Anders plannen maken

On 27 september 2016, in boeken, by Zef Hemel

Hoe kun je nog plannen maken in situaties van grote complexiteit? In zijn nieuwste boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ betoogt Zef Hemel dat de sturing in onze grote steden veel lichter en opener kan dan planologen vaak denken. Met Volksvlijt 2056 deed hij een experiment in open planning. Een impressie.

 _MGL1839 _MGL1815

_MGL1857  _MGL1711

Om erachter te komen wat een stad wil en nodig heeft, zou men haar bewoners eigenlijk voortdurend moeten raadplegen. Dat klinkt logisch, maar het gebeurt zelden. Het argument is vaak dat het praktisch lastig zou zijn om zoiets te organiseren. En als het dan eens gebeurt, wordt door autoriteiten vaak een ja- of nee-stem gevraagd, echt geluisterd wordt er niet. Vaker zoekt het bestuur draagvlak voor de eigen plannen, wordt veel energie in voorlichting en overtuigingskracht gestoken; echte betrokkenheid wordt zelden op prijs gesteld. Dit hoort ook bij het proces van professionalisering van de planologie. Door de verwetenschappelijking werden de afgelopen honderd jaar steeds meer statistieken, diagrammen en kaarten leidraad in de stadsontwikkeling. Planologen en stedenbouwkundigen eisten hun rol in de belangenafweging op en richten zich op het bestuur dat hun plannen en ontwerpen moet vaststellen en uitvoeren. Bestuurlijk georiënteerde planologen problematiseren graag de governance, die inderdaad niet werkt en waaraan men eindeloos lang kan sleutelen. Zulk werk is goed voor de broodwinning, maar het raakt de fundamentele problemen niet en lost ze ook niet op. Iedereen lijkt vergeten de dromen en ideeën van gewone mensen op te slaan. Sinds er digitale sociale media bestaan weten we echter dat hele grote groepen mensen bijna permanent met elkaar in gesprek gaan over alles wat hen bezighoudt, dankzij internet kunnen ze zich steeds beter organiseren en steeds meer macht naar zich toetrekken. Door zich aan te sluiten bij zulke platforms, virtueel maar ook fysiek, zouden overheden heel goed kunnen aftappen van deze ‘collectieve intelligentie’. Een dergelijke werkwijze heet open planning.

Om open planning in de praktijk te beproeven organiseerde de Wibautleerstoel aan de UvA afgelopen jaar ‘Volksvlijt 2056’. Volksvlijt was een tentoonstelling in de Openbare Bibliotheek Amsterdam over de economische toekomst van de hoofdstad. Bezoekers konden er hun eigen toekomst dromen. De programmering van Volksvlijt was helemaal open, alles was op zoveel mogelijk interactie gericht, een centrale autoriteit ontbrak, er lagen ook geen plannen of voornemens op tafel. We wilden zoveel mogelijk mensen in de stad activeren, hen bij hun eigen toekomst betrekken, hen een stem geven, en vooral elkaar laten inspireren. Onze referentie was Samuel Sarphati (1813-1866). Diens ‘Vereniging voor Volksvlijt’, opgericht in 1852 en tien jaar later uitmondend in zijn roemruchte Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein, beoogde precies dit:  tentoonstellingen die inspireren, een vereniging oprichten die als een open platform functioneert, samenwerking beijveren, iedereen in de stad aanzetten tot ondernemen, kapitaal op de nieuwe ondernemingen richten, onderwijs en onderzoek bevorderen en iedereen daarin laten delen, honger en armoede bestrijden door nieuwe nijverheid, voorbeeldige stadsontwikkeling entameren, een betere toekomst dromen. Nog altijd koestert Amsterdam een verrukkelijke herinnering aan Samuel Sarphati. Zijn Vereniging leidde tot de aanleg van het Vondelpark bijvoorbeeld, maar ook van de bouw van het Concertgebouw, de oprichting van het Concertgebouworkest, de instelling van het conservatorium, de stichting van de eerste woningbouwcorporatie en de eerste hypotheekbank, de opening van de eerste openbare bibliotheek, de Amsterdam RAI. Eind negentiende eeuw spoelde een golf van positief, praktisch idealisme over de stad. Op die golf kwam wethouder Floor Wibaut bovendrijven. Berlage werd van dat nieuwe Amsterdam uiteindelijk de grote bouwmeester. Alles dankzij het platform.

Fragment uit ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ (2016) van Zef Hemel. Amsterdam University Press. ISBN 978 94 6298 246 8.

Alternative approach

On 9 juni 2015, in planningtheorie, by Zef Hemel

Seen in Amsterdam Southeast on 4 June 2015:

2799944

Bas Hissink Muller, San Verschuuren and me are running a studio for some forty students in urban planning of the University of Amsterdam in Amsterdam Bijlmermeer. We’re practicing platformization in this Modernist neighborhood dating from the seventies. A month long we’re staying in an empty office building on the Amstel III estate. So no university campus site this time. The building – 30.000 m2 – was owned by a German investor. It was a fraud. So the investor went bankrupt, the bank took over. Expensive building on the wrong spot. Royal Bank of Scottland left the building some five years ago. Since then it has no tenants. They think it could become an incubator for startups in life sciences. Not a bad idea. Next to the plot is one of the biggest academic hospitals of Europe – the AMC. Ten minutes from the airport. Fifteen minutes from city centre by metro. This month we and the students are staying in the abandoned restaurant on its first floor. For free. Strange place.

What we learn? Some 23 percent of all the office space in Amsterdam southeast is standing empty now. That’s about a million square meters. (Hey, thirty buildings like the one we’re staying in). Can you imagine? One group of students is researching it. Is it hopeless? It depends on the location, it seems. Other teams are working on students housing, reuse of a big green park dating from the eighties, sustainable waste management, safety issues, (lack of) orientation, future functionality of a new overpass (oh no, not another park!), strategies for densification, etcetera. The students interview people in the streets. They also meet civil servants. One of them told us about the problems with the zoning plans. They were made flexible in the financial crisis in order to keep things going. Now that the pressure is back no investor can be refused because of its flexibility. It’s difficult to secure the spatial quality now. Other problems stemmed from lack of participation. They also gave examples of questionable privatisation of public space. It were all problems generated by the planning procedures. Would the students notice? Will they understand that the alternative is platformization?

Tagged with:
 

Verleden tijd

On 13 mei 2015, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn 2015 nr. 1:

Het vaktijdschrift van de Amsterdamse planologen ‘Rooilijn’ opent het  jaar 2015 zowaar met een themanummer over theorievorming in de Nederlandse planologie. Afgelopen week verscheen het. Met meer dan gewone belangstelling las ik het dubbelnummer. Immers, slechts eens in de twintig jaar wordt zo’n brede scan gemaakt van de Nederlandse wetenschappelijke discipline zoals beoefend in Amsterdam, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Delft en Wageningen. Wat zijn de theoretische planningsbeginselen die aan de verschillende universiteiten worden gepraktiseerd? Vanzelfsprekend las ik eerst de verschillende literatuurlijsten. Wie haalt wie aan, wie zijn de wetenschappelijke helden? Veel eigen volk natuurlijk, maar wie verder? In Amsterdam zijn het de Amerikaanse pragmatisten en zij die schrijven over de post-suburbane periferie; in Nijmegen Brendan Gleeson en Peter Taylor; in Utrecht Logan & Molotch; in Groningen Richard Florida en Charles Landry, verder oudjes als Henri Lefebvre en H. Rittel; in Delft Esping-Andersen; in Wageningen John Friedmann en B.Tress, G.Tress & G.Fry. Veel ‘oude verzoeknummers’. Eerlijk gezegd viel het me tegen.

Opvallend veel aandacht van alle vakbroeders voor toenemende complexiteit, normativiteit en onzekerheid in de Nederlandse planningspraktijk. Veel ongemak ook. Volgens Arjen van der Burg was er bij de Haagse beleidsmakers de afgelopen jaren al weinig tot geen belangstelling meer voor theoretische planologische bijdragen; Peter Paul Witsen roept de hoogleraren op een doorbraak te forceren richting adaptieve planning en de kortademigheid van de bestuurscultuur te doorbreken; twee hoogleraren-met-emeritaat missen eigen theorieën over het disfunctioneren van de ruimtelijke orde; de redactie zelf constateert dat onderzoeksprogramma’s steeds meer nadruk leggen op snelle oplossingen voor praktijkproblemen. En ja hoor, daar is ie weer: de klacht over toenemend ‘rendementsdenken’ in academia. Ik werd er niet vrolijk van. Kennelijk is er iets grondig mis met de vakdiscipline. Dit nummer lijkt mij aanleiding om de alarmklok te luiden. Er wordt gewoon teveel geklaagd. Trouwens, al die aandacht voor de post-suburbane periferie is echt iets uit het verleden. Grootstedelijkheid versus krimp vergt nu alle aandacht.

Tagged with:
 

Visieloos

On 5 maart 2015, in bestuur, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam van verzorgingsstad naar participatiestad’ (2014) van Bob Kassenaar:

Kreeg onlangs een exemplaar van het boek van Bob Kassenaar in handen. Deze trouwe en gepokt en gemazelde ambtenaar van de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam ging in 2014 met pensioen. Aansluitend schreef hij een dik boek over veertig jaar werken bij de gemeente, helemaal vanuit het perspectief van het stadhuis. Centraal thema: hoe te komen tot een lerende organisatie. Mooi onderwerp. Goed geschreven ook. Een lerende organisatie lijkt ook mij buitengewoon belangrijk. Maar bij een veelkoppige gemeentelijke organisatie is dat heel moeilijk omdat er elke vier jaar nieuwe bazen aantreden die telkens weer het wiel willen uitvinden. En al die bazen hebben hun eigen diensten die ze maar wat graag tegen elkaar in stelling brengen. Kassenaar verbijt zich dan ook voortdurend. Meerjarige strategie of regie laat staan lessen leren uit gemaakte fouten, het is, stelt hij, gewoon onmogelijk in gemeenteland.

In hoofdstuk 3.4 wijdt hij uit over de opgave van ‘samenhang en structuur’. Volgens Bob heeft de gemeente op dit terrein een slechte reputatie en heeft ze ook in al die jaren niets geleerd. Wat is het probleem? ‘Groupthink’ ligt hier voortdurend op de loer. Er is volgens hem ook geen ‘countervailing power’ in de ruimtelijke sector. Planningsoptimisme is het gevolg. Planningsoptimisme wordt hier gevoed door een dominante projectenstructuur en door de grote invloed van marktpartijen. En toen, in 2004, kwam er tot overmaat van ramp ook nog Zef Hemel bij de gemeente Amsterdam werken, die visionair bleek te zijn (blz 221). “Volgens die visie komen alle projecten die nu op stapel staan, in de toekomst tot volle bloei.” Alle projecten? Over wat voor visie hebben we het dan? Bob vond het in ieder geval verschrikkelijk. Zijn conclusie: “Het organiseren van tegenkracht in Amsterdam is even cultuurvreemd als het werken met alternatieven.” Werkelijk? Mijn tienjarige ervaring heeft mij juist geleerd dat alle diensten en stadsdelen in Amsterdam elkaar voortdurend tegenwerken: de countervailing power blijkt uitstekend te zijn georganiseerd. Een gedeelde visie zou partijen juist bij elkaar hebben gebracht. O ja, en leren is niet hetzelfde als regie voeren vanuit het stadhuis.

Tagged with:
 

Alice

On 21 februari 2015, in filosofie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Alice in Wonderland’ (1872) van Lewis Caroll:

lewis carroll fine art photography

Volgens Philipp Hubl was Lewis Caroll behalve de schrijver van ‘Alice in Wonderland’ ook een logicus en een filosoof. In ‘Volg het witte konijn’ (2014) stelt hij dat Caroll in zijn populaire kinderboek allerlei filosofische raadsels heeft gecreëerd. Voor hem reden om het Wonderland van Alice te gebruiken als inleiding tot de wondere wereld van de filosofie. De vraag die hij zich stelt is:  “Verwonderen of begrijpen: wat is filosofie?”  om vervolgens Aristoteles te citeren die gezegd zou hebben dat verwondering het begin is van alle filosofie. Ik moest eraan denken toen ik vorige week de vierde editie van De Nieuwe Wibaut opende, de praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam. Die opening vond grappigerwijze plaats in de televisiestudio’s van Endemol in Amsterdam Zuidoost. Verwondering, dacht ik, is het begin van alle goede planning.

Vanzelfsprekend is die gedachte overigens allerminst. Veel planologen verwonderen zich niet over de wereld om hen heen. Op voorhand weten ze de antwoorden al. Planning is voor hen het uitbannen van elk toeval. Maar in De Nieuwe Wibaut stappen de deelnemers in een hoogst onzekere wereld, die voortdurend verandert. Die vreemde wereld lijkt meer op de realiteit dan de saaie werkelijkheid van volwassenen. Net als Alice stellen ze heel veel vragen, gebruiken hun fantasie, handelen in vrijheid, stellen zich van alles voor, passen zich aan vreemde situaties aan, zetten het gelukkige toeval naar hun hand, improviseren erop los, werken zonder plan. Zonder plan? Aanvankelijk heeft Alice in Wonderland wel degelijk een plan. Maar wat moest ze ermee? “De enige moeilijkheid was dat ze er geen flauw idee van had hoe ze het aan moest pakken.” Waarna ze er op los improviseerde. Halverwege het boek zegt ze: “Zo, de helft van mijn plan is alweer uitgevoerd! Wat een problemen geven al die veranderingen!” Om even verderop over al die dieren te klagen die dwarsliggen en zich van haar plan niets aantrekken. Tijdens het spel stelt ze zelfs vast dat niemand zich aan de regels houdt. En de koningin? Die roept maar voortdurend: “Zijn hoofd eraf!”

Tagged with:
 

Volksvlijt

On 12 februari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Verteld in CREA, Amsterdam, op 9 februari 2015:

Met ‘Volksvlijt 2016’ eindigde Zef Hemel afgelopen maandag zijn Amsterdamlezing voor een uitverkocht CREA op de Roeterseiland Campus. ‘Volksvlijt’, zo vertelde de hoogleraar Grootstedelijke vraagstukken, is het prototype van een zelfontwikkeld platform voor een ‘open stad’ waarbij duizenden burgers samen, van onderop, de Amsterdamse economie van de toekomst kunnen bedenken en ook realiseren. Naast ‘Volksvlijt’ wijdde Hemel uit over twee andere platforms die collectieve intelligentie in de stad genereren: ‘Thinking City’ (‘open universiteit’) en ’De Nieuwe Wibaut’ (‘open overheid’). Alle drie de platforms worden op dit moment door hem getest, verbeterd en onderzocht.  Straks kunnen ze gemakkelijk worden opgeschaald en toegepast in andere steden. Daarmee legde Hemel niet alleen verantwoording af over zijn werkzaamheden op de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam tot nu toe, ook plaatste hij zijn werk uitdrukkelijk in de context van de ratrace tussen steden om door middel van technologie, talent, creatieve industrie, wetenschappelijke valorisatie, campusontwikkeling en kapitaalinjecties een zogenaamde smart city– of zelfs global city-status te verwerven. In de nieuwe kenniseconomie willen steden vooral slim gevonden worden.

Hemel maakte duidelijk dat hierachter een veel te groot maakbaarheidsdenken steekt. Terwijl, zo vertelde hij moderator Pieter Hooimeijer, planologen juist bescheidener worden, manifesteren economen zich tegenwoordig als ware ‘economische ingenieurs’. Hij zei dat hij dat beangstigend vond. De intelligentie schuilt volgens hem ook niet zozeer in nog méér kapitaal, hoofdkantoren, vastgoed, universiteiten, musea en technologie, maar in van onderop georganiseerde dialogen in de stad waaraan alle burgers kunnen deelnemen. De essentie daarvan is, dat de platforms open zijn, kunnen groeien en de grootst mogelijke diversiteit van mensen weten te binden. Daartoe moeten ze inspirerend en mobiliserend zijn, interactief werken, geen selectie plegen, alles wat gezegd wordt aggregeren, bij herhaling steeds grotere meeropbrengsten genereren, zich ontwikkelen als de natuur zelf: dus zelf-organiserend, van onderop. En ja, moderne informatietechnologie kan dit ondersteunen. Hij zei dat het nú goed kan. De beste metafoor voor ‘smart cities’, voegde hij eraan toe, zijn niet steden afgebeeld als printplaten of machines, maar als kolossale, complexe termietennesten in de Afrikaanse savannes. Het publiek stelde veel korte vragen. Alles werd interactief. De avond leek wel een platform. 

Tagged with:
 

Geen master minds

On 21 januari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in het KIT op 15 januari 2015:


Peter Sloot, hoogleraar Computational science aan de Universiteit van Amsterdam, gaf voor het Center for Urban Studies, te gast bij de Amsterdam Graduate School for Metropolitan Solutions, een boeiende lezing over ‘Urban complexity’. Zijn lezing, die hij twee jaar geleden al eens gegeven had in de Amsterdamlezingencyclus van de UvA, viel uitgerekend samen met de opening van het ‘Jaar van de Ruimte 2015’ een eindje verderop, in de Beurs van Berlage. Sloot maakte duidelijk dat steden, net als markten, organismen en pandemieën, complexe adaptieve systemen zijn die worden gekenmerkt door non-lineaire relaties. Op steden zijn daardoor ‘urban scaling laws’ van toepassing. Bij een verdubbeling van de omvang van een stad stijgt bijvoorbeeld de productiviteit met 15 procent; het aantal patenten neemt met een vergelijkbaar percentage toe; hetzelfde geldt voor de misdaad en het aantal aids-gevallen. Maar het wonen is lineair, evenals werkgelegenheid. En infrastructuur is sublineair: je hebt er naar verhouding minder van nodig als de stad groter wordt. De schaalbaarheid van steden opent een heel nieuw veld van onderzoek. Complexe systemen betekent: er bestaan geen blauwdrukken, er zijn geen ‘master minds’ in het spel, steden organiseren zichzelf, het is een kwestie van evolutie en adaptatie. Kortom, planners moeten nederig zijn.

In de discussie na afloop viel de naam van Michael Batty, hoogleraar planologie aan University College London. Zijn onlangs verschenen boek ‘The New Science of Cities’ sloot naadloos aan op het betoog van Sloot. Met mathematische modellen, is diens stelling, kunnen dynamische patronen in steden worden nagebootst. Mits betrouwbare data voorhanden zijn. In veertien hoofdstukken, verdeeld over drie delen, verbindt Batty netwerkanalyses uit diverse sociale disciplines met theorieën van grootheden als Lewis Mumford, Kevin Lynch, Patrick Geddes en Jane Jacobs. Vooral deel III is voor planologen interessant. Want wat blijkt? Participatieve planning, dus planning in kleine stapjes, van onderop, samen met bewoners en direct betrokkenen, levert de beste resultaten op. Dergelijke planning reageert het snelst op veranderingen, past zich het beste aan aan gewijzigde omstandigheden en vangt abrupte schokken op. Topdown planning is veel kwetsbaarder. Ook netwerkanalyses wijzen top-down planning dus van de hand. Sloot beaamde het. Het was niet anders. Planners moeten anders gaan werken. Bescheidener.

Tagged with:
 

Poor forecasters

On 11 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 5 december 2005:

Een oudje misschien. Maar nog steeds geldig en ook voor planologen buitengewoon relevant. In ‘Expert Political Judgment: How Good is It? How Can We Know?’ laat de Amerikaanse psycholoog Philip Tetlock overtuigend zien dat experts de toekomst minder goed voorspellen dan leken. Hoewel de boodschap niet fijn is, kreeg het boek destijds toch een bespreking in The New Yorker. In ‘Everybody is an expert’ vertelt Louis Menand hoe Tetlock tweehonderdvierentachtig mensen vroeg om voorspellingen te doen. Uiteindelijk verzamelde hij ruim 82.000 voorspellingen. De experts bleken niet betere voorspellers dan de amateurs, nee ze scoorden significant slechter. Bijvoorbeeld in het geval waarin uit drie mogelijke toekomsten kon worden gekozen. De experts kwamen niet verder dan vijftig procent goed, de amateurs scoorden beter. Menand: "Human beings who spend their lives studying the state of the world, in other words, are poorer forecasters than dart-throwing monkeys, who should have distributed their picks evenly over the three choices."

Hoe dit kan? Menand geeft een aantal verklaringen. Experts zijn te gespecialiseerd en kunnen het geheel niet meer overzien. Ze zijn ‘egels’. Die weten één groot ding. Door hun specialistische kennis blaken ze van zelfvertrouwen en kennen weinig twijfel. Ze komen vaak aanzetten met plausibele details, merkwaardige feiten, waarmee ze ons – niet-experts – proberen te overtuigen. Vooral economen lijden hieraan. Echter, amateurs overzien de wereld niet slechter, eerder beter, en kunnen ook scherpere inschattingen maken. Amateurs zijn ‘vossen’: ze weten van alles een klein beetje. Toevlucht zoeken in statistieken – ook gedetailleerde, achter de voordeur – helpt niet. Toch is dit precies wat experts steevast doen. Nu weer zoeken ze hun toevlucht in ‘Big Data’. Achteraf zullen ze ook nooit toegeven dat ze foute inschattingen hebben gemaakt. Hun werk is voorspellen, de media willen alleen dàt van hen en daarop worden ze afgerekend. We kunnen beter gewone burgers raadplegen. Ondertussen tasten wij omtrent de toekomst volkomen in het duister.

Tagged with:
 

Egel of vos?

On 25 augustus 2014, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Hedgehog and the Fox’ (1953) van Isaiah Berlin:

Mooi essay van Isaiah Berlin over ‘War and Peace’ van Lev Tolstoi. ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ Dat betekent, er zijn mensen die denken vanuit één groot systeem en leven vanuit één visie, terwijl andere mensen vele doelen tegelijk nastreven, vaak onderling niet verbonden, althans niet gerelateerd aan één moreel of esthetisch principe. De Britse filosoof Berlin ziet Tolstoi als een vos, maar een met de stille ambitie om tegelijk ook een egel te zijn. In zijn ‘Oorlog en vrede’ schetst de grote Russische schrijver een wereldbeeld waarin niemand greep heeft op de loop der gebeurtenissen, theorieën, wetten en abstracties gelden hier niet, alles is chaos, alles draait om een veelheid van concrete zaken die uitsluitend te relateren zijn aan individuele behoeften. "It aims to show that men are never in control of events and indeed that the more they seek to control them, the more futile they become." Zelfs, of bij uitstek, de grote Napoleon heeft bij Tolstoy geen vat op de gebeurtenissen. Tegelijk voert Tolstoi de Russische generaal Kutuzov op als een held die zijn eenvoudige instinct gebruikt, geduldig afwacht, niet ijdel is, en meebeweegt met de golven van de geschiedenis. Tolstoi gaat uit van "the unplanned and unplannable character of all great events."

Waarom is dit essay relevant voor planologen? Ook planologen kunnen beter vossen zijn, dan egels. Een planoloog – "official specialist in managing human affairs" – kan zich beter niet spiegelen aan een Dante of een Marx, wel aan een Montaigne, Erasmus, Goethe, Balzac of Joyce. Pluralisme past hem beter dan monisme. De gedachte dat de toekomst uitgestippeld kan worden of te plannen is, is ronduit suspect. Tolstoy acht het zelfs onmogelijk "that individuals can, by the use of their own resources, understand and control the course of events." Is Tolstoi daarmee een pessimist? Berlin denkt van wel. Zelf denk ik van niet. Realist dan? Nee, een planoloog is, net als Tolstoy, zowel vos als egel tegelijk. Hij ziet de betrekkelijkheid van wetenschap, visie en kennis; tegelijk verlangt hij naar eenheid. Berlin: "Like Moses, he must halt at the borders of the Promised Land; without it his journey is meaningless; but he cannot enter it; yet he knows that it exists; and can tell us, as no one else has ever told us, all that is not – above all, not anything that art, or science or civilization or rational criticism, can achieve."

Tagged with:
 

Gliding into disorder

On 21 augustus 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2008) van Nassim Nicholas Taleb:

Beter nog dat Thomas Piketty’s ‘Capital in the 21st century’ vind ik ‘The Black Swan’ van Nassim Nicholas Taleb. Eerder al schreef ik over de wereld van Extremistan die wij volgens deze Libanees-Amerikaanse wiskundige binnentreden. Het is een gevaarlijke en oneerlijke wereld, met extremen die wij niet meer kunnen beheersen. Schaalbare verschijnselen kennen steeds hogere pieken en een hele lange staart. Voordelen zijn hier cumulatief. Anders gezegd, de duivel schijt op de grote hoop. En het midden valt steeds meer weg. Dat geldt voor taal, boeken, informatie, geld, bedrijven, vliegvelden, steden. "The bigger get bigger and the small stay small, or get relatively smaller." Oorzaak? De steeds omvattender netwerken, de groeiende wederzijdse afhankelijkheid, de toenemende complexiteit.

Het goede nieuws is dat in de staart van alles kan gebeuren. Eerst was iets nog klein, even later kan het heel groot zijn. En omgekeerd. "Nobody is truly established. The little guy is very subversive." Het slechte nieuws: "We are gliding into disorder, but not necessarily bad disorder." Dat is gek, want de wereld lijkt juist meer onder controle dan ooit. Maar als een Zwarte Zwaan – ‘the perfectly unexpected event’ – eenmaal toeslaat, zal deze een grotere impact hebben dan ooit tevoren. Alles hangt af van de lengte van de staart. In de financiële sector ontbreekt deze staart bijvoorbeeld; de ramp van 2008 is daar bijna niet te overzien. ‘Too big to fail’ betekende hier: de oude reuzen die faalden moeten moeizaam overeind worden gehouden ten koste van heel veel overheidsgeld. En er is niets geleerd. Erger: economen, aldus Taleb, begrijpen er nog altijd niets van. Hun held is Carl Friedrich Gauss. Nu ja, met uitzondering van Thomas Piketty dan. En steden? De grote steden worden groter, de kleine kleiner. Maar die hebben tenminste een hele lange staart.

Tagged with: