Big business

On 28 oktober 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 22 maart 2010:

nyu new york university campus expansion 2031 plan 

Een tweede casus in de Masterclass Stedenbouw New York 2015 wordt die van New York University. Ook deze Amerikaanse universiteit wil fors uitbreiden, en wel met veertig procent. De campus in Greenwich Village krijgt een nieuwe toren aan Bleecker Street (naast die van I.M.Pei, daterend van 1966) plus drie miljoen square feet vastgoed: collegezalen, studentenkamers en kantoren. Daarnaast wil NYU haar Tech Campus in Brooklyn grondig bij de tijd brengen door de gebouwen geschikt te maken voor interdisciplinair werken. Waarom uitbreiden? Tussen 1991 en 2001 verdrievoudigde het aantal studenten dat op de campus woont; in 2031 zal het totaal aantal studenten zijn gegroeid tot 46.500 (in 2010 was dit 41.000), maar een steeds groter deel komt van buiten New York. Per student heeft N.Y.U. op dit moment minder vierkante meters beschikbaar dan Columbia (240 square feet tegenover 326). “For New York to be a great city, we need N.Y.U. te be a great university,” zei president Sexton van de universiteit. Alle nieuwbouw moet op maximaal 10 minuten lopen plaatsvinden van Washington Square. De buurtbewoners zijn echter fel tegen. Het gebied rond Washington Square achten zij monumentaal; het programma dat de universiteit wil toevoegen staat gelijk aan een extra Empire State Building. Dat willen ze niet. De universiteit wil nu de helft van het programma dicht bij de campus bouwen, de andere helft op afstand. Zal het haar lukken?

Het campus plan NYU 2031 is inmiddels weliswaar door de stad New York geaccepteerd, maar ze werd direct aangevochten door verschillende bewonersorganisaties. In januari 2014 gaf de rechter de bewoners gelijk in hun mening dat de universiteit met haar plan om vier torens te bouwen illegaal drie parken had ingelijfd, waarop de universiteit hoger beroep aantekende. “Look at the design – it’s like something out of a Japanese horror movie,” schreef iemand in The Villager over Hotel Z, de nieuwste toevoeging aan ‘the parade of NYU horribles.’ Op 14 oktober 2014 stelde de rechter de universiteit in het gelijk, maar tussen de bewoners en de universiteit komt het nooit meer goed. Die gaan nu in beroep. Ondertussen bouwen de concurrenten stevig door. “Education is a big business in New York,” zei onlangs Richard Anderson, voorzitter van The New York Building Congress. De komende vijf jaar zal er bijna 10 miljard dollar worden geinvesteerd in deze sector in de stad. Ter vergelijking: in de afgelopen vijf jaar was dit 4,2 miljard. Inderdaad, dat is ‘big business’.

Tagged with:
 

A sprawling city-within-a-city

On 27 oktober 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen op ‘Manhattanville in West Harlem’ van Columbia University:

Columbia University gaat uitbreiden. De oude universiteit op Manhattan, New York, beschikt over beduidend minder vierkante meters per student dan andere topuniversiteiten. Harvard in Boston heeft bijvoorbeeld het dubbele aantal vierkante meters, Princeton en Yale hebben elk een derde meer ruimte. Ook andere Amerikaanse universiteiten bouwen op dit moment nieuwe campussen: University of California, San Francisco; Yale University; University of Pennsylvania; University of Michigan. De Ivy League universiteit in New York, de op vier na oudste van het land, kan dus niet achterblijven. Echter, Columbia is gesitueerd in West Harlem, met als hoofdzetel Morning Heights campus. Dat is midden in de dicht bebouwde metropool. Ze heeft haar oog laten vallen op een stuk grond van 17 acres ten noorden van Morning Heights, tussen de Hudson rivier en St. Nicholas Avenue, ter hoogte van 120ste tot en met de 135ste straat. Het West Harlem Master Plan (2002) maakt hier een nieuwe ontwikkeling mogelijk. Afgezien van 135 appartementen in het noordelijke puntje wonen er verder geen mensen. Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit benzinestations, garages en parkeerplaatsen plus enkele metaalverwerkende bedrijfjes. De universiteit heeft al 80 procent van de grond in handen.

Even nog had Columbia overwogen om met delen van de universiteit de stad te verlaten. Ze besloot het uiteindelijk niet te doen omdat ze besefte dat ze haar identiteit en haar kernkwaliteiten voor een groot deel aan New York ontleent. Sindsdien echter wil de universiteit zo dicht mogelijk bij de bestaande campus bouwen. Aanvankelijk had ze haar oog laten vallen op 9 acres grond tussen West 59th en West 62nd Straat, maar dat bleek toch te ver verwijderd van Morning Heights en ook te klein. Manhattanville werd de oplossing. Renzo Piano en SOM tekenden het master plan: “a sprawling, city-within-a-city”. Het bouwvolume omvat 6,8 miljoen square feet; de investering bedraagt 6,3 miljard dollar. Juni 2010 won de universiteit een proces, aangespannen door een aantal vastgoedeigenaren in het gebied die hun eigendommen niet onder druk van de staat aan Columbia wilden verkopen. In het hoger beroep meende de rechtbank echter dat New York State juist had gehandeld. Manhattanville is een ‘blighted area’ en de universiteit een ‘civic institution’. Daarmee kwam de weg vrij voor Columbia om te gaan bouwen. Ze wordt een van de drie casus tijdens de Masterclass Stedenbouw New York 2015 van de gemeente Amsterdam.

Tagged with:
 

Buurttuinen met veerkracht

On 10 september 2014, in duurzaamheid, participatie, voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in ‘In Pursuit of Resilient Community Gardens’ (2014):

Beatriz Pineda Revilla uit Spanje schreef een boeiende masterscriptie Urban Studies aan de UvA over stadslandbouw in New York en Amsterdam. In ‘In Pursuit of Resilient Community Gardens’ onderzocht ze vier praktijken van stadslandbouw in beide metropolen, in elke stad een bottom-up en een hybride initiatief waarbij intermediaire organisatie de stedelingen hielpen. Hoe veerkrachtig zijn ze en wat maakt dat ze zo veerkrachtig zijn? Dat was haar centrale vraag. Ze onderscheidde zeven indicatoren. De cases beschreef ze nauwgezet. De initiatieven scoorden elk op deze zeven. Wat bleek? Zeggenschap over de grond is kritisch, maar flexibele instituties zijn zo mogelijk nog belangrijker. Met haar onderzoek hoopt ze nieuwe burgerinitiatieven te kunnen helpen. Hoe kunnen deze zich telkens aanpassen en ervoor zorgen dat ze toekomstbestendig zijn?

De verschillen tussen de cases kon bijna niet groter. Prospect Farm is een initiatief van een idealistische hoogleraar in Noordwest Brooklyn, een typisch collectief beheerd terrein op sterk vervuilde grond; Garden of Eden is een hybride project in een sociale woningbouwcomplex in Fort Greene; Valreeptuin is een anarchistisch bottom-up project in Amsterdam-Oost; Buurttuinen Transvaal is een hybride project in een plantsoen in de Transvaalbuurt dat ondersteund wordt door de gemeente. Opvallende verschil tussen de twee cases in New York en die in Amsterdam vond ik de inbedding van de New Yorkse initiatieven in een netwerk van intermediaire nonprofit-organisaties – iets wat in het Amsterdamse nog ontbreekt. Gemeentelijke ‘participatiemakelaars’ moeten in Amsterdam dit organisatorische gat vullen. Het is alsof Pineda Revilla in haar scriptie pleit voor een nog verder terugtrekkende overheid in Nederland, waardoor dergelijke organisaties ook bij ons kunnen gedijen en eindelijk ook hier een civic society kan ontstaan. Veerkracht dankzij neoliberale politiek? Nee, ze bedoelt hybride vormen; die hebben de toekomst.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Shared City

On 12 mei 2014, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 30 april 2014:

Brian Chesky is CEO van Airbnb. Eind maart dit jaar lanceerde hij de campagne ‘Shared City’. Elke stad in de wereld, zo lees ik, kan ‘Shared City’ worden. Portland, Oregon, is de eerste. De geraffineerde uitnodiging gaat als volgt: “Imagine if you could build a city that is shared. Where people become micro-entrepreneurs, and local mom and pops flourish again. Imagine a city that fosters community, where space isn’t wasted, but shared with others. A city that produces more, but without more waste.While this may seem radical, it’s not a new idea. Cities are the original sharing platforms. They formed at ancient crossroads of trade, and grew through collaboration and sharing resources. But over time, they began to feel mass produced. We lived closer together, but drifted apart. But sharing cities is back, and we want to help build this future.” Geniale tekst, ook wat volgt. Airbnb spreekt zich uit voor duurzaamheid, erfgoed, kleine middenstand, gemeenschapszin, kunst, burenhulp. Geld dat Airbnb verdient, begrijp ik, zal mede ten goede komen aan de stad waar dat geld verdiend wordt. De organisatie belooft de toeristenbelasting te betalen, brandveiligheid van de woningen te vergroten, misbruik van Airbnb-woningen tegen te gaan, stedelijke campagnes te ondersteunen. Het bedrijf hoopt hiermee vooral ‘red tape’ tegen te gaan. “We are committed to enriching cities and designing the kind of world we want to live in. Together, let’s build that shared world city by city.” Nogmaals, een geniale tekst. Maar wat betekent het eigenlijk?

Niet elke stad in de wereld is gecharmeerd van de commerciële activiteiten van Airbnb. Op dit moment gebruiken meer dan 11 miljoen mensen de site om een kamer in een andere stad te boeken. Voor als ze naar een popconcert willen, of een openluchtconcert bezoeken. 82 procent van de aanbieders deelt alleen de woning waarin ze zelf woont, de rest betreft illegale hotels die via de site van de organisatie kamers aanbieden. Echter, in New York schatte men onlangs dat zeker 30 procent van de 200.000 aangeboden kamers in die stad door een beperkt aantal personen op de site van Airbnb was geplaatst, wat zou wijzen op ‘illegale hotels’. Sommige steden treden hard op tegen deze praktijken en proberen Airbnb het werken te verhinderen. Vooral San Francisco en New York verzetten zich, in Europa is dat Berlijn. Airbnb schat in een tegenoffensief dat ze NYC jaarlijks 21 miljoen dollar zou kunnen betalen wanneer haar het werken in de stad zou worden toegestaan. ‘Shared City’ lijkt een concept dat steden ontvankelijker voor Airbnb moet maken. Men hoopt dat SF en NYC als eerste zullen toehappen. Maar de vraag is of dat gebeurt. Populaire steden zijn juist die steden waar de woningen dikwijls erg schaars zijn en de huren snel stijgen. Via Airbnb kunnen gemakkelijk woningen aan de voorraad worden onttrokken. Afgelopen maand schrapte het bedrijf liefst 2000 aanbieders in New York van haar lijst, die kennelijk in overtreding waren. Zeventien van hen werden met naam en toenaam genoemd. Het bedrijf komt dus in actie. Het kan niet anders. De campagne is bedacht door een slimme planoloog, dat wel.

Tagged with:
 

Bijen in de metropool

On 7 mei 2014, in duurzaamheid, gezondheid, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 7 mei 2014:

Summer school ‘’Thinking City’, een samenwerking van de UvA en de TUD, krijgt vorm. Ruim honderd studenten uit de hele wereld zullen komende zomer twee weken lang in tien studio’s werken aan maatschappelijke vraagstukken in Amsterdam. Een van die vraagstukken betreft de bijenstand in de stad. Sinds 1960 mogen imkers in Amsterdam honingbijen houden. Zo’n zestig imkers zijn op dit moment in de stad actief. Hun aantal groeit. Onlangs werd een bijeneiland geopend in het Erasmuspark in West. De vraag is nu: hoeveel honingbijen kan de stad hebben? Is er wel voldoende groen met ecologische waarde? In hoeverre is er sprake van concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen? En hoe reageren stedelingen op het houden van bijen in hun directe omgeving? Maar eerst het goede nieuws: bijensterfte is hier nog altijd ruim onder het vervangingsniveau en de laatste jaren in Nederland gelukkig ook niet hoog. Anders gezegd, al is de bijensterfte de laatste tien jaar toegenomen, toch kunnen de imkers het aantal volkeren nog laten toenemen.

Vanwaar dan al die recente opwinding over bijensterfte? We vroegen het aan Oscar Vrij van de bijenvereniging Bijenpark. Veel van de opwinding wijt hij aan onwetendheid van de mensen. En de bron van alle opwinding is volgens hem New York. Enkele jaren geleden werd ook daar het houden van bijen eindelijk toegestaan. Sindsdien maakt iedereen in die metropool zich druk om het welzijn van de beestjes. Maar wat weten de stedelingen eigenlijk van dat wonderlijke volkje? Hun lokale opwinding verspreidt zich sindsdien over de hele wereld. De bijensterfte is in Amerika trouwens aanzienlijk omvangrijker dan in Europa. Die sterfte wijt Vrij vooral aan het jaarlijkse gesleep met de bijen door het land, niet zozeer aan het gebruik van insecticiden door boeren. In het seizoen trekken vrijwel alle imkers van Amerika naar Californië voor de bevruchting van de amandelbomen. Door die concentratie wordt de kans op virussen volgens hem sterk vergroot. Kortom, de Amerikaanse imkers veroorzaken de sterfte dikwijls zelf. In Amsterdam begon de aandacht voor het houden van bijen pas toe te nemen nadat Frank Mandersloot zijn kunstwerk ‘Voor de bijen’ in het Rietlandpark had geplaatst. Die bijen hebben het niet overleefd. Gebrekkige kennis, dat is eigenlijk het grote probleem.

Tagged with:
 

Literatuur van de straat

On 8 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Winter Journal’ (2012) van Paul Auster:

De poging tot autobiografie van Paul Auster – de 64 jarige schrijver uit New York die terugblikt op zijn leven – liet me niet onberoerd. Iedereen zou zijn leven net als Auster in ‘Winter Journal’ deed kunnen beschrijven, aan de hand van zijn eigen lichaam, de adressen nalopen waar hij heeft gewoond, de dood navoelen van de ouders, de weersomstandigheden inventariseren, het voedsel, de vrouwen, de liefdes, de scholen, de hotels, de kwetsuren nogmaals kunnen ervaren, enzovoort. Mooi is de beschrijving van zijn verhuizing van Manhattan naar de overkant van de East River, naar Brooklyn in 1980. Hij belandt er in Carroll Gardens, een in zichzelf gekeerde Italiaanse gemeenschap in een buurt die destijds te boek stond als de veiligste in het verder gevaarlijke New York. Bekeken voelde hij zich er, begluurd door de vrouwen op stoepen, anders dan Afro-Amerikanen weliswaar niet ruw buitengesloten, maar ook niet welkom.

En altijd maar dat lopen. Auster beschrijft zichzelf voortdurend wandelend door de stad. Wanneer hij de sensaties beschrijft die hij ervoer met zijn lichaam in beweging door ruimtes, eindigt hij met wandelen over trottoirs, "for that is how you see yourself whenever you stop to think about who you are: a man who walks, a man who has spent his life walking through the streets of cities." Schrijven staat voor hem gelijk aan lopen. Helemaal op het eind komt hij op dat gegeven terug. "In order to do what you do, you need to walk. Walking is what brings the words to you, what allows you to hear the rhythms of the words as you write them in your head." Ook al schrijft hij zijn boeken achter zijn bureau, net als Dante heeft hij voor zijn boeken vele paren sandalen versleten. "You sit at your desk in order to write down the words, but in your head you are still walking, always walking, and what you hear is the rhythm of your heart, the beating of your heart." De stad als inspiratiebron voor grote schrijvers, de literatuur ligt op straat.

Tagged with:
 

Street life

On 30 januari 2014, in openbare ruimte, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 17 januari 2014:

 

Keith Hampton, verbonden aan Rutgers University, had een briljant idee. Hij besloot de publieke ruimtes die de socioloog William Whyte in 1975 met zijn filmische ‘Street Life Project’ op slag wereldberoemd hadden gemaakt opnieuw te filmen. Dat meldde laatst The New York Times. Hampton ging terug naar plekken als Briant Park, direct achter de New York Public Library, maar ook naar pleinen en straten in Los Angeles, Philadelphia en Boston. Whyte had hier destijds met een super-8 camera vanaf een hoog standpunt de mensen op straat gefilmd. Zijn camera werkte met een digitale klok: elke 10 seconde volgde een filmshot. Zo was Whyte in staat geweest het gedrag van mensen in de publieke ruimte in New York en andere Amerikaanse steden gedurende de dag vast te leggen en wetenschappelijk te observeren. Van zijn ‘The Social Life of Small Urban Spaces’ (1980) heb ik nog altijd een exemplaar. Hampton deed het opnieuw. Hij wilde weten of in de kleine veertig jaar die sindsdien verstreken het gedrag van mensen in diezelfde openbare ruimte ook is veranderd. Dat blijkt inderdaad het geval.

Hampton meende dat stedelingen in 2013 eenzamer zouden zijn dan in 1975, meer in zichzelf gekeerd, druk in de weer met hun mobieltjes, ear phones en laptops. Dat bleek niet het geval. Gemiddeld slechts 3 procent van de wandelaars stond te bellen, te gamen of te mailen op straat; de meesten leken dit te doen in afwachting van de komst van iemand met wie ze een afspraak hadden. Het sociale verkeer op straat bleek juist veel intenser, wat Hampton deels verklaart uit de mobiele technologie die meer ontmoetingen in de publieke ruimte lijkt uit te lokken. “Technology is not driving us apart.” Technologie verbindt juist mensen. Opvallend was ook de toegenomen drukte op straat in het algemeen, op alle plekken die Hampton opnieuw had onderzocht. En het meest verrassende was wel dat vooral het aandeel vrouwen in de publieke ruimte sterk was toegenomen. Vrouwen bleven in 1975 nog overwegend thuis, bij de kinderen, je zag ze bijna niet op straat (alleen in winkelstraten.) Tegenwoordig domineren ze overal de stedelijke publieke ruimte. Ze eten, drinken, wandelen, ontmoeten elkaar. De stedelijke publieke ruimte, concludeert Hampton, is door de emancipatie van vrouwen publieker en socialer geworden.

Tagged with:
 

Politiek laboratorium

On 2 januari 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 9 november 2013:

Kijk, kijk. De inauguratie van de nieuwe burgemeester van New York, Bill de Blasio, werd op 1 januari 2014 zowaar uitgezonden op de nationale televisie. Voor het eerst ooit brachten Amerikaanse nationale zenders een degelijk evenement live in beeld. Tot nu toe was dit voorbehouden aan Amerikaanse presidenten. Het tekent de zwakte van Washington als politiek centrum en de groeiende betekenis van metropolen als politieke entiteiten wereldwijd, zeker als ze Wall Street binnen hun grenzen hebben. Zo werd door de media ook het aantreden van De Blasio gezien: als een gewaagd politiek experiment, en de stad New York als niet minder dan een ‘politiek laboratorium’. De verlamming die is toegeslagen in de belangrijkste natie-staat ter wereld wordt in Amerika ruimschoots gecompenseerd door grote dynamiek en daadkracht in haar grote steden. Na het tijdperk-Bloomberg, waarin de grootste stad van Amerika stad werd gerund als een bedrijf – ‘make government work like business’ -, is het nu aan de linkse politiek om de New Yorkse samenleving duurzamer, welvarender en rechtvaardiger te maken.

Wat zijn de onderwerpen waar de buurtwerker en voormalig ombudsman De Blasio op scoort? Ongelijkheid, extreme rijkdom versus snel groeiende armoede (ook wel: de wegvallende middenklasse) en willekeur in het optreden van de politie. Daar wil de nieuwe burgemeester iets aan doen. In zijn rede ‘A Tale of Two Cities’ zette hij de schrijnende tegenstelling tussen het rijke New York van Bloomberg – de plutocraten – tegenover het arme New York van de migranten en werklozen. Terwijl de Big Apple redelijk economisch succesvol is, zijn het vooral de vastgoedprijzen en de woonkosten die skyhigh stijgen. Hierdoor vallen steeds meer mensen buiten de boot en worden verdreven. De cijfers: in 2001 telde New York 8,1 miljoen inwoners, in 2013 is dat 8,3 miljoen. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft is eveneens gegroeid, maar percentueel constant gebleven: 21,2 procent. De werkloosheid is in de twaalf jaar Bloomberg opgelopen van 7,6 procent naar 8,6 procent. De omvang van de stedelijke economie is in die tien jaar licht afgenomen, van 513,7 miljard dollar naar 509,4. De Blasio wil via lokale belastingheffing de lokale ongelijkheid bestrijden. Wordt hem dat gegund? De redactie van The Economist moet het nog zien. Maar die van The Washington Post neemt De Blasio serieus. ‘“There’s a progressive movement in this country that’s having a real effect,” he says, adding that “the inequalities we’re facing are becoming just fundamentally unacceptable.” De Blasio is right about that’. De krant verwacht geen loochening, wel een duidelijke koerscorrectie. Iedereen zal de komende tijd op New York letten. Al was het maar omdat een sneeuwstorm de stad bedreigt.

Tagged with:
 

Fixing a sewer

On 11 oktober 2013, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic Cities’ van 13 juni 2012:

Vorig jaar verscheen van de hand van de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber een opmerkelijk boek over hoe deze wereld beter kan worden bestuurd. Antwoord: niet door staten, wel door steden. Preciezer, niet door regeringen, maar door burgemeesters. In ‘If Mayors Ruled the World’ betoogt Barber dat regeringen tegenwoordig disfunctioneren, hetgeen getuige wat er op dit moment in Washington gebeurt hoogst actueel blijkt te zijn. Steden daarentegen worden volgens Barber overwegend partijloos en pragmatisch bestuurd. Burgemeester La Guardia van New York zei het ooit zo: “There is no Democratic or Republican way of fixing a sewer.” Stedelijke politiek gaat niet over macro-economie of oorlogen voeren. Ze gaat over alledaagse dingen, over hoe mensen samen kunnen leven. Democratie begon ooit in steden. Goede governance tref je er veelvuldig aan. Effectief leiderschap wordt bij uitstek in steden aangetroffen. Steden leren ook sneller van elkaar en zijn ook beter in staat om samen te werken dan landen. Met een parlement van burgemeesters – een ‘audiament’- denkt Barber de wereld veel beter te kunnen besturen.

Vreemd? In een interview met Richard Florida in The Atlantic Cities verwoordde Barber het vorig jaar aldus: “There are literally hundreds of networks already linked up in which a great deal of transnational cooperation already is taking place. When I speak of an ‘audiament’ I mean to remind us that parliaments too often focus on talking at people, whereas democracy requires that we listen to one another and seek common ground. The key to the arts of democracy is how we listen to one another, not how we talk. For what we are seeking is common action that is voluntary, and this calls for mutual understanding – that is, listening.” Anders gezegd, de mondiale netwerken van steden fungeren nu al als horizontale, democratische governance-structuren. Daar is meer dialoog dan in de nationale parlementen. En deze netwerken groeien als kool. Met de ‘Shutdown’ in de Verenigde Staten lijkt men zijn voorstel daar nu ineens buitengewoon serieus te nemen. Deze week sprak Barber in New York voor het Citylab van burgemeester Bloomberg, in aanwezigheid van 300 vertegenwoordigers van Amerikaanse steden. Time Magazine riep Bloomberg bij die gelegenheid al uit tot de nieuwe wereldleider.

Tagged with: