Troef van formaat

On 22 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Inventarisatie en analyse campussen’ (2014) van BCI:

Eind 2014 publiceerde Buck Consultants International (BCI) haar nieuwste inventarisatie van campussen in Nederland. Opdrachtgever was het Ministerie van Economische Zaken. In 2012 was de laatste inventarisatie gedaan. Wat is er in die twee jaar gebeurd? Nederland beschikt op dit moment over liefst 58 campussen, waarvan 39 ‘echte’. Twaalf verkeren nog in de idee-fase. Niet meegeteld zijn de campussen waar bedrijfsvestigingen weliswaar ruimtelijk zijn geconcentreerd, maar waar een bedrijfsverzamelgebouw ontbreekt of waar relaties vooral bestaan uit onderlinge leveringen of onderlinge dienstverlening. Ook onderwijs- en zorgcampussen zijn door BCI niet meegerekend. In werkelijkheid telt Nederland dus vele honderden campussen, maar Buck registreerde alleen concentraties van R&D en innovatieve bedrijven met sterke onderlinge relaties.

Opvallend positief is BCI over het fenomeen campus. "In de internationale concurrentiestrijd om R&D-centra en kenniswerkers kan een goede campus een troef van formaat zijn." Maar wat is goed? Onder goed verstaat BCI dat de campus als een magneet op bedrijven werkt en dat ze ook arbeidsplaatsen creëert. Achttien campussen bleken goed te zijn. Tussen 2012 en 2014 groeide het aantal bedrijven daar met ruim 13 procent, het aantal arbeidsplaatsen met 22,5 procent. Het campusbeleid is decentraal beleid dat wordt gemaakt op provinciehuizen. Vandaar dat het rapport cijfers levert per provincie. Buck’s opmerking dat "in bijna alle provincies" de werkgelegenheid daalde maar dat die op de volwassen campussen juist groeide, moet bedoeld zijn voor provinciehuizen om vooral door te gaan op de ingeslagen weg. Slechts in één provincie daalde de werkgelegenheid niet. Dat was Noord-Holland, zeg maar Groot-Amsterdam. Die metropool beschikt door zijn grootstedelijkheid over voldoende innovatief vermogen. Die is pas een troef!

Tagged with:
 

Elektronisch trekpaard

On 21 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 maart 2015:

Alweer bijna vergeten. Op 27 maart 2015 legde een stroomstoring een groot deel van Noord-Holland plat. De oorzaak was een probleem in een hoogspanningsstation van Tennet in Diemen. Verkeerslichten werkten niet meer, mensen zaten vast in de lift, treinen vielen uit, vliegtuigen bleven aan de grond, geldverkeer was onmogelijk, ziekenhuizen schakelden over op noodstroomvoorzieningen; datzelfde gold voor de radio en televisie-studio’s in Hilversum en …. datacenters. Een miljoen huishoudens in en rond Amsterdam had urenlang geen stroom. Nog maar kort daarvoor, op 11 maart, had het Parool een bericht over de snelle toename van het stroomverbruik in uitgerekend deze regio geplaatst. Dat kwam, aldus de krant, met name door de vele nieuwe datacenters en ICT-bedrijven die zich op dit moment  in en rond de hoofdstad vestigen. Tussen 2010 en 2013 was sprake van een groei van liefst 15,8 procent. 

De gegevens waren opmerkelijk. Dit is wat ik las: de totale ICT-branche in Nederland verbruikte in 2013 in totaal 2,7 miljoen kilowattuur aan stroom – evenveel als het verbruik van 900.000 huishoudens. Bijna de helft daarvan (43%) werd verbruikt in de provincie Noord-Holland. Ter vergelijking: in Zuid-Holland is dit aandeel slechts 12,7 procent. In Rotterdam, Den Haag en Utrecht daalde het nota bene, in Den Haag zelfs met een vijfde. Brabant werd niet genoemd. Van alle stroom die Noord-Holland verbruikt gaat nu al 9,4 procent naar de ICT-sector. Het verschil met de rest van Nederland wordt snel groter. Aan de cijfers van het veranderende stroomverbruik zie je dat de Amsterdamse regio binnen Nederland steeds meer als het economische trekpaard fungeert en hier en daar zelfs de trekken krijgt van een Silicon Valley. De grote gangmaker is de Amsterdam Internet Exchange, een van de belangrijkste internetknooppunten ter wereld. In dit licht bezien is de kwetsbaarheid van de stroomvoorziening zoals op die 27ste maart 2015 een majeur punt van aandacht. Nu nog glasvezel. En, vanwege de opslingering, een grotere maatvoering van de stad.

Tagged with:
 

Onbespreekbaar

On 4 mei 2015, in economie, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘REOS Internationale vergelijking’ (2014) van Deltametropool:

REOS Vergelijking: Thema Economic Future Europe

Najaar 2014 publiceerde de Vereniging Deltametropool op verzoek van de rijksoverheid een cahier over economische concurrentiekracht van stedelijke gebieden in Nederland. Het gaat hier om de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Eindhoven: het zogenaamde REOS-gebied. Die concurrentiekracht valt danig tegen. De Organisatie voor Ontwikkeling en Economische Samenwerking, de OESO, schreef dit euvel toe aan gebrek aan agglomeratiekracht. Anders gezegd, de Nederlandse grote steden zijn te klein. Centrale vraag was dus: hoe kan de concurrentiekracht van dit dun verstedelijkte landsdeel worden vergroot? Het Rijk is op zoek naar een gezamenlijke strategie. Om de vraag te beantwoorden deed de vereniging een internationale vergelijkende studie van een aantal Europese stedelijke gebieden die met de genoemde Nederlandse steden zouden concurreren. Echter, alles deed ze eraan om te voorkomen dat het ontwikkelen van één grote stad zou worden geagendeerd. Want wat rolde uit de studie?

Zoals zo vaak: wat je erin stopt rolt er ook weer uit. De vereniging koos vier thema’s: polycentrische variëteit, smart delta, economic future Europe en ‘place to be’. Zeg maar: woon- en leefkwaliteit, technologie en innovatie, mainports en connectiviteit, internationale uitstraling. Bij elk thema figureerden telkens vier vergelijkbare Europese steden. In totaal werden 20 steden geanalyseerd. Scores in deze quick scan zijn zowel kwantitatief als kwalitatief. Wat blijkt? Zes steden (Londen, Parijs, Kopenhagen, Stockholm, Berlijn, Wenen) scoren goed op alle vier de thema’s, het REOS-gebied echter niet. Wat kenmerkt die zes? Ze hebben één grootstedelijke kern. Omdat die configuratie in Nederland ontbreekt, aldus de vereniging, lijkt het haar raadzaam te kiezen voor regionale specialisatie en REOS eerder te meten met steden als Grenoble, Frankfurt en Zürich: "De onderzochte regio’s maken duidelijk dat niet alleen de grote steden steeds de winnaars, maar ook kleinere steden dingen mee op specifieke onderdelen." Laat me raden: Eindhoven krijgt smart delta, Rotterdam economische toekomst Europa, Den Haag polycentrische variëteit en Amsterdam ‘place to be’. Weer het oude Randstadliedje. Overigens, een stad als Detroit laat duidelijk zien dat regionale specialisatie op termijn ook weer tot verval leidt. Nooit doen dus! Het mogelijk maken van een echte grote complexe stad blijft in dit land ook in de 21ste eeuw kennelijk onbespreekbaar.

Consolidatie

On 19 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Global City-Regions” (2004) van Allen Scott:

 

 

De beste tweet naar aanleiding van mijn ingezonden brief in Het Parool van zaterdag 18 april 2015 kwam al vroeg die ochtend. Hij was afkomstig van Ger Baron, Chief Technology Officer van de gemeente Amsterdam. Ger tweette: ‘het voelt toch nog een beetje tweede industriële revolutie denken. Schaal wordt minder interessant.’ Ger reageerde op mijn pleidooi voor het bouwen van grote steden in Nederland, dus om onze grote steden de komende jaren flink op te schalen. Niet omdat dat zo lollig is of omdat dit Amsterdam bevoordeelt, maar omdat schaalgrootte voorwaarde is voor welvaartsgroei in de eenentwintigste eeuw. Eén grote stad genereert nu eenmaal meer welvaart dan een verzameling kleine steden. We hebben het over het vraagstuk van de zogenaamde ‘agglomeratievoordelen’ en onze positie in de wereld. Ger vond het kennelijk een oud verhaal. Door technologische ontwikkelingen zou de schaal van steden er minder toe doen. Werkelijk?

In ‘Global City-Regions’ (2004) staat een essay van Saskia Sassen over wereldsteden en hoe stad en stedelijk netwerk zich tot elkaar verhouden. Sassen is hoogleraar sociologie aan de University of Chicago en ‘visiting professor’ aan de London School of Economics. Het laatste deel van haar uitstekende artikel is vooral interessant. In ‘In the digital era: more concentration than dispersal?’ stelt ze precies de vraag die Baron op voorhand al beantwoordt. Wereldwijd, stelt Sassen vast, is sprake van consolidatie. Drie steden zijn nu dominant: Londen, New York en Tokio. Samen met nog vijf andere bepalen ze 85 procent van de wereldmarkten. Ook in elk land afzonderlijk is sprake van consolidatie: binnen de VS New York, binnen Canada Toronto, binnen Australië Sydney, binnen Brazilië Sao Paulo, binnen India Mumbai, binnen Nederland Amsterdam. Consolidatie is iets anders dan schaalgrootte want gaat over macht. Toch uit ze zich in groei. Waarom lijkt alles samen te trekken in die ene stad? Sassen noemt drie redenen: 1. sociale connectiviteit wint aan belang doordat technologische connectiviteit is verzekerd; 2. vooral in het financiële bepalen landsgrensoverschrijdende stedelijke netwerken de ontwikkelingen, 3. de institutionele arena’s denationaliseren en elites maken zich los van landen. ‘Global Cities’ bepalen nu de economie. Ze hebben een bepaalde complexiteit en schaal. “Whether this is good or bad is a separate issue; but it is, I believe, one of the conditions for setting in place the systems and subcultures necessary for a global economic system.” In Nederland doen we nog steeds alsof we rond Vadertje Staat zijn georganiseerd en elk keurig zijn deel krijgt.  Ger Baron, word wakker!

Tagged with:
 

Reputatie

On 13 april 2015, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gehoord in New York op 30 maart 2015:

Columbia-University_Morningside1-e1366638271780-537x350[1] 

Edith Hsu Chen is deputy director van het Manhattan Borough Office van de gemeente New York. We spraken haar in Reade Street, op loopafstand van City Hall. Onderwerp: de universiteiten in de stad. Ze vertelde ons dat er een trek heeft plaatsgevonden van de universiteiten uit de buitenwijken en de voorsteden naar het centrum van New York. De meeste universiteiten hebben zich nu stevig genesteld op Manhattan, de duurste grond op aarde. Columbia University – een Ivy League universiteit – had al haar campus in West Harlem maar opent binnenkort fase 1 van haar nieuwe, iets noordelijk gelegen campus in Manhattanville.  NYC University kwam van buiten, maar zocht positie rond Washington Square, in de West Village, en heeft daar grote uitbreidingsplannen die overigens door de buurt worden geblokkeerd. Cornell heeft de tender gewonnen en opent in 2017 op Rooseveldt Island, tegenover East Manhattan, een geheel nieuwe campus. Daar ook bevinden zich alle grote medical schools en ziekenhuizen. Cooper Union pleegde kostbare nieuwbouw in de East Village en dreigt daaraan zelfs failliet te gaan. Waarom willen alle universiteiten toch op Manhattan zitten? Het is de naam, de plek, de reputatie, de prijs, de grootstedelijkheid.

Lastig is het wel. Buurtbewoners verzetten zich hevig tegen de uitbreidingsplannen. De nieuwbouw is vaak groot, grof, zelden fraaie architectuur. Vooral de dormitories moeten het ontgelden: niemand wil zoveel studenten in de buurt. En duur is het ook. Maar de private universiteiten kunnen het zich permitteren. Hun alumni doneren, bedrijven betalen mee, desnoods schroeven de universiteiten de tuition fees van hun studenten op. Die betalen toch al fortuinen. Trouwens, vastgoed op Manhattan is zeker voor private universiteiten een uitstekende belegging. Kortom, door zich op Manhattan te vestigen stijgt de reputatie van de universiteiten, bieden zij aan studenten een unieke ervaring, melden zich daardoor de grootste talenten, groeit de winstgevendheid. Chen zei dat de stad na de financiële crisis van 2008 zich op de nieuwe groeisectoren van het onderwijs en de volksgezondheid richt. Zij trekken bedrijven en jong, koopkrachtig talent uit de hele wereld aan. Bovendien scheppen ze nieuwe banen. Ze sloot niet uit dat hier een even grote zeepbel zal ontstaan, die op een gegeven moment uiteen kan spatten. In het vliegtuig op de heenreis las ik een Special Report van The Economist over de wereldwijde dominantie van Amerikaanse universiteiten waarin in feite hetzelfde wordt beweerd. Geld en reputatie worden belangrijker dan onderwijs. Dit kan niet goed gaan.

Tagged with:
 

Aftrap Volksvlijt2016

On 8 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gehoord bij AMS, Mauritskade Amsterdam, op 8 april 2015:

Ruim 120 mensen woonden vandaag de aftrap van Volksvlijt2016 bij. In twee rondes werden aan telkens twaalf tafels parallelle gesprekken gevoerd over de toekomstige economie van Amsterdam. Ontwerpers leidden de gesprekken. Deelnemers waren ondernemers, kunstenaars, burgers, studenten, vrijgestelden, vertegenwoordigers van NGO’s, een handjevol ambtenaren, een paar collega’s van de Board, mannen vrouwen fifty fifty, allemaal heel divers. Alleen de bestuurders ontbraken helaas, ook niet de managers. Die hadden het bij nader inzien toch te druk. Wie er wel was kreeg alle ruimte om bij te dragen. Zelf woonde ik twee gesprekken bij: ‘s ochtends over de staalcampus in en rond Velsen, ‘s middags over de mediacampus in en rond Hilversum. Alles inhoudelijk, verkennend, open, afwisselend, boeiend. Wat er zoal ter tafel kwam? Veel. Eerst de staalcampus. Daar, op het terrein van Tata Steel, blijken twee heel zeldzame soorten mossen te groeien: kalkpurpersteeltje en schaduwdubbeltandmos. Op een onooglijk parkeerterrein vol slakken en ander bedrijfsafval groeit de een, terwijl mos nummer twee massaal tegen een muur van een stalen loods is gevonden. Wist ik niet.

Wat de staalcampus nog meer te bieden heeft: een symfonie-orkest, een conservatorium, een vitale stoomtreinenvereniging, enorme rangeerterreinen, een brandweercorps, walsen, ovens, laboratoria, het fijnste staal van de wereld, een brandwondenziekenhuis. En steenkool natuurlijk, en erts. Wisten we allemaal niet. Ook ontdekten we in het zuidelijke deel van de gemeente Velsen dure villa’s met enorme hoeveelheden paarden, in de richting van de zee innovatieve visverwerkingsbedrijven, aan het strand een werkloze jachthaven, een cruiseterminal en een twee kilometer lang strand vol kite-surfers. We stelden bevolkingskrimp vast. Keken we meer regionaal, dan bespeurden we een visconnectie, een Turkse connectie, een Indiase connectie, een Noord-Hollandse connectie. Moeiteloos regen we alles aaneen via de zogenaamde Westas langs de A5, opgespannen tussen de luchthaven, de zeehaven en Tata Steel. En hoe zit het met nieuwe materialen? Waar zijn hier de start-ups, de spin-offs? Iemand herinnerde zich het logo van Hoogovens, destijds ontwikkeld door Jurriaan Schrofer: een zeester gevormd door vijf blokken gekanteld staal. Vuur, stelden we vast, is de verborgen kracht van de staalcampus. Vuur trekt mensen aan. Vuur aan zee, dat wordt voor ons de nieuwe staalcampus.

Tagged with:
 

Een sociale economie

On 26 maart 2015, in boeken, economie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Zero Marginal Cost Society (2014) van Jeremy Rifkin:

Na het lezen van het nieuwste boek van Jeremy Rifkin is me duidelijk geworden dat het kapitalisme zoals wij dat kennen op zijn einde loopt. Karl Marx krijgt alsnog gelijk. Door het samenvloeien van informatietechnologie, logistieke technologie en energietechnologie  tot één ‘Internet of Things’ (IoT) zullen de marginale kosten van arbeid tenderen naar nul. Alles zal binnen hooguit een à twee decennia vrijwel gratis verkrijgbaar zijn. Als een zenuwstelsel zal dit IoT de hele wereld omspannen en alle menselijke activiteit samenbrengen in één verbonden ‘global Commons’. “This is what we mean when we talk about smart cities, smart regions, smart continents, and a smart planet.” Wat gaat dit voor de mensheid betekenen? Grote organisaties, enorme kapitaalinjecties, directieve topdown-sturing, ze zijn dan overbodig geworden. Ze waren tijdens de Tweede Industriële Revolutie voor overheden en bedrijfsleven nog nodig om samen wegen en spoorwegen aan te leggen, auto’s en treinen te maken, zeehavens te graven, steden te bouwen, maar nu is dat voorbij. De afbraak is al begonnen. Ervoor in de plaats treedt de Commons.

Wat gaat dit betekenen? In ieder geval: steeds minder de nadruk op financieel kapitaal, steeds meer op sociaal kapitaal. Anders gezegd, we moeten leren samenwerken. Met velen tegelijk. Een kapitalistische markteconomie maakt plaats voor een open, op samenwerking gerichte, verdelende en genetwerkte structuur. Of beter, naast de overheid en de markt ontstaat een derde partij: het open platform. Het slechte nieuws is dat het IoT veel banen zal vernietigen. Tegelijk echter creëert ze hele nieuwe banen. De meeste in de non-profitsector. Rifkin schat dat dit rond 2050 de meerderheid van de banen zal zijn. De traditionele kapitalistische economie zal nog slechts gerund worden door een kleine klasse van professionele en technologische specialisten. Het onderwijs zal daarom op een geheel andere leest moeten worden geschoeid. Het zal ons gereed moeten maken voor een sociale economie waarin wij op ongekende schaal leren samenwerken, delen, uitwisselen en meebeslissen, ook met dieren, planten, hele ecosystemen. Kijk, dat is nou Volksvlijt. Jonge mensen doen het al. Een ziener, die Rifkin.

Tagged with:
 

No future growth

On 23 maart 2015, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op Phys.org van 26 oktober 2012:

Een bericht op Physics.org zette me op het spoor van een onderzoek van Richard Hausmann, Harvard University, en Cesar Hidalgo, MIT Boston, naar welvaartsgroei van landen. Wat bepaalt hun welvaartspeil en hoe kan economische groei worden voorspeld? In ‘The Atlas of Economic Complexity’ verklaren deze wetenschappers nationale welvaart uit de collectieve kennis van een land. In hun boek drukken ze deze maat uit in ‘economische complexiteit’. Hoe diverser en gespecialiseerder de banen van de beroepsbevolking van een land, hoe groter hun vermogen om complexe producten te maken en hoe hoger hun welvaartspeil. “The secret to modernity is that we collectively use large volumes of knowledge, while each of us holds only a few bits of it.” En: “Society functions because its members form webs that allow them to specialize and share their knowledge with others.” Van 128 landen analyseerden de onderzoekers de collectieve kennis en vormden hiermee een Economic Complexity Index (ECI). Op die index staat Nederland allesbehalve bovenaan. Dat zijn Japan, Zwitserland en Duitsland. Ook Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië zijn complexer. Nederland bevindt zich iets rechts van het midden, op het niveau van landen als Ierland, Mexico en Noorwegen.

Wel is het welvaartspeil in Nederland een flink stuk hoger dan je op grond van haar economische complexiteit zou mogen verwachten. Aardgas kan dit niet verklaren, want daarvoor hebben de onderzoekers de index gecorrigeerd. Het gaat hier puur om de aard van onze nationale economie: die wordt gedomineerd door chemie, logistiek en landbouw – sectoren die niet erg complex zijn. Het ontbreken in Nederland van grote steden als Londen, Milaan, Rome en Parijs, met veel collectieve intelligentie, breekt ons op. Ondertussen ontwikkelen andere landen wèl grote steden. So what? We verdienen toch goed? Zeker, dat is waar. Maar de afwezigheid van een grootstedelijk milieu schept geen gunstige vooruitzichten. “If a country had a lower level of income than was expected for its level of complexity, the researchers predicted that the country would experience more growth in order to ‘catch up’. In other countries, the level of income was higher than expected based on their level of complexity, suggesting that these countries would not experience future growth.” Onze Agenda Stad is daarmee gevormd: bouw in Nederland eindelijk een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

Er geen doekjes om winden

On 13 maart 2015, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 9 maart 2015:

Phillip's Economic Computer, 1949.

Bill Phillips kennen economen van de zogenaamde ‘Phillips curve’. Die geeft een voorspelling van de werkloosheid gerelateerd aan de inflatie. Phillips was een Australiër die zijn carrière begon als krokodillenjager. Later runde hij een bioscoop. Weer later voer hij op grote schepen om de cv-installaties aan boord te onderhouden. Op 31 jarige leeftijd ging hij alsnog sociologie studeren. In Londen. Aansluitend koos hij voor een master economie. Echter, zijn cijferlijst was ronduit beroerd. Toch werd hij tot de LSE toegelaten. Daar faalde hij. Maar bij de mislukking legde hij zich niet bij neer. Hij wilde economie echt begrijpen. Daartoe bouwde hij in zijn schuur in drie maanden tijd een machine waarmee hij de economie simuleerde: een cv-installatie waarin water de rol van geld had. Water stroomt. Geld ook. Door de machine leerde hij economie eindelijk zelf begrijpen en ontdekte hij zowaar zijn ‘Phillips curve’. Keynes zou met de machine ooit nog eens een economisch vraagstuk hebben opgelost.

Tot zover het eerste deel van de Amsterdamlezing van Bas Haring, hoogleraar Publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit Leiden, afgelopen maandag in CREA op Roeterseiland te Amsterdam. Wat wilde Haring met het verhaal over Bill Phillips zeggen? Vier lessen trok hij eruit. Les 1: stel vragen, moffel niets weg, 2. ga zelf aan de slag en vraag je af hoe het precies zit; 3. beperk je niet tot teksten, maar máák dingen die verhelderen; 4. jouw levensloop ligt niet vast, die is onvoorspelbaar. En verder vertelde hij vooral over zijn eigen late kennismaking met de economische wetenschap. Zijn respect voor economen bleek groot. Dus de vraag rees waarom de economen bij het brede publiek hebben afgedaan en op dit moment zo’n statusval doormaken. Iemand in de zaal bekende dat hij de lobbyist van de taxibranche in het journaal op televisie nog eerder vertrouwde dan de zogenaamd onafhankelijke econoom. Haring: ‘Misschien omdat ze zulke slechte voorspellers zijn.” En waarom werken de economen niet veel meer met andere disciplines samen? Haring wist het niet. Hij sprak heldere taal, gebruikte mooie voorbeelden, was heel open. Hij wond er geen doekjes om.

Tagged with:
 

De opslingering van Amsterdam

On 10 maart 2015, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Besproken in B.Amsterdam op 6 maart 2015:

couleurlocale

Couleure Locale klinkt misschien kneuterig, maar is het beslist niet. Het betreft een initiatief van Emilie Vlieger en Kris Oosting. In het kader van het Jaar van de Ruimte 2015 organiseren deze twee jonge Utrechtse ondernemers het komende jaar een aantal Ruimteverkenningen op verschillende plekken in Nederland. De eerste vond afgelopen vrijdag plaats in Amsterdam. Daarvoor kozen ze als locatie B.Amsterdam – de nieuwe broedplaats naast IBM in Nieuw-West – , ze namen de internationale concurrentiepositie van Amsterdam als thema en, getriggerd door een interview met hem in Vrij Nederland, vroegen ze Zef Hemel als spreker.  Aansluitend nam Vincent Kompier, overgekomen uit Berlijn, de circa dertig deelnemers mee op metro-excursie. Het gezelschap, afkomstig uit heel Nederland en Vlaanderen, bezocht o.a. de Zuidas en het Marineterrein, waar Startup Delta is gevestigd. Wat was hun indruk? Ik vermoed, na de lezing, dat ze vooral in verwarring waren gebracht.

De lezing van Hemel ging over ‘De opslingering van Amsterdam’. Daarmee wilde hij zeggen dat er feitelijk geen keuze is: Amsterdam wordt door mondiale krachten opgeslingerd. Wie goed oplet ziet dat aan de lokale toeristenmarkt (‘drukte in de stad’), de woningmarkt (‘Amsterdam is een spons’), de kantorenmarkt (verziekt, maar op de Zuidas geen leegstand), enzovoort. Die opslingering komt door de verknoopte mondiale netwerken, de waarde van het merk ‘Amsterdam’ in de wereld, glasvezel en internet en nog zo wat zaken waarvan de betekenis de landsgrenzen verre overstijgt. Het enige wat we kunnen doen is de groei van Amsterdam proberen af te remmen. Dat doen we dan ook met volle kracht. Amsterdam zelf creëert bewust schaarste om vastgoedprijzen hoog te houden, haar bevolking wil liefst niet groeien en klaagt over de drukte, de regering, gesteund door het Interprovinciaal Overleg en in de nek geblazen door de Tweede Kamer, spreidt en smeert programma’s en geld uit over de provincies onder het mom van verdelende rechtvaardigheid, ruimtelijke ordening in Nederland is per definitie distributieplanologie opgevat als eng-nationaal gezelschapsspel, Europa ten slotte gedraagt zich als een fort dat immigratie verhindert. “Waarom zou je als Amsterdam ook moeten willen groeien?”, was de vraag die het bij de aanwezigen opriep. Inderdaad, de vraag stellen alleen al. De Nederlanders vonden het maar negatief, de Vlamingen juist verfrissend. Ik vlieg vandaag naar Seoul, waar men wel bereid is op te slingeren.

Tagged with: