Ravenna Park

On 17 april 2012, in duurzaamheid, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Green Philosophy’ (2012) van Roger Scruton:

Wanneer de conservatieve Britse filosoof Roger Scruton duidelijk wil maken dat “een overheidsbureaucratie een gevaar wordt voor het milieu zodra ze de leiding krijgt over wat er gebeurt”, verwijst hij naar de vele misstanden, begaan in de Sovjet-Unie door het communistische regime. De sovjets lieten zich niets gelegen liggen aan het milieu en niemand die haar daarvoor strafte, zelfs niet toen ze haar eigen regels overtrad. Vervolgens verwijst Scruton naar Seattle, Washington, want van dezelfde misstanden zou sprake zijn in democratische samenlevingen. Overheden, aldus Scruton, deugen gewoon niet. Je moet ze niet vertrouwen. Zo vertelt hij over Ravenna Park in Seattle, in 1887 ingesteld door een rijke particulier, William Beck en zijn vrouw. Zij kochten stukken land aan de rand van de stad om bescherming te bieden aan de unieke woudreuzen die er destijds groeiden. Tienduizend mensen bezochten jaarlijks het lange ravijn met zijn imposante bomen. In 1911 verkochten de Becks hun park echter aan de stad, waarna de overheid de hoge bomen vrijwel onmiddellijk kapte. In 1925 was er geen boom meer over. Scruton: “Een doeltreffende particuliere investering die een belangrijk milieugoed had beschermd en een levendige publieke belangstelling had gecreëerd om het in stand te houden, was in veertien jaar tijd verwoest toen het eenmaal in openbaar bezit was.” Inderdaad, schokkend om te lezen. Maar klopt het ook?

Op HistoryLink.org trof ik een essay over Ravenna Park van Peter Blecha uit januari 2011. Het eerste dat me opviel was dat William Beck vastgoed ontwikkelde en daartoe grond rond Ravenna Park op grote schaal verkocht. Ravenna Park bleek middelpunt van snelle stedelijke ontwikkeling. In die expansie paste ook het voornemen van de stad om in 1909 de Alaska-Yukon-Pacific Exposition – een grote wereldtentoonstelling – enkele blokken ten zuiden van Ravenna Park te organiseren. Beck wilde daar graag van profiteren en wilde zijn park verkopen. Echter zijn aanbod werd door de stad van de hand gewezen omdat zijn vraagprijs veel te hoog was. Uiteindelijk werd het na tussenkomst van de rechter alsnog gekocht, maar nu tegen een veel lagere prijs. John Charles Olmsted werd vervolgens gevraagd een ontwerp voor het park te maken; het moest deel uitmaken van een omvattend stedelijk parksysteem van niet minder dan 20 mijl lengte. Wel spreekt ook Blecha van ‘city mismanagement’ toen bleek dat ambtenaren bomen kapten en stiekem het hout verkochten; hun chef verdedigde de acties omdat de bomen ‘verrot’ zouden zijn. Ook na het bekend worden van het schandaal ging de houtkap gewoon door. Volgens Blecha maakte dit voor de inwoners van Seattle niet veel uit. Zij bleven van hun park genieten. Bewoners organiseerden zich later in ‘Vrienden van het Ravenna Park’ en zorgen sindsdien samen met de gemeente voor onderhoud en restauratie. Blecha: “Due to the efforts of these citizens, the southeastern end of Ravenna Park has been beautifully landscaped, with new trails and riparian habitat restored along a good portion of the long-abused creek.” Scruton overdrijft dus schromelijk. Er zijn in Seattle zeker fouten gemaakt, maar de particulier Beck presteerde niet beter dan de overheid. Overheid en bewoners samen presteren het beste. En zeg nou zelf, welke natuur blijft geheel ongeschonden in een wervelwind van onstuimige verstedelijking?

Tagged with:
 

Walden

On 10 januari 2012, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Walden’ (1854) van Henry David Thoreau:

Even buiten Concord, Massachusetts, ontmoette ik Henry David Thoreau. Hij zat er in zijn cabin, dicht bij Walden pond. Het kacheltje brandde. Het was nieuwjaarsdag. Het bleek om een goed gecaste toneelspeler te gaan, een sympathieke figuur en een echte kenner van het werk van de filosoof en schrijver, hij zat in een replica van Thoreau’s hutje bij de parkeerplaats aan de oever van de vijver. Je mocht hem vragen stellen. Waar hij vandaan kwam? Uit Concord. Hij was er geboren en getogen. Zijn vriend en mecenas Ralph Waldo Emerson, die kwam uit Boston, voegde hij er ongevraagd aan toe. Hun ontmoeting was er eentje geweest van ‘de juiste personen op het juiste tijdstip op de juiste plaats’. Beide waren transcedentalisten: aanhangers van de filosofische stroming die zich keerde tegen tradities en conventies, daarbij gedeeltelijk steunend op het bovenzinnelijke. Emerson had zich gevestigd in Concord. Waarom verkoos Thoreau te leven in zo’n erbarmelijk hutje? Wees hij de grote stad (Boston) of zelfs een stadje als Concord van de hand? Thoreau repliceerde dat hij niet wereldvreemd was, hij was allerminst een provinciaal. Hij had gestudeerd aan Harvard.“Bovendien, je hoeft niet te reizen of te leven in de grote stad om de wereld te kunnen doorgronden. Zelfs fotografie en kunst zijn niet nodig.” En waren de mensen in Concord zelf niet een beetje vreemd? Nee, van hen viel niet veel te leren. De echte leermeester voor de mens is de natuur.

Twee jaar leefde Thoreau in zijn zelfgebouwd cabin aan de oever van de Walden pond. Hij schreef er een oprecht en geestig boek over, dat pas na zijn dood faam zou verwerven. Rakelings langs zijn hutje scheerde de trein naar Boston. De plek, besefte ik ineens, was destijds al verre van idyllisch. Bijna een heel hoofdstuk wijdde Thoreau aan deze trein (‘Geluiden’). En wat te denken van de volgende overpeinzing?: “Eén brok gezond verstand zou herdenkenswaardiger zijn dan een zuil zo hoog als de maan. Ik zie stenen liever op de plaats waar ze horen.” Hij bedoelde, stenen horen thuis in de natuur. Om dat laatste te schragen schreef hij: “De grootsheid van Thebe was van een ordinaire soort. Een kleine gestapelde muur van veldkeien die iemands tuin begrenst, is zinvoller dan een Thebe met honderd poorten dat steeds verder is afgedwaald van het ware levensdoel.” Wat is dan het doel van het leven? Niet bouwen in ieder geval. Het geloof en de kunstzin van bouwers zijn één pot nat. “De oorsprong is ijdelheid, bijgestaan door de liefde voor knoflook en boterhammen.” Waarom bewonderen de mensen dan al die monumenten? Om te achterhalen wie ze gebouwd hebben, vermoedde Thoreau. “Ik daarentegen zou willen weten wie in die dagen er niet aan mee deden, wie zich te goed voelden voor zulk gebeuzel.” Thoreau deed me denken aan Steve Jobs. Beiden wars van spullen, beiden vegetariër, beiden gericht op het individu, beiden met een grote liefde voor eenvoud. Het huis van Jobs in Los Gatos, Silicon Valley, was ook vrijwel leeg (John Sculley: “It was as if his house has been abandoned); het had de allure van een cabin (Sculley: “The visit triggered a vivid recall of my frantic and Spartan life in a cluttered New York City apartment that stank of stale pizza and had only the most basic furniture.”). Net de cabin van Thoreau. Beiden, kortom, product van een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

‘In de wereld zijn’

On 27 juni 2011, in Geen categorie, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Utopie van de Vrije Markt’ (2010) van Hans Achterhuis:

De Duitse Hannah Ahrend en de Russische Alissa Rosenbaum alias Ayn Rand werden kort na elkaar geboren: de eerste in 1906, de tweede in 1905. Beide vrouwen hadden een joodse achtergrond, beiden vluchtten naar New York, de eerste in 1933 via Frankrijk, de tweede in 1926 via Chicago en Los Angeles. Vluchtte de eerste vanwege de opkomst van de nazi’s, de tweede verliet haar vaderland vanwege het communistische regime. Beiden vrouwen schreven vervolgens over vrijheid van het individu en gebruikten hun geliefde New York als inspiratiebron. Hannah Ahrend stierf in 1975, Ayn Rand in 1982.

Een derde vrouw die in diezelfde tijd New York gebruikte als achtergrond van haar boeken, was Jane Jacobs. Geboren in 1916 in Scranton, Pennsylvania, vluchtte ook zij begin jaren dertig naar New York. Vrijwel tegelijk met Rand en Ahrend kwam ze daar aan. Geen communisten of nazi’s die haar achtervolgden – ze had ook geen joodse achtergrond – maar armoede en werkloosheid. Ook zij schreef daarna boeken over de vrijheid van mensen. Drie filosofisch geschoolde vrouwen, drie tijdgenoten, drie New Yorkers, drie migranten. In het objectivisme van Rand is het volgen van hun eigenbelang de meest redelijke optie voor mensen en gaat de vrije samenleving ten onder wanneer het individu de behoeften van anderen een rol laat spelen. In het pragmatisme van Jacobs staat de menselijke ervaring voorop en schuilt in kleine, alledaagse verrichtingen de sleutel tot het menselijke kenvermogen. Bij Ahrend is de wereld een ruimte waarin de veelvormigheid van het bestaan tot uitdrukking komt; door bij te dragen aan de veelheid van stemmen kunnen mensen hun hoogste bestemming bereiken. Jacobs en Ahrend geloofden in een radicale vorm van democratie, Ayn Rand volstrekt niet. In de utopische wereld van Rand wordt de wereld gedragen door vrije, hard werkende individuen die elkaar op leven en dood bevechten, voor geld. Je zou er een fraai toneelstuk over kunnen maken: een socratisch gesprek tussen drie vrijheidslievende vrouwen.

Tagged with:
 

Where is John Galt?

On 10 juni 2011, in boeken, economie, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De utopie van de vrije markt (2011) van Hans Achterhuis:

De roman ‘Atlas shrugged’ (1957) van de Amerikaans-joodse schrijfster Ayn Rand verscheen in mijn geboortejaar. Waarom haalde filosoof Hans Achterhuis deze zwaar belegen roman onlangs uit het stof om hem opnieuw in de schijnwerpers te plaatsen? Achterhuis bespeurt een utopie en een dystopie ineen. Een rechtse utopie ditmaal. Zelf kan hij het amper geloven. Pas in 1997, dus veertig jaar na verschijnen, wees een vriend hem op het boek en leende het aan hem uit. Achterhuis stond op het punt om naar een conferentie over utopieën in Memphis te reizen. Ayn Rand interesseerde hem niet erg, maar utopieën des te meer. “Atlas shrugged kreeg mij onmiddellijk in zijn greep. Terwijl mijn vrouw en ik via New York en Washington per auto westwaarts richting Memphis trokken, zwierf ik in mijn geest samen met Dagny Taggart en Hank Rearden, de hoofdpersonen van het boek, tegelijkertijd met trein en auto door de onmetelijke ruimten van de Verenigde Staten.” Zwaar onderschat had hij het boek dus. En inderdaad, Ayn Rand’s Atlas Shrugged blijkt niet alleen een hoogst actueel boek, het is ook een van de meest gelezen boeken in de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag. Achterhuis ontdekte dat de jonge Alan Greenspan, later, onder president Gerald Ford, de voorzitter van de Presidentiële Raad van Economische Adviseurs en uiteindelijk president van de Federal Reserve Bank, tot de kring van intimi behoorden van Rand ten tijde van het schrijven van het boek. Kennis over de staalindustrie bijvoorbeeld tapte ze rechtstreeks van Greenspan af. Achterhuis: “Dat het neoliberalisme ondanks de vele wetenschappelijke Nobelprijzen voor Chicago-economen als Friedrich von Hayek en Milton Friedman, de aartsvaders van deze stroming, toch vooral een ideologie is, wordt in Europa langzamerhand wel onderkend. Maar dat het Ayn Rand was die de ideeën van de door haar bewonderde Hayek populariseerde in de vorm van een utopie, wordt daarbij meestal over het hoofd gezien.”

In ‘Atlas Shrugged’ proberen kapitalistische utopisten op allerlei manieren de bestaande samenleving kapot te maken, te beginnen met New York. Alleen wanneer de ondergang en de vernietiging van de oude wereld volledig zijn, is het voor hen mogelijk om de nieuwe utopische economie van het vrijemarktkapitalisme op te bouwen. Achterhuis: “Het is precies dit principe van destructie, crisis en totale breuk dat Friedman en zijn Chicago Boys ook ontdekten.” Door Ayn Rand daartoe aangezet las Achterhuis de teksten van de laatsten nu met andere ogen. “Hun teksten bleken een utopisme en activisme te ademen dat ik tot nu toe alleen maar kende van Marx en Lenin en hun volgelingen.” Elders schrijft hij: “Het utopische geloof dat in de vrije markt alles vanzelf goed zou komen, kan op deze manier in democratische verhoudingen nooit echt getest worden. Daar zijn autoritaire, zo niet totalitaire overheden voor nodig.” Vervolgens verwijst hij naar het Chileense experiment uit 1973 na de putch van Pinochet zoals beschreven in ‘The Shock Doctrine’ van Naomi Klein. Hij had beter dicht bij huis kunnen blijven. In Ayn Rand’s roman is sprake van een meritocratie en komt uiteindelijk een echte Atlas, John Galt, de wereld redden. Zouden de Amerikaanse neoliberalen wachten op John Galt?

Tagged with:
 

Verlicht Parijs

On 26 januari 2011, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Het verdorven genootschap (2010) van Philipp Blom:

Schitterend werk van de Brits-Oostenrijkse historicus Philipp Blom. Zijn nieuwste boek over de achttiende eeuwse salon van Baron Thiry d’Holbach waar Diderot, Hume, Rousseau en andere radicale verlichtingsfilosofen samenkwamen, is eigenlijk een boek over het achttiende eeuwse Parijs. Een plaatsnamenregister ontbreekt helaas. Was dat er wel geweest, dan had de Franse hoofdstad zeker meer dan de helft in beslag genomen. Rousseau kwam uit Genève en was via Venetië in Parijs beland, Diderot kwam als zestienjarige uit Langres in het noorden van de Champagne en Holbach zelf had in Leiden gestudeerd. In Parijs ontmoetten al deze bijzondere mannen elkaar. Diderot en Rousseau spraken elkaar aanvankelijk op de binnenplaats van het fort van Vincennes, waar Diderot een straf uitzat. Jean-Jacques liep daarvoor dagelijks twee uur op en neer. “Op donderdag en zondag ontvingen de Holbachs gasten in hun salon op de eerste verdieping van hun elegante, maar bescheiden huis aan de rue Royale Saint-Roch en de drukte van het Louvre. Alles was in gereedheid voor wat de grootste intellectuele onderneming van de achttiende eeuw zou worden,” schrijft Blom.

In 1754 keert Rousseau voor even terug naar Genève, de stad waarvan hij had gezegd dat hij er nooit meer een stap zou zetten. Daar bekeert hij zich tot het protestantisme, om een jaar later overigens terug te keren naar Parijs. Maar zijn vrijzinnige vrienden heeft hij met zijn merkwaardige geloofsdaad dusdanig van zich vervreemd, dat hij opnieuw besluit de Franse hoofdstad de rug toe te keren, ditmaal door zijn intrek te nemen in het landgoed in Montmerency, even noordelijker. Parijs noemde hij “de stad van lawaai, rook en modder, waar vrouwen niet meer geloven in deugdzaamheid of mannen in eer.” Louise dÉpinay bood hem een huisje aan, “uren lopen van de salons, cafés en openbare plaatsen die zijn leven waren geweest.” Parijs trok hem aan en stootte af. Blom: “Voor de vrienden uit de rue Royale, die dicht bij elkaar woonden, elkaar vaak zagen en genoten van hun wederzijdse solidariteit in een verder vijandige wereld, leek het terugtrekken van Jean-Jacques op een afwijzing van alles waar zij voor stonden.” Op Diderot oefende Parijs juist een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De rest van het land verachtte hij. “De voortgang van de Verlichting blijft beperkt,” schreef hij in 1759 aan zijn minnares Sophie. “Ze dringt maar tenauwernood tot de buitenwijken door.” Uit alles blijkt dat Parijs de stad was waar het gebeurde. De radicale denkers leefden daarbinnen heel dicht op elkaar. “Gedachten,” aldus Blom, “bloeien alleen op als er vrijelijk kan worden gediscussieerd, maar daar was de openbare ruimte – parken, de vele cafés en taveernes – niet veilig genoeg voor.” Daardoor hadden de salons in het achttiende eeuwse Parijs een belangrijke functie. Ze boden bezoekers gelegenheid om te spreken, te luisteren, om bondgenootschappen te sluiten, om een machtige beschermheer te vinden. Zonder de beslotenheid van de salons was de radicale Verlichting nooit ontstaan. En het gekke is, eigenlijk is het tegenwoordig niet anders. Al het uitzonderlijke speelt zich nog steeds af op de vierkante kilometer.

Tagged with:
 

Toasten op de doden

On 5 september 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De Eilanden nr. 9, December 2009:

Afgelopen zaterdag werd in de Oosterkerk het twintigjarig bestaan van het Vierwindenhuis op het eiland Wittenburg gevierd. Tot de sprekers behoorden Fons Elders, filosoof en initiatiefnemer van het Vierwindenhuis, Gian Piero Frasinelli, de Italiaanse architect, Helga Fassbinder en ik. Voorzitter was Bert van Meggelen. DRO maakte de bijeenkomst mogelijk. Het programma kwam neer op een soort van Zomergasten. Het was buitengewoon divers. Iedere spreker hield zijn eigen lezing, Shintomeester Paul de Leeuw deed een geluidsexperiment, we bezochten het Vierwindenhuis, spraken met de gastvrije bewoners en aten op de binnenplaats onze lunch. Voor de toeschouwers zal het allesbehalve een samenhangend geheel zijn geweest en voor de voorzitter buitengewoon lastig om voor te zitten. Op het eind vroeg Van Meggelen aan Elders of hij nog een advies aan de gemeente Amsterdam wilde geven. Elders antwoordde prompt dat op de Kop van het Java-eiland een crematorium moest komen. Hij stampte daarbij op de grond en wees op de grafstenen op de vloer van de kerk. Had iemand in de gaten gehad dat we de hele dag op de graven van dode mensen hadden gezeten? Niemand bewoog. Het crematorium, aldus Elders, zou alle Amsterdammers in contact brengen met de doden en hun tijdruimte-bewustzijn vergroten. Elders wilde zelfs een toast uitbrengen op de doden van Amsterdam.

Het incident illustreerde treffend de tijdruimte filosofie van Elders. Die houdt in dat naarmate ons ruimtelijke bewustzijn meeromvattend wordt, er meer gelijktijdigheid binnen die ruimte plaatsvindt.”Nog sterker, als ons ruimtelijk bewustzijn de grenzen van de aarde zou bereiken, om maar te zwijgen van de kosmos, vindt alles daarbinnen gelijktijdig plaats.” Volgens de filosoof is dat de hoogste staat van bewustzijn, want het bewustzijn is dan allesomvattend geworden. Geboorte, liefde en dood zijn in dat geval gelijktijdig aanwezig. In de buurtkrant De Eilanden lees ik dat  Elders het ontwerp van Karres en Brands voor de Oostelijke Eilanden (in de Vrijstaat Amsterdam) pertinent van de hand wijst. Vrijheid creëer je niet door isolement, bast hij. Politiek en kunst hebben behoefte aan concentratie, maar ook aan openheid. Autonomie en collectiviteit dienen beide versterkt te worden. Henk Pauwels noteert instemmend de filosofie van Elders en concludeert dat ze “een uitdagend contrapunt is voor een herinrichting van de voormalige VOC-buurt die ooit uitvalsbasis was van de Hollandse roofstaat.” Eenheid van ruimte-tijd door voorrang te geven aan ons ruimtelijk bewustzijn. Ineens voelde ik het. Elders geeft “de ruimte zijn geboorterecht terug”.

Tagged with:
 

Het vergezicht is zoek

On 19 juli 2010, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in Romantiek. Een Duitse affaire (2009) van Rüdiger Safranski:

De negentiende eeuwse Duitse Romantiek was mede een gevolg van de Franse revolutie van 1789. “Tot aan de Franse revolutie,” schrijft de Duitse filosoof Rüdiger Safranski, “was geschiedenis voor de meeste mensen een door het noodlot beschikt gebeuren, dat je als een epidemie of natuurramp trof. Door de gebeurtenissen van 1789 ontstaat bij de tijdgenoten een besef van de grootschalige consequenties die een bepaald historisch verloop kan hebben, en die politisering gaat hand in hand met een versnelling.” Dat de mens de geschiedenis kan beínvloeden – de macht van de politiek – wordt na 1789 pas echt beseft. Dit idee van maakbaarheid staat aan de wieg van de Romantiek, die het individu op de voorgrond plaatst. Het is het tijdperk van de vergezichten van de toekomst. Schiller was het die het spel van de kunst in de plaats stelde van het “ingekankerde kwaad van de op arbeidsdeling gebaseerde maatschappij, die van de mens een fragment, een pure afdruk van zijn bezigheden maakt.” (…) “Het laat toe dat de enkeling, die lijdt aan zijn versplintering, een geheel wordt, een totaliteit in het klein, zij het ook maar af en toe, voor een ogenblik, en op het beperkte terrein van de kunst.” Waarop Safranski concludeert: “Het nieuwe zelfbewustzijn van kunstzinnige autonomie, de aansporing tot het grote spel en tot verheven nutteloosheid, de belofte van een totaliteit in het klein – alles bij elkaar heeft dit de Romantiek, waarvan de eerste generatie nu het toneel betreedt, een belangrijke impuls gegeven.

Hoe zal men achteraf ònze tijd typeren? Geen tijdperk van revolutie en maakbaarheid, dunkt me. Eerder een tijdperk van niet aflatende crises. Voortdurend valt immers het woord. Vanaf de oliecrisis in 1973 tot de kredietcrisis van 2008, de slepende klimaatcrisis, overal en voortdurend hoor je het woord crisis vallen. Wat doet dit met een mens? De mens in de eenentwintigste eeuw gelooft niet meer in maakbaarheid, dat zal duidelijk zijn. We leven in een tijd die haaks staat op de Romantiek met zijn krachtige politieke handelen, zijn spel van de kunst en verheven nutteloosheid. Het individu is tegenwoordig zwak, de samenleving gecorrumpeerd, de politiek dood, het vergezicht zoek en de kunst gericht op geldelijk gewin. Geen wonder dat ‘romanticus’ tegenwoordig bijna een scheldwoord is, iemand die voorbij gaat aan de realiteit, aan het hier en nu.

Tagged with:
 

Binnen handbereik

On 8 juli 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Spinoza. Biografie’ (1972) van Theun de Vries:

De Amsterdamse jodenhoek is verdwenen. In 1972, toen Theun de Vries zijn biografie van Baruch de Spinoza schreef, “stortten de laatste resten” (…) “onder de aanvallen van de slopers in elkaar”. Mijn werkadres – Jodenbreestraat 25 – bevindt zich in het midden van die ingestorte buurt. Om de hoek woonde Spinoza. Hij werd geboren in een huis waar de raadszaal van de Stopera nu staat, en groeide op in een woonhuis waarop later, in de negentiende eeuw, de Mozes en Aäronkerk werd gebouwd, bedoeld om de joodse gemeenschap tot het christendom te bekeren. De synagoge waar de joodse gemeente de banvloek over Spinoza uitsprak, ligt even verderop, aan de Waterloopleinmarkt. Daar is nu de piercingshop van de Hell’s Angels gevestigd. Er tegenover kun je tegenwoordig goede koffie drinken bij de Coffee Company. En de Portugees-Joodse synagoge tegenover mijn werk, die in 1675 feestelijk werd geopend, zag Spinoza, althans hij moet erbij zijn geweest, want we weten dat hij juist in dat jaar zijn Amsterdamse uitgever bezocht, na een reis met de trekschuit vanuit Leiden, om te onderzoeken of een Nederlandse vertaling van de Ethica tot de mogelijkheden behoorde.

Na lezing van de biografie valt me op hoe ongelooflijk lokaal het leven van de grote Amsterdamse filosoof eigenlijk was. Hij werd geboren, groeide op en schreef in een heel klein buurtje in de Amsterdamse binnenstad. De werken en personen waardoor hij werd beïnvloed, lagen allemaal, letterlijk, binnen handbereik. Zeker, de wereld was heftig in beweging. Nieuwe continenten werden ontdekt, Nieuw-Amsterdam – het latere New York – werd gesticht, de Hollanders vochten tegen de Spanjaarden en tegen de Engelsen, later ook tegen de Fransen. Heel Europa was in beroering. Het was niet minder onstuimig dan de huidige globalisering. Spinoza leefde in ‘De Hollandse tuin’’ en ervoer hoe eerst de Portugese joden de stad binnenstroomden en later de oostjoden. In de sefardische wetsschool maakte hij kennis met een hele rijke literatuur. Vooral raakte hij onder de indruk van de zienswijze van Mose Maimon (1135-1204), arts-filosoof te Cordoba. De Amsterdamse rabbijn Abraham Pharar had een geschrift van deze wijsgeer uitgegeven, maar het was de arts Joseph Delmedigo die Spinoza op dit spoor moet hebben gebracht. Die was uit Padua via Caïro en Hamburg naar Amsterdam gekomen, waar hij een tijdlang rabbijn was geweest. Maar ook de doopsgezinde bewonderaars van Spinoza woonden op een steenworp afstand: De Vries, Jarig Jelles en Balling, zij worden later zijn weldenkende, vrijzinnige vrienden en nemen hem zelfs in bescherming als het erom spant. De belangrijkste figuur voor Spinoza was echter de te Antwerpen geboren Franciscus van den Enden, “een hoogbegaafde, erudiete, enigszins avontuurlijke intellectueel van een nieuw type.” Die had een eigen boekwinkel in de stad. En verder was er de uitgever Rieuwertsz. in de Dirk van Hasseltsteeg, die zou een vriend van Spinoza worden voor het leven. Ziedaar een zeer heterogeen gezelschap, bijeengeschraapt uit heel Europa, woonachtig op één vierkante kilometer aarde, in hartje Amsterdam. Hieruit wordt de filosofie van de Verlichting geboren. Zou het tegenwoordig werkelijk anders gaan?

Tagged with:
 

Een zoöpolitieke opgave

On 28 juni 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Regels voor het mensenpark’ (1999) van Peter Sloterdijk:

De kabinetsinformatie gaat de volgende fase in. Ondertussen lees ik Sloterdijk. Het oeuvre van de Duitse filosoof, moet ik bekennen, lees ik in omgekeerde volgorde. Dit keer was het ‘’Regels voor het mensenpark’, zijn geruchtmakende essay dat in 1999 in Die Zeit verscheen. Ik las het de afgelopen dagen vier keer en nog ben ik niet uitgelezen. Ze blijkt nog brandend actueel. Dat het een aardschok veroorzaakte in Duitsland wil ik wel geloven, maar schokkend vond ik het als Nederlander anno 2010 zeker niet. Eerder veelbetekenend. Het gaat over de mens als temmende en telende macht. “Waar huizen staan, daar moet beslist worden wat er met de mensen die er wonen moet gebeuren; in de daad en door de daad wordt beslist welk soort huizenbouwers de suprematie krijgt.” Dat zijn verhelderende woorden bij de huidige kabinetsinformatie. Sinds Plato, aldus Sloterdijk, “bestaan er geschriften die over de mensengemeenschap spreken als over een zoölogisch park dat tegelijk een themapark is; het houden van mensen in parken of steden lijkt van nu af een zoöpolitieke opgave. Wat zich als nadenken over politiek voordoet, is in werkelijkheid een grondslagenonderzoek naar regels voor het beheer van mensenparken.” Mensen houden zichzelf, in zelfbedachte parken. Zoiets. “Mensen zijn zelfverzorgende, zelfhoedende wezens die – waar ze ook leven – een parkruimte om zich heen creëren.” In de Politikos van Plato gaat het niet alleen “om het temmend sturen van de uit zichzelf al tamme kuddes, maar om een systematisch nieuw telen van dichter bij het oerbeeld staande menselijke exemplaren.” Kijk, nu wordt het gevaarlijk. De behoedzame herderskunst van Plato blijkt het door middel van telen sturen van de reproductie. Het gaat erom dat de staatsman “de voor de gemeenschap gunstigste eigenschappen van vrijwillig bestuurbare mensen op de meest effectieve wijze weet te vervlechten, zodat onder zijn hand het mensenpark een optimale zelfregulering bereikt.” Dapperheid en bezonnenheid moeten gelijkmatig in het weefsel van de gemeenschap worden opgenomen. Onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting, stedenbouw, het is allemaal hoeden en telen.

Sloterdijk besluit met de opmerking dat dit soort wijze oude teksten niet meer worden gelezen. Ze worden nog slechts gearchiveerd. Wij zijn volgens hem al ver voorbij het humanisme. “Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden.” Hem stoort het dat er zo weinig wordt nagedacht over het wezen van de mens. Het mooiste vond ik nog het citaat dat in het begin van de Nederlandstalige editie uit Le Monde wordt opgevoerd. Tijdens het naoorlogse existentialisme domineerde het wantrouwen; toen werd de mens gezien als een wezen, veroordeeld tot vrijheid. “Onze tijd echter wordt beheerst door de parolen coöperatie en communicatie. Daardoor zitten wij gevangen in een andere paradox: wij zijn veroordeeld tot het vertrouwen.” Onze vrijheid is onbegrensd. Daarom zijn er zoveel regels.

Tagged with:
 

Red Tory romantiek

On 8 juni 2010, in filosofie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 5 juni 2010:

Phillip Blond is 43 jaar, heeft filosofie en theologie gestudeerd en behoort tot de politieke inner circle van de nieuwe, conservatieve Britse premier David Cameron. Jan Tromp sprak met hem over de staat van de democratie. Na PvdA-er Klaas de Vries, die meende dat er met de democratie niets loos was, stuit De Volkskrant daarmee op een man met een heel ander geluid. Er is iets grondig mis met de Westerse democratie. Mensen vertrouwen de politici niet meer. De Staat kenmerkt zich door een libertaire onverschilligheid en de Markt creëert te grote economische ongelijkheden. Het ontbreekt de samenleving aan toewijding, billijkheid, eerlijkheid, aan rechtvaardig verdeelde welvaart en aan overgeleverde cultuur en ethische tradities. De menselijke verhoudingen zijn vernietigd. Blond: De staat heeft alles gecentraliseerd, en de markt legt alle nadruk op individualiteit. “De zwakste gemeenschap uit de jaren zeventig was sterker dan het sterkste sociale netwerk van nu.” Volgens Blond moeten de mensen op lokaal niveau hun lot weer in eigen handen nemen. Hij propageert kleine lokale netwerken die toegang hebben tot elke handelsmarkt, nationaal en internationaal. “Het publiek moet zelf een rol opeisen, het bedrijven van politiek moet een zaak worden van de massa’s. De bevolking moet meer macht uitoefenen in de eigen, lokale gemeenschap. Het is het enige medicijn tegen het gebrek aan vertrouwen.”

Tromp noemt Blond onmiddellijk een romanticus. (Zie, dat gebeurt er in Nederland als je een visie hebt die afwijkt van het gemiddelde, dan ben je een ‘’dromer’, ‘luchtfietser’ of ‘romanticus’.) Gelukkig weerspreekt de Brit hem niet. “Alle romantische politiek is waarachtige politiek. Alleen als je droomt, ontwikkel je omstandigheden waarin een alternatief voor het bestaande kan opbloeien.” Nog overtuigender omschrijft hij het even verderop, als was hij een adept van Richard Rorty: “al het indrukwekkende dat mensen hebben bewerkstelligd komt voort uit de kracht van de verbeelding, uit de overtuiging dat er een betere toekomst in het verschiet ligt.” Om dodelijk te eindigen met: “Wie politiek bedrijft zonder romantiek is een manager, een treurig soort manager.” Bedoelt Blond niet gewoon dat steden de politieke eenheden van de toekomst zijn, in plaats van natie-staten? Morgen ga ik stemmen, maar ik doe het met grote tegenzin. Op welke treurige manager breng ik mijn stem uit?

Tagged with: