Troef van formaat

On 22 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Inventarisatie en analyse campussen’ (2014) van BCI:

Eind 2014 publiceerde Buck Consultants International (BCI) haar nieuwste inventarisatie van campussen in Nederland. Opdrachtgever was het Ministerie van Economische Zaken. In 2012 was de laatste inventarisatie gedaan. Wat is er in die twee jaar gebeurd? Nederland beschikt op dit moment over liefst 58 campussen, waarvan 39 ‘echte’. Twaalf verkeren nog in de idee-fase. Niet meegeteld zijn de campussen waar bedrijfsvestigingen weliswaar ruimtelijk zijn geconcentreerd, maar waar een bedrijfsverzamelgebouw ontbreekt of waar relaties vooral bestaan uit onderlinge leveringen of onderlinge dienstverlening. Ook onderwijs- en zorgcampussen zijn door BCI niet meegerekend. In werkelijkheid telt Nederland dus vele honderden campussen, maar Buck registreerde alleen concentraties van R&D en innovatieve bedrijven met sterke onderlinge relaties.

Opvallend positief is BCI over het fenomeen campus. "In de internationale concurrentiestrijd om R&D-centra en kenniswerkers kan een goede campus een troef van formaat zijn." Maar wat is goed? Onder goed verstaat BCI dat de campus als een magneet op bedrijven werkt en dat ze ook arbeidsplaatsen creëert. Achttien campussen bleken goed te zijn. Tussen 2012 en 2014 groeide het aantal bedrijven daar met ruim 13 procent, het aantal arbeidsplaatsen met 22,5 procent. Het campusbeleid is decentraal beleid dat wordt gemaakt op provinciehuizen. Vandaar dat het rapport cijfers levert per provincie. Buck’s opmerking dat "in bijna alle provincies" de werkgelegenheid daalde maar dat die op de volwassen campussen juist groeide, moet bedoeld zijn voor provinciehuizen om vooral door te gaan op de ingeslagen weg. Slechts in één provincie daalde de werkgelegenheid niet. Dat was Noord-Holland, zeg maar Groot-Amsterdam. Die metropool beschikt door zijn grootstedelijkheid over voldoende innovatief vermogen. Die is pas een troef!

Tagged with:
 

Elektronisch trekpaard

On 21 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 maart 2015:

Alweer bijna vergeten. Op 27 maart 2015 legde een stroomstoring een groot deel van Noord-Holland plat. De oorzaak was een probleem in een hoogspanningsstation van Tennet in Diemen. Verkeerslichten werkten niet meer, mensen zaten vast in de lift, treinen vielen uit, vliegtuigen bleven aan de grond, geldverkeer was onmogelijk, ziekenhuizen schakelden over op noodstroomvoorzieningen; datzelfde gold voor de radio en televisie-studio’s in Hilversum en …. datacenters. Een miljoen huishoudens in en rond Amsterdam had urenlang geen stroom. Nog maar kort daarvoor, op 11 maart, had het Parool een bericht over de snelle toename van het stroomverbruik in uitgerekend deze regio geplaatst. Dat kwam, aldus de krant, met name door de vele nieuwe datacenters en ICT-bedrijven die zich op dit moment  in en rond de hoofdstad vestigen. Tussen 2010 en 2013 was sprake van een groei van liefst 15,8 procent. 

De gegevens waren opmerkelijk. Dit is wat ik las: de totale ICT-branche in Nederland verbruikte in 2013 in totaal 2,7 miljoen kilowattuur aan stroom – evenveel als het verbruik van 900.000 huishoudens. Bijna de helft daarvan (43%) werd verbruikt in de provincie Noord-Holland. Ter vergelijking: in Zuid-Holland is dit aandeel slechts 12,7 procent. In Rotterdam, Den Haag en Utrecht daalde het nota bene, in Den Haag zelfs met een vijfde. Brabant werd niet genoemd. Van alle stroom die Noord-Holland verbruikt gaat nu al 9,4 procent naar de ICT-sector. Het verschil met de rest van Nederland wordt snel groter. Aan de cijfers van het veranderende stroomverbruik zie je dat de Amsterdamse regio binnen Nederland steeds meer als het economische trekpaard fungeert en hier en daar zelfs de trekken krijgt van een Silicon Valley. De grote gangmaker is de Amsterdam Internet Exchange, een van de belangrijkste internetknooppunten ter wereld. In dit licht bezien is de kwetsbaarheid van de stroomvoorziening zoals op die 27ste maart 2015 een majeur punt van aandacht. Nu nog glasvezel. En, vanwege de opslingering, een grotere maatvoering van de stad.

Tagged with:
 

Iconisch

On 6 mei 2015, in infrastructuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gezien in Nederland op 21 april 2015:


Een dagreis in april voerde me per trein van Amsterdam-Zuid naar Den Haag CS, daarna door naar Arnhem. Daar wachtte een excursie, een diner en een tweede vergadering. ’s Avonds met de trein terug naar Amsterdam-Zuid. De zon scheen, het was aangenaam weer, uitstekend reisweer zelfs. Wat me die zonnige dag achteraf het meeste bijbleef: de NS-stations. Dat van Amsterdam-Zuid is druk, zeer druk, maar het station zelf is schamel, op het versletene af. Vier langgerekte perrons met houten luifeltjes, een nauwe passage en verder niets. Opnieuw worden hier extra sporen bijgebouwd vanwege de komst van de Hanzelijn en de NoordZuidlijn, dus het wordt nog drukker en voller, maar het armetierige stationnetje, nog stammend uit 1975 toen de Schiphollijn een voorlopig einde vond in de leegte van Amsterdam-Zuid, verbetert voorlopig niet. Welkom op de Amsterdamse Zuidas, het internationale zakencentrum van Nederland!

Nee, dan Den Haag CS. Architectenbureau Benthem Crouwel heeft hier stevig uitgepakt. Opnieuw heeft dit kopstation in de regeringsstad een ware metamorfose ondergaan. De hal is nu groter dan ooit, het dak een architectonisch hoogstandje, nieuwe glazen gevels sieren de zijkanten, alles heeft een flinke beurt gekregen. Bouwkosten: 120 miljoen euro. En toen moest station Arnhem nog volgen. Daar is liefst tien jaar aan gewerkt. Een waanzinnig station! Ben van Berkel’s UN Studio heeft zich hier helemaal uitgeleefd, alsof een Hogesnelheidslijn naar het hart van Europa in het verschiet ligt. Druk was het er overigens niet. Niet zo gek in een stad van amper 150.000 inwoners. Kosten: 92 miljoen euro. Nu Delft (80 miljoen euro), Breda (130 miljoen euro) en Rotterdam (675 miljoen euro) nog zien. Zijn deze uitgaven werkelijk gerelateerd aan te verwachten passagiersaantallen? Nut en noodzaak lijken hier afwezig. Alles is iconisch gemaakt, lijkt afgeleid van een obsessief netwerkdenken. Wordt in al deze steden soms een Lille-effect verwacht?

Tagged with:
 

Onbespreekbaar

On 4 mei 2015, in economie, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘REOS Internationale vergelijking’ (2014) van Deltametropool:

REOS Vergelijking: Thema Economic Future Europe

Najaar 2014 publiceerde de Vereniging Deltametropool op verzoek van de rijksoverheid een cahier over economische concurrentiekracht van stedelijke gebieden in Nederland. Het gaat hier om de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Eindhoven: het zogenaamde REOS-gebied. Die concurrentiekracht valt danig tegen. De Organisatie voor Ontwikkeling en Economische Samenwerking, de OESO, schreef dit euvel toe aan gebrek aan agglomeratiekracht. Anders gezegd, de Nederlandse grote steden zijn te klein. Centrale vraag was dus: hoe kan de concurrentiekracht van dit dun verstedelijkte landsdeel worden vergroot? Het Rijk is op zoek naar een gezamenlijke strategie. Om de vraag te beantwoorden deed de vereniging een internationale vergelijkende studie van een aantal Europese stedelijke gebieden die met de genoemde Nederlandse steden zouden concurreren. Echter, alles deed ze eraan om te voorkomen dat het ontwikkelen van één grote stad zou worden geagendeerd. Want wat rolde uit de studie?

Zoals zo vaak: wat je erin stopt rolt er ook weer uit. De vereniging koos vier thema’s: polycentrische variëteit, smart delta, economic future Europe en ‘place to be’. Zeg maar: woon- en leefkwaliteit, technologie en innovatie, mainports en connectiviteit, internationale uitstraling. Bij elk thema figureerden telkens vier vergelijkbare Europese steden. In totaal werden 20 steden geanalyseerd. Scores in deze quick scan zijn zowel kwantitatief als kwalitatief. Wat blijkt? Zes steden (Londen, Parijs, Kopenhagen, Stockholm, Berlijn, Wenen) scoren goed op alle vier de thema’s, het REOS-gebied echter niet. Wat kenmerkt die zes? Ze hebben één grootstedelijke kern. Omdat die configuratie in Nederland ontbreekt, aldus de vereniging, lijkt het haar raadzaam te kiezen voor regionale specialisatie en REOS eerder te meten met steden als Grenoble, Frankfurt en Zürich: "De onderzochte regio’s maken duidelijk dat niet alleen de grote steden steeds de winnaars, maar ook kleinere steden dingen mee op specifieke onderdelen." Laat me raden: Eindhoven krijgt smart delta, Rotterdam economische toekomst Europa, Den Haag polycentrische variëteit en Amsterdam ‘place to be’. Weer het oude Randstadliedje. Overigens, een stad als Detroit laat duidelijk zien dat regionale specialisatie op termijn ook weer tot verval leidt. Nooit doen dus! Het mogelijk maken van een echte grote complexe stad blijft in dit land ook in de 21ste eeuw kennelijk onbespreekbaar.

Nu: proactief!

On 27 maart 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 24 maart 2015:

 

 

Het Reuring! Café van de Vereniging voor Overheidsmanagement deed de provincie aan, dit keer Amsterdam. De Stadstimmertuin was veranderd in een Haagse salon. Er speelde een band, de ‘Wizzards of AZ’, er was drank en er waren mooie vrouwen. Moderator Mark Frequin maakte er een vrolijk boel van. Frequin is Directeur-Generaal op het Ministerie van Binnenlandse Zaken te Den Haag. Zijn gastheer was Arjan van Gils, gemeentesecretaris van Amsterdam. Het onderwerp dat deze laatste had gekozen was: ‘De proactieve overheid’. Als gasten had hij uitgenodigd Jos van der Lans (publicist), Paul van der Velpen (directeur GGD), Manfred van Doorn (trainer) en Zef Hemel (hoogleraar). Met leuke limericks leidde hij ze in. Waarover spraken zij? Over de wereld aanvankelijk, maar de zaal bracht het gesprek snel terug naar Amsterdam. Het ging over de grote gemeentelijke reorganisatie. Leidde die tot een proactieve overheid? Hemel zei dat hij niet precies wist wat Van Gils eronder verstond, maar dat hij er een voorstander van was. Op het podium deed hij later een demonstratie van wat volgens hem proactief is: in een hele snelle beweging zijn smartphone tevoorschijn halen om zich vervolgens via Twitter op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen in de wereld. Het kwam niet aan.

De zaal roerde zich. Teveel oude mannen in het panel, vond men. Een opgewonden jongedame in het publiek – bestuurskundige en zelf ambtenaar – sprak lang en nadrukkelijk over de noodzaak van efficiency en bedrijfsmatige sturing. Ze noemde het ‘austerity’. Alsof dat proactief is. Frequin gaf haar alle ruimte. Van Gils knikte instemmend. Burgers, reageerde hij, vragen aan de gemeente overal, op iedere plek, steeds hetzelfde: één gemeentereiniging, één aanpak van de overlast, één loket, één soort van dienstverlening. Hemel daarentegen prees de complexiteit van de grote stad. Hoe complexer, hoe rijker. Neemt de complexiteit toe, dan hoef je minder van bovenaf te sturen, moet je juist improviseren. Het systeem corrigeert zichzelf. Complexiteit verklaart ook waarom Amsterdam zo succesvol is en Rotterdam en Enschede veel minder. Waarop een andere jonge vrouw – ook ambtenaar – vertelde over de teloorgang van experimenten met buurtbegrotingen en andere lokale innovaties in Oost als gevolg van de reorganisatie en het opheffen van de stadsdelen. Wat kwam ervoor in de plaats? Een standaardaanpak, bedacht in het stadhuis. Laatste vraag uit het publiek: wat is nou eigenlijk proactief?

IJzeren eeuw

On 25 maart 2015, in economie, geschiedenis, technologie, by Zef Hemel

Gezien in het Amsterdam Museum op 8 maart 2015:

Tot 2 augustus 2015 is de tentoonstelling ‘De IJzeren Eeuw’ te zien in het Amsterdam Museum in de Kalverstraat. Kort na de opening ging ik er kijken. De eerste zaal is veelbelovend: aan de linkerkant hangen kleurrijke negentiende eeuwse schilderijen die vooral terugverwijzen, aan de rechterkant zwart-wit fotografie die de nieuwste bruggen, stations, spoorlijnen en ingenieurswerken tonen. Daarna volgen de stoommachines, de eerste fabrieken, de afscheiding van België, het onderwerpen van de koloniën. Volgens de bijgevoegde teksten is de aanleg van het Suezkanaal in 1870 de aanleiding voor de Nederlandse regering om in ons land ook echt iets te gaan ondernemen: het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg. Amsterdam volgt schoorvoetend. De urbanisatie van Nederland is volgens de samenstellers niet de motor van de economische ontwikkeling, maar het gevolg van een doortastend optredende rijksoverheid. Dat lijkt mij een ernstige misvatting. De prachtige schilderijen van Breitner van Amsterdam rond de eeuwwisseling moeten dit beeld als het ware bevestigen. Het is Thorbecke die Amsterdam uit zijn winterslaap kust. Werkelijk?

Neem de aanleg van de eerste drinkwaterleiding naar Amsterdam. Dat was een privaat initiatief van Van Lennep, gericht op de stad Amsterdam. Daarover is alleen een filmpje te zien. Maar wat ik vooral in de tentoonstelling mis, die overigens prachtig is, is het Paleis voor Volksvlijt van Samuel Sarphati. Van dat bouwwerk, stammend uit 1863, hangt alleen een klein schilderij. Dat had natuurlijk een flink schaalmodel moeten zijn. Nu lijkt het alsof de Nederlandse regering het voortouw nam in de nationale economische ontwikkeling. Daarmee bevestigen de makers nog steeds het oude beeld dat de natie-staat ons tot nieuwe voorspoed bracht. Niets is minder waar. In 1840 werden de eerste stoomlocomotieven in Amsterdam geproduceerd. Ook het eerste stoomschip stamde uit die tijd. Amsterdam spiegelde zich aan Parijs, Wenen en Londen, maar kon die vergelijking natuurlijk slecht doorstaan. Het miste een koning, die liever in Den Haag verbleef, en het kreeg daarvoor in de plaats een omvangrijk lompenproletariaat dat het verarmende platteland ontvluchtte en in de fabrieken in de hoofdstad op zoek ging naar werk. En met succes. De eerste spoorwegen waren stedelijke initiatieven, geen rijks-bemoeienissen. Dat kwam pas later. Nee, de makers van deze tentoonstelling durven het nog steeds niet aan om steden aan de basis van de economische opbloei te leggen.

Tagged with:
 

No future growth

On 23 maart 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op Phys.org van 26 oktober 2012:

Een bericht op Physics.org zette me op het spoor van een onderzoek van Richard Hausmann, Harvard University, en Cesar Hidalgo, MIT Boston, naar welvaartsgroei van landen. Wat bepaalt hun welvaartspeil en hoe kan economische groei worden voorspeld? In ‘The Atlas of Economic Complexity’ verklaren deze wetenschappers nationale welvaart uit de collectieve kennis van een land. In hun boek drukken ze deze maat uit in ‘economische complexiteit’. Hoe diverser en gespecialiseerder de banen van de beroepsbevolking van een land, hoe groter hun vermogen om complexe producten te maken en hoe hoger hun welvaartspeil. “The secret to modernity is that we collectively use large volumes of knowledge, while each of us holds only a few bits of it.” En: “Society functions because its members form webs that allow them to specialize and share their knowledge with others.” Van 128 landen analyseerden de onderzoekers de collectieve kennis en vormden hiermee een Economic Complexity Index (ECI). Op die index staat Nederland allesbehalve bovenaan. Dat zijn Japan, Zwitserland en Duitsland. Ook Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië zijn complexer. Nederland bevindt zich iets rechts van het midden, op het niveau van landen als Ierland, Mexico en Noorwegen.

Wel is het welvaartspeil in Nederland een flink stuk hoger dan je op grond van haar economische complexiteit zou mogen verwachten. Aardgas kan dit niet verklaren, want daarvoor hebben de onderzoekers de index gecorrigeerd. Het gaat hier puur om de aard van onze nationale economie: die wordt gedomineerd door chemie, logistiek en landbouw – sectoren die niet erg complex zijn. Het ontbreken in Nederland van grote steden als Londen, Milaan, Rome en Parijs, met veel collectieve intelligentie, breekt ons op. Ondertussen ontwikkelen andere landen wèl grote steden. So what? We verdienen toch goed? Zeker, dat is waar. Maar de afwezigheid van een grootstedelijk milieu schept geen gunstige vooruitzichten. “If a country had a lower level of income than was expected for its level of complexity, the researchers predicted that the country would experience more growth in order to ‘catch up’. In other countries, the level of income was higher than expected based on their level of complexity, suggesting that these countries would not experience future growth.” Onze Agenda Stad is daarmee gevormd: bouw in Nederland eindelijk een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 2 februari 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam op 29 januari 2015:

Foto: Allard Pierson Museum

Afgelopen donderdagavond aanwezig geweest bij de opening van het DWDD Pop-Up Museum. Het was een gedenkwaardige avond. Tien zalen van het Allard Piersonmuseum van de Universiteit van Amsterdam aan het Rokin zijn door bekende Nederlanders ingericht met kunst afkomstig uit tien Nederlandse musea. Het televisieprogramma DWDD nam hiertoe het initiatief. Minister Bussemaker verrichtte de opening. Daarna begon een vrolijk feestje waarbij museumdirecteuren en mediamensen elkaar zowaar in de armen vielen. Wat er zoal te zien is? Kunst uit de depots van de tien musea, uitgekozen door de BN-ners naar thema of, gewoon, naar persoonlijke voorkeur. De zalen zijn intiem, lekker volgestouwd en vooral warm en kleurrijk ingericht. Vier maanden lang is dit geslaagde pop-up museum voor het brede publiek te bezichtigen. Het wordt daar vast nog drukker, aan het Amsterdamse Rokin.

Terwijl wereldberoemde musea als het Louvre, Beaubourg en het Guggenheim bezig zijn met filialisering in steden in Azië, het Midden-Oosten of in de regio (Beaubourg Metz), beginnen de Nederlandse musea, omgekeerd, met een gezamenlijk filiaal in de eigen hoofdstad. Voor het eerst zijn de collecties van het Groninger Museum, het Drents Museum, het Rotterdamse Fotomuseum, het Utrechtse Catharijne Convent en al die andere regionale musea bij elkaar te zien op één plek, in het centrum van Amsterdam. In plaats van jarenlang cultureel spreidingsbeleid nu eindelijk ruimtelijke concentratie, samenwerking en samenhang – een vorm van omgekeerde filialisering dus. Wat een geweldig idee! Kan dit pop-up initiatief niet een structureel karakter krijgen? Dus dat alle Nederlandse musea, inclusief het Rotterdamse architectuurmuseum, een permanent gezamenlijk onderkomen krijgen in de hoofdstad. Kunnen we eindelijk ook de unieke collectie bouwkunst weer zien, op de plek waar de meeste reuring is, in Amsterdam.

Tagged with:
 

Radicaal, incrementeel

On 30 januari 2015, in bestuur, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

In Den Haag spreken ze al jaren over een nieuwe sturingsfilosofie. Een van de aardigste boekjes die de afgelopen jaren daarover zijn verschenen, is ‘De energieke samenleving’ (2011). Auteur: Maarten Hajer, in het dagelijks leven directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag. Het boekje gaat over een schone economie en hoe deze te bereiken. Hiertoe is een nieuwe planning nodig, aldus Hajer. Die nieuwe planning begint in de stad. En de kern van die andere, nieuwe planning is: gebruik maken van de creativiteit en het leervermogen in de stedelijke samenleving. Dat is een samenleving van mondige burgers met, aldus Hajer, “een ongekende reactiesnelheid, leervermogen en creativiteit.” Dus niet meer een overheid die lastige burgers corrigeert, maar een overheid die goed luistert en de samenleving mobiliseert. ”De vraag in dit rapport is, kortom, hoe de overheid de kracht van de energieke samenleving kan laten werken op de weg naar duurzaamheid.”

Hajer stelt dat het dikwijls blijkt te gaan om heel lokale belangen die gewone mensen vaak beter begrijpen dan hogere overheden en die op zichzelf weer vrij eenvoudig te koppelen zijn aan mondiale vraagstukken zoals voedselveiligheid en klimaatverandering. Begin dus lokaal, is zijn devies. Van onderop kunnen vervolgens weer nieuwe beelden ontstaan met regionale identiteiten, passend in een groter geheel. Wat Hajer in het boekje voorstelt is een vorm van ‘radicaal incrementalisme’ waarbij het Rijk duidelijke doelen stelt, zijn bevoegdheden decentraliseert , zijn data met iedereen deelt en verder vooral partijen ondersteunt en helpt. Hajer: “Met een duidelijke stellingname kan de overheid veel energie mobiliseren wanneer zij zich erop richt de grote publieke uitdagingen te koppelen aan de directe leefomgeving van de burger.” Midden in die omslag zitten we nu. Er moet nog veel meer worden gedecentraliseerd, geluisterd en geholpen. Ziedaar ook de nieuwe Agenda Stad van het Nederlandse kabinet. Alleen, datzelfde moeten de steden doen: duidelijke doelen stellen, decentraliseren, luisteren en helpen. Over een week begint in Amsterdam aflevering 4 van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang met een nieuwe sturingsfilosofie voor gemeenteambtenaren. Radicaal, incrementeel.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with: