Staatserfgoedwerken

On 30 november 2016, in regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De herbestemming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie’ (2016) van Koen Raats:

kaart1

Op 7 oktober 2016 promoveerde planoloog Koen Raats aan de Universiteit van Amsterdam op de herbestemming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Promotor: Willem Salet. Raats onderzocht hoe een groot aantal partijen heeft samengewerkt aan de herbestemming van een reeks leegstaande forten, sluizen en voormalige inundatiegebieden in de langgerekte zone van het IJmeer tot aan de Biesbosch. Noem het project van de Waterlinie gerust ambitieus. Het plangebied bestrijkt een strook land tweemaal de lengte van de Afsluitdijk. De Waterlinie zou dan ook al snel uitgroeien tot het paradepaardje van de nota Belvedere, een rijksnota uit 1999 die, aldus Raats, “voor een fundamentele verandering heeft gezorgd in het denken over en werken met erfgoed.” Belvedere wilde niet sectoraal en niet op behoud gericht opereren, maar het erfgoed inzetten voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens Raats is dat gelukt. Er werden integrale plannen geproduceerd voor de hele waterlinie. Echter, een intern gerichte project-oriëntatie ging ermee gepaard die behoorlijk ingewikkeld was en die veel afstemming tussen tal van overheden vergde. Burgers en gemeenten voelden zich buitenspel gezet en de waterlinie werd sterk afhankelijk van rijkssubsidies.

Was dit te voorkomen geweest? Ik vroeg het aan Raats tijdens zijn verdediging. Hij meende van niet. De forten, zei hij, waren rijksbezit en forten zijn nu eenmaal lastige dingen om te herbestemmen. Mij deed het planproces op deze schaal eerder denken aan grote ingenieurswerken zoals de Zuiderzeewerken en de Deltawerken, dat wil zeggen aan rijksdiensten die zich ontfermen over een groot stuk Nederland en lagere overheden en burgers gemakkelijk opzij zetten, overtuigd als ze zijn van de goede bedoelingen van hun grote werken, dan aan een normale gebiedsontwikkeling. Ook de rol van de ontwerpers herinnerde sterk aan de Rijksdienst IJsselmeerpolders, de Rijkswaterstaat, de Landinrichtingsdienst en Staatsbosbeheer. De collectieve acties die Raats in zijn proefschrift nauwgezet beschrijft hebben, kortom, een hoog-modernistisch karakter, zijn sterk top-down gericht, kosten veel geld, getuigen vooral van een benadering van een overheid die weliswaar het beste met ons voorheeft, maar die gemeenten negeert. Ongerijmd en zeker in erfgoedkringen, waar particuliere eigenaren van monumentale panden en landgoederen de toon zetten, ongehoord. Raats dekt het toe. Misschien is hij tevreden met het resultaat. Lezen dat boek, te bestellen bij www.inplanning.eu!

The real blind spot

On 13 mei 2016, in landschap, regionale planning, by Zef Hemel

Read in ‘Blind spot’ (2016) of Vereniging Deltametropool:

Got a free copy of ‘Blind spot’, a Dutch glossy on metropolitan landscapes. Huge pictures, huge maps, huge volume. The well designed publication “aims to illustrate the quality of a metropolitan landscape contributing to the economic success of the region by analyzing and drawing comparison from ten international case studies”: Rhein-Ruhr, London, Toronto, Rio de Janeiro, San Francisco, Paris, Johannesburg, Milan, Taipei and Deltametropolis. Deltametropolis is a summation of cities and villages in the Netherlands, totalling a number of 10 million inhabitants, which makes a territory more than double the size of the former Randstad area. That means half of the country is included, half is excluded. The authors claim the one half is a metropolis. Which it is not, of course, because it is more countryside than city, a chaotic suburban landscape filled with highways, airports, railway tracks, shopping malls, green houses, factory outlet centers, golf courses, stables, office parks. Still, the promotors think it is green and it should be protected. That’s why they are lobbying with the help of this new glossy, comparing their work with those of colleagues in London, Paris and Rio. “Do we use the metropolitan landscape to our economic advantage and do we invest enough in its development and conservation?” Apparently they want more investments in landscape designing and engineering, so they are lobbying for themselves, hoping for a strong client. And yes, Dutch landscape architects were hard hit by the financial crisis.

Distressing is how these architects and government institutions systematically misinterpret cities and governance issues of metropolitan regions. “Despite several attempts since the 1950s, the ‘Randstad’ metropolitan region in the west of the Netherlands has never produced a single metropolitan government. The rural and equalitarian spirit of Dutch politics, with preference towards several smaller independent cities as opposed to a single cosmopolitan center of power and culture, largely explains the lack of an overarching governing body.” Apparently they lack a planning background. I mean, which of the ten metropolitan regions mentioned in this glossy has an overarching governing body? Zero. Why? Because they develop themselves bottom-up. Why exaggerating the Dutch metropolis? It simply does not exist. Why asking for a strong government? Central government in the Netherlands is already too strong. The whole atmosphere of the glossy gives off an odor of strong centralized authoritarianism: a romantic yearning for large scale design interventions, big money, state power, top-down planning. Nothing learned from the crisis. That’s the real blind spot.

Tagged with:
 

Making a mess

On 23 juni 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in Het Parool of 20 June 2015:

Felix Rottenberg is a former political leader of the Dutch Social-Democratic Party (PvdA), also an anchorman on Dutch television. In his weekly column in the Amsterdam based newspaper Het Parool he reacted on my proposal to double the size of the Amsterdam agglomeration by building in higher densities. It reminded him, he wrote, of Joop den Uyl, a powerful alderman in Amsterdam in the beginning of the sixties, who wanted to transform Amsterdam into an efficient American city. While most of my collegues ridiculed me after publication, Rottenberg tried to understand. “Hemel learned all the books on urbanism by heart. He doesn’t speak nonsense, he thinks eclectically and analyses the development of megapoles, de biggest urban regions – key players in the global economy.” So Rottenberg took me seriously. But he has doubts. High rise, he states, is not livable, suggesting nobody in Amsterdam will gonna live in those apartment buildings. To illustrate his point he referred to the ‘Wolkenkrabber’ (Skyscraper) in Amsterdam, built in 1933. At first nobody wanted to live in those apartments on the top floor. Too windy. Too dangerous.

Striking how Rottenberg plays the old man, looking back on history. “Urban planning in Amsterdam has always been decided on by great designers.” Then he mentions Berlage and Van Eesteren. “His successor as the head of the department for public works, Mrs. Jacoba Mulder, who had to stop Den Uyl in his ambition to add more high rise in the Bijlmer, admitted that one had lost view on the human scale over there.” So that’s his point. Rottenberg is fearing a professional error of judgement of urban designers. “Does Hemel hear the echo of her (Mulder’s) meaningful words?” Yes, I remember Jacoba Mulder and I know what happened to the Bijlmer. I’m though not an urban designer. My concept of ‘open planning’ is based on a ‘wisdom of crowds’. Hemel fears Dutch government and provinces. This government and those provinces might keep on promoting new infrastructure, distribute ever more low density housing, office parks and shopping malls along the highways, making a terrible mess of this once beautiful country. Young people will leave if the babyboomers continue their destructive spatial-economic policy. By the way, what’s wrong with living in a comfortable flat in a city of two million inhabitants? People even love Kleiburg, de Bijlmermeer! Fifteen million can stay where they are, growing old in VINEX. No problem.

Tagged with:
 

Organisch

On 6 juli 2014, in planningtheorie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Peripheries’ (2014) van Federico Savini:

Afgelopen week promoveerde Federico Savini aan de Universiteit van Amsterdam op de planning van de grootstedelijke periferie in een aantal Europese metropolen. Zijn invalshoek: de politieke dilemma’s die planners tegenkomen als ze gemeentegrensoverschrijdend, ver buiten het centrum van de kernstad, onbestemde gebieden willen ontwikkelen. Hij vergeleek situaties in de randen van Parijs, Milaan en Amsterdam met elkaar. In Parijs betrof het de Noordoostzone, in Milaan het zogenaamde Falck-project in het noorden, in Amsterdam de planning van het Zaan-IJ-gebied. Het is een knap werkstuk geworden over spanningen, dilemma’s en opgaven die planners in deze gebieden zoal ontmoeten. Maar zijn onderzoek gaat zeker ook over experimenten en "the emergence of a new urban agenda for border areas." Want in de randen, daar vinden dikwijls de vernieuwingen plaats.

Wat me in de analyse echter stoorde was de wijze waarop Savini de experimenten met name in Amsterdam omschreef. In ‘Urban Peripheries’ vatte hij ze samen als ‘organic‘ en dat is terecht, maar de manier waarop hij die organische planning vervolgens in de tekst typeerde vond ik overwegend negatief geformuleerd. Het betreft hier volgens hem "an ill-defined project with uncertain outcomes, with no unitary agenda, no strong investments on border areas." Verderop heeft hij het over "misalignment between emerging agendas and the growth strategies," onzekerheid over beleidslijnen ook, "unclear socio-economic and territorial strategies" en "lack of proactive market actors." Dat zijn kwalificaties waar je niet vrolijk van wordt. Terwijl organisch zoveel wil zeggen als: een schitterende totaalvisie (Structuurvisie 2040) enerzijds en heel klein beginnen anderzijds, geleidelijke groei, leren, veranderen, transformeren. Het is: Natura Artis Magistra. Hoe meer planners de natuurwetten eerbiedigen, hoe beter en succesvoller hun werk. Savini: "Het woord ‘piecemeal planning’ heb ik willen vermijden." Organisch staat toch niet gelijk aan piecemeal?

Tagged with:
 

Planning lags behind

On 20 juni 2014, in regionale planning, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Den Haag op 19 juni 2014:

We bevonden ons in Den Haag, waar op datzelfde moment de politiek de Noordvleugelprovincie afschoot. Eerst was er Amsterdam, toen Eindhoven. De presentatie van J.B. Kshirsagar, chief planner van de Town & Country Planning Organization van het Ministerie van Stedelijke Ontwikkeling van India, ging vervolgens over NCR, de National Capital Region van New Delhi. Het loog er allemaal niet om. Het plangebied van de NCR betreft de regio rond de Indiase hoofdstad, bestaande uit vijftien districten van drie lidstaten: Haryana, Rajastan en Uttar Pradesh. Vergeleken bij de presentaties van Eindhoven en Amsterdam bevonden we ons ineens in de overtreffende trap: een gebied van liefst 33.500 vierkante kilometer – dat is even groot als heel Nederland. Overigens, slechts vier procent daarvan is gemeente New Delhi. In de stad zelf wonen ruim 17 miljoen mensen; in de hele regio zijn dit meer dan 22 miljoen – 7,6 procent van de Indiase stedelijke bevolking. De NCR werd onlangs uitgebreid en telt nu 45 miljoen inwoners. De groei is onstuimig, al vlakt deze de laatste jaren enigszins af. In 1951 woonden nog slechts 1,7 miljoen mensen in Delhi; nu is dit het tienvoudige; in 2025 verwacht men een bevolkingsomvang van ruim 28 miljoen. NCR, opgericht in 1985, is bedoeld om deze enorme groei in goede banen te leiden. Planner Kshirsagar deed voorkomen dat dit ook lukte. Vooral de aanleg van infrastructuur in de regio achtte hij daarvoor essentieel: nieuwe autosnelwegen, metrolijnen en spoorwegen, alle gericht op nieuwe subcentra.

Buiten New Delhi willen de planologen vijf metropolitane centra bouwen, elf regionale subcentra, diverse service centra, centrale dorpen en basisdorpen: elk metropolitaan centrum moet uiteindelijk een miljoen inwoners gaan tellen. Het geheel moet ‘globale excellence’ uitstralen. Vandaar de reis naar Nederland, naar Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, om te leren van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Piece de resistance in India worden de zogenaamde ‘counter magnet areas’ in de aanpalende staten; ze zijn bedoeld om de migratie af te leiden en te voorkomen dat de enorme mensenmassa naar het ene centrum van New Delhi trekt. Dat centrum zou in dat geval bezwijken. Vijf counter magnet areas zijn er tot nu toe aangewezen. Het kunnen er meer worden. In een straal van 120 kilometer worden de nieuwe steden gepland. Wat schreef onlangs The Indian Express? Op 20 juni kopte ze: “NCR expands, planning lags”. Men heeft het gevoel dat de planologen de groei niet kunnen bijbenen. De nieuwe regering van premier Narendra Modi wil slagvaardigheid tonen. Wat gaat dit voor Groot-Delhi betekenen? Komt de nieuwe infrastructuur op tijd gereed? In Forbes (14 september 2011) las ik een interview met diezelfde Kshirsagar, ruim drie jaar geleden, waarin hij niet erg optimistisch was: “City planning experts say the administrative set-up needs radical changes if the situation is to be rectified. Some even go as far as to recommend doing away with the NCRPB. “It is time for the government to do away with the plan body and consider establishing a megapolis government that will have the necessary powers to plan for the holistic development of the region.”

Tagged with:
 

Eerst water, dan bestuur

On 15 april 2014, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in Rawabi Home winter 2014:

Afgelopen week een delegatie van het gemeentebestuur van de Palestijnse nederzetting Rawabi ontvangen. Rawabi is in Nederland vooral bekend van de Tegenlicht-uitzending van 22 juli 2013. De eerste nieuwe Palestijnse stad wordt gebouwd op een afstand vijftien kilometer ten noorden van Ramallah, de hoofdstad van de Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever. Er zullen hier naar verwachting 300.000 mensen wonen en werken. Het geheel wordt gefinancierd met privaat kapitaal, het merendeel afkomstig uit Quatar, een derde komt van Bashar Masri, een schatrijke Palestijns-Amerikaanse zakenman. In het Engelstalige magazine ‘Rawabi Home’ lees ik dat premier Rutte, op bezoek in Palestijns gebied, een MOU heeft ondertekend met het gemeentebestuur van Rawabi. “The (Dutch) Prime Minister concluded the visit with words of praise, noting that the aspirations of all Palestinians are embodied in the city of Rawabi.” Elders in het nummer lees ik dat de bouw van de nieuwe stad vertraagd is door gebrek aan water. Oorspronkelijk zouden de eerste Palestijnen hun nieuwe woningen midden 2014 betrekken, maar die datum is uitgesteld. Een deel van de pijpleiding die het benodigde water toelevert aan de stad loopt over over door Israel bezet gebied. De Israelische autoriteiten hebben voor die pijpleiding nog altijd geen toestemming gegeven. De 600.000 Israelische kolonisten, lees ik in The Guardian, verbruiken zes maal zoveel water als de 2,7 miljoen Palestijnen.

Rawabi moet duurzaam worden. Zo is er veel aandacht voor de energievoorziening van de nieuwe stad. Maar ook gebruikte Harvard Business School de nieuwe stad als case study in haar programma voor een macro-economische analyse van de jonge Palestijnse staat, de tekortkomingen van de bouwsector in een toestand van bezetting en vooral de noden van de Palestijnse middenklasse. Die woningbehoefte schat Harvard op 300.000 woningen.  De PMHC – de Palestijnse woningbouwcorporatie – hoopt de woningcrisis in Palestijns gebied te bestrijden door betaalbare woningen aan te bieden en hypotheken te verstrekken. Dat alles staat ver af van de Intifadah. In ons gesprek hadden we het over regionale planning, want de omliggende dorpen mogen geen schade lijden van de ontwikkeling. Vooral was de vraag welke vorm van governance voor stad en regio de meest geschikte is. Een bestuursvorm die duurzaamheid op alle fronten garandeert. Dat was wel een vreemde gewaarwording. Als je in oorlogscondities moet plannen en zelfs nog over geen water beschikt, hoe wil je dan het bestuur gaan regelen? Eerst water, dan bestuur.

Tagged with:
 

Wereldstad

On 11 april 2014, in internationaal, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 10 april 2014:

 

Wat een geweldig gastcollege van Reinier de Graaf, directeur Europa bij OMA, aan de Universiteit van Amsterdam! Onderwerp: ‘The planning of Greater Moscow’. Vak: Urban Studies, Cities in Transition. Op onweerstaanbare wijze fileerde planoloog-ontwerper De Graaf de situatie in Moskou aan de hand van de inzending van het consortium, waarvan OMA het hart vormde, aan de Moscow Competition van 2012. Met zijn 12 miljoen inwoners staat Moskou op de ranglijst van wereldsteden op dit moment op plaats 12, maar zal de komende jaren stijgen naar plaats 5. Moskou is een echte megaregio. De bevolking van de Russische hoofdstad groeit de komende jaren namelijk met liefst 24 procent. Terwijl de Russische Federatie op de mondiale kaart van stedelijke concentraties met zijn enorme leegte schittert door afwezigheid, vormt Moskou daarop de grote uitzondering. Moskou, aldus De Graaf, is binnen Rusland een echt ‘waterhoofd’. En zal dat nog meer worden. Is dat erg?

Op overtuigende wijze liet De Graaf zien dat, om de enorme ruimtelijke problemen het hoofd te bieden, de administratieve organisatie van Moskou grondige aanpassing behoeft, bijvoorbeeld door de grenzen van de gemeente, anders dan nu gebeurt, te laten samenvallen met die van de Oblast ("We took the liberty to change the government of Moscow"). In één klap zou de regio Moskou daarmee de omvang krijgen van een land als Zwitserland of Nederland: met zijn 20 miljoen inwoners de grootste megaregio ter wereld. Een dergelijke aanpassing leek hem gerechtvaardigd en ook noodzakelijk, want net als Zwitserland binnen Europa een bevoorrechte positie inneemt waarvan Europa danig profiteert, komt ook Groot-Moskou binnen de Russische Federatie een uitzonderingspositie toe die Rusland alleen maar winst oplevert. Al sinds de Sovjet Unie genieten de inwoners van de hoofdstad voorrechten, bang als de autoriteiten zijn dat er opstanden zullen uitbreken. De Graaf: "In order to control Moscow, the government tries to keep its citizens happy". Vandaar dat bijna alle Moskovieten, althans officieel, binnen de gemeentegrenzen wonen en zich daarbuiten liever niet wagen. Hun identiteitskaart, zo liet De Graaf zien, lijkt sprekend op een creditcard, terwijl die van de inwoners van de Oblast nog het meeste lijkt op een entreebewijs van een doodgewone camping. Moskou, aldus De Graaf, sluit tegenwoordig meer aan bij de wereldgemeenschap dan bij Rusland. En ook al lijkt de politieke actualiteit dit laatste te loochenstraffen, Moskou vormt zich tot een heuse ‘World City’. Wat een feest voor de studenten om naar te luisteren!

Tagged with:
 

Gelezen in ‘Hochparterre’ van mei 2014:

Het themanummer van het Zwitserse architectuurtijdschrift Hochparterre is geheel gewijd aan de ruimtelijke planning van de stadsregio’s Zürich en Amsterdam. In ‘Stadtregionen planen’ worden beide planningsbenaderingen – de Zwitserse en de Amsterdamse – nauwkeurig met elkaar vergeleken. Een artikel is opgenomen van de hand van Kees Christiaanse, hoogleraar Architectuur en stedenbouw aan de ETH in Zürich. In het stuk betoogt Christiaanse dat de ruimtelijke inrichting van Nederland in de jaren negentig in toenemende mate aan de markt werd overgelaten, waarbij gemeenten hevig met elkaar concurreerden om grond en ontwikkeling en burgers en marktpartijen goedkoop geld konden lenen om te bouwen. Om aan de wildgroei paal en perk te stellen introduceerde het Paarse kabinet eind jaren negentig rode en groene contouren, door Christiaanse verduidelijkt met een kaartbeeld uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Binnen de rode mocht worden gebouwd, daarbuiten niet; binnen de groene waren natuur en landschap beschermd, daarbuiten was dit veel minder het geval. Toen het kabinet viel werd geen gevolg gegeven aan de contourensystematiek. "Stattdessen setzte man die nachfolgende und zahnlose ‘Nota Ruimte’ in Kraft."

Christiaanse lijkt de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland na het stuklopen van de contourensystematiek en geringe sturingsbereidheid van de Nederlandse regering te betreuren. In grensgebieden als Capelle bij de Van Brienenoordbrug ziet hij chaos ontstaan. Het uiteenvallen van de Randstad, het mislukken van bestuurlijk geoutilleerde stadsregio’s, de vrijblijvendheid van de structuurvisies, de leegheid van de nationale ruimtelijke politiek, alles wijst volgens hem op een gebrek aan planning en een teloorgang van een grote traditie. Weliswaar lijkt nieuwe Amsterdamse structuurvisie 2040 ook een contourensystematiek te hanteren, maar Christiaanse betwijfelt of de grenzen tussen stad en land zullen worden gerespecteerd. De structuurvisie is bindend voor de overheid die hem opstelde, maar voor de buurgemeenten weer niet. "Vielleicht gelingt es." Daartegenover stelt hij de Zwitserse planning waarbij het Richtplan van de kantons de Zwitserse ruimte krachtig ordent: afwijken is daar niet mogelijk. Het Richtplan is voor alle inliggende gemeenten bindend. Zijn voorkeur is duidelijk. Zwitserland loopt voorop, Nederland loopt achter.

Ironie

On 7 april 2014, in internationaal, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Zürich op 4 april 2014:

Zürich heeft geen last van de crisis. Zürich is booming. Op uitnodiging van de Zwitserse stad en de kanton waarin ze ligt wisselde een team van Amsterdamse planologen van de Dienst Ruimtelijke Ordening en van de Universiteit van Amsterdam afgelopen vrijdag ervaringen uit met hun Zwitserse collega’s. Vraag: welke regionale strategieën en instrumenten zet men in bij ruimtelijke planvorming in complexe stedelijke regio’s die sterk groeien? Zürich telt ruim 400.000 inwoners, de komende tien jaar groeit ze richting 500.000, de regio telt 1,7 miljoen. Amsterdam heeft 815.000 inwoners en groeit richting één miljoen; de Amsterdamse regio telt 2,4 miljoen. De verschillen tussen de wijze waarop de twee stedelijke regio’s ruimtelijke planning bedrijven leken groter dan de overeenkomsten. In Amsterdam lijkt alles losjes en neigt men naar nog grotere flexibiliteit, in Zürich oogt alles strak en neigt men juist naar nog striktere regulering. Opvallend was de krachtige doorwerking van het Richtplan van de kanton met zijn scherpe contouren, waardoor gemeenten rond Zürich gedwongen worden sterk te verdichten. In feite beschikt Zürich over één groot bestemmingsplan dat van grondeigenaren verlangt om overeenkomstig te handelen. Visies, scenario’s en strategieën ontbreken.

Hoe anders in Amsterdam. Bestemmingsplannen vindt men daar in alle soorten en maten; voor elke situatie en in elke omstandigheid wordt een nieuw bestemmingsplan gemaakt. Steeds vaker vinden er aanpassingen plaats, om allerlei redenen. En de komende wetgeving lijkt in Nederland nog grotere flexibiliteit te bieden. Ook de zelfbindende visies van overheden in het Amsterdamse en daarbuiten floreren. Terwijl dus de reactiesnelheid en het aanpassingsvermogen van planologen in Nederland toeneemt, neemt die van hun Zwitserse collega’s juist af. Groei wordt in Amsterdam steeds soepeler geaccommodeerd, in Zürich steeds krachtiger afgeremd of ingetoomd. Niet Amsterdam (en Nederland) is anno 2014 het walhalla van maakbaarheid, maar Zwitserland. Hoe dat komt? Naar een antwoord speurden alle tweehonderd aanwezigen. Een verklaring die genoemd werd: Hollanders zijn handelaren, de Zwitsers boeren. Een andere: Amsterdam staat voor polders met bewegelijk water, Zürich voor rotsachtige bodem, hoog in de bergen. Volgens Kees Christiaanse, hoogleraar aan de ETH en initiatiefnemer van het symposium, waren Amsterdamse planologen goed in skiën – hard de berg af -, en Zwitsers in zeilen: trager, op de wind, maar telkens elegant bijsturend. Zelf denk ik dat schijn bedriegt. De beste sturing zou haast onopgemerkt moeten blijven. Lao Tze zei het zo: "Intelligent control appears as uncontrol or freedom. And for that reason it is genuinely intelligent control."

Tagged with:
 

Participatie is verdacht

On 28 maart 2014, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rebel Cities’ (2012) van David Harvey:


Volgende week ontmoeten Amsterdam en Zürich elkaar in Zürich, Zwitserland. Onderwerp: ‘Strategies and planning instruments in polynuclear city regions’. In het democratische Zürich heeft men moeite met regionale samenwerking. Het land verstedelijkt snel; de druk om in te grijpen is daarom groot. Maar is regionale samenwerking in het Amsterdamse zoveel gemakkelijker? Ervaringen tussen beide steden zullen worden uitgewisseld. Ondertussen grasduin ik in literatuur over het onderwerp. David Harvey doet in ‘Rebel Cities’ (2012) bijvoorbeeld een voorzet in het hoofdstuk over ‘The creation of the urban commons’. Zonder hiërarchische structuren, is zijn stelling, gaat het niet. Daarmee neemt hij afstand van zijn radicaal-linkse vrienden, die menen dat ook regionale kwesties horizontaal kunnen worden opgelost. Harvey is hierover kritisch en noemt deze vrienden vaag, "gesturing hopefully towards some magical concordance of local actions that will be effective at a regional or global level (…), en stelt dat ze zich schromelijk in de schaal vergissen. Zodra de zaken het lokale overstijgen, meent hij, is aansturing vanuit één punt onontkoombaar.

Harvey refereert hier aan het werk van Vincent en Elinor Ostrom. In ‘Polycentric Governance of Complex Economic Systems’ denken deze Nobelprijswinnaars de oplossing gevonden te hebben in bestuurlijke eenheden die zijn opgebouwd uit "multiple nested layers". Men heeft lang gedacht, schrijft Elinor Ostrom, dat grote bestuurlijke eenheden efficiënter zouden werken dan de ogenschijnlijk chaotische kleine gemeenten. Dit blijkt niet het geval. "The reasons all boiled down to how much easier it was to organize and enforce collective and cooperative action with strong participation of local inhabitants in smaller jurisdictions, and to the fact that the capacity for participation diminished rapidly with larger sizes of administrative unit." Harvey wantrouwt dit en vermoedt dat zo’n gegeven als excuus wordt gebruikt voor de rijken om hun privébezit af te schermen. "Decentralization and autonomy are primarily vehicles for producing greater inequality through neoliberalization." Mensen die anders menen vindt hij naïef. In zijn ogen is actieve participatie helemaal niet nodig en zelfs verdacht; bestuurlijke schaalvergroting garandeert doorzettingsmacht vanuit het centrum die hard nodig is om de rijken in het gareel te houden. Verrassend. Want anderen menen dat centrale sturing noodzakelijk is om juist de armen in het gareel te houden. In dit spanningsveld zoeken steden dus naar regionale samenwerking. Geen wonder dat dit moeilijk is.

Tagged with: