Thinking City

On 24 februari 2014, in onderwijs, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Read more: www.summerschoolthinkingcity.org

 

 

Inspired by Don’s active involvement as a tutor in the successful Zurich Summer School ‘From Suburb To City’, we – Don Murphy and Zef Hemel – have the ambition to initiate an equally interesting event about city planning and city making, in and about Amsterdam. By organizing an event with an international audience, we wish to promote the Dutch position in the field of architecture, planning and innovative city making in a global scene. The Netherlands has always had a strong tradition in these fields, which is widely acknowledged internationally. Besides, we wish to initiate a dialogue about the current state of planning and future planning tasks in the city of Amsterdam. With an extensive public program that will be organized in relation to the Summer School studios, we wish to not only invite the Summer School participants, but also a wide local audience to engage in the thinking about the future of the city.

In the Summer School ‘Thinking City. The Dynamics of Making Amsterdam’ we wish to explore new ways of planning and making the city. The complexity of society necessitates the input of a wide variety of knowledge in planning and building the city – knowledge from different disciplines, about abstract ideas as well as every day life. Different from the regular educational programs of the UvA, TU Delft and other universities specialized in social sciences, urban planning and building sciences, the two-week Summer School will create a setting in which interdisciplinary teams, of both students and professionals, will work on reality-based case studies, in close collaboration with local stakeholders. This unique cooperation will be the core of this event. Workshop settings in which diverse actors – amateurs, students and professionals – will look at specific case studies – housing, energy, politics, mobility, education, culture, food, media, health, biodiversity, well-being and technology – will allow for the testing of new working methods. The kick-off event will take place in Pakhuis de Zwijger thursday evening 13 March 2014. Subscription will start 1 March 2014.

Tagged with:
 

Wie ontwierp het AUP?

On 28 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord in Laren op 20 januari 2014:


Bezoek aan Wali van Lohuizen gebracht. Van Lohuizen is emeritus-hoogleraar Urbanistiek aan de TU Eindhoven. Tegenwoordig woont hij in kunstenaarsdorp Laren, het Gooi. Zijn vader was Theo van Lohuizen, stedenbouwkundig onderzoeker bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam en vanaf 1948 hoogleraar Stedenbouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool Delft. Net als zijn vader was de zoon zijn carrière ooit begonnen bij het verkeersvraagstuk, in zijn geval bij de Nederlandse Spoorwegen. Hun benadering van het vakgebied vertoont ook grote gelijkenis: inventief, statistisch, kwantitatief, ruimtelijk. Maar dat niet alleen. We hadden het over verkeer, mobiliteit, de steden, het land. Uiteraard kwamen we ook te spreken over de vader en diens belangrijke werk in Amsterdam: de totstandkoming van het legendarische Algemeen Uitbreidingsplan van 1934.

Van Lohuizen vertelde me dat zijn vader hem ooit had ingefluisterd dat niet Cornelis van Eesteren het AUP heeft geconcipieerd, maar hijzelf. Toen Van Eesteren in Amsterdam kwam werken, nam Van Lohuizen hem mee op de fiets en toonde hem tijdens een reeks van dagtochten het omringende landschap. In het AUP is de nieuwe uitgelegde stad als het ware uitgesneden uit het polderlandschap op een wijze die inderdaad ieder detail en natuurlijk element respecteert. Die ‘’lobbenstad’ is misschien wel de grootste verdienste van het plan, in het proefschrift van Vincent van Rossem als zodanig beschreven. "Je kent toch het verschil tussen vormgeven en ontwerpen?", liet de zoon erop volgen. "In ontwerpen zit visie, in vormgeven niet." Ik begreep het en ik herinnerde me de systematische wijze waarop Van Lohuizen ook het landschap rond Rotterdam had geïnventariseerd (1927). En ik begreep ook dat Van Eesteren, afkomstig uit Alblasserdam, destijds nieuw was in Amsterdam en zo’n rondleiding door Van Lohuizen in het hem vreemde landschap moet hebben gewaardeerd. Biograaf Arnold Van der Valk citeert uit een interview met Van Eesteren: “Hij (Van Lohuizen) was een persoon met ideeen. Dus, hij bracht mij met Amsterdam in aanraking. Het wezen der dingen, dat was het hem.” Hoe zal ik het zeggen? Van Eesteren gaf op elementaire wijze vorm aan het programma dat Van Lohuizen als onderzoeker hem ontvouwde.

Tagged with:
 

Dure bezuiniging

On 20 januari 2014, in boeken, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van D. Bradford Hunt en Jon DeVries:

Werd door de redactie van S&RO gevraagd een recensie te schrijven van ‘Planning Chicago’. Las ter voorbereiding een interview met de auteurs, Bradford Hunt en Jon DeVries, verbonden aan Roosevelt University in Chicago, gepubliceerd op Planetizen 10 april 2013. Hun boek, 340 bladzijden dik, gaat over de naoorlogse planningsgeschiedenis van Chicago, de twee na grootste stad van de Verenigde Staten. De industriële ‘Windy City’ gedraagt zich als het Rotterdam van de USA. Ze voelt zich al jaren eeuwige tweede, zeker op dit moment. New York, in de jaren tachtig verlost van haar haven, heeft de omslag naar de postindustriële tijd succesvol weten te maken, maar van Chicago kun je dat niet zeggen. Wel gaat het de laatste jaren beter met de stad en er komen weer meer toeristen. Het prachtige Millennium Park in het centrum staat symbool voor deze wederopstanding. Maar voor Bradford Hunt en DeVries is dat allemaal twijfelachtig. Hun analyse steekt dieper: het ontbreekt de stad aan een langetermijnvisie en ze heeft geen eigen planningsapparaat meer dat ruimtelijk kan sturen. De Dienst Ruimtelijke Ordening werd in januari 2011 afgeschaft.

Wat hiervan de consequentie is, illustreren de auteurs in het interview fijntjes aan de hand van het zo bejubelde Millennium Park. Het park, zeggen ze, is in werkelijkheid de voltooiing van het honderd jaar oude plan van Daniel Burnham, dus het gaat terug op de tijd dat de stad nog planmatig opereerde. In werkelijkheid verliep de totstandkoming van het park chaotisch. Het was een opeenstapeling van blunders. Hunt: “It started being built as a parking garage, and portions had to be rebuilt when they decided that it would be topped with art. It was a chaotic implementation of the last piece of the Burnham Plan.” De schrijvers hopen dat wordt onderkend dat dit soort kostbare problemen voortkomen uit een gebrek aan publieke ruimtelijke ordening. “Frankly, a lot of cities have seen planning as one of those places where they can cut budgets.” (De situatie deed me denken aan de kwestie van het Rotterdamse Museumpark). De nieuwe burgemeester van Chicago Emmanuel is een sluwe vos, maar zijn groene dakenoffensief is louter symbolisch en zijn politiek is die van de korte termijn, aldus de twee. Daarom waarschuwen ze. De stad die op zijn Dienst Ruimtelijke Ordening bezuinigt zal op den duur geconfronteerd worden met hele grote problemen. Hunt: “It will lead to some expensive decisions in the long term".</

Tagged with:
 

Zonder protest

On 9 december 2013, in infrastructuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pursuing Transit-Oriented Development’ (2013) van Wendy Tan:

Afgelopen donderdag promoveerde Wendy Tan aan de Universiteit van Amsterdam op haar onderzoek naar de implementatie van TOD – Transit Oriented Development. TOD staat voor het ruimtelijke combineren van mobiliteit en activiteiten in knooppunten. Tan, van origine architect afkomstig uit Singapore, had zich in haar zoektocht gefocust op de hindernissen bij de implementatie van TOD-strategieën en het overwinnen daarvan in een aantal steden die hierin succesvol waren geweest: Portland, Oregon; Vancouver, Kopenhagen en Perth, Australië. Hieruit had ze gehoopt te kunnen afleiden hoe bijvoorbeeld ook in Nederland TOD succesvol zou kunnen worden geïmplementeerd. Tot nu toe is het namelijk geen enkele Nederlandse stedelijke regio gelukt om, anders dan op papier, verkeer- en vervoerbeleid en ruimtelijk beleid werkelijk op elkaar af te stemmen. “The situation in the Netherlands seems more conducive for car and bike use than for walking or public transport. While the above average role that cycling plays is in line with TODS prinicples, the limited role of public transport and walking next to the still very significant role of car-based travel are at odds with those principles.”

Tan zocht naar institutionele barrières, institutionele veranderingen en leerprocessen binnen instituties in bovengenoemde steden die gunstig voor implementatie waren geweest. Ze ontwikkelde een model op basis waarvan instituties zich aanpassen. Door vervolgens de vier steden te bestuderen paste ze haar rijke empirische materiaal binnen haar model. Haar conclusie? “Findings indicated that the cumulative forces of reactions and effects determine the direction of change. It is therefore possible to break away from an existing development path and shift towards a more conducive institutional context for TODS. Likewise, it is also possible to regress.” Anders gezegd: “The process of TODS implementation is a process of decades.” Het kan echter ook anders, veel sneller. Opvallend in al haar vier casus is namelijk de omslag die was teweeg gebracht door burgerprotesten. Zelfs in Kopenhagen waren burgers de straat opgegaan om verandering te eisen. Pas hierdoor gedwongen pasten de instituties zich aan. Een grotere betrokkenheid van burgers in de planning van meet af aan zou veel schelen. Haar daarnaar gevraagd, antwoordde ze dat dit correct gezien was, maar dat TOD in haar geboortestad Singapore toch zonder enig burgerprotest was geïmplementeerd. Met andere woorden, Nederlandse planning kan ook zonder burgers. Doe het Singaporees.

Tagged with:
 

Oud & Nieuw

On 2 december 2013, in innovatie, participatie, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de St. Olofskapel te Amsterdam op 29 november 2013:

Eindelijk was het dan zover. De slotdag van de praktijkleergang De Nieuwe Wibaut van de gemeente Amsterdam – ‘Waanzinnige Nieuwe Wibautdag’ – begon die vrijdagochtend met tien expedities op locatie, overal in de stad. ‘s Middags vond het plenaire gedeelte plaats in de Sint Olofskapel, vlakbij het Centraal Station. Voor een publiek van ruim driehonderd belangstellenden presenteerden daar tien ambtenaren elk in zeven minuten tijd op aansprekende wijze de resultaten van hun groepswerk, tevens leertraject. Met hun optredens vertegenwoordigden zij de bijna tachtig ambtenaren (uit Amsterdam, Den Haag, Almere en Zaanstad) die aan deze eerste editie van de Amsterdamse leergang hadden deelgenomen. Vier weken verspreid over een semester hadden ze op een andere manier gewerkt. Niet meer vanuit een diensten- en stadsdelenstructuur of vanuit taken en bevoegdheden, niet vanuit de scheiding tussen beleid, uitvoering en beheer, zonder een opdrachtgever en zonder resultaatverplichting, zonder (project)management ook en vooral: niet voor burgers, maar met burgers, in interdisciplinaire groepen, op locatie, dus vanuit buurten en wijken. Een uniek experiment. Een terugkeer naar de ‘seventies’, maar dan zonder confrontatie.

Wat me het meeste in de presentaties opviel? Alle deelnemers hadden het aanvankelijk moeilijk gehad, maar waren uiteindelijk enthousiast geworden en zaten vol energie. Bijna elke groep gebruikte een metafoor om duidelijk te maken wat het prototype van de nieuwe werkwijze die ze zelf ontwikkeld hadden ongeveer behelsde: scharrelen en broeden (van ‘plofambtenaren’ naar ‘scharrelambtenaren’!), een vuurtje stoken, surfen op de golven, brood bakken, kookstudio, buiten spelen. Eén team vertelde over haar energiehuishouding en hoe ze die op orde had weten te houden. Een ander team maakte duidelijk dat oude en nieuwe werkwijze heel goed naast elkaar kunnen bestaan. Een deel van de overheid, zei weer een ander, zal altijd Kingcorn blijven bakken. In het verlengde lag een pleidooi om een soort ‘buddysysteem’ te introduceren waarbij ambtenaren naast hun dagelijkse kantoorwerk actief burgerinitiatieven ondersteunen. Overal proefde je weer elan. De sfeer was geweldig. Deelnemers waren weer trots om ambtenaar te zijn. Voor meer informatie kijk op de website van de gemeente Amsterdam.

Tagged with:
 

City engineering

On 25 november 2013, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Volume 2008 nr. 2:

Geef vandaag college over ’social engineering’ aan bachelor-studenten op de UvA. Las in dat verband nog eens het nummer van Volume over ‘Engineering Society’ (2008, nr. 2). In dit nummer interviewde de toenmalige gemeentesecretaris van Amsterdam, Erik Gerritsen, de Amerikaanse planner en anarchist James Scott, verbonden aan Yale University. Het is een geweldig interview. Scott, auteur van ‘Seeing Like A State’ (1998) vertelt over ‘high-modernist planning’. Dat is een vorm van planning waarbij een technisch-wetenschappelijk elite precies denkt te weten hoe de samenleving moet worden georganiseerd. Die planning is allerminst dood. Scott noemt in dat verband het werk van IMF, Wereldbank en andere grote financiële instellingen, maar ook de groei en concentratie van globaal kapitaal en de nieuwste communicatietechnologieën die beheersing en controle op ongekende schaal mogelijk maken. De kans op ongelukken is daardoor nog veel groter dan in het verleden. Gelukkig, voegt hij er aan toe, is de realiteit complex, waardoor al die grote schema’s vroeger of later stuklopen. Soms gebeurt dat met een grote klap. Zoals direct na het interview van voorjaar 2008 ook zou blijken.

Dat vaak ook steden, net als staten, een ‘high modernist planning’ volgen, adstrueerde Scott aan de hand van New Haven, Connecticut. Deze stad van ruim 100.000 inwoners aan de Amerikaanse Oostkust spendeert van alle Amerikaanse steden naar verhouding het meeste geld aan stedelijke vernieuwing. Op grote schaal werden en worden plannen gemaakt voor elk stadsdeel, die ook nog eens efficiënt worden uitgevoerd. Scott: "It implemented those plans to the point that they actually destroyed the city." In twintig jaar tijd werden alle bewoners gedwongen liefst twee tot driemaal te verhuizen, steeds omdat hun huizen moesten worden afgebroken. En alles zou beter worden. Echter, mensen moet je helemaal niet verhuizen, aldus Scott. Je berooft ze van hun wortels. "No city planner has ever created a successful neighborhood. Never." Het beste wat planners kunnen doen is ‘un-slumming’: buurtbewoners zelf hun buurt laten opknappen door ze bescheiden leningen te verstrekken en hen met regelgeving in staat te stellen iets voor zichzelf te doen. De Amsterdamse gemeentesecretaris hoorde het aan. "Sheep are used as a metaphor for mindlessness and obedience. We talk about people being sheep if they do what they’re told, behave in crowds and don’t have any individuality." Echter, schapen, aldus Scott, zijn in werkelijkheid hele individualistische dieren.

Tagged with:
 

Droomproces

On 20 november 2013, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord bij het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam:

Nieuwe vormen van gebiedsontwikkeling, wat stelt u zich daar eigenlijk bij voor? Zelfbouw? Over die vraag boog een aantal leden van het zogenaamde Watertorenberaad zich in Amsterdam bij een pilot waarvoor door het OGA de Sluisbuurt op de westelijke punt van het Zeeburgereiland, pal naast de A10, was gekozen. De Sluisbuurt is nu nog een lege vlakte, qua gemeentelijke planvorming op slot gezet vanwege tekorten in het Vereveningsfonds. Omdat het Watertorenberaad publieke en private partijen verbindt rond de zoektocht naar andere vormen van gebiedsontwikkeling, had het Ontwikkelingsbedrijf van de gemeente Amsterdam de organisatie gevraagd hier een pilot uit te voeren. Medeoprichter Antoinette van Heijningen, Ecorys-medewerkers Damo Holt en Ewout Dekker, Enno Zuidema Stedebouw, Juli Advies, Dirrix architecten en planologen van de gemeente Amsterdam startten daarop een zoektocht naar een nieuwe ontwikkelstrategie ‘op basis van organisch groeien’. Gevraagd: snelle procedures, inspirerende samenwerkingsvormen en alternatieve ontwerp strategieën. Wat heeft de pilot opgeleverd?

Najaar 2012 werden door het beraad ‘gemengde gesprekstafels’ ingericht. Elke tafel leverde schetsen op – een soort getekende processen. Er werd stilgestaan bij de veranderende rol van de ontwikkelaar en bij die van de gemeente; vervolgens werd de vraag gesteld hoe initiatieven snel kunnen worden gefaciliteerd. De antwoorden bleken vooral instrumenteel. Uit alle input vormden zich de contouren van een nieuwe werkwijze. Die was interactief. In maart 2013 werd daarom een oploop georganiseerd op het naburige IJburg. Mensen werden uitgenodigd. Bij de genodigden werd vervolgens dit opgehaald: ruilhandel zonder geld, campingmodel met flexibele grondprijzen, niet verder kijken dan de start, mogelijk maken en verbinden, tekenen en verbeelden, denken vanuit het beheer, veel leren door het extreme toe te laten. Ontstond er ook een beeld? Jazeker, dat was er een van honden, pony’s, studenten, camping, zandzeilen en een park. En ook: aansluiten bij het gevoel van het gebied. Bovendien gingen er stemmen op om een Shareholders Inc. op te richten. En wat het plan betreft, dit bestond volgens de deelnemers uit een plat vlak, een sterk grid dan wel een lappendeken, een spontane structuur van paden, plekken en straten, een structuur die je veilig van en naar het eiland brengt. En daarnaast: alles wat het algemeen belang versterkt krijgt voorrang. Ten slotte: een droomproces, merkte iemand op, ontstaat alleen wanneer de gemeente vanuit de initiatiefnemers denkt. Klonk als #nieuwewibaut (kom op 29 november naar de Waanzinnige Nieuwe Wibautdag!) Gaat het ook gebeuren? Ja het gaat gebeuren.

Tagged with:
 

#Nieuwe Wibaut

On 24 september 2013, in openbare ruimte, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gezien in Castrum Peregrini in Amsterdam op 22 september 2013:

Afgelopen zondag deelgenomen aan slotsymposium over ‘Tussen-ruimte’ in Castrum Peregrini aan de Herengracht, Amsterdam. Tussen-ruimte was een project van Yarrik Ouburg in de Amsterdamse grachtengordel. Met dit project wilde deze architect een discussie aanzwengelen over het Unesco-monument: is er met al die beschermingsmaatregelen nog wel ruimte voor het ongeplande experiment? Ouburg had in de planmatig uitgelegde stad van 400 jaar geleden toch nog meer dan vijftig stegen ontdekt die daar volgens de plannenmakers eigenlijk helemaal niet hadden mogen komen. Noem het planningsfouten van destijds. Sloppen en stegen werden bij de aanleg van de Amsterdamse grachtengordel als een teken gezien van armoede, gebrekkige hygiëne en ondoordachte planning. Voor Ouburg zijn de stegen juist spannende tussenruimten in een veel te planmatig aangelegde stad. Kunstenaars waren door hem gevraagd om voor verschillende stegen kunstwerken te maken. Zelf had hij een smalle steeg ingericht tussen de panden Herengracht 127 en 129. In Castrum Peregrini aan de Herengracht kon men het geheel bewonderen in een fraaie, bescheiden tentoonstelling.

Wat me het meeste trof waren niet die stegen, maar de werkwijze die Ouburg had gevolgd. Via de zoektocht naar de tussenruimten in de geplande stad was deze jonge architect in gesprek geraakt met de bewoners van de grachtengordel. Die hadden zich door zijn inventarisatie gerealiseerd dat hun steeg of slop een bijzondere ruimte is, die op vele manieren kan worden gebruikt. Deuren en hekken gingen open, een gesprek ontstond over de buurt, kunstenaars werden in de restruimten toegelaten, evenementen mochten worden georganiseerd. In plaats van een gemeentelijk stegenplan was hier een kunstenaar aan het werk die aan de betekenisgeving van stegen en sloppen bijdroeg, een boeiend verhaal vertelde, historisch onderzoek deed, de bewoners activeerde, initiatieven uitlokte, mensen op inspirerende wijze samenbracht en gesprekken over de toekomst van de buurt faciliteerde. Na zes weken programmeren en openstellen – een programma met bijna geen budget – is nu de vraag hoe dit inspirerende proces verder gebracht kan worden. Ook dat ligt helemaal open. Wat een fraai prototype van een nieuwe, open planologische werkwijze! Zou een gemeente voortaan niet net zo kunnen werken?

Tagged with:
 

Gelezen in ‘Future Perfect’ (2012) van Steven Johnson:

Description de cette image, également commentée ci-après

Dat infraplanning bottom-up zou moeten worden georganiseerd en niet, zoals nu, top-down, laat Steven Johnson met een fraai voorbeeld zien in zijn laatste boek, ‘Future Perfect’. Dankbaar maakte ik er afgelopen week gebruik van in mijn voordracht op het MBKA-congres op de Universiteit van Amsterdam. Het betreft de aanleg van het Franse spoorwegennet vanaf 1850. Op de kaartbeelden lijkt het netwerk organisch te groeien, maar niets is minder waar. Rond 1850 besloot Napoleon III overhaast tot de aanleg van een nationale spoorwegnet, nadat gebleken was dat het land hierin achterliep ten opzichte van de Britten en de Duitsers. Het Franse netwerk, was zijn eis, moest rationeler en oneindig veel beter worden dan dat van de buurstaten. Generaal Victor Legrand (foto) werd ermee belast, ingenieur Claude-Louis Navier tekende het netwerk. Hij schreef: “What a fine role for the state if it can take charge and plan the main lines … and by this means of rapid, long-distance communications bring about the full integration of this fine country.” Later zou men het Franse spoorwegennet zelfs naar de generaal vernoemen: ‘Etoile Legrand’. Alle lijnen kwamen samen in Parijs, de hoofdstad, er was een duidelijk hoofdnetwerk met feederlijnen in de periferie. Het netwerk heette buitengewoon rationeel en efficiënt te zijn, door ingenieurs en economen van het ministerie nauwkeurig berekend, geen lijn was teveel, alles geheel volgens ‘l’esprit géometrique’.

Het netwerk was amper voltooid of de Frans-Pruisische oorlog brak uit. De Duitse generaal Bismarck bleek in 1870 in staat zijn troepenmacht via het chaotische Duitse spoorwegennet, met meer dan vijftig vervoersmaatschappijen en evenzovele beheerders, veel sneller, flexibeler en gemakkelijker te kunnen verplaatsen dan de Franse generaals over hun rationele en superieure spoorwegennet. Frankrijk werd bezet. Conclusie? Johnson: “Think of the Legrand Star as a kind of shorthand symbol for the ways that states like to organize the world. (…) they simplify; they favor broad strokes over unpredictable swerves; they prefer master planners over local knowledge. They look best from above.” De les? 1. De MKBA helpt ons niet echt verder, 2. de infraplanning moet minder door het Ministerie van Infrastructuur worden gedomineerd, 3. in plaats van economen en ingenieurs moeten burgers en ondernemers meer zeggenschap krijgen 4. infra kunnen we voortaan beter lokaal plannen en organiseren, vanuit de steden, alles bottom-up.

Tagged with:
 

Planologie studeren in Moskou

On 11 augustus 2013, in onderwijs, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 10 juli 2013:

Met tien studenten Urban Studies van de Universiteit van Amsterdam een bezoek gebracht aan Moskou. Onze gastheer was de Graduate School of Urban Studies and Planning van de Moscow School of Economics, gevestigd in de oostelijke binnenstad. Sinds twee jaar biedt deze jonge school, opgericht door ex-minister Yegor Gaidar, een masterprogramma op het gebied van stadsontwikkeling en ruimtelijke planning. Ze pretendeert op dit terrein de eerste in Rusland te zijn. Volgens decaan Alexander Vysokovski (65) kent Rusland nog helemaal geen professionele planologen. Die moeten eerst worden opgeleid. Het docentencorps bestaat uit allemaal jonge mensen, die dikwijls in het buitenland hebben gestudeerd. Elk jaar worden vijfentwintig gemotiveerde studenten tot de masterstudie toegelaten. Een bezoek aan de Moscow State University later die week maakte ons duidelijk hoe het veelal niet hervormde onderwijssysteem van Rusland functioneert: de geografische faculteit, gevestigd op de tweeëntwintigste verdieping van het Stalinistische hoofdgebouw dat hoog oprijst boven Moskou en in 1954 door krijgsgevangenen werd gebouwd, lijkt van binnen in al die zestig jaren nog onveranderd. Met het ontgrendelen van getraliede hekken werden voor ons de leslokalen geopend. Kasten vol globes en atlassen staarden ons aan. Vanuit de sombere hoge ramen keken we neer op het immense Moskou dat zich daar in de verte eindeloos uitstrekt.

Diezelfde week werden we ontvangen in Strelka Institute. Wat een verschil! Deze nieuwe post graduate opleiding stadsplanning bevindt zich in een oude chocoladefabriek aan de oevers van de Moskwa, recht tegenover de kerk van Christus de Verlosser. Het kleine schoolgebouw bestaat uit een aantal flexibele workshopruimten rond een rechthoekige binnenplaats. Op de binnenplaats wordt elke avond een lezing gehouden of film vertoond die voor iedere burger vrij toegankelijk is. Het docentencorps wisselt, elk jaar wordt het studieprogramma vernieuwd, er wordt in interdisciplinaire teams gewerkt, de voertaal is Engels, de studenten komen uit de hele wereld. Een boekenwinkel stelt alle schoolpublicaties gratis beschikbaar. Studeren kost er niets, althans voor de circa dertig gelukkigen die door de schoolleiding elk jaar worden toegelaten (het private Strelka wordt door een aantal rijke, idealistische Moskovieten gefinancierd), maar daar staat tegenover dat de studie niet is geaccrediteerd. Strelka Institute lijkt de gedroomde academie voor planologen: een open forum, vrij toegankelijk, interdisciplinair, gratis onderwijs, steeds actueel. Drie scholen in Moskou. In de notendop geven ze een goed beeld van de actuele onderwijsinfrastructuur voor planologie in het metropolitane Moskou.

Tagged with: