Groeistuipen van Parijs

On 22 maart 2017, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Parisians. An Adventure History of Paris’ (2010) van Graham Robb:

Afbeeldingsresultaat voor parisians robb

Bijzonder boek gelezen over Parijs. Echt een aanrader. In twintig hoofdstukken beschrijft de Brit Graham Robb de veelbewogen geschiedenis van Parijs aan de hand van een hele reeks ooggetuigenverslagen, hij put uit de levens van Napoleon, Marie-Antoinette, de boevenvanger Vidocq, de fotograaf Marville en stedenbouwer Haussmann, de vrouw van Emile Zola, de schrijver Proust, de schurk Hitler, de presidenten De Gaulle, Pompidou, Mitterand en Giscard, maar ook gewone jongens als Sarko, Buma en Zyed. Mooi is hoe hij Haussmann neerzet als opdrachtgever van de fotograaf Marville, die alle delen van Parijs die Haussmann gaat afbreken eerst moet vereeuwigen. Op de foto’s herkende de stedenbouwer het werk van zijn voorganger Rambuteau, met zijn zuinige stijl. Parijs, dat honderdvijftig jaar later een vijfde van het elektriciteitsverbruik van heel Frankrijk voor zijn rekening neemt en dat twee hoogspanningsringen kent met een sterk verschillende voltage – een op 24 kilometer van het centrum verwijderd, de ander op een afstand van 16 kilometer –, voert zijn elektriciteit naar wisselstations als die van Clichy, waar 20.000 volt wordt omgezet naar lagere voltages. Hier verschuilen Bouna en Zyed zich op een avond in 2005 voor de politie. Al snel worden ze omsingeld. Om half zes ‘s gaan ze het wisselstation binnen. Om 12 minuten over zes heft een van de jongens zijn armen ten hemel. Is het ongeduld of wanhoop? Op dat moment slaat de vlam in het verdeelstation.

Hierna beschrijft Robb de gebeurtenissen in de Parijse banlieus in het jaar 2005. Begin november werd de hoofdstad omsingeld door een ware brandhaard van opstanden. De minister van Binnenlandse Zaken sprak van extreem geweld dat zelden eerder in Frankrijk was vertoond. Maar volgens Robb wisten de betrokkenen wel beter. Misschien, zo schrijft hij, zullen de onlusten in de buitenwijken van Parijs, net als eerdere revoltes, worden gezien als de geboorteweeën van een nieuwe metropool. Immers, sinds de vroege Middeleeuwen groeit de stad heftig, bij vlagen, keer op keer. Groter en groter werd ze. Inmiddels bestrijkt ze al het gehele stroomdal van de Seine. Elke nieuwe vloedgolf lijkt de stad te vernietigen, maar elke keer weer herrijst een nieuw Parijs uit haar as. Een volgende generatie moet de stad opnieuw gaan ontdekken. Deze kinderen uit Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Europa zijn óók Parijzenaren, ze zijn de allenieuwste. “The racaille were marking their tribal territories in that great grey mass of buildings between wooded massif of Meudon and the plains of the Beauce and the Brie.”

Tagged with:
 

Try the Frogs

On 13 maart 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in The Independent van 21 februari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor try the frogs paris brexit

 

Geen metropool doet harder zijn best om te profiteren van Brexit dan Parijs. De Franse hoofdstad wil zoveel mogelijk hooggekwalificeerde banen uit Londen aantrekken en zo alsnog een mondiaal financieel centrum worden. Ze profiteert daarbij van haar grootstedelijke omvang (8 miljoen inwoners, Île-de-France zelfs 12 miljoen) en haar geringe afstand tot Londen, een nabijheid die nog kracht wordt bijgezet door de hogesnelheidsverbinding tussen de twee metropolen. Op 21 februari berichtte de Britse zakenkrant The Independent dat Parijs een nieuw wapen in de strijd gooit: vóór 2021 belooft de stad zeven wolkenkrabbers te zullen bouwen in La Défense, het zakencentrum van Parijs. Ze zullen hoger zijn dan alle torens die de afgelopen veertig jaar in Parijs zijn gebouwd. De aankondiging werd gedaan door presidentskandidaat Macron, de voormalige minister van Economische Zaken in de regering Hollande, tijdens zijn recente campagnebezoek aan Londen, waar zeker 200.000 Fransen wonen. Het blijkt te gaan om één Franse ontwikkelaar, Defacto, die 375.000 vierkante meter kantoorvloer wil realiseren in La Défense en die met Brexit de kans schoon ziet om een aantrekkelijke nieuwe klantenkring aan te boren. Opmerkelijk is het wel: juist Parijs is altijd wars geweest van hoogbouw en heeft na realisatie van de Tour Montparnasse in 1973 eigenlijk nooit meer echte hoge torens durven bouwen.

Het blijkt te gaan om Trinity, Alto, M2, Hekla, Sisters, Air 2 and Hermitage: zeven torens die La Défense een nieuwe impuls moeten geven en die hoger zijn dan de limiet van 180 meter. Niet de geringste architecten worden daarvoor ingezet, zoals Foster, Portzamparc en Jean Nouvel. Wat niet wil zeggen dat hier echt iets spectaculairs staat te gebeuren. Alle torens zien er even obligaat uit. Waren ze iets lager gedimensioneerd, dan hadden ze ook op de Zuidas kunnen staan. Het zijn er overigens niet zeven, maar negen. De slogan van La Défense is: ‘Tired of the Fog? Try the Frogs!’ Anders gezegd, de Fransen roepen de Britten op de mist van Londen te verlaten en een Franse kikker op het vasteland te proberen. Het punt is alleen dat kikkers alle kanten uitspringen. Omdat zeer hoogwaardige dienstverlening als mondiaal opererende banken en andere financiële instellingen extreem hoge eisen stellen aan hun omgeving, zullen ze dicht bij elkaar neerstrijken, in één fantastische metropool. Of dat Parijs wordt is nog maar de vraag. Het Franse belastingtarief is veel te hoog. Maar Amsterdam en Frankfurt zijn weer veel te klein. Amsterdam moet eerst internationale scholen bouwen, zelfs aan woningen is een schrikbarend gebrek. Europese steden zullen hooguit back-offices van de zakenbanken krijgen. New York, Shanghai of Singapore trekken aan het langste eind. En Amsterdam? Nieuwe torens op de Zuidas beloven speelt überhaupt geen rol in de Nederlandse verkiezingscampagne.

Tagged with:
 

Winnen of verliezen

On 5 september 2016, in economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 16 juli 2016:

Afbeeldingsresultaat voor new headquarters lego

Het is opletten geblazen. Wie niet de trends volgt is verloren. In The Economist afgelopen zomer meldde Schumpeter dat ‘de monding van de culturele rivier is verlegd van New York en Los Angeles naar San Francisco’. Dat stelde althans Chris Dixon, CIO van een venture capital-onderneming in Silicon Valley. Van het observeren van wat slimme jonge mensen in het weekend doen heeft hij zijn beroep gemaakt. De bankier werd trendwatcher. Op deze manier denkt hij uit te kunnen maken wat over tien jaar de dominante beweging zal zijn. Veel van zijn observaties hebben betrekking op voedsel en gadgets. Maar dus ook de beweging van de ene stad naar de andere stad. In hetzelfde nummer van het Londense zakenblad wordt door een andere redacteur opgemerkt dat alle grote en succesvolle firma’s in de wereld – Lego, Airbus, Google, Apple, Siemens, Adidas, Amazon – dure nieuwe hoofdkantoren bouwen. Al die kantoren hebben één ding gemeen: met hun architectuur en inrichting willen ze creatieve, jonge techies behagen. Vooral in Europa, waar de beroepsbevolking snel veroudert, is het zaak om jong talent aan zich te binden, dus gebouwen en interieurs moeten frisheid, openheid en innovatie uitstralen.

Veel van die nieuwe hoofdkantoren in Europa bevinden zich overigens op het platteland: Lego bouwt in Jutland, Airbus ontwikkelt buiten Toulouse, Adidas spendeert 500 miljoen euro in de bossen rond Herzogenaurach. Terecht stelt The Economist de vraag of die ruimtelijke strategie houdbaar is. Amazon heeft zich in het hart van Seattle genesteld, Google en Apple bevinden zich in San Francisco Bay Area. “For European firms in out-of-the-way company towns such as Billund or Herzogenaurach, it might be hard to compete, however appealing the minigolf course.” Die waarschuwende woorden las ik ook in een politieke analyse aan de vooravond van de Franse presidentsverkiezingen rond de figuur van Emmanuel Macron, minister van Economische Zaken. Opvallend in het Franse landschap is de scherpe scheiding tussen succesvolle kosmopolitische steden als Parijs, Lyon, Grenoble en Bordeaux, met hun aangename voetgangersgebieden, tech hubs en voedselhallen, en kwijnende industriesteden met hun gokhallen, parkeerterreinen en leegstaande winkelstraten. Politici die, net als CEO’s van topondernemingen, willen blijven groeien, zullen zich op de eerste categorie moeten richten, niet op de tweede. Ze zullen de grote, trendy stad in hun armen moeten sluiten. Doen ze dat niet, dan zullen ze uiteindelijk verliezen.

Tagged with:
 

Optimistische eeuw

On 24 augustus 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen tijdens de zomervakantie van 2016:

Vijf boeken gelezen deze vakantie, waaronder Moby-Dick van Herman Melville (een boek dat na 160 jaar nog altijd zeer de moeite waard is) en ‘Het zwarte boek’ van Ohran Pamuk uit 1990; twee boeken sprongen er echter uit: ‘De begraafplaats van Praag’ (2011) van Umberto Eco en ’The Children’s Book’ (2009) van A.S. Byatt. Is het toeval? Beide zijn ongeveer even dik, allebei beschrijven ze de toestand op het einde van de negentiende eeuw in Europa, de Italiaan Eco vanuit Parijs, de Britse Byatt vanuit Londen. Beide werpen een duister licht op de geschiedenis. Eco loopt met zijn ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ vooruit op de shoah in de Tweede Wereldoorlog, Byatt laat haar jonge romanfiguren sneuvelen in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. The Children’s Book opent met de restanten van de Wereldtentoonstelling van 1851, de grootscheepse plannen voor uitbreiding van de museumgebouwen in South Kensington en de erfenis van koningin Victoria. Toch doen zich dan al willekeurige aanslagen voor, zoals de moord op de Franse president Carnot en op generaal Mesentsev. “De volwassenen herinnerden zich de stroom aanslagen van tien jaar geleden – op regeringsgebouwen, het kantoor van The Times, metrostations, spoorwegstations, Scotland Yard, Nelson’s Column, London Bridge, het Lagerhuis, de Tower zelfs.” Allemaal herkenbaar en opnieuw actueel.

En dan het bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900, een gigantisch project dat 600 hectare besloeg en 120 miljoen franc had gekost.  Hoogtepunt waren de twaalf meter lange dynamo’s die het terrein en de omgeving ‘s avonds verlichtten. “In het Paleis van de Elektriciteit waren overal waarschuwingen te lezen. Grand Danger de Mort. Het was geen verscheurende, vermorzelende dood. Een onzichtbare dood, deel van een onzichtbaar aandrijvende kracht, de nieuwigheid van de nieuwe eeuw.” Elektriciteit dus. Niets daarover in Eco’s meesterwerk. Hoofdpersoon Simonini– een Italiaan – leeft in ballingschap in Parijs. Baron Haussmann had bijna de hele stad gesloopt en opnieuw opgetrokken, de Pruisische bezetter was amper vertrokken. Over de Fransen oordeelt Simonini allerminst licht. “Ze zijn slecht. Ze doden uit verveling. Frankrijk is de enige natie waarvan de onderdanen jarenlang bezig zijn geweest elkaar de kop af te hakken.” Dat negatieve beeld wordt door racisme alleen maar erger, trouwens ook belichaamd in de hoofdpersoon. Volgens Eco was het pure hysterie, ontketend door de triomf van wetenschap en technologie. In een interview zei hij: “Dit is een boek dat je aan het einde van je leven schrijft, niet aan het begin. Het is wanhopig, vol scepsis. Een testament voor mijn kleinkinderen: heb geen vertrouwen in de mens.” Op 19 februari 2016 overleed de schrijver.

Tagged with:
 

Blijven leven

On 4 augustus 2016, in literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 25 juni 2016:

Gaat u deze zomer naar Parijs, haast u dan naar Palais de Tokyo. Daar is een tentoonstelling te zien van de Franse schrijver Michel Houellebecq. In ‘Rester vivant’ toont Houellebecq foto’s, installaties en objecten verzameld in een aantal zalen van dit museum voor moderne kunst rond al zijn favoriete thema’s – vervreemding, toerisme, het platteland, seks. U ziet karakterloze flats, desolate winkelcentra, saaie voorsteden en troosteloze buitenwijken zonder smaak of opsmuk. Het is het Frankrijk waar de meeste Fransen wonen. Daarnaast is er het lege Franse platteland. Dat is een tijdloos land dat nog zal bestaan als de mens verdwenen is. Want de mensheid zal uiteindelijk verdwijnen. Maar zover is het nog niet. Eerst nog zullen de mensen proberen alles te verpesten. Peter Giesen schreef er in De Volkskrant van 25 juni 2016 een mooi stukje over. Daarin wees hij op het saillante feit dat Houellebecq zelf opgroeide in een buitenwijk zonder eigen gezicht: Marne-la-Vallée, in de buurt van Disneyland Parijs, het Almere van Frankrijk. In al zijn boeken keert de essentie van het leven in de troosteloze buitenwijk terug. “Het idee dat het individualisme niet of nauwelijks bestaat is extreem in mij aanwezig,” verklaart de auteur in de catalogus.

Ik moest eraan denken toen ik het proefschrift-in-wording van Ivan Nio las. Stadssocioloog Nio onderzocht het alledaagse leven in drie nieuwe steden in Noordwest-Europa: Milton Keynes (bij Londen), Almere (bij Amsterdam) en Cergy-Pontoise (bij Parijs).  In zijn studie doet hij er alles aan om het leven van de gewone man in de nieuwe steden positief te waarderen, waarbij hij zijn hoop vestigt op, wat hij noemt, ‘suburbane stedelijkheid’. Nee, dan het hilarische ‘De kaart en het gebied’ (2011) van Houellebecq. De vader van hoofdpersoon Jed Martin is architect, maar wilde eigenlijk kunstenaar worden. In zijn jeugd was het functionalisme van Le Corbusier en Mies van der Rohe dominant. “Alle nieuwe steden, alle wijken die in de jaren 50 en 60 rond Parijs zijn gebouwd, vertonen hun invloed.” Volgens de functionalisten moest de mensheid zich beperken tot afgebakende woonmodules midden in de natuur, die daar in geen geval door mocht veranderen. “Het is de visie van een brute, totalitaire geest, gedreven door een intense hang naar lelijkheid; maar zijn visie heeft toch de hele twintigste eeuw lang de overhand gehad.” Het recente werk van Martin, zelf succesvol kunstenaar, is een volstrekt andere: dat betreft een nostalgische bespiegeling over het einde van het industriële tijdperk in Europa. Cergy-Pontoise en al die andere nieuwe steden doen de kunstenaar denken aan “die aandoenlijke Playmobil-poppetjes, verdwaald in een abstracte, onmetelijke futuristische stad die zelf verbrokkelt en vergaat, tot hij uiteindelijk uiteen lijkt te vallen in de plantaardige onmetelijkheid, die zich uitstrekt zover het oog reikt.” Geen medelijden met de buitenwijken.

Tagged with:
 

Elephant Cities

On 20 maart 2016, in duurzaamheid, Geen categorie, wetenschap, by Zef Hemel

Read in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) of Jane Jacobs:

At the Pakhuis de Zwijger meeting of last Friday, Nikki Brand and Jaap-Evert Abrahamse criticized my ‘plan’ for doubling the size of Amsterdam. Sure, I have to admit, I did not respond to their anxiety Amsterdam will turn into an ‘elephant city’ by letting it grow from one million inhabitants into two million within thirty years from now. By calling the enlarged Amsterdam an elephant city, they referred to Jane Jacobs, who wrote in ‘Cities and the Wealth of Nations’ that elephant cities are the result of faulty feedback systems. Her theory was that some cities would profit more from the national currency and get the right feedback, while other cities don’t. Paris, London, Sydney and Toronto are all one brain-stem breathing centers: so-called elephant cities. “Whichever city in a nation happens to be contributing most heavily to the international export trade is apt to be the city whose needs are best served by the national currency.” As far as small countries are concerned, she wrote, this was not really a problem – think of Finland (Helsinki), Sweden (Stockholm), Norway (Oslo) or Denmark (Copenhagen) –, but in big nations most cities will become inert and provincial because they get less feedback. How lucky we are, the Low Countries with our Ring City!

Amsterdam becoming an elephant city? Since the introduction of the euro in 2000 there is no Dutch currency any more, so Amsterdam cannot be or become an elephant city that is profiting exceedingly from the currency system. Two: a city of 2 million in a small country of 17 million people should not be disquieting. Three: it’s only normal that there is one city the biggest in the national city-ranking, and according to the rank-size rule the biggest has double the size of the second biggest city. In every country in the world this Zipf’s Law holds. Only in the Netherlands, Amsterdam is just a tiny bit bigger than Rotterdam, which is abnormal. Four: In the future the Dutch pattern will resemble more the Danish, Norwegian, Swedish and Finnish pattern, which is one of the city-state. Nothing wrong with that. And five: Jane Jacobs wrote she had just presented a hypothesis, so her theorising might be false. But she was right in pointing at the fact that elephant city-region patterns create miserable resentments and exacerbate bitterness or hatreds. The doubling of Amsterdam will not go unnoticed. By the way, what’s wrong with elephants? Wanna know more about Zipf’s Law? Read ‘A Tale of Many Cities’ of Edward Glaeser: http://economix.blogs.nytimes.com/2010/04/20/a-tale-of-many-cities/?_r=0

Tagged with:
 

Criminal Campus

On 14 januari 2015, in politiek, sociaal, by Zef Hemel

Source: The Guardian of 12 January 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Just another word on Paris and on the significance of proximity. Earlier I wrote about La Grande Borne, the sad residential suburb of Grigny where all three protagonists from Charlie the drama grew up and spent their troubled youth. The actual encounter between the young men however did not take place there but in prison. To be precise: in Fleury-Mérogis, located in the south of Paris. In The Guardian I read an article about this prison, the biggest one in Europe. The men’s department alone holds 3,800 offenders. The complex is 180 acres big, dates from the 60s and used to be considered as a model prison. When the three were imprisoned, the penitentiary was in decay and had become a center of violence, drug abuse and suicide. The Guardian, quoting a report of the International Observatory of Prisons, wrote: "Space in overcrowded cells was less than animals were afforded usually." The jail was a social dustbin. Already in 2008, detainees smuggled video recordings out to show the world how bad the conditions were. In this prison the boys came in contact with Djamel Beghal, the terrorist who brought them on the trail of Islamic fundamentalism. The prison is not only a social dustbin, but also and above all a campus for criminal intelligence. The form of the prison actually seems a bit like the new Google campus in Silicon Valley.

I recalled an essay by the Dutch architectural historian Vincent van Rossem, published in the Yearbook of Dutch Architecture from 1990 to 1991. Title of his discourse: "Architecture and punishment; a tough love.” Van Rossem responded to the massive building boom in the Dutch prison system, conducted by the then Government Building Department on the whim of the government. Everywhere across the country new penitentiaries appeared. How the hell could you review this kind of architecture? Van Rossem predicted doom. With so many detainees in close proximity, there is only more misery to come. I understood that in the coming years many prisons in the Netherlands will close their ports. People worry about job losses. But shouldn’t we be happy instead? The less prisons, the better. Much harm may already be done. In the coming years, we still expect many unpleasant surprises. At this time, Fleury-Mérogis is being refurbished. For Amédy Coulibaly, Saïd and Chérif Kouachi however this comes too late.

Tagged with:
 

Criminele campus

On 14 januari 2015, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 12 januari 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Nog even over Parijs. En over de betekenis van nabijheid. Eerder schreef ik over La Grande Borne, de treurige woonwijk in voorstad Grigny waar alle drie hoofdrolspelers in het Charlie-drama opgroeiden en hun beroerde jeugd doorbrachten. De daadwerkelijke ontmoeting tussen de jonge mannen vond echter niet daar plaats, maar in de gevangenis. Om precies te zijn: in Fleury-Mérogis, ten zuiden van Parijs. In The Guardian las ik een beschrijving van deze allergrootste gevangenis van Europa. Alleen al de mannenafdeling telt 3800 delinquenten. Het terrein is 180 hectare groot. Het complex dateert uit de jaren ‘60 en was destijds een modelgevangenis. Toen de drie er gevangen zaten was hij verloederd en verworden tot een centrum van geweld, drugsmisbruik en zelfmoord. The Guardian, een rapport citerend van de International Observatory of Prisons, schreef: “Space in overcrowded cells was less than animals were usually afforded.” De gevangenis was een ‘sociale vuilnisbak’ (social dustbin). Al in 2008 werden door gevangenen video-opnamen naar buiten gesmokkeld om te laten zien hoe beroerd de omstandigheden waren. Hier kwamen de jongens in contact met Djamel Beghal, de terrorist die hen op het spoor bracht van het islamitische fundamentalisme. De gevangenis is dus niet alleen een sociale afvalbak, maar ook en vooral een campus voor criminele intelligentie. De vorm lijkt zowaar ook een beetje op die van de nieuwe Google campus in Silicon Valley.

Ik moest terugdenken aan een essay van architectuurhistoricus Vincent van Rossem, ooit verschenen in het Jaarboek Architectuur van 1990-1991. Titel van zijn betoog: ‘Architectuur en straf; een moeizame liefde’. Van Rossem reageerde op de enorme bouwwoede in het Nederlandse gevangeniswezen, uitgevoerd door de toenmalige Rijksgebouwendienst, op last van de regering. Overal in het land verschenen nieuwe penitentiaire inrichtingen. Hoe moest je in godsnaam dit soort architectuur recenseren? Van Rossem voorspelde veel onheil. Zoveel misdaad op een kluitje, daar kan alleen ellende van komen. Ik begreep dat de komende jaren veel gevangenissen in Nederland hun poorten weer zullen sluiten. Mensen maken zich druk over verlies van werkgelegenheid. Maar moeten we niet juist blij zijn? Hoe minder gevangenissen, hoe beter. Veel kwaad is misschien al geschied. De komende jaren wachten ons nog vele onplezierige verrassingen. Op dit moment wordt Fleury-Mérogis trouwens opgeknapt. Voor Amédy Coulibaly en Saïd en Chérif Kouachi komt het te laat.

Tagged with:
 

Beter dan verdichten?

On 13 januari 2015, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le plus grand Paris’ (1970) van Jean Vaujour:

La Grande borne à Grigny (Essonne), quartier classé

Afgelopen zondag stonden we zowaar op Place de la République, Parijs, machteloos te staren naar de immense menigte in zwart geklede Parijzenaars. De moord op zeventien Fransen was toen amper 24 uur achter de rug. Alle aandacht van de pers ging uit naar het beroemde stadscentrum, de boulevards tussen Nation en République en het grote plein zelf. Anderhalf miljoen Fransen verenigd in het centrale consumptieparadijs om de eenheid te bevestigen en het leed met elkaar te delen. ‘s Avonds weer thuis in Amsterdam las ik de kranten er op na. In Het Parool zag ik een grote luchtfoto van banlieu Pantin, Bobigny, óók Parijs. De kop: ‘Hier kon radicalisme groeien.’ Het bijbehorende artikel van de hand van Tobias den Hartog schetst de uitzichtloosheid van Pantin, in het bijzonder van La Grande Borne, waar de broers, tevens daders Kouachi en ook Coulibaly opgroeiden. Pantin: het is één lange strip van kille flats. “De Parijse grandeur is lichtjaren verwijderd.”

Tijdens mijn studie, eind jaren zeventig, was uitgerekend La Grande Borne de bestemming van menig planologische excursie. Deze toentertijd spiksplinternieuwe woonwijk in de nieuwe stad Grigny ten zuiden van Parijs was een toonbeeld van stedenbouwkundig vernuft, met ranke torens en gebogen, felgekleurde woonblokken in een uitgestrekt grastapijt. Een soort Almere. De frisse wijk, ontworpen door Emile Aillaud, liep over van de goede bedoelingen. Over Bobigny: “L’objectif poursuivi c’est de créer des ensembles compacts, ayant une structure solide, composés des élements-supports d’une vie sociale complete.” De planologische oplossing van toen – een nieuwe stad, in lage dichtheid gebouwd, met collectieve openbare ruimtes, dominante sociale woningbouw, ontsluiting per trein – achtte men veel beter dan de grote stad Parijs zelf verdichten. Jean Vaujour schreef destijds: “Cette politique est beaucoup plus apte a protéger la vocation des cités traditionelles que le ‘laisser-faire’ qui aboutirait tot ou tard a les enserrer dans une immense banlieu parisienne sans vie propre et sans beauté.” Hoe onnozel heeft men kunnen zijn.

Tagged with:
 

Metropolitaan communisme

On 25 november 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 21 november 2014:

LIN, Finn Geipel + Giulia Andi

De economie van Groot-Parijs is bijna even groot als die van Nederland: 610 miljard euro versus 660 miljard euro. Groot-Parijs telt 10 miljoen inwoners, ons land bijna het dubbele. Per hoofd van de bevolking presteert Groot-Parijs  economisch dus veel beter dan Nederland. Dat hoeft niet te verbazen. Een enkele grote stad is nu eenmaal economisch veel krachtiger dan een samenraapsel van kleine steden. Het is een keuze. Toch bestaat Groot-Parijs voor tachtig procent uit platteland. En het is, net als in Nederland, overwegend vruchtbaar bouwland. Ondertussen groeit Parijs jaarlijks met 50.000 nieuwe inwoners. Dat vertelde Bertrand Lemoine, historicus-ingenieur, tevens oud-directeur van het Atelier du Grand Paris. Hij gaf een introductie op Grand Paris tijdens de conferentie ‘La Ville du Futur’ in La Defense, hij benadrukte het multipolaire karakter binnen de metropoolvorming en problematiseerde het grootstedelijke bestuur.

De groei van Parijs, aldus Lemoine, vindt niet meer plaats in de periferie. Die metropolitane periferie is daar liefst 1000 kilometer lang, maar onder de mensen is die zone weinig geliefd. Hij noemde de politiek van groeikernen rond Parijs mislukt. De contrasten binnen Groot-Parijs zijn erg groot en groeien. In het centrum zijn de grondprijzen extreem; ook het westen doet het veel beter dan het noorden of het oosten. In het centrum wil iedereen wonen, maar het lukt niet om aan deze marktvraag te voldoen. Parijs moet verder verdichten. Dat doet ze ook. Maar te langzaam. De nieuwe, kostbare metrosystemen met hun 70 nieuwe stations moeten hierin uitkomst gaan bieden. Later sprak nog de wethouder Ruimtelijke Ordening van Parijs, Jean-Louis Missika. Hij gaf de oplossing voor het nijpende probleem: niet zozeer meer bouwen, want dat lukt toch niet, maar huizen delen, kamers delen, voorzieningen delen, leven in kleinere ruimtes met minder spullen, het past volgens hem in de nieuwe vorm van delen en samenwerken – metropolitaan ‘communisme’ – die over ons spoelt.

Tagged with: