Nu: proactief!

On 27 maart 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 24 maart 2015:

 

 

Het Reuring! Café van de Vereniging voor Overheidsmanagement deed de provincie aan, dit keer Amsterdam. De Stadstimmertuin was veranderd in een Haagse salon. Er speelde een band, de ‘Wizzards of AZ’, er was drank en er waren mooie vrouwen. Moderator Mark Frequin maakte er een vrolijk boel van. Frequin is Directeur-Generaal op het Ministerie van Binnenlandse Zaken te Den Haag. Zijn gastheer was Arjan van Gils, gemeentesecretaris van Amsterdam. Het onderwerp dat deze laatste had gekozen was: ‘De proactieve overheid’. Als gasten had hij uitgenodigd Jos van der Lans (publicist), Paul van der Velpen (directeur GGD), Manfred van Doorn (trainer) en Zef Hemel (hoogleraar). Met leuke limericks leidde hij ze in. Waarover spraken zij? Over de wereld aanvankelijk, maar de zaal bracht het gesprek snel terug naar Amsterdam. Het ging over de grote gemeentelijke reorganisatie. Leidde die tot een proactieve overheid? Hemel zei dat hij niet precies wist wat Van Gils eronder verstond, maar dat hij er een voorstander van was. Op het podium deed hij later een demonstratie van wat volgens hem proactief is: in een hele snelle beweging zijn smartphone tevoorschijn halen om zich vervolgens via Twitter op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen in de wereld. Het kwam niet aan.

De zaal roerde zich. Teveel oude mannen in het panel, vond men. Een opgewonden jongedame in het publiek – bestuurskundige en zelf ambtenaar – sprak lang en nadrukkelijk over de noodzaak van efficiency en bedrijfsmatige sturing. Ze noemde het ‘austerity’. Alsof dat proactief is. Frequin gaf haar alle ruimte. Van Gils knikte instemmend. Burgers, reageerde hij, vragen aan de gemeente overal, op iedere plek, steeds hetzelfde: één gemeentereiniging, één aanpak van de overlast, één loket, één soort van dienstverlening. Hemel daarentegen prees de complexiteit van de grote stad. Hoe complexer, hoe rijker. Neemt de complexiteit toe, dan hoef je minder van bovenaf te sturen, moet je juist improviseren. Het systeem corrigeert zichzelf. Complexiteit verklaart ook waarom Amsterdam zo succesvol is en Rotterdam en Enschede veel minder. Waarop een andere jonge vrouw – ook ambtenaar – vertelde over de teloorgang van experimenten met buurtbegrotingen en andere lokale innovaties in Oost als gevolg van de reorganisatie en het opheffen van de stadsdelen. Wat kwam ervoor in de plaats? Een standaardaanpak, bedacht in het stadhuis. Laatste vraag uit het publiek: wat is nou eigenlijk proactief?

IJzeren eeuw

On 25 maart 2015, in economie, geschiedenis, technologie, by Zef Hemel

Gezien in het Amsterdam Museum op 8 maart 2015:

Tot 2 augustus 2015 is de tentoonstelling ‘De IJzeren Eeuw’ te zien in het Amsterdam Museum in de Kalverstraat. Kort na de opening ging ik er kijken. De eerste zaal is veelbelovend: aan de linkerkant hangen kleurrijke negentiende eeuwse schilderijen die vooral terugverwijzen, aan de rechterkant zwart-wit fotografie die de nieuwste bruggen, stations, spoorlijnen en ingenieurswerken tonen. Daarna volgen de stoommachines, de eerste fabrieken, de afscheiding van België, het onderwerpen van de koloniën. Volgens de bijgevoegde teksten is de aanleg van het Suezkanaal in 1870 de aanleiding voor de Nederlandse regering om in ons land ook echt iets te gaan ondernemen: het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg. Amsterdam volgt schoorvoetend. De urbanisatie van Nederland is volgens de samenstellers niet de motor van de economische ontwikkeling, maar het gevolg van een doortastend optredende rijksoverheid. Dat lijkt mij een ernstige misvatting. De prachtige schilderijen van Breitner van Amsterdam rond de eeuwwisseling moeten dit beeld als het ware bevestigen. Het is Thorbecke die Amsterdam uit zijn winterslaap kust. Werkelijk?

Neem de aanleg van de eerste drinkwaterleiding naar Amsterdam. Dat was een privaat initiatief van Van Lennep, gericht op de stad Amsterdam. Daarover is alleen een filmpje te zien. Maar wat ik vooral in de tentoonstelling mis, die overigens prachtig is, is het Paleis voor Volksvlijt van Samuel Sarphati. Van dat bouwwerk, stammend uit 1863, hangt alleen een klein schilderij. Dat had natuurlijk een flink schaalmodel moeten zijn. Nu lijkt het alsof de Nederlandse regering het voortouw nam in de nationale economische ontwikkeling. Daarmee bevestigen de makers nog steeds het oude beeld dat de natie-staat ons tot nieuwe voorspoed bracht. Niets is minder waar. In 1840 werden de eerste stoomlocomotieven in Amsterdam geproduceerd. Ook het eerste stoomschip stamde uit die tijd. Amsterdam spiegelde zich aan Parijs, Wenen en Londen, maar kon die vergelijking natuurlijk slecht doorstaan. Het miste een koning, die liever in Den Haag verbleef, en het kreeg daarvoor in de plaats een omvangrijk lompenproletariaat dat het verarmende platteland ontvluchtte en in de fabrieken in de hoofdstad op zoek ging naar werk. En met succes. De eerste spoorwegen waren stedelijke initiatieven, geen rijks-bemoeienissen. Dat kwam pas later. Nee, de makers van deze tentoonstelling durven het nog steeds niet aan om steden aan de basis van de economische opbloei te leggen.

Tagged with:
 

No future growth

On 23 maart 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op Phys.org van 26 oktober 2012:

Een bericht op Physics.org zette me op het spoor van een onderzoek van Richard Hausmann, Harvard University, en Cesar Hidalgo, MIT Boston, naar welvaartsgroei van landen. Wat bepaalt hun welvaartspeil en hoe kan economische groei worden voorspeld? In ‘The Atlas of Economic Complexity’ verklaren deze wetenschappers nationale welvaart uit de collectieve kennis van een land. In hun boek drukken ze deze maat uit in ‘economische complexiteit’. Hoe diverser en gespecialiseerder de banen van de beroepsbevolking van een land, hoe groter hun vermogen om complexe producten te maken en hoe hoger hun welvaartspeil. “The secret to modernity is that we collectively use large volumes of knowledge, while each of us holds only a few bits of it.” En: “Society functions because its members form webs that allow them to specialize and share their knowledge with others.” Van 128 landen analyseerden de onderzoekers de collectieve kennis en vormden hiermee een Economic Complexity Index (ECI). Op die index staat Nederland allesbehalve bovenaan. Dat zijn Japan, Zwitserland en Duitsland. Ook Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië zijn complexer. Nederland bevindt zich iets rechts van het midden, op het niveau van landen als Ierland, Mexico en Noorwegen.

Wel is het welvaartspeil in Nederland een flink stuk hoger dan je op grond van haar economische complexiteit zou mogen verwachten. Aardgas kan dit niet verklaren, want daarvoor hebben de onderzoekers de index gecorrigeerd. Het gaat hier puur om de aard van onze nationale economie: die wordt gedomineerd door chemie, logistiek en landbouw – sectoren die niet erg complex zijn. Het ontbreken in Nederland van grote steden als Londen, Milaan, Rome en Parijs, met veel collectieve intelligentie, breekt ons op. Ondertussen ontwikkelen andere landen wèl grote steden. So what? We verdienen toch goed? Zeker, dat is waar. Maar de afwezigheid van een grootstedelijk milieu schept geen gunstige vooruitzichten. “If a country had a lower level of income than was expected for its level of complexity, the researchers predicted that the country would experience more growth in order to ‘catch up’. In other countries, the level of income was higher than expected based on their level of complexity, suggesting that these countries would not experience future growth.” Onze Agenda Stad is daarmee gevormd: bouw in Nederland eindelijk een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 2 februari 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam op 29 januari 2015:

Foto: Allard Pierson Museum

Afgelopen donderdagavond aanwezig geweest bij de opening van het DWDD Pop-Up Museum. Het was een gedenkwaardige avond. Tien zalen van het Allard Piersonmuseum van de Universiteit van Amsterdam aan het Rokin zijn door bekende Nederlanders ingericht met kunst afkomstig uit tien Nederlandse musea. Het televisieprogramma DWDD nam hiertoe het initiatief. Minister Bussemaker verrichtte de opening. Daarna begon een vrolijk feestje waarbij museumdirecteuren en mediamensen elkaar zowaar in de armen vielen. Wat er zoal te zien is? Kunst uit de depots van de tien musea, uitgekozen door de BN-ners naar thema of, gewoon, naar persoonlijke voorkeur. De zalen zijn intiem, lekker volgestouwd en vooral warm en kleurrijk ingericht. Vier maanden lang is dit geslaagde pop-up museum voor het brede publiek te bezichtigen. Het wordt daar vast nog drukker, aan het Amsterdamse Rokin.

Terwijl wereldberoemde musea als het Louvre, Beaubourg en het Guggenheim bezig zijn met filialisering in steden in Azië, het Midden-Oosten of in de regio (Beaubourg Metz), beginnen de Nederlandse musea, omgekeerd, met een gezamenlijk filiaal in de eigen hoofdstad. Voor het eerst zijn de collecties van het Groninger Museum, het Drents Museum, het Rotterdamse Fotomuseum, het Utrechtse Catharijne Convent en al die andere regionale musea bij elkaar te zien op één plek, in het centrum van Amsterdam. In plaats van jarenlang cultureel spreidingsbeleid nu eindelijk ruimtelijke concentratie, samenwerking en samenhang – een vorm van omgekeerde filialisering dus. Wat een geweldig idee! Kan dit pop-up initiatief niet een structureel karakter krijgen? Dus dat alle Nederlandse musea, inclusief het Rotterdamse architectuurmuseum, een permanent gezamenlijk onderkomen krijgen in de hoofdstad. Kunnen we eindelijk ook de unieke collectie bouwkunst weer zien, op de plek waar de meeste reuring is, in Amsterdam.

Tagged with:
 

Radicaal, incrementeel

On 30 januari 2015, in bestuur, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

In Den Haag spreken ze al jaren over een nieuwe sturingsfilosofie. Een van de aardigste boekjes die de afgelopen jaren daarover zijn verschenen, is ‘De energieke samenleving’ (2011). Auteur: Maarten Hajer, in het dagelijks leven directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag. Het boekje gaat over een schone economie en hoe deze te bereiken. Hiertoe is een nieuwe planning nodig, aldus Hajer. Die nieuwe planning begint in de stad. En de kern van die andere, nieuwe planning is: gebruik maken van de creativiteit en het leervermogen in de stedelijke samenleving. Dat is een samenleving van mondige burgers met, aldus Hajer, “een ongekende reactiesnelheid, leervermogen en creativiteit.” Dus niet meer een overheid die lastige burgers corrigeert, maar een overheid die goed luistert en de samenleving mobiliseert. ”De vraag in dit rapport is, kortom, hoe de overheid de kracht van de energieke samenleving kan laten werken op de weg naar duurzaamheid.”

Hajer stelt dat het dikwijls blijkt te gaan om heel lokale belangen die gewone mensen vaak beter begrijpen dan hogere overheden en die op zichzelf weer vrij eenvoudig te koppelen zijn aan mondiale vraagstukken zoals voedselveiligheid en klimaatverandering. Begin dus lokaal, is zijn devies. Van onderop kunnen vervolgens weer nieuwe beelden ontstaan met regionale identiteiten, passend in een groter geheel. Wat Hajer in het boekje voorstelt is een vorm van ‘radicaal incrementalisme’ waarbij het Rijk duidelijke doelen stelt, zijn bevoegdheden decentraliseert , zijn data met iedereen deelt en verder vooral partijen ondersteunt en helpt. Hajer: “Met een duidelijke stellingname kan de overheid veel energie mobiliseren wanneer zij zich erop richt de grote publieke uitdagingen te koppelen aan de directe leefomgeving van de burger.” Midden in die omslag zitten we nu. Er moet nog veel meer worden gedecentraliseerd, geluisterd en geholpen. Ziedaar ook de nieuwe Agenda Stad van het Nederlandse kabinet. Alleen, datzelfde moeten de steden doen: duidelijke doelen stellen, decentraliseren, luisteren en helpen. Over een week begint in Amsterdam aflevering 4 van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang met een nieuwe sturingsfilosofie voor gemeenteambtenaren. Radicaal, incrementeel.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #2

On 16 januari 2015, in planningtheorie, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Pieter Hooimeijer en Zef Hemel zullen de tweede Amsterdamlezing van 2015 voor hun rekening nemen. Op 9 februari spreken zij over de intelligentie en innovatiekracht van steden in het algemeen en Amsterdam in het bijzonder. Hooimeijer, die sociale geografie en demografie aan de Universiteit Utrecht doceert, zal de avond modereren; Hemel zal vanuit de planologische invalshoek de inleiding verzorgen. Met de lezing willen wij het beeld van Amsterdam als kennisstad aanvullen met kennis uit de geografie en de planologie. Hooimeijer zal dat mede doen als lid van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) die in april 2014 een belangwekkend rapport aan de Nederlandse regering publiceerde over de toekomst van de stad. Was is die toekomst van steden eigenlijk en hoe belangrijk is wetenschappelijke kennis daarin precies? Vermoedelijk zal Hooimeijer de plaats en betekenis van universiteiten in die toekomst, en zelfs de rol van steden daarin, relativeren. Ikzelf denk dat deze rol juist bepalend is.

Waarom bepalend? De oorsprong van het denken over geavanceerde stedelijke kennisproductie moet gezocht worden langs de boorden van de Grote Oceaan: Japan, Taiwan, Singapore, bovenal Silicon Valley. Ver van Nederland dus. Geografische studies naar het succes van de Bay Area vonden hun oorsprong in Los Angeles, waar wetenschappers het raadselachtige succes van Silicon Valley probeerden te verklaren. ‘Technopoles’, later ‘Cybercities’, ‘Informational Cities’, nog weer later ‘Smart Cities’ werden dit soort hoogtechnologische steden genoemd. Stanford University leek de sleutel. Begin 2000 werden aan die ene T van Technologie nog twee T’s toegevoegd, te weten Talent en Tolerantie. ‘Creatieve steden’ boordevol jong, hoogopgeleid talent werden nu uitgeroepen tot de winnaars in de eenentwintigste eeuw. Belangrijker dan het begrip waren de bestanddelen: Science Parks, ‘Valleys’, clusters, campussen, ‘startup ecosystems’, de begrippen duidden op nabijheid, de grote betekenis van de regionale schaal en van mondiale stedelijke netwerken. En het belang van praktische lokale kennis – metis. Met als gevolg een relativering van de natie-staat. Een overzicht van dit vertoog krijgt u op 9 februari 2015. Locatie: CREA, Roeterseiland.

Stadstaat NL

On 6 januari 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in FD van 20 december 2014:

Agora_van_Athene.jpg

FD interviewde Jeroen van der Veer, oud-topman van Shell. Het gesprek ging over Nederland, over onze toekomst, over robotisering, over het gevaar van de klimaatverandering, over de economische crisis, over globalisering. Zijn we er klaar voor? Wat moeten we doen? Van der Veer: "We zouden eigenlijk een wat strengere overheid moeten hebben die het land meer als een stadstaat regeert. We zitten nog te veel vast aan het oude CDA-denken: dat we heel veel platteland hebben in Nederland. Onzin natuurlijk. 60% van de bevolking woont al in steden. We hebben net zoveel inwoners als groter New York." Vervolgens klaagt Van der Veer over het grote aantal volksvertegenwoordigers in raden, staten en kamers. Vijfduizend in Nederland tegenover vijfhonderd in New York. Dat kan dus minder. Elke gemeente zijn eigen beleid? Nonsens. Singapore is zijn voorbeeld. Ziedaar het nieuwe denken over Nederland, opgevat als een stadstaat. Centraliseren en sterker regeren vanuit Den Haag dus.

En dat terwijl precies het omgekeerde moet gebeuren. Minder vanuit Den Haag, meer vanuit de steden, van onderop dus. Antifragiel noemt Taleb dat. Dat houdt in: sneller reageren op groeiende onzekerheid, meer experimenteren, veel fouten maken maar kleinere, grotere betrokkenheid, minder streng, juist zachter, menselijker, lokaler, dichter bij de realiteit, meer als Zwitserland. Waarom pleit Van der Veer juist voor het omgekeerde? Geen idee. Nogmaals, kennelijk is Singapore zijn grote voorbeeld. Bij hem minder democratie dus, meer autocratie, geen civil society, maar het grote bedrijfsleven. Waakt u voor Den Haag, kijk uit voor de stadstaat, let op Koninklijke Shell. Al heeft Van der Veer natuurlijk wel een punt. We moeten meer vanuit steden denken, niet vanuit Den Haag. Geen centralisatie dus, maar structurele decentralisatie. En Nederland is niet één stad. Daarvoor is alles te gefragmenteerd. Dat betekent allerminst dat de provincie straks regeert. We moeten naar de maat van de global city-region. Wat houdt dat in?

Tagged with:
 

Grotere steden, meer platteland

On 30 december 2014, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in CBS Webmagazine van 8 december 2014:

Bevolkingsgroei 2012-2025 naar regio


Hoe ziet onze toekomst eruit? Nederland telde op 1 januari 2014 16.829.289 inwoners. De bevolkingsgroei bedroeg in 2013 daarmee 0,3 procent. In de helft van de gemeenten kromp de bevolking, maar vooral in de grote steden nam deze juist toe. Het verschil tussen stad en land wordt dus snel groter. Raad eens in welke gemeente de bevolking het afgelopen jaar relatief het snelste groeide? Niet Amsterdam of Utrecht, maar Diemen, onderdeel van de Amsterdamse agglomeratie. In 2060 verwacht het CBS voor ons land 18,1 miljoen inwoners. Dat betekent dat de Nederlandse bevolking ook de komende dertig jaar zal blijven groeien. Belangrijkste oorzaak: een positief migratiesaldo. Hoe ziet Nederland er in 2060 uit? Als zowel krimp als groei doorzetten, dan zullen er weer echt grote steden ontstaan. Maar ook vormt zich een heus platteland. Alle pogingen uit het verleden om de bevolking vast te houden op het land of te spreiden zullen dan teniet worden gedaan. Sterker, al die naoorlogse bebouwing zal weer moeten worden afgebroken en opgeruimd.

Grote steden dus. Primos houdt rekening met meer dan 1 miljoen Amsterdammers in 2040, meest hoger opgeleiden; Groot-Amsterdam nadert dan de 3,5 miljoen. Hoe groot wordt die andere grote stad, Rotterdam? Ik heb de bevolkingsprognose uit oktober 2012 geraadpleegd. Rotterdam telt op dit moment ruim 616.000 inwoners. Na een daling tussen 2004 en 2008 heeft de Maasstad toch weer de weg omhoog gevonden. De sterkste groei doet zich voor in de binnenstad, waar op dit moment woontorens worden gebouwd. Maar de cijfers worden vooral gunstig beïnvloed door de fusie met Rozenburg in 2010. De demografen verwachten dat Rotterdam de komende jaren verder zal groeien, zij het “minder snel dan in het recente verleden”. Allicht. Wel wordt het saldo van de binnenlandse migratie negatief. Dat betekent dat de groei in Rotterdam vooral door de opname van buitenlanders zal plaatsvinden. In 2030 worden 660.000 Rotterdammers verwacht. Tenzij de gemeente opnieuw besluit tot een fusie met een randgemeente. Amsterdam wordt dus een metropool van hoog opgeleiden, Rotterdam van laag opgeleiden. De contrasten worden in velerlei opzichten groter. Ben benieuwd of de politiek dat aankan. Wanneer zijn er ook alweer verkiezingen voor Provinciale Staten? Gelukkig nieuwjaar!

Tagged with:
 

Verontrustend

On 20 december 2014, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Antifragile’ (2014) van Nassim Nicolas Taleb:

fracbq.gif (109934 bytes)

Ruimtelijke planning wordt door de Amerikaans-Libanese wiskundige Taleb in zijn nieuwste boek, ‘Antifragile’, heel even genoemd. We moeten als lezer dan wel stevig doorlezen, want pas op bladzijde 324 is het zover. Planologen worden daar over één kam geschoren met architecten. Beide beroepsgroepen begrijpen volgens Taleb niets van hun onderwerp: steden, landschappen, gebouwen. Architecten maken hun gevels glad, planners plannen topdown. Zaken die op een natuurlijke wijze groeien, zoals steden, landschappen en gebouwen, hebben juist een fractale kwaliteit. Op elk schaalniveau hebben ze dezelfde configuratie, net zoals een boom bestaat uit een stam, dikke takken, dunne takken, twijgjes. “Like everything alive, all organisms, like lungs, or trees, grow in some form of self-guided but tame randomness.” Steden, landschappen en gebouwen zijn niet anders. Maar moderne architectuur voelt met zijn gladde gevels doods aan en planologen plannen van bovenaf, met vaak noodlottige gevolgen: “topdown is usually irreversible, so mistakes tend to stick, whereas bottom-up is gradual and incremental, with creation and destruction along the way, though presumably with a positive slope.” Planologen zouden beter moeten weten.

Dat de wereld fractaal is, lijkt onomstreden. Het ruimtelijke patroon dat op dit moment op wereldschaal valt waar te nemen, doet zich inderdaad op alle schaalniveaus voor: sinds eind jaren tachtig is dat een van sterke ruimtelijke concentratie. Op wereldschaal concentreert de groei zich in Azië; terwijl Europa zich in de krimpende periferie bevindt. Binnen Europa concentreert de groei zich in de centrale zone München-Zürich-Wenen; terwijl Nederland zich, net als Ierland, Portugal, Spanje, Italië en Griekenland, in de krimpende periferie bevindt. Binnen Nederland concentreert de groei zich in de as Amsterdam-Utrecht; de rest van ons land bevindt zich in de krimpende periferie. Binnen de Amsterdamse regio concentreert de groei zich in Amsterdam; randgemeenten als Almere, Velsen en Beverwijk bevinden zich in de krimpende periferie. Alleen echte metropolen kunnen de periferie weerstaan. Europa telt er maar een (Londen), Nederland geen enkele.

Tagged with: