Oregon Marketplace

On 11 november 2013, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Systems of Survival’ (1994) van Jane Jacobs:

Hoe groeit een stad? Niet door te bouwen, wel door een succesvolle lokale economie. Hoe groeit een lokale economie? Antwoord: niet zozeer door bedrijven aan te trekken, maar door zelf te innoveren. Wanneer een stad innoveert, dat wil zeggen wanneer haar bedrijven goederen en diensten zelf leren maken en ook weten te exporteren die ze eerst nog moesten importeren, kan ze groeien. Omdat ik aan de UvA een college Politieke Economie moet geven zocht ik naar een voorbeeld van succesvolle importvervanging. Dat voorbeeld leverde Jane Jacobs. Alana Probst, schrijft ze in ‘Systems of Survival’, woonde en werkte in Eugene, Oregon. Probst was de jonge voorzitter van een kleine buurtorganisatie in het arme deel van Eugene die huisvesting en voedsel verzorgde voor werkloze moeders. De stad was sterk afhankelijk van de houtindustrie. Ze besefte dat haar werk weinig zin had als de lokale economie niet verbeterde, maar in de houtindustrie viel steeds minder te verdienen. In 1982 begon ze met een experiment. “Her idea was simple: Go to several local businesses and ask what they were planning to buy from outside the city and county in the coming year. Then immediately see if there were local businesses capable of putting in bids for the work.

Het experiment werd een groot succes. Het werd zelfs uitgebreid naar de hele staat Oregon. Met ‘Oregon Marketplace’ werden lokale bedrijfjes actief met elkaar in contact gebracht en uitgenodigd om goederen en diensten aan elkaar te leveren. Lokaal geproduceerde goederen bleken goedkoper dan van over ver aangevoerde tussenproducten. Het experiment spotte met alle economische theorieën, maar Probst ontdekte dat de stedelijke economieën van Eugene en Portland ooit precies op deze wijze waren gegroeid. Geen wonder dat economen ‘Oregon Marketplace’ aanvankelijk ridiculiseerden en later, toen het succesvol bleek, zelfs fel bestreden en de mensen erachter betichtten van bedenkelijk protectionisme. Jacobs: “They believed in comparative regional advantages, that some places are better than others to make certain things. The economists believed that random, happenstance diversity is inefficient per se. (…) I think they got it from Adam Smith.” Stedelijke economieën zijn niet efficiënt of globaal. Ze zijn lokaal, rommelig, ongepland en, als het goed is, buitengewoon divers.

Tagged with:
 

‘Bucky’ versus Jane

On 10 oktober 2013, in duurzaamheid, stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969):

Vandaag laatste college inleiding planologie gegeven aan eerstejaars studenten planologie van de UvA. Twee bepalende figuren uit de twintigste eeuwse planningsgeschiedenis heb ik behandeld: Richard Buckminster Fuller en Jane Jacobs. De eerste staat voor de mannelijke kant van het vakgebied, de tweede voor de vrouwelijke. Van elk las ik tijdens mijn studie een boek dat destijds grote indruk op mij maakte: ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) respectievelijk ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961). De eerste wordt tegenwoordig niet meer gelezen, de tweede maakt de ene comeback na de andere. Wat heet. Het lijkt erop dat de vrouwelijke benadering het uiteindelijk ruimschoots heeft gewonnen. Ogen op straat, straatleven, straathoeken, minder auto’s, veel voetgangers, diversificatie, creativiteit, productiviteit, organisch gegroeide steden, ja de spontane stad zit tegenwoordig sterk in de lift.

Echter, minstens zo interessant is het gedachtegoed van Buckminster Fuller, al lijkt deze futurist vooral onder hippies furore te hebben gemaakt. Toen Jacobs haar tirade tegen de New Yorkse sloopplannen van Robert Moses optekende, tekende Bucky een enorme ‘dome’ over Manhattan. Daarmee dacht deze voormalige marine-officier, uitvinder en futuroloog het ecosysteem van New York te kunnen redden. De wereld ging immers aan milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen ten onder, maar Bucky wist raad. In zijn ogen was de ‘planeet aarde’ een groot ruimteschip waarvan de raadselen door de wetenschap eindelijk waren opgelost. Computers zouden het hele ecosysteem precies kunnen reguleren en tegelijk de mensen van groeiende welvaart verzekeren. Bezit kon worden afgeschaft, de bevolkingsexplosie was een mythe, mensen hadden veel minder ruimte nodig, de planoloog kwam aan de macht. Fuller: “Wanneer de wereld haar potentiële mogelijkheden van welvaart verwezenlijkt zal hebben, zal er in New York ruimte genoeg zijn voor de gehele wereldbevolking; ieder mens zal ruimte genoeg hebben om een gemiddelde receptie te houden. Wij zullen in de toekomst steeds vaker bijeen komen in culturele centra. En anderzijds zullen wij meer gelegenheid krijgen om in alle ruimte die nog steeds op ons ruimteschip beschikbaar is tot grotere zelfontplooiing te komen.” Buckminster Fuller verwachtte ook veel van menselijke samenwerking, ingebed in ‘een metafysica van collectief ontwaken’ (Sloterdijk, Schuim, 2004). “Dus, planologen, architecten en ingenieurs, neemt het initiatief. Gaat allen aan de slag en tracht tot samenwerking te komen.” De computers zijn er; die samenwerking, daar wachten we nog op.

Erwten als bewijs

On 16 april 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2013:

Onder de kop ‘Het begin van landbouw was bewuste keuze’ verscheen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad laatst een artikel over het ontstaan van de landbouw. Volgens de gangbare theorie ontstond deze geleidelijk, doordat mensen en gewassen langzaam naar elkaar toegroeiden. ‘Cultivatie vóór domesticatie’ heet deze theorie. Die theorie blijkt niet langer houdbaar. Waarom? Omdat wilde erwten nooit een belangrijke voedingsbron kunnen zijn geweest voor jager-verzamelaars. De opbrengst was daarvoor te laag. Erwten, linzen (foto) en kikkererwten moeten onaantrekkelijk zijn geweest om te verbouwen. Toch waren deze peulvruchten een ‘rotsvast onderdeel’ van het allereerste akkerbouwpakket, samen met granen als eenkoorn, emmer en gerst. Wetenschapsjournalist Hendrik Spiering: “Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkerwerwten gevonden.” Conclusie van de wetenschappers? “Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten.” Geen jager-verzamelaars dus. Maar wat voor mensen dan wel?

De wetenschappers houden het op ‘vroege boeren’, maar alles wijst erop dat het gaat om stedelingen. Circa 11.000 jaar vormden zich namelijk de eerste steden in de wereld. Overal waar de vroegste steden werden aangetroffen treft men korte tijd later ook sporen van vroege landbouw aan. Voor Jane Jacobs was het aanleiding om in ‘The Economy of Cities’ (1968) de theorie te ontvouwen dat de vroege landbouw een stedelijke innovatie is geweest en dat er dus eerst steden waren, en daarna pas landbouw. Nog steeds ontkennen veel archeologen deze bijzondere hypothese die steden aan de basis van de menselijke evolutie plaatst.  Waarom? Omdat ze nog altijd veronderstellen dat boeren hun omgeving als de beste begrepen en stedelingen, die dat veel minder deden, pas veel later op het wereldtoneel zouden zijn verschenen. Stedelingen zouden natuur en landbouw nooit hebben begrepen. Preciezer, stedelingen zijn boeren die van hun omgeving vervreemd zijn geraakt. Zoiets. Een hele merkwaardige redenering. Het is omgekeerd: de vroege boer was een stedelijke innovatie, die later van de stad vervreemd is geraakt.

Tagged with:
 

Twee New Yorkse vrouwen

On 20 november 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:

Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.

Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.

Tagged with:
 

‘It is a shambles’

On 14 mei 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 12 mei 2012:

Van Jane Jacobs is de uitspraak: “Macro-economics – large-scale economics – is the branch of learning entrusted with the theory and practice of understanding and fostering national and international economies. It is a shambles.” Economische groei, aldus Jacobs in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1985), wordt niet door naties gemaakt, maar in steden. Macro-economen willen dat maar niet begrijpen. Ik moest eraan denken toen ik afgelopen zaterdag over de voorgenomen bezuinigingen van de gemeente Amsterdam in Het Parool las. De enige stedelijke economie die nog goed draait in dit land laat zich de maat nemen door Den Haag en conformeert zich aan andere steden die economisch veel slechter presteren, ze neemt zich voor tenminste evenveel te bezuinigen als de anderen. Met zichtbaar genoegen haalt journalist Karman de Rotterdamse wethouder financiën aan, die 2500 ambtenaren ontslaat en stevig bezuinigt op de gemeentelijke begroting. Over Amsterdam zou ze in De Telegraaf hebben gezegd dat die gemeente niet genoeg bezuinigt omdat de gemeenteraad er te tam is. “In Amsterdam heerst toch een andere politieke cultuur.” Volgens Karmans heeft de raad deze week de kans ‘zich te revancheren’. Alsof het een kampioenschap bezuinigen betreft. Alsof – om Jane Jacobs te parafraseren – de economische situatie in Rotterdam niet fundamenteel afwijkt van die in Amsterdam.

Als het gras te hoog wordt, knippen jullie het af. En gras dat slecht groeit, wordt juist bemest.” Die uitspraak deed diezelfde zaterdag Walter Lewin, hoogleraar kernfysica aan MIT in Boston, in NRC Handelsblad. Een ‘center of excellence’ is in Nederland niet mogelijk, stelt hij vast. “Men vindt dat een vies woord. Alles moet hier hetzelfde niveau hebben. Dat is jullie probleem. (…) Iedereen moet bij jullie gelijk zijn en gelijke kansen krijgen. Dan zet je in op de middelmaat.” Wat voor universiteiten geldt, geldt in Nederland ook voor steden. Wij staan niet toe dat sommige steden zich onderscheiden, dat de ene stad economisch beter presteert dan de andere. Zodra een stad het beter doet dan de andere, wordt hij geschoren. Het zit in onze cultuur. Het is een belangrijke reden waarom de open Nederlandse economie niet uit het dal zal klimmen zonder actieve hulp van buiten. Zelf kan, nee wil ze het niet. Daarom nog eenmaal Jane Jacobs: “The feedback seems to operate on the premise that people who relinquish the civilized art of maintaining creative cities are not to be entrusted with the risks of developing further. (…) Societies and civilizations in which the cities stagnate don’t develop and flourish further. They deteriorate.”

Tagged with:
 

Heldenstatus

On 29 maart 2012, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the Urban Revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Het laatste hoofdstuk van Jeb Brugmann’s ‘Welcome to the Urban Revolution’ is getiteld ‘Cocreating the Citysystem: toward a World of Urban Regimes’. We zijn hier aangeland bij de oplossingsgerichte strategieën voor het vraagstuk van de snelle mondiale verstedelijking in tijden van crisis. Tal van voorbeelden komen in het boek voorbij. Nederlandse steden schitteren door afwezigheid. Welke steden noemt Brugmann dan wel? Zijn voorbeelden zijn Silicon Valley, Chicago, Curitiba, Bangalore, Toronto. Zijn grote held is David Crombie, de burgemeester van Toronto die dertig jaar de Canadese stad bestuurde, van de jaren ‘60 tot de jaren ‘90. Hij was het die Jane Jacobs als adviseur van de stad aan zich bond. In zijn tijd was de volle omvang van het stedelijke vraagstuk nog niet duidelijk. Maar zijn benadering sneed wel hout. “A city must know its purpose in a world that demands so much from it. To fullfill that purpose, the city must suck from its own roots.’’ Crombie was ervan overtuigd dat een stad niet andere steden moet imiteren en ook geen wereldklassestatus moet nastreven. Toen Toronto door de Verenigde Naties als voorbeeld werd aangemerkt, raakte de stad uit zijn doen, ze werd arrogant. “Toronto ended up in a golden funk.” Crombie zag wat Boston deed en wat Detroit naliet, en besloot het allemaal heel anders te doen.

Wat deed burgemeester Crombie dan wel? Hij koos de stadsbuurt als eenheid van planning en daagde elke buurt uit zich te organiseren en te vernieuwen. Daarop besloten de burgers van Toronto hun wapens thuis te laten en te gaan samenwerken. Voor de burgervader bleef de rol over van mediator; Crombie genoot van die rol. “Mediation is not about compromise. You have to find out what the new space is. You have to spend time finding out where you’re going. When you see the new space emerge, then you help others to see it.” Brugmann noemt Crombie zowel strateeg als activist, een echte leider. Voor de burgemeester waren de ruimtelijke ordening en de sociale ordening één ondeelbaar geheel. Laat Amsterdam dus Toronto vooral niet imiteren en ook niet de wereldstedenstatus ambiëren, maar teruggaan naar haar wortels en haar eigen weg bewandelen. Welk ‘urban regime’ past bij Amsterdam?

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Te mooi om waar te zijn

On 24 januari 2012, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Town Planning in the Netherlands since 1800’ (2011) van Cor Wagenaar:

Vlak voor de kerst verscheen een meer dan zeshonderd pagina’s tellend boek over twee eeuwen Nederlandse stedenbouw: 1800-heden. Auteur Cor Wagenaar is historicus, hij doceert aan de TU Delft. Het fraai uitgegeven overzichtswerk getuigt van grote ambitie en noeste arbeid. Eerlijk gezegd komt het niet vaak voor dat de discipline zo’n groot overzichtswerk krijgt toegespeeld van een eminent historicus. En dan nog wel geschreven voor een internationaal publiek. ‘Rule and Order’ van Andreas Faludi (1994) was volgens mij de laatst serieuze poging daartoe, want van ‘Ruimtelijke Ordening’ van Van der Cammen en De Klerk (2003) bestaat bij mijn weten alleen een Nederlandstalige editie. De ondertitel van het nieuwe boek luidt: “Responses to Enlightenment Ideas and Geopolitical Realities.” De ruimtelijke ontwerpdiscipline wordt in de context geplaatst van politiek, economie en cultuur. Hier herkennen we de Groningse school van Taverne. Het hele boek gelezen heb ik nog niet. Wel de index. De meest genoemde geografische aanduiding in het boek is Amsterdam, op de voet gevolgd door Rotterdam, vervolgens is er lange tijd niets, eerst daarna komen Duitsland, Berlijn, dan Engeland en Frankrijk. De twee grote steden zetten dus de toon. Bij het namenregister is de dominantie nog opvallender. Bovenaan prijkt H.P. Berlage, gevolgd door J.J.P. Oud, een trap lager staan C.van Eesteren en M.Granpré Molière, gevolgd door Werner Hegemann en Camillo Sitte; pas daarna is het S.J. van Embden, die zelfs Le Corbusier nog de loef afsteekt. Niet het modernisme, maar de traditie wint het bij Wagenaar, dat is het nieuwe historische beeld.

Ronduit vleiend vond ik het einde van het boekwerk, waar Wagenaar over de nieuwe structuurvisie van Amsterdam reflecteert. Hij vergelijkt de visie met niet minder dan het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934. De visiekaart staat over liefst twee bladzijden afgedrukt. Wagenaar: “Accepted by the municipality in 2011, it is a brilliant reminder of Van Eesteren’s general expansion plan of 1934.” De kartografie herinnert hem aan de hoogtijdagen van de planning (de jaren dertig), in de opzet blijken de lessen van Jane Jacobs te zijn geleerd, landschap en infrastructuur worden principieel regionaal benaderd, de stad wordt voorbereid op een olie- en gasloos tijdperk, de ambitie is om jong talent aan te trekken en het internationale milieu van de Zuidas wordt stevig neergezet. In alle opzichten, schrijft hij, draagt de Amsterdamse visie duurzaamheid uit. Tegelijk klinkt er argwaan in zijn lovende commentaar. Wagenaar is bang dat dit alles plaatsvindt in een context die de economie vooropstelt en dat de schoonheid van de visie eerder voortkomt uit citymarketing dan uit de inhoud van het beleid. “While they make full use of the tremendous advertizing potential of urban imagery, they largely lack the means to actually implement the – invariably beautiful – visions they conjure up.” Eigenlijk vertrouwt hij het zaakje niet. Ook al is de visie nog zo mooi, Amsterdam zal hem, Wagenaar, eerst moeten overtuigen.

Tagged with:
 

Athens of America

On 12 januari 2012, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) van Jane Jacobs:

Fenway Cultural District in Boston bevat de grootste concentratie culturele instellingen van Groot-Boston. Het culturele kwartier ligt tamelijk ver buiten het historische centrum, ten zuiden van Back Bay Fens, naast het door Olmsted midden negentiende eeuw ingerichte park. Eigenlijk begint het al met de openbare bibliotheek uit 1852 van McKim aan Copley Square. Als je vervolgens Huntington Avenue – ‘Avenue of the Arts’ – afloopt kom je ze allemaal tegen: Boston Symphony, Huntington Theater Company, het ‘Theater District’, het conservatorium, Museum of Fine Arts. Ben je bij de laatste dan ben je al ver buiten het bereik van het oude centrum; je moet de Green Line nemen om weer in de oude stad te komen; lopen is te ver. Onwillekeurig moest ik denken aan het Museumpleinkwartier: ook zo’n negentiende eeuwse concentratie van musea en culturele instellingen buiten het historische centrum, gekoppeld aan het Vondelpark en natuurlijk aan het Museumplein zelf. In een van de laatste nummers van Plan Amsterdam analyseert stedenbouwkundige Maurits de Hoog deze en andere Amsterdamse ‘culturele clusters’ en hoe ze in hun omgeving zijn opgenomen. Hij telt in totaal negen clusters, alle heel verschillend, de meeste gelukkig nog altijd in de binnenstad. In Boston is dat anders, daar heeft men midden negentiende eeuw juist alle culturele instellingen naar buiten verplaatst. Hieraan dankte de stad destijds zijn reputatie van ‘Athens of America’. Echter, het gevolg was dat de binnenstad van Boston langzaam doodbloedde. Het werd een saai Central Business District, later, in de twintigste eeuw, ook nog eens doorsneden door een autosnelweg, die pas onlangs onder de grond is gewerkt.

Jane Jacobs noemt Boston in ‘The Death and Life of Great American Cities’ de eerste Amerikaanse stad die voor zichzelf een cultureel district bouwde. Een ‘Committee of Institutes’ bedacht in 1859 een ‘Cultural Conservation’ -kwartier ver buiten de binnenstad, waar naar het voorbeeld van het oude Athene uitsluitend culturele instellingen zich mochten vestigen. De bouw ervan, merkt Jane Jacobs op, viel merkwaardigerwijze juist samen met de geleidelijke culturele neergang van de stad. “Whether the deliberate segregation and decontamination of numerous cultural institutions from the ordinary city and ordinary life was part of the cause of Boston’s cultural decline, or whether it was simply a symptom and seal of a decadence already inevitable from other causes, I do not know. One thing is sure: Boston’s downtown has suffered miserably from lack of good mixtures in its primary uses, particularly good mixing in of night uses and of live (not museum-piece and once-upon-a-time) cultural uses.” Waarom de culturele instellingen in de stad clusteren? Dat is meestal dood in de pot. Het worden dan toeristische eilanden. Voor een levendige cultuur moet je ze juist mengen en spreiden. Jacobs vermoedt dat het te maken had met de financiering: de elite wil cultuur alleen financieren wanneer deze niet kan worden ‘besmet door andere functies. Haar advies is echter dit vooral niet te doen. Bouw geen ‘museumparken’, maak geen culturele concentraties, maar verdeel ze juist over de stad. Het heeft even geduurd. Pas onlangs is Boston begonnen nieuwe musea (ICA, Children’s Museum) aan de zuidkant van de binnenstad te bouwen.

Tagged with:
 

Etruskische lessen

On 22 december 2011, in cultuur, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Pierson Museum te Amsterdam:

In het Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam ging ik deze week de Etrusken bewonderen. Het betreft het ene deel van de dubbeltentoonstelling ‘Vrouwen met aanzien, mannen met macht.’ Het andere deel is in Leiden te zien. Intrigerend materiaal van een oud volk in het hart van Italië, in Toscane tussen Florence en Rome. Ik zag een grafkamer in een necropolis en het gereconstrueerd dak van een huis, en verder heel veel spullen. Van Etruskische steden echter geen spoor. Wel repte de introductiefilm over steden, of eigenlijk over een vereniging van Etruskische stadstaten. Maar het commentaar luidde dat dit losse verbond van steden, vaak op rotsen gebouwd, te zwak was om echt macht uit te oefenen, alsof macht gelijk staat met grote cultuur. De hoogstaande Etruskische beschaving werd vooral toegeschreven aan de zeevaart en de handel, niet aan de steden zelf. Waarom toch altijd die zeevaart? Waarom die nadruk op handel? Vreemd.

Je hoeft ‘The Economy of Cities’ (1969) van Jane Jacobs er maar op na te slaan om te beseffen dat juist de Etruskische steden de bron waren van alle welvaart en hoogstaande cultuur. “When Rome was still only an in consequential little settlement occupied by herdsmen (who were possibly also raiders) on a hill protected by ravines – the hill that was to become the Palatine – looking across at another hill occupied by the Sabines, the Etruscans had a dozen flourishing cities in Etruria to the north.” De drie oudste steden lagen aan de kust, de jongere – negen stuks – landinwaarts. Deze steden, aldus Jacobs, waren de eerste afzetmarkten van Rome. Hoe waren ze dat geworden? Door importvervanging. Zeker, ze hadden het kostbare metaal eerst moeten invoeren uit steden als Urartu in Klein-Azië, en dat is handel, maar al snel waren ze het metaal zelf gaan maken, met ertsen die ze aantroffen in de buurt van hun steden. “When the Etruscans shifted imports, their cities must have become expanding markets for materials they had previously bought either in much lesser amounts or not at all.” In de tentoonstelling was dit fraai te zien; ergens stond een amfora, maar die bleek Grieks, niet Etruskisch! En inderdaad, eens in de periferie van het Etruskische stedenstelsel groeide stilletjes Rome. Het stadje importeerde nog spullen uit Etrurië. De stad zou uiteindelijk de Etruskische steden gaan overvleugelen. Waarom? Niet vanwege macht of handel. Nee, omdat ook Rome uiteindelijk beter bleek in de kunst van importvervanging.

Tagged with: