Schoorsteen moet roken

On 27 april 2013, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 5 februari 2013:

Alarmerend nieuws was het. Nederlandse lucht voldoet bij lange na niet aan de normen die zowel de Wereldgezondheidsorganisatie als de Europese Unie hanteren. Dat was de strekking van een recent artikel in NRC Handelsblad. Jaarlijks sterven zo’n drieduizend Nederlanders vroegtijdig door blootstelling aan fijn stof en ozon. Dat is bizar veel. Wat heet. Nederland scoort het hoogste van heel Europa. Oorzaken: de intensieve veehouderij en het autoverkeer. Beide zijn naar verhouding extreem. Op de Veluwe, in Brabant en in Limburg is het slecht gesteld met de luchtkwaliteit vanwege de intensieve veehouderij. Ook rond de verkeersknooppunten Utrecht en Amsterdam is ze ronduit beroerd. Echter, de allerslechtste luchtkwaliteit wordt gemeten in Rotterdam, Den Haag en het Rijnmondgebied. Dat kan niet aan intensieve veehouderij of autoverkeer alleen te wijten zijn; de bron is daar de havenindustrie die de stedelijke bevolking in het hele westen van het land in haar greep houdt.

De rest van het artikel gaat over de betrouwbaarheid van de metingen. Ook wordt gesteld dat het autoverkeer in en rond de grote steden zou moeten worden stilgelegd. Dat lijkt me een volstrekt onjuiste conclusie. De grote steden zijn niet verantwoordelijk voor het vele autogebruik. Integendeel, dat extreme autoverkeer wordt juist veroorzaakt door jarenlang spreidingsbeleid: ruimtelijk beleid dat er op gericht was de steden in het westen vooral niet te laten groeien. Groeikernen, industriekernen, VINEX-locaties, Randstad-idee met haar complementariteitsgedachte, ze moesten er voor zorgen dat er geen grote steden konden ontstaan. Het gevolg van dit anti-stedelijke, op suburbanisatie gerichte beleid: overbelaste autowegen, onderbenut openbaar vervoer, filerijden. De kaart van Nederland met de bedroevende scores van luchtkwaliteit spreekt wat dat betreft boekdelen. Verbetering van de Nederlandse luchtkwaliteit kan maar op drie manieren: grote steden bouwen, de mainports relativeren en stoppen met de bevordering van de intensieve veehouderij. Alle drie de maatregelen lijken in dit vieze land onbespreekbaar. De nationale schoorsteen moet immers roken.

Veldhoven–New York

On 25 april 2013, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2013:

Onder de kop ‘Liever Veldhoven dan Silicon Valley’ verscheen onlangs in NRC Handelsblad een opzienbarend interview met Eric Meurice, de Franse topman van hightechbedrijf ASML. “Hij vertrouwt op innovatie, maar je weet nooit wanneer het werkt.” Je zou van Meurice een verhaal over het succes van de Eindhovense regio verwachten. Daar is ASML immers gevestigd. Niets is echter minder waar. In plaats daarvan krijgt de lezer een verhaal over het dorpje Veldhoven voorgeschoteld. “Ons verdienmodel is gebaseerd op heel veel investeren in een klein dorpje – Veldhoven. Zo ontwikkelen we kennis die superieur is aan concurrenten als Nikon en Canon. Hier stoppen we mensen in een ‘aquarium’, afgesloten voor de buitenwereld.” Meurice denkt dat zijn bedrijf het niet gered zou hebben in Silicon Valley. “In Silicon Valley zouden we na twee jaar twintig procent van onze werknemers kwijt zijn.” Anders gezegd, de Eindhovense regio is zeker geen Silicon Valley. Er zijn daar in ieder geval geen concurrenten te vinden. “Als we zoveel geld hadden besteed in Silicon Valley zouden we het niet gered hebben.”

Wat een verschil met het verhaal van burgemeester Bloomberg van New York. Zijn ambitie om van New York een ‘Silicon Alley’ te maken heeft een volstrekt andere achtergrond. De metropool New York wil internethoofdstad van de wereld worden. Er kan daar geen concurrentie genoeg zijn. En het werkt. New York telt na Silicon Valley de meeste startups. Rond Union Square, hartje Manhattan, vestigden zich de afgelopen jaren honderden nieuwe techbedrijfjes. De metropool zet vooral in op onderwijs. Op Roosevelt Island heeft ze ruimte gemaakt voor een nieuwe technische universiteit – een samenwerkingsverband van Cornell University en de technische universiteit van Haifa. Bloomberg: “De beloning is dat we nieuwe banen creëren. Bedrijven vestigen zich op de plekken waar talent zit.” Google investeert nu stevig in New York. Aan Ninth Avenue heeft het grootste internetbedrijf ter wereld onlangs een groot bouwblok gekocht. Ook Spotify is er neergestreken. Het bedrijf uit Silicon Valley zoekt aansluiting bij de advertentiemarkt, bij de marketingbedrijven en bij het nieuwe talent. Ook kan het zo makkelijk de kleintjes in de buurt opeten door ze simpelweg op te kopen. Twee verhalen over innovatie. Het dorp versus de metropool. Het aquarium versus de mierenhoop. De monopolist versus de concurrentie. Wat een verschil!

Tagged with:
 

Niet meer in te lopen

On 28 maart 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 december 2012:

Zie je wel? Hoe groter de stad, hoe hoger het tempo van leven. De Amerikaanse psycholoog Marc Bornstein van Princeton University en zijn team deden al in 1994 onderzoek naar de samenhang tussen loopsnelheid en bevolkingsomvang in 25 steden in zes verschillende landen. Wetenschapsjournalist Dirk Vlasblom berichtte er laatst over in NRC Handelsblad. Hoe groter de stad, hoe sneller de mensen bewegen. In 1979 publiceerden Bornstein e.a. erover in de ‘International Journal of Psychology’’. Het verband bleek zeer sterk. Later herhaalde de Britse psycholoog Richard Wiseman van de University of Hertfordshire precies hetzelfde onderzoek. In tien jaar tijd bleken de stedelingen zelfs tien procent sneller te zijn gaan lopen. Singapore stond nu bovenaan de lijst. Voetgangers liepen er gemiddeld 6,24 kilometer per uur, zelfs 30 procent sneller dan begin jaren negentig. In Guangzhou, China (13 miljoen inwoners) waren de inwoners 20 procent sneller gaan lopen: 6,02 kilometer per uur. Vergelijk dit met een relatief kleine stad als Manama, Bahrein (150.000 inwoners): 3,72 kilometer per uur. In Utrecht liepen inwoners gemiddeld 5,45 kilometer per uur.

Conclusie: het looptempo volgt de mondiale trend van economische groei, welstand, gezondheid en vooral omvang van steden. Hoe groter de stad, hoe hoger het looptempo. In 1994 lag het tempo in de top drie steden tweemaal hoger dan in de langzaamste drie. Toen nog betrof het Duitse, Zwitserse en Ierse steden. Nu, anno 2013, zijn de Europese steden ruimschoots gepasseerd door metropolen in China, Latijns Amerika en Indonesië. Daar ligt het tempo van leven inmiddels veel hoger dan bij ons. Nederlandse steden lopen letterlijk achter; ze zijn eenvoudig veel te klein. De werkelijke achterhoede wordt echter gevormd door steden in het Midden-Oosten. Zo traag als Jeddah en Isfahan zijn Amsterdam en Rotterdam nog net niet.

Tagged with:
 

Gehoord op de Zuidas in Amsterdam op 21 maart 2013:

Afgelopen week de deelnemers van de nieuwe leergang ‘Triomf van de stad’ van Wim Derksen toegesproken op de Amsterdamse Zuidas, al jaren de duurste grond van Nederland. Onderwerp: stad en cultuur. Het begon onschuldig met een uitleg over festivals en evenementen en hoe je je eigen stad daarmee impulsen kunt geven door betere benutting van de openbare ruimte, de infrastructuur, de hotels, de culturele voorzieningen. Alles heel praktisch en organisch, licht en ook goed toe te passen in Utrecht, Vlaardingen, Almere en Zoetermeer. Een deelnemer merkte op dat zoiets kennelijk in Amsterdam gemakkelijker gaat dan elders in Nederland. Zeker, er is hier meer van alles, je hoeft niet zo te duwen en te trekken, de dingen gaan in Amsterdam bijna vanzelf. Het deed Derksen denken aan het ogenschijnlijke gemak waarmee de Amsterdamse marathon groeit en nu al die van Rotterdam in aantallen deelnemers overtreft. Dat klopt. Daarover ging mijn tweede, meer theoretische gedeelte van de cursus. Maar dat deel viel bij de cursisten in minder goede aarde.

Volgens Geoffrey West en anderen zijn grote steden efficiënter dan kleine steden. In ‘Growth, Innovation, Scaling and the Pace of Life in Cities’ (2006) stellen de wetenschappers vast dat steden niet anders functioneren dan andere levende organismen. Verdubbelt een stad in omvang, dan heeft hij maar 85% meer energie nodig, net als dieren. Je vindt in grote steden dan ook naar verhouding meer winkels, meer tankstations, meer banken, meer supermarkten, meer voorzieningen, meer cultuur, meer dan je op grond van hun omvang zou mogen verwachten. Grote steden zijn niet alleen duurzamer, ze bieden de mensen gemiddeld ook meer van alles. Dat komt doordat grote steden productiever zijn dan kleine. Mensen lopen er harder, denken er sneller, er is meer interactie. De taak van planning, aldus West, is om interactie te maximaliseren en daarbij de hinder te minimaliseren. Dat betekent grote compacte metropolen bouwen en de congestie binnen die reusachtige steden bevorderen op de plekken waar de grondwaarde het hoogste is. Zo’n metropool zal worden beloond met veel voorzieningen ter plekke. In relatief kleine steden zal de overheid echter zwaar aan moeten die voorzieningen moeten trekken, ze opzettelijk plannen en er veel publiek geld tegenaan moeten gooien.  Dat is niet duurzaam en zonde van de energie en het geld.

Golfslag

On 5 maart 2013, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen S&RO nr. 6 van 2011:

Afgelopen week werd bekend dat het kabinet 6 miljard euro bezuinigt op infrastructuur. Voor 670 miljoen euro zijn er projecten geschrapt, de rest van de werken wordt uitgesteld. De projecten vormen onderdeel van een Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In die structuurvisie, die in 2011 het licht zag, valt te lezen hoe de Nederlandse regering haar ruimtelijke inrichting wil vormgeven de komende jaren. De infrastructuur maakt daar onderdeel van uit. Welke consequenties hebben de bezuinigingen op de inrichting van ons land? Ik heb er in de kranten erop nageslagen, maar niets kunnen vinden. Daarom de structuurvisie zelf nog maar eens doorgebladerd. Zo kwam ik het artikel van Hans van der Cammen weer tegen, verschenen in Stedebouw & Ruimtelijke Ordening in de zomer van 2011, waarin deze emeritus-hoogleraar ruimtelijke planning aan de Universiteit van Amsterdam de structuurvisie afzet tegen de eerdere rijksnota’s over de ruimtelijke ordening. “Hoe presteert de nieuwe structuurvisie in dit gezelschap?”

Van der Cammen is wijs genoeg om elke rijksnota op zijn eigen merites te beoordelen. Elk heeft zijn eigen voorgeschiedenis, context en kleur. Hij spreekt ook van een ‘golfslag’ in het nationale ruimtelijke beleid sinds 1945: “Maatschappelijke urgenties varieerden, evenals de juridificatie van de maatregelen, hun afdwingbaarheid en succes.” Ten aanzien van de SVIR spreekt hij van een grote opruimactie – een ‘opgeschoonde canon van dertien rijksbelangen’. Veel uitspraken, stelt hij vast, over mobiliteitsnetwerken, goederenstromen, multimodale knooppunten, draaischijven en ga zo maar door. Maar helemaal niets over de steden. De steden waren sinds de Tweede Nota (1966) juist een hoeksteen van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Vreemd vindt hij het ook om een andere reden. “Niet eerder in de hier besproken vijftig jaar waren stedelijke gebieden zó bepalend voor de toekomst van het land als nu. Daar concentreren zich de grote kansen en bedreigingen. Daar zitten de innovatiebolwerken van onze economie, de feeders van het verkeer, de labs van de sociale integratie. Niet eerder waren de steden zozeer culturele brandpunten en consumptieparadijzen als nu. Niet eerder wilden zoveel mensen (weer) in de stad wonen en werken.”  Van der Cammen spreekt van het ‘kannibaliseren van de nationale ruimtelijke ordening’. Twee jaar later, met de bezuinigingen van het kabinet die ook de steden treffen, wordt het dus nog erger. Ondertussen stelt president Obama in Washington een Ministerie voor Steden in. Wie een economie wil redden, investeert nu in de stad, maar onze regering doet het niet. Golfslag? Nee, het is eb.

Tagged with:
 

Derde gouden eeuw

On 31 januari 2013, in boeken, geschiedenis, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Nederland stedenland’ (2012) van Ed Taverne e.a.:

Het laatste essay in de recent verschenen bundel NWO-studies ‘Nederland stedenland’ is van de hand van Ton Kreukels, emeritus-hoogleraar planologie aan de Universiteit Utrecht. Daarin geeft hij een historische analyse van de Nederlandse stad in ‘drie gouden eeuwen’. De eerste van de drie gouden eeuw is bekend, die wordt gedragen door ‘de stad in de Republiek’. De tweede gouden eeuw valt samen met de industriële revolutie. De derde gouden eeuw beleven wij op dit moment. Kreukels laat haar beginnen in 1960, met de opkomst van de verzorgingsstaat. Pas relatief laat overigens zouden de steden hiervan profiteren. Volgens Kreukels had de ‘stadsreparatie’ niet eerder dan begin van de jaren negentig succes en pas in 2010 zijn volgens hem de grote steden weer helemaal terug op het toneel. Vooral Amsterdam oefent sindsdien een grote aantrekkingskracht uit. Maar het heersende regime is nog altijd het verzorgingsregime waarin de overheid domineert en die in zijn dominantie “de betekenis en effectiviteit van de fijnmazige stelsel van georganiseerde belangen” in de weg zit. Langzaam wordt deze onbalans gecorrigeerd. “Dit proces is nog steeds volop aan de gang, zonder dat er in de praktijk en in de politieke doctrines een nieuw evenwicht lijkt gevonden in de verhouding tussen de maatschappij, de profit- en de non-profitsector en de overheid.” Dat is een heel andere zienswijze dan die van de Britse historicus Tony Judt in ‘’Ill Fares the Land’!

Kreukels ziet de derde gouden eeuw nog lang niet ten einde lopen. Wel heeft het Rijk voor hem afgedaan. Die heeft gebrekkige kennis, moet bezuinigen en is veroordeeld tot herstel van de marktwerking. Nee, het gebeurt nu in de steden. “In die zin ligt er in de steden nog een groot potentieel aan handelingsvermogen in de micro- en mesosfeer, waarvan in de komende tijd kan worden geprofiteerd: de derde gouden eeuw.” Wel vindt hij dat de ‘corporate actors’ daar te makkelijk hun multinationale belangen kunnen behartigen, evenals de talloze professionale adviseurs en advocacy planners. De lokale overheid moet juist macht delen met al die andere, kleinere spelers, zeker in Amsterdam. Hij hoopt daarom op een ‘tegenoffensief van schaalverkleining’. In die zin lijkt hij verwant aan David Harvey en toont hij zich een planoloog die groot geworden is in de jaren zeventig. Nee, het is een mooi essay. Eigenlijk te beknopt nog. Werkelijk boeiend.

Tagged with:
 

Low friction

On 29 januari 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gehoord op 24 januari 2013 in Amsterdam:

Een zestiental mid-career Sloan Fellows van MIT (Massachusetts Institute of Technology, Boston), afkomstig uit de hele wereld, bezocht afgelopen week Nederland. Na Den Haag en Eindhoven eindigde hun bezoek in de hoofdstad, in Amsterdam. Hun reis stond in het teken van het REAL-programma van MIT. REAL staat voor: Regional Entrepreneurial Acceleration Lab. Het is een laboratorium waarin op basis van gefundeerde theorieën bestudeerd wordt hoe regionale economieën gefaciliteerd kunnen worden, met de nadruk op innovatief ondernemerschap. Men vergelijkt cluster-georiënteerde benaderingen met creatieve-klasse prespectieven, zeg maar: Michael Porter en Michael Storper tegenover Richard Florida. “The REAL MIT Sloan Fellows will take a series of deep dives into different regions, cities and nations that exemplify entrepreneurial growth and economic development across sectors and across the world.” Een van die regio’s, steden en landen is Nederland c.q. Amsterdam. Annemieke Roobeek, hoogleraar Strategie en Verandermanagement aan Nyenrode Business University, begeleidde de delegatie.

Na vier dagen Nederland, waarvan twee dagen Amsterdam, sloot het Amerikaanse gezelschap haar bezoek af in de ambtswoning van de burgemeester aan de Herengracht. Dan Harple, een van de Sloan Fellows, hield daar een toespraak waarin hij verhaalde van de bevindingen van de groep. Hun was vooral opgevallen, zei Harple, de ‘low friction’. Die geringe frictie gold in velerlei opzichten. Waar je in Silicon Valley lang moest autorijden om van de ene afspraak naar de andere te komen, daar sprong je in Amsterdam gewoon op je fiets; overal kon je snel en gemakkelijk binnenkomen, de omgangsvormen zijn informeel.  Ondanks die losse, informele stijl en geringe dominantie van de auto blijkt Amsterdam buitengewoon goed georganiseerd en kan er snel iets geregeld worden; er is ook relatief weinig bureaucratie. De lokale overheid is er toegankelijk en meewerkend. Het andere dat de Sloan Fellows was opgevallen was ‘volume’: er is enorm veel Amsterdams talent en dat talent ligt voor het oprapen, de initiatieven, aldus Haple, zijn niet te tellen. Harple, die tevens co-founder is van Nexuslabs Foundation, zei dat hij ‘venture capitalists’ zal wijzen op deze goudmijn aan de andere kant van de Atlantische Oceaan en dat Nexuslabs deze kapitaalverschaffing aan jonge, innovatieve Amsterdamse ondernemers zal gaan ondersteunen. Waarvan akte.

Tagged with:
 

Kwaliteit loont

On 6 december 2012, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 17 september 2012:

Twee berichten over de gevolgen van de crisis. Het eerste betreft het wonen en is het al wat oudere nieuws uit de Atlas van Gemeenten van afgelopen zomer, namelijk dat vooral de jongere steden in Nederland te lijden hebben onder de economische crisis. Brabantse steden als Oss, Roosendaal en Eindhoven doen het op woongebied slecht, de vastgoedprijzen dalen er. Alleen het historische Den Bosch is in het zuiden nog op orde. Ook Almere, Emmen, Spijkenisse, Vlaardingen, Almere, Helmond, Heerlen, Almelo en Enschede worden allerminst aantrekkelijk gevonden. En in het westen van het land raakt de crisis vooral Rotterdam en omstreken. Ook daar betreft het jonge, dikwijls haastig neergezette bebouwing: “De achterstand van het zuidelijke deel van de Randstad op het noordelijke deel neemt verder toe.” De oude steden doen het beter. Amsterdam blijkt op woongebied het aantrekkelijkst. Het andere bericht is afkomstig uit Het Parool. Dat gaat over kantoren. Nederland, aldus het bericht, telt in totaal 232 kantorengebieden in de vijftig grootste gemeenten; volgens Jones Lang Lasalle is dat veel te veel. De meeste deugen niet, er is gebrek aan kwaliteit. “Wij zien dat kantoorgebieden met de meeste leefbaarheid het beste scoren.” Bijna alle gebieden zijn echter middelmatig. De beste kantorenlocaties liggen, opnieuw, in Amsterdam: Zuidas, het centrum en Oost, en de historische centra van Den Haag en Rotterdam.

Als de crisis in ons land één ding duidelijk maakt, dan is dat gebrek aan kwaliteit op de meeste plekken. Die locaties vallen nu door de mand. Vooral de nieuwste bebouwing lijdt aan middelmatigheid. En van alles is er te veel. Dat duidt op gebrekkige ruimtelijke planning. Nationaal is er de laatste decennia allesbehalve zorgvuldig en gedoseerd gebouwd. Het land blijkt overvoerd met middelmatigheid. Behalve in Amsterdam en in de historische centra van Den Haag en Rotterdam. In Amsterdam is juist gebrek aan alles. Ik leid het af uit de twee rapportages. We naderen het einde van het jaar. Ik zou zeggen: laten we het erover hebben.

Tagged with:
 

Power houses

On 2 november 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 31 oktober 2012:

Op de terugweg van Taipei naar Amsterdam lees ik in de Volkskrant dat Taiwan naar verhouding meer miljonairs telt dan Nederland. Het verbaast me niets. Van Lanschot, die de ranglijst bekend maakte van landen in de wereld met de meeste miljonairs, baseerde deze op vermogen, inclusief pensioenopbouw maar exclusief ondernemersvermogen. Nederland staat op plaats 15, Taiwan op 9. Helemaal bovenaan prijkt Singapore. Waarom het me niet verbaast? Taiwan is amper groter dan Nederland, maar telt meer inwoners: 23 miljoen, tegenover de 17 miljoen in Nederland. Op zichzelf zegt dit nog onvoldoende, wel het feit dat die 23 miljoen inwoners van Taiwan dicht opeengepakt in hele grote steden wonen langs de westkust. De rest van het eiland voor de Chinese kust bestaat uit ruige, ontoegankelijke bergen. Deze metropolen nu werken als enorme power houses. Dankzij de grote steden produceert Taiwan meer welvaart dan Nederland met zijn gespreide bevolking en relatief kleine steden.

U bent niet overtuigd? Welnu, op nummer 1 van de wereldranglijst staat een stadstaat (Singapore) van ruim 5 miljoen inwoners, op nummer 2 Quatar, een stadstaat van 2 miljoen inwoners, op 3 Koeweit, een stadstaat van 3 miljoen inwoners. Het hoogst genoteerde Europese land is Zwitserland. Zwitserland is een relatief klein maar sterk verstedelijkt land van 8 miljoen inwoners waarvan de bevolking geconcentreerd is in het noorden; de rest bestaat uit bergen. Datzelfde geldt voor België, op plaats 12, waar de zuidelijk Ardennen leeg zijn en het noordelijke Vlaanderen dichtbebouwd. Ierland in de top tien lijkt een uitzondering op de regel, maar is dat niet: van de 3,9 miljoen Ieren woont een derde in Dublin. Dat Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk niet hoog eindigen heeft veel met hun omvang en de afwezigheid van voldoende grote steden te maken. Londen, Berlijn en Parijs kunnen dat niet compenseren. Alleen de Verenigde Staten eindigen ondanks hun grote oppervlakte hoog: op plaats 7. De VS beschikken over relatief veel grote steden, die over het hele land zijn gespreid. Ik denk dat de aanwezigheid van olie, aardgas en grondstoffen maar een klein deel kan verklaren, ook de wijze waarop de welvaartsconcentratie door regeringen met belastingstelsels wordt gecorrigeerd lijkt me ondergeschikt aan de verklarende werking van de omvang van de steden in verhouding tot het landoppervlak. Echte grote steden in een relatief klein land produceren de meeste welvaart en de meeste miljonairs.

Tagged with:
 

Het kan verkeren

On 8 oktober 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Brazilië’ (1998) van Paul Meurs en Esther Agricola (red.):

Omdat zoonlief naar Brazilië wil, sla ik de architectuurgids van Paul Meurs en Esther Agricola nog eens open. Het boek is de neerslag van een aantal Braziliëreizen die het tweetal architectuurhistorici midden jaren negentig organiseerde naar het Zuid-Amerikaanse land, dat toen juist in opkomst was. Deelnemers aan de excursies schrijven over hun bevindingen in steden als Rio de Janeiro, Brasilia, Curitiba, Salvador en Sao Paulo. Het slothoofdstuk is van de hand van architectuurcriticus Hans van Dijk, destijds hoofdredacteur van het spraakmakende architectuurtijdschrift ‘Archis’. De titel luidt: ‘Factor Brazilië: weidsheid’. Het stelt de vraag: ‘wat neemt men uit Brazilië mee, behalve de op talloze dia’s vastgelegde bevestiging van het beeld dat voor vertrek al in die reisbagage zat.”

Weidsheid dus. Van Dijk: “De grote schaal is lange tijd anathema geweest in Europa. In Nederland was Maaskant de enige architect die haar aandurfde en daarmee heeft hij veel kritiek geoogst.” Hier spreekt iemand over moderne architectuur. Hoewel. “Nu ook in de Europese steden opgaven worden gesteld met grootschalige programma’s op stedelijke leegtes in verlaten haven- en industrieterreinen, bovenop gereorganiseerde spoorwegemplacementen, langs uitgestrekte bundels infrastructuur en in de stedelijke periferie, wint het vermogen om met de grote schaal om te gaan aan relevantie.” Dat was in 1998. Anno 2012 leest de passage van Van Dijk als een fragment uit een vreemd, ander tijdperk. Inmiddels koesteren we namelijk weer de kleine schaal, die ene kavel, het individuele huis, de ‘spontane stad’. Nederland is vijftien jaar later totaal veranderd. Alle Braziliereizen zijn vergeefs geweest. We zijn weer terug bij af. Het kan verkeren.

Tagged with: