Ludiek

On 19 mei 2014, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Homo ludens’ (1938) van Johan Huizinga:

Afgelopen vrijdag was de daverende slotdag van de tweede editie van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam in het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal. De avond ervoor had ik deelgenomen aan een expeditie naar het Haarlemmerplein, waar een groep ambtenaren-in-training winkelstraatmanager Nel de Jager vier weken lang had bijgestaan. Haar vraagstuk betrof het tot leven wekken van het pas opgeleverde plein en de verbinding zoeken met het Westerpark. De groep had een onvergetelijke avond georganiseerd op het plein op de grens van Amsterdam Centrum en West. Een yoga-les, dansoefeningen (salsa en eerst nog tango), eten, drinken en als afsluiting een optreden van een percussieband, alles onder het oog van honderden fietsers en wandelaars die in het avondzonnetje het plein overstaken. Aanstekelijk was het, omdat het zo eenvoudig en inspirerend was. De groep had zich laten helpen door ondernemers uit de hele buurt, de meeste met werkplaatsen en oefenruimtes in ‘Tussen de bogen’ onder het spoor. Alles was geleend, om niet gekregen, gebietst. Hoogtepunten waren het dansen van een echtpaar op een balkon ergens aan het plein, de menigte die meedanste op de muziek van de percussieband later die avond en de collectieve meditatie, met al die mensen zittend op de stenen. De avond was de laatste in een reeks spontane experimenten die de groep op het plein voor en met de bevolking had georganiseerd. Ideeën werden opgehaald, contacten gelegd, mensen samengebracht, sfeer gecreëerd, alles geheel volgens de principes van De Nieuwe Wibaut.

‘s Avonds greep ik in mijn boekenkast en las ik, geïnspireerd door wat er was gebeurd, in Johan Huizinga’s ‘Homo ludens’. Ik bedoel zijn ‘proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur.’ De taalwetenschapper en Sanskritist Huizinga (1872-1945) verkende erin het ludieke als wezenlijk bestanddeel van beschavingen door alle eeuwen heen. Echter, in de rationele negentiende eeuw, zo schrijft hij in het laatste hoofdstuk, was veel van dat ludieke verloren gegaan. “Europa trekt het werkpak aan.” Het leidt tot een overschatting van het economische, al het andere komt in de schaduw te staan. “Wanneer de menselijke gedachte al de schatten van de geest doorschouwt en al de heerlijkheden van zijn kunnen beproeft, vindt hij op de bodem van elk ernstig oordeel altijd nog een rest van problematiek.” Anders gezegd, door zuiver rationeel en efficiënt te werken los je problemen nooit echt op. “Op dit punt waar het oordeel wankelt bezwijkt het besef van de volstrekte ernst. In de plaats van het oude Alles is ijdelheid, schijnt zich dan wellicht met ietwat positiever klank: Alles is spel te willen schuiven.” Het lijkt goedkope beeldspraak, aldus Huizinga: “Toch is het de wijsheid, waartoe Plato gekomen was, toen hij de mens een speeltuig der goden noemde.” De Nieuwe Wibaut is spel, ernstig spel. Daardoor lost zij zoveel problemen op die op rationele wijze nooit helemaal opgelost zouden worden.

Tagged with:
 

Prikkels

On 6 mei 2014, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 mei 2014:

Guus Dix is filosoof. Onlangs promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar beleidsprikkels. In  ‘Governing by carrot and stick – A geneaology of the incentive’ laat hij zien hoe sinds de negentiende eeuw overheden steeds vaker financiële prikkels gebruiken om mensen tot een bepaald gewenst gedrag aan te zetten. Prestatiebeloning heet dat. Ook het ruimtelijke beleid zit er vol mee. Lagere overheden moeten door het hoepeltje van hogere overheden springen om een beloning te ontvangen of, andere metafoor: “net alsof die gemeentes een soort trein zijn, en er een wissel is die je kunt omzetten.” Hetzelfde geldt voor burgers. Ook die worden voortdurend door overheden geprikkeld in een bepaalde richting. Het lijkt wel, aldus Dix, alsof de wereld maakbaar is. Hij vindt het getuigen van een “heel sterk mechanisch idee over hoe je kan zorgen dat mensen linksaf of rechtsaf gaan.”

Dit denken in genealogieën gaat terug op Michel Foucault. Deze Franse filosoof en historicus (1926-1984) keek naar het verleden om de ontstaansgeschiedenis van zaken beter te kunnen begrijpen. Dan constateerde hij dat zaken vaak een heel andere oorsprong hadden dan waarvoor ze op dit moment bedoeld zijn. Zijn beroemdste onderzoek is die naar gevangenissen (‘Discipline, toezicht en straf’). Zo deed ook Guus Dix genealogisch onderzoek, maar dan naar prikkels als middel van bestuurders om mensen te laten doen wat zij voor hen het beste achten. Dix stelt er vragen bij. “In een democratie wil je niet alleen burgers die geprikkeld worden,” zegt hij. Hij noemt dat een neoliberale opvatting. Het alternatief? “Een ander idee is dat je burgers zo ver moet krijgen dat ze actief betrokken zijn bij het maken van beleid, dat er een antagonistische relatie ontstaat waarin de een de ander ook kan uitdagen.” Hebben bestuurders en beleidsmakers er ooit zo naar gekeken? Of is het neoliberale denken al zo dominant?

Tagged with:
 

Spannende tijden

On 28 april 2014, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 22 april 2014:

Filosoof Martijn de Waal promoveerde in 2012 op ‘De stad als interface’. Afgelopen dinsdag gaf hij een lezing op de jaarvergadering van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing in Rotterdam. Op overtuigende wijze liet hij zien hoe een virtuele leeslaag wordt toegevoegd aan de fysieke stad, die burgers in staat stelt om gebouwen en plekken op nieuwe manieren te lezen. Signalering die vroeger met neon of uithangborden aan gevels werd uitgedrukt, vindt tegenwoordig plaats op beeldschermen. Daardoor kunnen plekken tijdelijk door bepaalde groepen ongemerkt in beslag worden genomen. ‘Parochialisering’ wordt zo’n ontwikkeling ook wel genoemd. Kortom, technologie stelt burgers in staat om steden anders te organiseren. Hij gaf mooie voorbeelden hiervan: Airbnb zet woonhuizen tijdelijk om in hotelkamers, de RAI verandert tijdelijk in een grote besloten pop-up store. Dat de stad ook daadwerkelijk zal veranderen staat niet vast, maar het kan wel. Voor eenzelfde keuze stonden we toen de auto aan zijn onstuimige opmars begon: suburbane autolandschappen of toch maar compacte steden? We hebben, aldus De Waal, nog steeds een keuze.

Daarna sprak René Boomkens, hoogleraar Algemene cultuurgeschiedenis aan de UvA, over de nieuwe burger. Die ontwikkelt zich tot een burger-deskundige of beter: de verlichte intellectueel ontwikkelt zich tot een specialistische intellectueel. Dat is een intellectueel die niet meer ‘namens ons allen’ spreekt, maar gewoon als burger uitspraken doet over zijn eigen vakspecialisme. Onze steden zitten vol met dergelijke burger-deskundigen. Antropologen, filosofen, juristen, psychologen, tal van specialisaties voegen zich bij de planners en stedenbouwkundigen, die hierdoor niet meer alleenheerschappij over de stad van de toekomst kunnen claimen. Boomkens vindt vooral de bijdrage van de antropologen interessant. Nu er geen primitieve culturen meer bestaan, richten zij zich steeds meer op de moderne stedelingen, die zij nauwkeurig observeren. Overigens voorspelde de filosoof verwarring en nieuwe verhoudingen binnen de stadsontwikkeling. Definitieve uitspraken deed hij niet. We leven, zei hij, in spannende tijden.

Tagged with:
 

Is er een toekomst?

On 24 april 2014, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord in de Beurs van Berlage op 18 april 2014:

Is er een toekomst? Peter Sloterdijk, die de vreemde vraag gesteld kreeg, antwoordde gevat: "zeker is er een toekomst. Voor de microben. Ze waren er eerder dan wij en ze zullen ons overleven." Het was het humoristische begin van een gesprek met de Duitse filosoof tijdens de G8 van filosofen, het gesprek ging over religies. Sloterdijk, puttend uit zijn laatste boek ‘Du muss dein leben ändern’ (2011), vertelde over religies die vroeger hele samenlevingen – talrijke mensen die elkaar nooit kunnen leren kennen – pretendeerden te vormen, maar die tegenwoordig veeleer gerangschikt kunnen worden onder de vele oefenpraktijken van mensen die hun eigen leven willen veranderen: religie net als sport, fitness, literatuur, filosofie, poëzie. Je kunt nu je favoriete oefenpraktijk kiezen als een vorm van individuele zelfhulp. Sterker, iedereen kan ook zijn eigen religie beginnen, voegde hij eraan toe, wat ook dikwijls gebeurt. Sloterdijk wilde geen voorbeelden geven, maar hij verzekerde ons dat de afgelopen eeuwen vele duizenden religies een kortstondig leven hebben geleid. Veel is er ook niet voor nodig om een religie te starten. Steeds, viel hem op, betreft het een professionele kaste die niet meer pro-creëert, een ashram opricht waarbinnen ze zich terugtrekt, ascese pleegt, een heilsbelofte verkondigt, enzovoort.

Verderop in het gesprek waarschuwde hij voor de gevaren die ons op dit moment bedreigen. Niet regeringen en machthebbers zullen ons in diepe crises kunnen storten. Wij zijn zèlf gevaarlijk, door de beelden die wij verspreiden via het internet. Die beelden zijn als microben, ze zijn ontelbaar, niet te beheersen en gaan in stromen de hele wereld over. Al die beelden – ‘images’, die van anderen vragen om ‘imitatie’ – zijn afkomstig van een ‘culture of greed’. Ze worden ontvangen door mensen die leven in een ‘culture of pride’. Dàt is het werkelijke gevaar dat de wereld bedreigt: wanneer mensen uit een cultuur die armoede vertaalt in trots onze zelfgenoegzame welvaartsbeelden ontvangen, raken ze overstuur, boos, geïrriteerd. Zulke beelden willen en kunnen ze niet imiteren. Een gemakkelijke oplossing hiervoor is er niet. Want de beeldenstroom is niet te stoppen. Pas wanneer iemand met aanzien weer beelden van eenvoud, ascese en soberheid vanuit een ashram zou verspreiden, kan ontspanning in de wereld ontstaan. Een knappe analyse. En een verademing, na al die verhalen over politiek en macht en wat die allemaal zouden betekenen.

Tagged with:
 

Scooters en slaven

On 22 april 2014, in filosofie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Beurs van Berlage op 18 april 2014:

De G8, de wereldtop van filosofen, vond afgelopen vrijdag in Amsterdam plaats. Het was geweldig. Vier van de acht filosofen hoorde ik er spreken over de toestand in de wereld: Peter Sloterdijk, Huub Dijstelbloem, Benjamin Barber en John Gray. Niet een was er optimistisch. De wereld staat er slecht voor. (Is het ooit anders geweest?) Wat vooral opviel was dat geen van de vier geloofde in politiek, althans in wat nationale regeringen zoal doen. Dijstelbloem wees erop dat regeringsleiders ‘onderaan bungelen’ als het gaat om instituties waar mensen vertrouwen in hebben. Barber, auteur van ‘If Majors Ruled The World’, gaf voorbeelden van regeringsleiders die ronduit domme dingen doen, elkaar tegenspreken, niet luisteren, niet samenwerken, en waarvan we het dus niet moeten hebben. En John Gray liet zien hoe nota bene de Amerikaanse regering ‘waterboarding’ en andere martelpraktijken weer legitimeerde, terwijl iedereen dacht dat marteling van mensen uit de boze was. Ook slavenhandel en andere barbaristische praktijken, lichtte hij toe, worden veelvuldig door regeringen toegestaan of actief bedreven. Het bracht hem tot de pessimistische stelling dat vooruitgang een mythe is.

De meest optimistische toon sloeg Benjamin Barber aan. In regeringen geloofde hij dus niet. Ook niet in de EU of de Verenigde Naties. Wel meende hij dat steden de wereld kunnen redden. Sterker, dat doen ze al. De politiek in steden is namelijk een fundamenteel andere dan in natie-staten: minder ideologisch, meer maatwerk, meer gericht op het oplossen van concrete problemen. Ook spelen steden, anders dan natie-staten, geen zero-sum game; van samenwerking worden ze sterker, dit gaat niet ten koste van de ander. Daarom zouden steden ook veel meer armslag moeten krijgen, meer eigen regelgeving ontwikkelen, over meer eigen middelen beschikken. Zo gaan, liet Barber zien, steden veel intelligenter om met het mondiale vraagstuk van de migratie. Ze ontwikkelen hun eigen beleid ten aanzien van nieuwkomers en hij voorzag dat steden met bijvoorbeeld ’stadsvisa’ de toestroom zelf gaan reguleren. Ander voorbeeld: de wijze waarop steden het CO2-vraagstuk aanpakken. Los Angeles wist haar uitstoot bijvoorbeeld te halveren door de eigen zeehaven duurzamer te maken. Die was daar de grote boosdoener. Zoiets, aldus Barber, zou Rotterdam ook moeten doen. Het was allemaal hele praktische filosofie. Hoe lang zal het duren voordat een stad als Amsterdam scooters mag weren van het fietspad?

Tagged with:
 

Ravenna Park

On 17 april 2012, in duurzaamheid, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Green Philosophy’ (2012) van Roger Scruton:

Wanneer de conservatieve Britse filosoof Roger Scruton duidelijk wil maken dat “een overheidsbureaucratie een gevaar wordt voor het milieu zodra ze de leiding krijgt over wat er gebeurt”, verwijst hij naar de vele misstanden, begaan in de Sovjet-Unie door het communistische regime. De sovjets lieten zich niets gelegen liggen aan het milieu en niemand die haar daarvoor strafte, zelfs niet toen ze haar eigen regels overtrad. Vervolgens verwijst Scruton naar Seattle, Washington, want van dezelfde misstanden zou sprake zijn in democratische samenlevingen. Overheden, aldus Scruton, deugen gewoon niet. Je moet ze niet vertrouwen. Zo vertelt hij over Ravenna Park in Seattle, in 1887 ingesteld door een rijke particulier, William Beck en zijn vrouw. Zij kochten stukken land aan de rand van de stad om bescherming te bieden aan de unieke woudreuzen die er destijds groeiden. Tienduizend mensen bezochten jaarlijks het lange ravijn met zijn imposante bomen. In 1911 verkochten de Becks hun park echter aan de stad, waarna de overheid de hoge bomen vrijwel onmiddellijk kapte. In 1925 was er geen boom meer over. Scruton: “Een doeltreffende particuliere investering die een belangrijk milieugoed had beschermd en een levendige publieke belangstelling had gecreëerd om het in stand te houden, was in veertien jaar tijd verwoest toen het eenmaal in openbaar bezit was.” Inderdaad, schokkend om te lezen. Maar klopt het ook?

Op HistoryLink.org trof ik een essay over Ravenna Park van Peter Blecha uit januari 2011. Het eerste dat me opviel was dat William Beck vastgoed ontwikkelde en daartoe grond rond Ravenna Park op grote schaal verkocht. Ravenna Park bleek middelpunt van snelle stedelijke ontwikkeling. In die expansie paste ook het voornemen van de stad om in 1909 de Alaska-Yukon-Pacific Exposition – een grote wereldtentoonstelling – enkele blokken ten zuiden van Ravenna Park te organiseren. Beck wilde daar graag van profiteren en wilde zijn park verkopen. Echter zijn aanbod werd door de stad van de hand gewezen omdat zijn vraagprijs veel te hoog was. Uiteindelijk werd het na tussenkomst van de rechter alsnog gekocht, maar nu tegen een veel lagere prijs. John Charles Olmsted werd vervolgens gevraagd een ontwerp voor het park te maken; het moest deel uitmaken van een omvattend stedelijk parksysteem van niet minder dan 20 mijl lengte. Wel spreekt ook Blecha van ‘city mismanagement’ toen bleek dat ambtenaren bomen kapten en stiekem het hout verkochten; hun chef verdedigde de acties omdat de bomen ‘verrot’ zouden zijn. Ook na het bekend worden van het schandaal ging de houtkap gewoon door. Volgens Blecha maakte dit voor de inwoners van Seattle niet veel uit. Zij bleven van hun park genieten. Bewoners organiseerden zich later in ‘Vrienden van het Ravenna Park’ en zorgen sindsdien samen met de gemeente voor onderhoud en restauratie. Blecha: “Due to the efforts of these citizens, the southeastern end of Ravenna Park has been beautifully landscaped, with new trails and riparian habitat restored along a good portion of the long-abused creek.” Scruton overdrijft dus schromelijk. Er zijn in Seattle zeker fouten gemaakt, maar de particulier Beck presteerde niet beter dan de overheid. Overheid en bewoners samen presteren het beste. En zeg nou zelf, welke natuur blijft geheel ongeschonden in een wervelwind van onstuimige verstedelijking?

Tagged with:
 

Walden

On 10 januari 2012, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Walden’ (1854) van Henry David Thoreau:

Even buiten Concord, Massachusetts, ontmoette ik Henry David Thoreau. Hij zat er in zijn cabin, dicht bij Walden pond. Het kacheltje brandde. Het was nieuwjaarsdag. Het bleek om een goed gecaste toneelspeler te gaan, een sympathieke figuur en een echte kenner van het werk van de filosoof en schrijver, hij zat in een replica van Thoreau’s hutje bij de parkeerplaats aan de oever van de vijver. Je mocht hem vragen stellen. Waar hij vandaan kwam? Uit Concord. Hij was er geboren en getogen. Zijn vriend en mecenas Ralph Waldo Emerson, die kwam uit Boston, voegde hij er ongevraagd aan toe. Hun ontmoeting was er eentje geweest van ‘de juiste personen op het juiste tijdstip op de juiste plaats’. Beide waren transcedentalisten: aanhangers van de filosofische stroming die zich keerde tegen tradities en conventies, daarbij gedeeltelijk steunend op het bovenzinnelijke. Emerson had zich gevestigd in Concord. Waarom verkoos Thoreau te leven in zo’n erbarmelijk hutje? Wees hij de grote stad (Boston) of zelfs een stadje als Concord van de hand? Thoreau repliceerde dat hij niet wereldvreemd was, hij was allerminst een provinciaal. Hij had gestudeerd aan Harvard.“Bovendien, je hoeft niet te reizen of te leven in de grote stad om de wereld te kunnen doorgronden. Zelfs fotografie en kunst zijn niet nodig.” En waren de mensen in Concord zelf niet een beetje vreemd? Nee, van hen viel niet veel te leren. De echte leermeester voor de mens is de natuur.

Twee jaar leefde Thoreau in zijn zelfgebouwd cabin aan de oever van de Walden pond. Hij schreef er een oprecht en geestig boek over, dat pas na zijn dood faam zou verwerven. Rakelings langs zijn hutje scheerde de trein naar Boston. De plek, besefte ik ineens, was destijds al verre van idyllisch. Bijna een heel hoofdstuk wijdde Thoreau aan deze trein (‘Geluiden’). En wat te denken van de volgende overpeinzing?: “Eén brok gezond verstand zou herdenkenswaardiger zijn dan een zuil zo hoog als de maan. Ik zie stenen liever op de plaats waar ze horen.” Hij bedoelde, stenen horen thuis in de natuur. Om dat laatste te schragen schreef hij: “De grootsheid van Thebe was van een ordinaire soort. Een kleine gestapelde muur van veldkeien die iemands tuin begrenst, is zinvoller dan een Thebe met honderd poorten dat steeds verder is afgedwaald van het ware levensdoel.” Wat is dan het doel van het leven? Niet bouwen in ieder geval. Het geloof en de kunstzin van bouwers zijn één pot nat. “De oorsprong is ijdelheid, bijgestaan door de liefde voor knoflook en boterhammen.” Waarom bewonderen de mensen dan al die monumenten? Om te achterhalen wie ze gebouwd hebben, vermoedde Thoreau. “Ik daarentegen zou willen weten wie in die dagen er niet aan mee deden, wie zich te goed voelden voor zulk gebeuzel.” Thoreau deed me denken aan Steve Jobs. Beiden wars van spullen, beiden vegetariër, beiden gericht op het individu, beiden met een grote liefde voor eenvoud. Het huis van Jobs in Los Gatos, Silicon Valley, was ook vrijwel leeg (John Sculley: “It was as if his house has been abandoned); het had de allure van een cabin (Sculley: “The visit triggered a vivid recall of my frantic and Spartan life in a cluttered New York City apartment that stank of stale pizza and had only the most basic furniture.”). Net de cabin van Thoreau. Beiden, kortom, product van een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

‘In de wereld zijn’

On 27 juni 2011, in Geen categorie, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Utopie van de Vrije Markt’ (2010) van Hans Achterhuis:

De Duitse Hannah Ahrend en de Russische Alissa Rosenbaum alias Ayn Rand werden kort na elkaar geboren: de eerste in 1906, de tweede in 1905. Beide vrouwen hadden een joodse achtergrond, beiden vluchtten naar New York, de eerste in 1933 via Frankrijk, de tweede in 1926 via Chicago en Los Angeles. Vluchtte de eerste vanwege de opkomst van de nazi’s, de tweede verliet haar vaderland vanwege het communistische regime. Beiden vrouwen schreven vervolgens over vrijheid van het individu en gebruikten hun geliefde New York als inspiratiebron. Hannah Ahrend stierf in 1975, Ayn Rand in 1982.

Een derde vrouw die in diezelfde tijd New York gebruikte als achtergrond van haar boeken, was Jane Jacobs. Geboren in 1916 in Scranton, Pennsylvania, vluchtte ook zij begin jaren dertig naar New York. Vrijwel tegelijk met Rand en Ahrend kwam ze daar aan. Geen communisten of nazi’s die haar achtervolgden – ze had ook geen joodse achtergrond – maar armoede en werkloosheid. Ook zij schreef daarna boeken over de vrijheid van mensen. Drie filosofisch geschoolde vrouwen, drie tijdgenoten, drie New Yorkers, drie migranten. In het objectivisme van Rand is het volgen van hun eigenbelang de meest redelijke optie voor mensen en gaat de vrije samenleving ten onder wanneer het individu de behoeften van anderen een rol laat spelen. In het pragmatisme van Jacobs staat de menselijke ervaring voorop en schuilt in kleine, alledaagse verrichtingen de sleutel tot het menselijke kenvermogen. Bij Ahrend is de wereld een ruimte waarin de veelvormigheid van het bestaan tot uitdrukking komt; door bij te dragen aan de veelheid van stemmen kunnen mensen hun hoogste bestemming bereiken. Jacobs en Ahrend geloofden in een radicale vorm van democratie, Ayn Rand volstrekt niet. In de utopische wereld van Rand wordt de wereld gedragen door vrije, hard werkende individuen die elkaar op leven en dood bevechten, voor geld. Je zou er een fraai toneelstuk over kunnen maken: een socratisch gesprek tussen drie vrijheidslievende vrouwen.

Tagged with:
 

Where is John Galt?

On 10 juni 2011, in boeken, economie, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De utopie van de vrije markt (2011) van Hans Achterhuis:

De roman ‘Atlas shrugged’ (1957) van de Amerikaans-joodse schrijfster Ayn Rand verscheen in mijn geboortejaar. Waarom haalde filosoof Hans Achterhuis deze zwaar belegen roman onlangs uit het stof om hem opnieuw in de schijnwerpers te plaatsen? Achterhuis bespeurt een utopie en een dystopie ineen. Een rechtse utopie ditmaal. Zelf kan hij het amper geloven. Pas in 1997, dus veertig jaar na verschijnen, wees een vriend hem op het boek en leende het aan hem uit. Achterhuis stond op het punt om naar een conferentie over utopieën in Memphis te reizen. Ayn Rand interesseerde hem niet erg, maar utopieën des te meer. “Atlas shrugged kreeg mij onmiddellijk in zijn greep. Terwijl mijn vrouw en ik via New York en Washington per auto westwaarts richting Memphis trokken, zwierf ik in mijn geest samen met Dagny Taggart en Hank Rearden, de hoofdpersonen van het boek, tegelijkertijd met trein en auto door de onmetelijke ruimten van de Verenigde Staten.” Zwaar onderschat had hij het boek dus. En inderdaad, Ayn Rand’s Atlas Shrugged blijkt niet alleen een hoogst actueel boek, het is ook een van de meest gelezen boeken in de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag. Achterhuis ontdekte dat de jonge Alan Greenspan, later, onder president Gerald Ford, de voorzitter van de Presidentiële Raad van Economische Adviseurs en uiteindelijk president van de Federal Reserve Bank, tot de kring van intimi behoorden van Rand ten tijde van het schrijven van het boek. Kennis over de staalindustrie bijvoorbeeld tapte ze rechtstreeks van Greenspan af. Achterhuis: “Dat het neoliberalisme ondanks de vele wetenschappelijke Nobelprijzen voor Chicago-economen als Friedrich von Hayek en Milton Friedman, de aartsvaders van deze stroming, toch vooral een ideologie is, wordt in Europa langzamerhand wel onderkend. Maar dat het Ayn Rand was die de ideeën van de door haar bewonderde Hayek populariseerde in de vorm van een utopie, wordt daarbij meestal over het hoofd gezien.”

In ‘Atlas Shrugged’ proberen kapitalistische utopisten op allerlei manieren de bestaande samenleving kapot te maken, te beginnen met New York. Alleen wanneer de ondergang en de vernietiging van de oude wereld volledig zijn, is het voor hen mogelijk om de nieuwe utopische economie van het vrijemarktkapitalisme op te bouwen. Achterhuis: “Het is precies dit principe van destructie, crisis en totale breuk dat Friedman en zijn Chicago Boys ook ontdekten.” Door Ayn Rand daartoe aangezet las Achterhuis de teksten van de laatsten nu met andere ogen. “Hun teksten bleken een utopisme en activisme te ademen dat ik tot nu toe alleen maar kende van Marx en Lenin en hun volgelingen.” Elders schrijft hij: “Het utopische geloof dat in de vrije markt alles vanzelf goed zou komen, kan op deze manier in democratische verhoudingen nooit echt getest worden. Daar zijn autoritaire, zo niet totalitaire overheden voor nodig.” Vervolgens verwijst hij naar het Chileense experiment uit 1973 na de putch van Pinochet zoals beschreven in ‘The Shock Doctrine’ van Naomi Klein. Hij had beter dicht bij huis kunnen blijven. In Ayn Rand’s roman is sprake van een meritocratie en komt uiteindelijk een echte Atlas, John Galt, de wereld redden. Zouden de Amerikaanse neoliberalen wachten op John Galt?

Tagged with:
 

Verlicht Parijs

On 26 januari 2011, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Het verdorven genootschap (2010) van Philipp Blom:

Schitterend werk van de Brits-Oostenrijkse historicus Philipp Blom. Zijn nieuwste boek over de achttiende eeuwse salon van Baron Thiry d’Holbach waar Diderot, Hume, Rousseau en andere radicale verlichtingsfilosofen samenkwamen, is eigenlijk een boek over het achttiende eeuwse Parijs. Een plaatsnamenregister ontbreekt helaas. Was dat er wel geweest, dan had de Franse hoofdstad zeker meer dan de helft in beslag genomen. Rousseau kwam uit Genève en was via Venetië in Parijs beland, Diderot kwam als zestienjarige uit Langres in het noorden van de Champagne en Holbach zelf had in Leiden gestudeerd. In Parijs ontmoetten al deze bijzondere mannen elkaar. Diderot en Rousseau spraken elkaar aanvankelijk op de binnenplaats van het fort van Vincennes, waar Diderot een straf uitzat. Jean-Jacques liep daarvoor dagelijks twee uur op en neer. “Op donderdag en zondag ontvingen de Holbachs gasten in hun salon op de eerste verdieping van hun elegante, maar bescheiden huis aan de rue Royale Saint-Roch en de drukte van het Louvre. Alles was in gereedheid voor wat de grootste intellectuele onderneming van de achttiende eeuw zou worden,” schrijft Blom.

In 1754 keert Rousseau voor even terug naar Genève, de stad waarvan hij had gezegd dat hij er nooit meer een stap zou zetten. Daar bekeert hij zich tot het protestantisme, om een jaar later overigens terug te keren naar Parijs. Maar zijn vrijzinnige vrienden heeft hij met zijn merkwaardige geloofsdaad dusdanig van zich vervreemd, dat hij opnieuw besluit de Franse hoofdstad de rug toe te keren, ditmaal door zijn intrek te nemen in het landgoed in Montmerency, even noordelijker. Parijs noemde hij “de stad van lawaai, rook en modder, waar vrouwen niet meer geloven in deugdzaamheid of mannen in eer.” Louise dÉpinay bood hem een huisje aan, “uren lopen van de salons, cafés en openbare plaatsen die zijn leven waren geweest.” Parijs trok hem aan en stootte af. Blom: “Voor de vrienden uit de rue Royale, die dicht bij elkaar woonden, elkaar vaak zagen en genoten van hun wederzijdse solidariteit in een verder vijandige wereld, leek het terugtrekken van Jean-Jacques op een afwijzing van alles waar zij voor stonden.” Op Diderot oefende Parijs juist een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De rest van het land verachtte hij. “De voortgang van de Verlichting blijft beperkt,” schreef hij in 1759 aan zijn minnares Sophie. “Ze dringt maar tenauwernood tot de buitenwijken door.” Uit alles blijkt dat Parijs de stad was waar het gebeurde. De radicale denkers leefden daarbinnen heel dicht op elkaar. “Gedachten,” aldus Blom, “bloeien alleen op als er vrijelijk kan worden gediscussieerd, maar daar was de openbare ruimte – parken, de vele cafés en taveernes – niet veilig genoeg voor.” Daardoor hadden de salons in het achttiende eeuwse Parijs een belangrijke functie. Ze boden bezoekers gelegenheid om te spreken, te luisteren, om bondgenootschappen te sluiten, om een machtige beschermheer te vinden. Zonder de beslotenheid van de salons was de radicale Verlichting nooit ontstaan. En het gekke is, eigenlijk is het tegenwoordig niet anders. Al het uitzonderlijke speelt zich nog steeds af op de vierkante kilometer.

Tagged with: