Provinciaals

On 6 maart 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2012) van Lydia Hagoort:

In het najaar van 1851 maakte Samuel Sarphati een studiereis naar Brussel, Londen en Parijs. Het was het jaar van de grote Wereldtentoonstelling. Vooral Londen maakte grote indruk op de Joodse geneesheer-ondernemer. De metropool werd door tijdgenoten gezien als de stad van de toekomst. Hier aanschouwde men de ware kracht van de Industriële Revolutie. Lydia Hagoort schrijft: "Londen was de grootste en rijkste metropool ter wereld. De stad telde tweeënhalf miljoen inwoners, tweemaal zoveel als Parijs." Den Haag en Amsterdam vielen in het niet vergeleken bij de Britse hoofdstad. In Hyde Park bezocht Sarphati de wereldtentoonstelling, waar Paxton zijn reusachtige Christal Palace had gebouwd. Het glazen gebouw mat 563 meter in de lengte, 116 meter in de breedte en 33 meter in de hoogte. De Nederlandse inzending die hij er aantrof bleek beschamend, het gebouw zelf vond hij echter meer dan indrukwekkend. Sarphati ging er een aantal keren kijken. Eind oktober was hij weer terug in Amsterdam.

Door toedoen van Sarphati kreeg Amsterdam zijn Paleis voor Volksvlijt – een licht verkleinde kopie van Christal Palace. Het gebouw kwam te staan aan het Frederiksplein. Maar hoe dit gebouw te financieren? Bestaande instituties wilden er, zoals zo vaak, geen cent in steken. In de zomer van 1852 richtte Sarphati daarom een Vereniging voor Volksvlijt op. Iedereen kon er lid van worden, wat een novum was. Eind 1853 telde de vereniging al 700 leden. Uiteindelijk wilden enkele vermogende burgers borg staan voor enkele tonnen, maar daarop reageerde het gemeentebestuur niet. Eind mei 1856 gaf Sarphati aandelen uit. Er waren nu vijfduizend aandelen van tweehonderd gulden te vergeven. Een dag later was een miljoen gulden opgehaald. Twee jaar later koos de vereniging Cornelis Outshoorn als architect. Maar de plek waar het paleis moest komen te staan was gedeeltelijk in handen van het Ministerie van Defensie. Onderhandelingen tussen stad en staat verliepen traag, ook omdat PW tegenwerkte. Op 7 september 1858 kon dan eindelijk de eerste paal worden geslagen. Juni 1864 – bijna zes jaar later en na ontzettend veel gedoe – was het werk eindelijk voltooid. En wat bleek? De bouwinspecteur oordeelde het paleis te hoog.

Tagged with:
 

Hoe Heineken won

On 5 maart 2014, in economie, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 23 februari 2014:

 

Na ‘Booming Amsterdam’ – de fraaie tentoonstelling over de Gouden Eeuw en de aanleg van de grachtengordel in De Bazel – waren de verwachtingen hooggespannen. Maar ‘Heinekens Amsterdam’ in diezelfde De Bazel, op dit moment daar te zien, valt tegen. De tentoonstelling pretendeert Amsterdams Tweede Gouden Eeuw te tonen aan de hand van het korte leven van bierbrouwer Gerard Heineken (1841-1893), de grondlegger van het bierimperium aan het Weteringplantsoen. Maar wat de tentoonstelling laat zien is niet de planvorming en aanleg van het Noordzeekanaal en de haven, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, de Wereldtentoonstelling van 1884 op het Museumplein, de bouw van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal station, de enorme werkzaamheden rond de aanleg van het spoor, de drastische plannen voor de stadsuitleg. Nu ja, van alles ziet men iets, maar niet veel. Wel veel bierviltjes, etiketten, oorkondes voor bier, de opening van Die Port van Cleve. Gek, want samensteller Erik Schmitz viel het juist op dat Heikenen voortdurend ‘adressen’ stuurde naar het gemeentebestuur over de stadsuitbreiding. Waarom Heineken dat deed?

In ‘1000 jaar Amsterdam’ (2012) had Fred Feddes een fraaie kaart opgenomen van het deelplan van de noordelijke Pijp uit 1873, die echter niet getoond wordt op de tentoonstelling. Daarop prijkt brouwerij De Hooiberg van Gerard Heineken aan het nieuwe tracé van de Stadhouderskade. De bouw ervan startte in 1868, midden in de weilanden, op een stuk grond gekocht uit de boedel van Sarphati. Het deelplan was opgesteld na afwijzing van het plan Van Niftrik (1867). In Van Niftriks esthetische plan was geen plaats geweest voor een bierbrouwer op de kade. Fabrieksterreinen waren ingetekend achter de Oosterparkbuurt en achter de Staatsliedenbuurt. Van Niftrik wilde het Centraal Station op de te dempen Zaagmolensloot – de huidige Albert Cuyp -, met een entree naar de stad via het Paleis voor Volksvlijt en de Utrechtsestraat. Heineken echter won. Op de tentoonstelling zien we het latere plan-Kalff (1877). Het accepteert de brouwerij; het deelplan uit 1873 is keurig opgenomen. Het Centraal Station ligt nu in het IJ, voor het Damrak. En de Ferdinand Bolstraat is ter hoogte van De Hooiberg afgeknepen. Tot op de dag van vandaag is dat een smalle passage waar trams, voetgangers en fietsers elkaar naar het leven staan. En de nieuwe metro moet er gestapeld onderdoor.

Tagged with:
 

Tussen Berlijn en Parijs

On 2 maart 2014, in film, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in Eye te Amsterdam op 25 februari 2014:

Bijna tegen het einde van de vier uur durende film komt de geleerde Alexander von Humboldt (gastrol van Werner Herzog) langs in een koets. Hij is op weg van Parijs naar Berlijn. Onderweg doet hij het dorpje Schabbach op de Hunsrück aan waar de jonge dromer Jacob Simon in de smidse van zijn vader zijn eerste stoommachine bouwt. Het is 1843. Een oude man langs de route wijst hem de weg (kleine rol van Edgar Reitz). Jacob schrikt en vlucht de bossen in, waarop Von Humboldt een briefje achterlaat. Zijn complimenten voor de jonge onderzoeker. Het is een van de hoogtepunten in het schitterende epos ‘Die andere Heimat’ van regisseur Edgar Reitz. De film toont hoe de inwoners van het denkbeeldige dorpje Schabbach honger, uitbuiting, ziekte en dood verwerken – alledaagse verschijnselen op het Duitse platteland in het midden van de negentiende eeuw. De ontberingen worden nog op de spits gedreven als de Pruisische landadel verklaart alle sprokkelhout en vruchten van het land als haar privébezit te beschouwen. Reitz in NRC Handelsblad van 22 januari 2014: "Het was ook een tijd van sociale utopieën, denk maar aan Karl Marx. En het was een tijd van misoogsten en honger."

Jacob droomt en leest veel over Brazilië, het spreekwoordelijke paradijs waar veel van zijn ongeletterde en onwetende dorpsgenoten naartoe zullen verhuizen als de honger en het gebrek hen opbreken. Want de jonge Jacob bestudeert niet alleen stoommachines, hij leert ook indianentalen spreken. Als uiteindelijk zijn oudere broer vertrekt beschouwt hij dat als verraad. Hij had zelf willen gaan. Reitz refereert hier aan zijn eigen broer, die een specialist was in indianentalen en die vijf jaar geleden overleed. Aan hem heeft hij zijn film opgedragen. Het wanhopige gevecht van de twee broers – Jacob en Gustav – in de modder na de aankondiging van de oudste in de kerk dat ook hij en zijn vrouw naar Brazilië zullen emigreren is dan ook veelzeggend en een van de meest ontroerende scenes uit de film. Even veelzeggend was het dat niet de filosoof Marx, die destijds tussen Trier, Parijs en Londen pendelde, aan het dorp voorbijtrok, maar de ontdekkingsreiziger Von Humboldt, homo universalis en kenner van het Zuid-Amerikaanse continent. Voor Reitz geen revolutie, maar evolutie.

Tagged with:
 

Stedelijke democratie

On 3 februari 2014, in bestuur, geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

In haar biografie van Karl Marx vormt de Parijse Commune van 1871 een soort hoogtepunt. Op 1 maart waren de Pruisen de stad binnengetrokken na een maandenlange belegering, als definitieve overwinnaars. De Franse keizer Napoleon III – uitlokker van de oorlog – was daarop gevlucht. Parijs ging vervolgens ondergronds, om zich, na een maandenlange hongertijd, op de strijd voor te bereiden. Op 26 maart kiezen de inwoners hun eigen regering. Ruim tweehonderdduizend inwoners verzamelen zich de volgende dag voor het stadhuis om hun nieuwe, democratisch gekozen bestuur toe te juichen. Daar klinkt het: ‘Vive la Commune!’. De Franse regering verschool zich ondertussen in Bordeaux. Die proclameerde begin maart herstelbetalingen aan de Pruisische schuldeiser, waarvoor ze de uitgeputte Parijse bevolking keihard aansloeg. In die gemoedstoestand koos deze dus haar eigen regering.

Op 1 april opent de Franse regering het vuur op de burgers van Parijs. Parijs slaat terug. Gabriel omschrijft de Commune die vanaf 3 april volgt als één groot carnaval. Begin mei is het weer schitterend; terwijl op de achtergrond kanongebulder klinkt, eten en drinken de Parijzenaars op de Place de la Bastille een week lang hun buiken vol. Op 16 mei organiseert de schilder Gustave Courbet, lid van de door Parijs zelfgekozen regering, op het zonovergoten Place Vendome een groot feest; daar wordt het standbeeld van Napoleon met zuil en al van zijn sokkel getrokken. Op 21 mei volgt een groot concert in de Tuileries waaraan duizenden gewone mensen deelnemen. Die avond echter trekken de Franse regeringstroepen de metropool binnen en openen het vuur. Vijf dagen lang woedt er een burgeroorlog. Het Parijs van Haussmann staat in lichterlaaie. Het experiment van het Parijse zelfbestuur wordt in de kiem gesmoord. Marx, die het Commune experiment aanvankelijk maar foolish vond, raakte allengs enthousiaster. Ofschoon het nog ver afstond van zijn ‘dictatuur van het proletariaat’, zag hij in Parijs een stad die zichzelf voor het eerst werkelijk democratisch, van onderop, bestuurde. Terwijl ik de Commune altijd had vereenzelvigd met een bloedige strijd, blijkt ze zelf in werkelijkheid een vroege oefening in lokale democratie die echter nog geen twee maanden duurde.

Tagged with:
 

Wie ontwierp het AUP?

On 28 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord in Laren op 20 januari 2014:


Bezoek aan Wali van Lohuizen gebracht. Van Lohuizen is emeritus-hoogleraar Urbanistiek aan de TU Eindhoven. Tegenwoordig woont hij in kunstenaarsdorp Laren, het Gooi. Zijn vader was Theo van Lohuizen, stedenbouwkundig onderzoeker bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam en vanaf 1948 hoogleraar Stedenbouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool Delft. Net als zijn vader was de zoon zijn carrière ooit begonnen bij het verkeersvraagstuk, in zijn geval bij de Nederlandse Spoorwegen. Hun benadering van het vakgebied vertoont ook grote gelijkenis: inventief, statistisch, kwantitatief, ruimtelijk. Maar dat niet alleen. We hadden het over verkeer, mobiliteit, de steden, het land. Uiteraard kwamen we ook te spreken over de vader en diens belangrijke werk in Amsterdam: de totstandkoming van het legendarische Algemeen Uitbreidingsplan van 1934.

Van Lohuizen vertelde me dat zijn vader hem ooit had ingefluisterd dat niet Cornelis van Eesteren het AUP heeft geconcipieerd, maar hijzelf. Toen Van Eesteren in Amsterdam kwam werken, nam Van Lohuizen hem mee op de fiets en toonde hem tijdens een reeks van dagtochten het omringende landschap. In het AUP is de nieuwe uitgelegde stad als het ware uitgesneden uit het polderlandschap op een wijze die inderdaad ieder detail en natuurlijk element respecteert. Die ‘’lobbenstad’ is misschien wel de grootste verdienste van het plan, in het proefschrift van Vincent van Rossem als zodanig beschreven. "Je kent toch het verschil tussen vormgeven en ontwerpen?", liet de zoon erop volgen. "In ontwerpen zit visie, in vormgeven niet." Ik begreep het en ik herinnerde me de systematische wijze waarop Van Lohuizen ook het landschap rond Rotterdam had geïnventariseerd (1927). En ik begreep ook dat Van Eesteren, afkomstig uit Alblasserdam, destijds nieuw was in Amsterdam en zo’n rondleiding door Van Lohuizen in het hem vreemde landschap moet hebben gewaardeerd. Biograaf Arnold Van der Valk citeert uit een interview met Van Eesteren: “Hij (Van Lohuizen) was een persoon met ideeen. Dus, hij bracht mij met Amsterdam in aanraking. Het wezen der dingen, dat was het hem.” Hoe zal ik het zeggen? Van Eesteren gaf op elementaire wijze vorm aan het programma dat Van Lohuizen als onderzoeker hem ontvouwde.

Tagged with:
 

A perpetual fair

On 3 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

‘Lui’ was de bijnaam van Louis Napoleon, de latere Napoleon III. In 1849 kwam hij over uit Londen om de Franse troon te bestijgen. Parijs was in een ware revolutiestemming en die hete zomer werd de hectische metropool opnieuw bezocht door een hevige cholera-aanval. Karl Marx en zijn vrouw, die Parijs ‘de stad der steden’ noemde, kregen in een kennelijke poging om orde op zaken te stellen het bevel om de Franse hoofdstad binnen vierentwintig uur te verlaten. De Duitse revolutionair Marx vertrok daarop naar Londen. Even later stelde het reactionaire Franse staatshoofd Georges-Eugène Haussmann aan als prefect met de opdracht de onrustige hoofdstad opnieuw ruimtelijk in te richten. Zijn grondige stedelijke herstructurering, tevens ongekende stadverfraaiing, leidde, bedoeld of onbedoeld, tot enorme prijsstijgingen, waardoor veel Parijse paupers in tien jaar tijd de stad uit verdreven werden. Dit zette kwaad bloed, waardoor vanaf 1860 eerst regelmatig studentenrevoltes uitbraken, die uiteindelijk leidden tot de bloedige Parijse Commune van 1871, met als gevolg de vlucht van Napoleon en, even eerder al, zijn stedenbouwkundige Haussmann.

In ‘Love and Capital’ beschrijft Mary Gabriel fraai hoe Marx zijn door ziekte en ouderdom verzwakte vrouw mee op reis neemt naar het vernieuwde Parijs nadat zij hem had toevertrouwd het resultaat van Haussmann’s inspanningen te willen zien. In 1881, na tweeëndertig jaar, arriveren ze dan eindelijk weer in hun geliefde, maar nu totaal getransformeerde Parijs. Gabriel: “They rode in an open carriage along boulevards that had not existed in 1849, past what Marx called a perpetual fair in all its colorful glory.” Waaraan Gabriel toevoegt: “Next to gray, gray London, Paris was a carnival.”  Ze drinken koffie op een terrasje en genieten van de onmiskenbaar Franse straatleven. “For a moment, Marx and Jenny may have even imagined themselves young again, he the fiery black-haired philosopher turned revolutionary, she the belle of Trier, both eager to challenge the world.” In werkelijkheid waren ze twee oude mensen (Karl 65 jaar, Jenny 69 jaar), onherkenbaar te midden van de vele duizenden jongeren op straat: hij, de schrijver van ‘Das Kapital’, zij, de moeder van zeven kinderen waarvan vier tijdens het schrijven waren gestorven.

Tagged with:
 

‘Bucky’ versus Jane

On 10 oktober 2013, in duurzaamheid, stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969):

Vandaag laatste college inleiding planologie gegeven aan eerstejaars studenten planologie van de UvA. Twee bepalende figuren uit de twintigste eeuwse planningsgeschiedenis heb ik behandeld: Richard Buckminster Fuller en Jane Jacobs. De eerste staat voor de mannelijke kant van het vakgebied, de tweede voor de vrouwelijke. Van elk las ik tijdens mijn studie een boek dat destijds grote indruk op mij maakte: ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) respectievelijk ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961). De eerste wordt tegenwoordig niet meer gelezen, de tweede maakt de ene comeback na de andere. Wat heet. Het lijkt erop dat de vrouwelijke benadering het uiteindelijk ruimschoots heeft gewonnen. Ogen op straat, straatleven, straathoeken, minder auto’s, veel voetgangers, diversificatie, creativiteit, productiviteit, organisch gegroeide steden, ja de spontane stad zit tegenwoordig sterk in de lift.

Echter, minstens zo interessant is het gedachtegoed van Buckminster Fuller, al lijkt deze futurist vooral onder hippies furore te hebben gemaakt. Toen Jacobs haar tirade tegen de New Yorkse sloopplannen van Robert Moses optekende, tekende Bucky een enorme ‘dome’ over Manhattan. Daarmee dacht deze voormalige marine-officier, uitvinder en futuroloog het ecosysteem van New York te kunnen redden. De wereld ging immers aan milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen ten onder, maar Bucky wist raad. In zijn ogen was de ‘planeet aarde’ een groot ruimteschip waarvan de raadselen door de wetenschap eindelijk waren opgelost. Computers zouden het hele ecosysteem precies kunnen reguleren en tegelijk de mensen van groeiende welvaart verzekeren. Bezit kon worden afgeschaft, de bevolkingsexplosie was een mythe, mensen hadden veel minder ruimte nodig, de planoloog kwam aan de macht. Fuller: “Wanneer de wereld haar potentiële mogelijkheden van welvaart verwezenlijkt zal hebben, zal er in New York ruimte genoeg zijn voor de gehele wereldbevolking; ieder mens zal ruimte genoeg hebben om een gemiddelde receptie te houden. Wij zullen in de toekomst steeds vaker bijeen komen in culturele centra. En anderzijds zullen wij meer gelegenheid krijgen om in alle ruimte die nog steeds op ons ruimteschip beschikbaar is tot grotere zelfontplooiing te komen.” Buckminster Fuller verwachtte ook veel van menselijke samenwerking, ingebed in ‘een metafysica van collectief ontwaken’ (Sloterdijk, Schuim, 2004). “Dus, planologen, architecten en ingenieurs, neemt het initiatief. Gaat allen aan de slag en tracht tot samenwerking te komen.” De computers zijn er; die samenwerking, daar wachten we nog op.

Historische vergissing

On 3 oktober 2013, in geschiedenis, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New Towns. The Answer To Megalopolis’ (1969) van Frederic Osborn:

Kreeg afgelopen week een exemplaar van ‘The New Towns’ van Frederic Osborn in handen. In het vuistdikke boek worden alle nieuwe steden van Groot Brittannië uitvoerig beschreven. Osborn was de general manager van de eerste nieuwe stad in Groot-Brittannië: Welwyn Garden City. Het boek opent met een inleiding van de Amerikaanse architectuurcriticus Lewis Mumford. Die schrijft dat ongecontroleerde groei van steden ronduit onbeschaafd is. Ebenezer Howard daarentegen vond hij dapper. Deze Britse stenograaf had eind negentiende eeuw een nieuwe vorm voor grote steden gevonden: de regionale of sociale stad, bestaande uit allemaal kernen van beperkte omvang die werden bijeengehouden door een regionaal vervoerssysteem. Zo’n regionaal systeem was beter dan één grote stad, schreef hij, want veel beschaafder. “The translation of these principles into the realities of the new towns movement is one of the most encouraging manifestations of our age.” Nieuwe steden waren in de ogen van Mumford niet minder dan de overwinning van de ratio, het menselijke, het gedisciplineerde en het vermetele: “a proof that sound ideas are not condemned by massive human folly or institutional inertia to remain inoperative.” 

Zijn gelijk haalde Mumford bij de oude Grieken. Aristoteles zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden, groot genoeg om alle functies te vervullen, maar niet te groot om functies te verstikken. Ook Leonardo da Vinci zou hebben geschreven over de ideale omvang van steden; het organisch gegroeide Milaan had volgens deze kunstenaar in tien nieuwe steden van, opnieuw, elk 30.000 inwoners moeten worden opgedeeld. Van Howard mocht een stad niet groter zijn dan, wederom, 30.000 inwoners. Met die boude historische vergelijkingen stelde Mumford Ebenezer Howard op één lijn met Aristoteles en Leonardo da Vinci. Kom er maar eens om. “The creation of this new kind of metropolitan area, based on a union of greenbelt towns, and the establishment of a system of local government, federal in structure but thoroughly integrated, is perhaps one of the principal tasks opened up by the very success of the new towns movement to date.” Wat een propaganda, wat een idiote vergelijking, wat een historische vergissing. Ook Nederlandse planologen zouden Mumford maar al te graag volgen. Ze verzonnen een Groen Hart met een krans van groeikernen rond de grote steden. Na het lezen van dit boek begrijp ik pas goed waarom.

De handelsgeest is terug

On 20 september 2013, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in Nieuw Amsterdam nr. 1, 2013:

Er zit weer beweging in Amsterdam. Is het ondanks of dankzij de crisis? Kantoren zijn er in overvloed, de lelijkste staan al jaren leeg, prijzen van commercieel vastgoed dalen, talentvolle mensen zonder veel geld hoeven niet meer uit te wijken naar Rotterdam of Berlijn. Belangrijker nog is dat door de financiële crisis de inwoners van de hoofdstad veel ondernemender zijn geworden, ze beginnen een zaak of starten een collectief. De handelsgeest, van oudsher in de VOC-stad aanwezig, is weer helemaal in haar bewoners gevaren. Het gekanker lijkt verstomd. Weet u wat het is? Wat tegenwoordig met een vreemd woord ‘bottom-up’ wordt genoemd is gewoon iets van alle tijden: om de zoveel jaren moet een stad zichzelf opnieuw uitvinden, dan gaat ze alles grondig vernieuwen. Dan moeten alle bewoners aan de bak om hun lokale producten en diensten bij te slijpen. Zonder die optelsom van hele kleine lokale vernieuwingen in korte tijd zou de stad op den duur stagneren. En het bijzondere eraan is, is dat die lokale economische en technologische vernieuwing steeds met golven verloopt. Amsterdam heeft er in haar geschiedenis vele gekend, want naast die eerste en tweede Gouden Eeuw waren er vele episodes in haar stedelijke geschiedenis waarin de stad een groeispurt maakte. En telkens werd zo’n groeispurt voorafgegaan door een verwarrende, aarzelende tijd.

Toch is er een gevaar. Dat gevaar schuilt in onszelf. De Amerikaanse historicus Barbara Tuchman heeft daar ooit in ‘The March of Folly’ (1984) op gewezen: samenlevingen zijn in staat zichzelf te gronde te richten. Er bestaat namelijk de mogelijkheid dat de burgers van Amsterdam het plaatselijk bestuur zullen kapen met het oogmerk om zonder innovatie winst te maken. Dat hebben de Amsterdammers tenminste één keer eerder gedaan: in de achttiende eeuw weigerden de rijk geworden kooplieden op de grachten nog langer in hun eigen stad te investeren. In plaats daarvan investeerden ze in het Silicon Valley van de achttiende eeuw: Manchester, Liverpool en Londen. Alle winsten uit onze Gouden Eeuw lieten zij wegvloeien naar het buitenland. Diezelfde kooplieden verboden het plaatselijk bestuur om de infrastructuur van Amsterdam te verbeteren. Ze benoemden lieden die het mes zetten in de grootschalige plannen, alles moest zuiniger en goedkoper. De Plantage werd niet meer bebouwd, maar in plots als privé-tuinen tijdelijk verhuurd. Wie talent had vertrok naar Londen of Parijs. Het zou de stad twee eeuwen kosten om die enorme klap weer te boven te komen.

Tagged with:
 

Eerst stad, toen landbouw

On 17 september 2013, in geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 juli 2013:

De hypothese van Jane Jacobs dat de zogenaamde ‘landbouwrevolutie’ het gevolg moet zijn geweest van hele vroege verstedelijking doordat alleen de samenballing van veel mensen tot al deze uitvindingen kan hebben geleid, en niet andersom, dus dat de eerste steden pas later, dankzij de landbouwrevolutie, zich konden vormen, lijkt opnieuw bevestigd te worden door recent archeologisch onderzoek in het oostelijk deel van de Vruchtbare Maansikkel – het landbouwgebied dat loopt van Israël via Irak naar het zuiden van Iran. In Chogha Golan, West-Iran, zijn onlangs grote hoeveelheden plantenresten ontdekt die erop wijzen dat hier al vanaf ruim 11.000 jaar geleden wilde gerst werd verbouwd. Hendrik Spiering in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad: “Dit is een belangrijke nieuwe aanwijzing dat de landbouw rond 11.000 à 10.000 jaar geleden op verschillende plaatsen in het Midden-Oosten vrijwel tegelijk is ontstaan.” Spiering wijst erop dat de landbouwrevolutie in werkelijkheid een heel geleidelijk proces is geweest van allemaal kleine innovaties: van gereedschappen, bemesting en zaadveredeling. “De veranderingen gingen langzaam genoeg om de kennis over een groot gebied uit te wisselen.”

Wat werd er gevonden in Chogha Golan? Niet alleen plantenresten. “Chogha Golan werd eind jaren negentig ontdekt, waarbij eerst de relatief grote stenen muren en gepleisterde vloeren opvielen. Ook werd een groot aantal vijzels en maalstenen gevonden: een duidelijke aanwijzing van het eten van zaden.” De vondst staat niet op zichzelf. In Zuid-Turkije, tegen de Syrische grens, werd in de jaren negentig Göbekli Tepe opgegraven: een heiligdom van zo’n 11.000 jaar geleden, bestaande uit grote stenen die door een groot aantal mensen de berg op moeten zijn gesleept. “Mogelijk was het een multiregionaal heiligdom waar mensen uit heinde en verre naar toe kwamen voor feesten. Ideaal voor de uitwisseling van zaden.” Grote stenen. Een groot aantal mensen. Multiregionaal. Ideaal voor uitwisseling. Dat is toch iets anders dan hunnebedden. Was dit geen hele vroege stad?

Tagged with: