Gezien op televisie op 26 april 2013:
Uniek drieluik op de Nederlandse televisie, waanzinnig dat dit in een land gebeurt. Nooit eerder zagen we het vakgebied zo uitgebreid en meeslepend in beeld gebracht op tv. In ‘De Wereld van Klöpping’ – onderdeel van DWDD University – geeft internetspecialist Alexander Klöpping op aanstekelijke wijze zijn reisimpressies naar het mekka van de innovatie, de personal computer en het internet: Silicon Valley. Komende vrijdag wordt het laatste deel uitgezonden, over de toekomst. In het eerste deel, uitgezonden op 26 april, kregen we de unieke geschiedenis voorgeschoteld van Santa Clara Valley, “een gebied ongeveer zo groot als de Randstad.” Waarom zit zoveel innovatie zo dicht opeen gepakt in dat ene grootstedelijke gebied aan de Amerikaanse Westkust? Er bleek een levende maquette in studio aanwezig om de geografie aan de kijkers duidelijk te maken. Het begon met de boom die alles zag. Daarna kwam de garage van Hewlett-Packard. Maar alras was daar Shockley Semiconductor Laboratory van William Shockley. Deze laatste – uitvinder van de transistor en latere Nobelprijswinnaar (1956) – werd door Klöpping aan de wieg geplaatst van het wonder van Silicon Valley. Acht jonge mannen die al snel zijn bedrijf verlieten begonnen even later hun eigen bedrijfjes. Een ervan was Robert Noyce, die het succesvolle Fairchild Semiconductor oprichtte. Intel is weer ontsproten aan Fairchild. Enzovoort.
Silicon Valley is dus allesbehalve een van overheidswege gepland cluster van innovatieve bedrijven en wetenschappelijke instellingen. Deels toevallig ontstaan, deels ingebed in de hippiecultuur van San Francisco, deels een product van Stanford University. In het programma werd de geboorte helemaal opgehangen aan die ene persoon van Shockley. Klöpping beklemtoonde dat de excentrieke Shockley overal had kunnen werken. Waarom ging hij in 1955 uitgerekend naar de Amerikaanse Westkust? De grap in de uitzending was dat dit vanwege zijn moeder zou zijn geweest, die in Palo Alto woonde. Dat is wel zo, maar daarmee doet men de geschiedenis wel een beetje geweld. Wat Frederick Terman op Stanford in 1946 rond electrical engineering teweegbracht met de oprichting van Stanford Research Institute en de aanleg van het eerste high technology industrial park naast Stanford in 1951 was minstens even beslissend. Sterker, dit Stanford Industrial Park werd het epicentrum van het latere Silicon Valley, niet die boom die alles zag of het huis van de moeder van William Shockley. En de basis zou je bijna vergeten: een metropool van 5 miljoen. Niettemin, een mooie uitzending was het.
Gehoord op het Roeterseiland in Amsterdam op 25 april 2013:
Willem van Winden, lector stedelijke economie aan de Hogeschool van Amsterdam, gaf afgelopen week op de Universiteit van Amsterdam een lezing over Skolkovo. Skolkovo is een hightechstad die de Russen even buiten de MKAD (de ringweg rond de Russische hoofdstad)willen bouwen. Vanuit Moskou hadden de initiatiefnemers indertijd Amsterdam bezocht en met name interesse voor Eindhoven en de Philipscampus getoond. Zoiets zou men in Moskou ook graag willen. Van Winden had daarop de Skolkovo Foundation geadviseerd over innovatie en hoe deze ruimtelijk valt te organiseren. In zijn lezing noemde hij, naast Eindhoven, vooral Stockholm als model van een stad die haar economie in korte tijd op succesvolle wijze hightech had weten te maken. Of het Moskou ook daadwerkelijk zal lukken kon hij nog niet zeggen. In ieder geval, zei hij, week de aanpak fundamenteel af van de wijze waarop Silicon Valley was ontwikkeld. De Russen doen het helemaal top-down, als een van staatswege aangestuurd project.
Skolkovo, zei hij, is vooral een idee. Op dit moment staat er nog maar één gebouw en één managementschool. Het idee is afkomstig van voormalig president Medvedev. Die wilde Moskou in één klap in de hightech economie katapulteren door hier een compleet nieuwe stad te bouwen waar getalenteerde technici uit de hele wereld zullen komen te werken. Vijf clusters moeten er naast elkaar tot ontwikkeling worden gebracht: IT, biomedische wetenschappen, nucleaire wetenschappen en ruimtevaart. De herinnering aan kosmonaut Joeri Gagarin maakt dat de Russen menen dat dit ook kan; ze hebben het immers al eens eerder gedaan. In vier jaar tijd zal een investering worden gedaan van liefst 3,4 miljard dollar. Architecten van wereldfaam zijn aangetrokken om de campus te ontwerpen. De stichting hoopt vooral grote multinationals als Philips en Siemens naar hun campusstad te lokken. Die grote bedrijven, aldus Van Winden, komen ook wel, omdat ze Skolkovo zien als politieke entree naar de Russische markt, want zonder politieke rugdekking is het lastig zakendoen in dit grote land. Het deed Van Winden denken aan Dublin, dat ook meende met grote multinationals de hightech-kennis in huis te halen. Van Winden zelf geloofde eerder in een milieu van heel veel kleine startups. Die verkiezen doorgaans een heel andere, meer grootstedelijke omgeving. Onlangs is een van de bestuursleden van de stichting door de politie opgepakt. Hij zou een parlementslid steekpenningen hebben gegeven. Of Skolkovo wordt afgemaakt is nog maar de vraag.
Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2013:
Onder de kop ‘Liever Veldhoven dan Silicon Valley’ verscheen onlangs in NRC Handelsblad een opzienbarend interview met Eric Meurice, de Franse topman van hightechbedrijf ASML. “Hij vertrouwt op innovatie, maar je weet nooit wanneer het werkt.” Je zou van Meurice een verhaal over het succes van de Eindhovense regio verwachten. Daar is ASML immers gevestigd. Niets is echter minder waar. In plaats daarvan krijgt de lezer een verhaal over het dorpje Veldhoven voorgeschoteld. “Ons verdienmodel is gebaseerd op heel veel investeren in een klein dorpje – Veldhoven. Zo ontwikkelen we kennis die superieur is aan concurrenten als Nikon en Canon. Hier stoppen we mensen in een ‘aquarium’, afgesloten voor de buitenwereld.” Meurice denkt dat zijn bedrijf het niet gered zou hebben in Silicon Valley. “In Silicon Valley zouden we na twee jaar twintig procent van onze werknemers kwijt zijn.” Anders gezegd, de Eindhovense regio is zeker geen Silicon Valley. Er zijn daar in ieder geval geen concurrenten te vinden. “Als we zoveel geld hadden besteed in Silicon Valley zouden we het niet gered hebben.”
Wat een verschil met het verhaal van burgemeester Bloomberg van New York. Zijn ambitie om van New York een ‘Silicon Alley’ te maken heeft een volstrekt andere achtergrond. De metropool New York wil internethoofdstad van de wereld worden. Er kan daar geen concurrentie genoeg zijn. En het werkt. New York telt na Silicon Valley de meeste startups. Rond Union Square, hartje Manhattan, vestigden zich de afgelopen jaren honderden nieuwe techbedrijfjes. De metropool zet vooral in op onderwijs. Op Roosevelt Island heeft ze ruimte gemaakt voor een nieuwe technische universiteit – een samenwerkingsverband van Cornell University en de technische universiteit van Haifa. Bloomberg: “De beloning is dat we nieuwe banen creëren. Bedrijven vestigen zich op de plekken waar talent zit.” Google investeert nu stevig in New York. Aan Ninth Avenue heeft het grootste internetbedrijf ter wereld onlangs een groot bouwblok gekocht. Ook Spotify is er neergestreken. Het bedrijf uit Silicon Valley zoekt aansluiting bij de advertentiemarkt, bij de marketingbedrijven en bij het nieuwe talent. Ook kan het zo makkelijk de kleintjes in de buurt opeten door ze simpelweg op te kopen. Twee verhalen over innovatie. Het dorp versus de metropool. Het aquarium versus de mierenhoop. De monopolist versus de concurrentie. Wat een verschil!
Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2013:
Onder de kop ‘Het begin van landbouw was bewuste keuze’ verscheen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad laatst een artikel over het ontstaan van de landbouw. Volgens de gangbare theorie ontstond deze geleidelijk, doordat mensen en gewassen langzaam naar elkaar toegroeiden. ‘Cultivatie vóór domesticatie’ heet deze theorie. Die theorie blijkt niet langer houdbaar. Waarom? Omdat wilde erwten nooit een belangrijke voedingsbron kunnen zijn geweest voor jager-verzamelaars. De opbrengst was daarvoor te laag. Erwten, linzen (foto) en kikkererwten moeten onaantrekkelijk zijn geweest om te verbouwen. Toch waren deze peulvruchten een ‘rotsvast onderdeel’ van het allereerste akkerbouwpakket, samen met granen als eenkoorn, emmer en gerst. Wetenschapsjournalist Hendrik Spiering: “Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkerwerwten gevonden.” Conclusie van de wetenschappers? “Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten.” Geen jager-verzamelaars dus. Maar wat voor mensen dan wel?
De wetenschappers houden het op ‘vroege boeren’, maar alles wijst erop dat het gaat om stedelingen. Circa 11.000 jaar vormden zich namelijk de eerste steden in de wereld. Overal waar de vroegste steden werden aangetroffen treft men korte tijd later ook sporen van vroege landbouw aan. Voor Jane Jacobs was het aanleiding om in ‘The Economy of Cities’ (1968) de theorie te ontvouwen dat de vroege landbouw een stedelijke innovatie is geweest en dat er dus eerst steden waren, en daarna pas landbouw. Nog steeds ontkennen veel archeologen deze bijzondere hypothese die steden aan de basis van de menselijke evolutie plaatst. Waarom? Omdat ze nog altijd veronderstellen dat boeren hun omgeving als de beste begrepen en stedelingen, die dat veel minder deden, pas veel later op het wereldtoneel zouden zijn verschenen. Stedelingen zouden natuur en landbouw nooit hebben begrepen. Preciezer, stedelingen zijn boeren die van hun omgeving vervreemd zijn geraakt. Zoiets. Een hele merkwaardige redenering. Het is omgekeerd: de vroege boer was een stedelijke innovatie, die later van de stad vervreemd is geraakt.
Gelezen in ‘We-Think’ (2008) van Charles Leadbeater:
Vanavond een lezing geven over het jaar 2020. Ergens in De Baarsjes. Geen scenario’s, maar trends. M’n boekenkast er nog maar eens op nageslagen. Zo ook Charles Leadbeater’s ‘We-Think’ er weer eens bijgepakt. Motto: ‘You are what you share’. Leadbeater werkte jarenlang voor de Finanial Times en schrijft boeken over innovatie. ‘We-Think’ is een reportage over de “unparalleled wave of collaborative creativity as people from California to China devise ways to work together that are more democratic, productive and creative.” Kortom, het boek gaat over internet en wat het internet voor mensen betekent. ‘We-Think’ is niet alleen door Leadbeater geschreven, maar ook nog door 257 andere mensen, aldus de flap. Zo is het maar net. Bloggers begrijpen dat. “Blogs and other tools allow people to contribute. Social networks allow them to connect. Still other tools are needed, however, for sustained creative collaboration to take off. The most famous is the wiki.” Er ontstaat samenwerking op een ongekende schaal. Goed nieuws dus voor planners!
Verrassend is dat Leadbeater zijn optimistische toekomstverhaal afsluit met uitgerekend Nederland. Net als bij Jane Jacobs en Barbara Tuchman is bij hem ons kleine landje een voorbeeld van een beschaving die door samenwerking duurzame oplossingen vindt. Waarom? omdat de strijd tegen het water ons altijd heeft aangezet tot gezamenlijke actie. “The Netherlands exists only through cumulative, communal innovation which has built a country out of reclaimed swamp and sea.” Nederlanders, aldus Leadbeater, bejubelen geen supersterren, hun vindingen zijn altijd praktisch, bescheiden en evolutionair. “The Netherlands is We-Think in action at national level: a constant, adaptive, interconnected and incremental approach to innovation.” Volgens Leadbeater heeft de wereld dit soort sociale innovatie hard nodig om de grote vraagstukken van de toekomst te kunnen oplossen. ‘We-Think’ brengt voorspoed, democratie en sociale vooruitgang. Dat is bemoedigend en prettig om te horen. Zeker in deze barre tijden.
Gehoord op 24 januari 2013 in Amsterdam:

Een zestiental mid-career Sloan Fellows van MIT (Massachusetts Institute of Technology, Boston), afkomstig uit de hele wereld, bezocht afgelopen week Nederland. Na Den Haag en Eindhoven eindigde hun bezoek in de hoofdstad, in Amsterdam. Hun reis stond in het teken van het REAL-programma van MIT. REAL staat voor: Regional Entrepreneurial Acceleration Lab. Het is een laboratorium waarin op basis van gefundeerde theorieën bestudeerd wordt hoe regionale economieën gefaciliteerd kunnen worden, met de nadruk op innovatief ondernemerschap. Men vergelijkt cluster-georiënteerde benaderingen met creatieve-klasse prespectieven, zeg maar: Michael Porter en Michael Storper tegenover Richard Florida. “The REAL MIT Sloan Fellows will take a series of deep dives into different regions, cities and nations that exemplify entrepreneurial growth and economic development across sectors and across the world.” Een van die regio’s, steden en landen is Nederland c.q. Amsterdam. Annemieke Roobeek, hoogleraar Strategie en Verandermanagement aan Nyenrode Business University, begeleidde de delegatie.
Na vier dagen Nederland, waarvan twee dagen Amsterdam, sloot het Amerikaanse gezelschap haar bezoek af in de ambtswoning van de burgemeester aan de Herengracht. Dan Harple, een van de Sloan Fellows, hield daar een toespraak waarin hij verhaalde van de bevindingen van de groep. Hun was vooral opgevallen, zei Harple, de ‘low friction’. Die geringe frictie gold in velerlei opzichten. Waar je in Silicon Valley lang moest autorijden om van de ene afspraak naar de andere te komen, daar sprong je in Amsterdam gewoon op je fiets; overal kon je snel en gemakkelijk binnenkomen, de omgangsvormen zijn informeel. Ondanks die losse, informele stijl en geringe dominantie van de auto blijkt Amsterdam buitengewoon goed georganiseerd en kan er snel iets geregeld worden; er is ook relatief weinig bureaucratie. De lokale overheid is er toegankelijk en meewerkend. Het andere dat de Sloan Fellows was opgevallen was ‘volume’: er is enorm veel Amsterdams talent en dat talent ligt voor het oprapen, de initiatieven, aldus Haple, zijn niet te tellen. Harple, die tevens co-founder is van Nexuslabs Foundation, zei dat hij ‘venture capitalists’ zal wijzen op deze goudmijn aan de andere kant van de Atlantische Oceaan en dat Nexuslabs deze kapitaalverschaffing aan jonge, innovatieve Amsterdamse ondernemers zal gaan ondersteunen. Waarvan akte.
Gelezen in Le Parisien van 24 september 2010:

In september 2010 verklaarde de toenmalige Franse president Sarkozy dat hij een ‘Europese Silicon Valley’ zou stichten aan de zuidkant van Parijs, op het Plateau de Saclay. Zijn voornemen maakte deel uit van zijn plannen voor ‘Grand Paris’. De afstand van Saclay tot Parijs bedraagt ruim twintig kilometer, het gebied bestaat uit vruchtbaar bouwland en fungeert al honderden jaren als waterberging voor de fonteinen van het lager gelegen Versailles. Sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw hebben zich hier een aantal scholen en onderzoeksinstituten gevestigd, waaronder de Universiteit van Parijs, het CNRS, ONERA, HEC, later gevolgd door de laboratoria van Danone, Thomson-CSF, Thales en Kraft Food. Helemaal nieuw is het idee dus niet. Sarkozy voegde er zijn Ministerie van Defensie aan toe en ook andere nationale scholen dwong hij tot verhuizing. De uitbreiding, de verhuizing binnen Parijs en de gewenste concentratie die op het plateau zal worden gerealiseerd omvat 30.000 studenten en 12.000 onderzoekers, een investering in nieuwe gebouwen van liefst 3 miljard euro. Daar komt dan nog de investering in een nieuwe metroverbinding bij. Een aparte stichting moet de hele operatie, waarbij 23 instituten betrokken zijn, in goede banen leiden.
Geen wonder dat Moskou zich in 2011 wendde tot Parijs, toen de toenmalige Russische president Medvedev zijn plan smeedde om aan de zuidwestkant van de Russische hoofdstad een Russische Silicon Valley te stichten. In aansluiting op Skolkovo dacht Medvedev zelfs het hele regeringscentrum uit Moskou naar het zuidwesten te verplaatsen. De gelijkenis met het plan van zijn Franse collega moet hem zeker hebben opgevallen toen hij op 2 maart 2010 Parijs bezocht. En Sarkozy zal hem toen zeker zijn ‘Grand Paris’ hebben verkocht. Over de voortgang van de Russische plannen heb ik in deze blog uitvoerig bericht, niet over de Franse plannen met betrekking tot Sarclay. Die blijken overigens op veel weerstand te stuiten. Deels betreft het landschapsbeschermers en ecologen die een verdere uitbreiding van Groot Parijs aan deze kant overbodig vinden, deels zijn het de instituten zelf die een gedwongen verplaatsing helemaal niet begrijpen en hun vestiging elders in Parijs juist waarderen. Ook de kostbare metroplannen liggen onder vuur. Blijft over de vraag: kan je wel voor 3 miljard euro een Silicon Valley bouwen?
Gelezen in ‘When China Rules the World’ (2009) van Martin Jacques:

Het interessante aan het nieuwe perspectief van Martin Jacques op de actuele mondiale verhoudingen is zijn besef dat de wereld niet door naties wordt bepaald, maar door steden. Als hij in ‘When China Rules the World’ bijvoorbeeld wil duidelijk maken dat de voorsprong van het Westen op de rest van de wereld pas in de loop van de negentiende eeuw begon en niet eerder, zoomt hij in op de situatie rond 1800 en vergelijkt niet China met Europa, maar de Britse steden met de Chinese in de Jangtse delta. Qua welvaart, cultuur en technologie ontliepen die twee grootstedelijke gebieden elkaar niet veel. Grote delen van China waren rond 1800 nog feodaal, zeker, maar de werkelijke maatstaf voor ontwikkeling waren Shanghai, Hangzhou en Nanjing. “In 1800, rather than being Eurocentric, the global economy was, in fact, polycentric, economic power being shared between Asia, Europe and the Americas, with China and India the world’s largest economies.” Daarna gaan Londen en Manchester ineens ver vooruitlopen op de Chinese en Japanse metropolen. Een ongekende samenballing van innovatie en economische kracht ontwikkelt zich hier in de bevolkingscentra langs de Theems en de Irwell. Een eeuw later is van een voorsprong niet veel meer over. Kijk maar naar de Aziatische metropolen.
De voorsprong die de Britse steden vanaf 1800 namen op de rest van de wereld, werd al snel gekopieerd door andere grote steden in de nabijgelegen delen van Europa: Duitsland, Frankrijk, België. Europa als geheel kwam daardoor op voorsprong te staan. Maar in de loop van de twintigste eeuw kopiëren alle steden in de wereld deze Europese technologie, eerst de Amerikaanse, even later ook de Aziatische. Natiestaten konden deze kopieerdrift alleen maar afremmen. Rest de vraag waarom het de Britse metropolen waren en niet de Chinese die rond 1800 zo onnavolgbaar innovatief waren. Volgens Jacques waren conjuncturele karakteristieken hierin bepalend, geen structurele. Vervolgens gaat hij de fout in door het verschil in afstand tot de steenkool als verklarende factor breed uit te meten: in China was die afstand veel groter dan in Groot-Brittannië. Hij had beter Peter Hall’s ‘Cities in Civilization’ (1998) kunnen raadplegen. Het juiste antwoord luidt namelijk dat in Manchester rond 1770 “an intelligent network for both trading an innovation” ontstond, “the first true innovative milieu”.
Gelezen in Roeterseilandcampus 2012 nr. 1:
Opnieuw een mooi voorbeeld van importvervanging. Het stond te lezen in een krant van de Universiteit van Amsterdam. Bron: Henk de Boer, controller Amstelcampus van de Hogeschool van Amsterdam. Het betreft de bouw van de eerste stoomlocomotief in Nederland. Die locomotief, genaamd ‘De Amstel’ en bestemd voor het Rhijnspoor, werd gebouwd in Amsterdam, om precies te zijn op het Roeterseiland, in stoomfabriek Verveer. Tot dan werden stoomlocomotieven gebouwd in Groot-Brittannië. Verveer moest er dan ook ‘bekwame vakmensen’ uit Engeland voor laten overkomen. Dat was in 1840. Op dezelfde plek, waar tot dan een vuilnisbelt lag, bouwde hij even later ook het eerste ijzeren stoomkoopvaardijschip, 31 meter lang, bestemd voor een Rotterdamse opdrachtgever. Eigenaar Christiaan Verveer was oud-marine officier en had al deze kennis opgedaan in datzelfde Groot-Brittannië, waar hij in 1835 een paar maanden verbleef – op verlof gestuurd – om de Industriële Revolutie te bestuderen. Andere bronnen beweren dat hij bij de firma Cockerill in Seraing zijn kennis had opgedaan. Hoe dan ook, in 1838 begon hij zijn eigen stoomfabriek op het Roeterseiland.
Steden kopiëren elkaar om importen te kunnen vervangen. Zo ontwikkelen ze welvaart. Amsterdam was begin negentiende eeuw al behoorlijk innovatief. De stad kopieerde Manchester, het toenmalige Silicon Valley. Vanaf 1840 hoefde de stad geen stoomlocomotieven meer te importeren. Die kon ze voortaan zelf fabriceren. Het kapitaal werd verschaft door bankier Van der Hoop en Koning Willem II. Beiden fungeerden als negentiende eeuwse venture capitalists. Helaas ging Verveer failliet in de crisis van midden jaren veertig en konden de koning en de bankier fluiten naar hun geld. Twee jaar later overleed Verveer, als 44-jarige opzichter bij de bouw van de gemalen die de Haarlemmermeer korte tijd later droog zouden leggen. Ook die gemalen had hij graag op het Roeterseiland, in zijn eigen stoomfabriek, gefabriceerd. Het heeft niet zo mogen zijn. Bij het faillissement kocht Frederik Willem Conrad de machines tegen een prikkie en sleepte ze naar Haarlem. Daar opende hij een werkplaats voor het vervaardigen van treinmaterieel. Die werkplaats bestaat nog steeds.
Gelezen in ‘Magic Lands’ (1992) van John Findlay:

Afgelopen week gesproken in Brussel over het innovatiebeleid van de EU. De avond was georganiseerd door de Lisbon Council, een vooraanstaande denktank in Europa. Naast Amsterdam waren het Italiaanse Emilia Romagna (Bologna), het Spaanse Navarra (Pamplona), Noord-Nederland en IBM uitgenodigd. Natuurlijk ging het gesprek weer over een Europees ‘Silicon Valley’ en waarom die er nog altijd niet is. Dat steden ertoe doen werd door iedereen aan tafel erkend. Ook zijn de Europese beleidsmakers – meest economen – eindelijk bereid van geografische clusters te spreken. Maar de wil om ergens zo’n succesvolle plek in Europa te maken verhoudt zich slecht met Europees cohesiebeleid, zo bleek ook nu weer. En voor je het weet wordt alle geld opnieuw over alle Europese regio’s verdeeld. Welke stedelijke regio verdient nu werkelijk een stimulans vanuit Brussel? Dat ook Silicon Valley in essentie van onderop werd ontwikkeld en pas later door Washington financieel ondersteund, werd wel ingezien, maar waar in Europa gebeurt nu iets bijzonders dat exclusieve ondersteuning vanuit Brussel verdient?
Het begrip ‘Silicon Valley’, begin jaren ‘70 geijkt door een lokale journalist, heet eigenlijk Santa Clara Valley, dertig mijl zuidelijk van San Francisco. Nog tot in de jaren vijftig was dit een overwegend agrarisch gebied, waar pruimenoogsten het krantennieuws domineerden. Stanford University, in Palo Alto, was het geografische hart van de vallei en het centrum van waaruit de innovatie zich later verspreidde. Rondom deze universiteit groeide in en na de oorlog een omvangrijke elektronica-industrie. Toen de nieuwe naam gesuggereerd werd, leek het hoogtepunt van die ontwikkeling alweer voorbij en begonnen de milieuschandalen op te spelen. Wat veel mensen vergeten is dat het succes was begonnen bij één man: Frederick Terman. Terman was hoogleraar radiotechnologie. Tijdens de oorlog had hij op Harvard, Boston, geleerd dat je hoogleraren niet rond projecten, maar rond hun persoonlijke interessevelden moet organiseren. Dit principe bracht hij over naar de Westkust. Historicus John Findlay: “Instead of focussing on projects commissioned by outsiders or assigning faculty to jobs, Terman wanted independent researchers to tackle those problems that interested them, attracted attention to the university, and contributed directly to educational activities at Stanford.” Toen hij decaan werd, en later voorzitter van het college van bestuur, bouwde hij zijn hele universiteit, nee de hele regio rond Stanford rond dit unieke beginsel uit. Het was dus niet het geld of het vastgoed en ook niet Triple Helix of een andere bureaucratische constructie, maar dit principe van persoonlijke interessevelden dat Silicon Valley later groot maakte. De EU moet dus op zoek naar de Fred Terman van Europa. Hopen dat die er is.





reacties