Fascinerend

On 1 juli 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gezien in de Westergasfabriek te Amsterdam op 12 juni 2014:

De keynote op de negende Kennisdag ruimtelijke sector van de gemeente Amsterdam was niemand minder dan Carlo Ratti, directeur van de SENSEable City Lab, MIT Department of Urban Studies and Planning. Zelden zo’n swingende presentatie gezien. Als een VJ stond de magere, in een T-shirt gehulde Ratti achter het katheder, waarin zijn computer zat verstopt, die hij uiterst behendig bediende en waarmee hij het ene na het andere filmpje de zaal inslingerde, telkens ondersteund door een stevige beat. We zagen allerlei toepassingen van technologie in het stedelijke, hoe apps ons kunnen volgen, zelfsturende auto’s, ik ontwaarde zelfs een drone. Het zag er allemaal puik uit, en het leek vooral ook heel kostbaar. Elk filmpje werd afgesloten met reclame van grote bedrijven die de ontwikkelde technologie – prototypes – hadden helpen financieren. We werden niet alleen vermaakt, nee we werden verleid. Technologie is ook fascinerend.

Bij veel technologische toepassingen, viel me op, fungeren de stedelingen min of meer als bevers die, met zendertjes uitgerust, de planners precies laten weten waar ze zitten en wat ze zoal uitspoken. Op basis van die informatie kunnen planners de ruimte inrichten, of manipuleren. Veel toepassingen vond ik slim, sommige waren comfortabel. Enkele echter voelden juist heel oncomfortabel omdat ze me deden denken aan moderne oorlogvoering. Als sociale wetenschapper vroeg ik me af of mensen – consumenten – dit allemaal werkelijk willen, of dat deze technologie hen door de industrie wordt opgedrongen. Als planoloog twijfelde ik of je hiermee aan een goede samenleving bouwt. En dat is toch wat publieke ruimtelijke planning wil: bijdragen aan een ‘civil society’. Techniek maakt mensen vrij, schreef Kevin Kelly in ‘What Technology Wants’. Zou dat het zijn? Misschien kan iemand me geruststellen.

Tagged with:
 

Backwater

On 4 juni 2014, in economie, innovatie, internationaal, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Financial Times Magazine van 30 mei 2014:

Van de hand van Simon Kuper verscheen onlangs een opmerkelijk artikel in FT, althans het was een artikel dat vooral in Nederland opzien baarde en dat daar ook tot nadenken zou moeten stemmen. In ‘The rise of global capital’ nam de bekende Britse schrijver nota bene Amsterdam als voorbeeld van een stad die nationaal weliswaar in opkomst is, maar die tegelijkertijd op het internationale toneel stevig aan gezag en betekenis inboet. Zeker, Amsterdam is een ‘upscale bohemian village’ en is in de moderne kenniseconomie tegenwoordig een van de honderd ‘global cities’ die de geograaf Saskia Sassen in haar ranglijsten onderscheidt. Maar tegelijkertijd zakt de stad op de internationale lijstjes omdat andere steden dan Amsterdam in de wereld nu eenmaal veel sneller in omvang en betekenis groeien: de opkomst van de zogenaamde ‘global capitals’. "Amsterdam is slipping into the global second division." Jonge, hoogopgeleide Nederlanders verhuizen en masse naar Amsterdam, maar de echt getalenteerden onder hen verlaten het land en zoeken een goed heenkomen in New York, Singapore, Los Angeles of Londen. Datzelfde geldt voor kunst, geld, politiek, invloed, macht.

Deze mondiale geografische herschikking van elites pakt voor Nederland en ook Amsterdam gewoon niet goed uit. Maar ook andere steden in de wereld krijgen te maken met een dergelijke exodus. Net als Amsterdam worden steden als Madrid en Parijs, aldus Kuper, onherroepelijk "a backwater inhabited by an increasingly impotent national elite, a delightful place for paceless mornings of coffee and newspapers." En dat is precies wat de Brit Simon Kuper in Amsterdam graag doet: aan zijn kopje koffie nippen op een terrasje in de Jordaan. Anders niet. Is dat erg? Misschien niet. Dan worden we maar tweederangs. Is er helemaal niets aan te doen? Jawel, maar dan moet in Nederland iets grondig veranderen: geen zogenaamde Randstad- of ‘borrowed size’-politieken, maar echte metropolitanisering van de nationale hoofdstad en omgeving. Wordt het haar gegund? Ik denk het niet.

Een vertaling van het artikel van Kuper staat inmiddels afgedrukt in Het Parool, 4 juni 2014, Het laatste woord.

Tagged with:
 

Andere manier van werken

On 17 mei 2014, in innovatie, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Geschreven in het Kleine Grote Nieuwe Wibaut prentenboek van mei 2014:

Michiel Goudswaard schreef in het Financieele Dagblad onlangs over een brandende kwestie: die van de ambtenaren die onvoldoende ruimte krijgen om kernproblemen aan te pakken. Volgens deze redacteur van FD dreigen de ambtenaren de aansluiting met de ‘netwerksamenleving’ te missen. “Ze zitten gevangen in hiërarchische en bureaucratische structuren, terwijl de veranderende samenleving juist om flexibiliteit en een ondernemende houding vraagt.” Onder de kop ‘Ambtenaren moeten meer ruimte krijgen voor aanpak van kernproblemen’  gaf hij onlangs aanwijzingen welke evrandering nodig is. “De oplossing,” aldus Goudswaard, “is niet de zoveelste blauwdruk voor de reorganisatie van het ambtelijk apparaat.” Veeleer zou de richting moeten worden gezocht in een andere manier van werken. Daarvoor zouden ambtenaren ruimte van hun superieuren moeten krijgen, de bestuurders incluis. “Ambtenaren moeten zich ontwikkelen tot dienstbare probleemoplossers, die de blik meer naar buiten richten en minder naar boven kijken of hun bazen het wel goed vinden.”

In zijn artikel stelt Goudswaard vast dat door het internet mensen kritischer zijn over instituties en dat het bestuur sterk aan gezag inboet. Er is een ander soort overheid nodig. Ambtenaren moeten veeleer partijen bij elkaar brengen, nauw samenwerken met maatschappelijke groeperingen, draagvlak verwerven, terwijl de politiek moet durven loslaten en verschillen in behandeling moet durven toestaan. Het vermogen om dingen voor elkaar te krijgen zal hierdoor juist worden vergroot. Het is precies de kern van De Nieuwe Wibaut, waarvan de tweede editie afgelopen vrijdag werd afgerond in het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal. De praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam gaat over verbinden, niet organiseren, eerder een zoektocht dan een blauwdruk. Geen plannen van aanpak, gebiedsplannen, implementatie, maar flexibiliteit, ondernemerschap, creativiteit en verbinden. Voor wie nog aan het nut van de Amsterdamse praktijkleergang twijfelde, wees gerust: je bent voorloper, de rest zal (wel moeten) volgen.

Tagged with:
 

Planning Chicago

On 30 april 2014, in boeken, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van D.Bradford Hunt en Jon DeVries:

In 2011 doekte Chicago – met 2,7 miljoen inwoners de grootste stad van het Amerikaanse Middenwesten – zijn Department of Planning doodleuk op. Er moest worden bezuinigd, de stad was bijna bankroet. Kort daarvoor had Chicago nog geprobeerd de Olympische Spelen naar zich toe te halen. Alles had burgemeester Daley uit de kast getrokken om zijn bid te laten winnen. Het stadsbestuur meende werkelijk dat Chicago de status van een ‘World City’ verdiende en wilde dat de Olympische Spelen dit zouden onderstrepen. In 2009 werd echter duidelijk dat Chicago geen schijn van kans maakte. Ondertussen trok de financiële crisis diepe sporen: na een decennium van hernieuwde groei verloor ‘The Windy City’ toch weer inwoners. De tegenstellingen tussen zwart en blank – toch al groot in Chicago – werden alleen maar groter. Ook het aantal banen nam af, veel sterker dan in de andere tien grootste Amerikaanse steden. Ruimtelijke ordening werd gezien als overbodige luxe.

De nieuwe burgemeester, Rahm Emanuel, probeert sindsdien vooral met handelsmissies en ‘Chicago Inbusiness’-achtige instellingen nieuwe bedrijven naar Chicago te halen, wat soms ook lukt, maar de structurele gebreken van de grootstedelijke economie verhelpen deze acties niet. Het mag symbool staan voor de recente aanpak van het stadsbestuur: men doet maar wat, er is geen verband tussen de vele kortetermijnacties. Dat is althans het standpunt van Bradford Hunt en Jon DeVries, verbonden aan Roosevelt University in Chicago, in het recent verschenen ‘Planning Chicago’. Hun toegankelijke boek kan gelezen worden als een aanklacht. Voor de twee wetenschappers staat de ondergang van de gemeentelijke planologische dienst symbool voor een kortzichtige stadspolitiek die meer kapot maakt dan verbetert. Overal in Amerika en daarbuiten liggen de stadsplanners onder vuur en worden planningsapparaten ontmanteld. Bardford Hunt en De Vries wilden laten zien hoe schadelijk dit is en wat planners in het verleden voor een stad als Chicago hebben betekend. In dat laatste zijn ze uitstekend geslaagd. Hun boek verscheen aan de vooravond van het jaarcongres van de APA, de American Planners Association. De vraag is of ook niet-planners hun mening delen en of ze het boek van de twee überhaupt hebben gelezen.

Tagged with:
 

Icoonprojecten

On 27 april 2014, in economie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van John Bradford Hunt en Jon Devries:

In januari 2011 werd de Dienst Ruimtelijke Ordening van Chicago, de op twee na grootste stad van de Verenigde Staten, opgeheven. Al eerder bleek de planning in de industriële grootstad aan het Michigan Meer aan erosie onderhevig. De tien jaar voorafgaand aan de crisis werden gekenmerkt door een stadsontwikkeling die bovenal financieel gedreven was. Achteraf kan je zeggen dat het bestuur toen al de ruimtelijke planners aan de kant had geschoven. De politiek negeerde ze, de bevolking kende ze niet meer, de gemeentelijke diensten werkten niet meer met ze samen. Planners met hun plannen werden maar als hinderlijk ervaren. De stad werkte nu louter vanuit projecten en grondexploitaties, de zogenaamde TIF’s (Tax Increment Financing). Binnen de grenzen van een TIF werden voorziene waardestijgingen als gevolg van ruimtelijke investeringen in een fonds gestort, vooraf konden uit dat fonds de investeringen worden gefinancierd. Het grondbedrijf was omgevormd tot een soort bank, deze bleek in het pokerspel een cruciale speler en trok alle politieke en ambtelijke macht naar zich toe. Alles draaide om waarde-creatie.

De nieuwe werkwijze kwam erop neer dat de stad op grote schaal geld leende en er feitelijk mee speculeerde, dat wil zeggen: in haar uitgaven liep ze stelselmatig op toekomstige waardestijgingen vooruit. Tussen de vele TIF’s was geen verband in de zin dat er een coherent plan aan ten grondslag lag. En het ergste was, het moest wel beter gaan met de stad om de groeiende uitgaven te kunnen dragen. Steeds meer publiek geld ging naar symboolprojecten die het gevoel zouden geven dat het goed ging met de stad. Het kostbare, door filantropen medegefinancierde Millennium Park (2004) in het centrum is daarvan een treffend voorbeeld. In die politiek paste ook de kandidatuur van Chicago voor de Olympische Spelen in 2009. Toen de financiële crisis uitbrak stortte dit politieke en financiële kaartenhuis ineen. In werkelijkheid bleek het veel minder goed te gaan met de stad. Ze verloor veel inwoners en banen en de lokale economie bleek allesbehalve gezond, maar dat werd in al die jaren gemaskeerd. Ook het IOC koos uiteindelijk niet voor de ‘Windy City’. Ironisch genoeg vierde Chicago in datzelfde jaar het feit dat honderd jaar eerder het grote plan van Daniël Burnham gereed was gekomen. Twee jaar later besloot de nieuwe burgemeester om alle planners naar huis te sturen. In plaats daarvan koos hij voor handelsmissies en stimuleringsregelingen voor ‘groene daken’, volgens de auteurs ‘symboolprojecten’. Met Chicago gaat het ondertussen niet goed.

Tagged with:
 

Thinking City

On 24 februari 2014, in onderwijs, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Read more: www.summerschoolthinkingcity.org

 

 

Inspired by Don’s active involvement as a tutor in the successful Zurich Summer School ‘From Suburb To City’, we – Don Murphy and Zef Hemel – have the ambition to initiate an equally interesting event about city planning and city making, in and about Amsterdam. By organizing an event with an international audience, we wish to promote the Dutch position in the field of architecture, planning and innovative city making in a global scene. The Netherlands has always had a strong tradition in these fields, which is widely acknowledged internationally. Besides, we wish to initiate a dialogue about the current state of planning and future planning tasks in the city of Amsterdam. With an extensive public program that will be organized in relation to the Summer School studios, we wish to not only invite the Summer School participants, but also a wide local audience to engage in the thinking about the future of the city.

In the Summer School ‘Thinking City. The Dynamics of Making Amsterdam’ we wish to explore new ways of planning and making the city. The complexity of society necessitates the input of a wide variety of knowledge in planning and building the city – knowledge from different disciplines, about abstract ideas as well as every day life. Different from the regular educational programs of the UvA, TU Delft and other universities specialized in social sciences, urban planning and building sciences, the two-week Summer School will create a setting in which interdisciplinary teams, of both students and professionals, will work on reality-based case studies, in close collaboration with local stakeholders. This unique cooperation will be the core of this event. Workshop settings in which diverse actors – amateurs, students and professionals – will look at specific case studies – housing, energy, politics, mobility, education, culture, food, media, health, biodiversity, well-being and technology – will allow for the testing of new working methods. The kick-off event will take place in Pakhuis de Zwijger thursday evening 13 March 2014. Subscription will start 1 March 2014.

Tagged with:
 

Wie ontwierp het AUP?

On 28 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord in Laren op 20 januari 2014:


Bezoek aan Wali van Lohuizen gebracht. Van Lohuizen is emeritus-hoogleraar Urbanistiek aan de TU Eindhoven. Tegenwoordig woont hij in kunstenaarsdorp Laren, het Gooi. Zijn vader was Theo van Lohuizen, stedenbouwkundig onderzoeker bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam en vanaf 1948 hoogleraar Stedenbouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool Delft. Net als zijn vader was de zoon zijn carrière ooit begonnen bij het verkeersvraagstuk, in zijn geval bij de Nederlandse Spoorwegen. Hun benadering van het vakgebied vertoont ook grote gelijkenis: inventief, statistisch, kwantitatief, ruimtelijk. Maar dat niet alleen. We hadden het over verkeer, mobiliteit, de steden, het land. Uiteraard kwamen we ook te spreken over de vader en diens belangrijke werk in Amsterdam: de totstandkoming van het legendarische Algemeen Uitbreidingsplan van 1934.

Van Lohuizen vertelde me dat zijn vader hem ooit had ingefluisterd dat niet Cornelis van Eesteren het AUP heeft geconcipieerd, maar hijzelf. Toen Van Eesteren in Amsterdam kwam werken, nam Van Lohuizen hem mee op de fiets en toonde hem tijdens een reeks van dagtochten het omringende landschap. In het AUP is de nieuwe uitgelegde stad als het ware uitgesneden uit het polderlandschap op een wijze die inderdaad ieder detail en natuurlijk element respecteert. Die ‘’lobbenstad’ is misschien wel de grootste verdienste van het plan, in het proefschrift van Vincent van Rossem als zodanig beschreven. "Je kent toch het verschil tussen vormgeven en ontwerpen?", liet de zoon erop volgen. "In ontwerpen zit visie, in vormgeven niet." Ik begreep het en ik herinnerde me de systematische wijze waarop Van Lohuizen ook het landschap rond Rotterdam had geïnventariseerd (1927). En ik begreep ook dat Van Eesteren, afkomstig uit Alblasserdam, destijds nieuw was in Amsterdam en zo’n rondleiding door Van Lohuizen in het hem vreemde landschap moet hebben gewaardeerd. Biograaf Arnold Van der Valk citeert uit een interview met Van Eesteren: “Hij (Van Lohuizen) was een persoon met ideeen. Dus, hij bracht mij met Amsterdam in aanraking. Het wezen der dingen, dat was het hem.” Hoe zal ik het zeggen? Van Eesteren gaf op elementaire wijze vorm aan het programma dat Van Lohuizen als onderzoeker hem ontvouwde.

Tagged with:
 

Dure bezuiniging

On 20 januari 2014, in boeken, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van D. Bradford Hunt en Jon DeVries:

Werd door de redactie van S&RO gevraagd een recensie te schrijven van ‘Planning Chicago’. Las ter voorbereiding een interview met de auteurs, Bradford Hunt en Jon DeVries, verbonden aan Roosevelt University in Chicago, gepubliceerd op Planetizen 10 april 2013. Hun boek, 340 bladzijden dik, gaat over de naoorlogse planningsgeschiedenis van Chicago, de twee na grootste stad van de Verenigde Staten. De industriële ‘Windy City’ gedraagt zich als het Rotterdam van de USA. Ze voelt zich al jaren eeuwige tweede, zeker op dit moment. New York, in de jaren tachtig verlost van haar haven, heeft de omslag naar de postindustriële tijd succesvol weten te maken, maar van Chicago kun je dat niet zeggen. Wel gaat het de laatste jaren beter met de stad en er komen weer meer toeristen. Het prachtige Millennium Park in het centrum staat symbool voor deze wederopstanding. Maar voor Bradford Hunt en DeVries is dat allemaal twijfelachtig. Hun analyse steekt dieper: het ontbreekt de stad aan een langetermijnvisie en ze heeft geen eigen planningsapparaat meer dat ruimtelijk kan sturen. De Dienst Ruimtelijke Ordening werd in januari 2011 afgeschaft.

Wat hiervan de consequentie is, illustreren de auteurs in het interview fijntjes aan de hand van het zo bejubelde Millennium Park. Het park, zeggen ze, is in werkelijkheid de voltooiing van het honderd jaar oude plan van Daniel Burnham, dus het gaat terug op de tijd dat de stad nog planmatig opereerde. In werkelijkheid verliep de totstandkoming van het park chaotisch. Het was een opeenstapeling van blunders. Hunt: “It started being built as a parking garage, and portions had to be rebuilt when they decided that it would be topped with art. It was a chaotic implementation of the last piece of the Burnham Plan.” De schrijvers hopen dat wordt onderkend dat dit soort kostbare problemen voortkomen uit een gebrek aan publieke ruimtelijke ordening. “Frankly, a lot of cities have seen planning as one of those places where they can cut budgets.” (De situatie deed me denken aan de kwestie van het Rotterdamse Museumpark). De nieuwe burgemeester van Chicago Emmanuel is een sluwe vos, maar zijn groene dakenoffensief is louter symbolisch en zijn politiek is die van de korte termijn, aldus de twee. Daarom waarschuwen ze. De stad die op zijn Dienst Ruimtelijke Ordening bezuinigt zal op den duur geconfronteerd worden met hele grote problemen. Hunt: “It will lead to some expensive decisions in the long term".</

Tagged with:
 

Zonder protest

On 9 december 2013, in infrastructuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pursuing Transit-Oriented Development’ (2013) van Wendy Tan:

Afgelopen donderdag promoveerde Wendy Tan aan de Universiteit van Amsterdam op haar onderzoek naar de implementatie van TOD – Transit Oriented Development. TOD staat voor het ruimtelijke combineren van mobiliteit en activiteiten in knooppunten. Tan, van origine architect afkomstig uit Singapore, had zich in haar zoektocht gefocust op de hindernissen bij de implementatie van TOD-strategieën en het overwinnen daarvan in een aantal steden die hierin succesvol waren geweest: Portland, Oregon; Vancouver, Kopenhagen en Perth, Australië. Hieruit had ze gehoopt te kunnen afleiden hoe bijvoorbeeld ook in Nederland TOD succesvol zou kunnen worden geïmplementeerd. Tot nu toe is het namelijk geen enkele Nederlandse stedelijke regio gelukt om, anders dan op papier, verkeer- en vervoerbeleid en ruimtelijk beleid werkelijk op elkaar af te stemmen. “The situation in the Netherlands seems more conducive for car and bike use than for walking or public transport. While the above average role that cycling plays is in line with TODS prinicples, the limited role of public transport and walking next to the still very significant role of car-based travel are at odds with those principles.”

Tan zocht naar institutionele barrières, institutionele veranderingen en leerprocessen binnen instituties in bovengenoemde steden die gunstig voor implementatie waren geweest. Ze ontwikkelde een model op basis waarvan instituties zich aanpassen. Door vervolgens de vier steden te bestuderen paste ze haar rijke empirische materiaal binnen haar model. Haar conclusie? “Findings indicated that the cumulative forces of reactions and effects determine the direction of change. It is therefore possible to break away from an existing development path and shift towards a more conducive institutional context for TODS. Likewise, it is also possible to regress.” Anders gezegd: “The process of TODS implementation is a process of decades.” Het kan echter ook anders, veel sneller. Opvallend in al haar vier casus is namelijk de omslag die was teweeg gebracht door burgerprotesten. Zelfs in Kopenhagen waren burgers de straat opgegaan om verandering te eisen. Pas hierdoor gedwongen pasten de instituties zich aan. Een grotere betrokkenheid van burgers in de planning van meet af aan zou veel schelen. Haar daarnaar gevraagd, antwoordde ze dat dit correct gezien was, maar dat TOD in haar geboortestad Singapore toch zonder enig burgerprotest was geïmplementeerd. Met andere woorden, Nederlandse planning kan ook zonder burgers. Doe het Singaporees.

Tagged with:
 

Oud & Nieuw

On 2 december 2013, in innovatie, participatie, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de St. Olofskapel te Amsterdam op 29 november 2013:

Eindelijk was het dan zover. De slotdag van de praktijkleergang De Nieuwe Wibaut van de gemeente Amsterdam – ‘Waanzinnige Nieuwe Wibautdag’ – begon die vrijdagochtend met tien expedities op locatie, overal in de stad. ‘s Middags vond het plenaire gedeelte plaats in de Sint Olofskapel, vlakbij het Centraal Station. Voor een publiek van ruim driehonderd belangstellenden presenteerden daar tien ambtenaren elk in zeven minuten tijd op aansprekende wijze de resultaten van hun groepswerk, tevens leertraject. Met hun optredens vertegenwoordigden zij de bijna tachtig ambtenaren (uit Amsterdam, Den Haag, Almere en Zaanstad) die aan deze eerste editie van de Amsterdamse leergang hadden deelgenomen. Vier weken verspreid over een semester hadden ze op een andere manier gewerkt. Niet meer vanuit een diensten- en stadsdelenstructuur of vanuit taken en bevoegdheden, niet vanuit de scheiding tussen beleid, uitvoering en beheer, zonder een opdrachtgever en zonder resultaatverplichting, zonder (project)management ook en vooral: niet voor burgers, maar met burgers, in interdisciplinaire groepen, op locatie, dus vanuit buurten en wijken. Een uniek experiment. Een terugkeer naar de ‘seventies’, maar dan zonder confrontatie.

Wat me het meeste in de presentaties opviel? Alle deelnemers hadden het aanvankelijk moeilijk gehad, maar waren uiteindelijk enthousiast geworden en zaten vol energie. Bijna elke groep gebruikte een metafoor om duidelijk te maken wat het prototype van de nieuwe werkwijze die ze zelf ontwikkeld hadden ongeveer behelsde: scharrelen en broeden (van ‘plofambtenaren’ naar ‘scharrelambtenaren’!), een vuurtje stoken, surfen op de golven, brood bakken, kookstudio, buiten spelen. Eén team vertelde over haar energiehuishouding en hoe ze die op orde had weten te houden. Een ander team maakte duidelijk dat oude en nieuwe werkwijze heel goed naast elkaar kunnen bestaan. Een deel van de overheid, zei weer een ander, zal altijd Kingcorn blijven bakken. In het verlengde lag een pleidooi om een soort ‘buddysysteem’ te introduceren waarbij ambtenaren naast hun dagelijkse kantoorwerk actief burgerinitiatieven ondersteunen. Overal proefde je weer elan. De sfeer was geweldig. Deelnemers waren weer trots om ambtenaar te zijn. Voor meer informatie kijk op de website van de gemeente Amsterdam.

Tagged with: