Terwijl zij naar Moskou ging

On 14 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verhalen 1913-1924′ (2013) van I.E. Babel:

Het laatste verhaal uit de bundel, door F. Slofstra schitterend vertaalde Babelvertellingen is die van ‘De jodin’. We hebben het over ‘Verhalen 1925-1938′ die Izaac Babel schreef kort voordat hij door de handlangers van Jozef Stalin op 45-jarige leeftijd in Moskou zou worden vermoord. In ‘De jodin’ verhaalt hij over de oude vrouw Ester Erlich die aan het graf van haar pas overleden man radeloos weent en terugblikt op haar vijfendertig jaren huwelijkse leven. Haar dagen slijt ze in het armoedige stadje Kremenets in de Oekraïne, waar het overal in de huizen stinkt. Ze verwijt haar zoon Boris dat hij niet thuis was toen zijn vader overleed. Maar Boris heeft geen spijt. Hij besluit zijn moeder mee te voeren naar Moskou – iets wat zijn in het leven teleurgestelde vader nooit had gedurfd. "Laten we gaan," zei Boris tegen zijn moeder. "Waarheen?" "Naar Moskou, mama…!" "Zijn er niet genoeg joden in Moskou zonder ons?" Even later zitten moeder en zoon, onder achterlating van haar ‘dorpse pantoffels’, in de eersteklas wagon van de Sebastopol-expres.

Boris is revolutionair en lid van het Rode leger, hij blijkt in Moskou vrienden en carrière te hebben gemaakt en brengt zijn oude moeder onder in een mooi appartement in de chique wijk Ostozhenka. "Ze zei dat ze dodelijk bedroefd was alleen te vertrekken, zonder haar man, die zo van Moskou had gedroomd, die er zo van had gedroomd dit godvergeten oord te verlaten en de rest van zijn leven, waarin je alleen nog rust en genoegen verlangt, bij zijn zoon door te brengen, in die nieuwe wereld….En nu lag hij de hele nacht in zijn graf, terwijl zij naar Moskou ging, waar de mensen naar verluidt gelukkig, vrolijk en levenslustig waren, vol plannen zaten en allerlei bijzondere dingen deden." Babel beschrijft met weinig woorden de extreme luxe van Moskou: de metropool van Stalin vol met voor de oude Ester ‘onvoorstelbaar vreemde mensen’. Het wendde snel, van beide kanten. Na haar komst werden coöperatieworst en wodka ingeruild voor thee, klaargemaakt op de samowar, met knoflook, gebakken uien en gefilte fisj, door Ester stilletjes bereid. Babel: "De oude Ester vond haar plek in de hoofdstad van de USSR." Telkens als ik het nieuws lees over Moskou, Poetin en de Oekraïne, moet ik aan dit ontroerende verhaal denken.

Tagged with:
 

Literatuur van de straat

On 8 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Winter Journal’ (2012) van Paul Auster:

De poging tot autobiografie van Paul Auster – de 64 jarige schrijver uit New York die terugblikt op zijn leven – liet me niet onberoerd. Iedereen zou zijn leven net als Auster in ‘Winter Journal’ deed kunnen beschrijven, aan de hand van zijn eigen lichaam, de adressen nalopen waar hij heeft gewoond, de dood navoelen van de ouders, de weersomstandigheden inventariseren, het voedsel, de vrouwen, de liefdes, de scholen, de hotels, de kwetsuren nogmaals kunnen ervaren, enzovoort. Mooi is de beschrijving van zijn verhuizing van Manhattan naar de overkant van de East River, naar Brooklyn in 1980. Hij belandt er in Carroll Gardens, een in zichzelf gekeerde Italiaanse gemeenschap in een buurt die destijds te boek stond als de veiligste in het verder gevaarlijke New York. Bekeken voelde hij zich er, begluurd door de vrouwen op stoepen, anders dan Afro-Amerikanen weliswaar niet ruw buitengesloten, maar ook niet welkom.

En altijd maar dat lopen. Auster beschrijft zichzelf voortdurend wandelend door de stad. Wanneer hij de sensaties beschrijft die hij ervoer met zijn lichaam in beweging door ruimtes, eindigt hij met wandelen over trottoirs, "for that is how you see yourself whenever you stop to think about who you are: a man who walks, a man who has spent his life walking through the streets of cities." Schrijven staat voor hem gelijk aan lopen. Helemaal op het eind komt hij op dat gegeven terug. "In order to do what you do, you need to walk. Walking is what brings the words to you, what allows you to hear the rhythms of the words as you write them in your head." Ook al schrijft hij zijn boeken achter zijn bureau, net als Dante heeft hij voor zijn boeken vele paren sandalen versleten. "You sit at your desk in order to write down the words, but in your head you are still walking, always walking, and what you hear is the rhythm of your heart, the beating of your heart." De stad als inspiratiebron voor grote schrijvers, de literatuur ligt op straat.

Tagged with:
 

Een standbeeld

On 20 maart 2013, in literatuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op 18 maart 2013 in CREA te Amsterdam:

De laatste spreker in de serie Amsterdam Lezingen was niemand minder dan Marita Mathijsen. De emeritus-hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam sprak voor een volle zaal over Jacob van Lennep in het negentiende eeuwse Amsterdam. Dat alles onder de noemer ‘Amsterdam kennisstad’. Op eigen kosten, vertelde ze, had de romanschrijver een drinkwaterleiding door Britse ingenieurs laten aanleggen van Heemstede, waar zijn familie een buiten had, naar de Haarlemmerpoort in Amsterdam. Voor een cent per emmer konden de inwoners van de hoofdstad daar jarenlang schoon drinkwater uit de duinen kopen, de Jordanezen, die het dichtste bij de kraan woonden, in de eerste plaats. Tot dan werd drinkwater nog uit de Vecht in schepen aangevoerd en in waterbakken ondergronds bewaard. Nog bij de aanleg van de metro in 1978 was men op zo’n enorme waterbak gestuit. Deze praktijken waren allesbehalve hygiënisch en de reputatie van Amsterdam was op dat vlak ook allerminst gunstig. Napoleon had nog bevolen een waterleiding naar de Vechtplassen aan te leggen, zo vies vond hij het Amsterdamse drinkwater. Het zou nog twintig jaar duren voordat iedere Amsterdammer aansluiting kreeg op het waterleidingnet, maar aan Van Lennep is te danken dat er in 1851 een begin werd gemaakt met het aanleggen ervan, die er zelfs geld voor leende in Engeland. Drie jaar later was alle vijfentwintig kilometer buizen gelegd. Door het schone duinwater bleef Amsterdam tijdens de cholera-epidemie van 1866, waaraan liefst 23.000 Nederlanders stierven, relatief gespaard. Daarna zou de overheid de verantwoordelijkheid van Van Lennep’s ‘Duinwater Vereeniging’ overnemen. Nog steeds hanteert Waternet voor haar leidingen Engelse maten.

Mathijsen wees erop dat het vooral schrijvers waren geweest die in de negentiende eeuw sociale misstanden aan de kaak stelden. In dat verband noemde ze Pieter Jan Heije, Piet Paaltjens, Jacob van Lennep, Multatuli. Dikwijls waren zij tevens dominee, politicus of arts. Zo beschreef Multatuli in zijn Max Havelaar de onrechtvaardigheden in Nederlandsch-Indië en Piet Paaltjens dichtte over de wantoestanden in Schiedam, waar de jeneverstokerijen de aanleg van een drinkwaterleidingnet lange tijd verhinderden. Van Lennep zelf was een van de eersten die de Amsterdamse volkswijken introkken en de schrijnende toestanden aldaar noteerden. Dat soort schrijverspraktijken zag je ook in het buitenland. Als voorbeeld noemde Mathijsen Victor Hugo in Parijs en iemand in de zaal herinnerde aan ‘De negerhut van Oom Tom’ van Harriet Beecher Stowe. Mathijsens verklaring hiervoor klonk aannemelijk: schrijvers beschrijven in hun poëzie of fictie de werkelijkheid, doen er ook onderzoek naar en kunnen in hun verhalen mensen diep ontroeren en daarmee mobiliseren. Dat doen schrijvers tegenwoordig nog steeds. Maar wat Van Lennep deed was uitzonderlijk. Hij die standbeelden regelde voor Vondel en Rembrandt, verdient nu zelf een standbeeld. Iemand in de zaal verzekerde dat dat standbeeld er ook zou komen. Op het Haarlemmerplein. Het was een mooie avond.

 
Tagged with:
 

De verdiensten van Jacob van Lennep

On 16 januari 2013, in literatuur, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het uitwendige schrijverschap’ (2011) van Marita Mathijsen:

Marita Mathijsen is een van de zes sprekers van de nieuwe serie Amsterdam Lezingen die de Universiteit van Amsterdam dit jaar organiseert. Op 18 maart zal ze in CREA vertellen over Jacob van Lennep: advocaat, politicus, vrouwenjager, romanschrijver, dichter, toneelspeler, historicus, taalkundige, beschermer van oudheden. Over hetzelfde onderwerp sprak de emeritus-hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA al eerder, bij haar afscheid op 7 oktober 2010. Op die lezing komt ze straks dus terug. Ter voorbereiding stuurde ze me de mooi bezorgde publicatie van haar verhaal van destijds, verschenen bij Februari boekhandels. In haar lezing portretteert ze de negentiende-eeuwse schrijver als een geëngageerd mens die niet alleen historische romans, operettes en bagatellen schreef, maar ook: “dat hij waterleidingen aanlegt, stadspoorten redt en een luxueus hotel opent.” Dat chique hotel is het welbekende Amstel Hotel, om de hoek van de Sarphatistraat.

Over die waterleidingen schrijft Mathijsen het volgende: “Dat het drinkwater van Amsterdam tot het beste ter wereld hoort, is aan Jacob van Lennep te danken. Hij wist een ervaren Engelse ingenieur in te schakelen voor de aanleg van een waterleiding vanuit de duinen naar Amsterdam. Hij haalde het geld ervoor bij elkaar in Engeland en hij bewoog zijn vader om het stuk duingrond waar het duinwater uit de grond welde te schenken aan de Duinwatermaatschappij die hij oprichtte. En zo kreeg Amsterdam als eerste Nederlandse stad waterleiding.” Hierdoor ook kwam het dat Amsterdam gespaard bleef bij de cholera-epidemieën die steden als Londen, Manchester en Hamburg destijds wèl teisterden. Ons beeld van Amsterdam in de negentiende eeuw moet danig worden bijgesteld. De stad aan de Amstel bleek, ondanks de vele sloppen, moderner dan menig Europese metropool. Meld u aan op www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen

Tagged with:
 

City of a Million Dustbins

On 21 november 2012, in literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘1984’ (1949) van George Orwell:

De toekomstroman van George Orwell, met de titel ‘1984’, speelt zich af in Londen. De hoofdstad van het wereldrijk van na de revolutie is arm, maar machtig en voortdurend in oorlogen verwikkeld. Boven de huizen vliegen helikopters. De metropool zit vol ratten. “The reality was decaying, dingy cities where underfed people shuffled to and fro in leaky shoes, in patched-up nineteenth-century houses that smelt always of cabbage and bad lavatories.” Hoofpersoon Winston Smith – een ambtenaar – kijkt om zich heen. “Het seemed to see a vision of London, vast and ruinous, city of a million dustbins, and mixed up with it was a picture of a Mrs. Parsons, a woman with lined face and wispy hair, fiddling helplessly with a blocked waste-pipe.” Zelf woont Winston in een appartement op de zevende verdieping, dat hij alleen kan bereiken via het trappenhuis, want een lift is er niet.Het uitzicht over de stad is ronduit vreemd en doet denken aan Moskou onder Josef Stalin aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Orwell: “A kilometer away the Ministry of Truth, his place of work, towered vast and white above the grimy landscape. This, he thought with a sort of vague distaste – this was London, chief city of Airstrip One, itself the third most populous of the provinces of Oceania.” Boven de eindeloze zee van verwaarloosde negentiende eeuwse bebouwing, slechts onderbroken door inslagen van bommen, rijzen vier enorme gebouwen op. Het zijn de vier ministeries van de heersende dictator en zijn Partij: die van de Waarheid, de Vrede, de Liefde en de Overvloed. Zijn eigen ministerie bevat drieduizend kamers, gebouwd bovenop grote onderaardse gewelven. “It was an enormous pyramidal structure of glittering white concrete, soaring up, terrace after terrace, 300 meters into the air.” Het gebouw heeft geen ramen. Orwell schetst Londen als een verarmde stad waar alle schoonheid is uitgebannen. Alle schoonheid? Nee, de architectuur van het schrikbewind is die van het Modernisme. De negentiende eeuw en alles wat eraan voorafging blijkt in de ban gedaan, verarmd en vergeven van de ratten. Stalin heeft zijn Paleis van de Sovjets nooit kunnen realiseren. De Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang is wat dat betreft een betere vergelijking. Het Ministerie van Waarheid is daar onlangs in werkelijkheid gebouwd. Als hotel voor buitenlandse gasten.

Tagged with:
 

Reizen zonder Geert

On 19 september 2012, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Travels with Charley’ (1961) van John Steinbeck:

Van iemand kreeg ik ‘Reizen zonder John’ van Geert Mak bij mijn inauguratie cadeau. Het was aanleiding om weer die oude pocketeditie van John Steinbeck ter hand te nemen. De hernieuwde kennismaking was verrassend. Het bleek zondermeer leuk om die zoektocht van de zestigjarige schrijver naar Amerika opnieuw te lezen.  Let wel, het is de tijd van ‘Mad Men’. Ditmaal echter geen New York, maar wel San Francisco, Montana, Mojave. Trouwens, heel Californië trekt voorbij. Steinbeck reist opnieuw door zijn vaderland na vijfentwintig jaar, maar hij vermijdt de grote steden. “Of course, I had been reading about the population explosion on the West Coast, but for West Coast most people substitute California. People swarming in, cities doubling and trebling in numbers of inhabitants, while the fiscal guardians groan over the increasing weight of improvements and the need to care for a large new spate of indigents.”

Mooi hoe hij Seattle beschrijft. Het is 1960. “I remember Seattle as a town sitting on hills beside a matchless harborage – a little city of space and trees and gardens, its houses matched to such a background. It is no longer so.” Wat ziet hij na vijfentwintig jaar? “The tops of hills are shaved off to make level warrens for the rabbits of the present. The highways eight lanes wide cut like glaciers through uneasy land.” Dit was niet het Seattle dat hij zich herinnerde. “I wonder why progress looks so much like destruction.” Dan volgt zijn analyse van de moderne Amerikaanse stad anno 1960: “When a city begins to grow and spread outward, from the edges, the center which was once its glory is in a sense abandoned to time.” Het verval begint al snel; arme mensen trekken naar binnen. “Nearly every city I know has such a dying mother of violence and despair where at night the brightness of the street lamps is sucked away and policemen walk in pairs.” Totdat ooit alles weer goed komt en de stad monumenten bouwt voor zijn verleden. Of niet. Ik ben benieuwd hoe Mak de toestand in de Amerikaanse steden, vijftig jaar later, beschrijft.

Tagged with:
 

Sleutel tot verandering

On 20 maart 2012, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 13 maart 2012:

‘Extremely Loud & Incredibly Close’ (2005) van schrijver Jonathan Safran Foer gaat over het New York van na 9/11. Foer zelf woont in Brooklyn, om de hoek woont Paul Auster; ‘Extremely Loud’ lijkt sterk op het werk van Auster. De clou van ‘Extremely Loud’ moet Foer echter hebben ontleend aan Kurt Vonnegut’s ‘Slaughterhouse Five’, waar de piloot van de bommenwerper troost vindt door de film van het bombardement op Dresden achterstevoren af te draaien. Ook Vunnegut woonde in New York, op de hoek van East 48th Street en Second Avenue, met zicht op Brooklyn. Alle drie de schrijvers zijn Joods, maar wat vooral telt is dat alle drie hun domicilie in New York hebben en dat alle drie over die stad schrijven. “Die avond lag ik in mijn bed iets te bedenken: onder elk kussen in New York zou een speciale afvoer moeten komen die in verbinding staat met de grote vijver in Central Park. De tranen van iedereen die zich in slaap huilt, zouden dan naar één plek stromen, en ‘s ochtends meldt de weerman of het peil in de Tranenvijver is gestegen of gezakt, en dan weet je of New York in mineur is of niet. En als er echt iets verschrikkelijks gebeurt – zoals een atoombom, of dan toch op zijn minst een aanval met chemische wapens – zou er een keiharde sirene afgaan die alle bewoners oproept naar Central Park te komen om zandzakken rond de grote vijver te leggen.” Het boek gaat over New York dus, maar het is ook een typisch Joods boek; wat dat betreft had de plaats van handeling ook Jerusalem of Dresden kunnen zijn.

In een interview met Foer naar aanleiding van de verfilming van ‘Extremely Loud’ vertelt hij over zijn schrijven. Hij schrijft heel intuïtief. “Ik benader schrijven niet met een structuur.” Hij wil in de eerste plaats verhalen vertellen. Elkaar verhalen vertellen en samen eten zijn volgens hem beide ‘essentiële menselijke activiteiten’. Hij wil met zijn boeken ook niet overtuigen, maar zaken bespreekbaar maken. Hij wil de wereld veranderen, maar niet door radicaal te zijn, wel door de cultuur en de conversatie bij te sturen. “Je kunt tot mensen doordringen als je niet agressief, irritant of prekerig doet, maar nederig en eerlijk. Daarmee erken je hoe moeilijk het kan zijn om overtuiging in actie om te zetten.” Foer is tegen het zwartwitdenken, want zo zitten mensen niet in elkaar. “Ons denken en voelen zijn grijs en genuanceerd.” Hij zou, besluit hij,  nooit de politiek in gaan of actievoerder kunnen zijn, waarna de journalist – Diederik van Hoogstraten – hem in het interview neerzet als denker, geen activist, wat weer een typisch voorbeeld van zwartwitdenken is. Ikzelf denk dat Foer een hele goede planoloog zou zijn. Hij kent namelijk de sleutel tot verandering.

Random knowledge

On 1 maart 2012, in boeken, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Volkskrant Magazine van 11 februari 2012:

Mooi interview in Volkskrant Magazine met voormalig persfotograaf Hans Aarsman, zoon van slager Aarsman aan de Hoofdweg in Amsterdam-West. Eerst scheikunde gestudeerd, later Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Kortstondig lesgegeven. Daarna reikte een vriend hem een camera aan. Toen was hij verkocht. Sindsdien fotografeert hij, of liever: hij leest, selecteert en interpreteert (‘ontrafelt’) tegenwoordig foto’s – er komen bij hem tienduizend foto’s per dag binnen – waarmee hij een collectie foto’s aanlegt, de Aarsman Collectie. Dat gaat als volgt: glamour en sport gooit hij er snel uit; dan houdt hij nog zo’n drie- tot vierduizend foto’s over; die ziet hij stuk voor stuk. “Op dat moment staan mijn hersenen in de selectiestand. Dan heb ik geen ruimte om te associëren. Daar moet echt tijd tussen zitten. Het liefst een nacht. De volgende ochtend loop ik in mijn hoofd het lijstje van vijf of zes kandidaten door. Half soezend komen bij mij de beste gedachten boven.” Om de selectie te kunnen maken leest hij veel, allemaal non-fictie. “Ik verzamel random knowledge. Wetenswaardigheden waarvan je nooit weet of ze ooit van pas zullen komen, maar die je intussen toch maar even meepikt.” Aarsman lijkt zo weggelopen uit een roman van Paul Auster, een typische grootstedelijke figuur – zelf noemt hij zich ‘fotodetective’ -, want zijn werk is niet in te delen, het is hooggespecialiseerd, om niet te zeggen zeer persoonlijk, uniek. Zo te leven kan alleen in een metropool.

Aarsman houdt van auto’s, maar zelf heeft hij er geen. Wel staat er een Daimler in zijn garage; die is van een vriend. “Hij rekende het ooit precies uit: als je de uren die je moet werken om een auto te bekostigen optelt bij de uren die je erin rijdt, ben je met de fiets altijd sneller.” Het is een mooie rekensom, maar wel goed gejat. Henry Thoreau rekende in ‘Walden’ (1854) zijn lezers ooit voor dat reizen te voet het snelste gaat, veel sneller dan met de trein. Van Concord naar Fitchburg bijvoorbeeld. “Veronderstel dat we willen proberen wie daar het eerst aankomt; de afstand is dertig kilometer en het kaartje kost negentig dollarcent, dat is bijna een dagloon. Wel, ik begin nu te voet en arriveer vóór de nacht want ik heb zulke afstanden wel een week achter elkaar afgelegd. U ondertussen zult eerst de reiskosten moeten verdienen, als u tenminste het geluk hebt nu werk te vinden, en u zult daar de volgende dag aankomen of op zijn best vanavond. In plaats van naar Fitchburg te reizen moet u hier het grootste deel van de dag werken. Op die manier zou ik, als de spoorlijn rond de aarde ging, u steeds voor blijven.” Zou Aarsman ‘Walden’ hebben gelezen? Het is non-fictie. En Auster? Da’s fictie, nee.

Tagged with:
 

Killing

On 30 november 2009, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 oktober 2009:

P.F.Thomése is gestuit op Sartre. Op de middelbare school had hij ‘Le Mur’ (1962) gelezen. Nu las hij de bundel novellen opnieuw, met andere ogen. ‘Erostrate’, de derde novelle, werpt wat hem betreft "een verrassend licht op de tegenwoordige politieke verwarring" en kan als een metafoor worden opgevat "van de verhouding tussen de droom van de dictatuur, waar de wil wet mag zijn, en de weerbarstige praktijk van de democratie." Het verhaal gaat over een jongeman, Paul Hilbert genaamd, die van zes hoog uit zijn appartement op straat kijkt en de mensen daar beneden beziet en zich voorneemt er een willekeurig paar neer te knallen. Hij koopt een pistool, daalt de trappen af en doet het uiteindelijk nog ook.

Het probleem dat Sartre beschrijft, aldus Thomése, is een communicatieprobleem. "Als Paul Hilbert niets over wilde brengen, was er niets aan de hand geweest. Dan was hij bolhoeden blijven bekijken die van bovenaf plat bleken te zijn. Maar hij wilde iets van zich laten horen, hij wilde de mensen iets laten weten." Evenzo, stelt Thomése, is er op dit moment sprake van een communicatieprobleem. "Er zijn te veel sprekers, te veel schrijvers, te veel bellers, sms-ers, chatters, twitteraars, allemaal kleine dictators, en allemaal willen ze laten weten – wat eigenlijk?" En het erge is: niemand luistert. Thomése noemt dit het probleem van de democratie. "Democratie is een illusie dat je anderen iets kunt opleggen, de realiteit is echter dat anderen jóu iets opleggen. Democratie is dan ook het ideale stelsel om ervoor te zorgen dat niemand iets te vertellen heeft. De eerlijke verdeling van onmondigheid en het ongenoegen hierover. De perfecte anti-dictatuur." Zo komt hij tot zijn vernietigende typering van de actuele toestand in ons vaderland: "Zestien miljoen killers in een koninkrijk van niks." Sartre zou trots op hem zijn.

Tagged with:
 

Waanzinnig

On 29 november 2009, in boeken, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 april 2009:

Aan de vooravond van de Vrijstaat Amsterdam overleed de Britse cultschrijver J.G. Ballard. Pieter Steinz schreef een necrologie in NRC Handelsblad. Volgens mij is Steinz kort daarna ook overleden. Enfin, door de drukte had ik nauwelijks tijd zijn tweekolomstekst tot me te nemen; ik knipte hem nu pas uit de krant. Het was George Brugmans die me jaren geleden op het spoor zette van Ballard en diens science fiction-achtige oeuvre. Intrigerend vond ik het hoe deze schrijver een principe dat hij waarneemt in de realiteit in zijn uiterste consequentie doorredeneert. "Zie mijn verhalen als wegen die we kunnen kiezen: ik laat zien waartoe ze leiden," zei hij ooit. Dat is geen science fiction meer, maar fictie van een klasse waar vooral Kurt Vonnegut een patent op had.

Steinz citeert uit een oud CS-interview met Ballard: "De technologische maatschappij berooft ons van meer en meer morele beslissingen. Tegelijkertijd eisen we in ons privéleven juist steeds meer vrijheid. En dat is geen wonder, want in een door de staat gecontroleerde maatschappij is het eigen hoofd het enige domein waar de verbeelding haar gang kan gaan. In een totaal gerationaliseerde staat is waanzin de enige vrijheid."

Tagged with: