergelijkt de Canadese econoom de omvang van economieën van Amerikaanse steden met economieën van natie-staten elders in de wereld. Het is een lesje in nederigheid voor landen die denken dat zij iets voorstellen. Zo blijkt de economie van Boston even groot als die van Denemarken; de economie van New York is zo groot als die van Canada. De economie van Atlanta is even omvangrijk als die van Colombia en die van Dallas blijkt even groot als die van Argentinië. De economie van Chicago heeft de omvang van die van Zwitserland, die van Philadelphia die van Zuid-Afrika en de economie van Houston is even groot als die van Oostenrijk.

Wilt u nog meer weten? De economie van Los Angeles is even groot als die van Nederland. Dus waarom zou de Amerikaanse president de Nederlandse premier willen ontvangen? De burgemeester van LA zou daar eerder voor in aanmerking komen. En het werpt ook een nieuw licht op de kandidatuur van Amsterdam of Rotterdam voor de Olympische Spelen van 2028: deze steden hebben de economie van het hele land nodig om zich met Los Angeles, Londen of Peking te meten. Steden zijn dikwijls belangrijker dan staten, maar niet altijd. Hun politieke invloed in de wereld zou veel groter moeten zijn.

Tagged with:
 

VINEX op krediet

On 22 juni 2011, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 mei 2011:

In ‘De huizenmarkt als monetair verschijnsel’ analyseert Maarten Schinkel de ontwikkeling van de Nederlandse woningmarkt sinds de vorige crisis, die van de jaren zeventig. Toen knapte de zeepbel, die was opgeblazen door de zogenaamde ‘groeihypotheken’. Kredietverlening had de huizenprijzen tot grote hoogten opgejaagd. Er volgde een diepe val. Echter, alsof er niets geleerd was, deed datzelfde verschijnsel zich later, in de jaren negentig, opnieuw voor. Eerst mocht het tweede inkomen zwaarder meetellen bij de berekening van de maximale hypotheek, vervolgens introduceerden de banken de spaarhypotheek, gevolgd door de beleggingshypotheek, en ten slotte, toen het beleggen tegenviel, de aflossingsvrije hypotheek. Opnieuw stegen de huizenprijzen tot bizarre hoogten. Overal in Nederland werd stevig gebouwd. “Een van de meest intrigerende raadsels van de economie in de afgelopen kwart eeuw is intussen de almaar gestegen geldhoeveelheid.” Schinkel rekent voor: in 1986 bedroeg de geldhoeveelheid nog 65 procent van het bruto binnenlands product. In 2010 was ze gestegen tot liefst 126 procent. “Er zit, door de zeer sterke stijging van de huizenprijzen sinds de markt halverwege de jaren tachtig aan zijn herstel begon, een forse hoeveelheid kapitaal aan al dan niet verzilverde overwaarde in de woningmarkt. Het kan toeval zijn, maar het bedrag komt aardig overeen met de overtollige geldgroei.” Kredietverlening speelde in de huizenhausse van de afgelopen twintig jaar dus een belangrijke rol. Anders gezegd, het VINEX-programma van de jaren negentig en de jaren nul is grotendeels met geleend geld gebouwd. VINEX blijkt achteraf gewoon fake.

“It’s obvious now that housing was an unsustainable engine of economic growth. Too many cities lacked the economic base and productivity to support high housing prices.“ Tot die conclusie komt de Amerikaanse econoom Richard Florida in zijn nieuwste boek. In ’The Great Reset’ (2010) laat hij zien dat sommige landen door te royale kredietverstrekking domweg veel te veel hebben gebouwd. Achteraf beschouwd blijken ze totaal ‘overstretched and overbuilt’.  Florida: “The syndrome spilled over to the public sector. Cities grew, tax coffers filled, spending increased, and the people just kept coming. Yet the boom neither followed nor resulted in the development of sustainable, scalable, highly productive industries or services. It was fuelled and funded by housing, and housing was its primary product. In this debt-intoxicated, crazy real estate bubble era, whole cities and metro regions became giant Ponzi schemes.” Het lijkt erop dat er niet alleen in landen als Spanje, Ierland en Griekenland teveel woningen op de verkeerde plekken zijn gebouwd, ook Nederland deed aan het monetaire spelletje mee. In veel regio’s was misschien helemaal geen sprake van economische groei. Ben benieuw hoe dit afloopt. Laat de bevolkingskrimp maar komen!

Tagged with:
 

A tale of two housing markets

On 27 januari 2011, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 25 januari 2011:

De huizenprijzen in Amerika lijken zich enigszins te herstellen. Echter, het herstel verschilt nogal per stad. Richard Florida publiceerde deze week in The Atlantic de cijfers van twintig belangrijke Amerikaanse steden over de afgelopen maand. De index die hij gebruikt meet de cijfers af aan de huizenmarkt in het jaar 2000, dus van ver voor de kredietcrisis, door Florida consequent aangeduid als The Great Reset. De slechtste prestaties leverden nog altijd Las Vegas, Phoenix, Miami, Atlanta en Detroit, de beste kwamen voor rekening van Dallas, Denver, Boston, New York, Seattle en Portland, Oregon. Ze weerspiegelen de staat van de stedelijke economie. “As the Great Reset continues, it’s clearer than ever that there are two distinct housing markets in the U.S. In the bubble cities and hard-hit rustbelt regions, the market has seen steep decline and may continue to weaken.  But in knowledge-driven metros, tech centers, and big, dense cities, the market has stabilized and in some cases may be starting to rebound.”

Nederland is een klein land en telt voornamelijk kleine steden. Cijfers voor de verschillende steden berekenen heeft hier niet veel zin. Bovendien worden verschillen tussen regio’s opzettelijk gemaskeerd door rijksbeleid dat verdelende rechtvaardigheid in de woningmarkt propageert en ook door een overgereguleerde, dus verstopte woningmarkt. Aannemelijk echter is dat er ook bij ons wel degelijk sprake is van een tweedeling, waarbij de economisch zwakke regio’s overwegend lagere prijzen rekenen en de tech centers en kennissteden beduidend hogere prijzen. Ondanks alle pogingen van de regering om verschillen te maskeren, gelden de allerhoogste prijzen in Amsterdam. Gek dat er in de hoofdstad zo weinig wordt gebouwd. Niet goed voor de motor van de Nederlandse economie.

Hub Cities

On 15 juni 2010, in internationaal, regionale planning, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’The Great Reset’’ (2010) van Richard Florida:

Niet dat het suburbane leven een illusie is die zal opdrogen. Dat gelooft de Amerikaans-Canadese econoom Richard Florida zeker niet. Weinigen zullen hun comfortabele twee-onder-een-kapper met SUV in de garage opgeven en terugkeren naar de stad. “It’s a mistake to consider suburbanization a backward step and impugn it wholesale, with the catchall slur of ‘sprawl’, and to see only more compact, urban-style back-to-the-city development as a path of the future.” Wel beginnen de voormalige voorsteden te verdichten en, naast overwegend wonen, nieuwe functies aan te trekken. Bewoners van deze dun bevolkte gebieden beginnen ook stedelijk gedrag te vertonen: ze gaan uit eten, pakken een bioscoop, bezoeken trendy plekken, rijden minder auto. Ze worden min of meer onderdeel van de kernstad. De bewoning van de suburbs gaat ook niet meer ten koste van de kernsteden, maar vormt een aanvulling op het grootstedelijke leven voor nieuwe groepen die zich aangetrokken voelen tot de grote stad. Zo ontstaat een nieuw patroon van urbanisatie, van reusachtige stedelijke megaregio’s die vaak landsgrenzen overschrijden. Deze megaregio’s zuigen het omringende land met zijn plattelandskernen leeg; ergens midden in deze megaregio’s vormen zich nieuwe, krachtige centra: dit zijn de ‘’hub cities’’. Deze steden groeien gemiddeld sneller dan de andere steden, de huizenprijzen zijn er gemiddeld hoger, hoger zelfs dan in de rijke voorsteden. Dus terwijl in het zuiden van de Verenigde Staten in veel steden leegstand ontstaat en mensen beginnen weg te trekken, groeien in het westen en noordoosten de productieve megaregio’s, met steden als New York, Boston, San Francisco en Washington DC als de krachtige hub cities.

Florida ziet hetzelfde patroon in Europa. Vooral in het noordwesten van Europa vormen zich krachtige megaregio’s, met Londen, Parijs, Amsterdam, Frankfurt en Zürich als nieuwe hub cities. Het zijn deze steden die een enorme aantrekkingskracht uitoefenen op jonge getalenteerde mensen. Iedereen probeert min of meer in de nabijheid van deze steden te wonen. Hij verwacht dat dit ruimtelijke patroon zich in de crisis alleen maar sterker zal profileren. “Because of their size, diversity, and regional role, these megaregion hubs have been better buffered from the recent economic crash than other regions, especially manufacturing-dependent areas and places where prosperity was tied to a single transient phenomenon, such as the housing-driven boom of the Sun Belt.” Opvallend is dat hub cities open zijn en goed verbonden met de rest van de wereld, in staat veelsoortige bedrijven aan zich te binden die eerder gevestigd waren in de kleinere steden in hun omgeving. Iedereen wil er ineens wonen. Fascinerend.