Consolidatie

On 19 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Global City-Regions” (2004) van Allen Scott:

 

 

De beste tweet naar aanleiding van mijn ingezonden brief in Het Parool van zaterdag 18 april 2015 kwam al vroeg die ochtend. Hij was afkomstig van Ger Baron, Chief Technology Officer van de gemeente Amsterdam. Ger tweette: ‘het voelt toch nog een beetje tweede industriële revolutie denken. Schaal wordt minder interessant.’ Ger reageerde op mijn pleidooi voor het bouwen van grote steden in Nederland, dus om onze grote steden de komende jaren flink op te schalen. Niet omdat dat zo lollig is of omdat dit Amsterdam bevoordeelt, maar omdat schaalgrootte voorwaarde is voor welvaartsgroei in de eenentwintigste eeuw. Eén grote stad genereert nu eenmaal meer welvaart dan een verzameling kleine steden. We hebben het over het vraagstuk van de zogenaamde ‘agglomeratievoordelen’ en onze positie in de wereld. Ger vond het kennelijk een oud verhaal. Door technologische ontwikkelingen zou de schaal van steden er minder toe doen. Werkelijk?

In ‘Global City-Regions’ (2004) staat een essay van Saskia Sassen over wereldsteden en hoe stad en stedelijk netwerk zich tot elkaar verhouden. Sassen is hoogleraar sociologie aan de University of Chicago en ‘visiting professor’ aan de London School of Economics. Het laatste deel van haar uitstekende artikel is vooral interessant. In ‘In the digital era: more concentration than dispersal?’ stelt ze precies de vraag die Baron op voorhand al beantwoordt. Wereldwijd, stelt Sassen vast, is sprake van consolidatie. Drie steden zijn nu dominant: Londen, New York en Tokio. Samen met nog vijf andere bepalen ze 85 procent van de wereldmarkten. Ook in elk land afzonderlijk is sprake van consolidatie: binnen de VS New York, binnen Canada Toronto, binnen Australië Sydney, binnen Brazilië Sao Paulo, binnen India Mumbai, binnen Nederland Amsterdam. Consolidatie is iets anders dan schaalgrootte want gaat over macht. Toch uit ze zich in groei. Waarom lijkt alles samen te trekken in die ene stad? Sassen noemt drie redenen: 1. sociale connectiviteit wint aan belang doordat technologische connectiviteit is verzekerd; 2. vooral in het financiële bepalen landsgrensoverschrijdende stedelijke netwerken de ontwikkelingen, 3. de institutionele arena’s denationaliseren en elites maken zich los van landen. ‘Global Cities’ bepalen nu de economie. Ze hebben een bepaalde complexiteit en schaal. “Whether this is good or bad is a separate issue; but it is, I believe, one of the conditions for setting in place the systems and subcultures necessary for a global economic system.” In Nederland doen we nog steeds alsof we rond Vadertje Staat zijn georganiseerd en elk keurig zijn deel krijgt.  Ger Baron, word wakker!

Tagged with:
 

Reputatie

On 13 april 2015, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gehoord in New York op 30 maart 2015:

Columbia-University_Morningside1-e1366638271780-537x350[1] 

Edith Hsu Chen is deputy director van het Manhattan Borough Office van de gemeente New York. We spraken haar in Reade Street, op loopafstand van City Hall. Onderwerp: de universiteiten in de stad. Ze vertelde ons dat er een trek heeft plaatsgevonden van de universiteiten uit de buitenwijken en de voorsteden naar het centrum van New York. De meeste universiteiten hebben zich nu stevig genesteld op Manhattan, de duurste grond op aarde. Columbia University – een Ivy League universiteit – had al haar campus in West Harlem maar opent binnenkort fase 1 van haar nieuwe, iets noordelijk gelegen campus in Manhattanville.  NYC University kwam van buiten, maar zocht positie rond Washington Square, in de West Village, en heeft daar grote uitbreidingsplannen die overigens door de buurt worden geblokkeerd. Cornell heeft de tender gewonnen en opent in 2017 op Rooseveldt Island, tegenover East Manhattan, een geheel nieuwe campus. Daar ook bevinden zich alle grote medical schools en ziekenhuizen. Cooper Union pleegde kostbare nieuwbouw in de East Village en dreigt daaraan zelfs failliet te gaan. Waarom willen alle universiteiten toch op Manhattan zitten? Het is de naam, de plek, de reputatie, de prijs, de grootstedelijkheid.

Lastig is het wel. Buurtbewoners verzetten zich hevig tegen de uitbreidingsplannen. De nieuwbouw is vaak groot, grof, zelden fraaie architectuur. Vooral de dormitories moeten het ontgelden: niemand wil zoveel studenten in de buurt. En duur is het ook. Maar de private universiteiten kunnen het zich permitteren. Hun alumni doneren, bedrijven betalen mee, desnoods schroeven de universiteiten de tuition fees van hun studenten op. Die betalen toch al fortuinen. Trouwens, vastgoed op Manhattan is zeker voor private universiteiten een uitstekende belegging. Kortom, door zich op Manhattan te vestigen stijgt de reputatie van de universiteiten, bieden zij aan studenten een unieke ervaring, melden zich daardoor de grootste talenten, groeit de winstgevendheid. Chen zei dat de stad na de financiële crisis van 2008 zich op de nieuwe groeisectoren van het onderwijs en de volksgezondheid richt. Zij trekken bedrijven en jong, koopkrachtig talent uit de hele wereld aan. Bovendien scheppen ze nieuwe banen. Ze sloot niet uit dat hier een even grote zeepbel zal ontstaan, die op een gegeven moment uiteen kan spatten. In het vliegtuig op de heenreis las ik een Special Report van The Economist over de wereldwijde dominantie van Amerikaanse universiteiten waarin in feite hetzelfde wordt beweerd. Geld en reputatie worden belangrijker dan onderwijs. Dit kan niet goed gaan.

Tagged with:
 

Aftrap Volksvlijt2016

On 8 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gehoord bij AMS, Mauritskade Amsterdam, op 8 april 2015:

Ruim 120 mensen woonden vandaag de aftrap van Volksvlijt2016 bij. In twee rondes werden aan telkens twaalf tafels parallelle gesprekken gevoerd over de toekomstige economie van Amsterdam. Ontwerpers leidden de gesprekken. Deelnemers waren ondernemers, kunstenaars, burgers, studenten, vrijgestelden, vertegenwoordigers van NGO’s, een handjevol ambtenaren, een paar collega’s van de Board, mannen vrouwen fifty fifty, allemaal heel divers. Alleen de bestuurders ontbraken helaas, ook niet de managers. Die hadden het bij nader inzien toch te druk. Wie er wel was kreeg alle ruimte om bij te dragen. Zelf woonde ik twee gesprekken bij: ‘s ochtends over de staalcampus in en rond Velsen, ‘s middags over de mediacampus in en rond Hilversum. Alles inhoudelijk, verkennend, open, afwisselend, boeiend. Wat er zoal ter tafel kwam? Veel. Eerst de staalcampus. Daar, op het terrein van Tata Steel, blijken twee heel zeldzame soorten mossen te groeien: kalkpurpersteeltje en schaduwdubbeltandmos. Op een onooglijk parkeerterrein vol slakken en ander bedrijfsafval groeit de een, terwijl mos nummer twee massaal tegen een muur van een stalen loods is gevonden. Wist ik niet.

Wat de staalcampus nog meer te bieden heeft: een symfonie-orkest, een conservatorium, een vitale stoomtreinenvereniging, enorme rangeerterreinen, een brandweercorps, walsen, ovens, laboratoria, het fijnste staal van de wereld, een brandwondenziekenhuis. En steenkool natuurlijk, en erts. Wisten we allemaal niet. Ook ontdekten we in het zuidelijke deel van de gemeente Velsen dure villa’s met enorme hoeveelheden paarden, in de richting van de zee innovatieve visverwerkingsbedrijven, aan het strand een werkloze jachthaven, een cruiseterminal en een twee kilometer lang strand vol kite-surfers. We stelden bevolkingskrimp vast. Keken we meer regionaal, dan bespeurden we een visconnectie, een Turkse connectie, een Indiase connectie, een Noord-Hollandse connectie. Moeiteloos regen we alles aaneen via de zogenaamde Westas langs de A5, opgespannen tussen de luchthaven, de zeehaven en Tata Steel. En hoe zit het met nieuwe materialen? Waar zijn hier de start-ups, de spin-offs? Iemand herinnerde zich het logo van Hoogovens, destijds ontwikkeld door Jurriaan Schrofer: een zeester gevormd door vijf blokken gekanteld staal. Vuur, stelden we vast, is de verborgen kracht van de staalcampus. Vuur trekt mensen aan. Vuur aan zee, dat wordt voor ons de nieuwe staalcampus.

Tagged with:
 

Een sociale economie

On 26 maart 2015, in boeken, economie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Zero Marginal Cost Society (2014) van Jeremy Rifkin:

Na het lezen van het nieuwste boek van Jeremy Rifkin is me duidelijk geworden dat het kapitalisme zoals wij dat kennen op zijn einde loopt. Karl Marx krijgt alsnog gelijk. Door het samenvloeien van informatietechnologie, logistieke technologie en energietechnologie  tot één ‘Internet of Things’ (IoT) zullen de marginale kosten van arbeid tenderen naar nul. Alles zal binnen hooguit een à twee decennia vrijwel gratis verkrijgbaar zijn. Als een zenuwstelsel zal dit IoT de hele wereld omspannen en alle menselijke activiteit samenbrengen in één verbonden ‘global Commons’. “This is what we mean when we talk about smart cities, smart regions, smart continents, and a smart planet.” Wat gaat dit voor de mensheid betekenen? Grote organisaties, enorme kapitaalinjecties, directieve topdown-sturing, ze zijn dan overbodig geworden. Ze waren tijdens de Tweede Industriële Revolutie voor overheden en bedrijfsleven nog nodig om samen wegen en spoorwegen aan te leggen, auto’s en treinen te maken, zeehavens te graven, steden te bouwen, maar nu is dat voorbij. De afbraak is al begonnen. Ervoor in de plaats treedt de Commons.

Wat gaat dit betekenen? In ieder geval: steeds minder de nadruk op financieel kapitaal, steeds meer op sociaal kapitaal. Anders gezegd, we moeten leren samenwerken. Met velen tegelijk. Een kapitalistische markteconomie maakt plaats voor een open, op samenwerking gerichte, verdelende en genetwerkte structuur. Of beter, naast de overheid en de markt ontstaat een derde partij: het open platform. Het slechte nieuws is dat het IoT veel banen zal vernietigen. Tegelijk echter creëert ze hele nieuwe banen. De meeste in de non-profitsector. Rifkin schat dat dit rond 2050 de meerderheid van de banen zal zijn. De traditionele kapitalistische economie zal nog slechts gerund worden door een kleine klasse van professionele en technologische specialisten. Het onderwijs zal daarom op een geheel andere leest moeten worden geschoeid. Het zal ons gereed moeten maken voor een sociale economie waarin wij op ongekende schaal leren samenwerken, delen, uitwisselen en meebeslissen, ook met dieren, planten, hele ecosystemen. Kijk, dat is nou Volksvlijt. Jonge mensen doen het al. Een ziener, die Rifkin.

Tagged with:
 

No future growth

On 23 maart 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op Phys.org van 26 oktober 2012:

Een bericht op Physics.org zette me op het spoor van een onderzoek van Richard Hausmann, Harvard University, en Cesar Hidalgo, MIT Boston, naar welvaartsgroei van landen. Wat bepaalt hun welvaartspeil en hoe kan economische groei worden voorspeld? In ‘The Atlas of Economic Complexity’ verklaren deze wetenschappers nationale welvaart uit de collectieve kennis van een land. In hun boek drukken ze deze maat uit in ‘economische complexiteit’. Hoe diverser en gespecialiseerder de banen van de beroepsbevolking van een land, hoe groter hun vermogen om complexe producten te maken en hoe hoger hun welvaartspeil. “The secret to modernity is that we collectively use large volumes of knowledge, while each of us holds only a few bits of it.” En: “Society functions because its members form webs that allow them to specialize and share their knowledge with others.” Van 128 landen analyseerden de onderzoekers de collectieve kennis en vormden hiermee een Economic Complexity Index (ECI). Op die index staat Nederland allesbehalve bovenaan. Dat zijn Japan, Zwitserland en Duitsland. Ook Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië zijn complexer. Nederland bevindt zich iets rechts van het midden, op het niveau van landen als Ierland, Mexico en Noorwegen.

Wel is het welvaartspeil in Nederland een flink stuk hoger dan je op grond van haar economische complexiteit zou mogen verwachten. Aardgas kan dit niet verklaren, want daarvoor hebben de onderzoekers de index gecorrigeerd. Het gaat hier puur om de aard van onze nationale economie: die wordt gedomineerd door chemie, logistiek en landbouw – sectoren die niet erg complex zijn. Het ontbreken in Nederland van grote steden als Londen, Milaan, Rome en Parijs, met veel collectieve intelligentie, breekt ons op. Ondertussen ontwikkelen andere landen wèl grote steden. So what? We verdienen toch goed? Zeker, dat is waar. Maar de afwezigheid van een grootstedelijk milieu schept geen gunstige vooruitzichten. “If a country had a lower level of income than was expected for its level of complexity, the researchers predicted that the country would experience more growth in order to ‘catch up’. In other countries, the level of income was higher than expected based on their level of complexity, suggesting that these countries would not experience future growth.” Onze Agenda Stad is daarmee gevormd: bouw in Nederland eindelijk een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

Er geen doekjes om winden

On 13 maart 2015, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 9 maart 2015:

Phillip's Economic Computer, 1949.

Bill Phillips kennen economen van de zogenaamde ‘Phillips curve’. Die geeft een voorspelling van de werkloosheid gerelateerd aan de inflatie. Phillips was een Australiër die zijn carrière begon als krokodillenjager. Later runde hij een bioscoop. Weer later voer hij op grote schepen om de cv-installaties aan boord te onderhouden. Op 31 jarige leeftijd ging hij alsnog sociologie studeren. In Londen. Aansluitend koos hij voor een master economie. Echter, zijn cijferlijst was ronduit beroerd. Toch werd hij tot de LSE toegelaten. Daar faalde hij. Maar bij de mislukking legde hij zich niet bij neer. Hij wilde economie echt begrijpen. Daartoe bouwde hij in zijn schuur in drie maanden tijd een machine waarmee hij de economie simuleerde: een cv-installatie waarin water de rol van geld had. Water stroomt. Geld ook. Door de machine leerde hij economie eindelijk zelf begrijpen en ontdekte hij zowaar zijn ‘Phillips curve’. Keynes zou met de machine ooit nog eens een economisch vraagstuk hebben opgelost.

Tot zover het eerste deel van de Amsterdamlezing van Bas Haring, hoogleraar Publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit Leiden, afgelopen maandag in CREA op Roeterseiland te Amsterdam. Wat wilde Haring met het verhaal over Bill Phillips zeggen? Vier lessen trok hij eruit. Les 1: stel vragen, moffel niets weg, 2. ga zelf aan de slag en vraag je af hoe het precies zit; 3. beperk je niet tot teksten, maar máák dingen die verhelderen; 4. jouw levensloop ligt niet vast, die is onvoorspelbaar. En verder vertelde hij vooral over zijn eigen late kennismaking met de economische wetenschap. Zijn respect voor economen bleek groot. Dus de vraag rees waarom de economen bij het brede publiek hebben afgedaan en op dit moment zo’n statusval doormaken. Iemand in de zaal bekende dat hij de lobbyist van de taxibranche in het journaal op televisie nog eerder vertrouwde dan de zogenaamd onafhankelijke econoom. Haring: ‘Misschien omdat ze zulke slechte voorspellers zijn.” En waarom werken de economen niet veel meer met andere disciplines samen? Haring wist het niet. Hij sprak heldere taal, gebruikte mooie voorbeelden, was heel open. Hij wond er geen doekjes om.

Tagged with:
 

De opslingering van Amsterdam

On 10 maart 2015, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Besproken in B.Amsterdam op 6 maart 2015:

couleurlocale

Couleure Locale klinkt misschien kneuterig, maar is het beslist niet. Het betreft een initiatief van Emilie Vlieger en Kris Oosting. In het kader van het Jaar van de Ruimte 2015 organiseren deze twee jonge Utrechtse ondernemers het komende jaar een aantal Ruimteverkenningen op verschillende plekken in Nederland. De eerste vond afgelopen vrijdag plaats in Amsterdam. Daarvoor kozen ze als locatie B.Amsterdam – de nieuwe broedplaats naast IBM in Nieuw-West – , ze namen de internationale concurrentiepositie van Amsterdam als thema en, getriggerd door een interview met hem in Vrij Nederland, vroegen ze Zef Hemel als spreker.  Aansluitend nam Vincent Kompier, overgekomen uit Berlijn, de circa dertig deelnemers mee op metro-excursie. Het gezelschap, afkomstig uit heel Nederland en Vlaanderen, bezocht o.a. de Zuidas en het Marineterrein, waar Startup Delta is gevestigd. Wat was hun indruk? Ik vermoed, na de lezing, dat ze vooral in verwarring waren gebracht.

De lezing van Hemel ging over ‘De opslingering van Amsterdam’. Daarmee wilde hij zeggen dat er feitelijk geen keuze is: Amsterdam wordt door mondiale krachten opgeslingerd. Wie goed oplet ziet dat aan de lokale toeristenmarkt (‘drukte in de stad’), de woningmarkt (‘Amsterdam is een spons’), de kantorenmarkt (verziekt, maar op de Zuidas geen leegstand), enzovoort. Die opslingering komt door de verknoopte mondiale netwerken, de waarde van het merk ‘Amsterdam’ in de wereld, glasvezel en internet en nog zo wat zaken waarvan de betekenis de landsgrenzen verre overstijgt. Het enige wat we kunnen doen is de groei van Amsterdam proberen af te remmen. Dat doen we dan ook met volle kracht. Amsterdam zelf creëert bewust schaarste om vastgoedprijzen hoog te houden, haar bevolking wil liefst niet groeien en klaagt over de drukte, de regering, gesteund door het Interprovinciaal Overleg en in de nek geblazen door de Tweede Kamer, spreidt en smeert programma’s en geld uit over de provincies onder het mom van verdelende rechtvaardigheid, ruimtelijke ordening in Nederland is per definitie distributieplanologie opgevat als eng-nationaal gezelschapsspel, Europa ten slotte gedraagt zich als een fort dat immigratie verhindert. “Waarom zou je als Amsterdam ook moeten willen groeien?”, was de vraag die het bij de aanwezigen opriep. Inderdaad, de vraag stellen alleen al. De Nederlanders vonden het maar negatief, de Vlamingen juist verfrissend. Ik vlieg vandaag naar Seoul, waar men wel bereid is op te slingeren.

Tagged with:
 

Schraal

On 18 februari 2015, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in S&RO 2014 nr. 5:

Permalink voor ingesloten afbeelding

Nummer 5 van Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (S&RO) editie 2014 was gewijd aan station en luchthaven. Ik ontving indertijd geen nummer, ook al was ik abonnee. Nu nam ik een exemplaar mee uit Den Haag, waar Platform 31 is gevestigd. In de trein terug naar Amsterdam las ik het. De onderwerpkeuze, zo begint het redactioneel, betreft een jubileum. In 2014 was het 175 jaar geleden dat de eerste trein in Nederland reed, u weet wel, tussen Haarlem en Amsterdam.  In datzelfde jaar bestond de KLM 95 jaar. In het nummer wordt de balans opgemaakt van bijna tweehonderd jaar stations- en luchthavenontwikkeling in relatie tot de stedelijke ontwikkeling, lees: de polycentrische metropool. Interessant vond ik vooral het artikel van de onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam en de Technische Universiteit Delft. In ‘More is less? Governance in de Schipholregio’ schrijven gastredacteur Michel van Wijk, Ellen van Bueren en Marco te Brömmelstroet over de vele overlegstructuren rond de nationale luchthaven. Hun analyse van deze overleggen sinds 1987 is genadeloos. Het zijn er erg veel en de inhoud van hun agenda’s verschraalt.

Wat is er loos? Al die overleggen blijken niet meer te werken. “Vergaderingen worden door gebrek aan onderwerpen regelmatig afgezegd.” Bestuurders wisselen elkaar snel af. Gedeputeerde Hooijmaijers moest aftreden wegens corruptie. Zijn opvolger werkte aan een schoon-schip actie. Die daarna deed het weer anders. De affaire-Poot wordt in het artikel niet eens genoemd. Inhoudelijk treedt er een verenging op. Er wordt alleen nog maar over economie gepraat. En een beetje over geluidsoverlast. Duurzaamheid heeft geen prioriteit. Meer dan veertig stakeholders werden in een Q-analyse geïnterviewd. Inhoudelijke ideeën bleken redelijk met elkaar te sporen, maar over de wenselijke bestuursvorm waren de geïnterviewden zeer verdeeld. Sommigen wilden terug naar formele overheidssturing, anderen juist naar open netwerksturing. Wat concluderen de onderzoekers? Voor het sluiten de kringlopen op en rond de luchthaven zou een drastische verbreding noodzakelijk zijn. Technische en wetenschappelijke kennis, lokale praktijk- en belevingskennis zouden elkaar veel directer en ook  intensiever moeten treffen. Waarom gebeurt dit niet? En hoezo corrupt?

Agenda Stad

On 17 februari 2015, in bestuur, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord bij het Forum voor Stedelijke Vernieuwing  in Amsterdam op 12 februari 2015:

Startopstelling bij 3 spelers

Het Breed Beraad van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing stond afgelopen week in het teken van de Agenda Stad. Deze agenda wordt in een open proces ontwikkeld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en is bedoeld om in te brengen in een vergelijkbaar Europees traject rond de ontwikkeling van een zogenaamde Urban Agenda van de EU in 2016. Bijna dertig genodigden spraken erover bij Stadgenoot aan de Sarphatistraat (!) in Amsterdam. Ik was gevraagd een inleiding te houden. Gewapend met het bordspel ‘Kolonisten van Catan’ nodigde ik de aanwezigen uit om met elkaar een  nieuw spel te ontwikkelen. ‘Kolonisten’ win je met steden. Om steden te kunnen bouwen moet je eerst dorpen bouwen. Om dorpen te kunnen bouwen heb je handelsroutes nodig. Voor het bouwen van dorpen, handelsroutes en steden heb je grondstoffen nodig. Grondstoffen win je met dobbelstenen. Zo werkt het kapitalisme: uiteindelijk win je het spel met geluk en met steden. Die laatste kosten echter veel grondstoffen, ze eten de dorpen op, ze nestelen zich in handelsroutes. Is er een even spannend alternatief mogelijk? Kunnen we het spel aanpassen zodanig dat het duurzaam wordt?

Dat steden cruciaal zijn in de oplossing van het wereldvraagstuk is iedereen onderhand wel duidelijk. Maar hoe doen we het precies? Door onderscheid te maken tussen steden, stedelijke invloedssferen en wingewesten, was mijn stelling, komen we de nieuwe spelregels op het spoor. Aan het bord zelf hoeven we niet veel te veranderen: dat bestaat uit gemeenten, provincies, naties en unies. Aan de wijze waarop ze in elkaar grijpen des te meer. Nu nog zijn steden druk bezig met zichzelf; zijn stedelijke invloedssferen vooral jaloers op de steden; zijn wingewesten zelfs woedend omdat ze zich door steden uitgebuit voelen. Provincies, naties en unies proberen de woede en jaloezie te temperen met principes van verdelende rechtvaardigheid. Het werkt echter niet. Vier concrete voorbeelden gaf ik van andere, productievere omgangsvormen tussen overheidslagen onderling en de verschillende overheden met de samenleving: Verantwoordelijke hoofdstad, Volksvlijt 2016, De Nieuwe Wibaut, Thinking City. Aan alle vier werk ik in Amsterdam vanuit mijn Wibautleerstoel. Ze zullen, denk ik, leiden tot duurzamer kapitalisme, door Jeremy Rifkin aangeduid als die van de ‘Collaborative Commons’.

Tagged with:
 

Zwak

On 4 februari 2015, in economie, filosofie, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Culture of the New Capitalism’ (2006) van Richard Sennett:

NewCapitalism.jpg

Welke arbeidsverhoudingen karakteriseren het moderne kapitalisme? Die vraag stelde zich de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Hij deed er uitgebreid onderzoek naar. Aan Yale University hield hij in 2004 er een serie lezingen over, die twee jaar later verschenen onder de titel ‘’The Culture of the New Capitalism’. Dat was vlak voor de financiële crisis. Maar Sennett gaat in zijn boek vooral terug in de tijd. Meer vrijheid, daarvoor betoogden de studenten in ‘68, ze wilden zich bevrijden uit de gevangenis van de centraal geplande economie met zijn enorme bureaucratie en vijfjarenplannen. Dat is hen gelukt. In de plaats van ‘the prison of bigness’ trad een zeer flexibele economie aan en een verzwakte overheid, met een minimum aan bemoeizucht van planners. Het resultaat? Onrust, flexibiliteit, toenemende ongelijkheid, sterke gerichtheid op de korte termijn, minder samenhang, geringere loyaliteit, macht zonder gezag, en vooral een gevoel van grote nutteloosheid (uselessness). Veel mensen voelen zich overbodig, buitengesloten. Vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. “So as cities swelled, uselessness was viewed as a necessary, if tragic, consequence of growth.

Las ik tussen de regels door ook nog iets positiefs? Ergens op het eind citeert Sennett Abraham Maslov, de psycholoog die in de jaren ‘60 het ideaal van de verantwoordelijke, creatieve individuele mens verwoordde, de mens die vooral uit is op persoonlijke groei. Wat is er van dat ideaal terecht gekomen? Niet veel dus. Sennett wijt dat vooral aan de verzwakte instituties die de mensen weinig vertrouwen inboezemen, bij hen ook geen loyaliteit opwekken en hen dus ook niet aanzetten tot participatie.  “Yet I don’t think the dreamers of my youth had the wrong idea in holding up material life to a cultural standard. As the reader may possibly have detected, I was one of those youthful dreamers.” Waarop de oude, wijzer geworden Sennett verzucht: “The normal path of the adult’s ‘sentimental education’ is meant to lead to ever greater resignation about how little life as it is actually conducted can accord with one’s dreams.” En toen was er de crisis. Ineens waren daar de coöperaties, de zelfbouwgroepen, de burgerinitiatieven, de start-ups, de platforms, de mensen zelf, de daders ook.

Tagged with: