Gelezen in de Volkskrant van 20 mei 2013:
Uitgebreid portret van Michael Bloomberg, burgemeester van New York, in de Volkskrant van Pinksteren. Bloomberg nadert het einde van zijn derde termijn. De scheidende burgemeester wordt door jounalist Arie Elshout neergezet als “dompteur”, “onverschrokken stadsvernieuwer”, “revolutionair” en “de beste burgemeester in de geschiedenis.” Wat heeft deze man “met het hoofd van een Romeinse senator” zoal gedaan? Hij zou de metropool van 8,3 miljoen inwoners veilig hebben gemaakt, dat in de eerste plaats. Volgens zijn filosofie vloeit al het andere daaruit voort: “Pas als een stad veilig is willen mensen er wonen, studeren, winkelen of uitgaan. Daarna maak je haar attractief door te investeren in cultuur en parken.” Zelfs aan de levensstijl van de inwoners van New York ging hij op een gegeven moment sleutelen. Als een sociale ingenieur probeerde hij obesitas en gezondheidsproblemen te bestrijden door de voedingspatronen in zijn stad te beïnvloeden. Deze aanpak diende destijds ook als voorbeeld voor de Amsterdamse voedselstrategie. Zijn geheim? Een neiging tot verlichte despotie, het geloof dat niets onmogelijk is en zijn onwaarschijnlijke fortuin. Deze bijna bovenmenselijke eigenschappen en omstandigheden maakten hem tot een echte leider. Elshout weet het zeker: “Zo’n metropool, met zoveel beweging, zoveel ongelijkheid en zo weinig ruimte, is alleen in de hand te houden door een krachtige burgemeester die niet bang is om de baas te zijn.” Werkelijk?
Het portret van Bloomberg deed me denken aan Tolstoi’s portret van de burgemeester van Moskou in ‘Oorlog en vrede’. Aan burgemeester Rastoptsjin werd door historici het kordate bevel toegeschreven om Moskou in brand te steken nadat Napoleon begin september 1812 de Russische hoofdstad had veroverd. Volgens Tolstoi was dat helemaal niet waar. De metropool vloog vanzelf in brand nadat de bewoners massaal op de vlucht waren geslagen en de ongeregelde Franse troepen de houten huizen hadden bezet. Over de burgemeester schreef hij: “Hij dacht niet alleen (zoals elke bestuurder denkt) dat hij het uiterlijke handelen van de inwoners van Moskou regelde, maar hij meende ook dat hij hun stemming richting kon geven door middel van oproepen en affiches (…).” In de opvatting van Tolstoi werkt de geschiedenis heel anders: “we moeten tsaren, ministers en generaals buiten beschouwing laten, en ons bezighouden met de gelijksoortige, oneindig kleine elementen die de massa sturen. Niemand kan zeggen in hoeverre het de mens gegeven is langs die weg de wetten van de geschiedenis te ontraadselen; maar het is duidelijk dat alleen in deze richting de mogelijkheid daartoe ligt, en dat het menselijk verstand in deze richting nog geen miljoenste deel heeft aangewend van de inspanningen, die de historici hebben gewijd aan het beschrijven van de daden van allerlei tsaren, legeraanvoerders en ministers en aan het uiteenzetten van hun visie op die daden.” Anderhalve eeuw later is er klaarblijkelijk wat dat betreft nog niets veranderd.
Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2013:
Onder de kop ‘Liever Veldhoven dan Silicon Valley’ verscheen onlangs in NRC Handelsblad een opzienbarend interview met Eric Meurice, de Franse topman van hightechbedrijf ASML. “Hij vertrouwt op innovatie, maar je weet nooit wanneer het werkt.” Je zou van Meurice een verhaal over het succes van de Eindhovense regio verwachten. Daar is ASML immers gevestigd. Niets is echter minder waar. In plaats daarvan krijgt de lezer een verhaal over het dorpje Veldhoven voorgeschoteld. “Ons verdienmodel is gebaseerd op heel veel investeren in een klein dorpje – Veldhoven. Zo ontwikkelen we kennis die superieur is aan concurrenten als Nikon en Canon. Hier stoppen we mensen in een ‘aquarium’, afgesloten voor de buitenwereld.” Meurice denkt dat zijn bedrijf het niet gered zou hebben in Silicon Valley. “In Silicon Valley zouden we na twee jaar twintig procent van onze werknemers kwijt zijn.” Anders gezegd, de Eindhovense regio is zeker geen Silicon Valley. Er zijn daar in ieder geval geen concurrenten te vinden. “Als we zoveel geld hadden besteed in Silicon Valley zouden we het niet gered hebben.”
Wat een verschil met het verhaal van burgemeester Bloomberg van New York. Zijn ambitie om van New York een ‘Silicon Alley’ te maken heeft een volstrekt andere achtergrond. De metropool New York wil internethoofdstad van de wereld worden. Er kan daar geen concurrentie genoeg zijn. En het werkt. New York telt na Silicon Valley de meeste startups. Rond Union Square, hartje Manhattan, vestigden zich de afgelopen jaren honderden nieuwe techbedrijfjes. De metropool zet vooral in op onderwijs. Op Roosevelt Island heeft ze ruimte gemaakt voor een nieuwe technische universiteit – een samenwerkingsverband van Cornell University en de technische universiteit van Haifa. Bloomberg: “De beloning is dat we nieuwe banen creëren. Bedrijven vestigen zich op de plekken waar talent zit.” Google investeert nu stevig in New York. Aan Ninth Avenue heeft het grootste internetbedrijf ter wereld onlangs een groot bouwblok gekocht. Ook Spotify is er neergestreken. Het bedrijf uit Silicon Valley zoekt aansluiting bij de advertentiemarkt, bij de marketingbedrijven en bij het nieuwe talent. Ook kan het zo makkelijk de kleintjes in de buurt opeten door ze simpelweg op te kopen. Twee verhalen over innovatie. Het dorp versus de metropool. Het aquarium versus de mierenhoop. De monopolist versus de concurrentie. Wat een verschil!
Gelezen in ‘Future City’ (1973) van Roger Elwood:
Twee dozen met boeken kreeg ik over de post van stedenbouwkundige Fred Zandvoort (1923). Fred is onlangs negentig jaar geworden. Boeken stuurde hij over steden uit de periode 1960 tot 1975. Een ervan is getiteld ‘Future City’ (1973). Erin opgenomen zijn korte verhalen van Amerikaanse schrijvers over steden in de toekomst. De toekomst van het jaar 2000 of zelfs 2050, wel te verstaan. De verhalen herlezen anno 2013 is ronduit curieus. Redacteur is science fictionschrijver Roger Elwood. Het voorwoord is van de hand van Clifford Simak. Dat stuk alleen al is veelzeggend over de situatie in het jaar 1973 en bepalend voor de oriëntatie van de redacteur en veel schrijvers van destijds. Simak: "The city today lives on as an anachronism propped up by tradition."
Handel was internationaal geworden, ze vond niet meer plaats tussen steden, aldus Simak in 1973. Zakendoen vroeg ook niet langer om nabijheid. Reizen en transport waren gemakkelijk en goedkoop geworden en konden over grote afstanden plaatsvinden. Bescherming hoefden steden niet meer te bieden. Steden waren ook niet meer nodig voor het bestuur. Steden, kortom, waren overbodig geworden. "Heroic efforts have been made to keep them alive and habitable, but these efforts have been of a patchwork nature as expedience demanded." Overal was sprake van verval. "The city today is strangling and suffocating and there does not seem that much can be done with it." Helemaal opnieuw beginnen en compleet nieuwe steden bouwen dan? Zou kunnen. Maar dan zouden die nieuwe steden zelfvoorzienend moeten zijn, zonder achterbuurten, zonder vervuiling en zonder werkloosheid. Simak: "But why save the city at all? Why spend money on it?" En dan: "The day may come, sooner than we think, when business and industry, as well as people, will have fled the city." Het eerste verhaal speelt in New York: "a searing vision of a decaying New York segregated from the rest of the country, replete with bedicabs (taxi’s voorzien van prostituees en bedden), real murder films, dingy hotels – visitors must be subjected to a lung-cleansing machine before they leave." Wegwezen dus. In Amsterdam was de situatie toentertijd niet heel anders. Twee jaar later startte de bouw van Almere. Daarna begon de stedelijke renaissance.
Gelezen in de Volkskrant van 31 december 2012:
Voor kantoren en woningen geldt in makelaarskringen de winnende leuze ‘locatie, locatie, locatie’. Hetzelfde blijkt te gelden voor sport. Sportief succes wordt in hoge mate bepaald door waar een sportclub gevestigd is. Dat luistert nauw. Het bewijs levert basketbalclub de Brooklyn Nets. Zij verhuisden afgelopen jaar van het saaie New Jersey naar het hippe Brooklyn, New York. Zo’n verhuizing is in de Verenigde Staten niet ongewoon. Sindsdien zijn de Nets favoriet en mateloos populair. Rapper Jay-Z, zelf afkomstig uit Brooklyn, stak geld in de club en heeft er zijn naam – en die van zijn vrouw Beyoncé – aan verbonden. Elke wedstrijd opent sindsdien met een stevige rap. Dat trekt vooral jongeren; Brooklyn is sowieso cool. Bij elke thuiswedstrijd is het echtpaar bovendien aanwezig. Jay-Z ontwierp ook de clubshirts, in een retro-stijl zwart-wit, met ouderwetse letters. Muziek, mode, sport en locatie maken de Nets tot een felbegeerde club. Omgekeerd vaart Brooklyn zelf er wel bij.
Een artikel over Brooklyn en de Nets verscheen op oudejaarsavond 2012 in de Volkskrant. Aanvankelijk las ik eroverheen. Nu spel ik het. Het nieuwe stadion is gelegen midden in de wijk, op de hoek van Flatbush Avenue en Atlantic Avenue. Met 18 duizend zitplaatsen is het tevens geschikt voor popconcerten. Half verzonken in de grond, in een ovale vorm, oogt het ook nog eens aantrekkelijk. Het aanvankelijke protest van de rijke yuppen in de buurt tegen de komst van het stadion is op slag verstomd. Vanaf 2015 zullen ook de ijshockeyers van de Islanders hier gaan spelen. Brooklyn, met 2,5 miljoen inwoners, heeft met de Nets een absolute troef in huis gehaald. New York telt 8 miljoen inwoners en heeft nu twee professionele honkbalclubs, twee American footballteams, twee ijshockeyploegen en ook nog eens de New York Knicks. Allemaal zijn ze jaloers op het eclatante succes van de Brooklyn Nets. Alleen, begrijp ik, nu moeten de Nets nog wedstrijden winnen.
Gelezen in NRC Handelsblad van 3 januari 2003:

Opmerkelijk hoeveel kunstenaars in de twintigste eeuw op een kluitje leefden in Greenwich Village, het kleine stukje New York begrensd tussen West 14th Street, Broadway en Canal Street. Ross Wetzsteon schreef er een boek over. In ‘Republic of Dreams’ beschrijft deze hoofdredacteur van The Village Voice hoe bohemiens in the Village samentrokken nadat de Franse kunstenaar Marcel Duchamp in 1917 haar op Washington Square had uitgeroepen tot een vrije en onafhankelijke kunstenaarsrepubliek (foto). Niet dat veel Amerikanen Duchamp toen al kenden. Belangrijker voor haar legendarische reputatie was het revolutionaire tijdschrift ‘The Masses’ dat vanaf 1913 onder leiding van Max Eastman in the Village verschijnt. Bovenal was het galeriehoudster Mabel Dodge die met haar feesten in the Village de kunstenaars aan zich bond en met haar uitspraak ‘To dynamite New York!’ de bruisende, vrijgevochten en onbezorgde kunstenaarskolonie verpersoonlijkte. Door haar verwierf de buurt definitief de reputatie van een anarchistisch en libertair nest, een reputatie die vervolgens in de periode 1920-1960 een enorme aantrekkingskracht uitoefende op figuren als Ford Maddox Ford, Henry Miller, T.S. Eliot, Mary McCarthy, Allen Ginzberg, Saul Bellow, William Faulkner, J.D. Salinger, Susan Sontag, John Cheever, Jack Kerouac enzovoorts. Door de voortdurende komst van soortgenoten werd die reputatie keer op keer bevestigd.
Aan de reputatie van Greenwich Village komt abrupt een einde wanneer de figuur van Andy Warhol aan het New Yorkse firmament verschijnt. Warhol zet zich expliciet af tegen de gezelligheid van the Village of liever: hij keert zich tegen de abstract-expressionisten onder leiding van Jackson Pollock die de gevestigde roem van the Village gebruikten voor hun eigen non-conformisme. Zijn machinale ‘kunstfabriek’ vestigt Warhol in 1963 aan de 74th Street, in de Upper East Side van Manhattan, vlakbij het hoofdkantoor van de Verenigde Naties, ver weg van Pollock en diens vrienden. Door het ongekende succes van Warhol had Greenwich Village ineens afgedaan als mekka van radicale maatschappijkritiek en vernieuwende kunst. Ziedaar het belang van steden voor kunst en het nut van geografie voor het begrijpen van de kunstgeschiedenis. Ook vernieuwing in de kunst is sterk gelokaliseerd.
Gelezen in ‘Triumph of the City’’ (2011) van Edward Glaeser:

Op 22 juni 2012 verscheen in NRC Handelsblad een recensie van ‘Modern New York’ van Greg Davis, geschreven door Lucas Ligtenberg. Ik moet bekennen dat ik het boek zelf nog altijd niet heb gelezen. Wat me niettemin van de recensie bijbleef was dat de auteur meldde dat New York de bankencrisis van 2008 met gemak heeft doorstaan. Wall Street was weliswaar het epicentrum van de crisis, maar de rest van de wereld lijdt er meer onder dan de stad zelf. Hoe kan dat? Ligtenberg: de economie van de stad wijkt af van de rest van de USA. Er is in New York bijna geen maakindustrie meer, dat scheelt. De veerkracht van New York schuilt in de sterke financiële sector en in de omvangrijke toeristenindustrie. Ook de vele migranten helpen mee. “Daarnaast is de stad rijk aan hogere opleidingen en aan zorginstellingen in alle soorten en maten, toevallig de twee sectoren die het minst last hebben van economische cycli.” Kortom, de economie van de metropool New York is groot, divers, postindustrieel en niet teveel op export gericht.
Niet voor niets opende Harvard-econoom Edward Glaeser zijn ‘Triumph of the City’ vorig jaar met de opzienbarende wederopstanding van New York. Andere grote steden zouden het voorbeeld van de Big Apple moeten volgen. Glaeser: “New York reinvented itself during the bleak years of the 1970s when a cluster of financial innovators learned from each other and produced a chain of interconnected ideas.” Jane Jacobs zou het geschreven kunnen hebben. “Between 2009 and 2010, as the American economy largely stagnated, wages in Manhattan increased by 11,9 percent, more than in any other country.” Een succesvolle stad moet tenminste 1 miljoen inwoners tellen, stelt Glaeser. “Americans who live in metropolitan areas with more than a million residents, are, on average, more than 50 percent more productive than Americans who live in smaller metropolitan areas.” In zijn boek voegt Davis daaraan veelbetekenend toe dat New York de enige stad in de Verenigde Staten is die loonbelasting heft, wat de gemeente flinke financiële armslag geeft. Per jaar levert het de stad vele miljarden dollars op, die het vervolgens weer in zichzelf investeert. Me dunkt, het succes van New York lijkt me daarmee voldoende verklaard. Toch maar lezen, die Davis.
Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:
Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.
Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.
Gehoord op 24 maart 2012 in Amsterdam:

Woensdag 4 april 2012 opent de Floriade in Venlo zijn poorten. Afgelopen vrijdag kwam een journalist van ‘Change Magazine’ mij interviewen over het Floriade-fenomeen. ‘Change Magazine’ is een tijdschrift over duurzaamheid en klimaatverandering; het interview paste in een zogenaamde ‘Floriade Dialoog’. De journalist vroeg me vooral over het stadsgroen en over hoe ik over stadslandbouw dacht. Stadslandbouw, antwoordde ik, is in feite een moderne beweging die de trekken vertoont van de Occupy-beweging: een grootstedelijk protest tegen de ontwikkelingen in de tuinbouwsector. Stedelingen accepteren niet langer de vervreemding van hun voedsel, van hun bloemen, bomen en planten. Stadslandbouw is ook geen antwoord, maar een protest, geen modeverschijnsel, maar een beweging. Volkstuinen kennen de grote steden al lang; nieuw is het allemaal niet, nee. Steden willen iets duidelijk maken. Hun bevolking wil weer eerlijk voedsel, eten dat zij kent en dat ze kan vertrouwen. Het is een appèl aan de tuinbouwsector om te veranderen. Daarom bezetten de mensen hun plantsoenen en braakliggende terreinen en kweken ze groenten en fruit op hun dakterrassen of balcons. Als creatief protest.
Ik betwijfel of dat ze dat in Venlo begrijpen. De Wageningse hoogleraar Arnold van der Valk vertelde me laatst over de voedselstrategie van New York, die hij drie maanden ter plekke bestudeerde. In het Hudsondal ten noorden van Manhattan gebeurt iets heel eigenaardigs. Directe verkoop van boer aan afnemer is daar sterk gestegen, van 0% naar liefst 17% (van de totale productie). De kiem ervan werd gelegd in de hongerige, ongezonde en gesegregeerde metropool van de jaren zeventig. Daar begon de stadslandbouw als een modern protest in de buurten en wijken. Inmiddels is ze uitgegroeid tot een enorme beweging die het voedselsysteem van New York radicaal wil veranderen en die zijn sporen trekt tot in de verre uithoeken van het ‘metropolitane landschap’. Ondanks de crisis groeit daar het aandeel ‘organisch’ buitengewoon snel. Het gevolg is dat nieuwe bedrijfjes in het gat springen dat de traditionele sector laat vallen. Locale en regionale voedselplanning is zelfs een belangrijk onderwerp geworden binnen de American Planning Association. Ik vertelde Van der Valk dat wij in Amsterdam sinds 2006 dezelfde voedselstrategie volgen. Hij wist het niet. “Wageningen,” verontschuldigde hij zich, “is nu eenmaal ver weg van Amsterdam.”
Gelezen in de Volkskrant van 13 maart 2012:

‘Extremely Loud & Incredibly Close’ (2005) van schrijver Jonathan Safran Foer gaat over het New York van na 9/11. Foer zelf woont in Brooklyn, om de hoek woont Paul Auster; ‘Extremely Loud’ lijkt sterk op het werk van Auster. De clou van ‘Extremely Loud’ moet Foer echter hebben ontleend aan Kurt Vonnegut’s ‘Slaughterhouse Five’, waar de piloot van de bommenwerper troost vindt door de film van het bombardement op Dresden achterstevoren af te draaien. Ook Vunnegut woonde in New York, op de hoek van East 48th Street en Second Avenue, met zicht op Brooklyn. Alle drie de schrijvers zijn Joods, maar wat vooral telt is dat alle drie hun domicilie in New York hebben en dat alle drie over die stad schrijven. “Die avond lag ik in mijn bed iets te bedenken: onder elk kussen in New York zou een speciale afvoer moeten komen die in verbinding staat met de grote vijver in Central Park. De tranen van iedereen die zich in slaap huilt, zouden dan naar één plek stromen, en ‘s ochtends meldt de weerman of het peil in de Tranenvijver is gestegen of gezakt, en dan weet je of New York in mineur is of niet. En als er echt iets verschrikkelijks gebeurt – zoals een atoombom, of dan toch op zijn minst een aanval met chemische wapens – zou er een keiharde sirene afgaan die alle bewoners oproept naar Central Park te komen om zandzakken rond de grote vijver te leggen.” Het boek gaat over New York dus, maar het is ook een typisch Joods boek; wat dat betreft had de plaats van handeling ook Jerusalem of Dresden kunnen zijn.
In een interview met Foer naar aanleiding van de verfilming van ‘Extremely Loud’ vertelt hij over zijn schrijven. Hij schrijft heel intuïtief. “Ik benader schrijven niet met een structuur.” Hij wil in de eerste plaats verhalen vertellen. Elkaar verhalen vertellen en samen eten zijn volgens hem beide ‘essentiële menselijke activiteiten’. Hij wil met zijn boeken ook niet overtuigen, maar zaken bespreekbaar maken. Hij wil de wereld veranderen, maar niet door radicaal te zijn, wel door de cultuur en de conversatie bij te sturen. “Je kunt tot mensen doordringen als je niet agressief, irritant of prekerig doet, maar nederig en eerlijk. Daarmee erken je hoe moeilijk het kan zijn om overtuiging in actie om te zetten.” Foer is tegen het zwartwitdenken, want zo zitten mensen niet in elkaar. “Ons denken en voelen zijn grijs en genuanceerd.” Hij zou, besluit hij, nooit de politiek in gaan of actievoerder kunnen zijn, waarna de journalist – Diederik van Hoogstraten – hem in het interview neerzet als denker, geen activist, wat weer een typisch voorbeeld van zwartwitdenken is. Ikzelf denk dat Foer een hele goede planoloog zou zijn. Hij kent namelijk de sleutel tot verandering.
Gelezen in ‘No Impact Man’ (2009) van Colin Beavan:

Op zoek naar een eigentijdse Thoreau, stuitte ik op Colin Beavan. Een jaar lang probeerde deze New Yorker geen voetafdruk op aarde na te laten. Hij schreef er, net als Thoreau, een boek over, getiteld ‘No Impact Man’. Ik las het gretig. Het is weliswaar minder literair dan ‘Walden’ (1854), maar wel buitengewoon actueel en het tobt eigenlijk nog steeds met dezelfde vragen. Waarom kopen wij zoveel spullen? Waarom eten wij ongezond? Waarom belasten wij de aarde? Waarom richten wij ons niet meer op het immateriële? Is ons geluk dan zo verbonden met al die spullen? “A quick and partial inventory of the crap I found in our rubbish bags in only four days: 14 plastic coffee cups, 12 plastic straws, 19 paper napkins, 14 small paper bags, 9 sets of plastic cutlery (unused)….” Hij besluit met vrouw, hond en kind een jaar lang bewust te leven en zo weinig mogelijk de aarde te belasten. Het lukt hem wonderwel. En hij leert veel. Zoals: “In fact, according to Bill McKibben’s ‘Deep Economy’, small, local farms produce more food per acre than industrial farms and use land, water and fossil fuels more efficiently.” Over dat soort inzichten gaat zijn boek. Hij wil, schrijft hij op het eind, geen martelaar lijken, maar vraagt zijn lezers wel of ze niet net als hij hun leven willen veranderen. Dat is meer dan Thoreau durfde te doen. Thoreau trok zich terug in de bossen bij Concord en schreef over zijn eenvoudige leven in de natuur. Echter, hij liet aan zijn lezers over om zelf te beslissen hoe zij hun leven wilden leiden. Hij had aan zijn hut en zijn potten en pannen genoeg.
Thoreau en Beavan zijn typisch grootstedelijke fenomenen. Thoreau keerde het geciviliseerde Boston de rug toe en trok zich terug in de bossen bij Concord, Beavan deed zijn experiment vanuit zijn appartement in hartje Manhattan. Beiden waren niet geïnteresseerd in geld, wel in natuur, cultuur, kunst, religie, Boeddhisme. Waar de een de stad Boston zelden noemt, daar grossiert de ander in New Yorkse zaken. Je hoeft niet terug naar de natuur om zonder voetafdruk te leven – dat is de hoopgevende boodschap van Beavan. “Good Lord, man, “ National Public Radio presenter Scott Simon would say to me during an interview for Talk of the Nation, “isn’t the whole point of living in New York to enjoy the good life?” Eerst nog dacht Beavan dat zijn interviewer gelijk had (“Self-restraint. Crap!”), maar later komt bij hem het inzicht. “The truth is that we feel we can live comfortably using a bit less than we used to.” Niet dat dat genoeg is. Maar door oneindig goed te doen kan een mens veel schade compenseren. “All our potentials for good are unlimited.”





reacties