Over het nut van planning

On 27 april 2015, in internationaal, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op het Roeterseiland te Amsterdam op 23 april 2015:

Vorige week Moskou, nu Istanbul. Met de studenten bespraken we de ontwikkelingen in die stad aan de hand van de Turkse documentaire ‘Ecumenopolis’. We constateerden opvallende overkomsten tussen Moskou en de Turkse metropool. Beide metropolen bevinden zich in de schemerzone tussen Europa en Azië en groeien snel, heel snel. Beide streven een status van ‘global city’ na. Beide ook worden steeds orthodoxer en keren zich van het Westen af. De studenten die het ‘Cities in Transition’-programma dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam volgen vroegen zich af hoe dit zou aflopen. Ze kunnen kiezen tussen het standpunt van Mike Davis en dat van Doug Saunders. De eerste meent dat het slecht zal aflopen (‘Planet of Slums’, 2006), de tweede ziet eerder kansen. Hoewel. Ten aanzien van Istanbul schetst Saunders in ‘Arrival City’ (2010) het beeld van een stad die geen sloppenwijken meer kàn bouwen eenvoudig omdat alle grond op is. Toch arriveren er jaarlijks nog zo’n 250.000 migranten in Istanbul, de laatste jaren zelfs beduidend meer als gevolg van de oorlogen in Syrië en Noord-Afrika. Middenklasse èn onderklasse groeien. De ‘gecekondu’ (sloppenwijk), schrijft hij, verandert steeds meer in ‘een plek voor mislukkelingen.’

De laatste jaren heeft de gemeente grootschalige opruimacties voor de sloppenwijken opgezet. Steeds meer gecekondu’s worden door bedrijven als TOKI en Sinpas opgekocht, gesloopt en tot enclaves gemaakt voor de nieuwe Turkse middenklasse. Het programma is steeds dezelfde hoogbouw die ook Moskou’s buitenwijken kenmerkt. Volgens Saunders is het de nieuwe, gemondialiseerde Turkse middenklasse die de periferie verkiest boven het centrum. De buurt zelf interesseert ze niet, alleen de parkeergarages en de snelwegen die ze naar het centrum voeren. Het allergrootste probleem van de groei van de metropool Istanbul is echter niet meer deze perifere suburbanisatie, maar de snel naderende ecologische ramp. De bossen en de waterbekkens in het noorden zullen namelijk snel verdwijnen als Istanbul doorgroeit van 15 miljoen naar 25 miljoen en de derde brug over de Bosporus wordt aangelegd. Kan de metropool dan nog bestaan? Dat is twijfelachtig, zeker nu ook nog eens een humanitaire ramp dreigt als gevolg van de recente toevloed van vluchtelingen. De bestaande planning werkt niet. Het falen kan zich uiten in woede, frustratie, islamisme. Tenzij alsnog een geschikte, effectieve planning wordt gevonden. Een van onderop.

Tagged with:
 

Open City

On 20 maart 2015, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Endless City’ (2007) van Ricky Burdett en Deyan Sudjic:

In zijn essay ‘Open City’, gepubliceerd in het vuistdikke ‘The Endless City’ (2007), beschreef de Amerikaanse socioloog Richard Sennett wat er volgens hem mis is met onze moderne stadsontwikkeling. Het grote probleem, schreef hij, is overdeterminatie. Daarmee bedoelde hij dat wij in de wijze waarop we sinds het midden van de twintigste eeuw onze steden ontwikkelen en inrichten alles teveel willen controleren en te weinig ruimte laten voor toeval, voor ongezochte gebeurtenissen. We zijn in de greep geraakt van nauwkeurige tekenprogramma’s, strakke schema’s, rigide toekomstbeelden, technologie en hele precieze doelen. Alles is tegenwoordig resultaatgericht. Technologie en organisatiekunde stellen ons daartoe in staat. Ons probleem, meent Sennett, is dat we ons gevoel voor tijd hebben verloren. Dat is een ernstig probleem. De stad is juist een proces, hoe wij de stad bewonen oefent weer invloed op haar uit, ons beeld van haar zou daardoor voortdurend moeten veranderen. Maar wij doen alsof we haar tot in detail kunnen beheersen. Zoneringen, bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, beleidsprogramma’s, projectinterventies, maatregelen, toekomstvisies, zelden is er meer beleid over de stad uitgestort dan in de twintigste eeuw. Onze verbeelding heeft daarmee ernstig aan vitaliteit ingeboet. Al onze maatregelen hebben de stad bevroren. Sennett spreekt van een dystopie.

Het resultaat van deze bevroren toestand is namelijk ‘Brittle City’. Dat is een stad die snel slijt, die voortdurend wordt afgebroken en uitgewist, om plaats te maken voor iets nieuws, iets zogenaamd beters. Mensen moeten steeds vaker uit hun huizen in plaats van dat ze zelf hun huizen mogen opknappen en hun buurt verbeteren. Groei lijkt gelijk te staan met de vervanging van wat er was. Functies worden gescheiden, bevolkingsgroepen raken gehomogeniseerd, niemand krijgt nog de tijd om zich aan te passen. ‘Brittle City’ is een symptoom. Ze staat voor een gesloten systeem waarin alle onderdelen van stad en regio geïntegreerd en in balans moeten zijn, passend in het grotere geheel: het masterplan. De consequentie van dat uitgebalanceerde en geïntegreerde ideaal is dat ervaringen die daarmee niet sporen worden bestreden of buitengesloten. Ze zouden de waarde van het geheel doen verminderen. Dat betekent dat er geen ruimte is voor experiment. Kijk maar om je heen. Planners en ontwerpers verafschuwen alles wat van het systeem – het plan, het ontwerp – afwijkt. Sennett waarschuwt vervolgens: tegenover het gesloten systeem van de experts staat niet de vrije markt. Die bevoordeelt volgens hem vooral de elite. In Londen en New York ziet hij waar dat toe leidt. Het alternatief is het open systeem: dat is een systeem van kleine aanpassingen, van sociale strategieën waardoor buurten dichter bebouwd en meer divers worden. Het tijdsbegrip in de stad als een open systeem is heel anders dan in de geplande stad, namelijk ze is onvoorspelbaar, vol dissonanten, ze gaat gepaard met hele kleine stapjes, een kwestie van trial and error, gevoed door een verlangen naar groeiende complexiteit. Verhalen zijn hierbij een geschikter hulpmiddel dan ontwerpen, visies, eindplannen of blauwdrukken. Sennett: “All good narrative has the property of exploring the unforeseen, of discovery; the novelist’s art is to shape the process of that exploration.”

Tagged with:
 

Civics

On 10 februari 2015, in geschiedenis, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pioneers in British Planning’ (1981) van Gordon Cherry (ed):

 

632

 

Onlangs een lezing gegeven in Geneve, aan de universiteit, over open planning. In de zaal werd na afloop de vergelijking gemaakt met het werk van de Schotse bioloog, socioloog en planner Patrick Geddes (1854-1932). Veel opgeschoten, concludeerde ik, zijn we dus niet. Hoewel je de opmerking van de Zwitserse dame in het publiek ook positief kon opvatten. Enerzijds doelde ze op de brede evolutionaire, quasi-theoretische benadering van Geddes van het vakgebied die ik de zaal kennelijk voorhield en die de afgelopen decennia inderdaad verloren is gegaan, anderzijds de hele praktische experimenten waarmee hij en ik die benadering onderbouw(d)en. Ook die combinatie van beide komt nauwelijks nog voor, gescheiden als de academische wereld is van de planologische praktijk. Het is juist wat mij begin jaren ‘80 in het oeuvre van Geddes zo aantrok en wat me destijds deed besluiten het schrijven van een proefschrift te combineren met werken in de planologische praktijk. Ik heb er nog altijd geen spijt van.

In ‘’Pioneers in British Planning’ schreef Helen Meller ooit een essay over het leven en werk van Patrick Geddes. Ze typeerde hem als een zeer bevlogen generalist die geen aanvoerder van een beweging (van overwegend specialisten) kòn zijn. Geddes, werkzaam in Edinburgh – het ‘Athene van het Noorden’ -,  geloofde ook niet in politiek en meende dat alleen met concrete economisch-ruimtelijke interventies verbetering kon worden gebracht in de lot van mensen. Zijn Kropotkin-achtige voorstellen tot wederzijdse hulp werden vaak geridiculiseerd, zelfs zijn vrienden en collega’s plaagden hem erom. Maar hij had ook fans. “His enthousiasm was infectuous but he chose emotional rather than intellectual methods to convert the world to the socio-biological eutopia of social reconstruction.” Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trok hij teleurgesteld naar India, later naar Israel, om in de slums de armen bij te staan met praktische adviezen. Bij terugkeer in 1916 trof hij de jonge Amerikaan Lewis Mumford als leerling, maar ook die ging later een andere weg. Onder Nederlandse planners staat Geddes vooral bekend om zijn pleidooi voor ‘survey before plan’. Ach ja.

Tagged with:
 

Een luchtig geheel

On 3 december 2014, in participatie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in theater Bellevue op vrijdag 28 november 2014:

IMG_0904.JPG

De derde editie van de leergang De Nieuwe Wibaut werd afgelopen vrijdagmiddag afgesloten met presentaties van de resultaten in theater Bellevue in Amsterdam. Aanwezig: alle tachtig deelnemers, twintig mentoren, tien vraageigenaren, organisatoren en vele belangstellenden, waaronder een delegatie uit Praag. Vijftig meter verderop vond TEDx Amsterdam plaats in de Stadsschouwburg. Het leek geen toeval. De presentaties gingen over schoolpleinen in Amsterdam Zuidoost, een buurt die zorg in eigen beheer neemt, besmettelijke buurtkracht in Gaasperdam, oplossingen voor het overbelaste fietsdepot in Amsterdam Westpoort, NDSM open en van iedereen, red de Zaanse winkelstraat, een skatehal voor Noord, gebiedsmanagement voor de Tuinen van West en: ondersteuning van kwetsbare burgers. Deelnemers kwamen dit keer niet alleen uit de gemeente Amsterdam, maar ook uit Amstelveen, Den Bosch, Rotterdam, Zaanstad en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu te Den Haag. Ze brachten een alternatieve TEDx, zowaar.

In telkens zeven minuten presenteerden de ambtenarenteams zowel de resultaten van hun werk als de door hen ontwikkelde werkwijze. Verbazing over de traditionele gemeentelijke aanpak was daarin opvallend; conflicten en misverstanden komen eruit voort. Opvallend was ook de gelijkluidendheid ten aanzien van geleerde lessen: vragen stellen, de vraag achter de vraag leren kennen, oordeel uitstellen, verschillende perspectieven ophalen, mensen verbinden, talent waarderen. Een enkel team had gemerkt dat collega’s met hetzelfde onderwerp bezig waren geweest. Hun werkwijze had echter veel sneller tot resultaten geleid en ook minder voorbereiding geëist. Vooral geluk was hen toe-gevallen. Ontroerend was de presentatie van het team dat het vraagstuk van de gemeentelijke Ombudsman had aangevat: hoe om te gaan met kwetsbare burgers. Confronterend, empathisch. En leuk was de wijze waarop het team van de Tuinen van West haar bevindingen in een receptenboekje had opgediend. “Neem eerst het vraagstuk voor je en voeg daaraan zes eigenwijze Wibautstudenten toe. Kluts het in een beheerdersgebouw tot een luchtig geheel. Kort laten rijzen, let op de temperatuur het raakt snel oververhit. Halveer het geheel en serveer een deel na vier weken in het Bellevuetheater.” Was het maar zo eenvoudig.

Tagged with:
 

Cool planning

On 19 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 november 2014:

Afgelopen week werd ik, als keynote speaker op de World Cities Culture Summit  2014, door de dagvoorzitter aan het publiek voorgesteld als ‘a cool planner’. Opgelucht haalde ik adem. Het herinnerde me aan een recent artikel in The Guardian van de hand van Tom Campbell. In ‘For the sake of our cities, it’s time to make town planning cool again’ stelde deze dat het met onze steden misschien goed gaat, maar met het planningstelsel en de professie van de planners absoluut niet. “Just as they are needed more than ever, the status of planners and city administrators has never been lower.” Burgemeesters treden op de voorgrond, maar hun planologen worden ondertussen afgedankt. In Groot-Brittannië stelde premier Cameron zelfs dat hij een eind wil maken aan de bureaucratie, die een hinderpaal zou zijn op de weg naar herstel en succes. En niet alleen de rechtse politici willen van de planners af, dat geldt voor de samenleving in de volle breedte. In de populaire Britse televisieserie ‘The Wrong Mans’ speelt Noel een nerdish planoloog die  werkt voor de gemeente Bracknell. Hij is een belachelijke figuur. Ga dus geen planologie of stedenbouw studeren, want denk om je status; die kan alleen maar vallen. Kies dan liever voor ‘Urban Studies’.

Het is hun eigen schuld, stelde Campbell. Een van de oorzaken is de opleiding van planologen. Die is over-gespecialiseerd geraakt. Dat houdt in dat planners alleen nog maar kunnen communiceren met hun soortgenoten. Hun taal is abstract geworden, raar vakjargon. Leken worden heel soms toegelaten tot het planningsdebat, maar dan alleen op de voorwaarden van de planologen. De ontwerpers onder hen zijn vrij gaan ontwerpen, alsof er geen samenleving meer is, terwijl de sociale planners zich hebben vastgebeten in procedures, wetgeving en institutionele kaders. Jonge mensen willen daardoor geen planning meer studeren. En het vak zelf? Terwijl de professionele planners op hun kantoren zitten te vergaderen en de politiek keer op keer op hen bezuinigt, maken de burgers zich op voor een mars naar de stadhuizen. Waarom, vraagt Campbell zich af, gaan de planners niet de straat op en maken ze zich sterk voor een grotere rol voor de burgers in de planning? Antwoord volgens Campbell: ze kunnen het niet, ze missen daarvoor de vaardigheden. Meer radicaliteit is daarom dringend gewenst. Er is behoefte aan ‘cool planning’. Dat begint op de universiteiten.

Tagged with:
 

Push a Negative Hard

On 12 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rules for Radicals’ (1972) van Saul Alinsky:

Hoe werken mensen beter samen? Daarover ging mijn lezing in Utrecht, twee weken geleden. Mijn antwoord: werken in kleinere eenheden, meer zelfsturing, minder controle, minder management. Dit kan alleen als de kans op conflicten gereduceerd wordt. Hoe bannen wij conflicten uit ons werk? Een van de voorbeelden die ik noemde was het werk van Saul Alinsky (1909-1972), opbouwwerker uit Chicago en leermeester van Barack Obama. Ogenschijnlijk koos ik daarmee een heel slecht voorbeeld. Hij, Alinsky, zocht conflicten juist op, nee hij maakte ze. Hij bedacht een vijand, creëerde daarmee een gemeenschappelijk doel en bracht zo de mensen samen. Dit noemde hij ‘empowerment’. In 1972 schreef hij er een boek over. In ‘Rules for Radicals’ behandelt hij twaalf regels over symbolische constructies en niet-gewelddadige conflicten die uitmonden in een gestructureerde organisatie van mensen met een duidelijk doel. Werkte het?

Iets van deze bewuste conflicthantering zie je nog steeds in onze samenleving terug. Geen wonder. Veel babyboomers hebben er ooit mee gewerkt en gebruiken het nog steeds, bewust of onbewust. Immers, zij kwamen in opstand tegen hun ouders, het gezag, de autoriteiten. Alinsky gaf hen nuttige tips. Bijvoorbeeld de ander belachelijk maken, waardoor hij geen verweer heeft; de vijand bevechten met zijn eigen regels; de druk erop houden; uitgaan van een dreiging omdat die voor mensen werkelijker is dan de feiten; de vijand bevechten buiten zijn eigen expertise. En wat te denken van deze? "If you push a negative hard enough, it will push through and become a positive." Mensen zullen uiteindelijk kiezen voor de underdog, dus speel de underdog en wees subversief! Misschien, suggereerde ik daar in Utrecht, heeft deze werkwijze, door velen in praktijk gebracht, uiteindelijk wel zoveel sturing en management in onze samenleving noodzakelijk gemaakt. Je moet de mensen niet vertrouwen. Maar als dat zo is, dan kunnen we dit ook weer afbreken. De huidige machthebbers – zelf babyboomers – zullen dit misschien niet snel doen. Dat is dan aan de volgende generatie.

Tagged with:
 

Spelenderwijs

On 16 september 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Negotiation and Design for the Self-Organizing City’ (2014) van Ekim Tan:

Afgelopen vrijdag promoveerde architecte Ekim Tan aan de TU Delft op een onderzoek naar gaming als methode voor stedelijk ontwerp. Promotoren waren Henco Bekkering en Arnold Reijndorp, hoogleraren aan de TUD respectievelijk de Universiteit van Amsterdam. Tan beschrijft in haar proefschrift nauwgezet een aantal door haar uitgevoerde experimenten met ontwerpoefeningen waarbij de deelnemers, waaronder de ontwerper zelf, in een spelsituatie tot ontwerpbesluiten moeten zien te komen. De oefeningen vonden plaats in Instanbul, Almere, Rotterdam en Amsterdam. Telkens moesten collectieven over de invulling van een bepaald gebied beslissen waarbij Tan de spelregels bepaalde. Elke situatie vraagt namelijk om een ander type spel. Later mochten ook de deelnemers de spelregels veranderen. Het waren alle oefeningen op het droge. De realiteit werd nog het dichtst benaderd in het meest recente spel, dat ging over de invulling van de monumentale Van Gendthallen in Amsterdam.

Over de uitkomsten is Tan erg enthousiast. Het is haar overtuiging dat de methode werkt, ook in complexe situaties, en dat deze kan worden opgeschaald naar regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau. Zelf  heb ik twijfels. Ik denk dat het beter is om goed contact met de realiteit te houden en daartoe steeds een zo laag mogelijk schaalniveau te kiezen. De casus Oude Westen in Rotterdam vond ik het meest inspirerend: zeven architectuurstudenten van de Rotterdamse academie hadden bewoners en stakeholders in de buurt nagespeeld; door het spel hadden ze goed met elkaar samengewerkt en vanuit het perspectief van betrokkenen de buurt herontworpen. Zo’n collectieve werkwijze is bij ontwerpers hoogst ongebruikelijk, maar volgens mij veel beter dan de bij architecten gebruikelijke ontwerpcompetities en challenges waarbij uiteindelijk een winnaar wordt gekozen en verliezers, met al hun inzet, het nakijken hebben. Tan is realist en idealist tegelijk: de samenleving is volgens haar te complex geworden voor die ene ontwerper; die kan het gewoon niet meer alleen; hij of zij zal moeten samenwerken, hoe moeilijk dat soms ook is.

Tagged with:
 

Fascinerend

On 1 juli 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gezien in de Westergasfabriek te Amsterdam op 12 juni 2014:

De keynote op de negende Kennisdag ruimtelijke sector van de gemeente Amsterdam was niemand minder dan Carlo Ratti, directeur van de SENSEable City Lab, MIT Department of Urban Studies and Planning. Zelden zo’n swingende presentatie gezien. Als een VJ stond de magere, in een T-shirt gehulde Ratti achter het katheder, waarin zijn computer zat verstopt, die hij uiterst behendig bediende en waarmee hij het ene na het andere filmpje de zaal inslingerde, telkens ondersteund door een stevige beat. We zagen allerlei toepassingen van technologie in het stedelijke, hoe apps ons kunnen volgen, zelfsturende auto’s, ik ontwaarde zelfs een drone. Het zag er allemaal puik uit, en het leek vooral ook heel kostbaar. Elk filmpje werd afgesloten met reclame van grote bedrijven die de ontwikkelde technologie – prototypes – hadden helpen financieren. We werden niet alleen vermaakt, nee we werden verleid. Technologie is ook fascinerend.

Bij veel technologische toepassingen, viel me op, fungeren de stedelingen min of meer als bevers die, met zendertjes uitgerust, de planners precies laten weten waar ze zitten en wat ze zoal uitspoken. Op basis van die informatie kunnen planners de ruimte inrichten, of manipuleren. Veel toepassingen vond ik slim, sommige waren comfortabel. Enkele echter voelden juist heel oncomfortabel omdat ze me deden denken aan moderne oorlogvoering. Als sociale wetenschapper vroeg ik me af of mensen – consumenten – dit allemaal werkelijk willen, of dat deze technologie hen door de industrie wordt opgedrongen. Als planoloog twijfelde ik of je hiermee aan een goede samenleving bouwt. En dat is toch wat publieke ruimtelijke planning wil: bijdragen aan een ‘civil society’. Techniek maakt mensen vrij, schreef Kevin Kelly in ‘What Technology Wants’. Zou dat het zijn? Misschien kan iemand me geruststellen.

Tagged with:
 

Backwater

On 4 juni 2014, in economie, innovatie, internationaal, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Financial Times Magazine van 30 mei 2014:

Van de hand van Simon Kuper verscheen onlangs een opmerkelijk artikel in FT, althans het was een artikel dat vooral in Nederland opzien baarde en dat daar ook tot nadenken zou moeten stemmen. In ‘The rise of global capital’ nam de bekende Britse schrijver nota bene Amsterdam als voorbeeld van een stad die nationaal weliswaar in opkomst is, maar die tegelijkertijd op het internationale toneel stevig aan gezag en betekenis inboet. Zeker, Amsterdam is een ‘upscale bohemian village’ en is in de moderne kenniseconomie tegenwoordig een van de honderd ‘global cities’ die de geograaf Saskia Sassen in haar ranglijsten onderscheidt. Maar tegelijkertijd zakt de stad op de internationale lijstjes omdat andere steden dan Amsterdam in de wereld nu eenmaal veel sneller in omvang en betekenis groeien: de opkomst van de zogenaamde ‘global capitals’. "Amsterdam is slipping into the global second division." Jonge, hoogopgeleide Nederlanders verhuizen en masse naar Amsterdam, maar de echt getalenteerden onder hen verlaten het land en zoeken een goed heenkomen in New York, Singapore, Los Angeles of Londen. Datzelfde geldt voor kunst, geld, politiek, invloed, macht.

Deze mondiale geografische herschikking van elites pakt voor Nederland en ook Amsterdam gewoon niet goed uit. Maar ook andere steden in de wereld krijgen te maken met een dergelijke exodus. Net als Amsterdam worden steden als Madrid en Parijs, aldus Kuper, onherroepelijk "a backwater inhabited by an increasingly impotent national elite, a delightful place for paceless mornings of coffee and newspapers." En dat is precies wat de Brit Simon Kuper in Amsterdam graag doet: aan zijn kopje koffie nippen op een terrasje in de Jordaan. Anders niet. Is dat erg? Misschien niet. Dan worden we maar tweederangs. Is er helemaal niets aan te doen? Jawel, maar dan moet in Nederland iets grondig veranderen: geen zogenaamde Randstad- of ‘borrowed size’-politieken, maar echte metropolitanisering van de nationale hoofdstad en omgeving. Wordt het haar gegund? Ik denk het niet.

Een vertaling van het artikel van Kuper staat inmiddels afgedrukt in Het Parool, 4 juni 2014, Het laatste woord.

Tagged with:
 

Andere manier van werken

On 17 mei 2014, in innovatie, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Geschreven in het Kleine Grote Nieuwe Wibaut prentenboek van mei 2014:

Michiel Goudswaard schreef in het Financieele Dagblad onlangs over een brandende kwestie: die van de ambtenaren die onvoldoende ruimte krijgen om kernproblemen aan te pakken. Volgens deze redacteur van FD dreigen de ambtenaren de aansluiting met de ‘netwerksamenleving’ te missen. “Ze zitten gevangen in hiërarchische en bureaucratische structuren, terwijl de veranderende samenleving juist om flexibiliteit en een ondernemende houding vraagt.” Onder de kop ‘Ambtenaren moeten meer ruimte krijgen voor aanpak van kernproblemen’  gaf hij onlangs aanwijzingen welke evrandering nodig is. “De oplossing,” aldus Goudswaard, “is niet de zoveelste blauwdruk voor de reorganisatie van het ambtelijk apparaat.” Veeleer zou de richting moeten worden gezocht in een andere manier van werken. Daarvoor zouden ambtenaren ruimte van hun superieuren moeten krijgen, de bestuurders incluis. “Ambtenaren moeten zich ontwikkelen tot dienstbare probleemoplossers, die de blik meer naar buiten richten en minder naar boven kijken of hun bazen het wel goed vinden.”

In zijn artikel stelt Goudswaard vast dat door het internet mensen kritischer zijn over instituties en dat het bestuur sterk aan gezag inboet. Er is een ander soort overheid nodig. Ambtenaren moeten veeleer partijen bij elkaar brengen, nauw samenwerken met maatschappelijke groeperingen, draagvlak verwerven, terwijl de politiek moet durven loslaten en verschillen in behandeling moet durven toestaan. Het vermogen om dingen voor elkaar te krijgen zal hierdoor juist worden vergroot. Het is precies de kern van De Nieuwe Wibaut, waarvan de tweede editie afgelopen vrijdag werd afgerond in het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal. De praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam gaat over verbinden, niet organiseren, eerder een zoektocht dan een blauwdruk. Geen plannen van aanpak, gebiedsplannen, implementatie, maar flexibiliteit, ondernemerschap, creativiteit en verbinden. Voor wie nog aan het nut van de Amsterdamse praktijkleergang twijfelde, wees gerust: je bent voorloper, de rest zal (wel moeten) volgen.

Tagged with: