Heilige steden

On 9 oktober 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New York Review of Books’ van 25 september 2014:

Wat Islamitische Staat (IS) aan gruwelijks doet in Irak en Syrië is historisch gezien helemaal niet zo ongewoon. Ik las het in de New York Review of Books. Had het nog niet zo bekeken. In ‘Iraq: The Outlaw State’ recenseerde Max Rodenbeck een viertal boeken over de politieke toestand in Irak. Rodenbeck is hoofd van het Midden Oostenbureau van The Economist in Cairo, Egypte. Na een aantal recente gruwelijkheden in het Kalifaat te hebben opgesomd komt hij in zijn artikel met de observatie dat dergelijke wreedheden door de lokale bevolking gezien worden als “a talisman of godlike power and an advertisement of worldly success.” Messianistische wreedheden die al eeuwenlang de beschavingen in dit gebied domineren. Rond Mosul, voegt hij er fijntjes aan toe, bevinden we ons tussen de ruïnes van de oudste heilige steden ter wereld, die van Niniveh en Nimrud bijvoorbeeld.

Honderden jaren heerste hier het Assyrische rijk, dat wil zeggen dat rijk heerste over de vruchtbare oevers van de Tigris en Eufraat, “a span of flat, semiarid, and hard-to-defend terrain that is possibly the most often fought-over patch of real estate on the planet.” De contouren van dit gebied komen vrijwel overeen met die van het nieuwe kalifaat. Assiries rivaal was destijds Babylon, dat zuidelijk van het latere Bagdad de gehele rivierdelta besloeg. Rodenbeck: “What stands out in the iconography of the Assyrian kingdom is its unusually frequent and detailed depiction of extreme violence.” Wie ervan wil kennisnemen moet naar het British Museum in Londen, waar een hele galerij is gewijd aan de macabere rituelen in het paleis van Ashurbanipal in Niniveh. Ook de Mongolen gingen zich later te buiten aan extreem geweld. In 1258 en later in 1401 moordden ze de hele bevolking van Bagdad uit, waarbij ze de lijken voor de poorten hoog optastten. En nadat de Amerikanen datzelfde Bagdad hadden gebombardeerd, veranderde de stad op slag in een serie monochrome sektarische blokken, onderling gescheiden door betonnen muren, waar mensen elkaar naar het leven staan en waar moorden een dagelijks ritueel is geworden.

Tagged with:
 

450 jaar winkelen

On 26 september 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het winkellandschap van Amsterdam’ (2004) van Clé Lesger:

De aanleiding was de tijdelijke afsluiting door de politie van de Amsterdamse Kalverstraat vanwege de drukte afgelopen zomer. Vanuit de winkels konden de mensen de straat niet meer op. Het blad Folia interviewde hierover onlangs Clé Lesger, docent economische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen voorjaar verscheen van zijn hand een geschiedenis van het ‘winkellandschap’ van Amsterdam. Hoe dat nou toch zat met die Kalverstraat. Al sinds de zeventiende eeuw is de Kalverstraat de belangrijkste winkelstraat van Amsterdam, antwoordde Lesger. Er wordt daar al 450 jaar gewinkeld en het is er altijd heel erg druk geweest. Maar tijdens de bouw van de groeikernen en de gedwongen overloop eind jaren zestig begon het verval en zochten de winkeliers een goed heenkomen in de PC Hooftstraat, dicht bij hun klantenkring. Lesger: "In 1974 stond in de Kalverstraat een kwart van de panden leeg, waar dumphandelaren met goedkope kleding handig gebruik van maakten." De straat, aldus de historicus, leek toen ten dode opgeschreven.

De nieuwe uitbaters van de Kalverstraat richtten zich op een jong publiek. Terwijl hun ouders in auto’s een parkeerplek zochten in Amstelveen, Hoofddorp of Almere, namen de kinderen het vervallen centrum van Amsterdam in bezit. De jeugd herontdekte de binnenstad, het waren zeker niet de ouderen. (Die laatsten zien het daar nog altijd niet zitten). Nu vestigen zich aan en rond de Kalverstraat de grote internationale ketens en bezwijkt de straat bijna onder het vele jonge publiek. Met de opening van de Noord-Zuidlijn wordt het er straks nog veel drukker. Maar het patroon verandert niet. De Dam en de oude rivierdijken blijven het hoofdwinkelgebied. In ‘Het winkellandschap van Amsterdam’ schrijft Lesger hierover: “Het is dit in het prestedelijke landschap verankerde en in al die eeuwen nauwelijks veranderde stratenpatroon in het hart van de stad, dat aan de basis staat van het Amsterdamse bewinkelingspatroon.” Lesger hoopt maar dat de gemeente nu niet gaat breken. Juist de nauwte, die beschutting geeft, maakt de straat heel aantrekkelijk. "Ze is vlak en meandert lekker, waardoor het er windstil is. Dat maakt haar nu eigelijk nog net zo comfortabel als eeuwen geleden." Goed gezien. De gemeente zou zijn boek moeten lezen.

Tagged with:
 

Na het Modernisme

On 1 september 2014, in geschiedenis, hoogbouw, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Acquiring Modernity’ (2014):

Het paviljoen van Koeweit op de Architectuur Biënnale van Venetië zelf maakte geen grote indruk op me. De publicatie des te meer. In ‘Acquiring Modernity’ blikt de oliestaat aan de Perzische Golf terug op honderd jaar Modernisme in de regionale architectuur, precies zoals curator, Rem Koolhaas, de betrokken landen had gevraagd te doen. In de uitgebreide brochure bij de tentoonstelling valt goed na te lezen waaruit die bijdrage in Koeweit zoal bestond. Een van de artikelen is van de hand van Hassan Hayat en geeft een overzicht van de ontwikkeling van Koeweit Stad. In ‘The Unfinished City’ beschrijft hij nauwgezet en openhartig hoe deze stad van vier miljoen inwoners sinds de onafhankelijkheid in 1961 het Britse masterplan uit 1951 van Minoprio, Spencely and MacFarlane overboord zet en, na de vondst van olie, inzet op ongeremde expansie. Het nieuwe plan uit 1971 stelt de vernietiging van de oude stad voor en de bouw van een nieuwe hoofdstad. Ontwerp: Colin Buchanan and Partners.

De expansie van Koeweit stad valt samen met het Pan-Arabisme. Hayat: "Ministries and government entities divide multi-million dinar projects under their supervision. Within their internal structures, power fragments into a bureaucratic orgy of executives, vice executives, chief executives, deputy general managers, and vice general managers, so that the ultimate decision-making is paused and projects become unmanageable." Maar dat niet alleen. De oliecrises van 1973 en later gooien roet in het eten; de uitvoering van het tweede masterplan loopt hierdoor spaak. Ze worden gevolgd door de revolutie in Iran in 1979, uitmondend in de oorlog tussen Irak en Iran. In 1982 belandt Koeweit in een hevige recessie. En dan, in augustus 1990, vallen tot overmaat van ramp de Iraki’s het golfstaatje binnen. Koeweit stad wordt hevig gebombardeerd. "As Kuwait recovered from the Invasion, the Gulf region boomed. Globalism crept its way into people’s homes through their televisions, Internet, and pop culture. Dubai and Quatar dominated regional and global media, offering a strong vision of what the future could be." Koeweit stad doet echter niet mee. Hoogbouw blijft uit. Waarom? Hayat: "In the confusion of an erased past and loud regional and local influences, the various subcultures that made up Kuwait each wanted their presence to be seen and felt in the built environment." Voor Hayat staat het vast. Niet langer moet het oude vervangen worden door het nieuwe. Het Modernisme is voorgoed voorbij. "Rather than importing yet another Master Plan, one should be developed locally, allowing the people to take part in shaping Kuwait of Tomorrow." Wat zeg ik? Indrukwekkend.

Tagged with:
 

Het belang van innovaties

On 29 augustus 2014, in geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘City of Fortune’ (2011) van Roger Crowley:

Kun je van de geschiedenis leren? Deze vakantie las ik Roger Crowley’s ‘City of Fortune’. In het jaar 1203 telde Constantinopel (het huidige Istanbul) liefst vierhonderd- tot vijfhonderdduizend inwoners. De stad was daarmee veruit de grootste metropool van de hele Christelijke wereld. Ter vergelijking: Parijs en Venetië telden elk niet meer dan zestigduizend inwoners. "They looked on Constantinopel for a long time because they could scarcely believe there could be such an enormous city in all the world," schreef Villehardouin, die doelde op de kruisvaarders die in 1203 begonnen waren aan de vierde kruisvaart. De kruisridders, die voor de poorten van Constantinopel stonden, waren meest afkomstig uit Frankrijk; ze lieten zich overzetten door zeelieden uit Venetië, op schepen die in Venetië waren gebouwd. Venetië had daarmee commerciële belangen in het slagen van de kruisvaart. Voor Constantinopel zelf waren de West- en Zuid-Europeanen dwergen. De enige andere stad die voor haar inwoners telde was Rome. "The Greeks wanted nothing to do with these western puppet who had promised submission to Rome." Het zou ze flink bezuren. Roger Crowley ziet de slag om Constantinopel als het begin van de opkomst van Venetië als machtige handelsstad.

De ondergang van Venetië laat Crowley samenvallen met de verovering door de Turken van het oostelijke Middellandse Zeegebied. Hier ontmoetten twee imperiale mogendheden elkaar: "the Christian and the Muslim, the sea-going merchant class concerned with trade, the continental warriors whose valuations were counted in land holdings; the impersonal republic that prized liberty, the sultanate that depended on the autocratic whim of a single man." (Dit klinkt actueel, iets als: Europa versus Rusland) Toch is de ondergang van Venetië niet veroorzaakt door de Turkse veroveringen. De werkelijke reden waren de handelsstromen die zich verlegden van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan en, via de Kaap de Goede Hoop, richting het Verre Oosten. Dankzij scheepskundige innovaties. "All the old trade routes and their burgeoning cities that had flourished since antiquity were suddenly glimpsed as baclwaters – Cairo, the Black Sea, Damascus, Beirut, Baghdad, Smyrna, the ports of the Red Sea and the great cities of the Levant, Constantinopel itself – all these threatened to be cut out from the cycles of world trade by ocean-going galleons." Winnaar bleek Lissabon, dat nu sterk begon te groeien. De historische les is dus: niet veroveringen, maar handel en innovaties zijn beslissend voor welvaart en stedelijke bloei.

Tagged with:
 

Maakbaarheidsdenken

On 26 augustus 2014, in geschiedenis, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Red Plenty’ (2010) van Francis Spufford:

In 1930 schaften de Bolsjewieken in de Sovjet Unie de universiteiten af; hun hooglerarenstaven werden door Stalin gezuiverd. Vervolgens richtten ze de universiteiten opnieuw op, nu als fabrieken – VUZy’s en VTIZ’s – waar de intellectuelen op grote schaal voor de nieuwe samenleving zouden worden klaargestoomd. Alle sociale wetenschappen gingen in de ban. Wat overbleef waren alleen de technische universiteiten en de bèta-faculteiten. Uitsluitend ingenieurs, meenden de Sovjets, waren nodig om de gewenste industrialisatie gestalte te geven, sociale wetenschappen beschouwden ze als overbodig, die werden door het Marxisme-Leninisme vervangen, of eigenlijk werden we als kritisch en staatsgevaarlijk beschouwd. Meer dan de helft van de studenten studeerde vanaf nu af op techniek; filosofie, sociologie, antropologie, ze werden vrijwel niet meer gepraktiseerd. Francis Spufford schrijft in ‘Red Plenty’ overigens dat dit paste in een bekend Russisch patroon: "The Russian intelligentsia had always been committed to modernising Russia: and what were these chimneys but modernity on the march?"

Technici regeerden vanaf nu, de economie domineerde, iedereen was optimistisch, maar verstand van de complexe maatschappij hadden de nieuwe intellectuelen niet. “It had always been prone to believing in panaceas, in ideas that could solve every problem all at once: and what was Bolshevism but the ultimate key to open all locks, the last and best and greatest system of human knowledge?” Op universiteiten werd überhaupt geen onderzoek meer gedaan, er werd daar alleen nog onderwezen. Onderzoek gebeurde in aparte instituten in wetenschapssteden – onderzoek was daar uitsluitend op valorisatie gericht. Het resultaat? Een te groot zelfvertrouwen in de samenleving, een naïef maakbaarheidsgeloof, een ongekende oplossingsgerichtheid. Er was, schreef Spufford, geen ruimte meer voor pessimisme. Door dit optimistische vooruitgangsgeloof creëerde de nieuwe ingenieurskaste op den duur grote frustraties en veroorzaakte ze hele grote maatschappelijke problemen. Economisch ging het al snel ook minder zonder dat men doorhad waardoor dit precies kwam. Zelden las ik overtuigender dat een samenleving en een economie niet kunnen functioneren zonder actieve beoefening van de sociale wetenschappen.

Tagged with:
 

Provinciaals

On 6 maart 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2012) van Lydia Hagoort:

In het najaar van 1851 maakte Samuel Sarphati een studiereis naar Brussel, Londen en Parijs. Het was het jaar van de grote Wereldtentoonstelling. Vooral Londen maakte grote indruk op de Joodse geneesheer-ondernemer. De metropool werd door tijdgenoten gezien als de stad van de toekomst. Hier aanschouwde men de ware kracht van de Industriële Revolutie. Lydia Hagoort schrijft: "Londen was de grootste en rijkste metropool ter wereld. De stad telde tweeënhalf miljoen inwoners, tweemaal zoveel als Parijs." Den Haag en Amsterdam vielen in het niet vergeleken bij de Britse hoofdstad. In Hyde Park bezocht Sarphati de wereldtentoonstelling, waar Paxton zijn reusachtige Christal Palace had gebouwd. Het glazen gebouw mat 563 meter in de lengte, 116 meter in de breedte en 33 meter in de hoogte. De Nederlandse inzending die hij er aantrof bleek beschamend, het gebouw zelf vond hij echter meer dan indrukwekkend. Sarphati ging er een aantal keren kijken. Eind oktober was hij weer terug in Amsterdam.

Door toedoen van Sarphati kreeg Amsterdam zijn Paleis voor Volksvlijt – een licht verkleinde kopie van Christal Palace. Het gebouw kwam te staan aan het Frederiksplein. Maar hoe dit gebouw te financieren? Bestaande instituties wilden er, zoals zo vaak, geen cent in steken. In de zomer van 1852 richtte Sarphati daarom een Vereniging voor Volksvlijt op. Iedereen kon er lid van worden, wat een novum was. Eind 1853 telde de vereniging al 700 leden. Uiteindelijk wilden enkele vermogende burgers borg staan voor enkele tonnen, maar daarop reageerde het gemeentebestuur niet. Eind mei 1856 gaf Sarphati aandelen uit. Er waren nu vijfduizend aandelen van tweehonderd gulden te vergeven. Een dag later was een miljoen gulden opgehaald. Twee jaar later koos de vereniging Cornelis Outshoorn als architect. Maar de plek waar het paleis moest komen te staan was gedeeltelijk in handen van het Ministerie van Defensie. Onderhandelingen tussen stad en staat verliepen traag, ook omdat PW tegenwerkte. Op 7 september 1858 kon dan eindelijk de eerste paal worden geslagen. Juni 1864 – bijna zes jaar later en na ontzettend veel gedoe – was het werk eindelijk voltooid. En wat bleek? De bouwinspecteur oordeelde het paleis te hoog.

Tagged with:
 

Hoe Heineken won

On 5 maart 2014, in economie, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 23 februari 2014:

 

Na ‘Booming Amsterdam’ – de fraaie tentoonstelling over de Gouden Eeuw en de aanleg van de grachtengordel in De Bazel – waren de verwachtingen hooggespannen. Maar ‘Heinekens Amsterdam’ in diezelfde De Bazel, op dit moment daar te zien, valt tegen. De tentoonstelling pretendeert Amsterdams Tweede Gouden Eeuw te tonen aan de hand van het korte leven van bierbrouwer Gerard Heineken (1841-1893), de grondlegger van het bierimperium aan het Weteringplantsoen. Maar wat de tentoonstelling laat zien is niet de planvorming en aanleg van het Noordzeekanaal en de haven, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, de Wereldtentoonstelling van 1884 op het Museumplein, de bouw van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal station, de enorme werkzaamheden rond de aanleg van het spoor, de drastische plannen voor de stadsuitleg. Nu ja, van alles ziet men iets, maar niet veel. Wel veel bierviltjes, etiketten, oorkondes voor bier, de opening van Die Port van Cleve. Gek, want samensteller Erik Schmitz viel het juist op dat Heikenen voortdurend ‘adressen’ stuurde naar het gemeentebestuur over de stadsuitbreiding. Waarom Heineken dat deed?

In ‘1000 jaar Amsterdam’ (2012) had Fred Feddes een fraaie kaart opgenomen van het deelplan van de noordelijke Pijp uit 1873, die echter niet getoond wordt op de tentoonstelling. Daarop prijkt brouwerij De Hooiberg van Gerard Heineken aan het nieuwe tracé van de Stadhouderskade. De bouw ervan startte in 1868, midden in de weilanden, op een stuk grond gekocht uit de boedel van Sarphati. Het deelplan was opgesteld na afwijzing van het plan Van Niftrik (1867). In Van Niftriks esthetische plan was geen plaats geweest voor een bierbrouwer op de kade. Fabrieksterreinen waren ingetekend achter de Oosterparkbuurt en achter de Staatsliedenbuurt. Van Niftrik wilde het Centraal Station op de te dempen Zaagmolensloot – de huidige Albert Cuyp -, met een entree naar de stad via het Paleis voor Volksvlijt en de Utrechtsestraat. Heineken echter won. Op de tentoonstelling zien we het latere plan-Kalff (1877). Het accepteert de brouwerij; het deelplan uit 1873 is keurig opgenomen. Het Centraal Station ligt nu in het IJ, voor het Damrak. En de Ferdinand Bolstraat is ter hoogte van De Hooiberg afgeknepen. Tot op de dag van vandaag is dat een smalle passage waar trams, voetgangers en fietsers elkaar naar het leven staan. En de nieuwe metro moet er gestapeld onderdoor.

Tagged with:
 

Tussen Berlijn en Parijs

On 2 maart 2014, in film, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in Eye te Amsterdam op 25 februari 2014:

Bijna tegen het einde van de vier uur durende film komt de geleerde Alexander von Humboldt (gastrol van Werner Herzog) langs in een koets. Hij is op weg van Parijs naar Berlijn. Onderweg doet hij het dorpje Schabbach op de Hunsrück aan waar de jonge dromer Jacob Simon in de smidse van zijn vader zijn eerste stoommachine bouwt. Het is 1843. Een oude man langs de route wijst hem de weg (kleine rol van Edgar Reitz). Jacob schrikt en vlucht de bossen in, waarop Von Humboldt een briefje achterlaat. Zijn complimenten voor de jonge onderzoeker. Het is een van de hoogtepunten in het schitterende epos ‘Die andere Heimat’ van regisseur Edgar Reitz. De film toont hoe de inwoners van het denkbeeldige dorpje Schabbach honger, uitbuiting, ziekte en dood verwerken – alledaagse verschijnselen op het Duitse platteland in het midden van de negentiende eeuw. De ontberingen worden nog op de spits gedreven als de Pruisische landadel verklaart alle sprokkelhout en vruchten van het land als haar privébezit te beschouwen. Reitz in NRC Handelsblad van 22 januari 2014: "Het was ook een tijd van sociale utopieën, denk maar aan Karl Marx. En het was een tijd van misoogsten en honger."

Jacob droomt en leest veel over Brazilië, het spreekwoordelijke paradijs waar veel van zijn ongeletterde en onwetende dorpsgenoten naartoe zullen verhuizen als de honger en het gebrek hen opbreken. Want de jonge Jacob bestudeert niet alleen stoommachines, hij leert ook indianentalen spreken. Als uiteindelijk zijn oudere broer vertrekt beschouwt hij dat als verraad. Hij had zelf willen gaan. Reitz refereert hier aan zijn eigen broer, die een specialist was in indianentalen en die vijf jaar geleden overleed. Aan hem heeft hij zijn film opgedragen. Het wanhopige gevecht van de twee broers – Jacob en Gustav – in de modder na de aankondiging van de oudste in de kerk dat ook hij en zijn vrouw naar Brazilië zullen emigreren is dan ook veelzeggend en een van de meest ontroerende scenes uit de film. Even veelzeggend was het dat niet de filosoof Marx, die destijds tussen Trier, Parijs en Londen pendelde, aan het dorp voorbijtrok, maar de ontdekkingsreiziger Von Humboldt, homo universalis en kenner van het Zuid-Amerikaanse continent. Voor Reitz geen revolutie, maar evolutie.

Tagged with:
 

Stedelijke democratie

On 3 februari 2014, in bestuur, geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

In haar biografie van Karl Marx vormt de Parijse Commune van 1871 een soort hoogtepunt. Op 1 maart waren de Pruisen de stad binnengetrokken na een maandenlange belegering, als definitieve overwinnaars. De Franse keizer Napoleon III – uitlokker van de oorlog – was daarop gevlucht. Parijs ging vervolgens ondergronds, om zich, na een maandenlange hongertijd, op de strijd voor te bereiden. Op 26 maart kiezen de inwoners hun eigen regering. Ruim tweehonderdduizend inwoners verzamelen zich de volgende dag voor het stadhuis om hun nieuwe, democratisch gekozen bestuur toe te juichen. Daar klinkt het: ‘Vive la Commune!’. De Franse regering verschool zich ondertussen in Bordeaux. Die proclameerde begin maart herstelbetalingen aan de Pruisische schuldeiser, waarvoor ze de uitgeputte Parijse bevolking keihard aansloeg. In die gemoedstoestand koos deze dus haar eigen regering.

Op 1 april opent de Franse regering het vuur op de burgers van Parijs. Parijs slaat terug. Gabriel omschrijft de Commune die vanaf 3 april volgt als één groot carnaval. Begin mei is het weer schitterend; terwijl op de achtergrond kanongebulder klinkt, eten en drinken de Parijzenaars op de Place de la Bastille een week lang hun buiken vol. Op 16 mei organiseert de schilder Gustave Courbet, lid van de door Parijs zelfgekozen regering, op het zonovergoten Place Vendome een groot feest; daar wordt het standbeeld van Napoleon met zuil en al van zijn sokkel getrokken. Op 21 mei volgt een groot concert in de Tuileries waaraan duizenden gewone mensen deelnemen. Die avond echter trekken de Franse regeringstroepen de metropool binnen en openen het vuur. Vijf dagen lang woedt er een burgeroorlog. Het Parijs van Haussmann staat in lichterlaaie. Het experiment van het Parijse zelfbestuur wordt in de kiem gesmoord. Marx, die het Commune experiment aanvankelijk maar foolish vond, raakte allengs enthousiaster. Ofschoon het nog ver afstond van zijn ‘dictatuur van het proletariaat’, zag hij in Parijs een stad die zichzelf voor het eerst werkelijk democratisch, van onderop, bestuurde. Terwijl ik de Commune altijd had vereenzelvigd met een bloedige strijd, blijkt ze zelf in werkelijkheid een vroege oefening in lokale democratie die echter nog geen twee maanden duurde.

Tagged with:
 

Wie ontwierp het AUP?

On 28 januari 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord in Laren op 20 januari 2014:


Bezoek aan Wali van Lohuizen gebracht. Van Lohuizen is emeritus-hoogleraar Urbanistiek aan de TU Eindhoven. Tegenwoordig woont hij in kunstenaarsdorp Laren, het Gooi. Zijn vader was Theo van Lohuizen, stedenbouwkundig onderzoeker bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam en vanaf 1948 hoogleraar Stedenbouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool Delft. Net als zijn vader was de zoon zijn carrière ooit begonnen bij het verkeersvraagstuk, in zijn geval bij de Nederlandse Spoorwegen. Hun benadering van het vakgebied vertoont ook grote gelijkenis: inventief, statistisch, kwantitatief, ruimtelijk. Maar dat niet alleen. We hadden het over verkeer, mobiliteit, de steden, het land. Uiteraard kwamen we ook te spreken over de vader en diens belangrijke werk in Amsterdam: de totstandkoming van het legendarische Algemeen Uitbreidingsplan van 1934.

Van Lohuizen vertelde me dat zijn vader hem ooit had ingefluisterd dat niet Cornelis van Eesteren het AUP heeft geconcipieerd, maar hijzelf. Toen Van Eesteren in Amsterdam kwam werken, nam Van Lohuizen hem mee op de fiets en toonde hem tijdens een reeks van dagtochten het omringende landschap. In het AUP is de nieuwe uitgelegde stad als het ware uitgesneden uit het polderlandschap op een wijze die inderdaad ieder detail en natuurlijk element respecteert. Die ‘’lobbenstad’ is misschien wel de grootste verdienste van het plan, in het proefschrift van Vincent van Rossem als zodanig beschreven. "Je kent toch het verschil tussen vormgeven en ontwerpen?", liet de zoon erop volgen. "In ontwerpen zit visie, in vormgeven niet." Ik begreep het en ik herinnerde me de systematische wijze waarop Van Lohuizen ook het landschap rond Rotterdam had geïnventariseerd (1927). En ik begreep ook dat Van Eesteren, afkomstig uit Alblasserdam, destijds nieuw was in Amsterdam en zo’n rondleiding door Van Lohuizen in het hem vreemde landschap moet hebben gewaardeerd. Biograaf Arnold Van der Valk citeert uit een interview met Van Eesteren: “Hij (Van Lohuizen) was een persoon met ideeen. Dus, hij bracht mij met Amsterdam in aanraking. Het wezen der dingen, dat was het hem.” Hoe zal ik het zeggen? Van Eesteren gaf op elementaire wijze vorm aan het programma dat Van Lohuizen als onderzoeker hem ontvouwde.

Tagged with: