Gelezen in ‘Naar een lerende economie’ (2014) van de WRR:

Meer dan 400 bladzijden telt het recente advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de Nederlandse economie van de toekomst. Die economie is, aldus de raad, een ‘lerende economie’ waarin alle soorten kennis circuleert binnen een onoverzichtelijke multipolaire wereld. Vanaf bladzijde 327 wordt het advies ook voor planologen spannend. Hoofdstuk 11 gaat over ‘responsieve instituties’, met de regio als eenheid van beleid. En ook: de factor ruimte is volgens de raad van cruciaal belang. Nabijheid is zelfs key, “wat zich vertaalt in relatief hoge huren en hogere grondprijzen in de grote steden.” Echter, clustering organiseren van bovenaf, aldus de Raad, is lastig. “Succesvol clusterbeleid vertrekt vanuit wat er is en probeert de samenhang te versterken.” En dan volgt weer de clustertheorie van Michael Porter, waarvan de Raad betwijfelt of die in de Nederlandse conditie wel hout snijdt. Nederlandse regio’s zijn light-versies van buitenlandse en de Randstad mist kritische massa. Waarop de WRR voorstelt: “Het is zaak toe te werken naar een goede, geavanceerde grootstedelijke economie, met een gevarieerd milieu dat jonge mensen kan aantrekken en behouden.” Dat is: bouw een metropool, kan het duidelijker?

Echter, in de uitwerking van deze op zichzelf juiste redenering maakt de WRR een merkwaardige koerswending. Ze meent namelijk dat agglomeraties in Nederland niet sterk zouden kunnen groeien. Dat stelt ze overigens zonder enige nadere toelichting. Waarop ze voor verbetering van de verbindingen tussen regio’s pleit: de zogenaamde ‘borrowed size’. Dat houdt in: verschillende maar aanvullende sectoren in verschillende regio’s moeten tot een ruimtelijke eenheid worden gesmeed. Als u één aanbeveling moet vergeten, dan is het wel die van de ‘borrowed size’. Het is een verwerpelijke, typisch Nederlandse reactie op een uiterst belangrijke vraagstuk, namelijk dat van de dringende noodzaak van grootstedelijkheid in dit land. Opnieuw wordt dit vraagstuk ontweken door een pleidooi voor verdelende rechtvaardigheid op landsdelig niveau, van pappen en nathouden en van iedereen te vriend houden en vooral niet kiezen. Nee erger, de WRR baart hier een ruimtelijk monster. En werken zal het ook niet. Die mieren op het omslag van het rapport, ze lopen naar één punt: de mierenhoop.

Tagged with:
 

Niemandsland

On 24 maart 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 maart 2014:

 
De crisis werkt nu ook door in de politiek. ‘Grote verschuivingen in het politieke landschap’ kopte NRC Handelsblad daags na de gemeenteraadsverkiezingen. Welke verschuivingen? De krant doelde op de val van de PvdA, die ze als ‘historisch’ omschreef. Maar wat komt achter die val tevoorschijn? Twee kaarten van Nederland prijkten op de voorpagina (geografie wordt weer politiek relevant!). Daarop viel iets heel anders te lezen. Eerst dit. Wat vooral opviel waren de enorme afmetingen van de gemeenten in het noorden, oosten en zuiden van het land, tegenover de veelal nog kleine gemeenten in het westen, rond de grote steden. De gemeentelijke herindeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, op veilige afstand van de grote steden zich voltrekkend, tekent zich steeds scherper af. Het effect hiervan? Lokale partijen marcheren op. Dit gaat vooral ten koste van het CDA. En de PvdA? Die is zelfs uit de grote steden verdwenen. In en rond Amsterdam triomferen nu VVD en D66.

De politieke revolutie van Nederland waar wij getuige van zijn, begon in de suburbs. Daar ontstond al vroeg een ideale voedingsbodem voor VVD, SP, GPV en PVV. De door de Nederlandse staat geleide suburbanisatie – eerst de overloop, het spreidingsbeleid, later de VINEX-operatie – heeft van Nederland een overwegend seculier-conservatief land gemaakt van forenzende woonconsumenten in een dunbevolkt niemandsland. Dit verdunde niemandsland is bewust gecreëerd, met actief ruimtelijke ordeningsbeleid. In de zogenaamde Noordvleugel van de Randstad – binnenduinrand, Gooi en Utrechtse Heuvelrug tot aan Arnhem toe (zie kaart) – zien we dit weerspiegeld in een welvarend burgerlijk milieu van tuinsteden en tuindorpen waar hoogopgeleide mensen verlicht-liberaal stemmen: ideaal voor VVD en D66. Alleen staatsonderneming Almere wijkt hiervan af. De rest van Nederland – een amorf landschap van VINEX-wijken in lage dichtheden – stemt nu conservatief, populistisch tot ultra-conservatief. In al die streken hebben de mensen veel te verliezen. Als optimistische eilanden in dit pessimistische landschap liggen de universiteitssteden met hun relatief jonge bevolking van ‘nieuwe stedelingen’, met een energieke mix van D66 en GroenLinks. Open versus gesloten. Het grootste eiland is Amsterdam, met binnen de ring A10 een extreme concentratie vrijzinnigheid. Een ideale voedingsbodem voor politieke nieuwe Wibauten.

Tagged with:
 

Harde waarheid

On 13 februari 2014, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn 2014 nr.1:

 

 

Op 29 december 2013 schreef NRC Handelsblad over een omslag op de Nederlandse woningmarkt. Die omslag doet zich alleen voor in een beperkt deel van het land. Niet in Groningen, Drenthe, Zeeland en Limburg. Daar dalen de woningprijzen onverminderd. Zelfs niet in Zuid-Holland, want daar staan de meeste woningen te koop. “De jongeren en de gezinnen trekken naar de plekken met de banen, de universiteiten, het goede imago.” In en rond Amsterdam trekt alles samen. Daar is sprake van krapte op de woningmarkt. Daar zal de bevolking de komende tien jaar met zeker tien procent toenemen. En verder houden de universiteitssteden – Nijmegen, Eindhoven, Groningen – redelijk stand, maar daar zijn voldoende woningen in de aanbieding. Voor de goede verstaander: het rompertje van de Delftse professor Friso de Zeeuw krimpt gestaag. Welke reactie valt in de gebieden buiten de invloedssfeer van Amsterdam te verwachten? Ik schat: aantrekkelijk bouwen in het hogere segment, om succesvolle kenniswerkers aan te trekken. Ook goed voor de lokale economie. Een kwestie van ‘werken volgt wonen’.

Deze maand verscheen een nieuw nummer van Rooilijn. Daarin schrijven Frank van Oort en Ton van Rietbergen van de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht over het fenomeen van de stedelijke kenniseconomie. Theorieën passeren de revue. Agglomeratie-effecten zijn aanwezig. Steden doen het goed. In de kern komt het hierop neer: “In de huidige kenniseconomie lijkt het bij steden vooral om de kwaliteit van arbeid en om de rol als consumptiecentra te draaien.” Hun observatie is dat wonen geen succesvolle kenniseconomie op gang kan brengen. Sterker, zo’n succesvolle economie kun je niet zomaar maken. Van Oort en Van Rietbergen: “Dit artikel begon met de constatering dat de stad meer dan ooit de plek is waar ieders kansen op welvaart en welzijn toenemen. Steeds vaker wordt de moderne en creatieve consumptiestad hiervoor als verklaring opgevoerd. Een aantrekkelijke stad herbergt echter vooral ook veel aantrekkelijke banen in sectoren waarin kenniswerkers gedijen. Het ontbreken van een perspectief op meer van die banen door een ongunstige economische structuur, maakt dat veel steden niet of veel minder snel meegaan in de stedelijke upgrading.” Met andere woorden, investeringen in het woon- en voorzieningenklimaat helpen niet als de hoogwaardige banen er eerst niet zijn. Verspilling van energie en middelen. Dat staat ons te wachten.

Tagged with:
 

Zonder protest

On 9 december 2013, in infrastructuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pursuing Transit-Oriented Development’ (2013) van Wendy Tan:

Afgelopen donderdag promoveerde Wendy Tan aan de Universiteit van Amsterdam op haar onderzoek naar de implementatie van TOD – Transit Oriented Development. TOD staat voor het ruimtelijke combineren van mobiliteit en activiteiten in knooppunten. Tan, van origine architect afkomstig uit Singapore, had zich in haar zoektocht gefocust op de hindernissen bij de implementatie van TOD-strategieën en het overwinnen daarvan in een aantal steden die hierin succesvol waren geweest: Portland, Oregon; Vancouver, Kopenhagen en Perth, Australië. Hieruit had ze gehoopt te kunnen afleiden hoe bijvoorbeeld ook in Nederland TOD succesvol zou kunnen worden geïmplementeerd. Tot nu toe is het namelijk geen enkele Nederlandse stedelijke regio gelukt om, anders dan op papier, verkeer- en vervoerbeleid en ruimtelijk beleid werkelijk op elkaar af te stemmen. “The situation in the Netherlands seems more conducive for car and bike use than for walking or public transport. While the above average role that cycling plays is in line with TODS prinicples, the limited role of public transport and walking next to the still very significant role of car-based travel are at odds with those principles.”

Tan zocht naar institutionele barrières, institutionele veranderingen en leerprocessen binnen instituties in bovengenoemde steden die gunstig voor implementatie waren geweest. Ze ontwikkelde een model op basis waarvan instituties zich aanpassen. Door vervolgens de vier steden te bestuderen paste ze haar rijke empirische materiaal binnen haar model. Haar conclusie? “Findings indicated that the cumulative forces of reactions and effects determine the direction of change. It is therefore possible to break away from an existing development path and shift towards a more conducive institutional context for TODS. Likewise, it is also possible to regress.” Anders gezegd: “The process of TODS implementation is a process of decades.” Het kan echter ook anders, veel sneller. Opvallend in al haar vier casus is namelijk de omslag die was teweeg gebracht door burgerprotesten. Zelfs in Kopenhagen waren burgers de straat opgegaan om verandering te eisen. Pas hierdoor gedwongen pasten de instituties zich aan. Een grotere betrokkenheid van burgers in de planning van meet af aan zou veel schelen. Haar daarnaar gevraagd, antwoordde ze dat dit correct gezien was, maar dat TOD in haar geboortestad Singapore toch zonder enig burgerprotest was geïmplementeerd. Met andere woorden, Nederlandse planning kan ook zonder burgers. Doe het Singaporees.

Tagged with:
 

Nieuwe markten

On 19 november 2013, in demografie, economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ROM Magazine van oktober 2013:

Friso de Zeeuw is directeur Nieuwe markten bij Bouwfonds Ontwikkeling. In ROM Magazine schreef hij een artikel over de staat waarin de woningmarkt van Nederland op dit moment verkeert. Centraal in het artikel staat een kaartje van Nederland dat per gemeente de kracht van de woningmarkt aangeeft. Indicatoren: de hoogte van de transactieprijs, het aantal woningen dat van eigenaar wisselt ten opzichte van de totale voorraad en de verkoopsnelheid. De Zeeuw: “De sterkte van de woningmarkt vormt een weerspiegeling van demografische en de ruimtelijk-economische staat waarin gemeenten of, juiste gezegd, regio’s zich bevinden.” Hoe groener de gemeente, hoe succesvoller, hoe roder hoe slechter de woningmarkt. In 2010 stileerde De Zeeuw het groene gebied ‘toevalligerwijze’ tot een rompertje: het centrum van Nederland rond Utrecht, met korte uitlopers naar Gelderland, Noord-Holland, West-Brabant en Oost-Brabant was gezond, de rest kromp. Ik herinner me nog een uitzending van Buitenhof waarin hij zijn rompertje tekende. Dwars door dit ‘rompertje’ liep het tracé van de A4, van Amsterdam naar Eindhoven.

Dit jaar herhaalde hij de oefening. Wat blijkt? De Zeeuw: “Het is jammer, maar er ontstaat geen rompertje meer.” Het rompertje blijkt heet gewassen, want het is sterk gekrompen. Rotterdam valt er nu helemaal buiten, evenals Almere, heel Flevoland, Gelderland. Zelfs Eindhoven en Den Bosch bevinden zich in de randen van het gekrompen kledingstuk, dat hier zelfs nog niet de navel van de baby zou verhullen. Heel Brabant kleurt flets. Eigenlijk beschikt alleen de as Amsterdam-Utrecht nog over een gezonde woningmarkt met voldoende dynamiek. Wat concludeert De Zeeuw? Als de woningmarkt weer aantrekt, zal het wel loslopen met Arnhem en Nijmegen en Groningen. Ik vermoed dat Bouwfonds in deze contreien grote belangen heeft. Zelf denk ik dat het daar niet goed komt. De krimp zet door, de leegstand neemt toe. Wie zegt dat het rompertje niet nog verder zal krimpen? Alleen het kerngebied blijft goed draaien. Mits het de komende jaren wordt versterkt.

Tagged with:
 

De opmars van sushi

On 11 september 2013, in voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 2 mei 2013:

Inderdaad, Sushi is volksvoedsel geworden, net als pizza en de chinees. Dat de opmars van dit Japanse voedsel pas laat in Nederland op gang is gekomen, beschreef Marc van Dinther onlangs op boeiende wijze in de Volkskrant. Waar begon het allemaal? In de sushibar van het Okurahotel in Amsterdam-Zuid. Vervolgens was er de Japanse winkel in Amsterdam Oud-Zuid: Meidi-Ya, die in de jaren zeventig maaltijden leverde aan Japanse expats. En dan was er de KLM die cateringmaaltijden nodig had voor zijn vluchten op Japan. Sushi was in die jaren nog iets voor fijnproevers. Van Dinther: “Wie toen had gezegd tegen mensen dat hun (klein)kinderen zich 25 jaar later ermee zouden volstoppen, was voor gek verklaard.” De eerste supermarkt die sushi verkocht was de Albert Heijn in Buitenveldert, op het Gelderlandplein, en in het filiaal achter het Paleis op de Dam. Andere winkels volgden. In 2000 openden in Amsterdam de eerste lopende band sushibars: Zushi en Zento.

Sushi Ran kwam in 1972 naar Amsterdam om de KLM te helpen bij de sushibereiding. In Aalsmeer begon hij in een oude bakkerij sushi te maken. Dertig jaar bereidde hij sushi voor die ene klant. Tussen 2000 en 2006 verdubbelde ineens de omzet. Het Japanse voedsel werd populair. Inmiddels is het bedrijf gevestigd in Leimuiden, waar 160 mensen werken aan het maken van sushi’s in alle soorten en maten. “Dagelijks rollen hier tachtig- tot honderdduizend sushi’s van de band in tachtig soorten.” Alles just in time. Sindsdien kun je in elk tankstation in Nederland sushi’s kopen. Van Dinther: “In het eerste decennium van de 21ste eeuw is sushi definitief afgedaald van de high culture van het Okura tot de low culture van tankstations en bezorgbrommers.” Iedereen lijkt alweer vergeten dat de opmars van sushi in Nederland begon in Amsterdam. Het is bij uitstek de rol die grote steden spelen, zeker in een klein land als Nederland: bron van innovatie, poort naar de wereld.

Tagged with:
 

Stilstaande vijver

On 27 juni 2013, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 22 maart 2013:

Uitgeknipt: ‘Honkvaste Nederlanders blijven generaties lang in dezelfde regio wonen’. Het artikel stond enige tijd geleden in NRC Handelsblad, de bron betrof een onderzoek van het Meertens Instituut over de mobiliteit van Nederlanders in de twintigste eeuw. Nederlanders, was de boodschap, blijven generaties lang in dezelfde gemeente wonen. Limburgers blijven Limburgers, Friezen blijven Friezen, Groningers blijven Groningers. In de Bible belt, met het voormalige eiland Urk als uitschieter, was de mobiliteit zelfs minimaal, evenals in Zeeuws Vlaanderen. Maar ook in Zuid-Limburg en Groningen en Friesland is de verhuisgeneigdheid zeer gering. Alleen de villadorpen rond de grote steden en de nieuwe gemeenten van Flevoland tonen verhuizingen over iets grotere afstand. Echter, ook daar valt de dynamiek danig tegen. Ik moest eraan denken toen ik afgelopen week een sessie meemaakte van ‘De Republiek van Amsterdam’. Vijf hoogleraren in de sociale wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam spraken met de wethouder van stadsontwikkeling, Maarten van Poelgeest, over de groei van Amsterdam. De wethouder wilde weten waarom mensen naar Amsterdam migreren. Vanwege de arbeidsmarkt of vanwege de goede voorzieningen? Waarin moet hij investeren?

Dat Amsterdam aantrekkingskracht uitoefent op mensen elders in Nederland is, getuige het onderzoek van het Meertens Instituut, uitzonderlijk. Veelal komen de instromers uit de andere universiteitssteden en betreft het studenten of pas afgestudeerden. Andere migranten komen van ver, maar niet uit de rest van Nederland. Zij zijn juist laagopgeleid. De bevolking van Amsterdam raakt hierdoor relatief snel hoogopgeleid en tegelijk laagopgeleid, dat wel, maar dat is dus binnen Nederland tamelijk uitzonderlijk. Verder blijft iedereen op zijn plek. Trouwens, ook de Amsterdammers, eenmaal gevestigd, komen niet meer van hun plaats en blijken honkvast. Dat gegeven werd nog eens bevestigd door de hoogleraren. De mobiliteit van Nederlanders, vertelden ze, is uiterst gering. De verzorgingsstaat zorgt goed voor ze, waar ze ook wonen. De verdelende rechtvaardigheid houdt ze op hun plek. Succesvolle steden zullen daardoor niet groeien. Wat was het advies van de hoogleraren aan de wethouder van Amsterdam? Zorg voor een gezonde arbeidsmarkt, maar reken niet op veel dynamiek. Nederland lijkt nog het meest op een stilstaande vijver. Is dat gezond? Nee, natuurlijk niet.

Tagged with:
 

Schoorsteen moet roken

On 27 april 2013, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 5 februari 2013:

Alarmerend nieuws was het. Nederlandse lucht voldoet bij lange na niet aan de normen die zowel de Wereldgezondheidsorganisatie als de Europese Unie hanteren. Dat was de strekking van een recent artikel in NRC Handelsblad. Jaarlijks sterven zo’n drieduizend Nederlanders vroegtijdig door blootstelling aan fijn stof en ozon. Dat is bizar veel. Wat heet. Nederland scoort het hoogste van heel Europa. Oorzaken: de intensieve veehouderij en het autoverkeer. Beide zijn naar verhouding extreem. Op de Veluwe, in Brabant en in Limburg is het slecht gesteld met de luchtkwaliteit vanwege de intensieve veehouderij. Ook rond de verkeersknooppunten Utrecht en Amsterdam is ze ronduit beroerd. Echter, de allerslechtste luchtkwaliteit wordt gemeten in Rotterdam, Den Haag en het Rijnmondgebied. Dat kan niet aan intensieve veehouderij of autoverkeer alleen te wijten zijn; de bron is daar de havenindustrie die de stedelijke bevolking in het hele westen van het land in haar greep houdt.

De rest van het artikel gaat over de betrouwbaarheid van de metingen. Ook wordt gesteld dat het autoverkeer in en rond de grote steden zou moeten worden stilgelegd. Dat lijkt me een volstrekt onjuiste conclusie. De grote steden zijn niet verantwoordelijk voor het vele autogebruik. Integendeel, dat extreme autoverkeer wordt juist veroorzaakt door jarenlang spreidingsbeleid: ruimtelijk beleid dat er op gericht was de steden in het westen vooral niet te laten groeien. Groeikernen, industriekernen, VINEX-locaties, Randstad-idee met haar complementariteitsgedachte, ze moesten er voor zorgen dat er geen grote steden konden ontstaan. Het gevolg van dit anti-stedelijke, op suburbanisatie gerichte beleid: overbelaste autowegen, onderbenut openbaar vervoer, filerijden. De kaart van Nederland met de bedroevende scores van luchtkwaliteit spreekt wat dat betreft boekdelen. Verbetering van de Nederlandse luchtkwaliteit kan maar op drie manieren: grote steden bouwen, de mainports relativeren en stoppen met de bevordering van de intensieve veehouderij. Alle drie de maatregelen lijken in dit vieze land onbespreekbaar. De nationale schoorsteen moet immers roken.

Veldhoven–New York

On 25 april 2013, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2013:

Onder de kop ‘Liever Veldhoven dan Silicon Valley’ verscheen onlangs in NRC Handelsblad een opzienbarend interview met Eric Meurice, de Franse topman van hightechbedrijf ASML. “Hij vertrouwt op innovatie, maar je weet nooit wanneer het werkt.” Je zou van Meurice een verhaal over het succes van de Eindhovense regio verwachten. Daar is ASML immers gevestigd. Niets is echter minder waar. In plaats daarvan krijgt de lezer een verhaal over het dorpje Veldhoven voorgeschoteld. “Ons verdienmodel is gebaseerd op heel veel investeren in een klein dorpje – Veldhoven. Zo ontwikkelen we kennis die superieur is aan concurrenten als Nikon en Canon. Hier stoppen we mensen in een ‘aquarium’, afgesloten voor de buitenwereld.” Meurice denkt dat zijn bedrijf het niet gered zou hebben in Silicon Valley. “In Silicon Valley zouden we na twee jaar twintig procent van onze werknemers kwijt zijn.” Anders gezegd, de Eindhovense regio is zeker geen Silicon Valley. Er zijn daar in ieder geval geen concurrenten te vinden. “Als we zoveel geld hadden besteed in Silicon Valley zouden we het niet gered hebben.”

Wat een verschil met het verhaal van burgemeester Bloomberg van New York. Zijn ambitie om van New York een ‘Silicon Alley’ te maken heeft een volstrekt andere achtergrond. De metropool New York wil internethoofdstad van de wereld worden. Er kan daar geen concurrentie genoeg zijn. En het werkt. New York telt na Silicon Valley de meeste startups. Rond Union Square, hartje Manhattan, vestigden zich de afgelopen jaren honderden nieuwe techbedrijfjes. De metropool zet vooral in op onderwijs. Op Roosevelt Island heeft ze ruimte gemaakt voor een nieuwe technische universiteit – een samenwerkingsverband van Cornell University en de technische universiteit van Haifa. Bloomberg: “De beloning is dat we nieuwe banen creëren. Bedrijven vestigen zich op de plekken waar talent zit.” Google investeert nu stevig in New York. Aan Ninth Avenue heeft het grootste internetbedrijf ter wereld onlangs een groot bouwblok gekocht. Ook Spotify is er neergestreken. Het bedrijf uit Silicon Valley zoekt aansluiting bij de advertentiemarkt, bij de marketingbedrijven en bij het nieuwe talent. Ook kan het zo makkelijk de kleintjes in de buurt opeten door ze simpelweg op te kopen. Twee verhalen over innovatie. Het dorp versus de metropool. Het aquarium versus de mierenhoop. De monopolist versus de concurrentie. Wat een verschil!

Tagged with:
 

Niet meer in te lopen

On 28 maart 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 december 2012:

Zie je wel? Hoe groter de stad, hoe hoger het tempo van leven. De Amerikaanse psycholoog Marc Bornstein van Princeton University en zijn team deden al in 1994 onderzoek naar de samenhang tussen loopsnelheid en bevolkingsomvang in 25 steden in zes verschillende landen. Wetenschapsjournalist Dirk Vlasblom berichtte er laatst over in NRC Handelsblad. Hoe groter de stad, hoe sneller de mensen bewegen. In 1979 publiceerden Bornstein e.a. erover in de ‘International Journal of Psychology’’. Het verband bleek zeer sterk. Later herhaalde de Britse psycholoog Richard Wiseman van de University of Hertfordshire precies hetzelfde onderzoek. In tien jaar tijd bleken de stedelingen zelfs tien procent sneller te zijn gaan lopen. Singapore stond nu bovenaan de lijst. Voetgangers liepen er gemiddeld 6,24 kilometer per uur, zelfs 30 procent sneller dan begin jaren negentig. In Guangzhou, China (13 miljoen inwoners) waren de inwoners 20 procent sneller gaan lopen: 6,02 kilometer per uur. Vergelijk dit met een relatief kleine stad als Manama, Bahrein (150.000 inwoners): 3,72 kilometer per uur. In Utrecht liepen inwoners gemiddeld 5,45 kilometer per uur.

Conclusie: het looptempo volgt de mondiale trend van economische groei, welstand, gezondheid en vooral omvang van steden. Hoe groter de stad, hoe hoger het looptempo. In 1994 lag het tempo in de top drie steden tweemaal hoger dan in de langzaamste drie. Toen nog betrof het Duitse, Zwitserse en Ierse steden. Nu, anno 2013, zijn de Europese steden ruimschoots gepasseerd door metropolen in China, Latijns Amerika en Indonesië. Daar ligt het tempo van leven inmiddels veel hoger dan bij ons. Nederlandse steden lopen letterlijk achter; ze zijn eenvoudig veel te klein. De werkelijke achterhoede wordt echter gevormd door steden in het Midden-Oosten. Zo traag als Jeddah en Isfahan zijn Amsterdam en Rotterdam nog net niet.

Tagged with: