Criminal Campus

On 14 januari 2015, in politiek, sociaal, by Zef Hemel

Source: The Guardian of 12 January 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Just another word on Paris and on the significance of proximity. Earlier I wrote about La Grande Borne, the sad residential suburb of Grigny where all three protagonists from Charlie the drama grew up and spent their troubled youth. The actual encounter between the young men however did not take place there but in prison. To be precise: in Fleury-Mérogis, located in the south of Paris. In The Guardian I read an article about this prison, the biggest one in Europe. The men’s department alone holds 3,800 offenders. The complex is 180 acres big, dates from the 60s and used to be considered as a model prison. When the three were imprisoned, the penitentiary was in decay and had become a center of violence, drug abuse and suicide. The Guardian, quoting a report of the International Observatory of Prisons, wrote: "Space in overcrowded cells was less than animals were afforded usually." The jail was a social dustbin. Already in 2008, detainees smuggled video recordings out to show the world how bad the conditions were. In this prison the boys came in contact with Djamel Beghal, the terrorist who brought them on the trail of Islamic fundamentalism. The prison is not only a social dustbin, but also and above all a campus for criminal intelligence. The form of the prison actually seems a bit like the new Google campus in Silicon Valley.

I recalled an essay by the Dutch architectural historian Vincent van Rossem, published in the Yearbook of Dutch Architecture from 1990 to 1991. Title of his discourse: "Architecture and punishment; a tough love.” Van Rossem responded to the massive building boom in the Dutch prison system, conducted by the then Government Building Department on the whim of the government. Everywhere across the country new penitentiaries appeared. How the hell could you review this kind of architecture? Van Rossem predicted doom. With so many detainees in close proximity, there is only more misery to come. I understood that in the coming years many prisons in the Netherlands will close their ports. People worry about job losses. But shouldn’t we be happy instead? The less prisons, the better. Much harm may already be done. In the coming years, we still expect many unpleasant surprises. At this time, Fleury-Mérogis is being refurbished. For Amédy Coulibaly, Saïd and Chérif Kouachi however this comes too late.

Tagged with:
 

Criminele campus

On 14 januari 2015, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 12 januari 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Nog even over Parijs. En over de betekenis van nabijheid. Eerder schreef ik over La Grande Borne, de treurige woonwijk in voorstad Grigny waar alle drie hoofdrolspelers in het Charlie-drama opgroeiden en hun beroerde jeugd doorbrachten. De daadwerkelijke ontmoeting tussen de jonge mannen vond echter niet daar plaats, maar in de gevangenis. Om precies te zijn: in Fleury-Mérogis, ten zuiden van Parijs. In The Guardian las ik een beschrijving van deze allergrootste gevangenis van Europa. Alleen al de mannenafdeling telt 3800 delinquenten. Het terrein is 180 hectare groot. Het complex dateert uit de jaren ‘60 en was destijds een modelgevangenis. Toen de drie er gevangen zaten was hij verloederd en verworden tot een centrum van geweld, drugsmisbruik en zelfmoord. The Guardian, een rapport citerend van de International Observatory of Prisons, schreef: “Space in overcrowded cells was less than animals were usually afforded.” De gevangenis was een ‘sociale vuilnisbak’ (social dustbin). Al in 2008 werden door gevangenen video-opnamen naar buiten gesmokkeld om te laten zien hoe beroerd de omstandigheden waren. Hier kwamen de jongens in contact met Djamel Beghal, de terrorist die hen op het spoor bracht van het islamitische fundamentalisme. De gevangenis is dus niet alleen een sociale afvalbak, maar ook en vooral een campus voor criminele intelligentie. De vorm lijkt zowaar ook een beetje op die van de nieuwe Google campus in Silicon Valley.

Ik moest terugdenken aan een essay van architectuurhistoricus Vincent van Rossem, ooit verschenen in het Jaarboek Architectuur van 1990-1991. Titel van zijn betoog: ‘Architectuur en straf; een moeizame liefde’. Van Rossem reageerde op de enorme bouwwoede in het Nederlandse gevangeniswezen, uitgevoerd door de toenmalige Rijksgebouwendienst, op last van de regering. Overal in het land verschenen nieuwe penitentiaire inrichtingen. Hoe moest je in godsnaam dit soort architectuur recenseren? Van Rossem voorspelde veel onheil. Zoveel misdaad op een kluitje, daar kan alleen ellende van komen. Ik begreep dat de komende jaren veel gevangenissen in Nederland hun poorten weer zullen sluiten. Mensen maken zich druk over verlies van werkgelegenheid. Maar moeten we niet juist blij zijn? Hoe minder gevangenissen, hoe beter. Veel kwaad is misschien al geschied. De komende jaren wachten ons nog vele onplezierige verrassingen. Op dit moment wordt Fleury-Mérogis trouwens opgeknapt. Voor Amédy Coulibaly en Saïd en Chérif Kouachi komt het te laat.

Tagged with:
 

Beter dan verdichten?

On 13 januari 2015, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le plus grand Paris’ (1970) van Jean Vaujour:

La Grande borne à Grigny (Essonne), quartier classé

Afgelopen zondag stonden we zowaar op Place de la République, Parijs, machteloos te staren naar de immense menigte in zwart geklede Parijzenaars. De moord op zeventien Fransen was toen amper 24 uur achter de rug. Alle aandacht van de pers ging uit naar het beroemde stadscentrum, de boulevards tussen Nation en République en het grote plein zelf. Anderhalf miljoen Fransen verenigd in het centrale consumptieparadijs om de eenheid te bevestigen en het leed met elkaar te delen. ‘s Avonds weer thuis in Amsterdam las ik de kranten er op na. In Het Parool zag ik een grote luchtfoto van banlieu Pantin, Bobigny, óók Parijs. De kop: ‘Hier kon radicalisme groeien.’ Het bijbehorende artikel van de hand van Tobias den Hartog schetst de uitzichtloosheid van Pantin, in het bijzonder van La Grande Borne, waar de broers, tevens daders Kouachi en ook Coulibaly opgroeiden. Pantin: het is één lange strip van kille flats. “De Parijse grandeur is lichtjaren verwijderd.”

Tijdens mijn studie, eind jaren zeventig, was uitgerekend La Grande Borne de bestemming van menig planologische excursie. Deze toentertijd spiksplinternieuwe woonwijk in de nieuwe stad Grigny ten zuiden van Parijs was een toonbeeld van stedenbouwkundig vernuft, met ranke torens en gebogen, felgekleurde woonblokken in een uitgestrekt grastapijt. Een soort Almere. De frisse wijk, ontworpen door Emile Aillaud, liep over van de goede bedoelingen. Over Bobigny: “L’objectif poursuivi c’est de créer des ensembles compacts, ayant une structure solide, composés des élements-supports d’une vie sociale complete.” De planologische oplossing van toen – een nieuwe stad, in lage dichtheid gebouwd, met collectieve openbare ruimtes, dominante sociale woningbouw, ontsluiting per trein – achtte men veel beter dan de grote stad Parijs zelf verdichten. Jean Vaujour schreef destijds: “Cette politique est beaucoup plus apte a protéger la vocation des cités traditionelles que le ‘laisser-faire’ qui aboutirait tot ou tard a les enserrer dans une immense banlieu parisienne sans vie propre et sans beauté.” Hoe onnozel heeft men kunnen zijn.

Tagged with:
 

Metropolitaan communisme

On 25 november 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 21 november 2014:

LIN, Finn Geipel + Giulia Andi

De economie van Groot-Parijs is bijna even groot als die van Nederland: 610 miljard euro versus 660 miljard euro. Groot-Parijs telt 10 miljoen inwoners, ons land bijna het dubbele. Per hoofd van de bevolking presteert Groot-Parijs  economisch dus veel beter dan Nederland. Dat hoeft niet te verbazen. Een enkele grote stad is nu eenmaal economisch veel krachtiger dan een samenraapsel van kleine steden. Het is een keuze. Toch bestaat Groot-Parijs voor tachtig procent uit platteland. En het is, net als in Nederland, overwegend vruchtbaar bouwland. Ondertussen groeit Parijs jaarlijks met 50.000 nieuwe inwoners. Dat vertelde Bertrand Lemoine, historicus-ingenieur, tevens oud-directeur van het Atelier du Grand Paris. Hij gaf een introductie op Grand Paris tijdens de conferentie ‘La Ville du Futur’ in La Defense, hij benadrukte het multipolaire karakter binnen de metropoolvorming en problematiseerde het grootstedelijke bestuur.

De groei van Parijs, aldus Lemoine, vindt niet meer plaats in de periferie. Die metropolitane periferie is daar liefst 1000 kilometer lang, maar onder de mensen is die zone weinig geliefd. Hij noemde de politiek van groeikernen rond Parijs mislukt. De contrasten binnen Groot-Parijs zijn erg groot en groeien. In het centrum zijn de grondprijzen extreem; ook het westen doet het veel beter dan het noorden of het oosten. In het centrum wil iedereen wonen, maar het lukt niet om aan deze marktvraag te voldoen. Parijs moet verder verdichten. Dat doet ze ook. Maar te langzaam. De nieuwe, kostbare metrosystemen met hun 70 nieuwe stations moeten hierin uitkomst gaan bieden. Later sprak nog de wethouder Ruimtelijke Ordening van Parijs, Jean-Louis Missika. Hij gaf de oplossing voor het nijpende probleem: niet zozeer meer bouwen, want dat lukt toch niet, maar huizen delen, kamers delen, voorzieningen delen, leven in kleinere ruimtes met minder spullen, het past volgens hem in de nieuwe vorm van delen en samenwerken – metropolitaan ‘communisme’ – die over ons spoelt.

Tagged with:
 

Stadsambassade

On 24 november 2014, in bestuur, economie, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord in La Defense, Parijs op 20 en 21 november 2014:

Door de ambassades van Nederland in Parijs en die van Frankrijk in Den Haag was er afgelopen week een grote tweedaagse conferentie over de toekomst van de stad belegd in Parijs, in het CNIT. Het Nuffic in Den Haag had bovendien ruim dertig jonge getalenteerde studenten en PhD’s uit verschillende universiteitssteden in de twee landen uitgenodigd om deel te nemen. Deze jonge mensen kwamen uit Lille, Lyon, Marseille, Bordeaux, Parijs, Eindhoven, Nijmegen, Enschede, Utrecht, Leiden, Amsterdam. In werkelijkheid bleken veel studenten en afgestudeerden afkomstig uit Italië, Pakistan, Palestina, Marokko, Canada, China enzovoort, want zo zit de wereld tegenwoordig in elkaar. Een pre-conferentie op de donderdagochtend maakte de gemoederen onder de jonge talenten los. Wat die grootstedelijke toekomst betreft, die bleek vooral ‘smart‘. Want het Smart City-spook waart rond, ook door Europa.

De aanleiding: in januari had de Franse president Hollande een bezoek gebracht aan ons land. Korte tijd later was premier Manuel Valls in zijn voetspoor getreden. In Amsterdam hadden ze afgesproken om de inhoudelijke samenwerking tussen de twee landen te intensiveren. De conferentie was er het resultaat van, met de beide ambassades fungerend als een soort ‘stadsambassade’. Wat er uit kwam? In zes workshops wisselden de steden hun ervaringen bij het implementeren van slimme technologieën uit, Parijs en Amsterdam voorop. De beide keynote sprekers Dirk-Jan van den Berg, voorzitter van het College van Bestuur van de TU Delft (over AMS), en Remy Dorval, directeur van Fabrique de la Cité, noemden de toekomst van onze steden als het belangrijkste onderwerp op de actuele beleidsagenda. Natiestaten, aldus de twee, zullen de steden alle ruimte moeten geven om de wereld te redden, want de eerste is allang niet meer het handelende niveau. En in de steden, voegden de deelnemers daaraan toe, zijn het de burgers die daar een beslissende invloed moeten krijgen. Niemand die dit tegensprak.

Tagged with:
 

Peri-urbaan

On 22 augustus 2014, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 16 augustus 2014:

06-carte.jpg 

Deze zomer verscheen van de hand van Peter Giesen een interessant artikel over ‘een volksverhuizing’ die zich zou voltrekken in Frankrijk: "het noorden raakt ontvolkt, het zuiden trekt nieuwkomers met werk en welvaart." Giesen baseerde zich op een artikel in Les Echos, het onderzoek zelf dateert echter al van 2010 en is dus vier jaar oud. In ‘L’Attractivité Résidentielle des Aglommérations Françaises’ schilderen Hervé Alexandre, Francois Cusin en Claire Juillard van Dauphine Universiteit in Parijs een geografisch beeld van snel toenemende contrasten tussen regio’s. Steden in het noorden verliezen bevolking, die het zuiden en zuidwesten winnen bevolking. Toulouse, Rennes en Bordeaux zijn winnaars, steden als Lille (met majeure investeringen als Euralille om het tij te keren), Le Havre en Mulhouse de grote verliezers. Zelfs Parijs krimpt licht. Steden rondom Parijs – Orléans, Compiègne, Chartres en Reims – doen het nog slechter. Giesen: "Het zuiden is ook voor Fransen een aantrekkelijk lifestyle-concept. In de Midi lijkt het leven lichter dan in de regen van de Vogezen of de smog van Parijs: mooi weer, lekker eten, de zee, de bergen." Voor zijn reportage trekt de journalist naar Toulouse om er de sfeer te proeven. Het is er, schrijft hij, competitief, maar ook ontspannen. Heerlijk vakantienieuws. Maar het klopt niet helemaal.

Alexandre, Cusin en Juillard zijn genuanceerder in hun conclusies. Veel binnenlandse migratie in Frankrijk komt neer op peri-urbane ontwikkelingen: gezinnen en welvarende burgers trekken naar de uiterste randen van de steden. Tegelijk constateren de onderzoekers een renaissance van de binnensteden. Het verlies is daar beperkt. Hoe het zit. Zestig procent van de Fransen woont in stedelijke gebieden. Van deze stedelingen woont 8 procent in de kerngemeente, 60 procent op het omringende platteland, 33 procent is peri-urbaan. Voor Frankrijk als geheel: 28 procent in de steden zelf, 32 procent suburbaan, 22 procent peri-urbaan en 18 procent landelijk. De werkelijke trend in de Franse ontwikkeling is die van de peri-urbanisatie. Industriële steden worden lelijk gevonden en lijden daarom het sterkst onder deze trend. De pre-industriële steden in het zuiden en zuidwesten hebben er minder last van. Er is dus geen sprake van een ‘volksverhuizing’. De migratie is een regionale. Mensen verlaten de minst aantrekkelijke stedelijke gebieden om daarbuiten te wonen, de aantrekkelijke hebben daar minder last van. Daarover wordt in Frankrijk op dit moment een hevig debat gevoerd; dat debat gaat over het dichtslibben van het mooie Franse platteland met lelijke, uniforme laagbouw. Hetzelfde verschijnsel zien we in Nederland. De OECD wees er onlangs nog op: “While urban expansion is a normal response to economic development and population growth, uncontrolled expansion characterised by low density, segregated land use and insufficient infrastructure is in many cities counteracting the potential benefits of urbanisation”

Tagged with:
 

Normaal

On 9 juli 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Influence of Bike Share Systems on Cycling Behavior’ van Seth Lowe:

Deze week studeerde de Amerikaanse planoloog Seth Lowe af aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar fietsdeelsystemen in een aantal grote steden. Marco te Brömmelstroet was zijn begeleider. De gehanteerde systemen in Parijs, Rome, Melbourne en Barcelona vergeleek Lowe met elkaar. Alle vier ‘bike share systems’ vormen derde generatie-deelsystemen die door GPS-technieken voldoende vandalismebestendig zijn. De oudste zijn die van Parijs en Barcelona (2007), de jongste is die van Melbourne, Australië (2010). In zijn onderzoek richtte hij zich met name op de karakteristieken van de gebruikte fietsen. De steden koos hij om verschillende fietstypen te evalueren. Welk fiets wordt door de meeste gebruikers geprefereerd? Bijna tweehonderd personen in de vier steden interviewde hij, die hij eenvoudig kon bereiken via Facebook en Twitter. Aansluitend interviewde hij nog achttien fietsreparatiewinkels en fietsexperts in de vier steden. Wat bleek? Vrijwel iedereen wil het liefste een gewone stadsfiets van het Nederlandse type. Dat was opmerkelijk, want veel partijen meenden dat deelfietsen ultramodern en juist sportief moeten zijn.

Toch is het logisch. In het algemeen bleek dat gebruikers van de fietsdeelsystemen vooral willen dat fietsen als activiteit in hun eigen stad gewoon, normaal, wordt. Lowe: "that respondents want to seem as ‘normal’ als possible." Sterker, hun diepste verlangen is dat via de fietsdeelsystemen steeds meer mensen, net als zij, zullen gaan fietsen en dat niemand meer opkijkt als ze een fietser tegenkomen in het verkeer. Afwijkend fietsgedrag en uitgesproken fietsuitrusting (helmen) worden daarom ook niet gewaardeerd. Men wil geen subcultuur of sekte lijken. "There was a general consensus that the bikes used in different systems should stand out and be identifiable but in a tasteful way that represents the city." De geïnterviewden in alle vier steden verkozen het type fiets dat gebruikt wordt in Rome boven alle andere. Dat is overigens het fietstype in het slechtst presterende fietsdeelsysteem van alle vier steden, al schijnt Turijn, waar hetzelfde type fiets wordt gebruikt, wèl succesvol te zijn.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Placemaking

On 19 juni 2014, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gehoord op 18 juni 2013 in Amsterdam:

 

Fred Kent was in Amsterdam. Ik ontmoette hem in Bodega Keijzer, Van Baerlestraat. Twee dagen lang leidde de New Yorker een workshop op het Museumplein, Amsterdam. De bedenker van placemaking-strategieën probeerde met betrokkenen het Museumplein tot leven te wekken, omwonenden te betrekken, activiteiten op gang te brengen, net zoals hij ooit Bryant Park op Manhattan, New York, tot leven heeft gewekt. Want placemaking is ontwerpen van de openbare ruimte samen met gebruikers. Kent’s presentatie gisterochtend was erg goed, nee indrukwekkend. We moeten onze openbare ruimte heel anders inrichten, zei hij, we moeten haar niet meer ontwerpen, maar programmeren en activeren. Omwonenden, voegde hij eraan toe, hebben geweldige ideeën, dus gebruik ze, werk ermee. Het gaat sneller, is goedkoper, werkt lichter. De programmering van de openbare ruimte, zei hij, is belangrijker dan de vorm. De benadering die Kent volgt dient vele doelen, is holistisch, stimulerend, duurzaam, sociaal, open. ‘Placemaking’ maakt mensen blij, ze vormen gemeenschappen, tonen zich actief, zijn betrokken.

We spraken met name over Parijs, over oud-burgemeester Delanoë en de veranderingen die hij in het stadsbeeld heeft gebracht. Hij had het allemaal al vroeg begrepen. Met ‘Paris Plage’ had hij de wegen langs de Seine verkeersvrij gemaakt, waardoor mensen zich de openbare ruimte weer konden toe-eigenen; hierdoor werden wandelen en fietsen opnieuw geïntroduceerd in de binnenstad. Het resultaat is dat de Dienst Infrastructuur van de gemeente Parijs nu het wandelen heeft omarmd, de snelheden op de autowegen omlaag heeft gebracht, tientallen kruisingen als ’shared space’ heeft aangemerkt. Kent toonde zich hierover erg enthousiast. Er is geen weg meer terug, zei hij, steden die dit niet begrijpen zullen achterblijven. Stockholm dan, vroeg iemand? Die stad loopt toch voorop? Stockholm, repliceerde hij, is nog lang niet zover, want hoewel de stad zich afficheert als ‘walkable city’ tonen de ambtenaren zich er nog steeds arrogant, betweterig. ‘Place Making’ is nu eenmaal radicaal: alle principes worden erdoor omgedraaid. De stad – de stedelijke ruimte – is van de mensen, niet van het verkeer, de ambtenaren, de ontwerpers of de politie. Hij knikte me toe: “Does this make sense to you?”

Tagged with:
 

Altijd weer Parijs

On 17 juni 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 januari 2014:

‘Capital in the 21st Century’ van Thomas Piketty is een verpletterend succes, althans in het Westen. Vorige week noemde Ewald Engelen in De Correspondent de Franse historicus-econoom een ‘nuttige idioot’. Volkomen onverwacht werd zijn boek, dat al een tijdje op de planken lag, opgepikt door de media en door haar bestempeld tot de erfopvolger van niet minder dan ‘Das Kapital’. Piketty die de alarmerende boodschap bracht dat de ongelijkheid in de wereld weer sterk groeit, schreef, net als Marx, vanuit het revolutionaire Parijs. En net als Marx deed hij jarenlang stoffig onderzoek in bibliotheken en archieven. Lange tijdreeksen vanaf de Franse Revolutie maken duidelijk dat kapitaal zich ophoopt en dat rente op gestapeld kapitaal beter rendeert dan hard werken. Mensen brengen deze boodschap van Piketty in verband met de verdwijnende middenklasse en met de robotisering van de diensteneconomie. Iedereen ruikt en hunkert nu naar revolutie, lijkt het wel. Ach, altijd maar weer Parijs.

Wat is de Gini-coëfficiënt van Frankrijk? Voor aftrek van belastingen is dat 0,5 – vergelijkbaar met de VS. Na aftrek daalt hij naar 0,3; dat is lager dan de 0,38 van de VS. Een Gini-coëfficiënt van 1 staat voor totale ongelijkheid, bij een score van 0 is sprake van totale gelijkheid. Middenmoter is Frankrijk dus. In de VS stijgt de Gini coëfficiënt weliswaar, maar wereldwijd daalt hij juist. Daalt hij? Jawel, door de opkomst van een nieuwe mondiale middenklasse is het mondiale ongelijkheidscijfer gedaald. Dan hebben we het over de 200 miljoen Chinezen, de 90 miljoen Indiërs en nog enkele tientallen miljoenen Brazilianen en Indonesiërs, Singaporezen, Taiwanezen, Koreanen, Russen die door de razendsnelle verstedelijking meer zijn gaan verdienen. De gelijkheid in de wereld groeit. Economen echter kijken naar landen, niet naar steden, en dan vooral naar het Westen. Ze analyseren niet ruimtelijk, maar met spreadsheets. Maartje Somers, correspondent van NRC, schreef het al: “Zo ziet de wereld er dus uit. Hij wordt snel rijker – behalve voor de allerarmsten en voor Europeanen. Hij wordt, heel voorzichtig, een heel klein beetje gelijker.” Parijs als uitvalsbasis voor de nieuwe Marx is, kortom, misschien niet goed gekozen. Het Westen – met name Europa – raakt achterop. Dat wel. Het hemd is nader dan de rok.

Tagged with: