Cooperate!

On 30 oktober 2014, in cultuur, economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Idiot’ (1868) van Fjodor Dostojevski:

IJ-prijs uitgereikt aan André van Stigt


Hoe werk je goed samen? Ik geef er vandaag een lezing over in Utrecht, bij COOPERATE! Moest bij de voorbereiding terugdenken aan de uitreiking van de IJ-prijs 2014 aan architect André van Stigt op 22 oktober in De Hallen, Amsterdam. Bij die gelegenheid viel me op hoe de generatie van 1968 nog altijd behoefte heeft aan conflict – en dit conflict ook bewust opzoekt – om zelf goed te kunnen presteren. De helden worden geboren door de schepping van halsstarrige autoriteiten, slappe bureaucraten en dom klootjesvolk. Zonder tegenstand lukt het de babyboomers niet. In die zelfverkozen strijd zou het beste naar boven komen in de mens. Leve de winnaars, leve de uitzonderlijke prestaties van de bijzondere enkeling! Directieven naar beneden die voortkomen uit geringe dunk over anderen of, omgekeerd, hoge eigendunk, hangen ermee samen. Wat een verschil met de komende generatie Amsterdammers, die het conflict niet meer nodig heeft om goed te kunnen presteren en die gewoon soepel weet samen te werken. Is het werkelijk zo moeilijk om anderen te prijzen? Echte samenwerking komt eruit voort.

Het deed me denken aan Fjodor Dostojevski. In zijn roman ‘The Idiot’ (1868) reist Prins Misjkin naar Petersburg, de toenmalige hoofdstad van het Russische rijk. Doel: de Russische samenleving redden. Geen van de inwoners van Petersburg is namelijk in staat tot iets goeds. Iedereen liegt, bedriegt, jaagt op geld, is bezeten van macht, roem en aanzien, staat elkaar naar het leven. Niemand weer iets op te bouwen door met anderen samen te werken, alles is conflict. Het hoogste wat je in deze samenleving kunt bereiken is generaal worden. Alleen door bevelen te geven kan iets gezamenlijks tot stand worden gebracht. Prins Misjkin is anders. Hij is goed. Hij is een held. Het kostte Dostojevski veel moeite, schreef hij later, om deze inherent goede mens, naar het evenbeeld van Jezus, in de roman op te voeren en te laten acteren. Goed zijn is ook zo ontzettend moeilijk. Lukte het onze held om het verdorven Rusland van de ondergang te redden? Niet dus. De mensen, ze veranderden niet. En Prins Misjkin, de held in het verhaal, vonden ze maar een naïeve man, een simpele ziel, een idioot. Helden of idioten, in een wereld van conflicten is de grenslijn tussen beide flinterdun.

Tagged with:
 

Egel of vos?

On 25 augustus 2014, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Hedgehog and the Fox’ (1953) van Isaiah Berlin:

Mooi essay van Isaiah Berlin over ‘War and Peace’ van Lev Tolstoi. ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ Dat betekent, er zijn mensen die denken vanuit één groot systeem en leven vanuit één visie, terwijl andere mensen vele doelen tegelijk nastreven, vaak onderling niet verbonden, althans niet gerelateerd aan één moreel of esthetisch principe. De Britse filosoof Berlin ziet Tolstoi als een vos, maar een met de stille ambitie om tegelijk ook een egel te zijn. In zijn ‘Oorlog en vrede’ schetst de grote Russische schrijver een wereldbeeld waarin niemand greep heeft op de loop der gebeurtenissen, theorieën, wetten en abstracties gelden hier niet, alles is chaos, alles draait om een veelheid van concrete zaken die uitsluitend te relateren zijn aan individuele behoeften. "It aims to show that men are never in control of events and indeed that the more they seek to control them, the more futile they become." Zelfs, of bij uitstek, de grote Napoleon heeft bij Tolstoy geen vat op de gebeurtenissen. Tegelijk voert Tolstoi de Russische generaal Kutuzov op als een held die zijn eenvoudige instinct gebruikt, geduldig afwacht, niet ijdel is, en meebeweegt met de golven van de geschiedenis. Tolstoi gaat uit van "the unplanned and unplannable character of all great events."

Waarom is dit essay relevant voor planologen? Ook planologen kunnen beter vossen zijn, dan egels. Een planoloog – "official specialist in managing human affairs" – kan zich beter niet spiegelen aan een Dante of een Marx, wel aan een Montaigne, Erasmus, Goethe, Balzac of Joyce. Pluralisme past hem beter dan monisme. De gedachte dat de toekomst uitgestippeld kan worden of te plannen is, is ronduit suspect. Tolstoy acht het zelfs onmogelijk "that individuals can, by the use of their own resources, understand and control the course of events." Is Tolstoi daarmee een pessimist? Berlin denkt van wel. Zelf denk ik van niet. Realist dan? Nee, een planoloog is, net als Tolstoy, zowel vos als egel tegelijk. Hij ziet de betrekkelijkheid van wetenschap, visie en kennis; tegelijk verlangt hij naar eenheid. Berlin: "Like Moses, he must halt at the borders of the Promised Land; without it his journey is meaningless; but he cannot enter it; yet he knows that it exists; and can tell us, as no one else has ever told us, all that is not – above all, not anything that art, or science or civilization or rational criticism, can achieve."

Tagged with:
 

Ideale stad

On 16 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in The Invention of Solitude (1982) van Paul Auster:

Dit stukje is opgedragen aan Mirjana Milanovic, stedenbouwkundige. Vanavond spreekt ze in De Balie, Amsterdam. Onderwerp: de ideale stad. Net als voor mij is haar favoriete auteur Paul Auster. Zijn debuutroman, The Invention of Solitude, is inderdaad een schitterend werk dat gaat over vaderschap. In het eerste deel, ‘Portrait of an Invisible Man’, beschrijft Auster zijn vader, in het tweede deel, ‘The Book of Memory’ wijdt hij uit over zijn zoon en diens verhouding tot hem, de vader. New York, Parijs en Amsterdam spelen in deze autobiografische roman een betekenisvolle rol. Vooral Amsterdam. Althans, in ‘The Book of Memory’ voert hij Amsterdam veelbetekenend op. Het begint met een bezoek aan het achterhuis van Anne Frank op een regenachtige zondagmorgen. Daar, in het achterhuis, moest hij – ‘A’, de hoofdpersoon – zowaar huilen, bij het zien van de verschoten Hollywood-fotootjes die Anne had gespaard. Toen besloot hij zijn boek te schrijven. “As in the phrase: ‘she wrote her diary in this room’.”

Drie dagen bleef hij in Amsterdam. Hij verdwaalde er. Dat lag niet aan hem, maar aan de stad. “The plan of the city is circular (a series of concentric circles, bisected by canals, a cross-hatch of hundreds of tiny bridges, each one connectin to another, and then another, as though endlessly), and you cannot simply ‘follow’ a street as you can in other cities. To get somewhere you have to know in advance where you are going.” Drie dagen lang liep hij in cirkels rond. “He wandered. He walked around in circles. He allowed himself to be lost.” Was hij in de hel beland? Was Amsterdam de afspiegeling van de onderwereld? Hoe langer hij liep, hoe meer hij besefte dat hij dichter bij zijn innerlijk kwam. Het vervulde hem zelfs met geluk. “As if on the brink of some previously hidden knowledge, he breathed it into his very bones and said to himself, almost triumphantly: I am lost.” De ideale stad, hij lijkt op de hel.

Tagged with:
 

Modelstad

On 25 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘How to get filthy rich in rising Asia (2013) van Moshin Hamid:

 

De nieuwste roman van de Pakistaanse schrijver Moshin Hamid speelt in een metropool. De naam van de reuzenstad kennen we niet, maar zeer waarschijnlijk is het Lahore. Ook een tweede, nog grotere metropool wordt in de roman opgevoerd; die ligt aan zee. Vermoedelijk betreft het Karachi. Het maakt Hamid niets uit, want het verhaal kan zich overal afspelen, en niet alleen in Azië. Want net als zijn hoofdpersonen in zijn roman geen naam hebben, hebben de steden waarin zijn verhaal zich afspeelt geen aanduidingen. In een interview in NRC Handelsblad (12 april 2013) vertelde hij dat hijzelf afkomstig is uit Lahore, inmiddels een stad van 10 miljoen inwoners, en dat de stad 15 miljoen inwoners zal tellen als zijn kinderen volwassen zijn. "Ik denk dat Lahore in veel opzichten beter model kan staan voor de stad van de 21ste eeuw dan Londen of New York." Gelijk heeft hij.

De hoofdpersoon geeft tips aan zijn lezers hoe steenrijk te worden in Azië. De eerste tip is: ga naar de grote stad. Mooi hoe hij de Aziatische metropool vervolgens beschrijft: "Your city is not laid out as a single-celled organism, with a wealthy nucleus surrounded by an ooze of slums. It lacks sufficient mass transit to move all of its workers twice daily in the fashion this would require. It also lacks, since the end of colonization generations ago, governance powerful enough to dispossess individuals of their property in sufficient numbers. Accordingly, the poor live near the rich. Wealthy neighborhoods are often divided by a single boulevard from factories and markets and graveyards, and those in turn may be separated from the homes of the impoverished only by a open sewer, railroad track, or narrow alley. Your own triangle-shaped community, not atypically, is bounded by all three." Ziedaar een perfecte beschrijving van moderne metropolen zoals ze tegenwoordig vooral buiten Europa worden aangetroffen. Kortom, leesvoer voor studenten Urban Studies. Of deze: "Your city is enormous, home to more people than half the countries in the world, to whom every few weeks is added a population equivalent to that of a small, sandybeached, tropical island republic, a population that arrives, however, not by outrigger canoe or latern-sailed dhow, but by foot and bicycle and scooter and bus." En, voegt Hamid eraan toe, dit is slechts een van de vele steden in Azië die zo snel groeien. Samen vormen ze “a change-scented urban archipelago spanning not just rising Asia but the entire planet.”

Tagged with:
 

Terwijl zij naar Moskou ging

On 14 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verhalen 1913-1924′ (2013) van I.E. Babel:

Het laatste verhaal uit de bundel, door F. Slofstra schitterend vertaalde Babelvertellingen is die van ‘De jodin’. We hebben het over ‘Verhalen 1925-1938′ die Izaac Babel schreef kort voordat hij door de handlangers van Jozef Stalin op 45-jarige leeftijd in Moskou zou worden vermoord. In ‘De jodin’ verhaalt hij over de oude vrouw Ester Erlich die aan het graf van haar pas overleden man radeloos weent en terugblikt op haar vijfendertig jaren huwelijkse leven. Haar dagen slijt ze in het armoedige stadje Kremenets in de Oekraïne, waar het overal in de huizen stinkt. Ze verwijt haar zoon Boris dat hij niet thuis was toen zijn vader overleed. Maar Boris heeft geen spijt. Hij besluit zijn moeder mee te voeren naar Moskou – iets wat zijn in het leven teleurgestelde vader nooit had gedurfd. "Laten we gaan," zei Boris tegen zijn moeder. "Waarheen?" "Naar Moskou, mama…!" "Zijn er niet genoeg joden in Moskou zonder ons?" Even later zitten moeder en zoon, onder achterlating van haar ‘dorpse pantoffels’, in de eersteklas wagon van de Sebastopol-expres.

Boris is revolutionair en lid van het Rode leger, hij blijkt in Moskou vrienden en carrière te hebben gemaakt en brengt zijn oude moeder onder in een mooi appartement in de chique wijk Ostozhenka. "Ze zei dat ze dodelijk bedroefd was alleen te vertrekken, zonder haar man, die zo van Moskou had gedroomd, die er zo van had gedroomd dit godvergeten oord te verlaten en de rest van zijn leven, waarin je alleen nog rust en genoegen verlangt, bij zijn zoon door te brengen, in die nieuwe wereld….En nu lag hij de hele nacht in zijn graf, terwijl zij naar Moskou ging, waar de mensen naar verluidt gelukkig, vrolijk en levenslustig waren, vol plannen zaten en allerlei bijzondere dingen deden." Babel beschrijft met weinig woorden de extreme luxe van Moskou: de metropool van Stalin vol met voor de oude Ester ‘onvoorstelbaar vreemde mensen’. Het wendde snel, van beide kanten. Na haar komst werden coöperatieworst en wodka ingeruild voor thee, klaargemaakt op de samowar, met knoflook, gebakken uien en gefilte fisj, door Ester stilletjes bereid. Babel: "De oude Ester vond haar plek in de hoofdstad van de USSR." Telkens als ik het nieuws lees over Moskou, Poetin en de Oekraïne, moet ik aan dit ontroerende verhaal denken.

Tagged with:
 

Literatuur van de straat

On 8 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Winter Journal’ (2012) van Paul Auster:

De poging tot autobiografie van Paul Auster – de 64 jarige schrijver uit New York die terugblikt op zijn leven – liet me niet onberoerd. Iedereen zou zijn leven net als Auster in ‘Winter Journal’ deed kunnen beschrijven, aan de hand van zijn eigen lichaam, de adressen nalopen waar hij heeft gewoond, de dood navoelen van de ouders, de weersomstandigheden inventariseren, het voedsel, de vrouwen, de liefdes, de scholen, de hotels, de kwetsuren nogmaals kunnen ervaren, enzovoort. Mooi is de beschrijving van zijn verhuizing van Manhattan naar de overkant van de East River, naar Brooklyn in 1980. Hij belandt er in Carroll Gardens, een in zichzelf gekeerde Italiaanse gemeenschap in een buurt die destijds te boek stond als de veiligste in het verder gevaarlijke New York. Bekeken voelde hij zich er, begluurd door de vrouwen op stoepen, anders dan Afro-Amerikanen weliswaar niet ruw buitengesloten, maar ook niet welkom.

En altijd maar dat lopen. Auster beschrijft zichzelf voortdurend wandelend door de stad. Wanneer hij de sensaties beschrijft die hij ervoer met zijn lichaam in beweging door ruimtes, eindigt hij met wandelen over trottoirs, "for that is how you see yourself whenever you stop to think about who you are: a man who walks, a man who has spent his life walking through the streets of cities." Schrijven staat voor hem gelijk aan lopen. Helemaal op het eind komt hij op dat gegeven terug. "In order to do what you do, you need to walk. Walking is what brings the words to you, what allows you to hear the rhythms of the words as you write them in your head." Ook al schrijft hij zijn boeken achter zijn bureau, net als Dante heeft hij voor zijn boeken vele paren sandalen versleten. "You sit at your desk in order to write down the words, but in your head you are still walking, always walking, and what you hear is the rhythm of your heart, the beating of your heart." De stad als inspiratiebron voor grote schrijvers, de literatuur ligt op straat.

Tagged with:
 

Een standbeeld

On 20 maart 2013, in literatuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op 18 maart 2013 in CREA te Amsterdam:

De laatste spreker in de serie Amsterdam Lezingen was niemand minder dan Marita Mathijsen. De emeritus-hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam sprak voor een volle zaal over Jacob van Lennep in het negentiende eeuwse Amsterdam. Dat alles onder de noemer ‘Amsterdam kennisstad’. Op eigen kosten, vertelde ze, had de romanschrijver een drinkwaterleiding door Britse ingenieurs laten aanleggen van Heemstede, waar zijn familie een buiten had, naar de Haarlemmerpoort in Amsterdam. Voor een cent per emmer konden de inwoners van de hoofdstad daar jarenlang schoon drinkwater uit de duinen kopen, de Jordanezen, die het dichtste bij de kraan woonden, in de eerste plaats. Tot dan werd drinkwater nog uit de Vecht in schepen aangevoerd en in waterbakken ondergronds bewaard. Nog bij de aanleg van de metro in 1978 was men op zo’n enorme waterbak gestuit. Deze praktijken waren allesbehalve hygiënisch en de reputatie van Amsterdam was op dat vlak ook allerminst gunstig. Napoleon had nog bevolen een waterleiding naar de Vechtplassen aan te leggen, zo vies vond hij het Amsterdamse drinkwater. Het zou nog twintig jaar duren voordat iedere Amsterdammer aansluiting kreeg op het waterleidingnet, maar aan Van Lennep is te danken dat er in 1851 een begin werd gemaakt met het aanleggen ervan, die er zelfs geld voor leende in Engeland. Drie jaar later was alle vijfentwintig kilometer buizen gelegd. Door het schone duinwater bleef Amsterdam tijdens de cholera-epidemie van 1866, waaraan liefst 23.000 Nederlanders stierven, relatief gespaard. Daarna zou de overheid de verantwoordelijkheid van Van Lennep’s ‘Duinwater Vereeniging’ overnemen. Nog steeds hanteert Waternet voor haar leidingen Engelse maten.

Mathijsen wees erop dat het vooral schrijvers waren geweest die in de negentiende eeuw sociale misstanden aan de kaak stelden. In dat verband noemde ze Pieter Jan Heije, Piet Paaltjens, Jacob van Lennep, Multatuli. Dikwijls waren zij tevens dominee, politicus of arts. Zo beschreef Multatuli in zijn Max Havelaar de onrechtvaardigheden in Nederlandsch-Indië en Piet Paaltjens dichtte over de wantoestanden in Schiedam, waar de jeneverstokerijen de aanleg van een drinkwaterleidingnet lange tijd verhinderden. Van Lennep zelf was een van de eersten die de Amsterdamse volkswijken introkken en de schrijnende toestanden aldaar noteerden. Dat soort schrijverspraktijken zag je ook in het buitenland. Als voorbeeld noemde Mathijsen Victor Hugo in Parijs en iemand in de zaal herinnerde aan ‘De negerhut van Oom Tom’ van Harriet Beecher Stowe. Mathijsens verklaring hiervoor klonk aannemelijk: schrijvers beschrijven in hun poëzie of fictie de werkelijkheid, doen er ook onderzoek naar en kunnen in hun verhalen mensen diep ontroeren en daarmee mobiliseren. Dat doen schrijvers tegenwoordig nog steeds. Maar wat Van Lennep deed was uitzonderlijk. Hij die standbeelden regelde voor Vondel en Rembrandt, verdient nu zelf een standbeeld. Iemand in de zaal verzekerde dat dat standbeeld er ook zou komen. Op het Haarlemmerplein. Het was een mooie avond.

 
Tagged with:
 

De verdiensten van Jacob van Lennep

On 16 januari 2013, in literatuur, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het uitwendige schrijverschap’ (2011) van Marita Mathijsen:

Marita Mathijsen is een van de zes sprekers van de nieuwe serie Amsterdam Lezingen die de Universiteit van Amsterdam dit jaar organiseert. Op 18 maart zal ze in CREA vertellen over Jacob van Lennep: advocaat, politicus, vrouwenjager, romanschrijver, dichter, toneelspeler, historicus, taalkundige, beschermer van oudheden. Over hetzelfde onderwerp sprak de emeritus-hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA al eerder, bij haar afscheid op 7 oktober 2010. Op die lezing komt ze straks dus terug. Ter voorbereiding stuurde ze me de mooi bezorgde publicatie van haar verhaal van destijds, verschenen bij Februari boekhandels. In haar lezing portretteert ze de negentiende-eeuwse schrijver als een geëngageerd mens die niet alleen historische romans, operettes en bagatellen schreef, maar ook: “dat hij waterleidingen aanlegt, stadspoorten redt en een luxueus hotel opent.” Dat chique hotel is het welbekende Amstel Hotel, om de hoek van de Sarphatistraat.

Over die waterleidingen schrijft Mathijsen het volgende: “Dat het drinkwater van Amsterdam tot het beste ter wereld hoort, is aan Jacob van Lennep te danken. Hij wist een ervaren Engelse ingenieur in te schakelen voor de aanleg van een waterleiding vanuit de duinen naar Amsterdam. Hij haalde het geld ervoor bij elkaar in Engeland en hij bewoog zijn vader om het stuk duingrond waar het duinwater uit de grond welde te schenken aan de Duinwatermaatschappij die hij oprichtte. En zo kreeg Amsterdam als eerste Nederlandse stad waterleiding.” Hierdoor ook kwam het dat Amsterdam gespaard bleef bij de cholera-epidemieën die steden als Londen, Manchester en Hamburg destijds wèl teisterden. Ons beeld van Amsterdam in de negentiende eeuw moet danig worden bijgesteld. De stad aan de Amstel bleek, ondanks de vele sloppen, moderner dan menig Europese metropool. Meld u aan op www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen

Tagged with:
 

City of a Million Dustbins

On 21 november 2012, in literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘1984’ (1949) van George Orwell:

De toekomstroman van George Orwell, met de titel ‘1984’, speelt zich af in Londen. De hoofdstad van het wereldrijk van na de revolutie is arm, maar machtig en voortdurend in oorlogen verwikkeld. Boven de huizen vliegen helikopters. De metropool zit vol ratten. “The reality was decaying, dingy cities where underfed people shuffled to and fro in leaky shoes, in patched-up nineteenth-century houses that smelt always of cabbage and bad lavatories.” Hoofpersoon Winston Smith – een ambtenaar – kijkt om zich heen. “Het seemed to see a vision of London, vast and ruinous, city of a million dustbins, and mixed up with it was a picture of a Mrs. Parsons, a woman with lined face and wispy hair, fiddling helplessly with a blocked waste-pipe.” Zelf woont Winston in een appartement op de zevende verdieping, dat hij alleen kan bereiken via het trappenhuis, want een lift is er niet.Het uitzicht over de stad is ronduit vreemd en doet denken aan Moskou onder Josef Stalin aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Orwell: “A kilometer away the Ministry of Truth, his place of work, towered vast and white above the grimy landscape. This, he thought with a sort of vague distaste – this was London, chief city of Airstrip One, itself the third most populous of the provinces of Oceania.” Boven de eindeloze zee van verwaarloosde negentiende eeuwse bebouwing, slechts onderbroken door inslagen van bommen, rijzen vier enorme gebouwen op. Het zijn de vier ministeries van de heersende dictator en zijn Partij: die van de Waarheid, de Vrede, de Liefde en de Overvloed. Zijn eigen ministerie bevat drieduizend kamers, gebouwd bovenop grote onderaardse gewelven. “It was an enormous pyramidal structure of glittering white concrete, soaring up, terrace after terrace, 300 meters into the air.” Het gebouw heeft geen ramen. Orwell schetst Londen als een verarmde stad waar alle schoonheid is uitgebannen. Alle schoonheid? Nee, de architectuur van het schrikbewind is die van het Modernisme. De negentiende eeuw en alles wat eraan voorafging blijkt in de ban gedaan, verarmd en vergeven van de ratten. Stalin heeft zijn Paleis van de Sovjets nooit kunnen realiseren. De Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang is wat dat betreft een betere vergelijking. Het Ministerie van Waarheid is daar onlangs in werkelijkheid gebouwd. Als hotel voor buitenlandse gasten.

Tagged with:
 

Reizen zonder Geert

On 19 september 2012, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Travels with Charley’ (1961) van John Steinbeck:

Van iemand kreeg ik ‘Reizen zonder John’ van Geert Mak bij mijn inauguratie cadeau. Het was aanleiding om weer die oude pocketeditie van John Steinbeck ter hand te nemen. De hernieuwde kennismaking was verrassend. Het bleek zondermeer leuk om die zoektocht van de zestigjarige schrijver naar Amerika opnieuw te lezen.  Let wel, het is de tijd van ‘Mad Men’. Ditmaal echter geen New York, maar wel San Francisco, Montana, Mojave. Trouwens, heel Californië trekt voorbij. Steinbeck reist opnieuw door zijn vaderland na vijfentwintig jaar, maar hij vermijdt de grote steden. “Of course, I had been reading about the population explosion on the West Coast, but for West Coast most people substitute California. People swarming in, cities doubling and trebling in numbers of inhabitants, while the fiscal guardians groan over the increasing weight of improvements and the need to care for a large new spate of indigents.”

Mooi hoe hij Seattle beschrijft. Het is 1960. “I remember Seattle as a town sitting on hills beside a matchless harborage – a little city of space and trees and gardens, its houses matched to such a background. It is no longer so.” Wat ziet hij na vijfentwintig jaar? “The tops of hills are shaved off to make level warrens for the rabbits of the present. The highways eight lanes wide cut like glaciers through uneasy land.” Dit was niet het Seattle dat hij zich herinnerde. “I wonder why progress looks so much like destruction.” Dan volgt zijn analyse van de moderne Amerikaanse stad anno 1960: “When a city begins to grow and spread outward, from the edges, the center which was once its glory is in a sense abandoned to time.” Het verval begint al snel; arme mensen trekken naar binnen. “Nearly every city I know has such a dying mother of violence and despair where at night the brightness of the street lamps is sucked away and policemen walk in pairs.” Totdat ooit alles weer goed komt en de stad monumenten bouwt voor zijn verleden. Of niet. Ik ben benieuwd hoe Mak de toestand in de Amerikaanse steden, vijftig jaar later, beschrijft.

Tagged with: