No future

On 28 oktober 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Belgrado op 27 oktober 2013:

‘No future’, sprak de 36-jarige Serviër gelaten. Hij stond met ontbloot bovenlijf op het dak van de twaalf verdiepingen tellende flat, gebouwd in 1976, ons toe te spreken. Zijn moeder kwam hem ijlings een T-shirt brengen. Haar gespierde twee meter lange zoon woonde nog altijd bij zijn zieke ouders in hun veel te kleine flat. Het liefst, vertelde hij ons in gebrekkig Engels, wilde hij emigreren. Er was geen uitzicht op werk, een vrouw had hij niet, de Servische politiek was corrupt en al zijn vrienden hadden het land al verlaten. De situatie oordeelde hij totaal uitzichtloos. We keken over de daken van de nieuwe stad, door president Tito na de Tweede Wereldoorlog aan de overzijde van de rivier gebouwd. De ideale stad, in de vorm van een veel te ruim grid – ooit bedoeld als de nieuwe hoofdstad van het verenigde Joegoslavië – lag er verstild bij. Nu, ruim zestig jaar later, was het modernistische grid nog altijd niet gevuld, ook al wonen hier bijna evenveel Serviërs als in het oude Belgrado.

Terwijl veel jonge mensen haar willen ontvluchten, groeit de bevolking van de Servische hoofdstad onverminderd door. De nieuwelingen zijn vooral afkomstig van de niet-Servische delen van de voormalige Joegoslavische republiek.  Belgrado zien zij vooral als springplank naar de wereld, niet als eindbestemming, want daarvoor is de werkloosheid te groot. Van de ruim vijf miljoen Serviërs woont nu al twee miljoen in de hoofdstad. En een eind aan deze trek is nog niet in zicht. Als de migratie aanhoudt wonen over twintig jaar alle Serviërs in één reusachtige metropool: Belgrado. De vraag is of deze grootstad voldoende werk biedt aan al die jonge nieuwkomers en wat er zal gebeuren met de streken die zij massaal hebben verlaten. Een troost: van leegstand is geen sprake en de modernistische flats in Novi Beograd worden nog altijd hoog gewaardeerd. Hier kan men het modernistische ideaal vervuld zien, zoals Le Corbusier en vrienden zich dat ooit hadden gedroomd. Tegelijkertijd groeien in het oosten en zuidoosten van de stad de illegale zelfbouwwijken, met een omvang nu al geschat op zeker 250.000 woningen.

Tagged with:
 

Twee New Yorkse vrouwen

On 20 november 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:

Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.

Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.

Tagged with:
 

Bezet Paradijs

On 29 oktober 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 25 oktober 2012:

Mooie reportage van Philip de Wit in NRC Handelsblad over het nieuwste kunstproject van Osterholt en Uitentuis in Rio de Janeiro. In 2010 ontdekten de Nederlandse kunstenaars Wouter Osterholt en Elke Uitentuis de plannen voor een socialistische groene wijk in het westen van Rio – in Barra da Tijuca – met zeventig reusachtige identieke ronde torens waar rijk en arm tevreden samen zouden leven. Rondom de torens waren exotische tuinen gedacht, met zicht op zee. Slechts één toren werd er volgens plan gerealiseerd. Het ontwerp, daterend uit eind jaren zestig, begin jaren zeventig, was van de hand van Oscar Niemeyer, die ook had getekend aan de Braziliaanse hoofdstad Brasilia. Later werd zijn plan geadopteerd door de stedenbouwkundige Lucio Costa. Osterholt en Uitentuis willen het plan nieuw leven inblazen door via een crowd funding campagne de goedkope appartementen alsnog beschikbaar te maken. Waarom? Omdat het plan volgens de kunstenaars refereert aan de tijd dat de wereld nog maakbaar leek.

Waarom mislukte het Braziliaanse socialistische experiment precies? Ik lees het volgende. Het lukte de ontwikkelaar niet om voldoende appartementen te verkopen. Al bij de eerste toren stokte de verkoop. Deels kwam dat doordat de torens rond waren. Vooral de kleine tweekamer appartementen werden door potentiele kopers allerminst aantrekkelijk gevonden. “Het zijn benauwde pizzapunten, zonder ramen achter.” Slechts enkele appartementen boden uitzicht op zee. Wijziging van het plan accepteerden de ontwerpers niet. Osterholt: “Het debacle kondigde eigenlijk het einde van het modernisme aan.” Achter die zin gaat een wereld schuil. Waarom ga je via crowd funding zo’n dwaas en naief architectuur project uit de tijd van de Braziliaanse dictatuur nieuw leven inblazen?

Tagged with:
 

Elysische Velden

On 19 december 2011, in geschiedenis, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het beeld van de dood’ (1983) van Philippe Ariès:

Vorige week in het Tropenmuseum de tentoonstelling ‘De dood leeft’ gezien. Was het toeval dat we de week daarop in het kader van ‘Amsterdam Noir’ kwamen te spreken over begraafplaatsen in de hoofdstad? Niek Bosch en Bart Vlaanderen (DRO) weten er alles over te vertellen. Bijvoorbeeld over de vele Joodse begraafplaatsen rond Amsterdam. Waarom zo ver weg, helemaal in Diemen, Oost en Ouderkerk aan de Amstel? In ‘Het beeld van de dood’ (1983) schrijft Philippe Ariès dat alles begon in de vroegstedelijke beschaving van Mesopotamië. In het Mesopotamische wereldbeeld bestond naast de aarde het eiland Dilmoen. De Perzen noemden haar Paridaiza. Op Dilmoen woonde Utnapisjtim, de enige mens die de goden onsterfelijkheid hadden verleend. De Egyptische variant van Dilmoen waren de Eeuwige Rietvelden. Uit de combinatie van Dilmoen en Eeuwige Rietvelden boetseerden de Grieken later hun Elysische Velden. De stap naar het Christelijke Paradijs is dan nog maar klein. De ruimtelijke vorm is die van de begraafplaats. Buiten de stadsmuren van de Europese steden begroeven de burgers hun doden in ommuurde tuinen. Ariès ziet ze als tekenen van de ‘verplattelandsing’ van de samenleving. “De rijenbegraafplaats is een van de dominerende beelden uit een cultuur die niet meer zo’n specifiek stedelijk karakter heeft als die van daarvóór: de grafheuvels van de grote leiders nemen niet meer alle ruimte in beslag, zoals de graven van de honestiores dat deden bij de Romeinse steden uit de eerste en tweede eeuw.” Door stedelijke groei kwamen deze begraaftuinen later in het stadslichaam te liggen. Zo kregen ze alsnog hun stedelijke vorm. Tegenwoordig fungeren ze als stadsparken waar de levenden hun geliefde doden kunnen bezoeken. De Nieuwe Ooster en Zorgvlied zijn de Amsterdamse pendanten van Père Lachaise. Stedelijkheid en sterfelijkheid met elkaar verenigd.

Bespeurde ik enig misprijzen ten aanzien van Westgaarde? Het moderne Westgaarde ligt nog altijd buiten de stad, aan de rand van Osdorp. Het groene carré verheft zich er in de diepgelegen polder, goed zichtbaar door de ophoging en de vele beplanting. Het is het klassieke beeld van de omsloten tuin. De begraafplaats staat met de stad in verbinding door middel van de fraaie, met lindenbomen beplante Osdorper Ban. Hoe dichter je bij de begraafplaats komt, hoe breder de rij lindenbomen. In omgekeerde richting voert de weg je naar het drukke centrum aan de Sloterplas. Deze magistrale compositie van Cornelis van Eesteren – dood en leven met elkaar verbonden – paste hij eerder toe in Nagele, het in vele opzichten bijzondere dorp in de Noordoostpolder. In zijn oeuvre verwijst het naar een vroeg ontwerp van Ernst May voor een grote begraafplaats in Frankfurt. Het is een prachtige compositie, een monumentenstatus waardig. Mooi ook als ze straks wordt opgenomen in ‘De Tuinen van West’. De Tuinen van West met hun boerenland en verpozende stedelingen, ze worden de Elysische Velden van Amsterdam.

Tagged with:
 

A giant Unité

On 22 december 2009, in boeken, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Twenty minutes in Manhattan’(2009) van Michael Sorkin:

Michael Sorkin moet toegeven, hij heeft sympathie voor zowel de ideeën van Jane Jacobs als die van haar tegenpool, de architect Le Corbusier. Hij komt tot deze ontboezeming wanneer hij de beginselen van de Unité d’Habitation van Le Corbusier uitlegt – dit naar aanleiding van de bezichtiging van de Silver Towers ten zuiden van Washington Square, gebouwd door I.M. Pei. Over Le Corbusier weidt hij flink uit. Ook besteedt hij aandacht aan het bezoek van ‘Corb’ aan New York. Hij voelt grote sympathie voor de meester van het modernisme. Kom niet aan Le Corbusier. Als hij mocht kiezen, zou hij liever in de Silver Towers wonen dan in zijn Annabel Lee. En wanneer de hele stad even verantwoord zou zijn qua afvalverwerking, evenveel gemeenschapsruimte zou bieden en even gezond zou zijn als de Unité, dan zou hij ervoor tekenen:" a giant Unité."

Maar dat is niet zo en het feit dat zijn buurt hem die keuze biedt, doet hem al tevreden zijn. "Unfortunately, the models have been received too purely and are too predicated on a zero sum game, ensuring that the embrace of one involves the erasure of the other. But the history of the city, as suggested, has produced a special autheticity – a genius loci via a formal hybridity that is the result of the centuries-long sequence of renewed paradigms jostling for priority and of the fact that the slate can never be wiped clean." Het unieke karakter van New York is het product van een serie interventies die een eenheid doen vermoeden, maar die in werkelijkheid grotere en kleinere op zichzelf staande fragmenten zijn, allemaal verstrooid over de stad. "The future of the city lies not in the superposition of the next great idea throughout the town but in the careful articulation and expression of these differences." 

Nee, dan de Amerikaanse reactie op het modernisme, "the so called ‘new urbanism’. Hij moet er niets van hebben. Het is niet meer dan slappe vormentaal, het blijven uiteindelijk allemaal ordinaire buitenwijken. Zoiets bedoelde Jane Jacobs zeker niet. Geef hem dan maar de eerlijke modernistische hoogbouwarchitectuur van Pei.  New Urbanism is niet meer dan woningbouw voor de middenklasse in neo-traditionele bouwstijl. "They anathemize the alienations and ineffeciencies of sprawl, savage the ugliness of the strip, and call for a remaking of suburbia in the image of a town." Nee, schrijft hij nogmaals, het ging Jacobs niet om esthetiek. "To be sure, Jacobs luxuriated in the complex and graceful choreography of the life of her block – surely an urban art form – but her city was also a place of intense confrontation."

Tagged with:
 

De Walhalla

On 26 maart 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All that is solid melts into air’ (1988) van Marshall Berman:

Afgelopen donderdag was ik weer eens in Rotterdam. Henk van Schagen, architect in de Maasstad, was 67 jaar geworden en nam afscheid van zijn architectenpraktijk. In het theatertje op Katendrecht, genaamd De Walhalla, luisterden en spraken zo’n zestig genodigden naar en over het verhaal van Henk. Het ging over zijn verhouding tot het Modernisme. Op de achtergrond van het podium wisselden lichtbeelden elkaar snel op. Een deel ervan ging over New York, 1964. Daartussen zat een zwart-wit foto van Washington, genomen over de schouder van het reusachtige beeld van Abraham Lincoln in de richting van een mensenmassa die op de grote Mall van Washington was samengetrokken. Ik vroeg Henk voor wie ze gekomen waren, want die foto hadden we onlangs nog kunnen zien op tv – bij de inauguratie van Barack Obama. Henk bevestigde dat het ging om de grote toespraak van Martin Luther King. Maar waarom niet de zwarte dominee zelf in beeld gebracht? In verwarring gebracht begon Henk te spreken over New York 1964. De rellen. De ghetto’s. Het leed van de mensen op straat. De Bronx. En over Marshall Berman. Over diens ontboezemingen ten aanzien van de Grote Publieke Werken van Robert Moses in het laatste hoofdstuk van zijn ‘All that is solid melts into air’ (1988). "Als je die woede voelt die Berman destijds moet hebben gevoeld, dan weet je dat een mens dat in zijn leven niet meer kwijt raakt," zei Henk alsof hij zijn eigen woede van destijds weer voelde opborrelen.

Gisteravond sloeg ik Berman op. Inderdaad, het laatste hoofdstuk is het verhaal van Robert Moses en de vernietiging van de Bronx. En over het verweer van Jane Jacobs. Maar vooral over de mensen van de Bronx zelf. "These are the people of Faust’s new town, who know that they must win their life and freedom everyday anew." Hier klinkt de woede van Berman in door. Expliciet en persoonlijk wordt deze woede in de volgende passage: "I can remember standing above the construction site for the Cross-Bronx Expressway, weeping for my neighbourhood, vowing remembrance and revenge, but also wrestling with some of the troubling ambiguities and contradictions that Moses’ work expressed." Berman besluit het hoofdstuk met de vraag hoe met het modernisme als dat van Moses om te gaan. Het modernisme, dat is de verhevigde, permanente vernietiging en wederopbouw van onze steden en landschappen. "To be modern, I said, is to experience personal and social life as a maelstrom, to find one’s world and oneself in perpetual disintegration and renewal, trouble and anguish, ambiguity and contradiction: to be part of the universe in which all that is solid melts into air." Waarop hij laat volgen: "The be a modernist is to make oneself somehow at home in the maelstrom, to make its rythms one’s own, to move within its currents in search of the forms of reality, of beauty, of freedom, of justice, that its fervid and perilous flow allows."

Tagged with:
 

Tweedeling, lotsverbondenheid, respect

On 16 oktober 2008, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Respect in a world of inequality’ (2003) van Richard Sennett:

Deels autobiografisch is een van de laatste boeken die de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, docent aan de New York University en aan de London School of Economics, het licht heeft doen zien. De aanleiding tot het schrijven was de afbraak van veel van de sociale voorzieningen in de jaren ‘90 in Amerika. Een van de drijfveren daarachter was het argument dat menselijk welzijn veeleer door talent wordt bepaald, dan door behoeften. Sennett beweert iets heel anders: in een wereld van grote ongelijkheid is vooral de behoefte aan wederzijds respect bepalend voor menselijk welbevinden. En respect is schaars.

Sennett illustreert die schaarste aan de hand van zijn eigen jeugd in Chicago. Daar groeide hij op in Cabrini Green, een sociaal woningbouwproject in het hart van de stad. Het project werd door planners in de jaren ‘40 van de twintigste eeuw ontwikkeld met als doel om de blanke lagere en middenklasse – Italianen, Polen en Grieken – vast te houden in het deel van de stad dat tijdens en kort na de oorlog overspoeld werd door arme zwarten. Het werd een raciaal gemengde enclave die uitgroeide tot een voorbeeld van al het slechte in de sociale woningbouw – "full of drugs and guns, its lawns carpeted in broken glass and dog shit." Maar dat was later. Voor de zwarte bevolking die uit het zuiden kwam, waren de onder neutrale architectuur gebouwde woningen aanvankelijk een hele vooruitgang: "the future seemed bright". Maar voor de arme blanken was het signaal een heel andere. "Like government planners, before and since, the designers of Cabrini Green sought to remedy a large social evil in meeting that practical welfare need, using housing as a ‘tool’ for combating racial segregation." De blanke middenklasse kon hier goedkoop wonen, er was een enorm woningtekort, dus stapten ze erin – "they had become the servants of racial inclusion as imagined by a superior class."

Niemand had invloed op de architectuur of de inrichting van de omgeving. Dit was overigens met de beste bedoelingen gedaan: de omgeving symboliseerde iets nieuws en schoons, "a designer’s modernist flag". Erger was dat de mensen hun buren niet konden kiezen; dat deed de woningbouwcorporatie. En wanneer er sprake was van een incident, dan verliep de hulpverlening altijd via de politie, die de school of een hulpverleningsinstantie inschakelde – "a platoon of social workers, who descended upon the community" – maar niet de ouders of de relaties. Alle betrokkenen waren hierover telkens weer verontwaadigd: de blanken dat de autoriteiten zich met hun kinderen bemoeiden, de zwarten dat de kinderen de aandacht van de autoriteiten hadden getrokken. De hulpverleners hadden de plaats ingenomen van de ouders. Waarna Sennett concludeert: Cabrini bracht de inwoners weinig zelfrespect om twee redenen. De eerste is de vernederende afhankelijkheid van autoriteiten, die de blanken dwongen tot omgang met zwarten, een omgang die ze zelf niet aangingen; de tweede was het onthouden van controle over hun eigen leven door diezelfde autoriteiten. "It was here that they experienced that peculiar lack of respect which consists of not being seen, not being accounted as full human beings." Sennett voegt daar wijs aan toe dat de zwarten daar al eeuwen aan gewend waren. Maar de blanken niet.

Tagged with: