Smart Cities

On 5 november 2014, in duurzaamheid, economie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Smart about Cities’ (2014) van Maarten Hajer en Ton Dassen:

Vorige week een masterclass gegeven aan veertien internationale studenten uit het Amsterdam Excellence Scholarship-programma van de UvA en zeven excellente studenten uit verschillende masterprogramma’s binnen Nederland. Onderwerp: ‘Smart Cities’. Drie uur lang spraken we over het onderwerp aan de hand van het recent verschenen boek van het Planbureau voor de Leefomgeving, i.c. het essay van Maarten Hajer. In ‘On Being Smart about Cities’ stelt de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving dat het vertoog over slimme steden tot nu toe a-historisch is en zich weinig gevoelig toont voor sociale context waarin steden zich ontwikkelen. Technologische preoccupatie staat een bredere, meer vruchtbare benadering in de weg. Steden moeten economische groei combineren met ambitieuze duurzaamheidsdoelen die per saldo zullen leiden tot beduidend minder energie- en grondstoffengebruik. Juist een meer historische en gedragswetenschappelijke aanpak is hard nodig om te overleven.

Doordat de studenten uit alle studierichtingen behalve geografie en planning afkomstig waren konden we het onderwerp onbevooroordeeld bespreken. Moeiteloos schakelden we tussen fundamentele vragen als ‘wanneer en hoe veranderen wij ons gedrag?’ naar ‘hoe intelligent zijn steden?’ Tussendoor ging het over: ‘welke invloed heeft onze omgeving op ons gedrag?’ en ‘wat is het verschil tussen ons aanpassen en creatief zijn?’ Ook stonden we stil bij de vraag of een kritische houding en het koesteren van wetenschappelijke twijfel voldoende zijn om ons snel aan kunnen te passen aan een veranderende omgeving. Is, anders gezegd, de wetenschap wel voldoende wendbaar en innovatief? Tegenover hoogtechnologische steden als New Songdo plaatsten de studenten, waarvan sommigen zelf afkomstig uit India en Midden Amerika, de slums en favela’s van Mumbai en Mexico City. Overheden maken daar steeds dezelfde fouten. Biedt de ’smart city’ daar wel oplossingen voor? Een student vroeg: wat is het doel van steden? Dat wisten we niet goed. We refereerden aan de natuur. Vergelijkingen werden gemaakt met dieren en planten. Welke organismen passen zich het snelste aan? Ondertussen vertelden we elkaar verhalen, uitmondend in de speculatie dat fictie met zijn spanningsboog en vermogen om soms miljoenen mensen te boeien, veel meer dan non-fictie, ons zou kunnen redden. Iemand wilde weten waar dit gesprek nu precies over ging.

Tagged with:
 

Nachtleven is duurzaam

On 8 oktober 2014, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De hardnekkigheid van de 9 tot 5-economie’ (2009) van Paul de Beer:

MIRIK MILAN _ PREFEITO DA NOITE EM AMSTERDA

Het geklaag, vooral afgelopen zomer, over de enorme drukte in Amsterdam bleek iets typisch Amsterdams. Nu klagen Amsterdammers graag – daar niet van -, maar dat is niet wat ik bedoel. Wel dit: de door Amsterdammers ervaren drukte doet zich alleen voor in (het centrum van) Amsterdam, in de rest van Nederland is het veel rustiger. Vergelijk het straatbeeld zelfs in Rotterdam maar eens met dat in Amsterdam. Amsterdam kookt over, Rotterdam nog in het geheel niet. Deels zijn het de stromen toeristen, waaronder heel veel dagjesmensen, deels groeit gewoon het inwonertal van de hoofdstad gestaag, elk jaar met 15.000. Elders in Nederland is eerder sprake van krimp, van toenemende rust en stilte. Er is geen andere conclusie mogelijk. Die enorme stromen mensen kunnen hier niet meer tussen negen en vijf worden geaccommodeerd. Amsterdam maakt zich op voor een heuse 24-uurs economie. De grootste stad van Nederland wordt eindelijk volwassen.

Volgens de econoom Paul de Beer is er in Nederland beslist geen sprake van langere werktijden. Volgens cijfers uit 2009 blijkt althans hier niets van. De Beer: "Voor zeven uur ’s ochtends en na zes uur ’s avonds is vrijwel niemand aan het werk." Dat zal best, maar dat zijn landelijke cijfers. In Amsterdam lijkt mij dat niet (meer) het geval. En het is ook logisch. Bij een bepaalde omvang gaat een stad niet meer slapen, dan dendert ze door. Dat zie je in echte grote wereldsteden als Londen, Sao Paulo, Tokio, New York en Parijs. Dat is buitengewoon duurzaam, goed en profijtelijk en, zeker, overlast geeft het hier en daar ook. Voorzieningen worden hierdoor echter optimaal benut, nieuwe banen worden gecreëerd, inwoners en bezoekers worden langer en beter in alles bediend. Nederland is nu nog provinciaals, de regelgeving wordt overwegend in Den Haag gemaakt. Al jaren pleit nachtburgemeester Mirik Milan (foto) voor ruimere openingstijden. Zo stelde het vorige B&W van de hoofdstad ruim een jaar geleden al enkele 24-uurs zones voor de horeca in en ik zag een pleidooi van de Amsterdamse afdeling van D66 voor meer nachtvergunningen en ruimere openingstijden. Supermarktjes, bakkers, drogisterijen, ze moeten ook ’s avonds laat open kunnen zijn. Amsterdam zoekt naar een nieuwe balans.

Tagged with:
 

Land grabbing

On 28 juli 2014, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in Almere op 22 juli 2014:

Eenentwintig studenten Urban Studies uit Singapore, China, Europa en de Verenigde Staten bezochten afgelopen week de nieuwe stad Almere tijdens een summer school van de Universiteit van Amsterdam. De ochtend brachten we door in het stadscentrum, de middag in het Homeruskwartier in Almere Poort. In een lezing van Marcel Stolk, strategisch adviseur van de gemeente, maakten ze kennis met de ‘Almere Principles’ rond duurzaamheid en met nieuwste ruimtelijke strategieën van de gemeente. Het nieuwe stadscentrum van OMA zagen de studenten vooral als ‘architectuur’, als een enorme megastructuur die in de gemiddelde Amerikaanse suburb zeker niet zou misstaan. Het was architectuur vooral bedoeld om mensen aan te trekken die er nu nog niet waren. Toch oordeelden de Amerikanen uiteindelijk positief: hier leek het te werken, afgaande op de mensen op straat, die best gelukkig leken. De grote vraag voor hen was alleen: wie betaalt dit allemaal? De Japanse studenten hadden hun eigen favoriet: het theater van Sanaa architecten aan het Weerwater. Hier voelden zij de serene rust en harmonie uit hun vaderland. Jammer alleen dat het theater gesloten was. Dat zou in Japan nooit gebeuren.

De nieuwste ruimtelijke praktijken in Homeruskwartier en het toekomstige Oosterwold riepen bij de meeste studenten vooral vragen op. Ze hadden zeker vragen toen ze hoorden dat door de crisis de dichtheid van de nieuwbouw in Almere nog lager werd. Toen ze Homeruskwartier bezochten viel het ze mee: die woonwijk leek op een doorsnee Amerikaanse suburb, alles georiënteerd op de auto, zij het met wel erg weinig ruimte tussen de woningen. De typologie vonden ze ouderwets Amerikaans. Hier opnieuw de vraag: wie betaalde dit allemaal? Ten aanzien van Oosterwold konden ze het domweg niet geloven: 4.300 hectare onttrekken aan de landbouw, nog wel de vruchtbaarste grond ter wereld, om vervolgens in een absurd-lage dichtheid van 5 woningen per hectare te gaan bouwen, dat was toch pure ‘land grabbing’? (= grond doelbewust onttrekken aan de landbouwproductie door regeringen en multinationals om biobrandstoffen e.d. te verbouwen) Datzelfde gebeurde in Oost-Afrika en Zuid-Amerika op grote schaal. Dat was niet goed, ze keurden het af. Zorgen, zo bleek, hadden ze over de voedselvoorziening in de wereld.

Tagged with:
 

Swimming pool

On 11 juni 2014, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in het Paleis op de Dam op 3 juni 2014:

De lezing van de Amerikaanse econoom Ed Glaeser in het Paleis op de Dam, afgelopen week, bood de genodigden precies waarvoor ze gekomen waren: een flitsende, razendsnelle en meeslepende voordracht over ‘Triumph of the City’, nu vergezeld van diagrammen die in het vuisdikke boek helaas ontbreken. De snelheid waarmee de statistieken de revue passeerden was echter niet bij te benen – wat Glaeser deed was echt Harvard-style. Velen haakten dan ook af. Maar de kern bleef overeind, die was gewoon briljant en kraakhelder: stedelijke dichtheid is bepalend voor kennis, duurzaamheid, voorspoed, innovatie. Hoe dichter de pakking en hoe meer congestie, hoe beter. Zelfs het aandeel zelfmoorden daalt als de stedelijke dichtheid toeneemt. Die dichtheid kan, kortom, niet hoog genoeg zijn. Jane Jacobs moest het in zijn lezing ontgelden, ze had althans dit aspect niet goed begrepen. Daarna moest hij weg, naar Londen.

Na het diner sprak Juan Clos, de voorzitter van UN-Habitat. Zijn lezing bood opnieuw een mondiaal perspectief, Clos was beter te volgen omdat hij rustiger sprak. Maar zijn kernboodschap week niet af van die van Glaeser. Dichtheid is belangrijk; 3% van het aardoppervlak is nu stedelijk; 12% is vruchtbaar; een verdubbeling van het stedelijk gebied zou neerkomen op 6%: dat zou betekenen dat wij onszelf niet meer kunnen voeden. Eerder, tijdens het diner, had ik met Clos aan tafel gezeten. Wat hij daar had opgemerkt, verwoordde hij helaas niet meer plenair. De gemiddelde stedelijke dichtheid in de wereld, zei hij toen, is weer dalende. Dat is alarmerend nieuws. Hem gevraagd naar de reden voor deze recente daling, sprak hij over het zwembad als nieuw stedelijk fenomeen. Overal op de wereld (en vooral langs de evenaar) willen mensen tegenwoordig een zwembad in hun tuin of tenminste binnen de ‘gated community’ waar ze wonen. Door de snelle opmars van het zwembad daalt de gemiddelde stedelijke dichtheid mondiaal. Het zwembad zelf is al niet duurzaam, maar de ruimtelijke impact ervan blijkt catastrofaal. En hierdoor worden we dus ook minder innovatief, minder duurzaam, minder welvarend. Het gegeven stemde Clos weinig optimistisch. Ik vrees dat hij gelijk heeft.

Tagged with:
 

Bijen in de metropool

On 7 mei 2014, in duurzaamheid, gezondheid, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 7 mei 2014:

Summer school ‘’Thinking City’, een samenwerking van de UvA en de TUD, krijgt vorm. Ruim honderd studenten uit de hele wereld zullen komende zomer twee weken lang in tien studio’s werken aan maatschappelijke vraagstukken in Amsterdam. Een van die vraagstukken betreft de bijenstand in de stad. Sinds 1960 mogen imkers in Amsterdam honingbijen houden. Zo’n zestig imkers zijn op dit moment in de stad actief. Hun aantal groeit. Onlangs werd een bijeneiland geopend in het Erasmuspark in West. De vraag is nu: hoeveel honingbijen kan de stad hebben? Is er wel voldoende groen met ecologische waarde? In hoeverre is er sprake van concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen? En hoe reageren stedelingen op het houden van bijen in hun directe omgeving? Maar eerst het goede nieuws: bijensterfte is hier nog altijd ruim onder het vervangingsniveau en de laatste jaren in Nederland gelukkig ook niet hoog. Anders gezegd, al is de bijensterfte de laatste tien jaar toegenomen, toch kunnen de imkers het aantal volkeren nog laten toenemen.

Vanwaar dan al die recente opwinding over bijensterfte? We vroegen het aan Oscar Vrij van de bijenvereniging Bijenpark. Veel van de opwinding wijt hij aan onwetendheid van de mensen. En de bron van alle opwinding is volgens hem New York. Enkele jaren geleden werd ook daar het houden van bijen eindelijk toegestaan. Sindsdien maakt iedereen in die metropool zich druk om het welzijn van de beestjes. Maar wat weten de stedelingen eigenlijk van dat wonderlijke volkje? Hun lokale opwinding verspreidt zich sindsdien over de hele wereld. De bijensterfte is in Amerika trouwens aanzienlijk omvangrijker dan in Europa. Die sterfte wijt Vrij vooral aan het jaarlijkse gesleep met de bijen door het land, niet zozeer aan het gebruik van insecticiden door boeren. In het seizoen trekken vrijwel alle imkers van Amerika naar Californië voor de bevruchting van de amandelbomen. Door die concentratie wordt de kans op virussen volgens hem sterk vergroot. Kortom, de Amerikaanse imkers veroorzaken de sterfte dikwijls zelf. In Amsterdam begon de aandacht voor het houden van bijen pas toe te nemen nadat Frank Mandersloot zijn kunstwerk ‘Voor de bijen’ in het Rietlandpark had geplaatst. Die bijen hebben het niet overleefd. Gebrekkige kennis, dat is eigenlijk het grote probleem.

Tagged with:
 

River Urbanism

On 15 maart 2013, in duurzaamheid, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Anarchist Gardener’ (2012):

De ‘Ruin Academy’ is een platform waar alle kennis samenkomt met betrekking tot de ‘Derde Generatie Steden’ – de ruïnes van de industriële stad. Het staat te lezen in een publicatie die ik meenam van mijn laatste reis naar Taipei, Taiwan. De ‘Anarchist Gardener’ verscheen in het kader van de Hong Kong & Shenzhen Bi-city Biennale of Urbanism and Architecture. Auteur is Marco Casagrande. Het platform, zo begrijp ik, is bewust niet op professionele kennis georiënteerd. De kennis wordt juist van onderop verzameld. “We focus on local knowledge, people and stories.” Gewone burgers van Taipei komen aan het woord. Zij vertellen over hun stad en wat er zou moeten gebeuren. “What comes to the academic control, we will give up in order to let nature step into our ruin.” Hoe dat in zijn werk gaat? “In a simple participatory planning way the sociologists and anthropologists are on the files doing research and getting connected to the site-specific realities. They are then reporting real time to the architects, artists and urban designers who can react on this information through design and art.”

Volgens Casagrande zijn de universiteiten verzwakt door het steeds zwaarder worden van de afzonderlijke disciplines, er is nauwelijks contact tussen de vakgebieden en de faculteiten. Hetzelfde geldt voor de diensten en stadsdelen van de gemeenten en de steden. “This industrial focusing and academic protectionism is against the idea of a university and the idea of the city government as a parliamentary acting body based on discussions.” Buiten de universiteit en de gemeente om heeft hij daarom ‘rondetafels’ georganiseerd waar gewone mensen samenkomen. Zoals de taxichauffeurs, de straatverkopers en de vissers van Taipei, die verdreven werden door de muur die door de Kwo Min Tang werd opgetrokken rond de rivier om de stad te beschermen tegen het water – in zijn ogen een ‘fast-food’ oplossing. Uit hun persoonlijke verhalen ontwikkelde hij een nieuwe vorm van stedenbouw: ‘River Urbanism’, gebaseerd op de kennis en wijsheid van de vissers van Taipei. De verhalen zijn meedogenloos en ontroerend. Een mooi staaltje participatieve planning.

Tagged with:
 

Bouwen in Brazilië

On 24 februari 2013, in duurzaamheid, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 16 februari 2013:

Tijdens het internationale colloquium ‘Les Villes-Monde, moteurs de croissance pour demain?’, op 19 februari in Parijs gehouden, sprak onder andere Pierre-André de Chalendar, CEO van Saint-Gobain. Deze vertegenwoordiger van een grote speler in de Franse bouwindustrie hield daar een opmerkelijk krachtig pleidooi voor duurzaam bouwen. Zijn invalshoek was mondiaal, vooruitstrevend en verlicht. Hij wees het Franse publiek op de opkomst van China, noemde het grote belang van metropolen, pleitte voor hoogwaardig openbaar vervoer in de grote steden en stelde dat het energie- en klimaatprobleem binnen twintig jaar moet worden opgelost. Opvallend vond ik zijn verwijzing naar Brazilië als het gaat om verduurzaming van de woningbouw. De Chalendar bedoelde het in brede zin: de woningbouwprogramma’s van de Braziliaanse regering waren voor hem sociaal, duurzaam, economisch en rechtvaardig tegelijk. Het klonk alsof hij de Franse regering verweet veel te weinig te doen.

Diezelfde week las ik in The Economist een artikel over datzelfde ambitieuze woningbouwprogramma van de regering-Rousseff in Brazilië. In 2009 begonnen, probeert MCMV (Minha Casa Minha Vida) de groeiende Braziliaanse middenklasse aan een betaalbare eigen woning te helpen door hypotheken te subsidiëren. Het programma doet denken aan onze premie A, B en C-woningen. Tot voor kort waren hypotheken voor mensen met bescheiden inkomens eenvoudig te duur en verstrekten de Braziliaanse banken hoofdzakelijk leningen aan rijke particulieren voor de aankoop van zwembaden, dure auto’s en boten. Nu vertrekken ze leningen aan de opkomende middenklasse voor de aanschaf van een bescheiden woning. Door certificering worden bovendien kwaliteitsmaatstaven nagestreefd die ook werkelijk tot goede woningbouw zullen leiden. Inmiddels zijn 2,3 miljoen leningen verstrekt. In de bouwindustrie heeft dit werk voor 1,4 miljoen extra bouwvakkers opgeleverd. Van de 2,3 miljoen leningen is overigens slechts 45 procent voor de armen, terwijl het doel was 60%. In een land waar 11,4 miljoen mensen in favela’s leven, is dat nog lang niet genoeg. Maar een begin is gemaakt. Rond de Braziliaanse metropolen worden nu woonwijken gebouwd die optimisme, duurzaamheid en rechtvaardigheid uitstralen. De favela’s kunnen – geleidelijk – worden afgebroken. De Chalendar heeft gelijk: we moeten veel ambitieuzer worden.

Tagged with:
 

Smart Cities in 2013

On 9 januari 2013, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The World in 2013’ van The Economist:

Met de ontwikkeling van zogenaamde ‘smart cities’ gaat het niet goed. The Economist liep ze laatst ze allemaal bij langs: de voltooiing van Masdar in de Verenigde Arabische Emiraten is uitgesteld tot 2025, niet alleen vanwege de financiële crisis, maar ook omdat bedrijven en mensen er niet naar toe willen verhuizen; Songdo City in Korea blijkt een duur vastgoedproject waar geen belangstelling voor is; Planit Valley in Portugal is vastgelopen in de planningsfase. Daar komt nog eens bij dat de Amerikaanse socioloog Richard Sennett onlangs in Londen met het idee van ‘slimme steden’ de vloer aanveegde. In ‘No one likes a city that is too smart’ wijst hij er fijntjes op dat je de slimheid van steden niet kunt plannen. “Masdar – like London’s new "ideas quarter" around Old Street – on the contrary assumes a clairvoyant sense of what should grow where. The smart city is over-zoned, defying the fact that real development in cities is often haphazard, or in between the cracks of what’s allowed.”

In de vooruitblik op 2013 van The Economist wordt Amsterdam opgevoerd als de stad die slimheid veel beter lijkt te organiseren dan al die geplande high-tech steden. De Nederlandse hoofdstad wordt zelfs gezien als voorloper in een andere, veel succesvollere planningsbenadering, namelijk in een die principieel van onderop is georganiseerd. In het Amsterdamse ‘smart-city platform’ komen alle initiatieven – instellingen en infrastructuur – bij elkaar en wordt bij de ontwikkeling van al deze groene initiatieven hulp en bijstand geboden. Toch moet ook Amsterdam beseffen dat het daarmee niet de sleutel in handen heeft van de ontwikkeling van duurzame steden. Uiteindelijk gaat het om mensen en om wat mensen graag willen. Sennett zei het in Londen zo: “A great deal of research during the last decade, in cities as different as Mumbai and Chicago, suggests that once basic services are in place people don’t value efficiency above all; they want quality of life.”

Tagged with:
 

De trend van 2012

On 8 januari 2013, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 oktober 2012:

Het goede nieuws van 2012? Begin oktober kopte Het Parool ‘Stad magneet voor digitale media’. Het volgende bleek. Er ontwikkelt zich een steeds grotere digitale media-industrie in Amsterdam en omgeving. Wat heet. “Inmiddels zit al bijna de helft van de Nederlandse bedrijven uit deze sector in de hoofdstad.” Als je de regio meetelt, blijkt het zelfs om twee derde van het totaal van driehonderd bedrijven te gaan. We hebben het dan over websitebouwers, ontwerpers van apps, de gaming industrie, tv-bedrijven, reclamebureaus, consultants en makers van e-books en online-tijdschriften. De grote jongens zitten in Hilversum en in Hoofddorp, de kleinere rond het Vondelpark en op de noordelijke IJ-oever. Veel last van de recessie hebben ze niet. Ze klitten bij elkaar in Amsterdam omdat ze hier het juiste personeel kunnen vinden. Bedrijf volgt mens. Bovendien treffen ze in de hoofdstad de belangrijkste opdrachtgevers. Klassieke agglomeratievoordelen dus. De digitale industrie creëert opmerkelijk veel werkgelegenheid: gemiddeld 45 werknemers per bedrijf, negen keer meer dan bij een doorsneebedrijf in de regio.

Eind van het jaar kreeg de opmerkelijke ontwikkeling een voorlopige bekroning met de komst van NRC Handelsblad naar Amsterdam. Dat mediabedrijf vestigde zich aan het Rokin, in een glaspaleis. Het zicht vanuit de burelen op de historische stad is verpletterend. Zelf moest ik vlak voor de kerst naar de radiostudio van BNR Nieuwsradio. Die is gevestigd aan het Prins Bernhardplein bij het Amstelstation. Ik kon er op de fiets ernaartoe; vanuit de studio keek je zowel op het drukke stadsverkeer van de Wibautstraat als op de etende en drinkende mensen in restaurant Dauphine. Dat is wel wat anders dan de radiostudio’s op het mediapark in Hilversum-Noord. De medewerkers vertelden mij dat de grootstedelijke locatie goed was voor de zichtbaarheid van het bedrijf, maar dat ook zowel zij als de bezoekers nu met de fiets naar hun werk konden en veel meer plezier hadden in hun werk. De trend van 2012: ruimtelijke concentratie, dat blijkt socialer, profijtelijker en duurzamer dan spreiding langs snelweglocaties.

Tagged with:
 

Gelezen in NRC Handelsblad van 12 december 2012:

Aan de vooravond van de Japanse verkiezingen verscheen in NRC Handelsblad een artikel over de op twee na grootste economie ter wereld, die van Japan. Weinig horen we er meer over, Japan, overschaduwd als ze wordt door China. Deze radiostilte lijkt ook te maken te hebben met de aanhoudende toestand van deflatie, waardoor de Japanse economie nauwelijks meer groeit. Ook de bevolking vergrijst en krimpt. “Het is het snelst vergrijzende land ter wereld.” Van de huidige 128 miljoen Japanners blijft er in 2060 dertig procent minder over, nu al is meer dan 40 procent van de bevolking ouder dan 65 jaar. Journalist Kjeld Duits: “Inderdaad lijkt Japan nauwelijks te profiteren van de lang voorspelde eeuw van Azië. Het is geografisch en diplomatiek geïsoleerd.” Toch is Tokio nog altijd een van de duurste steden ter wereld. Crux van het artikel is dat de Japanse economie niettemin snel herstructureert en dat in het distributiesysteem flink wordt gesneden. Fabrieken leveren tegenwoordig rechtstreeks aan de winkels, waardoor consumenten veel goedkoper uit zijn. Ik bedoel maar, dat staat ons ook te wachten. En ook veranderen het Japanse onderwijs- en rechtssysteem ingrijpend. Alleen de politiek en het bestuur veranderen niet. “Alles loopt centraal via Tokio.”

Ik moest eraan denken omdat afgelopen week een Japanse delegatie een bezoek aan de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam bracht. Ze kwam, zei ze, voor nieuwe vormen van stedelijke planning. Deze ‘bottom-up planning’ achtte men ook in Japan noodzakelijk omdat men wel doorhad dat centralistische overheidsplanning, zeker die vanuit het regeringscentrum, niet meer werkt. Wereldwijd is een zoektocht gestart naar nieuwe vormen van stedelijke planning die veel opener en lokaler is, duurzamer en veerkrachtig dan de ons vertrouwde. Maar volgens iemand als Martin Jacques zal er niets veranderen. In ‘When China Rules the World’ (2009) schrijft deze Britse historicus: “Indeed, unlike Western democracies, it is extremely doubtful whether in practice Japan gives primacy to the idea of popular sovereignty. On the contrary, as in China, another Confucian society, state sovereignty rather than popular sovereignty is predominant.” In de brochures die ik meekreeg las ik dat de enorme bestaande voorraad woningen en kantoren in Japan dringend moet worden geherstructureerd, duurzaam gemaakt en dat rekening moest worden gehouden met frequente natuurrampen en milieuproblemen; Kobe en Fukushima werden in dat verband expliciet genoemd. Ondanks de vele bloesembomen die de afbeeldingen domineerden zag ik ook iets als een land dat de realiteit onder ogen ziet.

Tagged with: