Catwalk in de favela

On 31 december 2013, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 26 oktober 2013:

Rocinha is de grootste sloppenwijk van Brazilië en ligt in het zuiden van Rio de Janeiro, op heuvels en met uitzicht op zee. Er wonen zo’n 300.000 armoedzaaiers, al kwam de officiële volkstelling in 2010 niet verder dan 70.000. In 2011 werd hier door het leger orde op zaken gesteld na een zich eindeloos voortslepende drugsoorlog die de favela een slechte naam had bezorgd – de zogenaamde ‘pacificatie’. Sindsdien wordt er weer dagelijks afval opgehaald, er zijn medische posten geopend en vorig jaar werden een grote bibliotheek en een groot sportcomplex in Rocinha gebouwd. Dit jaar opende een metrostation pal voor de ingang van de wijk en volgend jaar begint McDonalds in de favela een vestiging. Een eenheid van ruim vierhonderd agenten is in de wijk gestationeerd. Beroemdheden die Brazilië bezoeken en hun sociale gezicht willen tonen brengen doorgaans enkele uren door in Rocinha voor een photo shoot. Rocinga lijkt daardoor de internationale lakmoesproef voor de Braziliaanse regering. Inderdaad, Rio maakt zich op voor de Olympische Spelen.

Interessant is vooral wat buiten de schijnwerpers van de internationale pers in Rocinha gebeurt. Zo schreef Nina Jurna onlangs in Het Parool over de fotograaf Jean Ribeiro die meiden in de favela fotografeert. Zelf afkomstig uit Rocinha had Ribeiro het fotograferen geleerd van een bekende Braziliaanse fotograaf die hem in de gevangenis waar hij vast zat wegens drugshandel zijn diensten had aangeboden wanneer hij vrijkwam. Ribeiro was op zijn aanbod ingegaan en was na zijn vrijlating een modellenbureau in de favela begonnen: “Waarom kan een meisje uit Ricinha geen model of actrice worden? Mijn droom is dat één van mijn modellen doorbreekt. Wie weet lukt het ooit een soapster uit onze wijk voort te brengen.” Doordat het op straat veiliger is hoeft hij niet langer vanaf daken te fotograferen. Er komen ook steeds meer kledingwinkels, schoonheidssalons en restaurants in de wijk, dus de vraag naar modellen neemt toe. Zijn zaken lopen steeds beter. Ribeiro droomt zelfs van een catwalk midden in Rocinha. Zo groeit de lokale economie in deze zinderende metropool van ruim zes miljoen inwoners: van onderop. Ik wens u een gelukkig 2014!

Tagged with:
 

Twee New Yorkse vrouwen

On 20 november 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:

Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.

Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.

Tagged with:
 

Uitwassen van de stad

On 3 oktober 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien op zondag 27 september in Amsterdam:

Met de kinderen naar FOAM geweest. We gingen voor de familie-albums van Erik Kessels. Die waren vrolijk en ontroerend. Toen liepen we door. Zo belandden we, via het werk van de Amerikaanse fotografe Alex Prager, in een tentoonstelling van werk van oud-studenten van de Rijksacademie, getiteld ‘RE-search’. Twee werken hadden betrekking op steden. Het ene was van Gert Jan Kocken. Zijn gecombineerde oorlogskaart van Amsterdam kende ik al. Nu hingen er liefst twee reusachtige combikaarten van Berlijn anno 1945. Op de ene stonden de Duitse en Amerikaanse aanvallen afgebeeld, op de andere alle Russische aanvallen op het einde van de oorlog. Leesbaarheid vereiste dat ze gescheiden werden getoond. ‘Depictions of Berlin’ greep me het meeste aan. Waarom weet ik niet. Misschien omdat Kocken het megalomane plan voor Germania van Albert Speer op schaal, in rode verf, in de kaart had gemonteerd. Ineens begreep ik de strekking van dit plan. Maar ook de ‘Judenfreie Gebiete’ en de verdeling in sectoren volgens de conferentie van Jalta waren te zien. En ten slotte de verwoestingen als gevolg van de bombardementen. Op dit moment werkt Kocken aan een oorlogskaart van Rome, de bakermat van het fascisme. Het is kil, registrerend en gruwelijk werk.

Het andere werk bracht stadsnatuur in kaart. Het is van Sema Bekirovic en Lotte Geeven en heet ‘Ikebana City’. Ditmaal was hun atelier nagebouwd, volgestouwd met planten en stukken natuur in vazen, schalen en kommen. Het geheel toonde ‘de natuurlijke uitwassen van de stad’. “We wandelen elke dag tientallen kilometers. Dan kwamen we dingen tegen zoals planten die tegen een muur vol graffiti stonden. En per ongeluk in allerlei kleuren waren gespoten maar ondertussen vrolijk aan het doorgroeien waren. Dat is de focus van Ikebana. Planten die in symbiose met de mens een eigen plekje vinden in de stad.” De kunstenaars verzamelden de planten en maakten er stillevens mee. Die fotografeerden ze en hingen er posters van op de plaatsen waar ze de planten hadden aangetroffen. Een vorm van ‘street art’, maar nu in een fotografiemuseum aan de Keizersgracht geëtaleerd. Stadskunst. Street art. RE-search. Uitwassen van de stad.

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Random knowledge

On 1 maart 2012, in boeken, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Volkskrant Magazine van 11 februari 2012:

Mooi interview in Volkskrant Magazine met voormalig persfotograaf Hans Aarsman, zoon van slager Aarsman aan de Hoofdweg in Amsterdam-West. Eerst scheikunde gestudeerd, later Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Kortstondig lesgegeven. Daarna reikte een vriend hem een camera aan. Toen was hij verkocht. Sindsdien fotografeert hij, of liever: hij leest, selecteert en interpreteert (‘ontrafelt’) tegenwoordig foto’s – er komen bij hem tienduizend foto’s per dag binnen – waarmee hij een collectie foto’s aanlegt, de Aarsman Collectie. Dat gaat als volgt: glamour en sport gooit hij er snel uit; dan houdt hij nog zo’n drie- tot vierduizend foto’s over; die ziet hij stuk voor stuk. “Op dat moment staan mijn hersenen in de selectiestand. Dan heb ik geen ruimte om te associëren. Daar moet echt tijd tussen zitten. Het liefst een nacht. De volgende ochtend loop ik in mijn hoofd het lijstje van vijf of zes kandidaten door. Half soezend komen bij mij de beste gedachten boven.” Om de selectie te kunnen maken leest hij veel, allemaal non-fictie. “Ik verzamel random knowledge. Wetenswaardigheden waarvan je nooit weet of ze ooit van pas zullen komen, maar die je intussen toch maar even meepikt.” Aarsman lijkt zo weggelopen uit een roman van Paul Auster, een typische grootstedelijke figuur – zelf noemt hij zich ‘fotodetective’ -, want zijn werk is niet in te delen, het is hooggespecialiseerd, om niet te zeggen zeer persoonlijk, uniek. Zo te leven kan alleen in een metropool.

Aarsman houdt van auto’s, maar zelf heeft hij er geen. Wel staat er een Daimler in zijn garage; die is van een vriend. “Hij rekende het ooit precies uit: als je de uren die je moet werken om een auto te bekostigen optelt bij de uren die je erin rijdt, ben je met de fiets altijd sneller.” Het is een mooie rekensom, maar wel goed gejat. Henry Thoreau rekende in ‘Walden’ (1854) zijn lezers ooit voor dat reizen te voet het snelste gaat, veel sneller dan met de trein. Van Concord naar Fitchburg bijvoorbeeld. “Veronderstel dat we willen proberen wie daar het eerst aankomt; de afstand is dertig kilometer en het kaartje kost negentig dollarcent, dat is bijna een dagloon. Wel, ik begin nu te voet en arriveer vóór de nacht want ik heb zulke afstanden wel een week achter elkaar afgelegd. U ondertussen zult eerst de reiskosten moeten verdienen, als u tenminste het geluk hebt nu werk te vinden, en u zult daar de volgende dag aankomen of op zijn best vanavond. In plaats van naar Fitchburg te reizen moet u hier het grootste deel van de dag werken. Op die manier zou ik, als de spoorlijn rond de aarde ging, u steeds voor blijven.” Zou Aarsman ‘Walden’ hebben gelezen? Het is non-fictie. En Auster? Da’s fictie, nee.

Tagged with:
 

Reis naar het Westen

On 1 juni 2011, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in Groningen op 25 mei 2011:

Chi Peng (1981) is een jonge Chinese kunstenaar. Hij is alleenstaand, enig kind en ook nog eens homosexueel. Hij leeft in Beijing. Zijn fotowerk – Me, Myself and I – is te zien in het Groninger Museum. Ik was er afgelopen week. De reusachtige kleurrijke werken zijn onmiskenbaar Chinees: beelden van de metropool intelligent gefotoshopt, dilemma’s van eenzaam opgroeien in een snel urbaniserende wereld, intrigerend, vervreemdend, herkenbaar werk. Tegelijk refereert het moderne fotowerk aan een oud Chinees verhaal over een Aap-Koning en diens reis naar het Westen. De Amerikaanse kunstcritica Barbara Pollock schrijft in Saatchi Online dat Chi Peng werkt vanuit zijn woonkamer. “Of course, Chi Peng, like so many modern artists today, has no workroom. Just a computer stationed in a corner of his living room. It is on this illuminated screen that he is able to conjure up all sorts of landscapes.” Mooi voorbeeld van democratisering van de kunst: zelfs een atelier heeft de kunstenaar niet meer nodig. Alle techniek is binnen het bereik van het individu.

Nog intrigerender vond ik het museum zelf. Het nieuwe Groninger Museum van de Italiaanse kunstenaar Alessandro Mendini staat er nu vijftien jaar. Het trekt jaarlijks zo’n 150.000 tot 250.000 bezoekers. Onlangs heropende het na een grondige, acht maanden durende renovatie. Kosten: 6,5 miljoen euro. Het museum staat opgesteld in een zwaaikom van een kanaal tegenover het station. Het is zo opvallend en afwijkend van zijn verder eenvoudige omgeving dat het onmiskenbaar doet denken aan een interventie van een regionaal despoot: een plaatselijke schatrijke prins, graaf of hertog die uit Italië een bouwheer ontbood om voor hem een krankzinnig paleis te ontwerpen. Nog wonderlijker werd het toen ik, eenmaal binnen, het museummagazine kocht in de verwachting daarin iets over Chi Peng te zullen aantreffen. Niets was minder waar. In plaats van over Beijing werd er ‘’Het Onbekende Rusland’ uit de doeken gedaan: artikelen over Armenië, Moskou en Oezbekistan. Het bleek verschenen ter gelegenheid van de openingstentoonstelling, tevens vijfde tentoonstelling in Groningen over Rusland. Wat heeft Groningen met China en Rusland uit te staan? Vanwaar deze interesse voor grootstedelijke, internationale en ook wel exotische thema’s? En waarom moeten we naar het Noorden afreizen om deze Reis naar het Westen te kunnen zien? Ineens begreep ik het! Aardgas.

Tagged with:
 

In the street

On 16 november 2008, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gezien in het FOAM te Amsterdam op 16 november 2008:

FOAM, het fotomuseum aan de Keizersgracht te Amsterdam, toont met ‘In the street’ een indrukwekkend overzicht van Helen Levitt’s zwart-wit fotografie uit de jaren veertig en kleurenfoto’s uit de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw – het merendeel hedendaagse afdrukken en enkele minuscule vintage prints uit de vroegere periode. Levitt wist het leven van vooral de lage sociale klasse knap te vangen. Zijzelf, geboren in 1913, leeft tot op de dag van vandaag een teruggetrokken bestaan ergens in New York. Haar werk ademt helemaal The Big Apple zoals de stad ooit was. Haar werk refereert aan dat van Jane Jacobs, die vorig jaar, ook op hoge leeftijd, overleed. Beiden waren gefascineerd door het alledaagse straatleven in de grote stad New York. Jacobs beklaagde zich over het feit dat het rijke straatleven in korte tijd was verdwenen. Dat was, schreef ze in 1961, allemaal de schuld van de stedenbouwkundigen. Zij hadden onvoldoende oog gehad voor het veelkleurige sociale verkeer op de trottoirs en teveel ruimte gemaakt voor de auto. Levitt illustreert het verlies treffend in haar fotografie. Je wordt er nostalgisch van. Vooral met de vijftien minuten durende film ‘In the street’ uit 1948 laat zij haarfijn zien hoe ouderen en vooral kinderen de stadsstraten bevolkten, hoe ze speelden en onbekommerd achter elkaar aanjoegen over stoepen en trottoirs. Dat leven is niet meer. Het is inderdaad allemaal de nek omgedraaid door de auto.

Dat straatleven kunnen we terugwinnen als we de Amsterdamse binnenstad weer autovrij maken. De lucht boven de stad zou weer opklaren. De stad zou fors bijdragen aan reductie van CO2. Maar het belangrijkste is: de stad zou weer een rijk sociaal leven krijgen. En je zou de kinderen weer kunnen horen spelen. Op straat.

Tagged with:
 

De lat hoger leggen

On 24 september 2007, in economie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 15 september 2007:

De Amsterdamse fotograaf Kadir van Lohuizen won onlangs in Perpignan de prestigieuze Visa d’Or voor zijn reportage uit Tsjaad. Samen met de World Press Photo is de Visa d’Or de belangrijkste fotoprijs in de wereld. Zijn reportage verscheen indertijd in Le Monde. Een echte wereldspeler dus, die Van Lohuizen, een groot talent. Hoe verhoudt hij zich tot de Amsterdamse ‘creatieve industrie’, waarvan hij immers deel uitmaakt? En kunnen we vanuit zijn specifieke situatie geredeneerd uitspraken doen over het beleid of tenminste over de condities waaronder zijn talent kon opbloeien?

Van Lohuizen woont op een woontjalk op de Kromme Waal, nabij de Montelbaanstoren. Op een mooie plek dus en geen dure, ruime ontwikkelaarswoning dus, maar een boot. Zijn kantoortje was lange tijd boven de redactie van De Groene Amsterdammer, aan het Frederiksplein, gevestigd. Het was een eenvoudige zolderruimte, volgestouwd met spullen, tegen een lage huurprijs. De redactie beneden hem bood toegang tot de wereld van de bladen. Dat was handig, zeker in de begintijd. Maar bovenal was het een goedkope ruimte op een prestigieuze plek in een stad die een naam heeft in de wereld. Veel geld verdient hij immers niet. Trouwens, hij reist de hele wereld rond, van de ene reportage naar de andere, dus veel waarde hecht hij niet aan zijn bedrijfsruimte. Het enige dat hij echt nodig heeft, is een adres. Schiphol in de buurt is voor hem een groot voordeel. Hij heeft geen auto, doet alles op de fiets, maar vliegreizen is de basis van zijn bestaan. Toen hij zijn kantoortje uit moest, verhuisde hij naar Post CS, waar juist goedkope tijdelijke werkruimte voor creatieve bedrijfjes vrijkwam. Dat is voor Van Lohuizen niet alleen voordelig, hij kan sindsdien van zijn woontjalk gemakkelijk naar zijn werkruimte wandelen.

Maar nu gaat hij toch verhuizen. Naar New York. Post CS moet hij verlaten. En daarmee verlaat hij Amsterdam. Niet dat dat de werkelijke reden van zijn verhuizing is. In New York, zegt hij, kan hij de lat hoger leggen. "Mensen in Nederland zeggen misschien wel dat het (werk van Van Lohuizen, ZH) goed is, maar ze zeggen nooit dat het waardeloos is. En dat is ook goed om af en toe te horen." Bij een blad als Time Magazine is zijn directe concurrent de legendarische oorlogsfotograaf James Nachtwey, "toch een ander speelveld." Wat bedoelt hij daarmee? Hij zegt: "Het maakt me beter" En verder kiest hij voor New York omdat daar zoveel meer geld is. "Bij tijdschriften en krantenmagazines is het op het ogenblik moeilijk om betaalde opdrachten los te krijgen. We moeten dus op zoek naar ander geld. Alleen al in New York is zo veel geld verzameld, dat geloof je gewoon niet. En je weet dat er mensen zijn die dat geld aan jou willen geven. De truc is om ze te vinden op het juiste moment en met het juiste idee." Precies dat zijn dus de zaken die mankeren in Nederland en dus ook in Amsterdam: te weinig topniveau, te weinig opdrachtgevers met geld, te weinig debat. Opvoeren dus de kritische massa van Amsterdam, vooral kwalitatief!

Tagged with: