Dynamische agglomeraties

On 8 juli 2014, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in De Balie, Amsterdam, op 2 juli 2014:


In De Balie aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam vond afgelopen week – in besloten kring – een gedenkwaardig beraad plaats van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing. Ruim twintig betrokkenen spraken onder leiding van Yoeri Albrecht over de toekomst van Nederland. Onderwerp: toenemende ruimtelijk-economische verschillen tussen stedelijke regio’s. Taco van Hoek, directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw, was een van de inleiders. Hij toonde drie LT-scenario’s voor ons land, een van sterke groei (Dynamische agglomeraties), gemiddelde groei (Evenwichtige groei) en geringe groei (Ruimtelijke segregatie). Er komen nog een miljoen huishoudens bij, zei hij, dus gebouwd zal er moeten worden. In alle drie scenario’s is ook nog sprake van welvaartsgroei, maar door de stijgende zorguitgaven en de vergrijzende bevolking zal veel van die groei weer worden tenietgedaan. Alleen in Dynamische agglomeraties zal Nederland nog in welvaart sterk blijven groeien.

Arbeidsaanbod, aldus Van Hoek, wordt key. In plaats van bedrijven aan te trekken, zullen steden en regio’s hun inspanningen in toenemende mate moeten gaan richten op mensen, om hen te paaien vooral te blijven. In twee van de drie scenario’s zal het arbeidsaanbod namelijk sterk krimpen. Vooral in bepaalde regio’s zal krimp optreden, daar staat de beroepsbevolking nu al onder druk. In scenario Ruimtelijke segregatie zal zelfs de helft van de Nederlandse regio’s gaan krimpen (sic!). Hij voorspelde daarom de komende jaren ‘een slag om het arbeidsaanbod’. De woningmarkt zal hiervoor zeker worden gebruikt. Drukgebieden als Amsterdam en Utrecht zullen volgens hem veel meer moeten bouwen, maar de rest van het land zal het ook willen, bang als het is om arbeidskrachten te verliezen. Er komt dus hevige concurrentie. De noordelijke Randstad, zei hij, zal daarom veel minder restrictief ruimtelijk beleid moeten gaan voeren, om lagere grondprijzen te forceren. Anders verliest het mensen aan krimpregio’s. Want een tegenbeweging sluit hij niet uit: van mensen die Amsterdam en Utrecht gewoon te duur vinden en elders neerstrijken. Het roer moet daar dus om, bij Amsterdam. En snel ook. Gebeurt dit niet, dan raakt straks alles ruimtelijk gespreid en krijgt Nederland geen scenario Dynamische agglomeraties. Dan krijgen we, als totaal, ook veel minder economische groei.

Tagged with:
 

Altijd weer Parijs

On 17 juni 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 januari 2014:

‘Capital in the 21st Century’ van Thomas Piketty is een verpletterend succes, althans in het Westen. Vorige week noemde Ewald Engelen in De Correspondent de Franse historicus-econoom een ‘nuttige idioot’. Volkomen onverwacht werd zijn boek, dat al een tijdje op de planken lag, opgepikt door de media en door haar bestempeld tot de erfopvolger van niet minder dan ‘Das Kapital’. Piketty die de alarmerende boodschap bracht dat de ongelijkheid in de wereld weer sterk groeit, schreef, net als Marx, vanuit het revolutionaire Parijs. En net als Marx deed hij jarenlang stoffig onderzoek in bibliotheken en archieven. Lange tijdreeksen vanaf de Franse Revolutie maken duidelijk dat kapitaal zich ophoopt en dat rente op gestapeld kapitaal beter rendeert dan hard werken. Mensen brengen deze boodschap van Piketty in verband met de verdwijnende middenklasse en met de robotisering van de diensteneconomie. Iedereen ruikt en hunkert nu naar revolutie, lijkt het wel. Ach, altijd maar weer Parijs.

Wat is de Gini-coëfficiënt van Frankrijk? Voor aftrek van belastingen is dat 0,5 – vergelijkbaar met de VS. Na aftrek daalt hij naar 0,3; dat is lager dan de 0,38 van de VS. Een Gini-coëfficiënt van 1 staat voor totale ongelijkheid, bij een score van 0 is sprake van totale gelijkheid. Middenmoter is Frankrijk dus. In de VS stijgt de Gini coëfficiënt weliswaar, maar wereldwijd daalt hij juist. Daalt hij? Jawel, door de opkomst van een nieuwe mondiale middenklasse is het mondiale ongelijkheidscijfer gedaald. Dan hebben we het over de 200 miljoen Chinezen, de 90 miljoen Indiërs en nog enkele tientallen miljoenen Brazilianen en Indonesiërs, Singaporezen, Taiwanezen, Koreanen, Russen die door de razendsnelle verstedelijking meer zijn gaan verdienen. De gelijkheid in de wereld groeit. Economen echter kijken naar landen, niet naar steden, en dan vooral naar het Westen. Ze analyseren niet ruimtelijk, maar met spreadsheets. Maartje Somers, correspondent van NRC, schreef het al: “Zo ziet de wereld er dus uit. Hij wordt snel rijker – behalve voor de allerarmsten en voor Europeanen. Hij wordt, heel voorzichtig, een heel klein beetje gelijker.” Parijs als uitvalsbasis voor de nieuwe Marx is, kortom, misschien niet goed gekozen. Het Westen – met name Europa – raakt achterop. Dat wel. Het hemd is nader dan de rok.

Tagged with:
 

Amsterdam maakt Ferrari’s

On 18 april 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 15 maart 2014:

In maart 2011 schreef ik al over de fietsfabriek van Wim van der Kaaij in Amsterdam. Die was toen nog gevestigd in de Westerstraat in De Jordaan. Van der Kaaij bouwde zijn fietsen nog helemaal zelf, ook de frames. Die maakte hij voor zijn klanten precies op maat. Ik gebruikte het destijds als voorbeeld van stedelijke importvervanging. Steden, zo luidt de theorie, importeren spullen, maar proberen die op een gegeven moment zelf te produceren. Als ze dat lukt, hoeven ze die spullen niet langer te importeren en als ze het bovendien lukt die spullen beter te maken dan concurrerende steden, dan kunnen ze ze zelfs gaan exporteren. Zo worden stedelijke economieën divers. Het gevolg is dat echte grote steden bijna alles zelf produceren. Hoe groter en diverser hun economie, hoe minder ze naar verhouding importeren. Dat blijkt ook uit onderzoek: een metropool als Los Angeles heeft een economie zo groot als die van Nederland en is voor tachtig procent zelfvoorzienend. Maak dat een Nederlander maar eens wijs. Hij is een handelaar, geen maker, en grote steden kent hij niet.

Nu las ik in Het Parool dat Wim van der Kaaij, inmiddels 76 jaar oud, zijn fietsfabriek heeft verplaatst naar Amsterdam Noord. In 2012 moest hij in de Westerstraat stoppen omdat hij daar niet kon uitbreiden (sic!). Ook klaagden de buren. En Van der Kaaij had geen opvolger gevonden. Al die problemen blijken nu te zijn opgelost. Zijn RIH Sport heeft opnieuw zijn deuren geopend op het Gedempte Hamerkanaal in Noord. Ook heeft hij opvolgers gevonden. Mede-investeerder Lorenzo Milelli (41) en voormalig fietskoerier Lester Jansen (27) zijn in de leer bij Van der Kaaij, die zijn fietsen typeert als "een beetje de Ferrari’s onder de fietsen." Sinds 1921 bouwt RIH fietsen, met liefst 63 wereld- en Olympisch kampioenen als resultaat. Op de nieuwe plek kan hij zijn fabriek uitbreiden en lastige buren heeft hij niet. Amsterdam blijft dus zelf fietsen produceren. Over klanten maakt hij zich geen zorgen: "Hippe jongeren rijden graag door de stad met een tweedehands fixie, een klassieke baanfiets zoals die vroeger veel door RIH Sport Amsterdam werden gebouwd." Kortom, het is een lokale markt. Interessant is ook hoe goed de fietsenbouwers hun concurrenten kennen: in Engelse steden werken veertig framebouwers zoals zij en in Italiaanse steden zijn dat er 35. Wie had dat gedacht?

Tagged with:
 

Thinking City

On 16 april 2014, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 maart 2014:

De summer school ‘Thinking City. The Dynamics of Making Amsterdam’ krijgt vorm. Ook het thema ‘kennisregio’ begint steeds meer vorm en inhoud te krijgen. Het recente rapport van de WRR ‘Naar een lerende economie’ geeft daaraan een stevige impuls. Ik schreef er al eerder over op deze weblog. Interessant in dat verband is de ingezonden brief van Willem Schinkel, Be Breij en Jeroen Geurts in NRC Handelsblad van een tijdje geleden. De drie schreven de brief namens De Jonge Akademie van de KNAW. In de brief verzetten ze zich tegen het voornemen van de regering en dus ook de WRR om wetenschap vooral regionaal in te bedden. Nederlandse universiteiten, stellen ze, moeten zich niet ontwikkelen tot “regionale scienceparken waar zowel universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten en bedrijven gevestigd zijn.” Zo’n idee getuigt van ‘een sterk maakbaarheidsdenken’ en ‘provincialisme’. Daar ben ik het op zichzelf van harte mee eens.

Schinkel c.s. vinden het kabinetsvoornemen vooral getuigen van provincialisme omdat het vertrekt vanuit het idee dat innovaties voortkomen uit regionale verbindingen met bedrijven. Hun stelling is dat vooral internationale wetenschappelijke verbanden hierin beslissend zijn, niet regionale. De wens een regionaal publiek te bedienen, schrijven zij, moet niet het organisatiemodel bepalen voor de wetenschap. Verder keren ze zich tegen specialisatie en pleiten juist voor veel grotere diversiteit. “Naast het ontluikende regionale sciencepark moet er de brede universiteit zijn, die goed is ingesteld op de veranderende economie.” Verderop stellen ze dat op scienceparken ook niet alleen bedrijven gevestigd zouden moeten worden, maar ook ngo’s, vluchtelingenorganisaties, patiëntenorganisaties, initiatieven voor een alternatieve economie. Allemaal van harte mee eens. Bed universiteiten zo goed mogelijk in in hele grote steden met maximale verbindingen met de rest van de wereld. Sluit ze niet op in provinciale wetenschapsparken. En niet alles is ruimtelijk. Organiseer een summer school.

Tagged with:
 

Hoe Heineken won

On 5 maart 2014, in economie, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in het Stadsarchief van Amsterdam op 23 februari 2014:

 

Na ‘Booming Amsterdam’ – de fraaie tentoonstelling over de Gouden Eeuw en de aanleg van de grachtengordel in De Bazel – waren de verwachtingen hooggespannen. Maar ‘Heinekens Amsterdam’ in diezelfde De Bazel, op dit moment daar te zien, valt tegen. De tentoonstelling pretendeert Amsterdams Tweede Gouden Eeuw te tonen aan de hand van het korte leven van bierbrouwer Gerard Heineken (1841-1893), de grondlegger van het bierimperium aan het Weteringplantsoen. Maar wat de tentoonstelling laat zien is niet de planvorming en aanleg van het Noordzeekanaal en de haven, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, de Wereldtentoonstelling van 1884 op het Museumplein, de bouw van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en het Centraal station, de enorme werkzaamheden rond de aanleg van het spoor, de drastische plannen voor de stadsuitleg. Nu ja, van alles ziet men iets, maar niet veel. Wel veel bierviltjes, etiketten, oorkondes voor bier, de opening van Die Port van Cleve. Gek, want samensteller Erik Schmitz viel het juist op dat Heikenen voortdurend ‘adressen’ stuurde naar het gemeentebestuur over de stadsuitbreiding. Waarom Heineken dat deed?

In ‘1000 jaar Amsterdam’ (2012) had Fred Feddes een fraaie kaart opgenomen van het deelplan van de noordelijke Pijp uit 1873, die echter niet getoond wordt op de tentoonstelling. Daarop prijkt brouwerij De Hooiberg van Gerard Heineken aan het nieuwe tracé van de Stadhouderskade. De bouw ervan startte in 1868, midden in de weilanden, op een stuk grond gekocht uit de boedel van Sarphati. Het deelplan was opgesteld na afwijzing van het plan Van Niftrik (1867). In Van Niftriks esthetische plan was geen plaats geweest voor een bierbrouwer op de kade. Fabrieksterreinen waren ingetekend achter de Oosterparkbuurt en achter de Staatsliedenbuurt. Van Niftrik wilde het Centraal Station op de te dempen Zaagmolensloot – de huidige Albert Cuyp -, met een entree naar de stad via het Paleis voor Volksvlijt en de Utrechtsestraat. Heineken echter won. Op de tentoonstelling zien we het latere plan-Kalff (1877). Het accepteert de brouwerij; het deelplan uit 1873 is keurig opgenomen. Het Centraal Station ligt nu in het IJ, voor het Damrak. En de Ferdinand Bolstraat is ter hoogte van De Hooiberg afgeknepen. Tot op de dag van vandaag is dat een smalle passage waar trams, voetgangers en fietsers elkaar naar het leven staan. En de nieuwe metro moet er gestapeld onderdoor.

Tagged with:
 

Braindrain

On 4 maart 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 januari 2014:


Nu al een paar keer in de krant gelezen. De economie van Groot Brittannië trekt aan. De voorspelling is dat ze die van Duitsland zelfs zal voorbijstreven, nota bene ook op lange termijn. In 1013 groeide de Britse economie met 1,9 procent. Vrijwel alle sectoren groeiden. De werkloosheid daalde naar 7,1 procent van de beroepsbevolking. Dat is goed nieuws voor de Britten. Nederlanders kunnen er jaloers op zijn. Echter, alle groei in het Verenigd Koninkrijk concentreert zich in en rond Londen. Dertig procent van het bruto binnenlands product van het Verenigd Koninkrijk treft men in en rond Londen aan. Vanzelfsprekend, zou je zeggen. Metropolen genereren welvaart. Maar mensen zijn niet gewend zo te denken. NRC Handelsblad meldde dat de denktank Centre for Cities waarschuwde dat de kloof tussen de metropool aan de Theems en de rest van het land te groot wordt. "Van de commerciële banen die werden gecreëerd, was vier-vijfde in Londen. Voor elke overheidsbaan die er in Londen bijkwam, gingen er in de rest van het land twee verloren."

De Britse denktank schreef dat er een enorme ‘braindrain‘ gaande is vanuit steden als Sheffield, Bristol en Glasgow richting Londen. Het is de dienstensector die daar sterk groeit. Londen is een enorme ‘consumer city’ – een reusachtige lokale economie. Maar met de woningbouw, ook in Londen, wil het maar niet vlotten. Londen wordt dus steeds duurder en dreigt over te koken. Overal in de wereld zien we hetzelfde patroon: een aantal succesvolle metropolen groeit sterk, het platteland en de anders steden krimpen. ‘Success breeds success’. Beleid dat deze ruimtelijke concentratie tegengaat werkt niet. Zou ook onverstandig zijn. Hoe groter de inliggende metropolen, hoe succesvoller de nationale economie. Maar het heeft iets ongemakkelijks. Dat geldt ook voor het relatief kleine Amsterdam. Ook die stad is succesvol. De kloof met de rest van Nederland wordt steeds groter. De duivel schijt op de grote hoop.

Tagged with:
 

Magneet met gebreken

On 22 februari 2014, in economie, wetenschap, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 10 februari 2014:

Optimistisch is ze over de economische perspectieven van Amsterdam. De bevolking is hier gemiddeld hoger opgeleid dan elders (in Amsterdam 52 procent van de beroepsbevolking, in Nederland 38 procent), het ondernemerschap is de afgelopen tien jaar zeker verdubbeld, zowel de grijze als de groene druk is aan de lage kant, dus de Amsterdamse beroepsbevolking is relatief omvangrijk. De woonaantrekkelijkheid is groot, er zijn uitstekende universiteiten, de financiële dienstverlening is sterk aanwezig. De economie van Amsterdam is door de crisis dan ook minder geraakt. Er zijn alleen drie problemen. De lokale woningmarkt zit op slot, de regionale arbeidsmarkt toont gebreken en het openbaar bestuur is niet gemoderniseerd. De drie problemen hangen nauw met elkaar samen. Aan het woord is Barbara Baarsma, hoogleraar Marktwerking en Mededingingseconomie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van onderzoeksbureau SEO. Ze sprak voor een uitverkochte zaal de derde Amsterdam Lezing van dit jaar, gewijd aan het thema ‘Amsterdam Kennisstad’.

Met veel cijfers onderbouwde Baarsma haar analyse. Amsterdam, zei ze, is een enorme banenmotor. De stad zelf telt bijna 600.000 banen; dagelijks pendelen 310.000 mensen voor hun werk naar Amsterdam, driekwart van de Amsterdammers werkt in de eigen stad. Dat is ongekend (en buitengewoon duurzaam). Baarsma sprak van een krachtige ‘magneetwerking’ van Amsterdam. De druk op de Amsterdamse woningmarkt is groot en duidt erop dat nog veel meer mensen dicht bij hun werk zouden willen wonen. Maar dat lukt dus niet. De woningmarkt zit op slot. Dat komt doordat een deel van de woningen bezet wordt door lager opgeleiden, veelal zonder werk (18 procent). Die zouden moeten worden ‘geactiveerd’. In Amsterdam zelf zijn vooral banen voor hoogopgeleiden, daarbuiten (Schiphol, tuinbouwsector) juist voor laagopgeleiden. In plaats van nieuwe regelgeving die bijvoorbeeld ‘scheefwonen’ – het wonen in een te goedkope huurwoning – aan banden legt (dit zou volgens Baarsma het probleem alleen maar verergeren), zou de lokale woningmarkt beter kunnen worden gedereguleerd. Dit zou op termijn ook kwalitatief betere woningen opleveren, want hoe gereguleerder de woningmarkt, hoe meer ‘lekkende daken’ en hoe kleiner de woningen; dat zou onderzoek van de OESO hebben aangetoond. En het openbaar bestuur? Dat is in Amsterdam nog steeds te stroperig. Drieëntwintig taken voor de toekomstige bestuurscommissies duidt op een ingewikkeld gelaagd bestuurlijk systeem. Voor dynamiek is dat niet bevorderlijk. En de verkiezingsprogramma’s van de partijen, voegde ze eraan toe, zijn wollig, met veel open deuren. Nee, de lokale politiek wilde ze niet in. Als econoom gaf ze slechts adviezen. Daarmee gaf ze haar eigen invulling aan ‘Amsterdam Kennisstad’.

Tagged with:
 

Harde waarheid

On 13 februari 2014, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn 2014 nr.1:

 

 

Op 29 december 2013 schreef NRC Handelsblad over een omslag op de Nederlandse woningmarkt. Die omslag doet zich alleen voor in een beperkt deel van het land. Niet in Groningen, Drenthe, Zeeland en Limburg. Daar dalen de woningprijzen onverminderd. Zelfs niet in Zuid-Holland, want daar staan de meeste woningen te koop. “De jongeren en de gezinnen trekken naar de plekken met de banen, de universiteiten, het goede imago.” In en rond Amsterdam trekt alles samen. Daar is sprake van krapte op de woningmarkt. Daar zal de bevolking de komende tien jaar met zeker tien procent toenemen. En verder houden de universiteitssteden – Nijmegen, Eindhoven, Groningen – redelijk stand, maar daar zijn voldoende woningen in de aanbieding. Voor de goede verstaander: het rompertje van de Delftse professor Friso de Zeeuw krimpt gestaag. Welke reactie valt in de gebieden buiten de invloedssfeer van Amsterdam te verwachten? Ik schat: aantrekkelijk bouwen in het hogere segment, om succesvolle kenniswerkers aan te trekken. Ook goed voor de lokale economie. Een kwestie van ‘werken volgt wonen’.

Deze maand verscheen een nieuw nummer van Rooilijn. Daarin schrijven Frank van Oort en Ton van Rietbergen van de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht over het fenomeen van de stedelijke kenniseconomie. Theorieën passeren de revue. Agglomeratie-effecten zijn aanwezig. Steden doen het goed. In de kern komt het hierop neer: “In de huidige kenniseconomie lijkt het bij steden vooral om de kwaliteit van arbeid en om de rol als consumptiecentra te draaien.” Hun observatie is dat wonen geen succesvolle kenniseconomie op gang kan brengen. Sterker, zo’n succesvolle economie kun je niet zomaar maken. Van Oort en Van Rietbergen: “Dit artikel begon met de constatering dat de stad meer dan ooit de plek is waar ieders kansen op welvaart en welzijn toenemen. Steeds vaker wordt de moderne en creatieve consumptiestad hiervoor als verklaring opgevoerd. Een aantrekkelijke stad herbergt echter vooral ook veel aantrekkelijke banen in sectoren waarin kenniswerkers gedijen. Het ontbreken van een perspectief op meer van die banen door een ongunstige economische structuur, maakt dat veel steden niet of veel minder snel meegaan in de stedelijke upgrading.” Met andere woorden, investeringen in het woon- en voorzieningenklimaat helpen niet als de hoogwaardige banen er eerst niet zijn. Verspilling van energie en middelen. Dat staat ons te wachten.

Tagged with:
 

Detroit on the Clyde

On 5 februari 2014, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Deadline van 10 november 2013:

In september 2014 zal de bevolking van Schotland over eventuele onafhankelijkheid stemmen. Sommigen denken dat de Schotten beter af zullen zijn wanneer ze zich van Engeland afscheiden. Afgelopen weekeinde was ik in Glasgow, na Edinburgh de grootste stad van het land. Glasgow telt op dit moment officieel 596.000 inwoners. Sinds 1980 is het inwonertal met 16 procent gedaald, al lijkt de stad de laatste twee jaar weer iets te groeien. Ooit telde de Schotse industriestad bijna 700.000 inwoners. Toen bloeide de industriële bedrijvigheid volop langs de rivier de Clyde. De laatste decennia probeert Glasgow zichzelf opnieuw uit te vinden. Zo was de stad in 1990 Culturele Hoofdstad van Europa en in 1999 Britse stad van architectuur en design. Zaha Hadid bouwde een nieuw museum. Maar is het wel voldoende? Afgelopen november 2013 organiseerde de Universiteit van Edinburgh een congres over krimpende steden. Wachten Glasgow en Dundee hetzelfde lot als Detroit? Lokale politici ontkenden dit natuurlijk ten stelligste, maar de week voor het congres werd bekend dat scheepswerf BAE in Glasgow nog eens 1.750 banen zal schrappen. Kan de stad de krimp nog afwenden?

In Glasgow bezochten we de geniale werken van architect Charles Rennie Mackintosh (1868-1928): The Mackintosh House, Kelvingrove Art Gallery, the Willow Tea Rooms, the Lighthouse. Absoluut hoogtepunt was het bezoek aan zijn Glasgow School of Arts (1909), waar we een rondleiding kregen die dramatisch eindigde in de schitterende bibliotheek. De school was tevens Mackintosh’s laatste werk, stammend uit 1909. Op dat moment strekte zijn roem zich uit tot Wenen en Turijn. Daarna echter vertrok de Schotse architect naar Londen. Waarom, na zoveel succes? De economie kromp, vooral na 1913 was het in Schotland crisis. Glasgow bood geen werk meer aan de architect van naam en faam. Zijn werk was ook te gewaagd voor lokale opdrachtgevers. Het bureau waar hij werkte sloot in 1913 zijn deuren. Met zijn eigen bureau dat hij daarna oprichtte was hij niet in staat nog opdrachten te verwerven. In 1915 verdween hij samen met zijn vrouw stilletjes naar Londen. Om nooit meer terug te keren. Mackintosh was toen 46 jaar. Groei en krimp in Glasgow, ze zijn van alle tijden.

Tagged with:
 

Startup ecosystems

On 24 januari 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

Interessante Special Report in het Londense The Economist deze week. Over ‘Tech Startups’. Er staat een wereldkaartje bij afgedrukt met de fraaie titel ‘Bowei’s travels’. Afgebeeld zijn de belangrijkste technologische ecosystemen van de wereld. Dat zijn zogenaamde startup kolonies, waar veel jonge mensen samenkomen om met elkaar nieuwe technologische bedrijfjes te starten omdat onderwijs, ondernemerschap, financiering, cultuur en beleid hun pogingen hier goed ondersteunen.  Silicon Valley, bij San Francisco, is misschien wel de oudste. Het kaartje blijkt gemaakt door Bowei Gai, een Chinees-Amerikaanse ondernemer. Tussen januari 2013 en september reisde hij alle zesendertig ecosystemen die de wereld op dit moment telt bij langs. Hij begon in New Delhi en eindigde in Singapore. Binnenkort verschijnt van zijn hand een ‘World Startup Report’. Ook Amsterdam deed hij aan.

Bowei over zijn ecosystemen: “They often form in places where young people want to live: Berlin, Boulder, London.” Als dat zo is, dan toont het wereldbeeld volgens Bowei niet alleen de technologische ecosystemen van jonge startups, maar tevens de steden waar de kosmopolitische hoogopgeleide jeugd het liefste leeft: New York en San Francisco in de eerste plaats; in Europa zijn dat Londen, Berlijn en Parijs; maar ook Tel Aviv, Mumbai, New Delhi, Bangalore, Rio de Janeiro, Sao Paulo, Buenos Aires, Shanghai, Bangkok, Jakarta, Seoul, Tokio, Taipei, Hongkong, Helsinki en, jawel, ook Amsterdam. Vaak worden de startup bemenst door jonge internationals. Vooral in Singapore is dit opvallend; daar werken jonge mensen uit de hele wereld samen, slechts een enkeling is Singaporees. De eigen bevolking prefereert daar nog altijd een overheidsbaan. Kortom, de ecosystemen zijn kwetsbaar en overheden dienen te beseffen dat ze gemakkelijk iets kapot kunnen maken. Uiteindelijk willen alle jonge mensen het liefst in de Verenigde Staten hun bedrijfje starten. Daar is de grootste markt en het meeste geld, maar ook een paar grote steden waar jongeren maar wat graag in kolonies willen leven. En geef toe, wie wil er niet in San Francisco, Boston of New York zijn geluk beproeven?

Tagged with: