Urban Sapiens

On 5 juni 2015, in boeken, geschiedenis, by Zef Hemel

Read in ‘Sapiens’ (2015) by Yuval Noah Harari:

Yuval Noah Harari - Sapiens: A Brief History Of Humankind

Fascinating book. The Israeli world historian Yuval Noah Harari wrote a history of human beings that will thrill you when you read it. He explains how horrible the Agricultural Revolution really was for sheep, pigs, cows and chicken, and how disastrous industrial agriculture nowadays is. It is de sacrifice we have to make for developing our cities. “Without the industrialisation of agriculture the urban Industrial Revolution could never have taken place.” But he also explains how weak homo sapiens is. Only through cooperation can he survive. What makes us cooperate? Stories! “Myths, it transpired, are stronger than anyone could have imagined. When the Agricultural Revolution opened opportunities for the creation of crowded cities and mighty empires, people invented stories about great gods, motherlands and joint stock companies to provide the needed social links.” Most human cooperation networks, he adds, were forced, they were geared towards oppression and exploitation. “All these cooperation networks – from cities of ancient Mesopotamia to the Qin and Roman empires – were ‘imagined orders’. Capitalism is a myth. Even human rights are myths. Beliefs and religion are at the core of our society. “There is no way out of the imagined order. When we break down our prison walls and run towards freedom, we are in fact running in to the more spacious exercise yard of a bigger prison.”

Harari shows how money, empires and religions spread in order to realise a global vision. Only partly he plays the true historian; in fact he loves to stirr and to forecast. So, what is our imagined order in 2015? Are there any shared stories left? We’re among strangers now. Harari thinks the state and consumerism are the new narratives. “The nation does its best to hide its imagined character.” Thanks to the state we are living in peaceful times. But consumerism takes over. Peace is profitable now. So why bother? “But are we happy?”, he asks almost desperately.  And all those animals being killed? No? What’s the benefit of capitalism if it does not make people (and animals) happier? Capitalism has no ethics. The result of capitalism is the collapse of family life and local communities. Now people are living in states and in markets. Then Harari enters the domain of ancient old wisdom, of ‘knowing thyself’, of buddhist meditation practices, etcetera. The last chapter is about the future, biotechnology, singularity, science fiction. He is afraid human being are behaving irresponsible, he thinks they feel like gods. What do we want to want, he tells us, is far more important than what do we want to become. No words on cities however, or wealth and fortunes of city life. Harari missed that one.

Tagged with:
 

Civics

On 10 februari 2015, in geschiedenis, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pioneers in British Planning’ (1981) van Gordon Cherry (ed):

 

632

 

Onlangs een lezing gegeven in Geneve, aan de universiteit, over open planning. In de zaal werd na afloop de vergelijking gemaakt met het werk van de Schotse bioloog, socioloog en planner Patrick Geddes (1854-1932). Veel opgeschoten, concludeerde ik, zijn we dus niet. Hoewel je de opmerking van de Zwitserse dame in het publiek ook positief kon opvatten. Enerzijds doelde ze op de brede evolutionaire, quasi-theoretische benadering van Geddes van het vakgebied die ik de zaal kennelijk voorhield en die de afgelopen decennia inderdaad verloren is gegaan, anderzijds de hele praktische experimenten waarmee hij en ik die benadering onderbouw(d)en. Ook die combinatie van beide komt nauwelijks nog voor, gescheiden als de academische wereld is van de planologische praktijk. Het is juist wat mij begin jaren ‘80 in het oeuvre van Geddes zo aantrok en wat me destijds deed besluiten het schrijven van een proefschrift te combineren met werken in de planologische praktijk. Ik heb er nog altijd geen spijt van.

In ‘’Pioneers in British Planning’ schreef Helen Meller ooit een essay over het leven en werk van Patrick Geddes. Ze typeerde hem als een zeer bevlogen generalist die geen aanvoerder van een beweging (van overwegend specialisten) kòn zijn. Geddes, werkzaam in Edinburgh – het ‘Athene van het Noorden’ -,  geloofde ook niet in politiek en meende dat alleen met concrete economisch-ruimtelijke interventies verbetering kon worden gebracht in de lot van mensen. Zijn Kropotkin-achtige voorstellen tot wederzijdse hulp werden vaak geridiculiseerd, zelfs zijn vrienden en collega’s plaagden hem erom. Maar hij had ook fans. “His enthousiasm was infectuous but he chose emotional rather than intellectual methods to convert the world to the socio-biological eutopia of social reconstruction.” Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trok hij teleurgesteld naar India, later naar Israel, om in de slums de armen bij te staan met praktische adviezen. Bij terugkeer in 1916 trof hij de jonge Amerikaan Lewis Mumford als leerling, maar ook die ging later een andere weg. Onder Nederlandse planners staat Geddes vooral bekend om zijn pleidooi voor ‘survey before plan’. Ach ja.

Tagged with:
 

Glas, licht, abstractie

On 19 januari 2015, in geschiedenis, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Kriterion, Amsterdam, op 3 januari 2015:

Aerial view of Crystal Palace

De verschijning van de film ‘Mr. Turner’ van Mike Leigh valt samen met de tentoonstelling ‘Late Turner’ in Tate Britain, Londen. De film is schitterend, de tentoonstelling vermoedelijk ook. De film geeft een indringend beeld van de grote schilder van de Romantiek. Joseph Mallord William Turner (1775-1851) leefde en werkte in Londen. Maar hij was vooral veel op reis, hij ging naar Amsterdam om Rembrandt en Ruysdael te zien, Antwerpen (voor Rubens), Parijs (naar werken van zijn grote voorbeeld Claude Lorraine), Rome, Florence en Venetië. In Londen was hij opgenomen in de gemeenschap van kunstenaars binnen de dan juist opgerichte Royal Academy of Arts: hij ontmoette er John Ruskin, John Soane, John Nash, Joseph Constable en anderen. De Royal Academy bleek een broedplaats van talent, een plek van uitwisseling van ideeën, juist op het moment dat Napoleon verslagen wordt en het Britse imperium zijn almacht vestigt. Thuis, in Harley Street, later in Queen Ann Street West, had hij op de bovenverdieping bovendien een eigen galerie waar hij zijn schilderijen aan intimi tentoonstelde. Zijn verfpoeder, soms afkomstig uit Afghanistan, kocht zijn vader voor hem om de hoek.

De Engelse landschapsschilder, vooral bekend van zijn atmosferische zeezichten, zou je niet snel met de grote metropool associëren. Toch was Turner een kind van de vooruitgang en de industriële tijd en had hij grote interesse voor stoomtreinen, natuurkunde, fotografie, prisma, Beethoven, allemaal stedelijke innovaties. In zowel de film als de tentoonstelling wordt hier ook sterk de nadruk op gelegd. Boodschap: Turner was een vernieuwer, een ziener en een voorloper. Zijn schilderijen werden op het einde van zijn leven ook steeds lichter, helderder. Van ‘rain, steam and speed’ gaat het naar ‘glas, licht, abstractie’.  Helemaal op het eind van de film, tevens het eind van zijn leven, keert de schilder uitgeput terug van een wandeling door de grote stad. Hij was, vertelde hij, opnieuw in Hyde Park geweest. Wat hij er precies had gezien, wordt niet geheel duidelijk, maar het was iets groots van staal en glas dat daar werd gebouwd. Het moet Christal Palace van Joseph Paxton zijn geweest, het reusachtige gebouw van glas en staal dat in 1851 ‘s werelds eerste Wereldtentoonstelling zou huisvesten. Het wond hem danig op. De opening ervan heeft de schilder niet meer meegemaakt. Op zijn sterfbed waren zijn laatste woorden: ‘The Sun is God’.

Tagged with:
 

Stedenbouw begrijpen

On 4 november 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 27 oktober 2014:

Book cover 'Atlas of the Functional City'

Op het symposium bij de presentatie van de ‘Atlas of the Functional City’, afgelopen dinsdag in een steenkoude kerk in Rotterdam, spraken overwegend kunsthistorici. Hun lezingen gingen over het legendarische vierde congres van C.I.A.M. (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) dat in de zomer van 1931 was gehouden tijdens een boottocht tussen Marseille en Athene. Het eerste exemplaar van het vuistdikke boek, gesponsord onder andere door de EFL-stichting, werd vlak voor de pauze in ontvangst genomen door Titia Frieling, de weduwe van stedenbouwkundige Dirk Frieling. In haar dankwoord herinnerde ze aan de bijzondere werkwijze van de architecten die zich destijds verzameld hadden op het schip. Van Eesteren had er haar en haar man veel over verteld. Architecten uit vele landen werkten er samen, hun vergelijkend onderzoek naar steden vond plaats in een informele, kameraadschappelijke sfeer. Diezelfde coöperatieve werkwijze had ze later ook aangetroffen in Nederland Nu Als Ontwerp en nog weer later in De Nieuwe Wibaut.

Kunsthistorici zijn niet in werkwijzen geïnteresseerd. Hen interesseren alleen de kaarten. Gregor Harbusch uit Zürich sprak over de stadsanalyses, de Berlijnse historicus Thomas Flierl over Moskou, waar het congres oorspronkelijk had moeten plaatsvinden, Lara Voerman over de technische realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Vincent van Rossem, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, over de invloed van Fritz Schumacher op het denken van Cornelis van Eesteren (‘Eerst denken, dan pas ontwerpen’). Na afloop van de lezingen volgde discussie. Gevraagd werd naar de communicatie rond het congres. Wat kwam er naar buiten? Het was een vraag waar de sprekers niet goed raad mee wisten. Ook op de vraag naar nieuwe inzichten die het negatieve imago van de functionele stedenbouw zouden kunnen bijstellen kwam geen respons. Ten slotte volgde een vraag over de bewoners. Waren zij door de architecten van CIAM ooit gehoord? Doodse stilte. Voerman vertelde over persoonlijke brieven van Van Eesteren, gevonden in de archieven, met burgers die over stof en zand hadden geklaagd. Van Rossem vond dit onzin. Volgens hem was stedenbouw zo ingewikkeld dat gewone burgers er toch niets van begrepen. Hoezo niet begrijpen? Kunsthistorici begrijpen niets van planning.

Tagged with:
 

Heilige steden

On 9 oktober 2014, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New York Review of Books’ van 25 september 2014:

Wat Islamitische Staat (IS) aan gruwelijks doet in Irak en Syrië is historisch gezien helemaal niet zo ongewoon. Ik las het in de New York Review of Books. Had het nog niet zo bekeken. In ‘Iraq: The Outlaw State’ recenseerde Max Rodenbeck een viertal boeken over de politieke toestand in Irak. Rodenbeck is hoofd van het Midden Oostenbureau van The Economist in Cairo, Egypte. Na een aantal recente gruwelijkheden in het Kalifaat te hebben opgesomd komt hij in zijn artikel met de observatie dat dergelijke wreedheden door de lokale bevolking gezien worden als “a talisman of godlike power and an advertisement of worldly success.” Messianistische wreedheden die al eeuwenlang de beschavingen in dit gebied domineren. Rond Mosul, voegt hij er fijntjes aan toe, bevinden we ons tussen de ruïnes van de oudste heilige steden ter wereld, die van Niniveh en Nimrud bijvoorbeeld.

Honderden jaren heerste hier het Assyrische rijk, dat wil zeggen dat rijk heerste over de vruchtbare oevers van de Tigris en Eufraat, “a span of flat, semiarid, and hard-to-defend terrain that is possibly the most often fought-over patch of real estate on the planet.” De contouren van dit gebied komen vrijwel overeen met die van het nieuwe kalifaat. Assiries rivaal was destijds Babylon, dat zuidelijk van het latere Bagdad de gehele rivierdelta besloeg. Rodenbeck: “What stands out in the iconography of the Assyrian kingdom is its unusually frequent and detailed depiction of extreme violence.” Wie ervan wil kennisnemen moet naar het British Museum in Londen, waar een hele galerij is gewijd aan de macabere rituelen in het paleis van Ashurbanipal in Niniveh. Ook de Mongolen gingen zich later te buiten aan extreem geweld. In 1258 en later in 1401 moordden ze de hele bevolking van Bagdad uit, waarbij ze de lijken voor de poorten hoog optastten. En nadat de Amerikanen datzelfde Bagdad hadden gebombardeerd, veranderde de stad op slag in een serie monochrome sektarische blokken, onderling gescheiden door betonnen muren, waar mensen elkaar naar het leven staan en waar moorden een dagelijks ritueel is geworden.

Tagged with:
 

450 jaar winkelen

On 26 september 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het winkellandschap van Amsterdam’ (2004) van Clé Lesger:

De aanleiding was de tijdelijke afsluiting door de politie van de Amsterdamse Kalverstraat vanwege de drukte afgelopen zomer. Vanuit de winkels konden de mensen de straat niet meer op. Het blad Folia interviewde hierover onlangs Clé Lesger, docent economische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen voorjaar verscheen van zijn hand een geschiedenis van het ‘winkellandschap’ van Amsterdam. Hoe dat nou toch zat met die Kalverstraat. Al sinds de zeventiende eeuw is de Kalverstraat de belangrijkste winkelstraat van Amsterdam, antwoordde Lesger. Er wordt daar al 450 jaar gewinkeld en het is er altijd heel erg druk geweest. Maar tijdens de bouw van de groeikernen en de gedwongen overloop eind jaren zestig begon het verval en zochten de winkeliers een goed heenkomen in de PC Hooftstraat, dicht bij hun klantenkring. Lesger: "In 1974 stond in de Kalverstraat een kwart van de panden leeg, waar dumphandelaren met goedkope kleding handig gebruik van maakten." De straat, aldus de historicus, leek toen ten dode opgeschreven.

De nieuwe uitbaters van de Kalverstraat richtten zich op een jong publiek. Terwijl hun ouders in auto’s een parkeerplek zochten in Amstelveen, Hoofddorp of Almere, namen de kinderen het vervallen centrum van Amsterdam in bezit. De jeugd herontdekte de binnenstad, het waren zeker niet de ouderen. (Die laatsten zien het daar nog altijd niet zitten). Nu vestigen zich aan en rond de Kalverstraat de grote internationale ketens en bezwijkt de straat bijna onder het vele jonge publiek. Met de opening van de Noord-Zuidlijn wordt het er straks nog veel drukker. Maar het patroon verandert niet. De Dam en de oude rivierdijken blijven het hoofdwinkelgebied. In ‘Het winkellandschap van Amsterdam’ schrijft Lesger hierover: “Het is dit in het prestedelijke landschap verankerde en in al die eeuwen nauwelijks veranderde stratenpatroon in het hart van de stad, dat aan de basis staat van het Amsterdamse bewinkelingspatroon.” Lesger hoopt maar dat de gemeente nu niet gaat breken. Juist de nauwte, die beschutting geeft, maakt de straat heel aantrekkelijk. "Ze is vlak en meandert lekker, waardoor het er windstil is. Dat maakt haar nu eigelijk nog net zo comfortabel als eeuwen geleden." Goed gezien. De gemeente zou zijn boek moeten lezen.

Tagged with:
 

Na het Modernisme

On 1 september 2014, in geschiedenis, hoogbouw, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Acquiring Modernity’ (2014):

Het paviljoen van Koeweit op de Architectuur Biënnale van Venetië zelf maakte geen grote indruk op me. De publicatie des te meer. In ‘Acquiring Modernity’ blikt de oliestaat aan de Perzische Golf terug op honderd jaar Modernisme in de regionale architectuur, precies zoals curator, Rem Koolhaas, de betrokken landen had gevraagd te doen. In de uitgebreide brochure bij de tentoonstelling valt goed na te lezen waaruit die bijdrage in Koeweit zoal bestond. Een van de artikelen is van de hand van Hassan Hayat en geeft een overzicht van de ontwikkeling van Koeweit Stad. In ‘The Unfinished City’ beschrijft hij nauwgezet en openhartig hoe deze stad van vier miljoen inwoners sinds de onafhankelijkheid in 1961 het Britse masterplan uit 1951 van Minoprio, Spencely and MacFarlane overboord zet en, na de vondst van olie, inzet op ongeremde expansie. Het nieuwe plan uit 1971 stelt de vernietiging van de oude stad voor en de bouw van een nieuwe hoofdstad. Ontwerp: Colin Buchanan and Partners.

De expansie van Koeweit stad valt samen met het Pan-Arabisme. Hayat: "Ministries and government entities divide multi-million dinar projects under their supervision. Within their internal structures, power fragments into a bureaucratic orgy of executives, vice executives, chief executives, deputy general managers, and vice general managers, so that the ultimate decision-making is paused and projects become unmanageable." Maar dat niet alleen. De oliecrises van 1973 en later gooien roet in het eten; de uitvoering van het tweede masterplan loopt hierdoor spaak. Ze worden gevolgd door de revolutie in Iran in 1979, uitmondend in de oorlog tussen Irak en Iran. In 1982 belandt Koeweit in een hevige recessie. En dan, in augustus 1990, vallen tot overmaat van ramp de Iraki’s het golfstaatje binnen. Koeweit stad wordt hevig gebombardeerd. "As Kuwait recovered from the Invasion, the Gulf region boomed. Globalism crept its way into people’s homes through their televisions, Internet, and pop culture. Dubai and Quatar dominated regional and global media, offering a strong vision of what the future could be." Koeweit stad doet echter niet mee. Hoogbouw blijft uit. Waarom? Hayat: "In the confusion of an erased past and loud regional and local influences, the various subcultures that made up Kuwait each wanted their presence to be seen and felt in the built environment." Voor Hayat staat het vast. Niet langer moet het oude vervangen worden door het nieuwe. Het Modernisme is voorgoed voorbij. "Rather than importing yet another Master Plan, one should be developed locally, allowing the people to take part in shaping Kuwait of Tomorrow." Wat zeg ik? Indrukwekkend.

Tagged with:
 

Het belang van innovaties

On 29 augustus 2014, in geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘City of Fortune’ (2011) van Roger Crowley:

Kun je van de geschiedenis leren? Deze vakantie las ik Roger Crowley’s ‘City of Fortune’. In het jaar 1203 telde Constantinopel (het huidige Istanbul) liefst vierhonderd- tot vijfhonderdduizend inwoners. De stad was daarmee veruit de grootste metropool van de hele Christelijke wereld. Ter vergelijking: Parijs en Venetië telden elk niet meer dan zestigduizend inwoners. "They looked on Constantinopel for a long time because they could scarcely believe there could be such an enormous city in all the world," schreef Villehardouin, die doelde op de kruisvaarders die in 1203 begonnen waren aan de vierde kruisvaart. De kruisridders, die voor de poorten van Constantinopel stonden, waren meest afkomstig uit Frankrijk; ze lieten zich overzetten door zeelieden uit Venetië, op schepen die in Venetië waren gebouwd. Venetië had daarmee commerciële belangen in het slagen van de kruisvaart. Voor Constantinopel zelf waren de West- en Zuid-Europeanen dwergen. De enige andere stad die voor haar inwoners telde was Rome. "The Greeks wanted nothing to do with these western puppet who had promised submission to Rome." Het zou ze flink bezuren. Roger Crowley ziet de slag om Constantinopel als het begin van de opkomst van Venetië als machtige handelsstad.

De ondergang van Venetië laat Crowley samenvallen met de verovering door de Turken van het oostelijke Middellandse Zeegebied. Hier ontmoetten twee imperiale mogendheden elkaar: "the Christian and the Muslim, the sea-going merchant class concerned with trade, the continental warriors whose valuations were counted in land holdings; the impersonal republic that prized liberty, the sultanate that depended on the autocratic whim of a single man." (Dit klinkt actueel, iets als: Europa versus Rusland) Toch is de ondergang van Venetië niet veroorzaakt door de Turkse veroveringen. De werkelijke reden waren de handelsstromen die zich verlegden van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan en, via de Kaap de Goede Hoop, richting het Verre Oosten. Dankzij scheepskundige innovaties. "All the old trade routes and their burgeoning cities that had flourished since antiquity were suddenly glimpsed as baclwaters – Cairo, the Black Sea, Damascus, Beirut, Baghdad, Smyrna, the ports of the Red Sea and the great cities of the Levant, Constantinopel itself – all these threatened to be cut out from the cycles of world trade by ocean-going galleons." Winnaar bleek Lissabon, dat nu sterk begon te groeien. De historische les is dus: niet veroveringen, maar handel en innovaties zijn beslissend voor welvaart en stedelijke bloei.

Tagged with:
 

Maakbaarheidsdenken

On 26 augustus 2014, in geschiedenis, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Red Plenty’ (2010) van Francis Spufford:

In 1930 schaften de Bolsjewieken in de Sovjet Unie de universiteiten af; hun hooglerarenstaven werden door Stalin gezuiverd. Vervolgens richtten ze de universiteiten opnieuw op, nu als fabrieken – VUZy’s en VTIZ’s – waar de intellectuelen op grote schaal voor de nieuwe samenleving zouden worden klaargestoomd. Alle sociale wetenschappen gingen in de ban. Wat overbleef waren alleen de technische universiteiten en de bèta-faculteiten. Uitsluitend ingenieurs, meenden de Sovjets, waren nodig om de gewenste industrialisatie gestalte te geven, sociale wetenschappen beschouwden ze als overbodig, die werden door het Marxisme-Leninisme vervangen, of eigenlijk werden we als kritisch en staatsgevaarlijk beschouwd. Meer dan de helft van de studenten studeerde vanaf nu af op techniek; filosofie, sociologie, antropologie, ze werden vrijwel niet meer gepraktiseerd. Francis Spufford schrijft in ‘Red Plenty’ overigens dat dit paste in een bekend Russisch patroon: "The Russian intelligentsia had always been committed to modernising Russia: and what were these chimneys but modernity on the march?"

Technici regeerden vanaf nu, de economie domineerde, iedereen was optimistisch, maar verstand van de complexe maatschappij hadden de nieuwe intellectuelen niet. “It had always been prone to believing in panaceas, in ideas that could solve every problem all at once: and what was Bolshevism but the ultimate key to open all locks, the last and best and greatest system of human knowledge?” Op universiteiten werd überhaupt geen onderzoek meer gedaan, er werd daar alleen nog onderwezen. Onderzoek gebeurde in aparte instituten in wetenschapssteden – onderzoek was daar uitsluitend op valorisatie gericht. Het resultaat? Een te groot zelfvertrouwen in de samenleving, een naïef maakbaarheidsgeloof, een ongekende oplossingsgerichtheid. Er was, schreef Spufford, geen ruimte meer voor pessimisme. Door dit optimistische vooruitgangsgeloof creëerde de nieuwe ingenieurskaste op den duur grote frustraties en veroorzaakte ze hele grote maatschappelijke problemen. Economisch ging het al snel ook minder zonder dat men doorhad waardoor dit precies kwam. Zelden las ik overtuigender dat een samenleving en een economie niet kunnen functioneren zonder actieve beoefening van de sociale wetenschappen.

Tagged with:
 

Provinciaals

On 6 maart 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2012) van Lydia Hagoort:

In het najaar van 1851 maakte Samuel Sarphati een studiereis naar Brussel, Londen en Parijs. Het was het jaar van de grote Wereldtentoonstelling. Vooral Londen maakte grote indruk op de Joodse geneesheer-ondernemer. De metropool werd door tijdgenoten gezien als de stad van de toekomst. Hier aanschouwde men de ware kracht van de Industriële Revolutie. Lydia Hagoort schrijft: "Londen was de grootste en rijkste metropool ter wereld. De stad telde tweeënhalf miljoen inwoners, tweemaal zoveel als Parijs." Den Haag en Amsterdam vielen in het niet vergeleken bij de Britse hoofdstad. In Hyde Park bezocht Sarphati de wereldtentoonstelling, waar Paxton zijn reusachtige Christal Palace had gebouwd. Het glazen gebouw mat 563 meter in de lengte, 116 meter in de breedte en 33 meter in de hoogte. De Nederlandse inzending die hij er aantrof bleek beschamend, het gebouw zelf vond hij echter meer dan indrukwekkend. Sarphati ging er een aantal keren kijken. Eind oktober was hij weer terug in Amsterdam.

Door toedoen van Sarphati kreeg Amsterdam zijn Paleis voor Volksvlijt – een licht verkleinde kopie van Christal Palace. Het gebouw kwam te staan aan het Frederiksplein. Maar hoe dit gebouw te financieren? Bestaande instituties wilden er, zoals zo vaak, geen cent in steken. In de zomer van 1852 richtte Sarphati daarom een Vereniging voor Volksvlijt op. Iedereen kon er lid van worden, wat een novum was. Eind 1853 telde de vereniging al 700 leden. Uiteindelijk wilden enkele vermogende burgers borg staan voor enkele tonnen, maar daarop reageerde het gemeentebestuur niet. Eind mei 1856 gaf Sarphati aandelen uit. Er waren nu vijfduizend aandelen van tweehonderd gulden te vergeven. Een dag later was een miljoen gulden opgehaald. Twee jaar later koos de vereniging Cornelis Outshoorn als architect. Maar de plek waar het paleis moest komen te staan was gedeeltelijk in handen van het Ministerie van Defensie. Onderhandelingen tussen stad en staat verliepen traag, ook omdat PW tegenwerkte. Op 7 september 1858 kon dan eindelijk de eerste paal worden geslagen. Juni 1864 – bijna zes jaar later en na ontzettend veel gedoe – was het werk eindelijk voltooid. En wat bleek? De bouwinspecteur oordeelde het paleis te hoog.

Tagged with: