Not forget the audience

On 28 mei 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Flagship Developments’ (2011) van de Vereniging Deltametropool:

Kreeg een verslag in handen van een bijeenkomst in november 2011 op de Universiteit van Amsterdam over ‘flagship developments’. Paul Lecroart, werkzaam als stedenbouwkundige bij de Institut d’Amenagement du territoire et d’Urbanisme van Ile-de-France, deelde tijdens die bijeenkomst zijn ervaringen met grote binnenstedelijke projecten in Parijs, zoals Plaine Saint-Denis, La Défense, Grand Paris Express en Paris Métropole. Ook betrok hij een aantal grote projecten in Hamburg (Sprong over de Elbe), Londen (Olympisch Park) en Seoul (Cheonggyecheon) in zijn beschouwingen. Hij trok er lessen uit. Lessen die Lecroart deelde waren bijvoorbeeld het inzicht dat openbare ruimte veel belangrijker is dan we vaak denken, dat verbindingen tussen nieuwe ontwikkelingen en bestaande centra belangrijk is, dat het dikwijls moeilijk is politieke en bestuurlijke aandacht voor grote projecten lang vast te houden, dat het soms beter is grote projecten in kleine stukken op te knippen, dat grote projecten elkaar niet moeten beconcurreren, dat instrumenten en instituties goed moeten worden gecoördineerd. Aansluitend was er een expertmeeting over de Amsterdamse Zuidas.

Opvallend in het verslag vond ik hoe er over de betrokkenheid van de bevolking bij deze ‘flagship developments’ werd gesproken. Na zijn lessen te hebben gedeeld zei Lecroart: “Besides this, it is also important to not forget the audience: many projects are not people-oriented or simply disregard the public realm where the inhabitants live, and this can lead to many social, cultural and political problems.” Daarvoor moest tijd worden uitgetrokken, zei hij, want de bevolking betrekken bij de plannen kost nu eenmaal tijd. De werkelijke omkering – namelijk dat de bevolking de sleutel is voor de ontwikkeling van goede projecten, dat experts deze ‘collectieve intelligentie’ voortdurend moeten aanboren en dat dit juist enorme tijdwinst zal opleveren – had hij nog niet gemaakt. De inwoners en gebruikers van de stad waren in zijn ogen nog altijd toeschouwers (audience), hoogstens een klantenpanel dat door experts en bestuurders moet worden gehoord. Zonder het te beseffen plaatste de expert zich op een voetstuk. Of was hij bang dat flagship developments bij al te grote betrokkenheid gevaar zullen lopen? Dan maar liever doormodderen in eigen kring.

Tagged with:
 

Verbazingwekkend goed

On 27 mei 2013, in participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Operatie Periscoop Van der Pek’ (2012):

Frits de Wolff is ‘buurtmeester’ van de Van der Pekbuurt in Amsterdam Noord. Hij stuurde me een alleraardigst boekje over de ‘Operatie Periscoop’, vorig jaar gehouden in zijn eigen buurt – een aandachtswijk die bestaat uit kleine arbeiderswoningen uit het begin van de twintigste eeuw, tegenwoordig bevolkt door veelal arme gezinnen en alleenstaanden. Een periscoop is een optisch apparaat waarmee je kunt zien vanuit een verborgen positie. Operatie Periscoop staat voor onderzoek door kinderen naar de positieve en negatieve elementen van hun eigen buurt. Het is een initiatief van een sociaal geograaf (Yehudi van de Pol) en een architect (Margreet van der Vlies), werkend onder de naam Atelier Habitat. De Van der Pekbuurt is de zevende buurt die zij volgens hun inmiddels beproefde methode met kinderen onder de loep hebben genomen. In tien sessies van elk tweeënhalf uur kwamen de buurtkinderen bijeen om op een speelse wijze over hun eigen omgeving te praten (foto Shirley Brandeis). Het resultaat: onderzoek en advies hoe om te gaan met de eigen buurt.

Bij het doorlezen van het boekje met de resultaten word je weer eens duidelijk dat de echte ervaringsdeskundigen van buurten veelal de kinderen zijn die er wonen, leven en spelen. Ook namen de kinderen interviews af op straat. Bijvoorbeeld de Van der Pekstraat: “hier gebeurt het allemaal, de rode draad door de buurt. De kinderen komen er allen dagelijks doorheen en sommigen wonen er. De eerste dingen die de kinderen ons vertellen gaan over de snoepwinkel Mina, de kapper, de dronken mensen buiten bij de cafés op straat, de stoere grote jongens op scooters (op de stoep) en het gevaarlijke verkeer op de Van der Pekstraat.” Positief waarderen de kinderen de mooie bomen in de straat en de winkels, het water dichtbij en de gezellige drukte van de mensen, negatief zijn ze over het harde rijden van de auto’s, het niet stoppen bij de zebrapaden, de scooters en de intimiderende jongens. Per plein en straat geven ze concrete verbeterpunten, ook ten aanzien van gedrag van mensen. De initiatiefnemers spreken van ‘verbazingwekkend goede conclusies’, zoals: “bakstenen moeten verschillende vormen gaan krijgen, zodat de lijnen ertussen gaan golven. En er moeten verschillende gebouwen naast elkaar staan, met goede vormen, een ster bijvoorbeeld. En meer tunnels.” De Wolff, lees ik, zou het liefst heel Noord blootstellen aan de ontwapenende speelsheid van kinderen. Om zo tot een geheel nieuwe visie voor Noord te komen. Mooi.

Tagged with:
 

Amateur peers

On 12 april 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amateurism’ (2008) van Erik Kessels:

Vorige week college gegeven op de Academie van Bouwkunst Amsterdam. Onderwerp: wat ontwerpers van planologen kunnen leren. Opnieuw bleek het niet eenvoudig om de beide disciplines dichter bij elkaar te brengen, laat staan de ontwerpdiscipline anders te laten denken. Zwichten voor de crisis die het vak bijna om zeep helpt zou ook niet goed zijn. Beter de rug recht houden en wachten op betere tijden, lijkt het motto. En ja, de architectuur heeft wel eens zwaardere crises gekend. Dat er, los van de economische malaise, iets structureels aan de hand is waardoor het stedenbouwkundige ontwerpen fundamenteel zal veranderen, bleek moeilijk te accepteren. Met name het punt van de ‘massa-amateurisatie’ wilde er bij de studenten niet in. Planologen vormen de voorhoede en zijn dit aan het leren; ontwerpers zijn nog niet zover. Zit je net op een Academie vier jaar lang moeizaam het vak te leren, krijg je te horen dat amateurs het van je gaan overnemen. Begrijpelijk, die fronsende wenkbrauwen.

Na afloop kreeg ik een fantastisch publicatie van reclamemaker/kunstenaar Erik Kessels in handen. In 2008 had hij aan de Amsterdamse Academie als 4e ‘Artist in Residence’ een research group geleid die uitgerekend het verschijnsel ‘amateurisme’ had bestudeerd: “what is an amateur and what is a professional? Is one somehow superior to the other?” Dat soort vragen. De resultaten waren opgenomen in het boekje.  Allemaal buitengewoon aandoenlijke en ontroerende werkstukken van amateurs. Conclusie van Kessels: “Instead of closing ourselves off from amateurs and their influences, it might be beneficial to welcome them, their inspirations and enthusiasm. Those of us lucky enough to get paid for our creativity should welcome our amateur peers, not sneer down our marker pens at them.” Nieuw is het niet. In de negentiende eeuw was het de adel die zich er op liet voorstaan. Amateurisme betekende voor hen werkelijke passie. In de 21ste eeuw gaat het om een variant hiervan: “Increasingly, our entertainment is no longer the work of megastars but of regular people with a sketchpad, a digital camera and a strong inventive streak.”

Tagged with:
 

River Urbanism

On 15 maart 2013, in duurzaamheid, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Anarchist Gardener’ (2012):

De ‘Ruin Academy’ is een platform waar alle kennis samenkomt met betrekking tot de ‘Derde Generatie Steden’ – de ruïnes van de industriële stad. Het staat te lezen in een publicatie die ik meenam van mijn laatste reis naar Taipei, Taiwan. De ‘Anarchist Gardener’ verscheen in het kader van de Hong Kong & Shenzhen Bi-city Biennale of Urbanism and Architecture. Auteur is Marco Casagrande. Het platform, zo begrijp ik, is bewust niet op professionele kennis georiënteerd. De kennis wordt juist van onderop verzameld. “We focus on local knowledge, people and stories.” Gewone burgers van Taipei komen aan het woord. Zij vertellen over hun stad en wat er zou moeten gebeuren. “What comes to the academic control, we will give up in order to let nature step into our ruin.” Hoe dat in zijn werk gaat? “In a simple participatory planning way the sociologists and anthropologists are on the files doing research and getting connected to the site-specific realities. They are then reporting real time to the architects, artists and urban designers who can react on this information through design and art.”

Volgens Casagrande zijn de universiteiten verzwakt door het steeds zwaarder worden van de afzonderlijke disciplines, er is nauwelijks contact tussen de vakgebieden en de faculteiten. Hetzelfde geldt voor de diensten en stadsdelen van de gemeenten en de steden. “This industrial focusing and academic protectionism is against the idea of a university and the idea of the city government as a parliamentary acting body based on discussions.” Buiten de universiteit en de gemeente om heeft hij daarom ‘rondetafels’ georganiseerd waar gewone mensen samenkomen. Zoals de taxichauffeurs, de straatverkopers en de vissers van Taipei, die verdreven werden door de muur die door de Kwo Min Tang werd opgetrokken rond de rivier om de stad te beschermen tegen het water – in zijn ogen een ‘fast-food’ oplossing. Uit hun persoonlijke verhalen ontwikkelde hij een nieuwe vorm van stedenbouw: ‘River Urbanism’, gebaseerd op de kennis en wijsheid van de vissers van Taipei. De verhalen zijn meedogenloos en ontroerend. Een mooi staaltje participatieve planning.

Tagged with:
 

We-Think in action

On 7 maart 2013, in innovatie, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘We-Think’ (2008) van Charles Leadbeater:

Vanavond een lezing geven over het jaar 2020. Ergens in De Baarsjes. Geen scenario’s, maar trends. M’n boekenkast er nog maar eens op nageslagen. Zo ook Charles Leadbeater’s ‘We-Think’ er weer eens bijgepakt. Motto: ‘You are what you share’. Leadbeater werkte jarenlang voor de Finanial Times en schrijft boeken over innovatie. ‘We-Think’ is een reportage over de “unparalleled wave of collaborative creativity as people from California to China devise ways to work together that are more democratic, productive and creative.” Kortom, het boek gaat over internet en wat het internet voor mensen betekent. ‘We-Think’ is niet alleen door Leadbeater geschreven, maar ook nog door 257 andere mensen, aldus de flap. Zo is het maar net. Bloggers begrijpen dat. “Blogs and other tools allow people to contribute. Social networks allow them to connect. Still other tools are needed, however, for sustained creative collaboration to take off. The most famous is the wiki.” Er ontstaat samenwerking op een ongekende schaal. Goed nieuws dus voor planners!

Verrassend is dat Leadbeater zijn optimistische toekomstverhaal afsluit met uitgerekend Nederland. Net als bij Jane Jacobs en Barbara Tuchman is bij hem ons kleine landje een voorbeeld van een beschaving die door samenwerking duurzame oplossingen vindt. Waarom? omdat de strijd tegen het water ons altijd heeft aangezet tot gezamenlijke actie. “The Netherlands exists only through cumulative, communal innovation which has built a country out of reclaimed swamp and sea.” Nederlanders, aldus Leadbeater, bejubelen geen supersterren, hun vindingen zijn altijd praktisch, bescheiden en evolutionair. “The Netherlands is We-Think in action at national level: a constant, adaptive, interconnected and incremental approach to innovation.” Volgens Leadbeater heeft de wereld dit soort sociale innovatie hard nodig om de grote vraagstukken van de toekomst te kunnen oplossen. ‘We-Think’ brengt voorspoed, democratie en sociale vooruitgang. Dat is bemoedigend en prettig om te horen. Zeker in deze barre tijden.

Tagged with:
 

Reality check

On 12 november 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 14 juli 2012:

De belangstelling voor experimenten met open planning bleek in Taipei opvallend groot. Ik had dat niet verwacht. Het leek in verband te staan met het geringe vertrouwen in de Taiwanese politiek. Voortdurende regeringswisselingen hebben op het eiland voor de Chinese kust het vertrouwen van de bevolking in haar leiders ondergraven; een stabiele politieke koers ontbreekt. De massale protesten tegen de arrogantie van de regerende Kwo Min Tang-partij, die het had gewaagd haar nieuwe hoofdkantoor op te trekken recht tegenover het presidentieel paleis, lagen bovendien nog vers in het geheugen. Datzelfde ongenoegen proefde ik helemaal aan de andere kant van de wereld, in IJsland. Na de val van de IJslandse banken was daar op het koude eiland het vertrouwen in de politiek eveneens tot het nulpunt gedaald. Gudjon Mar Gudjonsson, planoloog te Reykjavik, vertelde me erover toen hij laatst in Amsterdam zijn opwachting maakte tijdens het congres van Fabrique de la Cité over participatieve planning. Lokale experimenten met open planning bleken ook in Reykjavik buitengewoon succesvol. De politiek stond ze niet meer in de weg.

In de Volkskrant was afgelopen zomer een reportage gepubliceerd over de situatie in IJsland, vier jaar na de bankencrisis die het land ongenadig trof. Precies in lijn met het verhaal van Gudjonsson verhaalde Mariken Smit daarin over hoe de IJslandse bevolking de politiek aan de kant had geschoven. “De IJslanders lijken na de crisis het heft het liefst in eigen hand te nemen. Ze beseffen dat ze zich deels in slaap hebben laten sussen door mooie verhalen van politici en bankiers.” Premier Geir Haarde werd voor het gerecht gebracht en schuldig bevonden. Er kwam een nieuwe grondwet. Smit beschrijft hoe burgers sindsdien in platforms bij elkaar komen en zelf regelingen verzinnen voor de huizenmarkt, de gezondheidszorg en economische structuur. Investeerder Sigurjónsson: “Als de overheid het niet doet, doen we het zelf. We nodigen parlementariërs en bankiers ook uit om te komen luisteren. Het voelt goed om een actief burger te zijn.” Journalist Jónsdottir: “IJsland is herboren. De crisis was een reality check. We zijn weer terug bij de basis.” Open planning dus. IJsland laat zien dat het werkt. Jammer alleen dat er eerst koppen moeten rollen.

Tagged with:
 

Miscommunicatie

On 5 oktober 2012, in participatie, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien op donderdag 27 september in Stockholm:

Al sinds het begin van de jaren negentig maakt Stockholm plannen voor het Slussengebied. Slussen is het sluizencomplex aan de zuidkant van de oude binnenstad, waar de Baltische zee overgaat in de Riddarfjärden. Het is een historische plek waar Stockholm ooit is ontstaan. Rondom de sluizen – die dateren uit 1935 – is in de jaren zestig betonnen infrastructuur gebouwd voor zowel metro, trein als auto, waardoor de zuidkant van Stockholm verbonden wordt met de noordzijde. Sinds de aanleg van alternatieve infrastructuur is het aantal autobewegingen echter gehalveerd, dus al die betonnen bruggen is hier overbodig geworden. De ruimten onder de fly-overs worden amper nog gebruikt, dus hoog tijd voor een ambitieus plan. Tot op heden echter zijn alle pogingen gestrand om Slussen op te stoten in de vaart der volkeren. Een architectenprijsvraag enkele jaren geleden lijkt aan die onzekerheid een einde te hebben gemaakt. Er komt een ondergronds busstation, dat zal worden uitgehakt onder de woningen. Verder komen er nieuwe kantoren, expositieruimten en royale boulevards, de overbodige bruggen zullen worden afgebroken. Het winnende ontwerp is onlangs gekozen, de werken – in drie fasen uit te voeren – starten begin volgend jaar. Kosten: meer dan een miljard euro.

We werden ontvangen door Marianna Dunér, communicatiestrateeg, en Martin Schröder, architect. Van hen hoorden we dat de bevolking nog steeds fel gekant is tegen het ‘megalomane plan’. Het antwoord van de communicatiestrateeg bestond eruit de bevolking nòg beter voor te lichten. We kregen in het voorlichtingscentrum een nieuwe film te zien die aan alle twijfel een einde moet maken. Ik betwijfelde of dat zou lukken, maar een gesprek hierover was nauwelijks mogelijk. De communicatie, hield men vol, moest gewoon beter, rationeler. Dan zouden de mensen het wel begrijpen. Schröder klaagde over het feit dat de architecten zo slecht communiceerden en dat hun tekeningen voor de meeste burgers onbegrijpelijk waren. Aan de prijsvraag echter twijfelde hij niet. Later zagen we een foto van de zuidhelling, waar burgers en masse rode lappen uit hun ramen hadden gehangen, als stil protest tegen de voorgenomen werken. Zelden zag ik duidelijker hoe overheid en burgers elkaar gewoon niet wilden begrijpen.

Tagged with:
 

EcoWiki

On 2 mei 2012, in duurzaamheid, participatie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in The Moscow Times van 23 april 2012:

Op de eerste dag van de Moscow Competition las ik bij toeval in het hotel een groot artikel in The Moscow Times over ‘Civic Groups Ride to Cities’ Rescue – on Bikes’. Het artikel ging over Russische actiegroepen die voor ecologische bewustwording onder burgers opkomen. Luchtvervuiling, schrijven de journalisten, is in de grote steden van Rusland schrikbarend, vuilnis wordt willekeurig gestort en de bossen rond de steden worden op grote schaal geveld. Het groeiende autopark is volgens het Ministerie van Milieu nu al voor 40 procent verantwoordelijk voor de stedelijke  luchtvervuiling. Het gemiddelde autobezit is in Rusland op dit moment 244 auto’s per 1000 inwoners, dat is een groei van liefst 70 procent ten opzichte van 2001. In de USA hebben van elke 1000 inwoners 850 mensen een auto, dus de Russische markt is nog lang niet verzadigd. Toch staat het verkeer in een stad als Moskou nu al dagelijks muurvast. Burgers organiseren zich en komen bij de autoriteiten met voorstellen. Vooral via blogs en websites zoals EcoWiki wordt op grote schaal informatie uitgewisseld over milieuvriendelijke oplossingen, zoals fietsen in de stad. In Sint Petersburg namen 35.000 burgers deel aan de publieke discussie over het structuurplan 2020 en EcoWiki telt nu al 2000 vaste bezoekers. “Citizens have actually become a huge group of competent consultants.” Toch staat milieu nog steeds niet prominent op de agenda. Leefbaarheid moet het nog vaak afleggen tegen urgenter geachte problemen.

De actiegroepen, las ik, verbazen zich over het feit dat de regering al heeft besloten om het grondgebied van Moskou met 150 procent te vergroten, dit om de regeringsgebouwen naar buiten te verplaatsen en zo de congestie in Moskou te verminderen. “They point to the complex environmental situation already existing in the territory to be annexed: garbage dumps, testing grounds for chemical and biological waste, and nuclear waste burial sites. Experts claim that there is a shortage of drinking water, which has been already experienced by the capital and is going to become more acute when its area increases. Also, the city’s green belt – forests growing around Moscow that are located in the new territory – may be afflicted as a result of infrastructure development.” Hun waarschuwingen lijken gegrond. Maar verandert er hierdoor ook iets? Nee, want het besluit tot vergroting van Moskou is reeds genomen, er is geen weg meer terug. In een klein berichtje in The Moscow News van 23 april las ik dat bij het dorp Kommunarka ten zuidwesten van Moskou aan de snelweg A101 12.000 hectare land overgaat in handen van senator Moshkovich uit Belgorod. Hij gaat er 1,5 miljoen vierkante meter commercieel vastgoed plus 13 miljoen vierkante meter woonvloeroppervlak ontwikkelen ten behoeve van uitplaatsing van regeringskantoren, een gronddeal ter waarde van 500 miljoen dollar. De journalisten concluderen: “there are no stable mechanisms of interaction between the autohorities and society in ecology. This leads to a vicious circle of policymakers making decisions that can negatively affect the environment, which in turn increases public discontent.” Was het niet president Medvedev zelf die in 2009 ingreep toen de activisten de houtkap voor de nieuwe snelweg naar Sint Petersburg in Khimki Forest blokkeerden en die met een milieuvriendelijker alternatief op de proppen kwam?

Tagged with:
 

Civic Commons

On 3 april 2012, in participatie, regionale planning, technologie, by Zef Hemel

Gehoord in de RAI op 27 maart 2012:

Tijdens Inter Traffic, de grootste internationale beurs op het gebied van verkeer en vervoer in de Amsterdamse RAI, vond de kick off plaats van Commons4EU. Vijf steden presenteerden er hun nieuwste apps die de digitale uitwisseling tussen burgers en hun stad moeten stimuleren: Boston, Barcelona, Rome, Londen en Amsterdam. Esteve Almirall, hoogleraar aan Esade Business School in Barcelona, maakte duidelijk waarom open innovatie voor steden zo belangrijk is. De publieke sector heeft vaak erg veel taken, maar haar budgetten slinken zienderogen, om lokale problemen op te lossen kunnen burgers veel actiever worden ingeschakeld. Bovendien moeten de steden zichzelf opnieuw uitvinden. Bedrijven die al eerder open innovatie omarmden, zoals Procter & Gamble, varen er economisch wel bij, dus waarom de overheid niet? Het gaat hier niet om complexe grootschalige digitaliseringsprojecten die maar al te vaak mislukken. De projecten zijn juist klein, goedkoop, experimenteel en snel te realiseren. Elke stad kan zijn eigen apps ontwikkelen en beproeven. Deze civic commons, soms gratis, soms betaald, kunnen een nieuwe manier zijn om op stedelijk niveau een civil society te bouwen.

Boston, Massachusetts, gaf in Amsterdam van die civic commons instructieve voorbeelden. Nigel Jacob, werkzaam bij The Mayor’s Office of New Urban Mechanics, vertelde hoe Boston de afgelopen jaren open innovatie in het centrum van haar werkzaamheden plaatste. Onder het motto ‘Source, Support, Study, Share, Scale’ werden eerst ideeën opgehaald, vervolgens in pilots ondersteund, op hun impact bestudeerd, de resultaten gedeeld, om ten slotte te worden opgeschaald naar stedelijk niveau. ‘Street Bump’ is wel de leukste app in Boston: de app, actief geladen in de mobiele telefoon die in de auto meereist, registreert automatisch gaten in het wegdek. Burgers tellen de gaten, maar de gemeente kan ook op het stratenplan direct aflezen waar de gaten zich bevinden. Is het gat gedicht, dan krijgt de burger daarvan onmiddellijk bericht. Zulke apps zijn praktisch, leuk en stimulerend. Ze bevorderen het contact tussen burgers en gemeentelijke diensten. Boston kent inmiddels meer apps die de burgers actief inschakelen bij het oplossen van problemen: apps voor onderwijsprestaties, voor schoolbussen, voor afvalverwerking, voor sneeuwruimen. Vijftig apps voor twintig gemeentelijke diensten in de laatste vijf jaar is de stand van zaken. Commons4EU gaat soortgelijke toepassingen in Europese steden stimuleren en delen. Onder aanvoering van Amsterdam zullen Manchester, Helsinki, Rome, Barcelona, Berlijn, Parijs en de Nederlandse hoofdstad een ‘Code for Europe’ ontwikkelen. “Sharing data, civic commons, meeting place for city experts. Which apps are really cutting edge?” Ik zou zeggen: Eureka!

Tagged with:
 

Hervormen

On 27 maart 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the urban revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Hoe mobieler mensen, goederen, geld en kennis worden, hoe meer locatie ertoe doet. We denken nog te weinig ruimtelijk, te weinig in steden. De Amerikaanse strateeg Jeb Brugmann schreef hierover een indrukwekkend boek. De financiële crisis van 2008, schrijft hij in ‘Welcome to the urban revolution’, is veroorzaakt door het in elkaar storten van “an American city model building boom’’. De crisis gaat dus over onze steden. Geen econoom die daaraan denkt. Ons model van stadsontwikkeling is ondeugdelijk gebleken. “We have been building cities everywhere like industrial commodities, measuring them in undifferentiated square footage, while marketing them with names that stimulate our memories of citysystems and their community life.” Om de wereld van de ondergang te redden moeten we heel andere steden gaan bouwen dan die volgens het gangbare ‘corporate city’-model. Maar hoe? Hier introduceert Brugmann het begrip ‘urbanism’. ‘Urbanism’ is een stedelijke strategie die actieve participatie toelaat van burgers en bedrijven en die streeft naar werkelijk duurzame groei. Zo’n strategie vereist dat natie-staten een flinke stap terugdoen en niet langer voorschrijven hoe steden moeten opereren. ‘Urbanism’ veronderstelt daarentegen dat lokale bedrijven actief gaan deelnemen aan de ontwikkeling van hun stad en zich niet langer afzijdig houden. Het is ook in hun belang dat steden creatief en duurzaam worden. “Embuing corporate city model building with a process of cocreation with communities, users, and local urbanists is one of the most important challenges and opportunities of urban practice in the final phase.”

Wat vereist dit van stadsbesturen? Besluitvorming zou niet langer achter de gesloten deuren van het stadhuis moeten plaatsvinden, in college, raad en voorbereid door de bureaucratie. De macht zou moeten worden gedeeld met burgers, ondernemingen en gemeenschappen. Het dominante stedelijke regime zou juist deelname van allen moeten stimuleren en private actie ondersteunen. Het moet weliswaar doelgericht zijn, maar ook gebaseerd op inspiratie en ondersteuning van anderen. Het juiste regime is stabiel, maar ook open en relatief informeel. “In a very important sense, a regime is empowering.” Strategische allianties zijn volgens Brugmann niet genoeg. Om te overleven en zich snel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden zullen steden zich zo snel mogelijk regimes eigen moeten maken die fundamenteel op cocreatie zijn gericht. Volgens Brugmann is er geen tijd te verliezen. Hervormen dus!

Tagged with: