Manfred Bock 1943-2017

On 22 februari 2017, in geschiedenis, stedenbouw, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op zondagavond 19 februari 2017:

 afbeelding Manfred Bock in de Droogbak, 1983

Zaterdag 18 februari 2017 overleed Manfred Bock, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. De in Hamburg geboren Bock, die in 1983 cum laude promoveerde op H.P.Berlage en de Beurs in Amsterdam, was een autoriteit op het gebied van klassiek historische onderzoek naar de moderne architectuur in Nederland. Begin jaren ’80 van de twintigste eeuw ontwikkelde hij tevens belangstelling voor de geschiedenis van de stedenbouw en zelfs van de ruimtelijke planning. Dat laatste was iets nieuws, dat zeker verband hield met zijn vriendschap met stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988), wiens archief Bock jarenlang bewerkte en met zijn team grondig onderzocht. Mijn eigen onderzoek naar de bijdrage van Van Eesteren aan de vormgeving van het landschap van de IJsselmeerpolders maakte deel uit van dit omvangrijke onderzoeksproject, dat door de Nederlandse staat werd gefinancierd. Bock was mijn promotor en leermeester. Van weinig mensen heb ik meer geleerd.

De belangrijke wetenschappelijk productie van Bock viel samen met de opleving van de Nederlandse architectuur, voorafgaand aan de episode-VINEX, zeg maar van begin jaren ’80 tot midden jaren ‘90. Dat was allerminst toevallig. Bock in Amsterdam en Ed Taverne in Groningen bliezen de latere bouwhausse aan met aansprekend historisch bronnenonderzoek. Na de Amsterdamse School en Berlage richtten de twee begin jaren ‘80 hun pijlen op het modernisme. De belangstelling voor het Nieuwe Bouwen, gewekt in een aantal schitterende tentoonstellingen die plaatsvonden in 1982 in vier Nederlandse musea, was vooral hun verdienste en zou een hele generatie jonge Nederlandse architecten blijvend inspireren. Het archief van Van Eesteren en andere archieven uit het ter ziele gegane Amsterdamse Documentatiecentrum voor de Bouwkunst stonden daarin centraal. Ons land zou er nu heel anders hebben uitgezien als deze twee grote wetenschappers in die periode niet zo productief waren geweest. Binnenkort, op 17 maart, opent er in het Amsterdamse Stadsarchief een tentoonstelling, getiteld ‘Een betere stad 1935-2017’, gewijd aan de realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Manfred Bock had zich geen mooier afscheidscadeau kunnen wensen.

Tagged with:
 

Van onderop, maar gescheiden

On 17 februari 2017, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord op de Universiteit van Amsterdam op 13 maart 2017:

Gerelateerde afbeelding

Wat de planning van Istanbul betreft, verwees historicus Hans Luiten in zijn gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam naar het unieke mahalle-systeem dat de Turken na de verovering van Constantinopel in 1453 binnen de Romeinse vestingmuren instelden. Mahalles betroffen kleine woonbuurten van maximaal 2.000 inwoners die grotendeels zichzelf bestuurden. In totaal telde Istanbul in de vijftiende eeuw 219 van dergelijke mahalles. Ze ontwikkelden zich rond oude kerken en moskeeën. Vaak werden ze ook naar deze godshuizen vernoemd. Het systeem, dat al bestond in de Byzantijnse tijd, werd door de Turkse veroveraars dus verder uitgebouwd. Istanbul telde in 1453 overigens nog maar 200.000 inwoners, terwijl het in zijn gloriedagen na de stichting nog liefst 800.000 zielen had omvat. Krimp en teruggang waren het gevolg geweest van de verovering door stadstaat Venetië in 1204. Mahalles, die vaak ook over een eigen school en badhuis beschikten, konden Joods zijn, Armeens, Turks of Grieks. De islamitische Turken bleken behoorlijk tolerant; hun mahallesysteem zorgde ervoor dat religies en etniciteiten vredig samenleefden, alle in hun eigen buurten, autonoom, zichzelf besturend van onderop. Op deze manier raakte de multiculturele stad steeds dichter bevolkt.

In een artikel van Ilber Ortayli, verbonden aan de universiteit van Ankara, getiteld ‘The evolution of the spatial pattern of Istanbul’ (1996), las ik over hoe dit mahallesysteem ervoor zorgde dat op den duur extreem hoge dichtheden werden bereikt waarin verwante mensen met elkaar moesten samenleven. De meeste gebouwen waren bovendien van hout, waardoor voortdurend brandgevaar dreigde; sanitaire voorzieningenschoten schoten ernstig tekort. Dit alles zou later veranderen. Buiten de muren groeiden vanaf de negentiende eeuw de eerste buitenwijken rond voormalige dorpen of liever: hier vormden zich de eerste sloppenwijken. Ondertussen werd de stad zelf steeds meer uit steen opgetrokken. De informele sloppenwijken zouden in de twintigste eeuw de dominante vorm van verstedelijking worden, vooral toen bij het verval van het Ottomaanse rijk eind negentiende eeuw miljoenen Turken overhaast naar Istanbul vluchtten. Tot op de dag van vandaag vormen de gecekodu’s het dominante motief waarop de metropoolvorming onverminderd, nee sneller dan ooit, plaatsvindt. En het mahallesysteem functioneert ook nog steeds, dat wil zeggen in heel Istanbul heerst altijd nog een vorm van zelfbestuur, georganiseerd rond kerken, scholen en badhuizen, vanuit kleine buurten, maar wel gescheiden, zij het dat vrijwel alle mahalles nu door de islam worden gedomineerd.

Tagged with:
 

Geschiedenis van een metropool

On 13 februari 2017, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord op 13 februari op de Universiteit van Amsterdam:

Gerelateerde afbeelding

Het gastcollege van Hans Luiten, historicus, in het bachelor-programma Cities in Transition aan de Universiteit van Amsterdam was bijzonder. Luiten, die twee uur lang zeer boeiend sprak over Istanbul, schilderde als een echte historicus de bewogen geschiedenis van een stad die sommigen als westers, maar de meesten als oosters typeren. Gesticht door keizer Constantijn, ontwikkelde de Romeinse stad aan de Bosporus zich tot een van de grootste steden ter wereld. Tijdens de val van Rome telde ze al meer dan 800.000 inwoners, allen dicht opeengepakt levend binnen de Romeinse vestingmuren. Daarna werd ze onder de voet gelopen door de Turken uit Centraal Azië, die het Ottomaanse rijk stichtten en de islam naar Istanbul brachten. Pas in de achttiende eeuw trad ze buiten haar omwalling en groeide ze door aan de overzijde van de Gouden Hoorn, in de buurt die bekend kwam te staan als Perá. Tot nog in de negentiende eeuw werd ze geteisterd door hevige branden, die de overwegend houten woningen gemakkelijk in vuur zetten. Het verval van het Ottomaanse rijk in de negentiende eeuw betekende opnieuw een kentering voor de stad. Een voorzichtig proces van modernisering zette in, met een eerste metroverbinding in 1871 en Duitse plannen voor stadsuitbreiding, maar in het tumult van de Eerste Wereldoorlog koos Turkije voor Duitsland, dus de verkeerde partij. Hard werd ze daarvoor gestraft door de Engelsen, Fransen en Russen. Istanbul dreigde in 1920 Russisch te worden. Atatürk voerde daarop een vrijheidsstrijd en moderniseerde het bevrijde Turkije met straffe hand. De hoofdstad verplaatste hij naar Ankara.

Wat in de twee uur college goed duidelijk werd, is dat Turkije de vernedering van 1918 nog steeds niet te boven lijkt en dat een terugverlangen naar het Ottomaanse rijk gemakkelijk weer de kop opsteekt. Ook de vijanden van weleer zijn opnieuw gevonden. Pas in de laatste tien minuten voerde Luiten president Erdogan ten tonele. Terwijl Istanbul explosief groeit naar een inwonertal van liefst 20 miljoen veelal arme mensen en de Turkse economie indrukwekkende groeicijfers vertoont, ontwikkelt de populaire leider van de AK Partij in een vreemde mengeling van neoliberale principes en islamitische grondwaarden  zijn megalomane toekomstvisioen voor Groot-Istanbul, met de grootste luchthaven ter wereld, een tweede verbinding met de Zwarte Zee, een derde brug over de Bosporus en een metropolitane expansie naar het noorden en oosten. Voor zijn achterban van hoofdzakelijk ‘Zwarte Turken’ bouwt ontwikkelaar Toki, die in handen is van de zoon van de president, goedkope hoogbouwflats in de binnenrand van de snel groeiende metropool. De waterreservoirs in de uitgestrekte wouden ten noorden van de stad worden ondertussen door wilde verstedelijking bedreigd. Wat van dit alles te denken? Ik vermoed dat de studenten nu eerst even op adem moeten komen.

Tagged with:
 

Sörgel’s dream

On 25 november 2016, in geschiedenis, internationaal, by Zef Hemel

Read in ‘Atlantropa’ (1998) of Wolfgang Voigt:

Three days before his death, Max van den Berg (1938-2016), a former city planner of Amsterdam, gave me a copy of ‘Atlantropa’, a book of the historian Wolfgang Voigt on the German architect Herman Sörgel. The book documents the mad history of a mad project dating from the early nineteen thirties. Sörgel, who worked at the office of Erich Mendelsohn, proposed the draining of the Mediterranean Sea by closing the Street of Gibraltar with a dam, by generating a huge amount of electricity with the help of this dam and another one in the Bosphorus, and by using this energy to irrigate the African desert. His drawings were exhibited in German, Italian and Spanish cities, and by letting them travel around Europe, Sörgel, who worked for many years on it, had hoped his project would bring peace and stimulate friendship between the nations. Architects and planners helped him designing the new cities on the new coastline that would be drained, amongst them the Dutch urbanist Cornelis van Eesteren. It was Van Eesteren who met Sörgel at the Weissenhof Siedling in 1927, learned about his project, and it was Van Eesteren who later teached Van den Berg, first as professor at the Technical Universityof Delft, later as a senior colleague and former head of the Amsterdam urban planning department.

Max did not know Van Eesteren had told me about Atlantropa when I studied Van Eesteren’s archives at his home in the early nineteen eighties. His gift reminded me of Sörgels dream and of the role Van Eesteren had played in it. So when I started reading Voigt last weekend, I learned that Sörgel wanted to make a boat trip with all the architects along the Mediterranean coast, but that this preparatory study tour never took place. So is it a coincidence that when in 1932 the architects of the International Congresses of Modern Architecture (CIAM), who planned their third congress on the functional city in Moscow, were not permitted to enter the Soviet Union, they decided to charter a boat in the harbour of Marseille, and make a boat trip to Athens and back again? I don’t think so. At that time Van Eesteren was president of CIAM and it was Van Eesteren who had travelled to Moscow in the winter of 1932 in an ultimate attempt to save the congress. The inspiration to find a ship and sail the Mediterranean when the Soviets refused, must have been his, or it was Sörgels idea he now eagerly adopted. Maybe even the idea to organize a travelling exhibition on the results of the congress was based on the Atlantropa-project. So when the Modernist architects embarked the Patris II in the summer of 1933, Van Eesteren must have imagined Sörgels dream of Atlantropa come true.

Tagged with:
 

Optimistische eeuw

On 24 augustus 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen tijdens de zomervakantie van 2016:

Vijf boeken gelezen deze vakantie, waaronder Moby-Dick van Herman Melville (een boek dat na 160 jaar nog altijd zeer de moeite waard is) en ‘Het zwarte boek’ van Ohran Pamuk uit 1990; twee boeken sprongen er echter uit: ‘De begraafplaats van Praag’ (2011) van Umberto Eco en ’The Children’s Book’ (2009) van A.S. Byatt. Is het toeval? Beide zijn ongeveer even dik, allebei beschrijven ze de toestand op het einde van de negentiende eeuw in Europa, de Italiaan Eco vanuit Parijs, de Britse Byatt vanuit Londen. Beide werpen een duister licht op de geschiedenis. Eco loopt met zijn ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ vooruit op de shoah in de Tweede Wereldoorlog, Byatt laat haar jonge romanfiguren sneuvelen in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. The Children’s Book opent met de restanten van de Wereldtentoonstelling van 1851, de grootscheepse plannen voor uitbreiding van de museumgebouwen in South Kensington en de erfenis van koningin Victoria. Toch doen zich dan al willekeurige aanslagen voor, zoals de moord op de Franse president Carnot en op generaal Mesentsev. “De volwassenen herinnerden zich de stroom aanslagen van tien jaar geleden – op regeringsgebouwen, het kantoor van The Times, metrostations, spoorwegstations, Scotland Yard, Nelson’s Column, London Bridge, het Lagerhuis, de Tower zelfs.” Allemaal herkenbaar en opnieuw actueel.

En dan het bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900, een gigantisch project dat 600 hectare besloeg en 120 miljoen franc had gekost.  Hoogtepunt waren de twaalf meter lange dynamo’s die het terrein en de omgeving ‘s avonds verlichtten. “In het Paleis van de Elektriciteit waren overal waarschuwingen te lezen. Grand Danger de Mort. Het was geen verscheurende, vermorzelende dood. Een onzichtbare dood, deel van een onzichtbaar aandrijvende kracht, de nieuwigheid van de nieuwe eeuw.” Elektriciteit dus. Niets daarover in Eco’s meesterwerk. Hoofdpersoon Simonini– een Italiaan – leeft in ballingschap in Parijs. Baron Haussmann had bijna de hele stad gesloopt en opnieuw opgetrokken, de Pruisische bezetter was amper vertrokken. Over de Fransen oordeelt Simonini allerminst licht. “Ze zijn slecht. Ze doden uit verveling. Frankrijk is de enige natie waarvan de onderdanen jarenlang bezig zijn geweest elkaar de kop af te hakken.” Dat negatieve beeld wordt door racisme alleen maar erger, trouwens ook belichaamd in de hoofdpersoon. Volgens Eco was het pure hysterie, ontketend door de triomf van wetenschap en technologie. In een interview zei hij: “Dit is een boek dat je aan het einde van je leven schrijft, niet aan het begin. Het is wanhopig, vol scepsis. Een testament voor mijn kleinkinderen: heb geen vertrouwen in de mens.” Op 19 februari 2016 overleed de schrijver.

Tagged with:
 

Angst, sensatiezucht en idealisme

On 19 april 2016, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord op 18 april 2016 in de OBA te Amsterdam:

Christianne Smit, universitair hoofddocent Politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, vertelde afgelopen maandagavond een prachtig verhaal over de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam in een volgepakte theaterzaal van de OBA, tijdelijk omgetoverd in het Paleis voor Volksvlijt. Het was de eerste Amsterdamlezing van dit jaar, georganiseerd vanuit de Wibautleerstoel aan de UvA, een reeks deze keer gewijd aan de derde Gouden Eeuw. Aan de hand van haar historische onderzoek, opgetekend in ‘De Volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld 1870-1914’ (2015), schetste Smit een tamelijk onrustig beeld van Amsterdam, toen de kloof tussen rijk en arm snel groter werd, veel migranten naar de grote stad trokken, het platteland leegliep en de samenleving uit elkaar dreigde te vallen. De parallellen met het heden waren opvallend. De Amsterdamse elite van destijds, vertelde ze, wilde de boel bij elkaar houden en het waren de liberalen die daartoe tal van initiatieven namen; veelal betrof het jonge juffrouwen, ongetrouwde dochters van rijke burgers, wier idealistische werk deels werd ingegeven door optimisme, deels door angst. Ze trokken de arme buurten in, vaak uit sensatiezucht, maar vooral om gewone mensen die achterliepen vooruit te helpen; ze wilden de arbeiders iets leren, iets bijbrengen, zonder dat deze tot de middenklasse konden toetreden, “want dat kon gewoon niet.” Zo begon de tweede Gouden Eeuw – door het creëren van een grootstedelijke gemeenschap, het ontwikkelen van sociale cohesie.

Opmerkelijk was dat veel van die initiatieven rechtstreeks afkomstig waren uit Londen, dat niet alleen in de ernst van de maatschappelijke problemen Amsterdam verre overtrof, maar dat ook aan de lopende band innovaties produceerde.  Want zo zijn metropolen: hun oplossingsvermogen is veel groter dan die van kleine steden. Smit noemde het echtpaar Barnett dat met Toynbee Hall in East End het eerste buurthuis ter wereld stichtte. Ze organiseerden er leesclubs, cursussen, concerten, debatavonden en lezingen. Rijke studenten uit Oxford en Cambridge konden er aan den lijve ondervinden hoe het was om als arme stakker te leven. Toynbee Hall, een robuust Brits landhuis te midden van krotten, was niet minder dan een sociaal laboratorium dat ook in Nederland de aandacht trok. Smit noemde het Volkshuis in Leiden (1899), de Toynbee Vereniging (1895) en Ons Huis in de Rozenstraat in Amsterdam (1892). Ook Floor Wibaut zou na zijn verhuizing naar Amsterdam aangestoken worden door het virus en een Toynbee vereniging oprichten. Smit wees erop dat nog steeds overal in Amsterdam buurthuizen bestaan, net zoals er nog talrijke openbare bibliotheken functioneren. De sociale innovaties van destijds waren dus buitengewoon succesvol. Ze horen bij een infrastructuur die het idee van democratie moest helpen verspreiden en het pad effenen naar emancipatie. Nee, de socialisten liepen in deze niet voorop. Die wilden hun eigen buurthuizen, maar ze wilden bovendien een schietbaan om de revolutie voor te bereiden, echter een vergunning daarvoor kregen ze niet. En toen de buurthuizen en bibliotheken iets te succesvol bleken, nam de overheid het van de weldoeners over. Maar dat was veel later, zo rond de Eerste Wereldoorlog.

Tagged with:
 

Constantine’s dream

On 6 november 2015, in geschiedenis, by Zef Hemel

Seen in The Nieuwe Kerk, Amsterdam, on  11 October 2015:

The exhibition in the Nieuwe Kerk (New Church), on Dam square in Amsterdam, is on Rome, the capital city of the Roman empire at the time of the emperor Constantine, after the edict of Milano (313 AD). I visited it on a Sunday afternoon with one of my daugthers. At that time Rome was a city of one million inhabitants, the biggest city in the world. A reconstruction of the huge statue of Constantine with a copy of the head of the emperor and its fingers are its center piece; it was stunning, impressive, if only by its sheer size. And then there was his dream or vision or celestial sign, at the exhibition on copies of paintings in a reconstruction of one of the Vatican palace chambers: his seeing in his sleep at the battle field of the cross, and his redemption. The unique story was well exposed: the transformation of Rome, the building of the new churches in the city, the new freedom, the old gods, many of them still of Egyptian or Greek (Dionysos) origin, the rise of the Christian god, the celebrated works of the  apostles Peter and Paul, the first Christians, it was all there.

However, what I missed was the decision taken by the same emperor Constantine to build a new city in the East: Constantinople, inaugurated in 324 AD, as the new capital of the Roman empire, later to become the wealthiest and most powerful city on earth. The new city would be free of the pagan past and would be Christian from its first day. It was the emperor’s real dream. So I reread ‘The Decline and Fall of the Roman Empire’ (1776-1781) of Edward Gibbon. Gibbon’s long decription of the unique geographic location, created by nature, its wonderful climate, its healthy environment, its safe position on the border between Europe and Asia. It would be a city that could easily feed its own population; all the resources and freight would sail on ships, on any wind, to its shores on the Bosphorus. But then Gibbon also comments that Constantinople was not Babylon or Thebe, the antique Rome, London, or even Paris. It was far less powerful. Gibbon hated Constantine, so he judged Constantinople also a weak city. Building the new city, he wrote, costed a fortune, and many Roman citizens had to move eastward, leaving a enfeebled hometown behind. But less than a century later, Constantinople would challenge the power of Rome. Its foundation, growth and success are worth a second exhibition. Why wait?

Tagged with:
 

Urban Sapiens

On 5 juni 2015, in boeken, geschiedenis, by Zef Hemel

Read in ‘Sapiens’ (2015) by Yuval Noah Harari:

Yuval Noah Harari - Sapiens: A Brief History Of Humankind

Fascinating book. The Israeli world historian Yuval Noah Harari wrote a history of human beings that will thrill you when you read it. He explains how horrible the Agricultural Revolution really was for sheep, pigs, cows and chicken, and how disastrous industrial agriculture nowadays is. It is de sacrifice we have to make for developing our cities. “Without the industrialisation of agriculture the urban Industrial Revolution could never have taken place.” But he also explains how weak homo sapiens is. Only through cooperation can he survive. What makes us cooperate? Stories! “Myths, it transpired, are stronger than anyone could have imagined. When the Agricultural Revolution opened opportunities for the creation of crowded cities and mighty empires, people invented stories about great gods, motherlands and joint stock companies to provide the needed social links.” Most human cooperation networks, he adds, were forced, they were geared towards oppression and exploitation. “All these cooperation networks – from cities of ancient Mesopotamia to the Qin and Roman empires – were ‘imagined orders’. Capitalism is a myth. Even human rights are myths. Beliefs and religion are at the core of our society. “There is no way out of the imagined order. When we break down our prison walls and run towards freedom, we are in fact running in to the more spacious exercise yard of a bigger prison.”

Harari shows how money, empires and religions spread in order to realise a global vision. Only partly he plays the true historian; in fact he loves to stirr and to forecast. So, what is our imagined order in 2015? Are there any shared stories left? We’re among strangers now. Harari thinks the state and consumerism are the new narratives. “The nation does its best to hide its imagined character.” Thanks to the state we are living in peaceful times. But consumerism takes over. Peace is profitable now. So why bother? “But are we happy?”, he asks almost desperately.  And all those animals being killed? No? What’s the benefit of capitalism if it does not make people (and animals) happier? Capitalism has no ethics. The result of capitalism is the collapse of family life and local communities. Now people are living in states and in markets. Then Harari enters the domain of ancient old wisdom, of ‘knowing thyself’, of buddhist meditation practices, etcetera. The last chapter is about the future, biotechnology, singularity, science fiction. He is afraid human being are behaving irresponsible, he thinks they feel like gods. What do we want to want, he tells us, is far more important than what do we want to become. No words on cities however, or wealth and fortunes of city life. Harari missed that one.

Tagged with:
 

Civics

On 10 februari 2015, in geschiedenis, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pioneers in British Planning’ (1981) van Gordon Cherry (ed):

 

632

 

Onlangs een lezing gegeven in Geneve, aan de universiteit, over open planning. In de zaal werd na afloop de vergelijking gemaakt met het werk van de Schotse bioloog, socioloog en planner Patrick Geddes (1854-1932). Veel opgeschoten, concludeerde ik, zijn we dus niet. Hoewel je de opmerking van de Zwitserse dame in het publiek ook positief kon opvatten. Enerzijds doelde ze op de brede evolutionaire, quasi-theoretische benadering van Geddes van het vakgebied die ik de zaal kennelijk voorhield en die de afgelopen decennia inderdaad verloren is gegaan, anderzijds de hele praktische experimenten waarmee hij en ik die benadering onderbouw(d)en. Ook die combinatie van beide komt nauwelijks nog voor, gescheiden als de academische wereld is van de planologische praktijk. Het is juist wat mij begin jaren ‘80 in het oeuvre van Geddes zo aantrok en wat me destijds deed besluiten het schrijven van een proefschrift te combineren met werken in de planologische praktijk. Ik heb er nog altijd geen spijt van.

In ‘’Pioneers in British Planning’ schreef Helen Meller ooit een essay over het leven en werk van Patrick Geddes. Ze typeerde hem als een zeer bevlogen generalist die geen aanvoerder van een beweging (van overwegend specialisten) kòn zijn. Geddes, werkzaam in Edinburgh – het ‘Athene van het Noorden’ -,  geloofde ook niet in politiek en meende dat alleen met concrete economisch-ruimtelijke interventies verbetering kon worden gebracht in de lot van mensen. Zijn Kropotkin-achtige voorstellen tot wederzijdse hulp werden vaak geridiculiseerd, zelfs zijn vrienden en collega’s plaagden hem erom. Maar hij had ook fans. “His enthousiasm was infectuous but he chose emotional rather than intellectual methods to convert the world to the socio-biological eutopia of social reconstruction.” Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trok hij teleurgesteld naar India, later naar Israel, om in de slums de armen bij te staan met praktische adviezen. Bij terugkeer in 1916 trof hij de jonge Amerikaan Lewis Mumford als leerling, maar ook die ging later een andere weg. Onder Nederlandse planners staat Geddes vooral bekend om zijn pleidooi voor ‘survey before plan’. Ach ja.

Tagged with:
 

Glas, licht, abstractie

On 19 januari 2015, in geschiedenis, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Kriterion, Amsterdam, op 3 januari 2015:

Aerial view of Crystal Palace

De verschijning van de film ‘Mr. Turner’ van Mike Leigh valt samen met de tentoonstelling ‘Late Turner’ in Tate Britain, Londen. De film is schitterend, de tentoonstelling vermoedelijk ook. De film geeft een indringend beeld van de grote schilder van de Romantiek. Joseph Mallord William Turner (1775-1851) leefde en werkte in Londen. Maar hij was vooral veel op reis, hij ging naar Amsterdam om Rembrandt en Ruysdael te zien, Antwerpen (voor Rubens), Parijs (naar werken van zijn grote voorbeeld Claude Lorraine), Rome, Florence en Venetië. In Londen was hij opgenomen in de gemeenschap van kunstenaars binnen de dan juist opgerichte Royal Academy of Arts: hij ontmoette er John Ruskin, John Soane, John Nash, Joseph Constable en anderen. De Royal Academy bleek een broedplaats van talent, een plek van uitwisseling van ideeën, juist op het moment dat Napoleon verslagen wordt en het Britse imperium zijn almacht vestigt. Thuis, in Harley Street, later in Queen Ann Street West, had hij op de bovenverdieping bovendien een eigen galerie waar hij zijn schilderijen aan intimi tentoonstelde. Zijn verfpoeder, soms afkomstig uit Afghanistan, kocht zijn vader voor hem om de hoek.

De Engelse landschapsschilder, vooral bekend van zijn atmosferische zeezichten, zou je niet snel met de grote metropool associëren. Toch was Turner een kind van de vooruitgang en de industriële tijd en had hij grote interesse voor stoomtreinen, natuurkunde, fotografie, prisma, Beethoven, allemaal stedelijke innovaties. In zowel de film als de tentoonstelling wordt hier ook sterk de nadruk op gelegd. Boodschap: Turner was een vernieuwer, een ziener en een voorloper. Zijn schilderijen werden op het einde van zijn leven ook steeds lichter, helderder. Van ‘rain, steam and speed’ gaat het naar ‘glas, licht, abstractie’.  Helemaal op het eind van de film, tevens het eind van zijn leven, keert de schilder uitgeput terug van een wandeling door de grote stad. Hij was, vertelde hij, opnieuw in Hyde Park geweest. Wat hij er precies had gezien, wordt niet geheel duidelijk, maar het was iets groots van staal en glas dat daar werd gebouwd. Het moet Christal Palace van Joseph Paxton zijn geweest, het reusachtige gebouw van glas en staal dat in 1851 ‘s werelds eerste Wereldtentoonstelling zou huisvesten. Het wond hem danig op. De opening ervan heeft de schilder niet meer meegemaakt. Op zijn sterfbed waren zijn laatste woorden: ‘The Sun is God’.

Tagged with: