Metropolitaan communisme

On 25 november 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 21 november 2014:

LIN, Finn Geipel + Giulia Andi

De economie van Groot-Parijs is bijna even groot als die van Nederland: 610 miljard euro versus 660 miljard euro. Groot-Parijs telt 10 miljoen inwoners, ons land bijna het dubbele. Per hoofd van de bevolking presteert Groot-Parijs  economisch dus veel beter dan Nederland. Dat hoeft niet te verbazen. Een enkele grote stad is nu eenmaal economisch veel krachtiger dan een samenraapsel van kleine steden. Het is een keuze. Toch bestaat Groot-Parijs voor tachtig procent uit platteland. En het is, net als in Nederland, overwegend vruchtbaar bouwland. Ondertussen groeit Parijs jaarlijks met 50.000 nieuwe inwoners. Dat vertelde Bertrand Lemoine, historicus-ingenieur, tevens oud-directeur van het Atelier du Grand Paris. Hij gaf een introductie op Grand Paris tijdens de conferentie ‘La Ville du Futur’ in La Defense, hij benadrukte het multipolaire karakter binnen de metropoolvorming en problematiseerde het grootstedelijke bestuur.

De groei van Parijs, aldus Lemoine, vindt niet meer plaats in de periferie. Die metropolitane periferie is daar liefst 1000 kilometer lang, maar onder de mensen is die zone weinig geliefd. Hij noemde de politiek van groeikernen rond Parijs mislukt. De contrasten binnen Groot-Parijs zijn erg groot en groeien. In het centrum zijn de grondprijzen extreem; ook het westen doet het veel beter dan het noorden of het oosten. In het centrum wil iedereen wonen, maar het lukt niet om aan deze marktvraag te voldoen. Parijs moet verder verdichten. Dat doet ze ook. Maar te langzaam. De nieuwe, kostbare metrosystemen met hun 70 nieuwe stations moeten hierin uitkomst gaan bieden. Later sprak nog de wethouder Ruimtelijke Ordening van Parijs, Jean-Louis Missika. Hij gaf de oplossing voor het nijpende probleem: niet zozeer meer bouwen, want dat lukt toch niet, maar huizen delen, kamers delen, voorzieningen delen, leven in kleinere ruimtes met minder spullen, het past volgens hem in de nieuwe vorm van delen en samenwerken – metropolitaan ‘communisme’ – die over ons spoelt.

Tagged with:
 

Stadsambassade

On 24 november 2014, in bestuur, economie, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord in La Defense, Parijs op 20 en 21 november 2014:

Door de ambassades van Nederland in Parijs en die van Frankrijk in Den Haag was er afgelopen week een grote tweedaagse conferentie over de toekomst van de stad belegd in Parijs, in het CNIT. Het Nuffic in Den Haag had bovendien ruim dertig jonge getalenteerde studenten en PhD’s uit verschillende universiteitssteden in de twee landen uitgenodigd om deel te nemen. Deze jonge mensen kwamen uit Lille, Lyon, Marseille, Bordeaux, Parijs, Eindhoven, Nijmegen, Enschede, Utrecht, Leiden, Amsterdam. In werkelijkheid bleken veel studenten en afgestudeerden afkomstig uit Italië, Pakistan, Palestina, Marokko, Canada, China enzovoort, want zo zit de wereld tegenwoordig in elkaar. Een pre-conferentie op de donderdagochtend maakte de gemoederen onder de jonge talenten los. Wat die grootstedelijke toekomst betreft, die bleek vooral ‘smart‘. Want het Smart City-spook waart rond, ook door Europa.

De aanleiding: in januari had de Franse president Hollande een bezoek gebracht aan ons land. Korte tijd later was premier Manuel Valls in zijn voetspoor getreden. In Amsterdam hadden ze afgesproken om de inhoudelijke samenwerking tussen de twee landen te intensiveren. De conferentie was er het resultaat van, met de beide ambassades fungerend als een soort ‘stadsambassade’. Wat er uit kwam? In zes workshops wisselden de steden hun ervaringen bij het implementeren van slimme technologieën uit, Parijs en Amsterdam voorop. De beide keynote sprekers Dirk-Jan van den Berg, voorzitter van het College van Bestuur van de TU Delft (over AMS), en Remy Dorval, directeur van Fabrique de la Cité, noemden de toekomst van onze steden als het belangrijkste onderwerp op de actuele beleidsagenda. Natiestaten, aldus de twee, zullen de steden alle ruimte moeten geven om de wereld te redden, want de eerste is allang niet meer het handelende niveau. En in de steden, voegden de deelnemers daaraan toe, zijn het de burgers die daar een beslissende invloed moeten krijgen. Niemand die dit tegensprak.

Tagged with:
 

Peri-urbaan

On 22 augustus 2014, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 16 augustus 2014:

06-carte.jpg 

Deze zomer verscheen van de hand van Peter Giesen een interessant artikel over ‘een volksverhuizing’ die zich zou voltrekken in Frankrijk: "het noorden raakt ontvolkt, het zuiden trekt nieuwkomers met werk en welvaart." Giesen baseerde zich op een artikel in Les Echos, het onderzoek zelf dateert echter al van 2010 en is dus vier jaar oud. In ‘L’Attractivité Résidentielle des Aglommérations Françaises’ schilderen Hervé Alexandre, Francois Cusin en Claire Juillard van Dauphine Universiteit in Parijs een geografisch beeld van snel toenemende contrasten tussen regio’s. Steden in het noorden verliezen bevolking, die het zuiden en zuidwesten winnen bevolking. Toulouse, Rennes en Bordeaux zijn winnaars, steden als Lille (met majeure investeringen als Euralille om het tij te keren), Le Havre en Mulhouse de grote verliezers. Zelfs Parijs krimpt licht. Steden rondom Parijs – Orléans, Compiègne, Chartres en Reims – doen het nog slechter. Giesen: "Het zuiden is ook voor Fransen een aantrekkelijk lifestyle-concept. In de Midi lijkt het leven lichter dan in de regen van de Vogezen of de smog van Parijs: mooi weer, lekker eten, de zee, de bergen." Voor zijn reportage trekt de journalist naar Toulouse om er de sfeer te proeven. Het is er, schrijft hij, competitief, maar ook ontspannen. Heerlijk vakantienieuws. Maar het klopt niet helemaal.

Alexandre, Cusin en Juillard zijn genuanceerder in hun conclusies. Veel binnenlandse migratie in Frankrijk komt neer op peri-urbane ontwikkelingen: gezinnen en welvarende burgers trekken naar de uiterste randen van de steden. Tegelijk constateren de onderzoekers een renaissance van de binnensteden. Het verlies is daar beperkt. Hoe het zit. Zestig procent van de Fransen woont in stedelijke gebieden. Van deze stedelingen woont 8 procent in de kerngemeente, 60 procent op het omringende platteland, 33 procent is peri-urbaan. Voor Frankrijk als geheel: 28 procent in de steden zelf, 32 procent suburbaan, 22 procent peri-urbaan en 18 procent landelijk. De werkelijke trend in de Franse ontwikkeling is die van de peri-urbanisatie. Industriële steden worden lelijk gevonden en lijden daarom het sterkst onder deze trend. De pre-industriële steden in het zuiden en zuidwesten hebben er minder last van. Er is dus geen sprake van een ‘volksverhuizing’. De migratie is een regionale. Mensen verlaten de minst aantrekkelijke stedelijke gebieden om daarbuiten te wonen, de aantrekkelijke hebben daar minder last van. Daarover wordt in Frankrijk op dit moment een hevig debat gevoerd; dat debat gaat over het dichtslibben van het mooie Franse platteland met lelijke, uniforme laagbouw. Hetzelfde verschijnsel zien we in Nederland. De OECD wees er onlangs nog op: “While urban expansion is a normal response to economic development and population growth, uncontrolled expansion characterised by low density, segregated land use and insufficient infrastructure is in many cities counteracting the potential benefits of urbanisation”

Tagged with:
 

Normaal

On 9 juli 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Influence of Bike Share Systems on Cycling Behavior’ van Seth Lowe:

Deze week studeerde de Amerikaanse planoloog Seth Lowe af aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar fietsdeelsystemen in een aantal grote steden. Marco te Brömmelstroet was zijn begeleider. De gehanteerde systemen in Parijs, Rome, Melbourne en Barcelona vergeleek Lowe met elkaar. Alle vier ‘bike share systems’ vormen derde generatie-deelsystemen die door GPS-technieken voldoende vandalismebestendig zijn. De oudste zijn die van Parijs en Barcelona (2007), de jongste is die van Melbourne, Australië (2010). In zijn onderzoek richtte hij zich met name op de karakteristieken van de gebruikte fietsen. De steden koos hij om verschillende fietstypen te evalueren. Welk fiets wordt door de meeste gebruikers geprefereerd? Bijna tweehonderd personen in de vier steden interviewde hij, die hij eenvoudig kon bereiken via Facebook en Twitter. Aansluitend interviewde hij nog achttien fietsreparatiewinkels en fietsexperts in de vier steden. Wat bleek? Vrijwel iedereen wil het liefste een gewone stadsfiets van het Nederlandse type. Dat was opmerkelijk, want veel partijen meenden dat deelfietsen ultramodern en juist sportief moeten zijn.

Toch is het logisch. In het algemeen bleek dat gebruikers van de fietsdeelsystemen vooral willen dat fietsen als activiteit in hun eigen stad gewoon, normaal, wordt. Lowe: "that respondents want to seem as ‘normal’ als possible." Sterker, hun diepste verlangen is dat via de fietsdeelsystemen steeds meer mensen, net als zij, zullen gaan fietsen en dat niemand meer opkijkt als ze een fietser tegenkomen in het verkeer. Afwijkend fietsgedrag en uitgesproken fietsuitrusting (helmen) worden daarom ook niet gewaardeerd. Men wil geen subcultuur of sekte lijken. "There was a general consensus that the bikes used in different systems should stand out and be identifiable but in a tasteful way that represents the city." De geïnterviewden in alle vier steden verkozen het type fiets dat gebruikt wordt in Rome boven alle andere. Dat is overigens het fietstype in het slechtst presterende fietsdeelsysteem van alle vier steden, al schijnt Turijn, waar hetzelfde type fiets wordt gebruikt, wèl succesvol te zijn.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Placemaking

On 19 juni 2014, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gehoord op 18 juni 2013 in Amsterdam:

 

Fred Kent was in Amsterdam. Ik ontmoette hem in Bodega Keijzer, Van Baerlestraat. Twee dagen lang leidde de New Yorker een workshop op het Museumplein, Amsterdam. De bedenker van placemaking-strategieën probeerde met betrokkenen het Museumplein tot leven te wekken, omwonenden te betrekken, activiteiten op gang te brengen, net zoals hij ooit Bryant Park op Manhattan, New York, tot leven heeft gewekt. Want placemaking is ontwerpen van de openbare ruimte samen met gebruikers. Kent’s presentatie gisterochtend was erg goed, nee indrukwekkend. We moeten onze openbare ruimte heel anders inrichten, zei hij, we moeten haar niet meer ontwerpen, maar programmeren en activeren. Omwonenden, voegde hij eraan toe, hebben geweldige ideeën, dus gebruik ze, werk ermee. Het gaat sneller, is goedkoper, werkt lichter. De programmering van de openbare ruimte, zei hij, is belangrijker dan de vorm. De benadering die Kent volgt dient vele doelen, is holistisch, stimulerend, duurzaam, sociaal, open. ‘Placemaking’ maakt mensen blij, ze vormen gemeenschappen, tonen zich actief, zijn betrokken.

We spraken met name over Parijs, over oud-burgemeester Delanoë en de veranderingen die hij in het stadsbeeld heeft gebracht. Hij had het allemaal al vroeg begrepen. Met ‘Paris Plage’ had hij de wegen langs de Seine verkeersvrij gemaakt, waardoor mensen zich de openbare ruimte weer konden toe-eigenen; hierdoor werden wandelen en fietsen opnieuw geïntroduceerd in de binnenstad. Het resultaat is dat de Dienst Infrastructuur van de gemeente Parijs nu het wandelen heeft omarmd, de snelheden op de autowegen omlaag heeft gebracht, tientallen kruisingen als ’shared space’ heeft aangemerkt. Kent toonde zich hierover erg enthousiast. Er is geen weg meer terug, zei hij, steden die dit niet begrijpen zullen achterblijven. Stockholm dan, vroeg iemand? Die stad loopt toch voorop? Stockholm, repliceerde hij, is nog lang niet zover, want hoewel de stad zich afficheert als ‘walkable city’ tonen de ambtenaren zich er nog steeds arrogant, betweterig. ‘Place Making’ is nu eenmaal radicaal: alle principes worden erdoor omgedraaid. De stad – de stedelijke ruimte – is van de mensen, niet van het verkeer, de ambtenaren, de ontwerpers of de politie. Hij knikte me toe: “Does this make sense to you?”

Tagged with:
 

Altijd weer Parijs

On 17 juni 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 januari 2014:

‘Capital in the 21st Century’ van Thomas Piketty is een verpletterend succes, althans in het Westen. Vorige week noemde Ewald Engelen in De Correspondent de Franse historicus-econoom een ‘nuttige idioot’. Volkomen onverwacht werd zijn boek, dat al een tijdje op de planken lag, opgepikt door de media en door haar bestempeld tot de erfopvolger van niet minder dan ‘Das Kapital’. Piketty die de alarmerende boodschap bracht dat de ongelijkheid in de wereld weer sterk groeit, schreef, net als Marx, vanuit het revolutionaire Parijs. En net als Marx deed hij jarenlang stoffig onderzoek in bibliotheken en archieven. Lange tijdreeksen vanaf de Franse Revolutie maken duidelijk dat kapitaal zich ophoopt en dat rente op gestapeld kapitaal beter rendeert dan hard werken. Mensen brengen deze boodschap van Piketty in verband met de verdwijnende middenklasse en met de robotisering van de diensteneconomie. Iedereen ruikt en hunkert nu naar revolutie, lijkt het wel. Ach, altijd maar weer Parijs.

Wat is de Gini-coëfficiënt van Frankrijk? Voor aftrek van belastingen is dat 0,5 – vergelijkbaar met de VS. Na aftrek daalt hij naar 0,3; dat is lager dan de 0,38 van de VS. Een Gini-coëfficiënt van 1 staat voor totale ongelijkheid, bij een score van 0 is sprake van totale gelijkheid. Middenmoter is Frankrijk dus. In de VS stijgt de Gini coëfficiënt weliswaar, maar wereldwijd daalt hij juist. Daalt hij? Jawel, door de opkomst van een nieuwe mondiale middenklasse is het mondiale ongelijkheidscijfer gedaald. Dan hebben we het over de 200 miljoen Chinezen, de 90 miljoen Indiërs en nog enkele tientallen miljoenen Brazilianen en Indonesiërs, Singaporezen, Taiwanezen, Koreanen, Russen die door de razendsnelle verstedelijking meer zijn gaan verdienen. De gelijkheid in de wereld groeit. Economen echter kijken naar landen, niet naar steden, en dan vooral naar het Westen. Ze analyseren niet ruimtelijk, maar met spreadsheets. Maartje Somers, correspondent van NRC, schreef het al: “Zo ziet de wereld er dus uit. Hij wordt snel rijker – behalve voor de allerarmsten en voor Europeanen. Hij wordt, heel voorzichtig, een heel klein beetje gelijker.” Parijs als uitvalsbasis voor de nieuwe Marx is, kortom, misschien niet goed gekozen. Het Westen – met name Europa – raakt achterop. Dat wel. Het hemd is nader dan de rok.

Tagged with:
 

Fijnstof

On 18 maart 2014, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 14 maart 2014:

Niet alleen in de Nederlandse steden worden verkiezingen gehouden. Het stemmen gebeurt binnenkort ook in Parijs. Twee recente berichten over de Franse hoofdstad: ‘Gratis openbaar vervoer Parijs na extreme luchtvervuiling’ en ‘De nieuwe burgemeester wordt zeker een vrouw’. Om met het laatste te beginnen: in de strijd om het burgemeesterschap van Parijs strijden vooral twee vrouwen. Het zijn Nathalie Kosciusko-Morizot  alias NKM (40) en Anne Hidalgo (54). De ene is oud-milieuminister, de ander socialistische wethouder van Parijs. Anders dan in Nederland draait de verkiezingsstrijd in Parijs om echte grote kwesties: woningnood, veiligheid en verkeerscongestie. Hidalgo lijkt te gaan winnen. Ondertussen kampt Parijs met de ergste luchtvervuiling ooit. Door het zonnige weer, de warme dagen en de koude nachten met weinig wind is de hoeveelheid fijnstofdeeltjes in de lucht boven Parijs tot levensgevaarlijke proporties toegenomen. Boosdoener zijn vooral de auto’s met hun dieselmotoren. Al enige jaren voert Parijs een streng beleid om auto’s uit de stad te weren. Naar nu blijkt tevergeefs.

Zittend burgemeester Delanoë en zijn wethouder Hidalgo hebben afgelopen week het deelfietsensysteem ‘Vélib’ gratis gemaakt. Ook het elektrische programma ‘Autolib’ is tijdelijk kosteloos voor de bewoners. Op de Périphérique – de rondweg om Parijs – is de maximum snelheid verlaagd naar 60 kilometer per uur. Voorts kunnen de inwoners van Groot-Parijs drie dagen lang gratis gebruik maken van alle openbaar vervoer. Want minder dan de helft van de Parijzenaars heeft een auto: het zijn de forensen van buiten die de stad belagen met hun met dieselmotoren gewapende voertuigen. Het zijn drastische maatregelen, maar ze geven aan wat de autoriteiten eigenlijk zouden moeten doen om de lucht boven miljoenenstad Parijs schoon te krijgen: het autoverkeer nog veel drastischer terugdringen, het fietsen actiever bevorderen en het openbaar vervoer meer stimuleren door het (bijna) kosteloos te maken. Hun maatregelen tot nog toe schoten te kort. Het vraagstuk van de schone lucht zal zeker de inzet worden van de lokale verkiezingsstrijd. Wie er gaat winnen weten we niet. Dat een vrouw het schone werk zal moeten doen is wel duidelijk. Alles draait om duurzaamheid. En het gebeurt dus in metropolen.

Tagged with:
 

Mondriaan

On 13 maart 2014, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 31 januari 2014:

Op een gegeven moment ging Piet Mondriaan, geboren in Amersfoort, abstract schilderen. Wanneer precies? En waar? Het kubisme van Mondriaan is onderwerp van een tentoonstelling in het Gemeentemuseum te Den Haag. Uit de recensies van de tentoonstelling maak ik op dat Mondriaan voor het eerst kubistische schilderijen zag in Amsterdam, eind 1911, op de bovenverdieping van het Stedelijk Museum, toen daar de Amsterdamse Moderne Kunstkring een tentoonstelling aan Franse moderne meesters wijdde. "Eerst was er een tentoonstelling in de Amsterdamse Moderne Kunstkring. Daar zag hij het werk van de peetvader van het kubisme, Cézanne, en de kroonprinsen, Picasso en Braque. Vervolgens was er een reis naar Parijs. Daar bezocht hij de Salon des Indépendants. Tenslotte, in 1912, verliet Mondriaan Amsterdam en verloofde en vestigde zich voor onbepaalde tijd in datzelfde Parijs." Eerst Amsterdam dus, toen Parijs.

In ‘Mondriaan. Tekeningen’ (1981) lees ik dat de schilderwijze van Mondriaan al eind 1910 een belangrijke wijziging onderging; de gehele organisatie van het vlak wordt dan belangrijk. Eind 1911 was er inderdaad de tentoonstelling in Amsterdam, die ook werk van zijn hand bevatte en die hij mede hielp organiseren. De oprichters van de Moderne Kunstkring wilden een Amsterdamse internationale salon maken naar het voorbeeld van de Parijse Salon d’Automne. Kort daarvoor exposeerde Mondriaan een doek van zijn hand in Parijs op de Salon des Indépendants, en begin 1912, direct na de tentoonstelling in Amsterdam, verhuisde hij naar de Franse hoofdstad. Voor onbepaalde tijd? Nee hoor. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verliet hij ijlings weer Parijs en woonde en werkte hij in Domburg, in Laren, waar hij Bart van der Leck leerde kennen, en vooral in Amsterdam. In 1915 ontmoette hij daar de luidruchtige Theo van Doesburg, die in de Johannes Verhulststraat woonde. Zijn echte abstracte werken schilderde hij vanaf 1917, om ze in 1919 in Amsterdam te exposeren. Pas in juni 1919 keerde hij weer terug naar Parijs. Over die cruciale Amsterdamse jaren van Mondriaan was onlangs in het Amsterdam Museum een fraaie tentoonstelling te zien. Toch heet de tentoonstelling in het Haagse Gemeentemuseum ‘Mondriaan en het kubisme: Parijs 1912-1914′.

Tagged with:
 

Stedelijke democratie

On 3 februari 2014, in bestuur, geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

In haar biografie van Karl Marx vormt de Parijse Commune van 1871 een soort hoogtepunt. Op 1 maart waren de Pruisen de stad binnengetrokken na een maandenlange belegering, als definitieve overwinnaars. De Franse keizer Napoleon III – uitlokker van de oorlog – was daarop gevlucht. Parijs ging vervolgens ondergronds, om zich, na een maandenlange hongertijd, op de strijd voor te bereiden. Op 26 maart kiezen de inwoners hun eigen regering. Ruim tweehonderdduizend inwoners verzamelen zich de volgende dag voor het stadhuis om hun nieuwe, democratisch gekozen bestuur toe te juichen. Daar klinkt het: ‘Vive la Commune!’. De Franse regering verschool zich ondertussen in Bordeaux. Die proclameerde begin maart herstelbetalingen aan de Pruisische schuldeiser, waarvoor ze de uitgeputte Parijse bevolking keihard aansloeg. In die gemoedstoestand koos deze dus haar eigen regering.

Op 1 april opent de Franse regering het vuur op de burgers van Parijs. Parijs slaat terug. Gabriel omschrijft de Commune die vanaf 3 april volgt als één groot carnaval. Begin mei is het weer schitterend; terwijl op de achtergrond kanongebulder klinkt, eten en drinken de Parijzenaars op de Place de la Bastille een week lang hun buiken vol. Op 16 mei organiseert de schilder Gustave Courbet, lid van de door Parijs zelfgekozen regering, op het zonovergoten Place Vendome een groot feest; daar wordt het standbeeld van Napoleon met zuil en al van zijn sokkel getrokken. Op 21 mei volgt een groot concert in de Tuileries waaraan duizenden gewone mensen deelnemen. Die avond echter trekken de Franse regeringstroepen de metropool binnen en openen het vuur. Vijf dagen lang woedt er een burgeroorlog. Het Parijs van Haussmann staat in lichterlaaie. Het experiment van het Parijse zelfbestuur wordt in de kiem gesmoord. Marx, die het Commune experiment aanvankelijk maar foolish vond, raakte allengs enthousiaster. Ofschoon het nog ver afstond van zijn ‘dictatuur van het proletariaat’, zag hij in Parijs een stad die zichzelf voor het eerst werkelijk democratisch, van onderop, bestuurde. Terwijl ik de Commune altijd had vereenzelvigd met een bloedige strijd, blijkt ze zelf in werkelijkheid een vroege oefening in lokale democratie die echter nog geen twee maanden duurde.

Tagged with: