Pleur op!

On 4 maart 2017, in kunst, stedenbouw, wonen, by Zef Hemel

Voorgedragen in Cargo, Amsterdam, op 26 februari 2017

Aarde, water, lucht en vuur. De vier oerelementen. Ik herkende ze meteen. Mooie beelden van fotografe Annaleen Louwes in Cargo, in de Houthaven, aldaar te zien tot 19 maart 2017. Vooral het geluid vond ik mooi. Geluid is in DUSK bijna even belangrijk als beeld. Afgezien van het ademhalen, hoorde ik vooral havengeluiden. Het geluid van Coen- en Vlothaven: Cargill, Igma, Amfert, Eggerding: dat is overslag van soja, kunstmest, cacao. Het drukste deel van de Amsterdamse haven. Waarom was ik zo gespitst op het geluid?

 

Mediation om Houthaven

Twee jaar lang nam ik deel aan een mediation-traject met Eberhard van der Laan, in 2007 nog advocaat. Ik vertegenwoordigde de stad, Hans Gerson de haven, we werden bijgestaan door de projectleiders van Houthaven en NDSM, plus een vertegenwoordiger van de vier bedrijven, en met de provincie als toezichthouder. De gesprekken gingen over geur, stof, maar vooral over geluid: wanneer gaan de toekomstige bewoners van Houthaven over het geluid van de haven klagen? Niet de volksgezondheid was in het geding, nee, het ging om potentieel klagende Amsterdammers.

Een slepend conflict van twintig jaar was eraan voorafgegaan: bestemmingsplannen voor Houthaven waren keer op keer getorpedeerd door de havenbedrijven. Ze vreesden dat de toekomstige bewoners last zouden krijgen van hun geluid. Nu lag er weer een nieuw bestemmingsplan voor. Opnieuw werd voor juridische procedures gevreesd.

Voor het convenant kreeg ik opdracht om de kritische geluidscontour van 50 DB op een kaart te tekenen. Als een soort van bestandslijn. Ik herinner me de gesprekken met de geluidsdeskundigen van de provincie en de milieudienst. De contour werd theoretisch berekend. Daarover was veel discussie mogelijk. De stedenbouw werd ingezet om de contour vast te leggen. Ziedaar de hoge muur aan de kant van de Minervahaven. Die moet het gevreesde havengeluid tegenhouden.

Ik ben in die tijd zelf gaan luisteren, bij westenwind, juist toen een aantal schepen in de Vlothaven gelost werden. Wat hoorde ik precies? Hoofdzakelijk autoverkeer. Vanwege dat autoverkeer moesten we een verkeerstunnel graven, kosten 40 miljoen. En ik dacht: als dat verkeer onder de grond verdwijnt hoor je de havenbedrijven nog veel duidelijker.

 

Geen spade in de grond

Na twee jaar tekenden we het convenant, in 2009. Eindelijk mochten we gaan bouwen. Maar de financiële crisis was toen net uitgebroken en het gemeentebestuur besloot tot een bouwstop. Van het grondbedrijf moesten we allemaal ons werk neerleggen, er mocht geen spade meer in de grond. Opnieuw gingen vijf kostbare jaar verloren. Ondertussen liepen de kosten verder op. We moesten de havenbedrijven alle juridische kosten van de afgelopen twintig jaar betalen, we moesten geld storten in een fonds waarmee de bedrijven geluidwerende maatregelen kunnen nemen, we moesten een verkeerstunnel graven, we hadden vijfentwintig jaar niet gebouwd, dus de rentekosten liepen verder op en we hadden telkens weer nieuwe bestemmingsplannen moeten tekenen. Geen wonder dat Houthaven nu erg duur, nee onbetaalbaar wordt.

Maar het ergste is dat Amsterdam al die tijd geen woningen bouwde. En dat Amsterdam steeds duurder wordt. Niet alleen door de stijgende bouwkosten, maar vooral door de schaarste die Amsterdam dus zelf creëert, terwijl steeds meer mensen maar wat graag in Amsterdam zouden willen wonen.

Geluid speelt in dit alles een cruciale rol. Geluidsoverlast wel te verstaan. En dat heeft alles te maken met een probleem dat de Amsterdamse hoogleraar geografie, Rob van Engelsdorp Gastelaars, mij ooit eens uitlegde: de nieuwe bewoners van Amsterdam (de zogenoemde nieuwe stedelingen) wonen niet grootstedelijk, maar suburbaan. Ze willen geen overlast, geen herrie. Ze willen leven in een conflictvrije woonbuurt, net zoals ze in Almere of Lelystad een rustige woonomgeving kopen. Want groeiende welvaart leidt in de eerste plaats tot het uitbannen van conflicten en overlast. Rijke, hoogopgeleide mensen nemen al snel een advocaat in de arm. Welvaart, niet armoede, leidt tot segregatie en juridisering.

 

Rolkoffergeluiden

Er is een mooi boek van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett uit 1971, waarin deze dit nieuwe fenomeen beschrijft. In ‘The Uses of Disorder’ wees hij op de generatie van jonge babyboomers die terugkeerde naar de grote stad. Ze waren in de suburbs beschermd opgegroeid, in een hele rustige woonomgeving. Nu stapten deze welvaartskinderen uit hun beschermende cocon, gingen terug naar de grote stad, maar ze konden aan al die wanorde maar moeilijk wennen. Want grootstedelijkheid is wanorde. Naarmate ze rijker werden, gingen ze toch weer de grote stad als een buitenwijk bewonen. Ze begonnen te klagen over fietsers, toeristen, vuilnis, auto’s, de gemeente, alles. Hun levensmotto is ‘pleur op!’ Sennett pleitte voor chaos en wanorde en zag het nut van conflicten. Alleen door te leren omgaan met conflicten worden wij mensen werkelijk volwassen. Grootstedelijkheid is de enige manier om de grote wereld aan te kunnen. Rijke mensen die maar klagen en naar de rechter lopen vertonen kinderlijk gedrag.

Geluidsoverlast is het criterium. Hoeveel geluid kunnen mensen verdragen? De maatstaf is 50 DB. Havengeluiden hebben iets romantisch, maar dat telt voor de wetgever niet. Geluid is geluid. En de geluidswetgeving in dit land biedt rijke burgers een uitgebreid keuzemenu voor procederen.

Het deed me denken aan ´Berlin, Symphonie der Grossstadt´, de film van Walther Ruttmann, 1927: een dag in het leven van Berlijn, een mooie film in zwart-wit, het ontwaken van de stad, het spitsuur, het verkeer, de fabrieken die draaien, de machines die fluiten, de herrie, de terugkeer van de rust, het weer gaan slapen. Ook die film ging over geluid. Symfonisch geluid. Geluid hoort nu eenmaal bij de grootstad.

Maar Amsterdam is geen grootstad en wordt dat ook niet meer. Er wordt steeds minder gebouwd, ook al wil iedereen hier graag wonen en schieten de prijzen regelrecht door het plafond. Juridisch wordt alles dichtgetimmerd. Rijke, hoogopgeleide mensen willen Amsterdam in alle rust, als een Almere, conflictvrij bewonen. We bouwen muren in de stad om het geluid buiten te houden. Geen hotels meer, geen Airbnb, geen hoogbouw, geen dagjesmensen, geen buitenlanders, pleur op allemaal! Amsterdam wórdt net als Almere. Conflictvrij, een gezuiverde ruimte. Zelfs het geluid van de rolkoffers is storend en moet worden uitgebannen.

Het gevecht om het geluid is het centrale slagveld in het welvarende Amsterdam. Het wachten is op de eerste nieuwe bewoner in Houthaven die gaat procederen tegen een van de havenbedrijven.

Tagged with:
 

Niet exploderen, maar imploderen

On 8 juli 2016, in duurzaamheid, kunst, by Zef Hemel

Voorgedragen op het Marineterrein, Amsterdam, op 7 juli 2016:

TOFUD van Frank Havermans, op dit moment te zien in Cityscapes Gallery in Amsterdam, deed me aanvankelijk denken aan de PROUNs (‘pro-oon’) van El Lissitzky. Vooral zijn tweede serie uit 1923 betrof schitterende composities van geometrische vormen die de toekomst als ‘volstrekt nieuw’ wilden uitdrukken. Een soort van tijd-ruimte explosies waarbij alle geometrische vormen met verschillende snelheden vrij in de ruimte zweven. De PROUNs waren verbeeldingen van het utopische, een dynamisch communistisch universum. Ze waren een van de inspiratiebronnen van het Modernisme. Ook Havermans’ werk is ruimtelijk. Wie echter goed kijkt ziet geen explosie, maar implosie. Alle vormen trekken naar elkaar toe, klitten zelfs aan elkaar. TOFUD is allesbehalve PROUN. Havermans’ begrip van circulariteit is geavanceerder dan dat van de Modernisten.

De eerste denkfout van het Modernisme was tabula rasa. Dit was ook de essentie van Plan Voisin van Le Corbusier, 1925: alles moest tegen de vlakte, de stad zou opnieuw worden opgetrokken. De architect streefde een complete herordening van Parijs na, nu scherp begrensd, leesbaar, transparant. Alle elementen werden opengewerkt, zwevend in de ruimte, spottend met de zwaartekracht, helder stralend, zonder decoratie, de stad als een abstract explosie van volumes, lijnen en vlakken die zich gemakkelijk van bovenaf liet componeren, in een eindeloze variatie.‘Le Corbu’ meende ook dat de toekomst wetenschappelijk kon worden voorbereid. Begin jaren zestig wordt dit idee van de stad als berekenbare machine op de spits gedreven door futuroloog Richard Buckminster Fuller. Diens Dome over Manhattan uit 1960 getuigde van de opvatting dat de aarde een ruimteschip is, en de stad een gesloten systeem dat computers geheel konden beheersen door middel van kunstmatige klimaatbehandeling. Afbreken hoefde niet eens; gewoon een geodetische dome eroverheen. In ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) ergerde ‘Bucky’ zich aan de politiek, de zouteloze compromissen. Zijn opvattingen over democratie stonden niet ver af van die van Le Corbusier, maar waren mijlenver verwijderd van het circulaire denken. Nee, het Modernisme heeft weinig circulairs voortgebracht. De architecten koersten op beheersing, controle en expansie. Havermans toont iets anders: chaos, gelaagdheid, groei, ruimtelijke implosie. Alleen rommelige, chaotische, informele, volgestouwde, onbestuurbare, van onderop georganiseerde metropolen zijn circulair.

Tagged with:
 

Not an airport

On 9 juli 2015, in kunst, by Zef Hemel

Heard on IJburg, Amsterdam, on 8 July 2015:

Mrs. Ruf comes from Singen, Germany, which means she’s born close to the Swiss border. She studied in Vienna, not in Berlin. Until recently she was the director of the Kunsthalle in Zürich, now she’s the new director of the Stedelijk Museum in Amsterdam. And she bikes. Beatrix Ruf (1960) told us she bikes every day, without a helmet, from her new home in Amsterdam South to the Museumplein. She has looked for a house on IJburg, the latest extension of the city, but decided to buy one as close to the museum as possible. So now she can bike. She thinks the centre of Amsterdam is very crowded, more than the centres of Vienna, Zürich or Berlin. Lots of tourists, sure, but it also has to do with public space and the way all those people behave. The most dangerous, though, is not the anarchistic behaviour of the Amsterdam citizens, making their own rules, but the tracks of the tram. Not easy to avoid them with your bike.

It was a great introduction of Beatrix Ruf, speaking to the international audience of participants of summer school Thinking City. With a twinkling in her eyes she talked about modern art, the museum, the Museumplein, the way people use the square, the field (?), the plans she has with putting sculptures on it, the building itself, the first thing she did: making the entrance public by removing the portals. ‘It’s not an airport’. She seemed to have no particular interest in architecture, but planning and urban design fascinate her. She could not name an iconic building in Amsterdam, a particular building she likes very much. Looking from the top of the Hilton Hotel on the urban plan of Berlage, the view exites her though. She compared Zürich with Amsterdam. Both cities are rather small, but they are at the centre of an extended urban field, which make you feel you are living in an urban environment somehow. Also the openness to the world, the international, cosmopolitan atmosphere is what strikes her in both cities. What is unique in the Stedelijk case, she told us, is the way the citizens of Amsterdam feel like they’re owning the museum. It is THEIR museum. Everything that happens in the Stedelijk is controversial, worth a battle. She likes that very, very much. Great observation.

Tagged with:
 

Mooie, harmonieuze wereld

On 29 april 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum te Amsterdam op 28 april 2015:

tahiti-sea-level-rise

Met dochterlief naar ‘De oase van Matisse’ geweest. Inderdaad, zinderende kleuren, speelse vormen, lonkende patronen. Vooral die foto’s van zijn atelier. Wat scheelde hem eigenlijk, de grote Franse kunstenaar (1869-1954) en generatiegenoot van Piet Mondriaan? Toen Mondriaan stierf, onderging Matisse een zware operatie. Het bleek prostaatkanker. “Only what I created after the illness constitutes my real self: free, liberated.”  Thuis, eenmaal in zijn rolstoel, voelde hij zich werkelijk vrij. Bezat hij daarom zoveel vogels? Zijn thuis, dat was eerst Parijs, 132 Boulevard Montparnasse, later Vence, Zuid-Frankrijk. Vanuit zijn stoel schiep hij zijn atelier, eerst in zijn hoofd terugreizend naar Marokko, later naar Haïti waar hij in de jaren ‘30 kort verbleef. Vormen op gekleurd papier knipte hij uit en hing ze aan de wanden. Trefzeker tekenen kon hij. Soms bestonden zijn tekeningen slechts uit drie lijnen, som uit één lijn. De knipsels prikte hij op. Bladeren. Koraal. Vissen. Vogels. Ik zag ook Chinese kalligrafie boven een kastje hangen. Wonderschoon. Inderdaad, de kunstenaar schiep zichzelf een oase. Uiteindelijk overleed hij, 84 jaar oud, aan een hartaanval.

Al zoekend vond ik nog foto’s van zijn atelier in Nice. In Hotel Régina ontstond ‘The Parakeet and the Mermaid’ op de wanden, nu het topstuk van de tentoonstelling. Een radiator staat op de foto midden in het kunstwerk. Vreemd detail. Wat merkte Matisse erover op? “I have made a little garden all around me where I can walk. There are leaves, fruits, a bird.” Voortdurend herschikte hij de vormen op de wanden van zijn woning. Zijn atelier was een levend kunstwerk. Hij woonde erin. Het was een mooie, harmonieuze wereld die hij zichzelf op hoge leeftijd schiep. Uiteindelijk verscheen daar de parkiet. “Well, I became a parakeet. And I found myself in the work.” Dat was 1954. In een interview zei hij: “What counts for me, is not what I’ve done, but what I want to do. I would like te be judged only on the whole of my work, on the overall curve of my line of development.” Inmiddels weten we dat heel Oceanië, inclusief Tahiti, ernstig bedreigd wordt door de zeespiegelrijzing.

Tagged with:
 

Utopisch

On 2 maart 2015, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de inleiding bij ‘De Stijl: 1917-1931’ (1982) van Hans Jaffé:

Alweer een tijdje geleden een lezing gegeven in Rotterdam over stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988). Frits Palmboom, bezetter van de Van Eesterenleerstoel in Delft, had mij gevraagd in Het Nieuwe Instituut te spreken over het ontwerp van Van Eesteren van de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen. Wie was eigenlijk Van Eesteren? In de eerste plaats, zei ik, was hij een kind van de Eerste Wereldoorlog. Die gebeurtenis heeft zijn werk blijvend beïnvloed. Kunsthistoricus Jaffé omschreef deze oorlog, die Van Eesteren als jongeman had beleefd, als een periode van volstrekte chaos, die mensen verlangend had doen uitzien naar evenwicht en harmonie. De kring van kunstenaars waarin de jonge Van Eesteren verkeerde, zocht die harmonie in abstractie en precisie. Piet Mondriaan deed dat in zijn schilderijen, Van Eesteren in de functionele organisatie van stad en landschap. Ook met het latere beloop van de Houtribdijk had Van Eesteren, destijds adviseur van de Zuiderzeewerken, naar harmonie en evenwicht gestreefd. Zo is de dijk schitterend opgespannen tussen twee Zuiderzeestadjes, het oude Enkhuizen en het nieuwe Lelystad.

In de inleiding bij de catalogus over De Stijl-tentoonstelling in Stedelijk Museum en het Kröller-Müller Museum uit 1982 had de oude Jaffé geschreven over de tijd waarin de kunstenaars van De Stijl volwassen waren geworden – de schoksgewijze veranderingen door de industrialisatie en de onstuimige groei van de steden. “Op al deze gebieden werd een algemeen plan, een denkbeeld aanvaard als vervanging van individuele, vaak willekeurige beslissingen. Een blauwdruk, een formule vormde de basis voor alle eigentijdse, vooruitstrevende scheppingen.” De blauwdruk moest in de chaos van de moderniteit houvast bieden, ze werd tevens gezien als model voor artistieke productie. “De kunst was een pionier, een gids naar een lichtere toekomst, naar een nieuwe en revolutionaire utopie.” Hoe anders is het nu. De blauwdruk heeft afgedaan, een algemeen plan wordt verafschuwd, abstractie en precisie schitteren door afwezigheid, de chaos wordt aanvaard, verwerkelijking van de harmonie zoeken we tegenwoordig in de achtergebleven stad, niet in een zogenaamd nieuw leven. Er is geen geloof meer in een nieuwe en revolutionaire utopie. Wie begrijpt de Houtribdijk nog? Niemand.

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 2 februari 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam op 29 januari 2015:

Foto: Allard Pierson Museum

Afgelopen donderdagavond aanwezig geweest bij de opening van het DWDD Pop-Up Museum. Het was een gedenkwaardige avond. Tien zalen van het Allard Piersonmuseum van de Universiteit van Amsterdam aan het Rokin zijn door bekende Nederlanders ingericht met kunst afkomstig uit tien Nederlandse musea. Het televisieprogramma DWDD nam hiertoe het initiatief. Minister Bussemaker verrichtte de opening. Daarna begon een vrolijk feestje waarbij museumdirecteuren en mediamensen elkaar zowaar in de armen vielen. Wat er zoal te zien is? Kunst uit de depots van de tien musea, uitgekozen door de BN-ners naar thema of, gewoon, naar persoonlijke voorkeur. De zalen zijn intiem, lekker volgestouwd en vooral warm en kleurrijk ingericht. Vier maanden lang is dit geslaagde pop-up museum voor het brede publiek te bezichtigen. Het wordt daar vast nog drukker, aan het Amsterdamse Rokin.

Terwijl wereldberoemde musea als het Louvre, Beaubourg en het Guggenheim bezig zijn met filialisering in steden in Azië, het Midden-Oosten of in de regio (Beaubourg Metz), beginnen de Nederlandse musea, omgekeerd, met een gezamenlijk filiaal in de eigen hoofdstad. Voor het eerst zijn de collecties van het Groninger Museum, het Drents Museum, het Rotterdamse Fotomuseum, het Utrechtse Catharijne Convent en al die andere regionale musea bij elkaar te zien op één plek, in het centrum van Amsterdam. In plaats van jarenlang cultureel spreidingsbeleid nu eindelijk ruimtelijke concentratie, samenwerking en samenhang – een vorm van omgekeerde filialisering dus. Wat een geweldig idee! Kan dit pop-up initiatief niet een structureel karakter krijgen? Dus dat alle Nederlandse musea, inclusief het Rotterdamse architectuurmuseum, een permanent gezamenlijk onderkomen krijgen in de hoofdstad. Kunnen we eindelijk ook de unieke collectie bouwkunst weer zien, op de plek waar de meeste reuring is, in Amsterdam.

Tagged with:
 

Glas, licht, abstractie

On 19 januari 2015, in geschiedenis, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Kriterion, Amsterdam, op 3 januari 2015:

Aerial view of Crystal Palace

De verschijning van de film ‘Mr. Turner’ van Mike Leigh valt samen met de tentoonstelling ‘Late Turner’ in Tate Britain, Londen. De film is schitterend, de tentoonstelling vermoedelijk ook. De film geeft een indringend beeld van de grote schilder van de Romantiek. Joseph Mallord William Turner (1775-1851) leefde en werkte in Londen. Maar hij was vooral veel op reis, hij ging naar Amsterdam om Rembrandt en Ruysdael te zien, Antwerpen (voor Rubens), Parijs (naar werken van zijn grote voorbeeld Claude Lorraine), Rome, Florence en Venetië. In Londen was hij opgenomen in de gemeenschap van kunstenaars binnen de dan juist opgerichte Royal Academy of Arts: hij ontmoette er John Ruskin, John Soane, John Nash, Joseph Constable en anderen. De Royal Academy bleek een broedplaats van talent, een plek van uitwisseling van ideeën, juist op het moment dat Napoleon verslagen wordt en het Britse imperium zijn almacht vestigt. Thuis, in Harley Street, later in Queen Ann Street West, had hij op de bovenverdieping bovendien een eigen galerie waar hij zijn schilderijen aan intimi tentoonstelde. Zijn verfpoeder, soms afkomstig uit Afghanistan, kocht zijn vader voor hem om de hoek.

De Engelse landschapsschilder, vooral bekend van zijn atmosferische zeezichten, zou je niet snel met de grote metropool associëren. Toch was Turner een kind van de vooruitgang en de industriële tijd en had hij grote interesse voor stoomtreinen, natuurkunde, fotografie, prisma, Beethoven, allemaal stedelijke innovaties. In zowel de film als de tentoonstelling wordt hier ook sterk de nadruk op gelegd. Boodschap: Turner was een vernieuwer, een ziener en een voorloper. Zijn schilderijen werden op het einde van zijn leven ook steeds lichter, helderder. Van ‘rain, steam and speed’ gaat het naar ‘glas, licht, abstractie’.  Helemaal op het eind van de film, tevens het eind van zijn leven, keert de schilder uitgeput terug van een wandeling door de grote stad. Hij was, vertelde hij, opnieuw in Hyde Park geweest. Wat hij er precies had gezien, wordt niet geheel duidelijk, maar het was iets groots van staal en glas dat daar werd gebouwd. Het moet Christal Palace van Joseph Paxton zijn geweest, het reusachtige gebouw van glas en staal dat in 1851 ‘s werelds eerste Wereldtentoonstelling zou huisvesten. Het wond hem danig op. De opening ervan heeft de schilder niet meer meegemaakt. Op zijn sterfbed waren zijn laatste woorden: ‘The Sun is God’.

Tagged with:
 

De volle 100%

On 17 december 2014, in demografie, kunst, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in de Stadsschouwburg te Amsterdam op 13 december 2014:

Het waren er precies 100. Honderd inwoners van Amsterdam. Ze speelden zichzelf in een stuk van het Berlijnse theatercollectief Rimini Protokoll, opgevoerd in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein (foto: Tim Mitchell). Samen vormden ze een getrouwe afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Eerder had Rimini Protokoll dit type theater al uitgevoerd in vierentwintig andere steden in de wereld. In een kettingreactie waren de Amsterdammers vijf maanden geleden bij elkaar gebracht: ieder had een volgende kandidaat aangewezen op een zodanige wijze dat het geheel paste in de statistische opbouw van de Amsterdamse bevolking naar geslacht, leeftijd, afkomst, huwelijkse staat en buurt: 49% man, 51% vrouw, 49% Nederlands, 5% Turks, 16% westers allochtoon, 62% alleenstaand, 25% getrouwd, 19% uit Nieuw West, 11% centrum, 10% Zuidoost, enzovoort. Met elkaar maakten ze in een twee uur durende voorstelling de stedelijke statistieken van het gemeentelijk bureau Onderzoek & Statistiek levend door vragen te beantwoorden die hen werden gesteld. Ja/nee. Ik wel/ik niet. Ik was erbij.

Groter nog dan ik had gedacht bleek de diversiteit van de Amsterdamse bevolking. Wat een smeltkroes is de stad! Kleurrijk, maar zeker niet gemakkelijk. Wel tolerant. Veel toleranter dan ik dacht. Niet tolerant per se in positieve zin, eerder proefde ik een zekere onverschilligheid. Sommige politieke thema’s leefden nauwelijks, over andere zaken wonden de mensen zich juist vreselijk op. Ik zag een volksparlement dat stemde over stedelijke kwesties (waaraan stoort u zich het meest?), maar het sprak ook over zichzelf en durfde zich daarin soms verbluffend bloot te geven. Wie had ooit zelfmoord overwogen? Wie had wel eens een pistool op zich gericht gezien? Wie had schulden? Wie ging vreemd? Het was, in een woord, ontroerend. Ik had ook nooit op deze wijze naar de stad gekeken. En het mooiste was, op het toneel bleek er geen leider in de groep, de groep regelde toch alles zelf. Telkens nam iemand het voortouw door een vraag te stellen. Vragen stellen aan elkaar. Zo kun je de enorme diversiteit dus overleven, nee vieren.

Tagged with:
 

Revolutie in Berlijn

On 16 december 2014, in innovatie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le Corbusier’ (1960) van Peter Blake:

Opnieuw een treffend voorbeeld van het belang van nabijheid bij het aanvang nemen van nieuwe revolutionaire ideeënwerelden. Ditmaal over moderne architectuur. De belangrijkste architecten die aan de wieg stonden van de modernistische stroming in de architectuur in de twintigste eeuw – Le Corbusier, Walter Gropius en Mies van der Rohe – werkten alle op jonge leeftijd vanuit Berlijn, sterker, ze werken alle in één bureau, namelijk dat van Peter Behrens. De Fransman Corbu was amper drieëntwintig jaar toen hij overkwam uit Parijs, Mies, afkomstig uit Aken, was vierentwintig en Gropius, weggetrokken uit Noord-Duitsland, zevenentwintig jaar. We schrijven de jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog. Behrens zelf was in 1907 van Darmstadt naar Berlijn verhuisd. Hij had daar een grote opdrachtgever gevonden: machinefabriek AEG. Hij was gaan wonen in een groot huis  op Neubabelsberg, vlakbij Potsdam. In de tuin had hij zijn eigen bureau gebouwd. Daarna was hij jonge architecten gaan werven die voor hem zouden werken.

Eind 1907 maakte de vierentwintigjarige Walter Gropius in Neubabelsberg zijn entree. Kort daarna arriveerde Mies. Drie jaar later volgde de iets jongere Le Corbusier. Die zou er overigens niet langer dan vijf maanden blijven werken. Maar het effect was immens. Peter Blake: “Ieder van deze jonge adepten zou iets heel speciaals van Behrens leren: Corbu technische organisatie en machinestijl; Mies classicisme; en Gropius de mogelijkheden om tot een industriële beschaving te komen.” Allen, aldus Blake, vonden daar, in Berlijn, de lemmata voor hun esthetische woordenlijst: kubussen, bollen, cilinders, kegels, enzovoorts. “Het was een feestelijke gewaarwording, deze ontdekking van een weidse nieuwe vormenwereld.” Die vijf maanden in de tuin in Neubabelsberg zouden later beslissend blijken voor het aanzien van de moderne architectuur.

Tagged with:
 

Creating the common goods

On 17 november 2014, in cultuur, filosofie, kunst, by Zef Hemel

Gehoord in het Paleis op de Dam in Amsterdam op 12 november 2014:

Benjamin Barber was hoofdspreker in het Paleis op de Dam bij de openingsceremonie van de World Cities Culture Summit 2014 in Amsterdam. Zevenentwintig metropolen onder aanvoering van Londen waren drie dagen te gast in Amsterdam om ideeën uit te wisselen over de rol van kunst in de stadsontwikkeling. De Amerikaanse politicoloog-filosoof sprak hen toe in de Burgerzaal. Ditmaal ten overstaan van de koning, die aanhoorde hoe de Amerikaan de natiestaat opnieuw wegzette en voorspelde dat over twintig jaar niet landen, maar genetwerkte steden de wereld zullen regeren. Waarom? Omdat landen vooral in grenzen denken, in onafhankelijkheid, terwijl steden praktisch opereren in netwerken en denken in wederzijdse afhankelijkheden. Als Duitsland groter wordt, wordt Polen kleiner, verduidelijkte hij; maar de groei van Warschau gaat niet ten koste van Berlijn. Barber verbond steden met kunst met democratie. Hij citeerde Javier Nieto: ‘De stad is kunst’. Daarmee las hij vrij letterlijk voor uit hoofdstuk 10 van ‘If Mayors Ruled the World’, zijn nieuwste boek uit 2013. "If one must choose, it is more appropriate to treat the city as the instrument of the arts rather than the other way round, for it exists in a certain sense for art."

Kunst, zei Barber, gaat over het publieke, de commons, de openbare ruimte, over datgene wat wij met elkaar delen. Kunst refereert ook aan democratie, omdat rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en participatie ook in de verbeelding die de kunst kenmerkt een voorname rol spelen; kunst, ten slotte,  is kosmopolitisch, ze kent geen grenzen. Op het platteland zijn wij niet vrij, stelde Barber, wel in de publieke ruimte in de stad: de parken, de pleinen, de agora. Maar de opmars van de privatisering en het terugdringen van de stedelijke publieke ruimte betekent een aanslag ook op de kunsten. Dom is dat, want kunst en verbeelding stimuleren juist de economie. “So the arts benefit the urban economy, because to benefit the commons, to enhance the community, to help create common goods and public space, is economically beneficial.” En toen kwam het. We hebben geen ‘Declaration of Independence’ nodig. De wereld is daarvoor te complex en te vervlochten geworden. Wat we nodig hebben is, aldus Barber, ‘a Declaration of Interdependence’. U kunt het allemaal op uw gemak nalezen in het hoofdstuk getiteld ‘Cultural cities in a multicultural world’.

Tagged with: