Spelenderwijs

On 16 september 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Negotiation and Design for the Self-Organizing City’ (2014) van Ekim Tan:

Afgelopen vrijdag promoveerde architecte Ekim Tan aan de TU Delft op een onderzoek naar gaming als methode voor stedelijk ontwerp. Promotoren waren Henco Bekkering en Arnold Reijndorp, hoogleraren aan de TUD respectievelijk de Universiteit van Amsterdam. Tan beschrijft in haar proefschrift nauwgezet een aantal door haar uitgevoerde experimenten met ontwerpoefeningen waarbij de deelnemers, waaronder de ontwerper zelf, in een spelsituatie tot ontwerpbesluiten moeten zien te komen. De oefeningen vonden plaats in Instanbul, Almere, Rotterdam en Amsterdam. Telkens moesten collectieven over de invulling van een bepaald gebied beslissen waarbij Tan de spelregels bepaalde. Elke situatie vraagt namelijk om een ander type spel. Later mochten ook de deelnemers de spelregels veranderen. Het waren alle oefeningen op het droge. De realiteit werd nog het dichtst benaderd in het meest recente spel, dat ging over de invulling van de monumentale Van Gendthallen in Amsterdam.

Over de uitkomsten is Tan erg enthousiast. Het is haar overtuiging dat de methode werkt, ook in complexe situaties, en dat deze kan worden opgeschaald naar regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau. Zelf  heb ik twijfels. Ik denk dat het beter is om goed contact met de realiteit te houden en daartoe steeds een zo laag mogelijk schaalniveau te kiezen. De casus Oude Westen in Rotterdam vond ik het meest inspirerend: zeven architectuurstudenten van de Rotterdamse academie hadden bewoners en stakeholders in de buurt nagespeeld; door het spel hadden ze goed met elkaar samengewerkt en vanuit het perspectief van betrokkenen de buurt herontworpen. Zo’n collectieve werkwijze is bij ontwerpers hoogst ongebruikelijk, maar volgens mij veel beter dan de bij architecten gebruikelijke ontwerpcompetities en challenges waarbij uiteindelijk een winnaar wordt gekozen en verliezers, met al hun inzet, het nakijken hebben. Tan is realist en idealist tegelijk: de samenleving is volgens haar te complex geworden voor die ene ontwerper; die kan het gewoon niet meer alleen; hij of zij zal moeten samenwerken, hoe moeilijk dat soms ook is.

Tagged with:
 

Publieke waarden

On 25 maart 2014, in bestuur, participatie, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 10 maart 2014:

Een idioot was in de antieke Griekse samenleving een burger die zich niet inliet met publieke waarden. Tegenwoordig lijken de meeste burgers wel ‘idioot’. In de programmering van De Nieuwe Wibaut, de gemeentelijke praktijkleergang voor opener manier van werken, sprak Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden. Kruiter betoogde dat de overheid de afgelopen decennia erg centralistisch en bureaucratisch is geworden en dat burgers daardoor van de publieke waarden zijn vervreemd. Vroeger was alles nog heel lokaal. Tegenwoordig zijn gemeenten groot. Ze behandelen burgers als ‘klanten’; dienstverlening staat bij hen voorop. Gemeenten zijn ook steeds efficiënter gaan werken en burgers zijn van de weeromstuit meer gaan eisen. ‘Ik wil dit en dat en ook nog snel’. Als reactie ging het bestuur onredelijke politieke wensen formuleren, die door niemand werden bestreden.  Integendeel, de nadruk kwam nog meer op de uitvoering te liggen, effecten werden nauwgezet gemeten, instrumenten werden toegevoegd, de ambtenaren moesten gaan ‘toveren’. Daardoor ging het gevoel voor publieke waarden bij de burgers totaal verloren. En niemand die zich nog afvroeg: wat kunnen de burgers eigenlijk zelf?

Kruiter maakte een onderscheid tussen overheid, burgers en markt. De markt, zei hij, is goed in efficiency, de overheid in legitimiteit en de burgers in betrokkenheid. Alle drie de waarden moeten worden meegewogen. Duurzaamheid en veiligheid kunnen daar nog aan worden toegevoegd. “En iedereen,” voegde hij eraan toe, “moet er ook lol in hebben.” Echter, de gemeente is het verlengstuk – de uitvoeringsorganisatie – van de staat geworden, niet een ontwikkelorganisatie met een eigen observatievermogen. Eigenlijk zou de gemeente alles moeten terug slingeren naar boven, maar dat is lastig in een top-down gerichte organisatie die de gemeente is. En het gevaarlijkste van deze toestand is, aldus Kruiter, dat het alle macht aan zich trekkende Rijk de burger straks gaat zien als een verlengstuk van haarzelf, ten behoeve van het realiseren van haar eigen beleidsdoelstellingen, onder de dekmantel van de ‘participatiesamenleving’. Hij noemde dat ronduit gevaarlijk. Dat is, zei hij, het einde van de democratie.

Tagged with:
 

Technologische tuinen

On 7 maart 2014, in participatie, planningtheorie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

 


"Providing the right platform is something all it takes." Met die zin begon een opmerkelijk artikel in een Special Report van The Economist, gewijd aan Tech Startups. Het artikel beschreef de toekomstige economie, die vooral zal bestaan uit fysieke en virtuele platforms. Het platform is het ‘operating system’ waarvan veel mensen gebruik kunnen maken met een bepaald doel. Sinds we vertrouwd zijn geraakt met IT-software zijn we steeds meer in termen van platforms gaan denken. Inmiddels weten we dat alle complexe systemen vanuit platforms werken, zowel biologische als economische systemen. "The core building blocks are kept stable so that the other parts can evolve more rapidly by combining and recombining them and adding new ones." Onze wereld wordt steeds complexer. IT dringt in alle geledingen door. We gaan naar een ‘platformisering’ van de samenleving.

Hoe ziet zo’n wereld eruit? "The bottom, where economies of scale rule, is made up of just a few powerful platforms; the top, where creativity and agility are at a premium, is becoming ever more fragmented. There is not much in between." Zo gaat onze samenleving er ook steeds meer uitzien: als een omgekeerde piramide. Horizontalisering is onvermijdelijk, een combinatie van hele grote platforms aan de ene kant en een grote variatie van miniproductiewijzen aan de andere kant, dat is ons voorland. Alle onderdelen van de economie gaan lijken op zulke ‘technologische tuinen’ waar duizenden bloemen bloeien en waar slechts enkele zeer groot zullen worden. Ook steden gaan op deze manier functioneren: ze organiseren zich rond platforms waar snel in grote gemeenschappen wordt geleerd. Sommigen noemen dit een ‘bottom-up’-beweging. In de Amsterdamse leergang De Nieuwe Wibaut spreken we van prototypes van nieuwe open werkwijzen, want ook de ruimtelijke planning moet eraan geloven. The Economist: "Currently governments resemble a vending machine offering a limited set of choices. They would work much better as a platform for a thriving bazaar of government services, offering basic building blocks that others can use."

Tagged with:
 

Metropolitane ervaring

On 7 februari 2014, in participatie, by Zef Hemel

 

Gehoord op 30 januari 2014 in de Zuiderkerk in Amsterdam:

“Segregatie en tweedeling staan hoog op de politieke agenda. Gabriel van den Brink, hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit Tilburg, onderzocht hoe Amsterdammers in de praktijk omgaan met culturele verschillen en ontdekte dat er geen reden is voor het gangbare pessimisme. De Amsterdamse bevolking blijkt zelfs een voortrekkersrol te hebben, als ondernemende burgers.” Zo luidde de aankondiging. Het onderzoek over ondernemende burgers in Amsterdam dat Van den Brink en Dick de Ruijter verrichtten, heet niet voor niets ‘Culturele kansen’. Op 30 januari sprak Van den Brink de Zuiderkerklezing. Centraal stond de vraag: Hoe kunnen we stad en openbare ruimte optimaal inrichten voor deze nieuwe generatie voortrekkers?

Amsterdam, aldus Van den Brink, kent een lange traditie van ondernemende burgers. Media en culturele instellingen zijn hier sterk vertegenwoordigd. Nergens in Nederland is de groei van de creatieve klasse zo sterk als hier. Dit, plus het anarchisme, de humor en de brutaliteit van de meeste Amsterdammers, bracht hij in verband met een ‘metropolitane ervaring’ die Amsterdam tot een wereldstad maakt: meer een kwestie van stijl dan van omvang. Zo’n metropolitane ervaring sluit zijns inziens goed aan bij modern ondernemerschap dat gekenmerkt wordt door energie, bevlogenheid en idealisme, dat weinig belangstelling toont voor regels en dat kansen grijpt als ze voorbij komen. Van den Brink constateerde een opvallend sterk bloei van maatschappelijke initiatieven in het Amsterdamse. Het merendeel blijkt afkomstig van gewone burgers, daarna volgen professionals en ondernemers; overheden en middenveld initiëren nauwelijks. Veel initiatieven draaien om sociale contacten, een deel gaat over openbare ruimte, natuur en milieu, gevolgd door onderwijs, cultuur en gezondheid. In meer dan de helft van de gevallen is de rol van de gemeente onduidelijk. Ik las ook een kritisch commentaar hierop van een bewoner van de Indische Buurt: http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/12/14/de-sekte-van-de-burgerkracht/Ziedaar de grootstedelijke dynamiek in Amsterdam en omgeving.

Gelezen in Volkskrant Magazine van 7 december 2013:

 

In 1999 verscheen de eerste Iens Independent Index van Amsterdam. De gids was een handzaam boekje met 850 Amsterdamse restaurants waarin punten werden toegekend voor de keuken, het interieur, de bediening, enzovoort. De gids baseerde zich op de eetervaringen van zestig mensen die Iens Boswijk daarvoor speciaal had geronseld. In 2000 begon Iens een online-website in Amsterdam en in Rotterdam, later in meer steden. Ditmaal betrof het een interactief systeem dat tien- tot vijftienduizend recensies per maand verwerkte. Sindsdien kan iedereen meepraten over de kwaliteit van restaurants in zijn of haar eigen stad. Wel worden alle recensies eerst gelezen en gecheckt. Tien procent valt af omdat ze niet fair zijn. Dat lijkt veel, maar is het niet. De werkwijze is ook minder arbeidsintensief dan zelf recensies schrijven. Maar het ging Iens niet alleen om efficiency. Iens: “Het ging mij om de massa. Hoe meer recensies, hoe beter het beeld is dat je krijgt.” Door de enorme hoeveelheid ontwikkelde Iens gewoon betere kritieken. Tegelijk democratiseerde ze de restaurantkritiek.

En de professionals? “Het idee dat iedereen een mening heeft, vonden koks in het begin eng.” Pas later beseften de koks dat het publiek genereus was en dat veel restaurants en ook doodgewone café’s hoog scoorden. Smaken verschillen, keukens verschillen, criteria verschillen, reacties lokken reacties uit, keukens passen zich aan, resultaat: er ontwikkelt zich een gevarieerde eetcultuur in de stad. Echter, sommige koks, zoals Ron Blaauw, volhardden in hun protest. Iens nu: “Ik wil ook koks ruimte geven.” Ze mogen voortaan direct reageren op recensies. “Het gaat er mij om dat jij blij uit eten gaat en dat de kok de gasten krijgt waar hij op zit te wachten.” De moraal van dit verhaal? Vervang koks door stedenbouwkundigen en restaurants door wijken en buurten en je krijgt een proces dat leidt tot een betere stadsontwikkeling: interactief, adaptief, pluriform, democratisch, met meer kwaliteit. Hoe simpel kan het zijn.

Tagged with:
 

My Ideal City

On 12 december 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Skills in a Complex World’ (2013) van faculteit Architectuur van TUe:

Verrassende oogst in het recente masterprogramma Architectuur van de Technische Universiteit Eindhoven: ‘Skills in a Complex World’. De studenten die aan het masterprogramma deelnamen constateren dat de groei van steden onvermijdelijk doorzet. Van de 86 steden met meer dan een miljoen inwoners in 1950 ging de wereld naar 550 miljoenensteden in 2004. De komende jaren zullen er nog vele bijkomen. Informele stedenbouw wordt het dominante patroon. “People and also architects focus on STARchitecture instead of the real problem of unstoppable informal growth.” De studenten probeerden, anders dan hun voorgangers, van de informele stedenbouw maximaal te leren. “We were inspired by the fact that problems in these areas get solved in collaborative and innovative new ways, and decided that our skills as an architect can be derived from this way of handling with the biggest urban problem in the world.” Vandaar hun analyse van bottom-up strategieën in Zuid-Amerikaanse steden: in Chili, Brazilië, Colombia en Venezuela.

Aansprekend vond ik het voorbeeld van ‘downtown Bogotà’. Traditionele topdown-strategieën werken hier niet meer. Dat blijkt uit het feit dat burgemeesters in de Colombiaanse hoofdstad hun termijn niet afmaken en al na gemiddeld drie jaar het veld ruimen. Ook de corruptie tiert er welig. Rodrigo Nino begon daarom een website ‘My Ideal City’. Hierop konden mensen hun ideeën ten aanzien van de stad van de toekomst met elkaar delen. Ook een radioprogramma besteedde zendtijd aan het ideeënfestival. Uit de veelheid van inzichten ontwikkelde Nino projecten als de revitalisering van het stadscentrum, waar bijna geen mensen meer wonen en dus ook geen grootstedelijke voorzieningen meer zijn. Gesuggereerd werd om hier studentenwoningen te introduceren als eerste stap. Bogotà kent 33 universiteiten met in totaal een miljoen studenten, vrijwel alle bevinden zich in de binnenstad. Het bouwprogramma werd samen met de bevolking ontwikkeld. Op dit moment worden twee woontorens gebouwd, met elk 66 verdiepingen en 114.348 m2. Er komen een winkelcentrum, een congresruimte, een hotel, parkeergarages en heel veel wonen. Alles met crowdsourcing gefinancierd. Conclusie van de studenten: “To bring the information about city planning to the community the information flows have to change. Don’t keep the information on the office desks but create a platform where the community can be interactively involved.”

Tagged with:
 

Beste idee van Amsterdam

On 27 november 2013, in participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Spui25 te Amsterdam op 25 november 2013:

Las gisteren op de website van het Center for Urban Studies van de Universiteit van Amsterdam een blog van de Belgische hoogleraar Eric Swyngedouw over Amsterdam. Swyngedouw vindt Amsterdam maar saai en duf geworden. Ik herkende me er totaal niet in. Uitgerekend diezelfde maandagavond organiseerden studenten van de UvA in Spui25 een bijeenkomst over ‘Het beste idee van Amsterdam’. Het waren alle ideeën die Amsterdam mooier, beter en leuker maken: de Ton Ton Club op de Wallen, de buurtcamping in Oost, het pilot-podium op het Waterlandplein in Noord en buurtruilmiddel Makkies in de Indische Buurt in Oost. Zomaar wat ideeën. Of nee, het betrof hele concrete buurtinitiatieven die ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Elk kreeg tien minuten om zich voor te stellen. Welk idee ontroerde de zaal het meest? Welk buurtinitiatief stemde ons het vrolijkst? Tot een echte uitverkiezing kwam het niet. Wel ontstond een mooi gesprek tussen de zaal en de sprekers, de studenten en de zaal en de zaal en de commentator. De verrassende vragen waren heel divers, vaak praktisch, zakelijk, maar soms ook persoonlijk van aard. Nee, het was een hele bijzondere avond.

Opvallend in alle gepresenteerde ideeën was de mengeling van zakelijkheid en onschuldig idealisme. Weliswaar was steeds sprake van ondernemerschap, maar het commerciële leek allerminst voorop te staan: de initiatiefnemers deden telkens iets terug voor de buurt. Veel ideeën waren creatief, grensden aan kunst, er sprak speelsheid uit, humor ook, en een professionele achtergrond viel nergens meer te bespeuren. Sterker, de ideeën en de uitwerking ervan bleken juist samen met buurtbewoners ‘van onderop’ ontwikkeld en de lokale overheid was steeds ergens op de achtergrond, als steun in de rug, aanwezig. Alles was tijdelijk, experimenteel, sociaal en op samenwerking gericht. Vandaar ook de ontroering in de zaal. Het was zelfs zo mooi dat de ouderen in het publiek de gepresenteerde ideeën, vertelden ze, herinnerden aan de ’seventies’, aan de unieke provo-tijd, toen in Amsterdam alles kon en niets te dol was. Toen Erik Swyngedouw nog jong was en in Amsterdam studeerde.

Tagged with:
 

Dubai aan de Donau

On 30 oktober 2013, in infrastructuur, participatie, by Zef Hemel

Gezien in Belgrado op 26 oktober 2013:

De informele nederzetting die we bezochten bevond zich in het zuidoosten van Belgrado. Zo’n vijftienduizend mensen hadden er illegaal hun eigen huis gebouwd, ze waren verstoken van publieke infrastructuur als scholen, parken, sport en medische voorzieningen. Het patroon is als dat van de zogenaamde ‘gecekondu’s’ in Istanboel: informele steden op heuvels rond de Turkse metropool waar migranten uit de provincie neerstrijken, alle bestaande uit dicht opeengepakte zelfgebouwde huizen. Ook in Belgrado is dit tegenwoordig de dominante verstedelijkingsvorm. Aan de overkant had het gemeentelijke grondbedrijf haastig een al even grote wijk uit de grond gestampt, overwegend bestaande uit hoogbouwflats, maar ook daar ontbraken de voorzieningen en de architectuur was er veel poverder dan aan deze kant van het dal. Later die dag bezochten we andere plekken waar overheidsinmenging schitterde door afwezigheid en waar zelfredzaamheid van burgers domineerde. Het betrof een co-working space in de prostitutiezone nabij het station, een creatieve uitgaanszone achter het station aan het water en een participatief kunstproject op een oude boot op de rivier, daar even verderop.

Alle projecten betroffen burgerinitiatieven: de creatieve co-working space werd gesponsord door het lokale bedrijfsleven en probeerde gentrification in de verwaarloosde buurt op gang te brengen, de uitgaanszone was afgedwongen – of eigenlijk bezet – en uiteindelijk tijdelijk aan een groep creatieven uitgegeven, in afwachting van de grote transformatie na de verplaatsing van het kopstation, het kunstproject was van de Sloveense kunstenares Marjetica Potrc die op de geleende boot in de buurt een zomer lang participatieve evenementen organiseerde. Het viel me op dat de lokale overheid bij al deze initiatieven ontbrak en eigenlijk ook node werd gemist. Die was vooral bezig met het grote en kostbare infrastructurele project van de verplaatsing van het kopstation en beloofde haar burgers op termijn een soort Dubai aan de Donau. Ondertussen gebeurde er niets. Geen van de mensen die wij spraken geloofde in dat sprookje. Wanja, die ons rondleidde en met wie we die middag lunchten, haalde op een gegeven moment de koning van Nederland aan. Had die zijn landgenoten niet een ‘participatiesamenleving’ in het vooruitzicht gesteld? Dat leek hem veel beter.

Tagged with:
 

#Nieuwe Wibaut

On 24 september 2013, in openbare ruimte, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gezien in Castrum Peregrini in Amsterdam op 22 september 2013:

Afgelopen zondag deelgenomen aan slotsymposium over ‘Tussen-ruimte’ in Castrum Peregrini aan de Herengracht, Amsterdam. Tussen-ruimte was een project van Yarrik Ouburg in de Amsterdamse grachtengordel. Met dit project wilde deze architect een discussie aanzwengelen over het Unesco-monument: is er met al die beschermingsmaatregelen nog wel ruimte voor het ongeplande experiment? Ouburg had in de planmatig uitgelegde stad van 400 jaar geleden toch nog meer dan vijftig stegen ontdekt die daar volgens de plannenmakers eigenlijk helemaal niet hadden mogen komen. Noem het planningsfouten van destijds. Sloppen en stegen werden bij de aanleg van de Amsterdamse grachtengordel als een teken gezien van armoede, gebrekkige hygiëne en ondoordachte planning. Voor Ouburg zijn de stegen juist spannende tussenruimten in een veel te planmatig aangelegde stad. Kunstenaars waren door hem gevraagd om voor verschillende stegen kunstwerken te maken. Zelf had hij een smalle steeg ingericht tussen de panden Herengracht 127 en 129. In Castrum Peregrini aan de Herengracht kon men het geheel bewonderen in een fraaie, bescheiden tentoonstelling.

Wat me het meeste trof waren niet die stegen, maar de werkwijze die Ouburg had gevolgd. Via de zoektocht naar de tussenruimten in de geplande stad was deze jonge architect in gesprek geraakt met de bewoners van de grachtengordel. Die hadden zich door zijn inventarisatie gerealiseerd dat hun steeg of slop een bijzondere ruimte is, die op vele manieren kan worden gebruikt. Deuren en hekken gingen open, een gesprek ontstond over de buurt, kunstenaars werden in de restruimten toegelaten, evenementen mochten worden georganiseerd. In plaats van een gemeentelijk stegenplan was hier een kunstenaar aan het werk die aan de betekenisgeving van stegen en sloppen bijdroeg, een boeiend verhaal vertelde, historisch onderzoek deed, de bewoners activeerde, initiatieven uitlokte, mensen op inspirerende wijze samenbracht en gesprekken over de toekomst van de buurt faciliteerde. Na zes weken programmeren en openstellen – een programma met bijna geen budget – is nu de vraag hoe dit inspirerende proces verder gebracht kan worden. Ook dat ligt helemaal open. Wat een fraai prototype van een nieuwe, open planologische werkwijze! Zou een gemeente voortaan niet net zo kunnen werken?

Tagged with:
 

Stadsstraat

On 3 september 2013, in innovatie, participatie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 2 september 2013:

De korte film over ‘Ik geef om de Jan Eef’ – titel: ‘Ik heb je lief’ – was ontroerend. We zagen hem aan het begin van de eerste editie van De Nieuwe Wibaut, een praktijkleergang van de gemeente Amsterdam. In de nieuwe leergang krijgen tachtig ambtenaren de kans om in alle vrijheid, samen met burgers en ondernemers, in kort tijdsbestek allerlei ruimtelijk-maatschappelijke vraagstukken in Amsterdam op te lossen. Niet door het zelf te doen, maar door de droom mogelijk te maken. Daarbij worden nieuwe manieren van werken beproefd: van onderop, van buiten naar binnen, optimistisch, positief, in lichte regie, door samenwerking. Het is Planologie Nieuwe Stijl. Geef om de Jan Eef is binnen de leergang een van de opdrachtgevers. Trouwens, de meeste opdrachtgevers zijn privaat: Inbo, MidWest, Glamourmanifest, Tolhuistuin, De Waag Society, Hogeschool van Amsterdam, en dus ook Geef om de Jan Eef. Publiek en privaat helpen elkaar.

‘Ik geef om de Jan Eef’ is een initiatief van een aantal buurtbewoners in De Baarsjes, die in het geweer zijn gekomen na de verschrikkelijke moord op juwelier Fred Hund in de Jan Evertsenstraat, oktober 2010. Ze besloten allerlei bijzondere activiteiten van zowel winkeliers als bewoners op touw te zetten om de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de buurt te verbeteren, zoals een markt op het Mercatorplein. Jeroen Jonkers vertelde er onderhoudend over. Zoals over de komst van een nieuwe kaasboer in de straat die Bulgaar bleek te zijn. Aanvankelijke onrust sloeg al snel om in grote kooplust: buurtbewoners kochten z’n hele zaak leeg. Na drie jaar rijst de vraag hoe dit initiatief van burgers, ondernemers en vrijwilligers – een bijzondere democratische ervaring – structureel kan worden gemaakt: hoe gezamenlijk langjarig zorg te dragen voor de verdere opleving van de buurt. Een coöperatie? Doorgaan als vereniging? Een nieuw platform kan professioneel, commercieel of toch maar helemaal publiek worden gemaakt. Daarvoor een prototype ontwikkelen en ook testen en evalueren kan voor meer buurten met winkelstraten in Nederland straks een oplossing zijn.

Tagged with: