Creating the common goods

On 17 november 2014, in cultuur, filosofie, kunst, by Zef Hemel

Gehoord in het Paleis op de Dam in Amsterdam op 12 november 2014:

Benjamin Barber was hoofdspreker in het Paleis op de Dam bij de openingsceremonie van de World Cities Culture Summit 2014 in Amsterdam. Zevenentwintig metropolen onder aanvoering van Londen waren drie dagen te gast in Amsterdam om ideeën uit te wisselen over de rol van kunst in de stadsontwikkeling. De Amerikaanse politicoloog-filosoof sprak hen toe in de Burgerzaal. Ditmaal ten overstaan van de koning, die aanhoorde hoe de Amerikaan de natiestaat opnieuw wegzette en voorspelde dat over twintig jaar niet landen, maar genetwerkte steden de wereld zullen regeren. Waarom? Omdat landen vooral in grenzen denken, in onafhankelijkheid, terwijl steden praktisch opereren in netwerken en denken in wederzijdse afhankelijkheden. Als Duitsland groter wordt, wordt Polen kleiner, verduidelijkte hij; maar de groei van Warschau gaat niet ten koste van Berlijn. Barber verbond steden met kunst met democratie. Hij citeerde Javier Nieto: ‘De stad is kunst’. Daarmee las hij vrij letterlijk voor uit hoofdstuk 10 van ‘If Mayors Ruled the World’, zijn nieuwste boek uit 2013. "If one must choose, it is more appropriate to treat the city as the instrument of the arts rather than the other way round, for it exists in a certain sense for art."

Kunst, zei Barber, gaat over het publieke, de commons, de openbare ruimte, over datgene wat wij met elkaar delen. Kunst refereert ook aan democratie, omdat rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en participatie ook in de verbeelding die de kunst kenmerkt een voorname rol spelen; kunst, ten slotte,  is kosmopolitisch, ze kent geen grenzen. Op het platteland zijn wij niet vrij, stelde Barber, wel in de publieke ruimte in de stad: de parken, de pleinen, de agora. Maar de opmars van de privatisering en het terugdringen van de stedelijke publieke ruimte betekent een aanslag ook op de kunsten. Dom is dat, want kunst en verbeelding stimuleren juist de economie. “So the arts benefit the urban economy, because to benefit the commons, to enhance the community, to help create common goods and public space, is economically beneficial.” En toen kwam het. We hebben geen ‘Declaration of Independence’ nodig. De wereld is daarvoor te complex en te vervlochten geworden. Wat we nodig hebben is, aldus Barber, ‘a Declaration of Interdependence’. U kunt het allemaal op uw gemak nalezen in het hoofdstuk getiteld ‘Cultural cities in a multicultural world’.

Tagged with:
 

Gehoord op 7 juli 2014 in de Academie van Bouwkunst Amsterdam:

Wat heeft Evert Verhagen zoal geleerd tijdens de bouw en ontwikkeling van de Westergasfabriek in Amsterdam? Veel, heel veel. In het publieksprogramma van summer school ‘Thinking City’ sprak hij voor een stampvolle zaal over zijn recente werk in Amsterdam. In 2004 kwam het culturele complex aan de Ponceaukade eindelijk gereed. Er was veel aan voorafgegaan. Verhagen was indertijd gemeentelijk projectmanager. De twaalf hectare vervuilde grond onder de oude gasfabriek werd in 1992 door de gemeente verworven, moest eerst worden schoongemaakt, de historische gebouwen gered, een nieuw park ontworpen, en steeds was er ongeloof en geldgebrek. Verhagen begon daarom met het tijdelijk programmeren van de oude gebouwen. Want wat de krakers konden, dat kon hier ook. Cultuur kreeg van hem volop de ruimte. Dat programmeren deed hij vijf jaar lang. Daardoor begon er iets te veranderen; mensen ontdekten het gebied, ze vonden de gebouwen steeds mooier, er kwam geld. Een programma, zei hij, is veel belangrijker dan de architectuur. Pas na het programmeren startte hij met plannen maken. In die lange periode van transitie viel er, aldus Verhagen, het meeste te leren. Dat was ook zijn belangrijkste les: tijdens transities gebeurt het, dan moet je goed opletten.

Transformaties zijn moeilijk en zwaar. In het begin is er helemaal niets, en niemand gelooft je. Maar plekken maken waar jonge mensen elkaar ontmoeten, wist Verhagen, zijn hard nodig in een grote stad. Dus hield hij moed. Alles, zei hij, draait om mensen. Ook voor de programmering gaat het om het vinden van de juiste man of vrouw. Zijn of haar netwerk van vrienden en relaties is namelijk cruciaal. Elke stad moet hierin investeren. Als nieuwste voorbeeld gaf Verhagen het voormalige abattoir in Casablanca, Marokko, waarbij hij als adviseur ook betrokken is. De Afrikaanse stad telt vijf miljoen inwoners, de meeste ervan zijn jong. Toch valt er weinig tot niets voor hen te beleven. In de abattoirs – L’Batoir – worden nu voorstellingen gegeven, een tijdelijke culturele programmering voedt de wens van een nieuw centrum in het hart van de metropool. Dat gaat er ook komen. Elke stad in de wereld, aldus Verhagen, kan het. Elke stad verdient het. Het gaat om de jonge mensen, om groot talent, van rond de dertig. Die verhuizen gemakkelijk. Die moet je aan je binden. Goed programmeren is daarvoor cruciaal.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Zelfhaat

On 10 juni 2014, in benchmarks, cultuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Abram de Swaan:

Illustratief waren de reacties van de meeste Nederlanders op het artikel van Simon Kuper in FT van vorige week. "Amsterdam gezakt op de lijstjes van wereldsteden naar de subtop? In die wereldtop heeft ze toch nooit gestaan?" Ook de verzuchting in Het Parool: "Amsterdam doet op geen enkel vlak meer mee" was tekenend. Dat Amsterdam en Nederland in het algemeen in de wereld niet zouden meetellen – we zijn immers zo klein – is een hardnekkig geloof van Nederlanders zelf, niet van het buitenland. Abram de Swaan, PC Hooftprijswinnaar en emeritus-hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef het al: "Het koddige beeld dat Nederland zo gretig van zichzelf biedt aan het buitenland is onwaarachtig." Nederland telt wel degelijk mee en Amsterdam is een belangrijke stad in de wereld. Haar metropolitaanse betekenis komt vooral tot uitdrukking in de culturele betekenis die Amsterdam wereldwijd heeft. "In een internationaal onderzoek naar de reputatie van Amsterdam bij ondernemers wordt de stad in één adem met Parijs en Londen gerekend tot de aantrekkelijkste steden in Europa als het gaat om ontspanning en cultuur." De Swaan noemt Amsterdam daarom ‘de culturele binnenstad van de metropool Groot-Holland’ met een uitstraling tot diep in het West-Europese achterland.

Maar de meeste mensen ervaren het anders. En ook dat het van de Nederlanders allemaal niet zo metropolitaans hoeft, is begrijpelijk: we zijn een klein land. De ‘politieke onvindbaarheid’ van de metropool werkt ook al niet bevorderlijk. De Swaan concludeert: "Er is dus een metropool, Groot-Holland, met een stedelijk potentieel dat door slechts drie, vier andere wereldsteden geëvenaard wordt, en met een werkingssfeer die zich tot ver in West-Europa uitstrekt, maar zonder bestuurlijke eenheid en zonder enige naam of faam." De onderschatting van de schaal door de inwoners en haar bestuurders maakt Nederland volgens hem tot een kleingeestig, kleinsteeds en provinciaals land. De Swaan: "De weerstand die Amsterdam als cultuurcentrum oproept, het wantrouwen en de gierigheid, is ingegeven door simpele cultuurhaat en ook door een afschuw van het metropolitane leven in het algemeen, waarvan Amsterdam in Nederland immers de meest zichtbare manifestatie is." En die zelfhaat proefden we afgelopen week dus opnieuw.

Tagged with:
 

De oppervlakte is alles

On 6 juni 2013, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De barbaren’ (2012) van Alessandro Barrico:

De Italiaanse schrijver Alessandro Barrico schreef een verbluffend boek over de overgangsfase waarin onze cultuur zich bevindt: een cultuur van diepgang naar een cultuur aan de oppervlakte, in de breedte. Ik las het ademloos in de hogesnelheidstrein van Amsterdam naar Marseille. Geen betere toestand trouwens dan zo’n hoge snelheid om een dergelijk boek te lezen. Als ruimtelijke ordening een culturele opgave is, dan is Barrico’s essay voor planologen zeker relevant. Kort gezegd is zijn stelling dat wij van een burgerlijke cultuur van diepgang en ernst naar een cultuur van doorgangssystemen gaan, van kennis als surfen, synthetische sequenties, ervaringen in de vorm van een baan. Hoe zal ik het zeggen? In het verleden kauwden we op een stuk verfijnde muziek, tegenwoordig hechten we eerder aan “alle flauwekul die zich voordoet in de vorm van een oppervlakkige, snelle en spectaculaire sequentie.” Verwerpelijk? Nee hoor, in de Verlichting en in de Romantiek gebeurde hetzelfde.

Mooi vond ik vooral hoe Barrico de democratie typeert: als kenmerkend voor de barbaarse manier van doen. “Denk aan het idee om de betekenis te verpulveren over het oppervlak van een heleboel equivalente punten (de burgers) in plaats van die verankerd te houden in één heilig punt (de koning, de tiran). (…) Denk aan de overtuiging dat de macht geen enkele verticale legitimatie heeft (de koning was de uitverkorene van God), maar alleen een horizontale legitimatie (de instemming van de burgers). Zodat de hele geschiedenis van de macht zich aan de oppervlakte afspeelt, waarbij alleen de actuele feiten van belang zijn en de diepgang er niet toe doet (…)” Volgens Barrico zijn er geen idealen meer in de politiek. Het is de triomf van de techniek boven de principes. Wat overblijft is een inhoudelijke leegte. Hiertegen een muur opwerpen heeft geen zin. Op het eind blijkt dat de verteller leeft in het jaar 2026 en op onze tijd terugblikt. De overgangsfase mondt uit in de volgende toestand: “Het wereldbeeld dat de media ons verschaffen, de geografie van idealen die de politiek ons voorstelt, het idee van kennis dat de digitale wereld ons ter beschikking stelt hebben geen greintje diepte: het zijn verzamelingen van subtiele, of zelfs fragiele vanzelfsprekendheden die wij rangschikken in figuren met een zekere kracht.” De oppervlakte is alles, het eindpunt van de democratie: alles wordt licht, oppervlakkig, gemakkelijk, betekenisloos, commercieel, spectaculair, gericht op ervaring.

Tagged with:
 

Ollies en flips

On 15 april 2013, in economie, mode, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 1 december 2012:

Deze kende ik nog niet. ‘Amsterdam past bij skatewereld’. De uitspraak is van Pierre André Senizergues, oprichter van Sole Technology. In Het Parool stond een interview met hem. Senizergues (45) is niet alleen ingenieur, maar vooral bekend als voormalig Frans, Europees en wereldkampioen skaten. Van origine Frans, vertrok hij begin jaren negentig naar Los Angeles om er bij IBM te gaan werken, maar dat beviel hem niet. Tegenwoordig runt hij zijn eigen bedrijf, vanuit Amsterdam. Het Europese hoofdkantoor van Sole Technology is gevestigd bij de Houthavens, onder de rook van havenbedrijven als Cargill en Eggerding. Het ontwikkelt en verkoopt coole schoenen voor skaten in liefst zeventig landen. Het werd groot met ‘etnies’, een echt cultmerk. Het merk heeft drie eigen brandstores in Europa, waaronder een aan het Damrak in Amsterdam. Waarom juist Amsterdam?

Nederland telt 60.000 skaters, alle jong, want onder de twintig jaar. Dat is niet heel veel. De hoofdstad zelf telt ongeveer 20 skate-obstakels, waaronder het indoorskatepark op de NDSM-werf, het Olympiaplein en de Marnixpool. Dat is al beter. Voor Senizergues telt mee dat iedereen in Amsterdam goed Engels spreekt. Bovendien kent de stad veel cultuur, waardoor de individuele leefstijl hier zwaar weegt, en bij skaten hoort nu eenmaal leefstijl. Maar ook staat Amsterdam voor duurzaamheid en skaten en snowboarden verbindt Senizergues met het behoud van de planeet. Vandaar ook dat hij voor een duurzaam hoofdkantoor heeft gekozen, met 60 zonnepanelen op het dak en een state-of-the-art geothermisch koel- en warmtesysteem, op fietsafstand van Centraal Station. Maar het belangrijkste is dat Amsterdam ondernemend is, dat er hier veel wordt gereisd en veel wordt geexperimenteerd. Weer zo’n mooi voorbeeld van een creatief internationaal bedrijf dat technologie combineert met mode, sport en leefstijl, in een uiterst riskante bedrijfstak waarin permanent moet worden geïnnoveerd. Het kan alleen bestaan als het goed is ingebed in een grootstedelijk creatief milieu, zeg maar: in de rafelranden van een dynamische, internationaal georienteerde creatieve stad.

Tagged with:
 

Een schijntje

On 11 april 2013, in cultuur, economie, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gezien in Amsterdam op 10 april 2013:

Amper terug uit Parijs fiets ik zowaar weer langs het vernieuwde Rijksmuseum. Over een paar dagen opent het zijn poorten (en later dit jaar mag ik er weer onderdoor). Alle kritieken erover zijn tot nu toe lovend. Het museum is zeker geen Louvre, maar met de fraaie Hollandse tuinen, het plein, het fietspad en de grachten biedt het aan de wereld iets uniek Amsterdams. Hier geen koningen of koninginnen, hier geen hofhouding of regering, wel cultuurminnende burgers en een neogotisch gebouw op de rand van een diepliggende polder. De effecten van het museum op de stad en de regio zullen ongekend zijn. Niet alleen de culturele, maar ook de economische. Wat die laatste betreft zal het Rijksmuseum meer voor de Nederlandse economie gaan betekenen dan de hele Tweede Maasvlakte bij elkaar, dat verzeker ik u. Die laatste kostte de Nederlandse staat liefst 2,9 miljard euro, het Rijksmuseum ‘slechts’ 375 miljoen. Een schijntje dus.

Zeker de economische effecten zijn nauwelijks te overschatten. Door het Rijksmuseum zal het internationale hoogwaardige toerisme naar Nederland sterk toenemen, het bezoek naar het museum gaat van 1 naar 2 miljoen per jaar. In ‘Stad en land’ (december 2010) heeft het Centraal Planbureau bovendien aangetoond dat investeringen in kunsten en monumenten de lokale grond- en vastgoedwaarde sterk doet stijgen. Amsterdam zelf wordt door deze investeringen dus nog veel meer waard. Het CPB spreekt van ‘de wederopstanding van de stad’. Inderdaad zal Amsterdam als stedelijke economie eindelijk weer de kracht ontwikkelen die de stad voor de Tweede Wereldoorlog heeft gehad, maar die door de suburbanisatie en gedwongen ‘overloop’ ernstig werd ondergraven. De naamsbekendheid en de aantrekkingskracht van Amsterdam op grote internationale bedrijven en congressen wordt door het museum ook nog eens flink verhoogd en de investering in een Nationaal Historisch Museum zal achteraf dwaas en overbodig blijken. Nee, die vergelijking met de Tweede Maasvlakte is zo gek nog niet. De opening van het Rijksmuseum komt precies op tijd. Ze overtreft het effect van het Guggenheim Museum in Bilbao. Waarom? Omdat Amsterdam op zichzelf al een wereldbestemming is. Ze zal het beste medicijn blijken tegen de crisis en een enorme impuls voor de verder eenzijdige nationale economie.

Tagged with:
 

Gehoord op de Zuidas in Amsterdam op 21 maart 2013:

Afgelopen week de deelnemers van de nieuwe leergang ‘Triomf van de stad’ van Wim Derksen toegesproken op de Amsterdamse Zuidas, al jaren de duurste grond van Nederland. Onderwerp: stad en cultuur. Het begon onschuldig met een uitleg over festivals en evenementen en hoe je je eigen stad daarmee impulsen kunt geven door betere benutting van de openbare ruimte, de infrastructuur, de hotels, de culturele voorzieningen. Alles heel praktisch en organisch, licht en ook goed toe te passen in Utrecht, Vlaardingen, Almere en Zoetermeer. Een deelnemer merkte op dat zoiets kennelijk in Amsterdam gemakkelijker gaat dan elders in Nederland. Zeker, er is hier meer van alles, je hoeft niet zo te duwen en te trekken, de dingen gaan in Amsterdam bijna vanzelf. Het deed Derksen denken aan het ogenschijnlijke gemak waarmee de Amsterdamse marathon groeit en nu al die van Rotterdam in aantallen deelnemers overtreft. Dat klopt. Daarover ging mijn tweede, meer theoretische gedeelte van de cursus. Maar dat deel viel bij de cursisten in minder goede aarde.

Volgens Geoffrey West en anderen zijn grote steden efficiënter dan kleine steden. In ‘Growth, Innovation, Scaling and the Pace of Life in Cities’ (2006) stellen de wetenschappers vast dat steden niet anders functioneren dan andere levende organismen. Verdubbelt een stad in omvang, dan heeft hij maar 85% meer energie nodig, net als dieren. Je vindt in grote steden dan ook naar verhouding meer winkels, meer tankstations, meer banken, meer supermarkten, meer voorzieningen, meer cultuur, meer dan je op grond van hun omvang zou mogen verwachten. Grote steden zijn niet alleen duurzamer, ze bieden de mensen gemiddeld ook meer van alles. Dat komt doordat grote steden productiever zijn dan kleine. Mensen lopen er harder, denken er sneller, er is meer interactie. De taak van planning, aldus West, is om interactie te maximaliseren en daarbij de hinder te minimaliseren. Dat betekent grote compacte metropolen bouwen en de congestie binnen die reusachtige steden bevorderen op de plekken waar de grondwaarde het hoogste is. Zo’n metropool zal worden beloond met veel voorzieningen ter plekke. In relatief kleine steden zal de overheid echter zwaar aan moeten die voorzieningen moeten trekken, ze opzettelijk plannen en er veel publiek geld tegenaan moeten gooien.  Dat is niet duurzaam en zonde van de energie en het geld.

Etalage Amsterdam Zuidoost

On 13 december 2012, in duurzaamheid, plekken, by Zef Hemel

Gelezen in Odeon nr. 87 (2012):

Na 26 jaar wordt het Decoratelier van De Nederlandse Opera en het Nationale Ballet grondig gerenoveerd. Ik lees het in Odeon, het tijdschrift van De Nederlandse Opera. Het gebouw, met een oppervlak van 10.000 m2,  ligt midden in het kantorengebied van Amsterdam Zuidoost. Na de renovatie zal het knalrood zijn, met een enorme glazen wand op het noorden, waardoor alle decorstukken straks vanaf de straat zichtbaar zullen zijn. Rolf Hauser: “De hele noordgevel verdwijnt en wordt vervangen door een lange wand van glas. Die wand kijkt uit op de groenstrook en op de weg. Daarmee wordt het atelier een grote etalage. Mensen kunnen ons aan de decors zien werken en wij zien hen. Dat kan alleen bij de noordgevel, dan valt er mooi diffuus licht naar binnen, dat geen valse schaduw maakt.” Architect is VMX uit Amsterdam. De oppervlak zal na de verbouwing niet groter zijn, wel hoger: voortaan zullen alle decors helemaal worden afgebouwd in Zuidoost zoals het publiek ze later aan de Amstel gaat zien. Voor de goede orde: de achterdoeken van de Amsterdamse opera meten 24 x 12 meter; in het atelier kunnen drie doeken tegelijk worden gemaakt. Alle decors zijn bovendien verplaatsbaar met luchtkussens, want de opera’s van DNO reizen over de hele wereld – voorstellingen van DNO zijn te zien in Madrid, Chicago, Los Angeles en San Francisco.

Zo langzamerhand verandert het voormalige kantorengebied van Amsterdam Zuidoost in een opwindende mix van heel verschillende functies en gebouwen. Eerst kwam er de Ajax Arena, toen de Heineken Music Hall, daarna het Huis van de Toekomst, vervolgens de Villa Arena, IKEA, poptempel Ziggo Dome, straks opent hier het door Rem Koolhaas ontworpen hoofdkantoor van G-Star en volgend jaar kijken we naar binnen bij De Nederlandse Opera van VMX. En alle bouwwerken worden duurzaam. Niet alleen de Arena is binnenkort het duurzaamste stadion ter wereld, ook het Decoratelier zal worden aangesloten op het warmtenet van NUON. Daardoor zal het geen CO2 meer uitstoten. Ook zullen in alle ateliers ledlampen worden aangebracht en de buitenkant wordt gecoat met een duurzaam materiaal. Najaar 2013 is alles gereed. Noem mij één kantorengebied in Nederland dat zo divers en spannend wordt als Zuidoost.

Tagged with:
 

Huanshan 1914

On 9 november 2012, in cultuur, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gezien in Taipei op 30 oktober 2012:

Drie dagen werden we uitgehoord over praktijken van stedelijke vernieuwing in Amsterdam en Taipei. We werden ontvangen door Yu-hsiu Lin, directeur van het Urban Redevelopment Office van de stad Taipei. Hij bleek een strategie te hebben ontwikkeld van broedplaatsen die hij overal in de hoofdstad van Taiwan introduceerde als aanjager van vernieuwing. Hij noemde ze URS: Urban Regeneration Stations. Het betrof leegstaande panden die goedkoop ter beschikking werden gesteld aan creatieve ondernemers. We bezochten er enkele. We kregen een boekje en een film waarin hij zijn visie uitlegde: “Taiwan’s real estate market dominates mainstream discourse in regard to Taiwanese cities, while several essential conceptes are completely neglected. We ignore the ideas of a sense of place, local distinctiveness, people’s everyday lives and the ecology. Our city planning lacks any sense of community.” Daar tegenover stelde Lin een ontwikkelingsstrategie die uitgaat van de dagelijkse omgeving van mensen, het behoud van erfgoed, participatie en creativiteit. Taipei, een metropool van 6,5 miljoen inwoners, moet bewoond worden als een serie dorpen. “Such a city can then be called a global-local city and is what we should be striving to achieve.”

Die avond bezochten Kees Christiaanse en ik een complex van voormalige rijstwijnfabrieken in het hart van Taipei. Het bezoek viel buiten het officiële programma. De schemer viel juist in, het stortregende, de temperatuur bleef steken op 30 graden Celsius, het licht scheen feeëriek. ‘Huanshan 1914’ bleek een tijdelijk ‘creatief park’ te zijn, voor vijftien jaar uitgegeven aan de grootste uitgever van Taiwan, Jung-Wen Wang. Ergens in het uitgestrekte complex stuitten we bij toeval op de persoon van Wang zelf. Door de oudere heer werden we allervriendelijkst ontvangen. Zijn Taiwan Cultural-Creative Development Foundation had de fabrieken omgetoverd in een schitterende vrijstaat van kunst en cultuur, een metropool waardig. De kwaliteit van het geheel ontsteeg bij verre de filosofie van Taipei, bewoond als een serie dorpen. Tegelijk paste Huanshan 1914 perfect in het idee van directeur Lin. Hier toonde de metropool Taipei een kwaliteit die geen ontwikkelaar kan maken.

Tagged with: