Van onderop, maar gescheiden

On 17 februari 2017, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord op de Universiteit van Amsterdam op 13 maart 2017:

Gerelateerde afbeelding

Wat de planning van Istanbul betreft, verwees historicus Hans Luiten in zijn gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam naar het unieke mahalle-systeem dat de Turken na de verovering van Constantinopel in 1453 binnen de Romeinse vestingmuren instelden. Mahalles betroffen kleine woonbuurten van maximaal 2.000 inwoners die grotendeels zichzelf bestuurden. In totaal telde Istanbul in de vijftiende eeuw 219 van dergelijke mahalles. Ze ontwikkelden zich rond oude kerken en moskeeën. Vaak werden ze ook naar deze godshuizen vernoemd. Het systeem, dat al bestond in de Byzantijnse tijd, werd door de Turkse veroveraars dus verder uitgebouwd. Istanbul telde in 1453 overigens nog maar 200.000 inwoners, terwijl het in zijn gloriedagen na de stichting nog liefst 800.000 zielen had omvat. Krimp en teruggang waren het gevolg geweest van de verovering door stadstaat Venetië in 1204. Mahalles, die vaak ook over een eigen school en badhuis beschikten, konden Joods zijn, Armeens, Turks of Grieks. De islamitische Turken bleken behoorlijk tolerant; hun mahallesysteem zorgde ervoor dat religies en etniciteiten vredig samenleefden, alle in hun eigen buurten, autonoom, zichzelf besturend van onderop. Op deze manier raakte de multiculturele stad steeds dichter bevolkt.

In een artikel van Ilber Ortayli, verbonden aan de universiteit van Ankara, getiteld ‘The evolution of the spatial pattern of Istanbul’ (1996), las ik over hoe dit mahallesysteem ervoor zorgde dat op den duur extreem hoge dichtheden werden bereikt waarin verwante mensen met elkaar moesten samenleven. De meeste gebouwen waren bovendien van hout, waardoor voortdurend brandgevaar dreigde; sanitaire voorzieningenschoten schoten ernstig tekort. Dit alles zou later veranderen. Buiten de muren groeiden vanaf de negentiende eeuw de eerste buitenwijken rond voormalige dorpen of liever: hier vormden zich de eerste sloppenwijken. Ondertussen werd de stad zelf steeds meer uit steen opgetrokken. De informele sloppenwijken zouden in de twintigste eeuw de dominante vorm van verstedelijking worden, vooral toen bij het verval van het Ottomaanse rijk eind negentiende eeuw miljoenen Turken overhaast naar Istanbul vluchtten. Tot op de dag van vandaag vormen de gecekodu’s het dominante motief waarop de metropoolvorming onverminderd, nee sneller dan ooit, plaatsvindt. En het mahallesysteem functioneert ook nog steeds, dat wil zeggen in heel Istanbul heerst altijd nog een vorm van zelfbestuur, georganiseerd rond kerken, scholen en badhuizen, vanuit kleine buurten, maar wel gescheiden, zij het dat vrijwel alle mahalles nu door de islam worden gedomineerd.

Tagged with:
 

Democratie

On 11 mei 2015, in boeken, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A pattern language’ (1977) van Christopher Alexander:

A Pattern Language.jpg

Ik geef toe, ik schiet weer vanuit mijn boekenkast. Overigens, tot mijn schuld moet ik bekennen dat ik het boek pas onlangs in New York kocht, terwijl het al dateert van 1977: Christopher Alexander’s ‘A pattern language’. Direct na aanschaf las ik het. Dat dan weer wel. Want wat een geweldig boek is dit! Tien jaar had hij eraan gewerkt. In werkelijkheid ging het om drie boeken, geschreven door een team van onderzoekers onder aanvoering van Alexander, hoogleraar architectuur aan University of California, Berkeley. Zelfhulpboeken waren het voor architecten, stedenbouwkundigen en planners. Of beter: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, street and communities.” Het hele democratische idee is op dit moment weer actueel. “This idea may be radical (it implies a radical transformation of the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.”  Die observatie waren we na 1977 helemaal vergeten. Of wilden we het liefste toedekken, bang als we waren om werk te verliezen.

Gemeenschappen tellen niet meer dan 7.000 personen, aldus Alexander. Het is een oud idee. Ook in het antieke Athene was dit de maat van politieke gemeenschappen. De overheid, aldus de architect, moet steeds decentraliseren tot op dit niveau en mensen zelf hun gemeenschappen van maximaal 10.000 laten samenstellen. Grenzen zouden daarbij zoveel mogelijk moeten samenvallen met natuurlijke en historische barrières. “Give each community the power to initiate, decide, and execute the affairs that concern it closely: land use, housing, maintenance, streets, parks, police, schooling, welfare, neigborhood services.” Zelfbestuur is belangrijk, ook in een grote stad. Mensen moeten elkaar persoonlijk kennen. Elke subcultuur heeft recht op een eigen  gemeenschap. Een zekere mate van autonomie is goed. Fora moeten ook duidelijke plekken hebben. Allemaal grote waarheden. Deed me denken aan de intreerede van Job Cohen aan de Universiteit van Leiden. In ‘De vierde D’ (9 januari 2015) wijdt hij uit over nieuwe vormen van lokale democratie. De onlangs door Den Haag doorgevoerde decentralisatie vormt de aanleiding. Die gaat nog lang niet ver genoeg. Ook de gemeenten moeten decentraliseren. Dit is wel de richting.

De volle 100%

On 17 december 2014, in demografie, kunst, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in de Stadsschouwburg te Amsterdam op 13 december 2014:

Het waren er precies 100. Honderd inwoners van Amsterdam. Ze speelden zichzelf in een stuk van het Berlijnse theatercollectief Rimini Protokoll, opgevoerd in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein (foto: Tim Mitchell). Samen vormden ze een getrouwe afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Eerder had Rimini Protokoll dit type theater al uitgevoerd in vierentwintig andere steden in de wereld. In een kettingreactie waren de Amsterdammers vijf maanden geleden bij elkaar gebracht: ieder had een volgende kandidaat aangewezen op een zodanige wijze dat het geheel paste in de statistische opbouw van de Amsterdamse bevolking naar geslacht, leeftijd, afkomst, huwelijkse staat en buurt: 49% man, 51% vrouw, 49% Nederlands, 5% Turks, 16% westers allochtoon, 62% alleenstaand, 25% getrouwd, 19% uit Nieuw West, 11% centrum, 10% Zuidoost, enzovoort. Met elkaar maakten ze in een twee uur durende voorstelling de stedelijke statistieken van het gemeentelijk bureau Onderzoek & Statistiek levend door vragen te beantwoorden die hen werden gesteld. Ja/nee. Ik wel/ik niet. Ik was erbij.

Groter nog dan ik had gedacht bleek de diversiteit van de Amsterdamse bevolking. Wat een smeltkroes is de stad! Kleurrijk, maar zeker niet gemakkelijk. Wel tolerant. Veel toleranter dan ik dacht. Niet tolerant per se in positieve zin, eerder proefde ik een zekere onverschilligheid. Sommige politieke thema’s leefden nauwelijks, over andere zaken wonden de mensen zich juist vreselijk op. Ik zag een volksparlement dat stemde over stedelijke kwesties (waaraan stoort u zich het meest?), maar het sprak ook over zichzelf en durfde zich daarin soms verbluffend bloot te geven. Wie had ooit zelfmoord overwogen? Wie had wel eens een pistool op zich gericht gezien? Wie had schulden? Wie ging vreemd? Het was, in een woord, ontroerend. Ik had ook nooit op deze wijze naar de stad gekeken. En het mooiste was, op het toneel bleek er geen leider in de groep, de groep regelde toch alles zelf. Telkens nam iemand het voortouw door een vraag te stellen. Vragen stellen aan elkaar. Zo kun je de enorme diversiteit dus overleven, nee vieren.

Tagged with:
 

Urban Commons

On 18 september 2014, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rebel cities’ (2012) van David Harvey:

Hoofdstuk 3 van ‘Rebel Cities’ van de Amerikaanse links-radicale geograaf David Harvey vind ik het interessantste hoofdstuk in een verder boos en verbolgen boek dat verscheen kort na de Occupy-beweging. Het gaat over ‘the creation of the urban commons’. Is het nog mogelijk, vraagt Harvey zich hardop af, iets gezamenlijks te ondernemen in de grote stad na de enorme golf van privatiseringen, buitensluitingen, bewakingen en overheidscontroles? Kleine burgerinitiatieven ziet hij nog wel, maar waar zijn de grote gebleven, die bijvoorbeeld in staat zijn de klimaatverandering te keren? En vele zijn trouwens niet werkelijk open. En wat nog erger is, neoliberale politiek bevordert juist decentralisatie en autonomie, uitgerekend om grotere ongelijkheid te bevorderen.

Radicale decentralisatie ziet Harvey nog steeds als een middel om weer ‘commons’ te organiseren. Staatsinterventie wijst hij resoluut af. Steden moeten het zelf doen. Maar kunnen die zichzelf organiseren zonder dat ze concurreren en er grotere ongelijkheid ontstaat? Hier refereert Harvey aan Murray Bookchin. Het blijkt te gaan om een boek uit 1992, getiteld ‘Urbanization Without Cities’. Bookchin ziet de oplossing in netwerken van steden, ‘a confederal network of municipal assemblies’. Deze lossen hun problemen gezamenlijk op. "Power thus flows from the bottom up instead of from the top down, and in confederations, the flow of power from the bottom up diminishes with the scope of the federal council ranging territorially from localities and regions to ever-broader territorial areas." Harvey vindt het een werkbare gedachte. Hij zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Volgende week vergadert de Amerikaanse filosoof Benjamin Barber in de Amsterdamse Stopera met vijftig burgemeesters, waaronder de Amsterdamse, in een ‘Global Parliament of Mayors’. Ben benieuwd wat ze gaan bespreken.

Tagged with:
 

Visieloos

On 20 februari 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 10 februari 2014:

D66 Amsterdam stopt met het maken van een verkiezingsprogramma. In Desmet studio toonde lijsttrekker Jan Paternotte aan de verzamelde leden op zaterdag 8 februari een leeg velletje A4. De partij laat bewoners en ondernemers voortaan zelf de problemen bepalen, was de stelling. Paternotte vindt het door een partijapparaat benoemen van problemen, daarna een oplossing bedenken en die oplossing vervolgens omzetten in beleid een volstrekt achterhaalde vorm van politiek bedrijven. “Het is iets uit de 20ste eeuw. Zo van: wij, politici, zullen wel even bepalen wat voor problemen jullie, burgers, allemaal hebben. Dat kan niet meer in deze tijd.” De poging van Paternotte om de politiek fundamenteel te vernieuwen en verder te democratiseren ontmoette echter allerminst bijval bij de democraten in de zaal. In de Volkskrant las ik dat de aanwezigen hun lijsttrekker vooral verweten visieloos te zijn. Waarop Paternotte zou hebben geantwoord: “Als u ons gebrek aan visie ziet als een probleem, dan gaan wij daar wat aan doen.”

Het betrof een grap van De Speld. Niettemin, het nieuws herinnerde me aan de avond van D66 in de Vrijstaat Amsterdam, oktober 2009. Het was een van de negenentwintig avonden over de toekomst van Amsterdam die door de genodigden – in dit geval D66 – zelf konden worden geprogrammeerd. In plaats van een programma organiseerde de partij een quiz voor de stampvolle zaal, met de vloer als speelveld. Quizmaster Sebastiaan Capel verkondigde een stelling, waarop de aanwezigen telkens moesten reageren met ‘voor’ of ‘tegen’; iedereen diende zich dan met een krukje naar de zaalhelft van keuze te bewegen. Het was, herinner ik me, een vrolijke toestand, waarbij iedereen goed op iedereen lette. Wat vind jij? Wat vindt de meerderheid? En inderdaad, ook daar ontbrak de visie. Pijnlijk? Nee, want in de loop van de avond ontstond toch iets van een gezamenlijk toekomstbeeld. De visie ontstond als het ware ter plekke. Nu valt er op stemmen heel wat af te dingen. Maar de vrolijkheid en deelname van iedereen werkte aanstekelijk. Paternotte weet dus wat hem te doen staat.

Tagged with:
 

Stedelijke democratie

On 3 februari 2014, in bestuur, geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

In haar biografie van Karl Marx vormt de Parijse Commune van 1871 een soort hoogtepunt. Op 1 maart waren de Pruisen de stad binnengetrokken na een maandenlange belegering, als definitieve overwinnaars. De Franse keizer Napoleon III – uitlokker van de oorlog – was daarop gevlucht. Parijs ging vervolgens ondergronds, om zich, na een maandenlange hongertijd, op de strijd voor te bereiden. Op 26 maart kiezen de inwoners hun eigen regering. Ruim tweehonderdduizend inwoners verzamelen zich de volgende dag voor het stadhuis om hun nieuwe, democratisch gekozen bestuur toe te juichen. Daar klinkt het: ‘Vive la Commune!’. De Franse regering verschool zich ondertussen in Bordeaux. Die proclameerde begin maart herstelbetalingen aan de Pruisische schuldeiser, waarvoor ze de uitgeputte Parijse bevolking keihard aansloeg. In die gemoedstoestand koos deze dus haar eigen regering.

Op 1 april opent de Franse regering het vuur op de burgers van Parijs. Parijs slaat terug. Gabriel omschrijft de Commune die vanaf 3 april volgt als één groot carnaval. Begin mei is het weer schitterend; terwijl op de achtergrond kanongebulder klinkt, eten en drinken de Parijzenaars op de Place de la Bastille een week lang hun buiken vol. Op 16 mei organiseert de schilder Gustave Courbet, lid van de door Parijs zelfgekozen regering, op het zonovergoten Place Vendome een groot feest; daar wordt het standbeeld van Napoleon met zuil en al van zijn sokkel getrokken. Op 21 mei volgt een groot concert in de Tuileries waaraan duizenden gewone mensen deelnemen. Die avond echter trekken de Franse regeringstroepen de metropool binnen en openen het vuur. Vijf dagen lang woedt er een burgeroorlog. Het Parijs van Haussmann staat in lichterlaaie. Het experiment van het Parijse zelfbestuur wordt in de kiem gesmoord. Marx, die het Commune experiment aanvankelijk maar foolish vond, raakte allengs enthousiaster. Ofschoon het nog ver afstond van zijn ‘dictatuur van het proletariaat’, zag hij in Parijs een stad die zichzelf voor het eerst werkelijk democratisch, van onderop, bestuurde. Terwijl ik de Commune altijd had vereenzelvigd met een bloedige strijd, blijkt ze zelf in werkelijkheid een vroege oefening in lokale democratie die echter nog geen twee maanden duurde.

Tagged with:
 

Energiewende

On 30 december 2013, in energie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 november 2013:

Een mooi verhaal. De 27-jarige Luise Neumann-Cosel woont in Berlijn. Ze voerde afgelopen twee jaar actie voor democratisering van het stroomnet in en rond de Duitse hoofdstad. Beter gezegd, ze wil geen atoomenergie. In plaats van te demonstreren richtte ze een coöperatie op die meedingt naar de concessie voor de energievoorziening van Berlijn. Die komt in 2014, na twintig jaar, vrij. ‘BurgerEnergie Berlin’ denkt 100 miljoen euro nodig te hebben om het net van Berlijn te kopen. Vorige maand had ze al acht miljoen binnen via haar leden. “Als burgers het stroomnet in handen hebben, kunnen we overschakelen naar duurzame energie en tegelijkertijd de winst die nu naar aandeelhouders gaat, investeren in meer groene stroom of uitkeren aan de leden.” BergerEnergie Berlin wil ‘een eerlijke regionale kapitaalbelegging’ voor burgers zijn. Net als andere energienetten is het Berlijnse elektriciteitsnet door de overheid geprivatiseerd. De kans bestaat nu dat de inwoners na twintig jaar het net weer terugkopen en zelf in beheer nemen.

Hoe reageerde het stadsbestuur? Begin november werd in Berlijn een referendum over het stroomnet gehouden. Neumann-Cosel won overtuigend, maar de opkomst bleek te laag; haar burgerinitiatief kwam 21.000 stemmen tekort. Toch kan haar initiatief grote invloed hebben op de politiek, al was het maar grootstedelijk. Er zijn nu al regio’s in Duitsland die honderd procent groene stroom leveren. Sommige steden – München, Frankfurt – lopen daarin voorop. Maar Neumann-Cosel gaat verder. Ze wil zelfs geen stroom meer van windparken in zee. Die produceren, zegt ze, energie op de plek waar niemand die nodig heeft. Er moeten miljarden worden geïnvesteerd om die zogenaamd groene energie te transporteren. Ze gelooft in zonne-energie en in warmte-krachtkoppeling. Haar streven is een decentrale energieopwekking  en een democratisering die veel verder reikt dan energieafname alleen. “De hele stad praat nu over energiepolitiek.” Berlijn moet een polis van burgers worden.

Tagged with:
 

Fixing a sewer

On 11 oktober 2013, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic Cities’ van 13 juni 2012:

Vorig jaar verscheen van de hand van de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber een opmerkelijk boek over hoe deze wereld beter kan worden bestuurd. Antwoord: niet door staten, wel door steden. Preciezer, niet door regeringen, maar door burgemeesters. In ‘If Mayors Ruled the World’ betoogt Barber dat regeringen tegenwoordig disfunctioneren, hetgeen getuige wat er op dit moment in Washington gebeurt hoogst actueel blijkt te zijn. Steden daarentegen worden volgens Barber overwegend partijloos en pragmatisch bestuurd. Burgemeester La Guardia van New York zei het ooit zo: “There is no Democratic or Republican way of fixing a sewer.” Stedelijke politiek gaat niet over macro-economie of oorlogen voeren. Ze gaat over alledaagse dingen, over hoe mensen samen kunnen leven. Democratie begon ooit in steden. Goede governance tref je er veelvuldig aan. Effectief leiderschap wordt bij uitstek in steden aangetroffen. Steden leren ook sneller van elkaar en zijn ook beter in staat om samen te werken dan landen. Met een parlement van burgemeesters – een ‘audiament’- denkt Barber de wereld veel beter te kunnen besturen.

Vreemd? In een interview met Richard Florida in The Atlantic Cities verwoordde Barber het vorig jaar aldus: “There are literally hundreds of networks already linked up in which a great deal of transnational cooperation already is taking place. When I speak of an ‘audiament’ I mean to remind us that parliaments too often focus on talking at people, whereas democracy requires that we listen to one another and seek common ground. The key to the arts of democracy is how we listen to one another, not how we talk. For what we are seeking is common action that is voluntary, and this calls for mutual understanding – that is, listening.” Anders gezegd, de mondiale netwerken van steden fungeren nu al als horizontale, democratische governance-structuren. Daar is meer dialoog dan in de nationale parlementen. En deze netwerken groeien als kool. Met de ‘Shutdown’ in de Verenigde Staten lijkt men zijn voorstel daar nu ineens buitengewoon serieus te nemen. Deze week sprak Barber in New York voor het Citylab van burgemeester Bloomberg, in aanwezigheid van 300 vertegenwoordigers van Amerikaanse steden. Time Magazine riep Bloomberg bij die gelegenheid al uit tot de nieuwe wereldleider.

Tagged with:
 

Grassroots

On 6 september 2013, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Moscow Times van 4 september 2013:

Zondag wordt er in Moskou een nieuwe burgemeester gekozen door de zittende bevolking. The Moscow Times kopte deze week: ‘The Battle for Moscow’. De burgemeestersverkiezing wordt in heel Rusland en daarbuiten met grote spanning gevolgd. Opnieuw een voorbeeld van het groeiende belang van metropolen in de wereld. Sinds 2005 is er in de Russische hoofdstad geen burgemeestersverkiezing meer gehouden. De huidige burgemeester Sobjanin is een aantal jaren geleden door de Russische regering in het pluche gehesen. Twaalf miljoen Moskovieten zullen nu naar de stembus gaan om Sobjanin alsnog te kiezen, want uitgerekend hij heeft de verkiezingen vervroegd uitgeschreven, zeker als hij denkt te zijn van zijn overwinning. En het moet gezegd, de afgelopen jaren lijkt hij goed naar zijn inwoners te hebben geluisterd en stadsparken in het centrum opgeknapt, een fietsenplan voor de ‘Gardenring’ geïntroduceerd en met de Moscow Competition een internationale prijsvraag uitgeschreven voor het nieuwe structuurplan voor Groot Moskou. De burgemeester oogt daarmee als een verlichte geest, althans naar Russische maatstaven gemeten.

Al die aandacht voor de burgemeestersverkiezing in Moskou zou er overigens niet zijn geweest als Alexej Navalny niet de grote opponent van Sobjanin is. Door zijn kandidatuur is sprake van een ware Russische machtsstrijd die de betekenis van Moskou en zijn toekomstige burgemeester verre overstijgt. Navalny is de grote uitdager van Vladimir Poetin en wacht na de verkiezingen een gevangenisstraf van vijf jaar. Wat wil Navalny met Groot Moskou? Geen krant die erover schrijft. De problemen van Moskou zelf zijn groot. De campagne die Navalny voert is in dat verband buitengewoon sterk en hoopgevend voor Moskou. Hij werkt 100 procent grassroots, met liefst 15.000 vrijwilligers, en ontwikkelt zijn programma voor de metropool letterlijk luisterend, vragend, optrekkend met gewone mensen in de straten buiten het centrum. Vergeleken daarmee is de werkwijze van Sobjanin nauwelijks verlicht te noemen, maar veeleer ouderwets.

Tagged with:
 

De oppervlakte is alles

On 6 juni 2013, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De barbaren’ (2012) van Alessandro Barrico:

De Italiaanse schrijver Alessandro Barrico schreef een verbluffend boek over de overgangsfase waarin onze cultuur zich bevindt: een cultuur van diepgang naar een cultuur aan de oppervlakte, in de breedte. Ik las het ademloos in de hogesnelheidstrein van Amsterdam naar Marseille. Geen betere toestand trouwens dan zo’n hoge snelheid om een dergelijk boek te lezen. Als ruimtelijke ordening een culturele opgave is, dan is Barrico’s essay voor planologen zeker relevant. Kort gezegd is zijn stelling dat wij van een burgerlijke cultuur van diepgang en ernst naar een cultuur van doorgangssystemen gaan, van kennis als surfen, synthetische sequenties, ervaringen in de vorm van een baan. Hoe zal ik het zeggen? In het verleden kauwden we op een stuk verfijnde muziek, tegenwoordig hechten we eerder aan “alle flauwekul die zich voordoet in de vorm van een oppervlakkige, snelle en spectaculaire sequentie.” Verwerpelijk? Nee hoor, in de Verlichting en in de Romantiek gebeurde hetzelfde.

Mooi vond ik vooral hoe Barrico de democratie typeert: als kenmerkend voor de barbaarse manier van doen. “Denk aan het idee om de betekenis te verpulveren over het oppervlak van een heleboel equivalente punten (de burgers) in plaats van die verankerd te houden in één heilig punt (de koning, de tiran). (…) Denk aan de overtuiging dat de macht geen enkele verticale legitimatie heeft (de koning was de uitverkorene van God), maar alleen een horizontale legitimatie (de instemming van de burgers). Zodat de hele geschiedenis van de macht zich aan de oppervlakte afspeelt, waarbij alleen de actuele feiten van belang zijn en de diepgang er niet toe doet (…)” Volgens Barrico zijn er geen idealen meer in de politiek. Het is de triomf van de techniek boven de principes. Wat overblijft is een inhoudelijke leegte. Hiertegen een muur opwerpen heeft geen zin. Op het eind blijkt dat de verteller leeft in het jaar 2026 en op onze tijd terugblikt. De overgangsfase mondt uit in de volgende toestand: “Het wereldbeeld dat de media ons verschaffen, de geografie van idealen die de politiek ons voorstelt, het idee van kennis dat de digitale wereld ons ter beschikking stelt hebben geen greintje diepte: het zijn verzamelingen van subtiele, of zelfs fragiele vanzelfsprekendheden die wij rangschikken in figuren met een zekere kracht.” De oppervlakte is alles, het eindpunt van de democratie: alles wordt licht, oppervlakkig, gemakkelijk, betekenisloos, commercieel, spectaculair, gericht op ervaring.

Tagged with: