Watersheds

On 21 april 2015, in water, by Zef Hemel

Gezien in het Queens Museum in New York op 7 april 2015:

bsQ_011215_qmtopomap_003

Wat we nog meer zagen in het gerenoveerde Queens Museum op Flushing Meadows: de tentoonstelling ‘From Watersheds to Faucets: The Marvel of New York City’s Water Supply System’. Kern van de tentoonstelling bleek een enorme 3D reliëf-maquette van het zuidelijke deel van de staat New York uit 1938 waarop het toenmalige drinkwatersysteem van New York City was afgebeeld. Ze was ooit gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1939 op Flushing Meadows om de grootse stedenbouwkundige werken van directeur Stadsontwikkeling Robert Moses te laten zien. Echter, toen hij klaar was bleek het paviljoen te klein, waardoor de maquette, groot 540 vierkante voet, nooit aan het grote publiek is getoond. De kosten bedroegen 1,5 miljoen dollar (prijspeil anno nu), maar waren dus weggegooid geld. Pas in 2008 werd hij weer ontdekt. De zevenentwintig delen zijn vervolgens stuk voor stuk nauwkeurig gerestaureerd. Het geheel zagen we, vijfenzeventig jaar na dato, dan eindelijk geëxposeerd. Een unieke ervaring.

Het grootste deel van het huidige drinkwatersysteem van New York City werd vanaf 1914 aangelegd. Naast het Old Croton Reservoir in Westchester County dat stamt uit 1842 besloot de miljoenenstad een tweede reservoir aan te leggen in de noordelijk gelegen bergen, waar een grote stuwdam op een afstand van 100 mijl van de stad het water sindsdien verzamelt: het nu honderd jaar oude Catskill System, vernoemd naar de Catskill Mountains. Vandaar wordt het door huizenhoge ondergrondse pijpleidingen naar de metropool getransporteerd. Daarmee is dit nog altijd het grootste ongefilterde oppervlaktewatersysteem ter wereld. Elke dag voorziet het de metropool van meer dan 1 miljard gallons drinkwater. Het ingenieuze systeem, begreep ik, is echter aan het einde van zijn levenscyclus gekomen en zal de komende jaren ingrijpend moeten worden vernieuwd. Om die noodzaak aan te tonen was niet alleen de historische maquette gerestaureerd, maar ook de tentoonstelling in het museum ingericht. Tot het toekomstgerichte programma behoort ook waterbesparing. Voor het eerst worden de inwoners van New York opgeroepen om minder water te gebruiken. Ook in the Big Aplle is de rek eruit.

Tagged with:
 

Integrated Urban University

On 18 april 2015, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 14 april 2014:


Een van de vele universiteiten die New York City telt is CUNY: City University of New York. CUNY is, anders dan Columbia, NYC of Cornell, een publieke universiteit. Men noemt haar ook wel ‘Havard of the poor people’. Anders dan de private universiteiten is de financiële drempel van CUNY laag en de toelating zeer coulant. Voor ruim 5.700 dollar per jaar kun je er gaan studeren. Meer dan 270.000 veelal arme studenten hebben zich ingeschreven aan 24 instituten verspreid over alle vijf boroughs van New York. Een kwart van de studenten is zwart, blank of hispanic, twintig procent is van aziatische komaf. CUNY was ooit een universiteit van de stad, maar werd in 1976 overgenomen door de staat New York, toen de stad failliet dreigde te gaan. In 2011 waren opnieuw studentenprotesten tegen een collegegeldverhoging van liefst 30 procent. We spraken Sharon Zukin, socioloog en docent aan CUNY, in een koffiehuis op Broadway schuin tegenover boekhandel Strand. Zukin was op weg naar een college dat ze moest geven in Brooklyn, 45 minuten rijden met de metro. Hoe vergaat het haar universiteit?

In 1999, toen Mathew Goldstein aantrad als voorzitter van het College van Bestuur, was CUNY er slecht aan toe. De universiteit was een verzameling losjes georganiseerde, tamelijk onafhankelijk van elkaar opererende instituten. Chaotisch, aldus sommigen. Maar veertien jaar later, met het vertrek van Goldstein, is CUNY weer een gerespecteerde naam in New York. Wat hij zoal deed? Voor een aantal scholen ontwikkelde hij honors-programma’s, de samenstelling van de studentenpopulatie maakte hij diverser en voor speciale programma’s vond hij private financiers. Daarmee creëerde hij bovendien 2.000 nieuwe banen op de faculteiten. Het gevolg: topstudenten, onderscheidingen en prijzen. En dat in Amerika, op een publieke school! "Chancellor Goldstein has led the unprecedented transformation of CUNY into the premier integrated urban university in America", aldus een betrokkene. In plaats van een campus te bouwen introduceerde Goldstein ‘Pathways’, een uniforme leergang voor alle faculteiten. Omstreden, maar succesvol. Het succes van CUNY wordt een van de drie onderwerpen tijdens de Masterclass New York 2015, georganiseerd door de gemeente Amsterdam en de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. Die gaat over de verhouding tussen de stad en haar universiteiten, over campusontwikkeling en de rol die hoger onderwijs in de economie van 21ste eeuwse metropolen speelt.

Tagged with:
 

Tribeca aan zee

On 16 april 2015, in afval, water, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Twenty Minutes in Manhattan’ (2009) van Michael Sorkin:

De linkse architect-schrijver Michael Sorkin werkt vanuit 145 Hudson Street, New York, in een voormalige drukkerij, een fors gebouw dat hij gedetailleerd beschreef in zijn ‘Twenty Minutes in Manhattan’ (2009). We zochten hem vorige week op. Boven hem bleek het New Yorkse bureau van Rem Koolhaas’ OMA/AMO gevestigd. Niet dat ze veel contact hebben met elkaar, de twee architecten. Daarvoor zijn de vloeren te dik en is de benadering van de stad door de twee architecten ook te verschillend. Met veel liefde beschreef Sorkin in ‘Twenty Minutes’ zijn studio toen hij hem in 1989 betrok: goedkoop en veel beter dan alle lofts die hij in de Village eerder had gebruikt. Echter, nadat hij het huurcontract had getekend bleek dat de gemeente daar geen vuilnis ophaalde (dat doet ze alleen in woonbuurten). Al snel meldde zich een private partij: of hij maar een contract wilde tekenen. Na aanvankelijke weigering kwamen even later twee mannen aan de deur die hem een val voorspiegelden van veertien verdiepingen naar beneden. Welkom in New York!

Sorkin, hoewel op leeftijd, leidt een middelgroot architectenbureau. Daarnaast doet hij stedenbouwkundig onderzoek vanuit Terreform. Ook geeft hij les aan City College of New York. We kwamen, zei hij onmiddellijk bij onze binnenkomst, juist op tijd. Over een paar dagen zou Rebecca Solnit de Lewis Mumford-lezing geven op zijn Graduate School. Kenden we haar niet? Solnit, afkomstig uit San Francisco, is uitgever van Harper’s Magazine en schrijver van tal van boeken. Haar specialisatie is hoe steden zich ontwikkelen na natuurrampen. Z0 schreef ze over Hurricane Katrina en Loma Pietra Earthquake. In New York, dat kampt met het post Sandy-syndroom, wordt zulke lectuur met meer dan gewone belangstelling gelezen. De veerkracht van gemeenschappen na rampspoed is opvallend groot, aldus Solnit – die van overheden en andere instituties juist opvallend gering. Ik dacht terug aan de aankomst met het vliegtuig op JFK. We cirkelden boven zee en draaiden voor Staten Island langs in noordelijke richting naar Queens. Onder me lag het strand van Coney Island, in de verte zag ik de rotsachtige zuidpunt van Manhattan liggen. De machine vloog al laag. Het zicht was anders dan ik van New York gewend ben: de metropool ligt pal aan de oceaan, ze ligt laag, haar kust heel zandig, dichtbevolkt en totaal onbeschermd. Welkom Rebecca Solnit!

Tagged with:
 

Reputatie

On 13 april 2015, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gehoord in New York op 30 maart 2015:

Columbia-University_Morningside1-e1366638271780-537x350[1] 

Edith Hsu Chen is deputy director van het Manhattan Borough Office van de gemeente New York. We spraken haar in Reade Street, op loopafstand van City Hall. Onderwerp: de universiteiten in de stad. Ze vertelde ons dat er een trek heeft plaatsgevonden van de universiteiten uit de buitenwijken en de voorsteden naar het centrum van New York. De meeste universiteiten hebben zich nu stevig genesteld op Manhattan, de duurste grond op aarde. Columbia University – een Ivy League universiteit – had al haar campus in West Harlem maar opent binnenkort fase 1 van haar nieuwe, iets noordelijk gelegen campus in Manhattanville.  NYC University kwam van buiten, maar zocht positie rond Washington Square, in de West Village, en heeft daar grote uitbreidingsplannen die overigens door de buurt worden geblokkeerd. Cornell heeft de tender gewonnen en opent in 2017 op Rooseveldt Island, tegenover East Manhattan, een geheel nieuwe campus. Daar ook bevinden zich alle grote medical schools en ziekenhuizen. Cooper Union pleegde kostbare nieuwbouw in de East Village en dreigt daaraan zelfs failliet te gaan. Waarom willen alle universiteiten toch op Manhattan zitten? Het is de naam, de plek, de reputatie, de prijs, de grootstedelijkheid.

Lastig is het wel. Buurtbewoners verzetten zich hevig tegen de uitbreidingsplannen. De nieuwbouw is vaak groot, grof, zelden fraaie architectuur. Vooral de dormitories moeten het ontgelden: niemand wil zoveel studenten in de buurt. En duur is het ook. Maar de private universiteiten kunnen het zich permitteren. Hun alumni doneren, bedrijven betalen mee, desnoods schroeven de universiteiten de tuition fees van hun studenten op. Die betalen toch al fortuinen. Trouwens, vastgoed op Manhattan is zeker voor private universiteiten een uitstekende belegging. Kortom, door zich op Manhattan te vestigen stijgt de reputatie van de universiteiten, bieden zij aan studenten een unieke ervaring, melden zich daardoor de grootste talenten, groeit de winstgevendheid. Chen zei dat de stad na de financiële crisis van 2008 zich op de nieuwe groeisectoren van het onderwijs en de volksgezondheid richt. Zij trekken bedrijven en jong, koopkrachtig talent uit de hele wereld aan. Bovendien scheppen ze nieuwe banen. Ze sloot niet uit dat hier een even grote zeepbel zal ontstaan, die op een gegeven moment uiteen kan spatten. In het vliegtuig op de heenreis las ik een Special Report van The Economist over de wereldwijde dominantie van Amerikaanse universiteiten waarin in feite hetzelfde wordt beweerd. Geld en reputatie worden belangrijker dan onderwijs. Dit kan niet goed gaan.

Tagged with:
 

Bericht uit de East Village

On 11 april 2015, in onderwijs, vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in New York Times van 9 april 2015:

 

WhyCooperUnionHasToChargeTuition

De studenten hebben het Maagdenhuis ontruimd. Elders is het bonje. Afgelopen week refereerden onze gesprekspartners in New York er al aan, deze week stond het opnieuw in de New York Times: de in New York gevestigde Cooper Union for the Advancement of Science and Art laat sinds kort haar studenten collegegeld betalen. Tot nu toe was studeren aan Cooper Union helemaal gratis. De school was open en toegankelijk voor iedereen. Alleen graduates die het zich konden veroorloven betaalden voor hun onderwijs. Vorig jaar dreigde de in 1859 door de filantroop Peter Cooper opgerichte school echter failliet te gaan. Haar grootste vastgoedbezit is Chrysler Building, hartje Manhattan. Mede door dat unieke bezit had de school tot voor kort nog een positieve balans van 735 miljoen dollar. Is hier sprake van mismanagement? De attorney-general van New York, Eric Schneiderman, heeft nu een onderzoek naar het college van bestuur van de non-profit organisatie ingesteld en afgelopen week brieven gestuurd waarin hij de schoolleiding verantwoordelijk stelt voor de penibele financiële positie.

Het incident staat niet op zichzelf. Eerder al gingen nonprofit organisaties als New York City Opera en Long Island College Hospital in de financiële crisis ten onder. De metropool kent liefst 80.000 nonprofit organisaties, die allemaal van groot belang zijn voor het functioneren van de stad. De nonprofit sector is goed voor zeker tien procent van alle banen. Wat deed het college van bestuur van de gerenommeerde Cooper Union, waar Daniel Libeskind, Alex Katz en John Heyduk studeerden, verkeerd? Ze bouwde een duur nieuw pand op haar campus en sloot daarvoor een lening af van 175 miljoen dollar tegen een rente van 5,75 procent over een termijn van dertig jaar. Chrysler Building mag dan een solide onderpand zijn dat vijfentachtig procent van het eigen vermogen uitmaakt, de overige vijftien procent bestaat uit beleggingen in hedge funds en private equity partnerships die nauwelijks renderen. De studenten mogen het financiële gat nu dichten: voor undergraduates komt het neer op 20.000 dollar collegegeld jaarlijks. Ze protesteren al sinds het slechte nieuws bekend werd (23 april 2013) en eisen het vertrek van Jamshed Bharucha, de voorzitter van het college van bestuur. Tot nog toe vergeefs. Maar de stad onderneemt nu eindelijk actie. Tot zover berichten uit de East Village.

Tagged with:
 

City of Opportunity

On 8 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Power Broker’ (1975) van Robert Caro:


Op een zonnige zondagmiddag reden we met de metro naar Queens, New York, om het grootste park van Robert Moses te bekijken. Een echte halte heeft Flushing Meadows niet, dus stapten we uit in Forest Hills. Vandaaruit liepen we in noordelijke richting door een laagbouwwijk van overwegend duur verbouwde bungalows. Daar, beneden ons, lag ineens Flushing Meadows, aangelegd in een voormalig moeras tevens vuilnisbelt, omzoomd door brede autosnelwegen. Welkom in Queens, welkom in de wereld van Robert Moses! Moses, de machtige directeur stadsontwikkeling van New York en liefhebber van autosnelwegen en stadsparken, realiseerde hier op het eind van zijn veertigjarige carriėre het grootste park van New York – anderhalf maal Central Park. Midden in Queens, wist Moses, betekent centraal in de metropool. Om het aan te leggen had de man twee grote Wereldtentoonstellingen nodig: die van 1939 en die van 1964, beide in New York gehouden. Na afloop lag in de barre locatie een megalomaan park met stadion, museum en paviljoens, goed bereikbaar per auto, maar niet met de  metro (want dan kreeg je maar arme mensen in je park). Het was zijn grote droom. Kosten destijds: 59 miljoen dollar.

Het paviljoen van New York City bleek in 1994 verbouwd door Rafael Vignoli. We namen er een kijkje. Binnen is nog altijd de enorme maquette van de metropool te zien die destijds, in 1964, op de Wereldtentoonstelling figureerde en die door honderd man in drie jaar tijd was gebouwd. Wat een ongelooflijke sensatie! Minutieus gedetailleerd ligt hier de machtigste stad ter wereld anno 1964 zoals de stadsbouwer die op het eind van zijn indrukwekkende carrière had afgeleverd in de schaal 1:1200. Tijdens de Wereldtentoonstelling kon men eroverheen vliegen in een gesimuleerde indoor helikoptervlucht van 9 minuten. Met een ‘God’s eye view’ ervoer men ‘The City of Opportunity’. We ervoeren het opnieuw. We zagen de modernistische metropool van 1964, groots, uitgestrekt, suburbaan, regelmatig, strak geregisseerd, keurig geordend. Iedereen moet ‘The Power Broker’ lezen, de maquette zien en dan beseffen dat die tijd voorbij is. Voorgoed voorbij.

Tagged with:
 

City in transition

On 7 april 2015, in migratie, sociaal, vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Vanity Fair van mei 2014:

Deze week, amper drie uur terug uit New York, gaf ik mijn eerste college ‘Cities in Transition’ aan de UvA. Kon niet mooier. In New York, vertelde ik de studenten, waren me twee dingen het meeste opgevallen: de vele Spaanstalige opschriften enerzijds en de vele ranke, extreem hoge torens in aanbouw anderzijds. Eerst het Spaans. In korte tijd verandert de Big Apple in een Spaanstalige – nou oké, tweetalige – enclave; het aantal Hispanics groeit er opvallend snel. In Queens bijvoorbeeld zag ik hele grote Mexicaanse en Zuid-Amerikaanse gemeenschappen van arme migranten, meest verzameld in parken en buurten, in afwachting van iets. Ook de metro zat er vol mee. Ze zijn hier nieuw, ze zijn arm en ze komen met hele gezinnen tegelijk. Hun werklust spat ervan af. Opnieuw verandert New York ingrijpend door een influx van imposante migrantengemeenschappen. Het andere dat me opviel waren de vele nieuwe torens. Dan hebben we het over Manhattan, om precies te zijn het gebied ten zuiden van Central Park, ter hoogte van 57 Street. Ook dit verschijnsel is nieuw: ranke woontorens, sommige nog hoger dan Empire State Building, elke verdieping bestaande uit niet meer dan een of twee appartementen. Ze worden gebouwd voor de ‘’happy few’’, nee ‘the filthy rich’, afkomstig uit de hele wereld. Extreem rijk ontmoet extreem arm in New York.

In Vanity Fair las ik een artikel over de nieuwste golf bizar ranke hoogbouw op Manhattan. In ‘Too Rich, Too Thin, Too Tall?’ concentreert alle aandacht zich op het nieuwste werk van de architect Rafael Vignoly. Hij ontwierp een woontoren aan Park Avenue waarvan het penthouse op de 96ste verdieping is verkocht aan een anonieme koper voor liefst 95 miljoen dollar. De ranke, extreem hoge toren telt in totaal slechts 104 appartementen. Prijs per vierkante voet: 11.500 dollar. In de omgeving verrijzen meer van dit soort dure torens. De hoogste opent dit jaar: One57. Architect: Christian de Portzamparc. Meer starchitects ontwerpen nu hun eigen duurste supertower in dezelfde buurt: Frank Gehry, Richard Meier, Jaques Herzog and Pierre de Meuron, Jean Nouvel en Robert Stern. Wie dacht dat de starchitects in de crisis verdwenen waren heeft het dus goed mis. Echter, de gebouwen bestaan hoofdzakelijk uit glas. De rijken kopen in de eerste plaats uitzicht, en de náám van een beroemd architect, niet zijn architectuur. Binnenkort bestaat de hele skyline ten zuiden van Central Park hoofdzakelijk uit naalden: een stekelig bos dat zijn schaduw werpt over het duurste stukje aarde, in bezit genomen door de allerrijksten die, kampend met een permanente jetlag, op reis zijn tussen hun appartementen in Shanghai, Sao Paulo, Dubai, Londen en de Big Apple. Ik vertelde het de studenten. Dit is wat ze me vroegen: gaat dit goed? Kan dit wel naast elkaar bestaan?

Tagged with:
 

Open City

On 4 maart 2015, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Open City’ (2011) van Teju Cole:

‘Open City’ van Teju Cole moet je in één keer uitlezen. De lange monologue intérieur van Jules is inderdaad, zoals een criticus schreef, "a meditation on history and culture, identity and solitude". De hoofdpersoon wandelt voortdurend door New York, ontmoet daar allerlei mensen, denkt na over de dingen, over zijn leven, over de stad. Afkomstig uit Nigeria is hij, net als de trekvogels boven zijn hoofd, ooit neergestreken in New York. New York is een typische migrantenstad, want de mensen komen werkelijk overal vandaan. Zelf woont hij dicht bij Columbia University, zijn avondwandelingen begint hij vanuit Morningside Heights, West Harlem. Elke avond loopt hij een stukje verder. "In this way, at the beginning of the final year of my psychiatry fellowship, New York City worked itself into my life at walking pace." Jules is psychiater in opleiding. Hij doorziet de ziel van mensen en doorgrondt, door te lopen, ook de ziel van de stad. Vandaar.

Mooi vond ik de passage in het vliegtuig. Jules vliegt terug uit Brussel, waar zijn moeder ooit woonde, naar New York. Bij landing ziet hij onder zich de stad liggen en stelt zich voor dat het vliegtuig een doodskist is en beneden hem de begraafplaats, met de huizen als marmeren grafstenen. "Then it came to me: I was remembering something I had seen about a year earlier: the sprawling scale model of the city that was kept at the Queens Museum of Art." Het blijkt te gaan om de maquette die in 1964 was gebouwd voor de Wereldtentoonstelling en die sindsdien keurig was bijgehouden en nog altijd te zien in dit museum. "In this case it was the real city that seemed to be matching, point for point, my memory of the model, which I had stared at for a long time from a ramp in the museum." De maquette had hem weer herinnerd aan een verhaal van Borges over cartografen die zo door detaillering waren geobsedeerd dat ze een kaart van het rijk maakten op een schaal van 1:1. "The map proved so unwieldy that it was eventually folded up and left to rot in the desert." Fascinerend. Zo werkt dus onze ziel.

Tagged with:
 

Steden besturen zichzelf

On 26 januari 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 14 januari 2015:

Op initiatief van Hugo Fernandes Mendes, Chief Science Officer van de gemeente Amsterdam, sprak Henk de Jong, oud-gemeentesecretaris van Amsterdam, onlangs ten overstaan van ruim honderd Amsterdamse ambtenaren over ‘Wie (be)stuurt de stad?’ De lezing was een beknopte versie van zijn Van Slingelandtlezing van 9 oktober 2014, gehouden voor de Vereniging voor Bestuurskunde te Den Haag. Zef Hemel was gevraagd te reageren. De stelling van De Jong kwam hierop neer: steden kunnen de grote vraagstukken van deze tijd niet zelf oplossen; daarvoor hebben ze de hogere overheden nodig. In Benjamin Barber’s stelling dat burgemeesters in staat zijn de wereld te redden (‘If Mayors Ruled The World’) geloofde hij niet. Bestuurskundige De Jong adstrueerde zijn stelling met voorbeelden uit New York, waar hij de afgelopen twee jaar consultant was geweest. De slagkracht van de gemeentelijke instellingen in deze machtige metropool bleek danig tegen te vallen; zonder de hulp van de staten New York en New Jersey en de federale overheid in Washington waren ze tot weinig in staat. Veel hybride organisaties en privaat initiatief liggen er aan de basis van projecten. Een private organisatie als Regional Plan Association (RPA) maakt bijvoorbeeld langetermijnplannen voor de agglomeratie. In de richting van de huidige gemeentesecretaris Arjan van Gils: “Als Amsterdam een RPA had gehad, konden we de Dienst Stadsontwikkeling nu mooi opheffen!”

Hemel draaide de redenering om: hogere overheden zijn niet in staat om de grote problemen van dit moment op te lossen. Daarvoor hebben ze de steden nodig. Het mislukken van het Kyoto-protocol (1997) vormde voor hem het bewijs. De machtsblokken in de wereld speelden het destijds hard; China deed niet mee, terwijl het systeem van emissierechten de rijke landen bevoordeelde. In ‘Seeing like a State’ (1998) heeft James Scott, hoogleraar Politieke wetenschappen aan Yale, trouwens al laten zien waarom staten oplossingen niet naderbij kùnnen brengen. Hogere overheden simplificeren, standaardiseren en schakelen gelijk; ze werken met abstracte kennis en missen daardoor de specifieke lokale kennis die nodig is voor het oplossen van complexe vraagstukken. Steden kunnen dat wel. Hun impact op de omgeving – de stedelijke invloedssfeer – is bovendien groot, op hun wingewesten, waar zij hun grondstoffen, voedsel, water, energie en arbeidskrachten van betrekken, is die impact zo mogelijk nog groter. De slagkracht van burgemeesters schuilt niet in hun bevoegdheden en taken, die inderdaad beperkt zijn, maar in het duiden en richting wijzen. Steden besturen zichzelf, van onderop.

Tagged with:
 

In the Thick of Things

On 3 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen op Business Insider van 7 mei 2014:

cornell tech campus

De derde en laatste casus in de Masterclass Stedenbouw New York 2015 wordt die van Cornell NYC Tech. Deze spiksplinternieuwe universiteit in New York – een samenwerking van Cornell University en Technion-Israel Institute of Technology – zal zijn deuren openen in 2017 op een nog te bouwen campus van 12 acres (met 2 miljoen square feet aan gebouwen) op Roosevelt island. Voorlopig zit ze in een oud gebouw. Cornell Tech moet grootstedelijke problemen helpen oplossen en New York gaan positioneren als ‘major tech center’. Gerekend wordt op circa 2.000 studenten voor in totaal acht masterprogramma’s, waarvan drie duaal: connective media, healthier life, built environment. Door alle acht loopt informatietechnologie als rode draad. De universiteit is de uitkomst van een tender, uitgeschreven door burgemeester Bloomberg die de technologische en de grootstedelijke vraagstukken met elkaar wil verbinden.  Kosten: 2 miljard dollar. Maar voorlopig zit de universiteit nog in “a nondescript third-floor loft’ in Chelsea, Manhattan, haar beschikbaar gesteld door Google. Het New Yorkse initiatief heeft bijvoorbeeld Amsterdam geinspireerd om te komen tot een soortgelijke tender, waarvan AMS de uitkomst is: Graduate School for Amsterdam Metropolitan Solutions.

Alles is hier nieuw, niets is zeker bij Cornell Tech. Het terrein op Roosevelt island is eigendom van de gemeente, die steekt er tot 100 miljoen dollar in. Cornell, nu nog gevestigd in Ithaka, ziet grote voordelen in een vestiging op Manhattan. Dan gaat het volgens de voorzitter, David Skorton, om “the rather old-school benefit of being in the thick of things. Anders gezegd:  “Interactions can occur at a very long distance now, but you still see that many, many serendipitous steps forward are based on the old concept of bumping into people, having lunch, that personal interaction,” En: “We’re already seeing that in the temporary campus, in the Google space. “Even with all our technology proximity still really matters.” Ziedaar de voordelen van een stadscampus in hartje New York. Voordelen die ook Columbia en New York University ertoe hebben gebracht flink te investeren in hun campussen in ‘The Big Apple’. Want geen universiteit kan achterblijven.

Tagged with: