Heb jij ideeën of dromen over de stad van de toekomst? Wonen we anders dan nu en hoe ziet de nieuwe economie eruit? Hoe blijven we gezond in de metropoolregio Amsterdam? Wordt de stad nog groener? Hoe verplaatsen we ons in de toekomst en hoe zal ICT de stad veranderen? Kortom: wat vind jij waardevol?

Kom op 9 september a.s. naar het 2e open atelier Volksvlijt2016 en denk en doe mee!

Volksvlijt 2016

Volksvlijt 2016 is een open platform waaraan iedereen kan bijdragen. In drie ateliers bouwen we samen met ontwerpers, kennisinstellingen, bedrijven, bewoners en studenten aan een nieuw toekomstperspectief op de metropoolregio Amsterdam. Alle ideeën en dromen komen samen in één enorme maquette die vanaf 12 april 2016 twaalf weken lang te bewonderen zal zijn in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Naast deze tentoonstelling is er een interactief programma over de toekomst van de stad waarbij iedereen welkom is.

Meedoen op 9 september 2016

De stad van de toekomst is opgebouwd uit twaalf thema’s, zoals voedsel, logistiek, media, industrie, gezondheid, toerisme, ecologie, ICT en zelfvoorzienende buurten. In het atelier op 9 september kun je meedenken over de toekomst van deze thema’s samen met vernieuwende ontwerpers, die de ingebrachte ideeën verbinden

Hoe meer mensen meedoen, des te slimmer en aantrekkelijker de stad van de toekomst wordt. Dus, heb je ideeën over de stad of kennis van één van de thema’s? Ben je een betrokken stadmaker, visionair of creatief denker en wil je samen met anderen bouwen aan de stad van de toekomst?

Doe dan mee! De stad van de toekomst maken we samen.

Zef Hemel

Wibautleerstoel, Universiteit van Amsterdam | Amsterdam Economic Board 

Wat:                2e open atelier Volksvlijt 2016

Wanneer:         Woensdag 9 september 2015, van 12.00 tot 18.00 u.

Waar:              Openbare Bibliotheek van Amsterdam (Oosterdok)

Bijdrage:          kennis, ideeën & toekomstdromen

>> Aanmelding (verplicht): via de volgende site: https://tamtam.viadesk.com/do/eventreadpublic?id=14706-6576656e74

wim.jan.hollebeek@amsterdam.nl

Word lid van onze community op Facebook ‘Volksvlijt2016’ om op de hoogte te blijven van Volksvlijt.

Tagged with:
 

Volksvlijt 2

On 16 februari 2015, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Roeterseiland, op 9 februari 2015:

Zaal Amsterdamlezingen 2015 (maandag 2 februari 2015 met Ben Kröse)

Tijdens de Amsterdamlezing van Zef Hemel over ‘Smart Cities, Open Planning’, maandagavond op Roeterseiland campus, ontspon zich een discussie met de zaal over de platforms die onze steden intelligent kunnen maken. Hoe open zijn ze? Moeten we ze niet begrenzen? En wie initieert? Hemel stelde dat alles begint bij een enkeling. Hij of zij neemt het initiatief en stelt een groep samen. Die groep is al een platform, maar echt intelligent is hij nog niet. Vereisten daarvoor zijn: diversiteit van de deelnemers, groei door een open karakter, gevoed worden door inspiratie, permanente interactie, decentraliteit. Wat dat laatste betreft, elk platform moet dicht op de realiteit gaan zitten. Allerlei voorbeelden kwamen voorbij: de Hells Angels, de Industrieele Club, het televisieprogramma Utopia, Vrienden van het Singelpark Leiden, de G1000, Pakhuis de Zwijger, de Amsterdam Economic Board, de vele startups, de Amsterdamse gemeenteraad, ‘Volksvlijt 2016’. De meeste platforms bleken niet echt open, zijn onvoldoende divers. Vele missen ook voldoende contact met de realiteit, dan blijft het bij praten, redetwisten, het spreken in abstracties. Hemel probeerde de output breed te definiëren. Hij zei dat we de resultaten vaak niet eens in de gaten hebben, soms kan het jaren duren voordat deze zich manifesteert. Alles hangt af van de inspiratie, de concreetheid, de herhaling, de omvang en gevarieerdheid van de samenstelling.

Tijdens het gesprek kwam moderator Hooimeijer met het voorbeeld van een asielzoekerscentrum. De mensen die daar verblijven zijn vaak afkomstig uit de hele wereld en verschillen ook sterk qua achtergrond. In Nederland zitten ze opgesloten in barakken en mogen soms jarenlang niets doen. Potentieel, gaf Hemel toe, zijn deze centra hele krachtige platforms, die we echter helemaal niet gebruiken. Een oudere heer achterin de zaal vond het allemaal tamelijk vaag: hij miste de grote verhalen. Hemel stelde hem gerust en verzekerde dat de platforms op den duur spannende toekomstverhalen genereren. Een ander klaagde dat alle van onderop gegenereerde intelligentie uiteindelijk vastloopt in bureaucratie. Hemel adviseerde hem om er omheen te bewegen en niet teleurgesteld te zijn. En hoe voorkomen we dat slechts een klein deel van de bevolking meedoet? Hemel gaf toe dat we hierop voortdurend inspanning moeten plegen. Ook om te voorkomen dat ‘tribes’ en ‘groupthink’ ontstaan is het nodig dat de platforms open blijven en dat de diversiteit blijft toenemen. Een middelbare scholier stond op en wierp tegen dat de campussen op de tekening in ‘Volksvlijt 2016′ op gesloten bolwerken leken. Hemel voorspelde dat de campussen in elkaar zouden grijpen en dat ze uiteindelijk één groot kluwen zouden vormen. De verwachte uitkomst van het platform vergeleek hij met een Afrikaanse termietenstad.

Tagged with:
 

Zwak

On 4 februari 2015, in economie, filosofie, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Culture of the New Capitalism’ (2006) van Richard Sennett:

NewCapitalism.jpg

Welke arbeidsverhoudingen karakteriseren het moderne kapitalisme? Die vraag stelde zich de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Hij deed er uitgebreid onderzoek naar. Aan Yale University hield hij in 2004 er een serie lezingen over, die twee jaar later verschenen onder de titel ‘’The Culture of the New Capitalism’. Dat was vlak voor de financiële crisis. Maar Sennett gaat in zijn boek vooral terug in de tijd. Meer vrijheid, daarvoor betoogden de studenten in ‘68, ze wilden zich bevrijden uit de gevangenis van de centraal geplande economie met zijn enorme bureaucratie en vijfjarenplannen. Dat is hen gelukt. In de plaats van ‘the prison of bigness’ trad een zeer flexibele economie aan en een verzwakte overheid, met een minimum aan bemoeizucht van planners. Het resultaat? Onrust, flexibiliteit, toenemende ongelijkheid, sterke gerichtheid op de korte termijn, minder samenhang, geringere loyaliteit, macht zonder gezag, en vooral een gevoel van grote nutteloosheid (uselessness). Veel mensen voelen zich overbodig, buitengesloten. Vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. “So as cities swelled, uselessness was viewed as a necessary, if tragic, consequence of growth.

Las ik tussen de regels door ook nog iets positiefs? Ergens op het eind citeert Sennett Abraham Maslov, de psycholoog die in de jaren ‘60 het ideaal van de verantwoordelijke, creatieve individuele mens verwoordde, de mens die vooral uit is op persoonlijke groei. Wat is er van dat ideaal terecht gekomen? Niet veel dus. Sennett wijt dat vooral aan de verzwakte instituties die de mensen weinig vertrouwen inboezemen, bij hen ook geen loyaliteit opwekken en hen dus ook niet aanzetten tot participatie.  “Yet I don’t think the dreamers of my youth had the wrong idea in holding up material life to a cultural standard. As the reader may possibly have detected, I was one of those youthful dreamers.” Waarop de oude, wijzer geworden Sennett verzucht: “The normal path of the adult’s ‘sentimental education’ is meant to lead to ever greater resignation about how little life as it is actually conducted can accord with one’s dreams.” En toen was er de crisis. Ineens waren daar de coöperaties, de zelfbouwgroepen, de burgerinitiatieven, de start-ups, de platforms, de mensen zelf, de daders ook.

Tagged with:
 

Geen master minds

On 21 januari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in het KIT op 15 januari 2015:


Peter Sloot, hoogleraar Computational science aan de Universiteit van Amsterdam, gaf voor het Center for Urban Studies, te gast bij de Amsterdam Graduate School for Metropolitan Solutions, een boeiende lezing over ‘Urban complexity’. Zijn lezing, die hij twee jaar geleden al eens gegeven had in de Amsterdamlezingencyclus van de UvA, viel uitgerekend samen met de opening van het ‘Jaar van de Ruimte 2015′ een eindje verderop, in de Beurs van Berlage. Sloot maakte duidelijk dat steden, net als markten, organismen en pandemieën, complexe adaptieve systemen zijn die worden gekenmerkt door non-lineaire relaties. Op steden zijn daardoor ‘urban scaling laws’ van toepassing. Bij een verdubbeling van de omvang van een stad stijgt bijvoorbeeld de productiviteit met 15 procent; het aantal patenten neemt met een vergelijkbaar percentage toe; hetzelfde geldt voor de misdaad en het aantal aids-gevallen. Maar het wonen is lineair, evenals werkgelegenheid. En infrastructuur is sublineair: je hebt er naar verhouding minder van nodig als de stad groter wordt. De schaalbaarheid van steden opent een heel nieuw veld van onderzoek. Complexe systemen betekent: er bestaan geen blauwdrukken, er zijn geen ‘master minds’ in het spel, steden organiseren zichzelf, het is een kwestie van evolutie en adaptatie. Kortom, planners moeten nederig zijn.

In de discussie na afloop viel de naam van Michael Batty, hoogleraar planologie aan University College London. Zijn onlangs verschenen boek ‘The New Science of Cities’ sloot naadloos aan op het betoog van Sloot. Met mathematische modellen, is diens stelling, kunnen dynamische patronen in steden worden nagebootst. Mits betrouwbare data voorhanden zijn. In veertien hoofdstukken, verdeeld over drie delen, verbindt Batty netwerkanalyses uit diverse sociale disciplines met theorieën van grootheden als Lewis Mumford, Kevin Lynch, Patrick Geddes en Jane Jacobs. Vooral deel III is voor planologen interessant. Want wat blijkt? Participatieve planning, dus planning in kleine stapjes, van onderop, samen met bewoners en direct betrokkenen, levert de beste resultaten op. Dergelijke planning reageert het snelst op veranderingen, past zich het beste aan aan gewijzigde omstandigheden en vangt abrupte schokken op. Topdown planning is veel kwetsbaarder. Ook netwerkanalyses wijzen top-down planning dus van de hand. Sloot beaamde het. Het was niet anders. Planners moeten anders gaan werken. Bescheidener.

Tagged with:
 

Mobilisatie werkt

On 19 december 2014, in participatie, by Zef Hemel
 

Gelezen in ‘Bewonersparticipatie in de Bijlmermeer’ (2014) van Patrick van Beveren:

Afgelopen woensdag promoveerde Patrick van Beveren aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar bewonersparticipatie in de Bijlmermeer. Promotoren: Jan Willem Duyvendak (UvA) en Frank Hendriks (Universiteit Tilburg). Ik was lid van de promotiecommissie. Het onderzoek van Van Beveren richtte zich op de periode 1992 tot 2008 – de tijd van de grootschalige herstructurering. Uitkomst van zijn onderzoek is dat bewoners van de Bijlmer in de klassieke participatieaanpak geen invloed hebben gehad op de beleidsontwikkeling – de beslissing dat hun wijk moest worden gesloopt en herbouwd is topdown genomen, door professionals -, maar wel op de beleidsrealisatie. Een groot aantal respondenten gaf aan, en ook uit interviews met betrokkenen rijst het beeld op dat de participatiegraad weliswaar laag was, maar dat er toch invloed was op de besluitvorming. Per buurt verschilde deze overigens.

In zijn reflectie over de bevindingen stelt Van Beveren zich de vraag waarom bestuurders aan bewoners geen grotere invloed op de besluitvorming gunnen, er eigenlijk ook geen moeite voor doen. Zelf denkt hij dat zelfs kwetsbare burgers best bereid zijn te participeren, maar dat zij gewoon niet actief genoeg worden benaderd. “De bereidheid van bewoners om mee te werken aan onderzoek of anderszins blijkt in het algemeen behoorlijk groot.” In zijn proefschrift refereert hij aan wetenschappelijke artikelen van o.a. Viviene Lowndes en Lauwrence Pratchett die vaststellen dat daadwerkelijke mobilisatie van de bevolking grote positieve effecten op de besluitvorming heeft. Ik citeer: “Research shows that the degree of openness of political and managereal systems has a significant effect, with participation increasing where a variety of invitations and opportunities.” Je moet er als overheid dus wel echt je best voor doen, veelsoortige initiatieven nemen om mensen te betrekken en dat ook gedurende lange tijd volhouden. Dan komt de betrokkenheid op gang en blijkt ze lonend. Mensen zijn nu eenmaal verschillend. “If we ask people to participate in a committed and consistent manner and respond effectively to their participative inputs, they are far more likely to engage.”Een productief inzicht. Maar het gebeurde dus niet.

 
Tagged with:
 

Cool planning

On 19 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 november 2014:

Afgelopen week werd ik, als keynote speaker op de World Cities Culture Summit  2014, door de dagvoorzitter aan het publiek voorgesteld als ‘a cool planner’. Opgelucht haalde ik adem. Het herinnerde me aan een recent artikel in The Guardian van de hand van Tom Campbell. In ‘For the sake of our cities, it’s time to make town planning cool again’ stelde deze dat het met onze steden misschien goed gaat, maar met het planningstelsel en de professie van de planners absoluut niet. “Just as they are needed more than ever, the status of planners and city administrators has never been lower.” Burgemeesters treden op de voorgrond, maar hun planologen worden ondertussen afgedankt. In Groot-Brittannië stelde premier Cameron zelfs dat hij een eind wil maken aan de bureaucratie, die een hinderpaal zou zijn op de weg naar herstel en succes. En niet alleen de rechtse politici willen van de planners af, dat geldt voor de samenleving in de volle breedte. In de populaire Britse televisieserie ‘The Wrong Mans’ speelt Noel een nerdish planoloog die  werkt voor de gemeente Bracknell. Hij is een belachelijke figuur. Ga dus geen planologie of stedenbouw studeren, want denk om je status; die kan alleen maar vallen. Kies dan liever voor ‘Urban Studies’.

Het is hun eigen schuld, stelde Campbell. Een van de oorzaken is de opleiding van planologen. Die is over-gespecialiseerd geraakt. Dat houdt in dat planners alleen nog maar kunnen communiceren met hun soortgenoten. Hun taal is abstract geworden, raar vakjargon. Leken worden heel soms toegelaten tot het planningsdebat, maar dan alleen op de voorwaarden van de planologen. De ontwerpers onder hen zijn vrij gaan ontwerpen, alsof er geen samenleving meer is, terwijl de sociale planners zich hebben vastgebeten in procedures, wetgeving en institutionele kaders. Jonge mensen willen daardoor geen planning meer studeren. En het vak zelf? Terwijl de professionele planners op hun kantoren zitten te vergaderen en de politiek keer op keer op hen bezuinigt, maken de burgers zich op voor een mars naar de stadhuizen. Waarom, vraagt Campbell zich af, gaan de planners niet de straat op en maken ze zich sterk voor een grotere rol voor de burgers in de planning? Antwoord volgens Campbell: ze kunnen het niet, ze missen daarvoor de vaardigheden. Meer radicaliteit is daarom dringend gewenst. Er is behoefte aan ‘cool planning’. Dat begint op de universiteiten.

Tagged with:
 

Citizen science

On 18 november 2014, in participatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 20 september 2013:


Hij is hoofd van de programmagroep Politieke Sociologie aan het Amsterdam Institute of Social Science van de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar citizen science in de sociale wetenschappen. In de natuurwetenschappen bestaat dit fenomeen al langer: burgers actief mee laten denken bij wetenschappelijk onderzoek. Christian Broër (1967) ziet het ook als een reactie op de veelal terechte kritiek op sociaalwetenschappelijk onderzoek, waarbij wetenschappers nauwelijks samenwerken. Ook wordt hun werk amper door de collega’s gelezen. Triest. Gevaarlijk ook. In Het Parool las ik een interview met hem. "Transparantie in combinatie met samenwerking helpt fraude of andere misstanden te voorkomen. Ook de invloed van opdrachtgevers wordt kleiner." Een zoektocht naar integere wetenschap dus door amateurs te betrekken in de wetenschap.

De grote vraag is of leken wel voldoende kennis hebben om onderzoeksresultaten te interpreteren. Het antwoord laat zich raden: bij uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek is dit zeker het geval. De vakgroep heeft ook software ontwikkeld die het mogelijk maakt de samenwerking zodanig te ontwikkelen dat mensen met verschillende meningen de ruimte krijgen. En dan krijg je dit: "het gegeven dat mensen hun persoonlijke voorkeuren overstijgen als zij op een goede manier met elkaar samenwerken." En ja, er is meer dan één waarheid, maar het aantal waarheden is ook weer niet oneindig. Zijn wens: een platform ontwikkelen "waarbij gebruikers elkaar op verantwoorde wijze aanvullen en corrigeren." Sociale media doen dit onvoldoende. Broër noemt het software die het voor experts en amateurs aantrekkelijk maakt “om diepgaander betrokken te raken bij de sociale vraagstukken van deze tijd." Mooi. Heel mooi.

Tagged with:
 

Poor forecasters

On 11 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 5 december 2005:

Een oudje misschien. Maar nog steeds geldig en ook voor planologen buitengewoon relevant. In ‘Expert Political Judgment: How Good is It? How Can We Know?’ laat de Amerikaanse psycholoog Philip Tetlock overtuigend zien dat experts de toekomst minder goed voorspellen dan leken. Hoewel de boodschap niet fijn is, kreeg het boek destijds toch een bespreking in The New Yorker. In ‘Everybody is an expert’ vertelt Louis Menand hoe Tetlock tweehonderdvierentachtig mensen vroeg om voorspellingen te doen. Uiteindelijk verzamelde hij ruim 82.000 voorspellingen. De experts bleken niet betere voorspellers dan de amateurs, nee ze scoorden significant slechter. Bijvoorbeeld in het geval waarin uit drie mogelijke toekomsten kon worden gekozen. De experts kwamen niet verder dan vijftig procent goed, de amateurs scoorden beter. Menand: "Human beings who spend their lives studying the state of the world, in other words, are poorer forecasters than dart-throwing monkeys, who should have distributed their picks evenly over the three choices."

Hoe dit kan? Menand geeft een aantal verklaringen. Experts zijn te gespecialiseerd en kunnen het geheel niet meer overzien. Ze zijn ‘egels’. Die weten één groot ding. Door hun specialistische kennis blaken ze van zelfvertrouwen en kennen weinig twijfel. Ze komen vaak aanzetten met plausibele details, merkwaardige feiten, waarmee ze ons – niet-experts – proberen te overtuigen. Vooral economen lijden hieraan. Echter, amateurs overzien de wereld niet slechter, eerder beter, en kunnen ook scherpere inschattingen maken. Amateurs zijn ‘vossen’: ze weten van alles een klein beetje. Toevlucht zoeken in statistieken – ook gedetailleerde, achter de voordeur – helpt niet. Toch is dit precies wat experts steevast doen. Nu weer zoeken ze hun toevlucht in ‘Big Data’. Achteraf zullen ze ook nooit toegeven dat ze foute inschattingen hebben gemaakt. Hun werk is voorspellen, de media willen alleen dàt van hen en daarop worden ze afgerekend. We kunnen beter gewone burgers raadplegen. Ondertussen tasten wij omtrent de toekomst volkomen in het duister.

Tagged with:
 

Spelenderwijs

On 16 september 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Negotiation and Design for the Self-Organizing City’ (2014) van Ekim Tan:

Afgelopen vrijdag promoveerde architecte Ekim Tan aan de TU Delft op een onderzoek naar gaming als methode voor stedelijk ontwerp. Promotoren waren Henco Bekkering en Arnold Reijndorp, hoogleraren aan de TUD respectievelijk de Universiteit van Amsterdam. Tan beschrijft in haar proefschrift nauwgezet een aantal door haar uitgevoerde experimenten met ontwerpoefeningen waarbij de deelnemers, waaronder de ontwerper zelf, in een spelsituatie tot ontwerpbesluiten moeten zien te komen. De oefeningen vonden plaats in Instanbul, Almere, Rotterdam en Amsterdam. Telkens moesten collectieven over de invulling van een bepaald gebied beslissen waarbij Tan de spelregels bepaalde. Elke situatie vraagt namelijk om een ander type spel. Later mochten ook de deelnemers de spelregels veranderen. Het waren alle oefeningen op het droge. De realiteit werd nog het dichtst benaderd in het meest recente spel, dat ging over de invulling van de monumentale Van Gendthallen in Amsterdam.

Over de uitkomsten is Tan erg enthousiast. Het is haar overtuiging dat de methode werkt, ook in complexe situaties, en dat deze kan worden opgeschaald naar regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau. Zelf  heb ik twijfels. Ik denk dat het beter is om goed contact met de realiteit te houden en daartoe steeds een zo laag mogelijk schaalniveau te kiezen. De casus Oude Westen in Rotterdam vond ik het meest inspirerend: zeven architectuurstudenten van de Rotterdamse academie hadden bewoners en stakeholders in de buurt nagespeeld; door het spel hadden ze goed met elkaar samengewerkt en vanuit het perspectief van betrokkenen de buurt herontworpen. Zo’n collectieve werkwijze is bij ontwerpers hoogst ongebruikelijk, maar volgens mij veel beter dan de bij architecten gebruikelijke ontwerpcompetities en challenges waarbij uiteindelijk een winnaar wordt gekozen en verliezers, met al hun inzet, het nakijken hebben. Tan is realist en idealist tegelijk: de samenleving is volgens haar te complex geworden voor die ene ontwerper; die kan het gewoon niet meer alleen; hij of zij zal moeten samenwerken, hoe moeilijk dat soms ook is.

Tagged with:
 

Publieke waarden

On 25 maart 2014, in bestuur, participatie, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 10 maart 2014:

Een idioot was in de antieke Griekse samenleving een burger die zich niet inliet met publieke waarden. Tegenwoordig lijken de meeste burgers wel ‘idioot’. In de programmering van De Nieuwe Wibaut, de gemeentelijke praktijkleergang voor opener manier van werken, sprak Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden. Kruiter betoogde dat de overheid de afgelopen decennia erg centralistisch en bureaucratisch is geworden en dat burgers daardoor van de publieke waarden zijn vervreemd. Vroeger was alles nog heel lokaal. Tegenwoordig zijn gemeenten groot. Ze behandelen burgers als ‘klanten’; dienstverlening staat bij hen voorop. Gemeenten zijn ook steeds efficiënter gaan werken en burgers zijn van de weeromstuit meer gaan eisen. ‘Ik wil dit en dat en ook nog snel’. Als reactie ging het bestuur onredelijke politieke wensen formuleren, die door niemand werden bestreden.  Integendeel, de nadruk kwam nog meer op de uitvoering te liggen, effecten werden nauwgezet gemeten, instrumenten werden toegevoegd, de ambtenaren moesten gaan ‘toveren’. Daardoor ging het gevoel voor publieke waarden bij de burgers totaal verloren. En niemand die zich nog afvroeg: wat kunnen de burgers eigenlijk zelf?

Kruiter maakte een onderscheid tussen overheid, burgers en markt. De markt, zei hij, is goed in efficiency, de overheid in legitimiteit en de burgers in betrokkenheid. Alle drie de waarden moeten worden meegewogen. Duurzaamheid en veiligheid kunnen daar nog aan worden toegevoegd. “En iedereen,” voegde hij eraan toe, “moet er ook lol in hebben.” Echter, de gemeente is het verlengstuk – de uitvoeringsorganisatie – van de staat geworden, niet een ontwikkelorganisatie met een eigen observatievermogen. Eigenlijk zou de gemeente alles moeten terug slingeren naar boven, maar dat is lastig in een top-down gerichte organisatie die de gemeente is. En het gevaarlijkste van deze toestand is, aldus Kruiter, dat het alle macht aan zich trekkende Rijk de burger straks gaat zien als een verlengstuk van haarzelf, ten behoeve van het realiseren van haar eigen beleidsdoelstellingen, onder de dekmantel van de ‘participatiesamenleving’. Hij noemde dat ronduit gevaarlijk. Dat is, zei hij, het einde van de democratie.

Tagged with: