Metropolitaan landschap

On 23 mei 2013, in natuur, by Zef Hemel

Gelezen in het Parool van21 februari 2013:

Gisteren gesproken over het Amsterdamse metropolitane landschap. Dat begrip is geijkt in de nieuwe structuurvisie van Amsterdam 2040 en omvat de talrijke recreatieterreinen die de hoofdstad aan alle zijden omgeven. Door die terreinen tekent Amsterdam zich nog altijd scherp af in het landschap, hoewel de 2,3 miljoen tellende metropoolregio inmiddels veel groter is en ook nieuwe steden als Almere, Purmerend, Hilversum en Hoofddorp omvat. De agglomeratie zelf weet zich door unieke landschappen omringd, die met uiteenlopende beheerregimes en beschermingsconstructies zorgvuldig in stand worden gehouden en die diep doordringen in de stad. Op termijn lijken die regimes echter niet genoeg. Een eerste stap is om het ringvormige maar versplinterde landschap voortaan als een eenheid te beschouwen en als onderdeel van de metropool. Een volgende stap zou kunnen zijn om ook ànders naar dat landschap te gaan kijken.

Wie blijft denken in termen van natuur of uitplaatsing van sportparken, volkstuinen en zorgboerderijen zal vooral voor rommeligheid en toename van autobewegingen vrezen. Te denken echter valt ook aan heel andere functies zoals evenementen. In het Parool stond een paar maanden geleden een interessant artikel over de toename van festivals rond Amsterdam. Uitgerekend de groengebieden bleken in toenemende mate grootschalige evenementen te accommoderen: Awakenings (35.000 bezoekers) en Latin Village (16.000 bezoekers) in Haarlemmerliede, Mysteryland in het Haarlemmermeer (60.000 bezoekers), Open Air (25.000 bezoekers) en Gaasper Pleasure (5.000 bezoekers) in Amsterdam-Zuidoost, Dutch Valley (22.000 bezoekers) in Zaanstad, Welcome to the future (14.000 bezoekers) in Oostzaan, Dance Valley (24.000 bezoekers) in Spaarnwoude en Wooferland (3.800 bezoekers) en Filipijnse Barbecue (3.500 bezoekers) in de Houtrak. De festivals duren vaak langer dan een dag, soms worden er bomen geplant en heggen gesnoeid, maar ook pannenkoeken gebakken en bingo gespeeld in verzorgingshuizen in de nabije omgeving. In totaal bezochten vorig jaar 250.000 mensen festivals in het metropolitane landschap van Amsterdam. Typisch een functie voor een ècht metropolitaan landschap.

Tagged with:
 

Structurele achterstand

On 28 februari 2013, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘L’avenir de Paris’ (1929) van Albert Guérard:

In de TGV naar Parijs eindelijk ‘L’avenir de Paris’ van Albert Guérard gelezen. Het betreft een heruitgave van zijn boek, ter gelegenheid van de Paris Métropole-conferentie in 2006 verschenen. In zijn boek schetst Guérard (1880-1959), die  in Amerika aan Stanford University geschiedenis studeerde en altijd aan de Amerikaanse Westkust zou blijven wonen en werken, de toekomst van Parijs in het tijdperk na Haussmann. Het vergeten manuscript werd in 2006 opgediept en heruitgegeven omdat de Franse historicus in 1929 al de lijnen uitzette voor Groot Parijs, nee zelfs voor een ‘Plus Grand Paris’. Het Amerikaanse model van verstedelijking leek de historicus voor de Franse hoofdstad zeer geschikt, althans het denken in de grote schaal, de uitstekende voorzieningen, de infrastructuur en de wolkenkrabbers. Het optimisme spat van de bladzijden af, zo ook de grote ambitie. “Paris est à la veille d’une transformation qui, par son ampleur, dépassera meme l’oeuvre d’Haussmann.”

Guérard bepleitte satellietsteden, verbonden met de oude stad door middel van verlengde bovengrondse metrolijnen. Als historicus schetst hij de totstandkoming van het Parijs metronet: mooi, maar te laat en veel te beperkt. De metro had al onder Haussmann tot stand kunnen komen, maar Frankrijk had getwijfeld. Pas rond 1900 begint de aanleg en ook dan nog onder stoom, met de oude technieken. De oorzaak van deze achterstand in de bediening van de metropool met hoogwaardig openbaar vervoer traceert Guérard in de onenigheid tussen de staat en de stad. De eerste wilde alleen metro aanleggen om de spoorwegstations onderling te verbinden; de stad wilde een intern netwerk van ondergronds openbaar vervoer. Omdat de staat dat laatste te duur vond, kwamen ze er niet uit. Erger, de noodzaak om de regio te ontsluiten werd door geen van beide gezien, druk als ze waren om elkaars standpunten te betwisten. Ziedaar het structurele probleem in de metropoolvorming van Parijs. De achterstand op met name Londen zou de Franse hoofdstad nooit meer inhalen.

Tagged with:
 

Offers brengen

On 26 februari 2013, in politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Zeven wereldsteden’ (1966) van Peter Hall:

Het grote regionale ontwikkelingsplan van Parijs uit 1960 – PADOG – stond de bouw van nieuwe steden niet toe. Waarom? Omdat de planners meenden dat zulke nieuwe steden nog meer mensen naar de Franse hoofdstad zouden lokken. Alle groei moest worden ondergebracht binnen de agglomeratie òf op grote afstand van Parijs, in steden als Rouaan, Amiens, Troyes en Orléans. Parijs achtte men destijds al te groot. Critici echter meenden dat de omvang van de agglomeratie het probleem niet was. Het werkelijke probleem van Parijs waren in hun ogen de achterblijvende voorzieningen: goed openbaar vervoer, scholen, winkelcentra, sportvelden enzovoort. Vijf jaar later haalden de planners bakzeil: Parijs zou alsnog vijf nieuwe steden krijgen; de agglomeratie zou daarmee polycentrisch worden. Ook besloot men tot de aanleg van een RER-systeem van snelle treinen naar de voorsteden. Het kwam echter allemaal te laat. Peter Hall merkte in 1966 op dat Parijs de achterstand op een metropool als Londen nooit meer in zou kunnen lopen.

Nog steeds kampt Parijs met een chronische achterstand in het leveren van goede voorzieningen in de ‘trieste’ voorsteden. De huidige sociale problemen in de banlieus komen hieruit voort. Oud-president Sarkozy wilde hierin een inhaalslag maken door twee nieuwe regionale metrolijnen – kosten 30 miljard euro – aan te leggen, maar die liggen bij de nieuwe regering nu onder vuur. De achterliggende reden is de chronische onwil bij de politiek om Parijs te laten groeien. De situatie van nu verschilt in dat opzicht niet wezenlijk van die van 1965: “De uitvoering van het plan zou een zware druk leggen op de Franse economie; er zouden misschien zelfs offers gebracht moeten worden door ‘de provincie’,” aldus Peter Hall in 1966. De Britse geograaf concludeerde: “Het zal een geheel andere instelling eisen van de plaatselijke bestuursorganen binnen de wereldstedelijke agglomeratie, misschien zelfs een andere structuur van die organen.” Als Paris Métropole anno 2013 geen formele status krijgt en de metroplannen van Parijs op de lange baan worden geschoven, zingt Frankrijk nog steeds hetzelfde liedje en lijken de Fransen nog altijd niet tot metropoolvorming bereid.

Dit gaat niet goed

On 5 maart 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 3 maart 2012:

Het begrotingstekort van Nederland, aldus het CPB, dreigt op te lopen tot 4,5 procent, terwijl 3 procent binnen de Europese Unie als plafond is afgesproken. Nederland is in één klap probleemland geworden. De regering moet als een gek gaan bezuinigen. Vandaag al beginnen de onderhandelingen op het Catshuis. Dat de Nederlandse economie zwak is heb ik al vaker betoogd, maar de analyses in de kranten na het bekend worden van dit cijfer slaan de plank mis. In de Volkskrant werd de Nederlandse economie onmiddellijk vergeleken met de Duitse, maar op een verkeerde manier. De Duitse is gezond, maar de onze niet, zeker. Maar waarom eigenlijk? De Duitse consument spendeert veel, maar de Nederlandse niet meer, is de redenering. En verder kent de Duitse echte maakindustrie, terwijl de Nederlandse alleen maar handelt en diensten verleent. En ja, die bankensector, die is in Nederland naar verhouding veel te groot. Bovendien exporteert Nederland veel, maar hoofdzakelijk binnen Europa, en uitgerekend Europa heeft het zwaar. “De Duitse exportmotor hapert ook wel iets, maar dat wordt gecompenseerd door de vrolijke consument en de sterke overheid.” Hoe kan je nu economisch groeien als de overheid snijdt, de consument bezuinigt en de export wankelt? Allemaal waar, maar niet de kern.

Wat is er werkelijk aan de hand? De grote steden in Duitsland groeien al jaren, dankzij een wet, midden jaren negentig ingevoerd, die metropoolvorming bevordert. Rond dezelfde tijd werd het ICE-net van hogesnelheidstreinen tussen de belangrijkste steden stevig uitgebouwd. Het gevolg is dat de grootstedelijke economie er floreert en niet, zoals bij ons, de regio. Want niet alleen de productie van goederen, maar ook de diensteneconomie spint garen bij metropoolvorming. Kijk naar China en Brazilië en realiseer je dat demografische concentratie en metropoolvorming de drijvende krachten achter economische dynamiek zijn. Duitsland heeft dit tijdig ingezien en Frankfurt, Hamburg, Bremen, Berlijn, München en Keulen alle ruimte gegeven. Terwijl in ons land de stadsregio’s op de klippen liepen, werden in Duitsland nota bene elf metropoolregio’s gesticht. Bevolkingskrimp wordt bij onze Oosterburen ook niet tegengegaan. Maar wat doet de regering-Rutte? Ze heft de WGR-regio’s op, waardoor de grote steden helemaal worden uitgeleverd aan de provincies. Zelfs het laatste beetje grootstedelijkheid wordt zo uit de Nederlandse bestuurlijke organisatie geperst. Als je dan ook nog eens gaat bezuinigen, terwijl de Nederlanders sparen, dan maak je het alleen nog maar erger. Inderdaad, “het zal nog niet eenvoudig zijn de achterstand op Duitsland snel in te lopen.” Helaas, economen in ons land denken niet ruimtelijk en Nederlandse politici zijn provinciaals. Dit gaat niet goed.

Tagged with:
 

Dirk Frieling (1937-2011)

On 9 april 2011, in ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Nieuw Nederland 2050 (1987):

 

Dirk Frieling is niet meer. Donderdagavond kregen we een SMS-je van de altijd goed geïnformeerde Jaap Modder, die ons het droeve nieuws meldde. We zaten in een taxi in Londen, op weg naar ons eetadres. In Londen bezochten we de in aanbouw zijnde Olympische Spelen, gereed voorjaar 2012. We waren op dat moment juist in een roes. Nu vielen we ineens stil. Die avond zouden we dineren met een spin-in-het-web, een hele bijzonder dame. We zouden het hebben over metropoolvorming en wat de OS daarin zullen betekenen. Londen telt op dit moment ruim acht miljoen inwoners. Het is een uiterst competitieve, hectische metropool – een estuarium-metropool zogezegd, een unieke  negentiende  eeuwse wereldstad die aanvankelijk moeizaam tot nieuw leven is gewekt, maar die nu door grote ijver van velen heel snel groeit. De Olympische Spelen gebruikt de stad om – geloof het of niet – weer in zichzelf te geloven en ook praktisch om stevig ruimtelijk te verdichten. Aan de verlopen oostkant van de metropool moeten in korte tijd veel, heel veel mensen gaan wonen en werken. De Olympische Spelen ziet men als een krachtig vehikel om daartoe de investeringen aan te trekken.

Frielings grootste daad was Het Metropolitane Debat. Hij startte het debat omstreeks 1995. Heel voorzichtig begon hij toen het gesprek over metropoolvorming in de Hollandse delta. Hij kende zijn pappenheimers. In 1987 omschreef hij de Nederlanders als voorzichtige burgers, nuchtere mensen, “zonder aanvechting tot groots en meeslepend leven.” Praktische mensen ook, uiterst spaarzaam. Maar wel in goeden doen, want juist door hun spaarzaamheid waren ze op het eind van de twintigste eeuw welvarend geworden, goed doorvoed en dik tevreden. En aangezien de Nederlandse bevolking nauwelijks meer groeit en de economische groei ook op termijn bescheiden zal zijn, namen zulke spaarzame burgers geen initiatieven meer. Aldus Frieling in 1987. Zeker, Frieling zelf – in Nederlands-Indië geboren – wàs een Nederlander, maar wat je ook van hem zeggen kon, voorzichtig, praktisch, nuchter,  spaarzaam en initiatiefloos was hij niet. Hij zat juist boordevol initiatief. Net als zijn leermeester Cornelis van Eesteren zag hij de situatie in dit nuchtere land onder ogen en aanvaardde hij voluit de Nederlandse praktijk. Geen vlucht naar het buitenland voor hem, geen innerlijk verzet. Frieling begon het gesprek over metropoolvorming in de drassige delta, maar wist dat Nederlanders er niets van moeten hebben. Geen Olympische Spelen in dit kleine landje. Geen Londen hier, geen Moskou, geen Parijs, allemaal veel te groots en meeslepend. Hoe zal ik het zeggen? Nederland was voor de grote Dirk Frieling eigenlijk veel te klein.

Braindrain

On 22 november 2010, in demografie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gezien in Delfzijl op 19 november 2010:

Krimp is hot. Krimp is een hype. Maar wordt het verschijnsel ook goed begrepen? Afgelopen vrijdag in Delfzijl trok het krimpverschijnsel glashelder aan ons voorbij. Het gaat als volgt. De dorpen in het noorden van Groningen verliezen inwoners aan Delfzijl/Appingedam, de inwoners van Delfzijl/Appingedam verliezen inwoners aan de stad Groningen, de stad Groningen verliest inwoners aan de Randstad, de Randstad verliest inwoners aan de grote metropolen in de wereld. Overal worden jonge mensen weggezogen. Er is sprake van een trek, een trek van talent naar de grote steden. Die trek verloopt getrapt. De braindrain doet zich voor op alle schaalniveaus. Hij is niet te stuiten. Ondertussen vergrijst de bevolking, omdat er minder kinderen worden geboren. Uitgerekend deze opgroeiende kinderen trekken weg, althans de getalenteerden. Dubbele krimp is de combinatie van vergrijzing en selectieve migratie. Voor vergrijzing bestaat veel aandacht, voor de migratie veel minder. De dossiers krimp, migratie en kenniseconomie hangen dus nauw met elkaar samen.

De winnaars zijn de metropolen. Zij concurreren met elkaar om het jonge talent. De snelle groei kunnen ze overigens vaak niet accommoderen, want de natie-staat die hen domineert, heeft de neiging om rechtvaardig te verdelen. De grotere steden fungeren in de nieuwe situatie als doorgangshuizen; voor hen is de bevolkingstrek niet zo erg. Neem de stad Groningen. Die verliest weliswaar voortdurend afgestudeerden, maar ontvangt ook nieuwe studenten, in toenemende mate uit het buitenland. De dorpen worden weliswaar leeggezogen, maar die krimp verloopt beheerst. Hun leeftijdsopbouw is doorgaans redelijk evenwichtig. Taai als ze zijn, kunnen ze het wegtrekken van de jeugd wel opvangen, bijvoorbeeld door tweedewoningbezit te accepteren. Nee, ze hebben erger meegemaakt. Wie het echt moeilijk krijgen, zijn de middelgrote steden. Vaak gaat het om naoorlogse industriekernen, planmatig door de overheid uit de grond gestampt. Daar zijn in een relatief korte periode grootschalig woonwijken bijgebouwd. Bedrijven werden er met premies naar toe gelokt. Jonge mensen, op zoek naar een woning en werk, moesten er gaan wonen. Die generatie wordt nu bejaard. Hele woonwijken worden daar leeggezogen. Daar stuiten we op de grenzen van de maakbaarheid. Wat gaat de industrie doen die er is achtergebleven? Die gaat rustig verder met automatiseren. Hun kenniswerkers halen ze desnoods uit de grote stad. Het is het drama van de twintigst eeuwse  industrialisatie, destijds zo idealistisch planmatig voorbereid. Er blijft gewoon niets van over.

Tagged with:
 

Waarschuwing

On 18 november 2010, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in De trek naar de stad (2010) van Doug Saunders:

De strekking van het betoog van de Canadese journalist Doug Saunders is precies de strekking van deze weblog: de tijd waar we in leven kan worden omschreven als de laatste fase in de verstedelijking van deze planeet. Over vijftig jaar woont vrijwel de hele mensheid in steden. “Het zal de laatste menselijke verplaatsing met zo’n omvang en reikwijdte worden.” Daarmee zal ook een einde komen aan de geschiedenis, waarvan het hoofdthema is: aanhoudende bevolkingsgroei. Want wonen eenmaal alle mensen in steden, dan daalt het vruchtbaarheidscijfer en stabiliseert de bevolking, nee hij krimpt. En net als in eerdere opwellingen van verstedelijking door massale migratie zal de komende decennia alles veranderen: bestuur, technologie, economie, familieleven, cultuur, welzijn. En vergeet niet, de trek naar de steden ging in het verleden gepaard met oorlogen en revoluties. Zo zal dat ook nu gebeuren. Sterker, het gebeurt al. “Een groot deel van de geschiedenis heeft betrekking op ontwortelde, van hun burgerrechten beroofde mensen, die hardnekkige en soms gewelddadige pogingen deden om zich een plaats in de stedelijke orde te verwerven.” Niet de technologie, maar de migratie van een uitdijende bevolking naar steden ligt aan de basis van de geschiedenis van de mensheid. Techniek is domweg iets wat steden uitvinden als ze groeien. Wie dit niet begrijpt, begrijpt niet hoe wij als mensheid evolueren.

Prachtig is het daarom hoe Saunders de migratie beschrijft en telkens ‘de stad van aankomst’ typeert. Zo’n twintig plaatsen in de wereld heeft hij bezocht, waaronder Amsterdam. “Dit is geen atlas van de aankomstbestemmingen, noch een universele gids voor de grote migratie.” Zijn boodschap is slechts deze: “dat de grootschalige migratie van mensen zich manifesteert in de schepping van een stedelijke plaats van de speciale soort. Deze overgangsruimten – steden van aankomst – zijn de plaatsen waar de volgende grote economische en culturele hausse zich zal voordoen, of waar de volgende grote geweldsexplosie zal plaatsvinden.” U bent dus gewaarschuwd.

Tagged with:
 

Moderniseren

On 17 november 2010, in internationaal, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 17 november 2010:

Over verdachtmaking gesproken. Arnout Brouwer meldt in de Volkskrant dat de Russische regering een nieuw verstedelijkingspatroon gaat nastreven. In Nederland zou je spreken van een nieuwe nationale nota ruimtelijke ordening. De kop boven het artikel luidt echter: “Kremlin heeft liever grote steden dan dorpen.” Dat is weinig minder dan insinuerend. En één passage is er door de redactie speciaal uitgelicht: “Geheim document over verhuizing bevolking uitgelekt.” Je zou bijna gaan denken aan een nieuwe ronde van geheime Sovjet-deportaties. Niets is minder waar. De verslaglegging zegt meer iets over Nederland dan over Rusland. Wij in Nederland vertrouwen Rusland niet, dat staat er. En: wij hebben liever dorpen dan grote steden. En ook: wij zullen de bevolking nooit laten verhuizen. Die moet vooral blijven zitten waar hij zit. Gedwongen blijven zitten, dat is de Nederlandse politiek.

Waar gaat het in Rusland om? President Medvedev wil het grote land moderniseren. Negentig procent van de Russische bevolking woont echter in steden met minder dan honderdduizend inwoners. Ze zijn verspreid over het gehele land, tot in uithoeken waar de klimatologische omstandigheden bar en boos zijn en waar dikwijls helemaal geen werkgelegenheid meer te vinden is. Dit verstedelijkingspatroon is de erfenis van de oude Sovjet Unie: dat betrof gedwongen spreiding van de bevolking om het land te industrialiseren en in die zin niet zo héél veel anders dan de Nederlandse industrialisatiepolitiek van destijds, die ook een spreidingspolitiek betrof. De spreidingspolitiek van de Sovjets heeft niet gewerkt en zo ze al gewerkt heeft, dan werkt ze nu niet meer. Veel kleinere steden zijn afhankelijk van slechts een paar grote fabrieken, van één economische sector. Daarmee zijn ze kwetsbaar gebleken. Gaat het slecht met zo’n sector, dan krimpt de stad. Verder krimpt trouwens de hele Russische bevolking, van 142 miljoen nu naar 128 miljoen in 2025. Rusland moet daarom afscheid nemen van zijn oude spreidingspolitiek en de komende periode echte grote steden gaan bouwen. Steden met tenminste drie miljoen inwoners, stelt de regering nu, blijken net voldoende divers om overeind te blijven. Dat is ongeveer de minimummaat. Rusland schakelt daarom over op een ruimtelijke concentratiepolitiek. Heel verstandig, dunkt mij. Zou ik niet geheim over doen. Sterker, zouden we in Nederland ook moeten doen.

Sangao

On 1 november 2010, in demografie, internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in Financial Times Deutschland van 29 oktober 2010:

Eerder schreef ik al over de stad als huwelijksmarkt. Mijn stelling is dat grote steden groeien omdat ze vooral als huwelijksmarkt dienst doen. De kans om mooie jonge mensen te ontmoeten is in een metropool nu eenmaal groter dan in een dorp of provinciestad. Het gevolg is dat mooie mensen naar de grote steden trekken, waardoor het effect wordt versterkt. Het gaat bij de trek naar de stad dus niet zozeer om het vinden van werk of een opleiding – dat is mooi meegenomen – maar om voortplanting. Nu wordt het bewijs van mijn stelling geleverd in China. Ruth Fend, correspondent van FT, bericht uit Peking hoe de demografische aardverschuiving aldaar zijn uitwerking heeft op de bevolkingssamenstelling van de grote steden. Door dertig jaar één-kind-politiek zijn er beduidend meer Chinese jongens dan meisjes. Men schat het mannenoverschot op 50 miljoen. Dat overschot concentreert zich in de grote steden. Wetenschappers waarschuwen al een tijdje voor het gevaar van geweld dat hieruit voort kan komen. Maar het probleem is nog groter als men bedenkt dat jonge vrouwen in de grote steden van China vaak hoogopgeleid zijn, financieel onafhankelijk en qua lichaamslengte steviger dan hun soortgenoten op het platteland. Zij worden ‘Sangao’ genoemd: ‘driemaal hoog’, dat wil zeggen hoog inkomen, hoge opleiding en hoge lengte. Vooral deze Sangao hebben moeite een geschikte partner te vinden.

Vandaar dat er sinds juli een Love Bus rondrijdt in Peking. De bus verzorgt een drie uur durende stop-and-go service op de derde ring rond de Chinese hoofdstad. Ongehuwde jonge mannen en vrouwen mogen er instappen en zich aan elkaar voorstellen door maximaal zeven minuten te spreken over zichzelf door de microfoon. Een soort van speed dating in het stedelijke fileverkeer. Elders in Peking adverteren ouders elke zondagmiddag in het park met de kenmerken van hun opgroeiende kinderen om een goede match voor hun zoon of dochter te kunnen maken. Het idee is griezelig, zeker in het vooruitzicht van de onvermijdelijke vergrijzing. Berekend is dat de enorme bevolking van China op afzienbare termijn zal krimpen. Zo rekent de ontwikkelingsbank ADB met een stijging van 60-jarigen en ouder in China van 100 miljoen nu naar 235 miljoen in 2030. Als mijn theorie klopt zal dit de trek van jongeren naar de steden alleen maar doen toenemen. Werk genoeg dus voor de Love Bus.

Tagged with:
 

Mythes ontmaskeren

On 26 september 2010, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Foreign Policy, september/oktober 2010:

Gekocht op het vliegveld: de nieuwste Foreign Policy, gewijd aan de metropool. Eerder schreef ik al over de bijdrage van Parag Khanna. Nu lees ik het artikel van Joel Kotkin, dat zo mogelijk nog beter is. Je vraagt je af waarom de redactie van De Groene Amsterdammer niet Kotkin’s artikel heeft gepubliceerd, en in plaats daarvan de voorkeur gaf aan opname van Khanna’s bijdrage in het laatste nummer. Kotkin, afkomstig uit New York en tegenwoordig woonachtig in Los Angeles, is niet trendy, dat moet het zijn. Hij heeft een boodschap die velen op dit moment liever niet horen. Hij predikt namelijk suburbanisatie en decentralisatie van de wereldbevolking in niet al te grote steden. Van Richard Florida moet hij niets hebben. Die schaart hij onder de ‘new urban utopians’. De oude wijze man gelooft ook niet dat in 2050 misschien wel zeventig procent van de wereldbevolking in steden zal leven. Wenselijk vindt hij het in ieder geval niet. “It’s far less clear whether the extreme centralization and concentration advocated by these new urban utopians is inevitable – and it’s not at all clear that it’s desirable.” Veel van ‘s werelds grootste steden, merkt hij op, zitten gevangen in relatief krimpende economieën – Londen, Los Angeles, New York, Tokio. Alle kampen met groeiende inkomensongelijkheid en vertrek van de middenklasse. “The new age of the megacity might well be an era of unparalleled human congestion and gross inequality.” Daarom probeert hij een paar mythes te ontmaskeren.

Zo gelooft hij niet dat een hoge dichtheid duurzaam is. Ook weerspreekt hij de stelling dat een hele grote stad beter zou zijn dan vele kleinere steden. “With the exception of Los Angeles, New York and Tokyo, most cities of 10 million or more are relatively poor, with a low standard of living and little strategic influence. The cities that do have influence, modern infrastructure, and relatively high per capita income, by contrast, are often wealthy small cities like Abu Dhabi or hard-charging up-and-comers such as Singapore.” Voor de goede orde, Singapore telt vijf miljoen inwoners. Echt klein is die stad dus niet. Maar inderdaad, op de in hetzelfde blad gepubliceerde Global Cities Index staan veel kleinere steden op een verrassend hoge plaats: Brussel op 11 (zou qua bevolkingsaantal niet hoger dan 54 moeten scoren), San Francisco op 12 (even groot als Amsterdam), Washington op 13 (zou 42 moeten zijn), Berlijn op 16, Madrid, Wenen en Boston op de plaatsen 17, 18 en 19. Kotkin roept bij zijn lezers oude plannersidealen in herinnering om grote steden leefbaar te maken en refereert daarbij aan de tuinstadidealen van Ebenezer Howard op het eind van de negentiende eeuw. Vervolgens wijst hij op Nederland. “More recently, a network of smaller cities in the Netherlands has helped create a smartly distributed national economy. Amsterdam, for example, has low-density areas between its core and its corporate centers. It has kept the great Dutch city both livable and competitive.” Op de Global Cities Index staat Amsterdam op plaats 29. Had Amsterdam 16 miljoen inwoners geteld, dan had Kotkin gelijk gehad. Maar had Amsterdam niet 750.000 maar 2 miljoen inwoners geteld, dan stond ze nu in de top tien. Denk ik.