Mobilisatie werkt

On 19 december 2014, in participatie, by Zef Hemel
 

Gelezen in ‘Bewonersparticipatie in de Bijlmermeer’ (2014) van Patrick van Beveren:

Afgelopen woensdag promoveerde Patrick van Beveren aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar bewonersparticipatie in de Bijlmermeer. Promotoren: Jan Willem Duyvendak (UvA) en Frank Hendriks (Universiteit Tilburg). Ik was lid van de promotiecommissie. Het onderzoek van Van Beveren richtte zich op de periode 1992 tot 2008 – de tijd van de grootschalige herstructurering. Uitkomst van zijn onderzoek is dat bewoners van de Bijlmer in de klassieke participatieaanpak geen invloed hebben gehad op de beleidsontwikkeling – de beslissing dat hun wijk moest worden gesloopt en herbouwd is topdown genomen, door professionals -, maar wel op de beleidsrealisatie. Een groot aantal respondenten gaf aan, en ook uit interviews met betrokkenen rijst het beeld op dat de participatiegraad weliswaar laag was, maar dat er toch invloed was op de besluitvorming. Per buurt verschilde deze overigens.

In zijn reflectie over de bevindingen stelt Van Beveren zich de vraag waarom bestuurders aan bewoners geen grotere invloed op de besluitvorming gunnen, er eigenlijk ook geen moeite voor doen. Zelf denkt hij dat zelfs kwetsbare burgers best bereid zijn te participeren, maar dat zij gewoon niet actief genoeg worden benaderd. “De bereidheid van bewoners om mee te werken aan onderzoek of anderszins blijkt in het algemeen behoorlijk groot.” In zijn proefschrift refereert hij aan wetenschappelijke artikelen van o.a. Viviene Lowndes en Lauwrence Pratchett die vaststellen dat daadwerkelijke mobilisatie van de bevolking grote positieve effecten op de besluitvorming heeft. Ik citeer: “Research shows that the degree of openness of political and managereal systems has a significant effect, with participation increasing where a variety of invitations and opportunities.” Je moet er als overheid dus wel echt je best voor doen, veelsoortige initiatieven nemen om mensen te betrekken en dat ook gedurende lange tijd volhouden. Dan komt de betrokkenheid op gang en blijkt ze lonend. Mensen zijn nu eenmaal verschillend. “If we ask people to participate in a committed and consistent manner and respond effectively to their participative inputs, they are far more likely to engage.”Een productief inzicht. Maar het gebeurde dus niet.

 
Tagged with:
 

Cool planning

On 19 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 november 2014:

Afgelopen week werd ik, als keynote speaker op de World Cities Culture Summit  2014, door de dagvoorzitter aan het publiek voorgesteld als ‘a cool planner’. Opgelucht haalde ik adem. Het herinnerde me aan een recent artikel in The Guardian van de hand van Tom Campbell. In ‘For the sake of our cities, it’s time to make town planning cool again’ stelde deze dat het met onze steden misschien goed gaat, maar met het planningstelsel en de professie van de planners absoluut niet. “Just as they are needed more than ever, the status of planners and city administrators has never been lower.” Burgemeesters treden op de voorgrond, maar hun planologen worden ondertussen afgedankt. In Groot-Brittannië stelde premier Cameron zelfs dat hij een eind wil maken aan de bureaucratie, die een hinderpaal zou zijn op de weg naar herstel en succes. En niet alleen de rechtse politici willen van de planners af, dat geldt voor de samenleving in de volle breedte. In de populaire Britse televisieserie ‘The Wrong Mans’ speelt Noel een nerdish planoloog die  werkt voor de gemeente Bracknell. Hij is een belachelijke figuur. Ga dus geen planologie of stedenbouw studeren, want denk om je status; die kan alleen maar vallen. Kies dan liever voor ‘Urban Studies’.

Het is hun eigen schuld, stelde Campbell. Een van de oorzaken is de opleiding van planologen. Die is over-gespecialiseerd geraakt. Dat houdt in dat planners alleen nog maar kunnen communiceren met hun soortgenoten. Hun taal is abstract geworden, raar vakjargon. Leken worden heel soms toegelaten tot het planningsdebat, maar dan alleen op de voorwaarden van de planologen. De ontwerpers onder hen zijn vrij gaan ontwerpen, alsof er geen samenleving meer is, terwijl de sociale planners zich hebben vastgebeten in procedures, wetgeving en institutionele kaders. Jonge mensen willen daardoor geen planning meer studeren. En het vak zelf? Terwijl de professionele planners op hun kantoren zitten te vergaderen en de politiek keer op keer op hen bezuinigt, maken de burgers zich op voor een mars naar de stadhuizen. Waarom, vraagt Campbell zich af, gaan de planners niet de straat op en maken ze zich sterk voor een grotere rol voor de burgers in de planning? Antwoord volgens Campbell: ze kunnen het niet, ze missen daarvoor de vaardigheden. Meer radicaliteit is daarom dringend gewenst. Er is behoefte aan ‘cool planning’. Dat begint op de universiteiten.

Tagged with:
 

Citizen science

On 18 november 2014, in participatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 20 september 2013:


Hij is hoofd van de programmagroep Politieke Sociologie aan het Amsterdam Institute of Social Science van de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar citizen science in de sociale wetenschappen. In de natuurwetenschappen bestaat dit fenomeen al langer: burgers actief mee laten denken bij wetenschappelijk onderzoek. Christian Broër (1967) ziet het ook als een reactie op de veelal terechte kritiek op sociaalwetenschappelijk onderzoek, waarbij wetenschappers nauwelijks samenwerken. Ook wordt hun werk amper door de collega’s gelezen. Triest. Gevaarlijk ook. In Het Parool las ik een interview met hem. "Transparantie in combinatie met samenwerking helpt fraude of andere misstanden te voorkomen. Ook de invloed van opdrachtgevers wordt kleiner." Een zoektocht naar integere wetenschap dus door amateurs te betrekken in de wetenschap.

De grote vraag is of leken wel voldoende kennis hebben om onderzoeksresultaten te interpreteren. Het antwoord laat zich raden: bij uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek is dit zeker het geval. De vakgroep heeft ook software ontwikkeld die het mogelijk maakt de samenwerking zodanig te ontwikkelen dat mensen met verschillende meningen de ruimte krijgen. En dan krijg je dit: "het gegeven dat mensen hun persoonlijke voorkeuren overstijgen als zij op een goede manier met elkaar samenwerken." En ja, er is meer dan één waarheid, maar het aantal waarheden is ook weer niet oneindig. Zijn wens: een platform ontwikkelen "waarbij gebruikers elkaar op verantwoorde wijze aanvullen en corrigeren." Sociale media doen dit onvoldoende. Broër noemt het software die het voor experts en amateurs aantrekkelijk maakt “om diepgaander betrokken te raken bij de sociale vraagstukken van deze tijd." Mooi. Heel mooi.

Tagged with:
 

Poor forecasters

On 11 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 5 december 2005:

Een oudje misschien. Maar nog steeds geldig en ook voor planologen buitengewoon relevant. In ‘Expert Political Judgment: How Good is It? How Can We Know?’ laat de Amerikaanse psycholoog Philip Tetlock overtuigend zien dat experts de toekomst minder goed voorspellen dan leken. Hoewel de boodschap niet fijn is, kreeg het boek destijds toch een bespreking in The New Yorker. In ‘Everybody is an expert’ vertelt Louis Menand hoe Tetlock tweehonderdvierentachtig mensen vroeg om voorspellingen te doen. Uiteindelijk verzamelde hij ruim 82.000 voorspellingen. De experts bleken niet betere voorspellers dan de amateurs, nee ze scoorden significant slechter. Bijvoorbeeld in het geval waarin uit drie mogelijke toekomsten kon worden gekozen. De experts kwamen niet verder dan vijftig procent goed, de amateurs scoorden beter. Menand: "Human beings who spend their lives studying the state of the world, in other words, are poorer forecasters than dart-throwing monkeys, who should have distributed their picks evenly over the three choices."

Hoe dit kan? Menand geeft een aantal verklaringen. Experts zijn te gespecialiseerd en kunnen het geheel niet meer overzien. Ze zijn ‘egels’. Die weten één groot ding. Door hun specialistische kennis blaken ze van zelfvertrouwen en kennen weinig twijfel. Ze komen vaak aanzetten met plausibele details, merkwaardige feiten, waarmee ze ons – niet-experts – proberen te overtuigen. Vooral economen lijden hieraan. Echter, amateurs overzien de wereld niet slechter, eerder beter, en kunnen ook scherpere inschattingen maken. Amateurs zijn ‘vossen’: ze weten van alles een klein beetje. Toevlucht zoeken in statistieken – ook gedetailleerde, achter de voordeur – helpt niet. Toch is dit precies wat experts steevast doen. Nu weer zoeken ze hun toevlucht in ‘Big Data’. Achteraf zullen ze ook nooit toegeven dat ze foute inschattingen hebben gemaakt. Hun werk is voorspellen, de media willen alleen dàt van hen en daarop worden ze afgerekend. We kunnen beter gewone burgers raadplegen. Ondertussen tasten wij omtrent de toekomst volkomen in het duister.

Tagged with:
 

Spelenderwijs

On 16 september 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Negotiation and Design for the Self-Organizing City’ (2014) van Ekim Tan:

Afgelopen vrijdag promoveerde architecte Ekim Tan aan de TU Delft op een onderzoek naar gaming als methode voor stedelijk ontwerp. Promotoren waren Henco Bekkering en Arnold Reijndorp, hoogleraren aan de TUD respectievelijk de Universiteit van Amsterdam. Tan beschrijft in haar proefschrift nauwgezet een aantal door haar uitgevoerde experimenten met ontwerpoefeningen waarbij de deelnemers, waaronder de ontwerper zelf, in een spelsituatie tot ontwerpbesluiten moeten zien te komen. De oefeningen vonden plaats in Instanbul, Almere, Rotterdam en Amsterdam. Telkens moesten collectieven over de invulling van een bepaald gebied beslissen waarbij Tan de spelregels bepaalde. Elke situatie vraagt namelijk om een ander type spel. Later mochten ook de deelnemers de spelregels veranderen. Het waren alle oefeningen op het droge. De realiteit werd nog het dichtst benaderd in het meest recente spel, dat ging over de invulling van de monumentale Van Gendthallen in Amsterdam.

Over de uitkomsten is Tan erg enthousiast. Het is haar overtuiging dat de methode werkt, ook in complexe situaties, en dat deze kan worden opgeschaald naar regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau. Zelf  heb ik twijfels. Ik denk dat het beter is om goed contact met de realiteit te houden en daartoe steeds een zo laag mogelijk schaalniveau te kiezen. De casus Oude Westen in Rotterdam vond ik het meest inspirerend: zeven architectuurstudenten van de Rotterdamse academie hadden bewoners en stakeholders in de buurt nagespeeld; door het spel hadden ze goed met elkaar samengewerkt en vanuit het perspectief van betrokkenen de buurt herontworpen. Zo’n collectieve werkwijze is bij ontwerpers hoogst ongebruikelijk, maar volgens mij veel beter dan de bij architecten gebruikelijke ontwerpcompetities en challenges waarbij uiteindelijk een winnaar wordt gekozen en verliezers, met al hun inzet, het nakijken hebben. Tan is realist en idealist tegelijk: de samenleving is volgens haar te complex geworden voor die ene ontwerper; die kan het gewoon niet meer alleen; hij of zij zal moeten samenwerken, hoe moeilijk dat soms ook is.

Tagged with:
 

Publieke waarden

On 25 maart 2014, in bestuur, participatie, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 10 maart 2014:

Een idioot was in de antieke Griekse samenleving een burger die zich niet inliet met publieke waarden. Tegenwoordig lijken de meeste burgers wel ‘idioot’. In de programmering van De Nieuwe Wibaut, de gemeentelijke praktijkleergang voor opener manier van werken, sprak Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden. Kruiter betoogde dat de overheid de afgelopen decennia erg centralistisch en bureaucratisch is geworden en dat burgers daardoor van de publieke waarden zijn vervreemd. Vroeger was alles nog heel lokaal. Tegenwoordig zijn gemeenten groot. Ze behandelen burgers als ‘klanten’; dienstverlening staat bij hen voorop. Gemeenten zijn ook steeds efficiënter gaan werken en burgers zijn van de weeromstuit meer gaan eisen. ‘Ik wil dit en dat en ook nog snel’. Als reactie ging het bestuur onredelijke politieke wensen formuleren, die door niemand werden bestreden.  Integendeel, de nadruk kwam nog meer op de uitvoering te liggen, effecten werden nauwgezet gemeten, instrumenten werden toegevoegd, de ambtenaren moesten gaan ‘toveren’. Daardoor ging het gevoel voor publieke waarden bij de burgers totaal verloren. En niemand die zich nog afvroeg: wat kunnen de burgers eigenlijk zelf?

Kruiter maakte een onderscheid tussen overheid, burgers en markt. De markt, zei hij, is goed in efficiency, de overheid in legitimiteit en de burgers in betrokkenheid. Alle drie de waarden moeten worden meegewogen. Duurzaamheid en veiligheid kunnen daar nog aan worden toegevoegd. “En iedereen,” voegde hij eraan toe, “moet er ook lol in hebben.” Echter, de gemeente is het verlengstuk – de uitvoeringsorganisatie – van de staat geworden, niet een ontwikkelorganisatie met een eigen observatievermogen. Eigenlijk zou de gemeente alles moeten terug slingeren naar boven, maar dat is lastig in een top-down gerichte organisatie die de gemeente is. En het gevaarlijkste van deze toestand is, aldus Kruiter, dat het alle macht aan zich trekkende Rijk de burger straks gaat zien als een verlengstuk van haarzelf, ten behoeve van het realiseren van haar eigen beleidsdoelstellingen, onder de dekmantel van de ‘participatiesamenleving’. Hij noemde dat ronduit gevaarlijk. Dat is, zei hij, het einde van de democratie.

Tagged with:
 

Technologische tuinen

On 7 maart 2014, in participatie, planningtheorie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

 


"Providing the right platform is something all it takes." Met die zin begon een opmerkelijk artikel in een Special Report van The Economist, gewijd aan Tech Startups. Het artikel beschreef de toekomstige economie, die vooral zal bestaan uit fysieke en virtuele platforms. Het platform is het ‘operating system’ waarvan veel mensen gebruik kunnen maken met een bepaald doel. Sinds we vertrouwd zijn geraakt met IT-software zijn we steeds meer in termen van platforms gaan denken. Inmiddels weten we dat alle complexe systemen vanuit platforms werken, zowel biologische als economische systemen. "The core building blocks are kept stable so that the other parts can evolve more rapidly by combining and recombining them and adding new ones." Onze wereld wordt steeds complexer. IT dringt in alle geledingen door. We gaan naar een ‘platformisering’ van de samenleving.

Hoe ziet zo’n wereld eruit? "The bottom, where economies of scale rule, is made up of just a few powerful platforms; the top, where creativity and agility are at a premium, is becoming ever more fragmented. There is not much in between." Zo gaat onze samenleving er ook steeds meer uitzien: als een omgekeerde piramide. Horizontalisering is onvermijdelijk, een combinatie van hele grote platforms aan de ene kant en een grote variatie van miniproductiewijzen aan de andere kant, dat is ons voorland. Alle onderdelen van de economie gaan lijken op zulke ‘technologische tuinen’ waar duizenden bloemen bloeien en waar slechts enkele zeer groot zullen worden. Ook steden gaan op deze manier functioneren: ze organiseren zich rond platforms waar snel in grote gemeenschappen wordt geleerd. Sommigen noemen dit een ‘bottom-up’-beweging. In de Amsterdamse leergang De Nieuwe Wibaut spreken we van prototypes van nieuwe open werkwijzen, want ook de ruimtelijke planning moet eraan geloven. The Economist: "Currently governments resemble a vending machine offering a limited set of choices. They would work much better as a platform for a thriving bazaar of government services, offering basic building blocks that others can use."

Tagged with:
 

Metropolitane ervaring

On 7 februari 2014, in participatie, by Zef Hemel

 

Gehoord op 30 januari 2014 in de Zuiderkerk in Amsterdam:

“Segregatie en tweedeling staan hoog op de politieke agenda. Gabriel van den Brink, hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit Tilburg, onderzocht hoe Amsterdammers in de praktijk omgaan met culturele verschillen en ontdekte dat er geen reden is voor het gangbare pessimisme. De Amsterdamse bevolking blijkt zelfs een voortrekkersrol te hebben, als ondernemende burgers.” Zo luidde de aankondiging. Het onderzoek over ondernemende burgers in Amsterdam dat Van den Brink en Dick de Ruijter verrichtten, heet niet voor niets ‘Culturele kansen’. Op 30 januari sprak Van den Brink de Zuiderkerklezing. Centraal stond de vraag: Hoe kunnen we stad en openbare ruimte optimaal inrichten voor deze nieuwe generatie voortrekkers?

Amsterdam, aldus Van den Brink, kent een lange traditie van ondernemende burgers. Media en culturele instellingen zijn hier sterk vertegenwoordigd. Nergens in Nederland is de groei van de creatieve klasse zo sterk als hier. Dit, plus het anarchisme, de humor en de brutaliteit van de meeste Amsterdammers, bracht hij in verband met een ‘metropolitane ervaring’ die Amsterdam tot een wereldstad maakt: meer een kwestie van stijl dan van omvang. Zo’n metropolitane ervaring sluit zijns inziens goed aan bij modern ondernemerschap dat gekenmerkt wordt door energie, bevlogenheid en idealisme, dat weinig belangstelling toont voor regels en dat kansen grijpt als ze voorbij komen. Van den Brink constateerde een opvallend sterk bloei van maatschappelijke initiatieven in het Amsterdamse. Het merendeel blijkt afkomstig van gewone burgers, daarna volgen professionals en ondernemers; overheden en middenveld initiëren nauwelijks. Veel initiatieven draaien om sociale contacten, een deel gaat over openbare ruimte, natuur en milieu, gevolgd door onderwijs, cultuur en gezondheid. In meer dan de helft van de gevallen is de rol van de gemeente onduidelijk. Ik las ook een kritisch commentaar hierop van een bewoner van de Indische Buurt: http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/12/14/de-sekte-van-de-burgerkracht/Ziedaar de grootstedelijke dynamiek in Amsterdam en omgeving.

Gelezen in Volkskrant Magazine van 7 december 2013:

 

In 1999 verscheen de eerste Iens Independent Index van Amsterdam. De gids was een handzaam boekje met 850 Amsterdamse restaurants waarin punten werden toegekend voor de keuken, het interieur, de bediening, enzovoort. De gids baseerde zich op de eetervaringen van zestig mensen die Iens Boswijk daarvoor speciaal had geronseld. In 2000 begon Iens een online-website in Amsterdam en in Rotterdam, later in meer steden. Ditmaal betrof het een interactief systeem dat tien- tot vijftienduizend recensies per maand verwerkte. Sindsdien kan iedereen meepraten over de kwaliteit van restaurants in zijn of haar eigen stad. Wel worden alle recensies eerst gelezen en gecheckt. Tien procent valt af omdat ze niet fair zijn. Dat lijkt veel, maar is het niet. De werkwijze is ook minder arbeidsintensief dan zelf recensies schrijven. Maar het ging Iens niet alleen om efficiency. Iens: “Het ging mij om de massa. Hoe meer recensies, hoe beter het beeld is dat je krijgt.” Door de enorme hoeveelheid ontwikkelde Iens gewoon betere kritieken. Tegelijk democratiseerde ze de restaurantkritiek.

En de professionals? “Het idee dat iedereen een mening heeft, vonden koks in het begin eng.” Pas later beseften de koks dat het publiek genereus was en dat veel restaurants en ook doodgewone café’s hoog scoorden. Smaken verschillen, keukens verschillen, criteria verschillen, reacties lokken reacties uit, keukens passen zich aan, resultaat: er ontwikkelt zich een gevarieerde eetcultuur in de stad. Echter, sommige koks, zoals Ron Blaauw, volhardden in hun protest. Iens nu: “Ik wil ook koks ruimte geven.” Ze mogen voortaan direct reageren op recensies. “Het gaat er mij om dat jij blij uit eten gaat en dat de kok de gasten krijgt waar hij op zit te wachten.” De moraal van dit verhaal? Vervang koks door stedenbouwkundigen en restaurants door wijken en buurten en je krijgt een proces dat leidt tot een betere stadsontwikkeling: interactief, adaptief, pluriform, democratisch, met meer kwaliteit. Hoe simpel kan het zijn.

Tagged with:
 

My Ideal City

On 12 december 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Skills in a Complex World’ (2013) van faculteit Architectuur van TUe:

Verrassende oogst in het recente masterprogramma Architectuur van de Technische Universiteit Eindhoven: ‘Skills in a Complex World’. De studenten die aan het masterprogramma deelnamen constateren dat de groei van steden onvermijdelijk doorzet. Van de 86 steden met meer dan een miljoen inwoners in 1950 ging de wereld naar 550 miljoenensteden in 2004. De komende jaren zullen er nog vele bijkomen. Informele stedenbouw wordt het dominante patroon. “People and also architects focus on STARchitecture instead of the real problem of unstoppable informal growth.” De studenten probeerden, anders dan hun voorgangers, van de informele stedenbouw maximaal te leren. “We were inspired by the fact that problems in these areas get solved in collaborative and innovative new ways, and decided that our skills as an architect can be derived from this way of handling with the biggest urban problem in the world.” Vandaar hun analyse van bottom-up strategieën in Zuid-Amerikaanse steden: in Chili, Brazilië, Colombia en Venezuela.

Aansprekend vond ik het voorbeeld van ‘downtown Bogotà’. Traditionele topdown-strategieën werken hier niet meer. Dat blijkt uit het feit dat burgemeesters in de Colombiaanse hoofdstad hun termijn niet afmaken en al na gemiddeld drie jaar het veld ruimen. Ook de corruptie tiert er welig. Rodrigo Nino begon daarom een website ‘My Ideal City’. Hierop konden mensen hun ideeën ten aanzien van de stad van de toekomst met elkaar delen. Ook een radioprogramma besteedde zendtijd aan het ideeënfestival. Uit de veelheid van inzichten ontwikkelde Nino projecten als de revitalisering van het stadscentrum, waar bijna geen mensen meer wonen en dus ook geen grootstedelijke voorzieningen meer zijn. Gesuggereerd werd om hier studentenwoningen te introduceren als eerste stap. Bogotà kent 33 universiteiten met in totaal een miljoen studenten, vrijwel alle bevinden zich in de binnenstad. Het bouwprogramma werd samen met de bevolking ontwikkeld. Op dit moment worden twee woontorens gebouwd, met elk 66 verdiepingen en 114.348 m2. Er komen een winkelcentrum, een congresruimte, een hotel, parkeergarages en heel veel wonen. Alles met crowdsourcing gefinancierd. Conclusie van de studenten: “To bring the information about city planning to the community the information flows have to change. Don’t keep the information on the office desks but create a platform where the community can be interactively involved.”

Tagged with: