China without tweets

On 3 februari 2013, in internationaal, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in Wired van 2 februari 2013:

Een van de leukste websites van de laatste tijd is www.tweetping.net. Het betreft een real-time visualisatie van al het tweet-verkeer van over de hele wereld. Zodra je de pagina opent begint het te stromen. Webontwerper Franck Ernewein heeft de site ontwikkeld. Nathan Hurst schreef er een kort artikel over in Wired. De wereldkaart is afgebeeld als een nachtkaart, de tweets lichten op, onderin de pagina zie je de score per continent. Hoe meer tweets, hoe feller de plek oplicht. Grote steden springen er direct uit. Met tweetping krijg je opnieuw een goed beeld van het dominante verstedelijkingspatroon in de wereld, net zoals enkele jaren terug de eerste nachtelijke satellietbeelden van de aarde waarop de verlichting te zien is ons verrasten. Tweetping is dynamischer en daardoor leuker; telkens wanneer je hem opstart bouwt het beeld zich weer op. Ik kan er uren naar kijken.

Het grote verschil met alle nachtelijke satellietbeelden is dat bij tweetping China aardedonker blijft. Dat land kleurt nog donkerder dan donker Afrika. Geen spoor van twitterverkeer in het hart van Azië, terwijl de hele Pacific Rim juist fel oplicht: Japan, Korea, Java, Sumatra, Bangkok. Het zwarte gat wordt verklaard door het feit dat de Chinese overheid het twitteren onmogelijk heeft gemaakt. Hierdoor realiseer je je dat tweetping niet zozeer de mondiale verstedelijking afbeeldt, maar de wereldwijde communicatie, met de belangrijkste steden als knooppunten. China communiceert niet met de rest van de wereld. Europa doet nog wel stevig mee, al overtreffen de aantallen Aziatische tweets, ook zonder China, nu al bij verre de Europese. En kijk eens naar Istanbul, Moskou en Dubai!

Tagged with:
 

Supermetropool

On 22 januari 2013, in hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Supermodel’ (2013) van Mark Hemel en Barbara Kuit:

Afgelopen week verscheen het boek ‘Supermodel. Making one of the world’s tallest towers’ van mijn broer Mark, die samen met zijn vrouw Barbara Kuit een architectenbureau in Amsterdam heeft, genaamd Information Based Architecture. In 2006 wonnen zij een prijsvraag. Wat heet. Hun boek gaat over het ontwerp en de bouw van de ruim 600 meter hoge tv-toren in Guangzhou, Zuid-China. Van hun boek kreeg ik een exemplaar. De toren bezocht ik eind 2011, kort na de opening. Na de schok van Guangzhou, een 15 miljoen tellende supermetropool in de dichtbevolkte Pearl Delta, was de beklimming van de toren en het uitzicht een stevige extra dreun. En dan het boek. Over het ontwerp- en maakproces van één gebouw lees je niet vaak zo’n uitvoerig en openhartig verslag van de architecten zelf. Die hullen hun succesvolle bouwwerk doorgaans in een mysterieuze mist. Het rijk geïllustreerde boek leest als een spannend avonturenboek. Je zou bijna architectuur gaan studeren.

Het interessantst vond ik overigens niet de wederwaardigheden over het maakproces van een kolossaal gebouw in een ver land, maar de nuchtere feiten en cijfers. Die staan vermeld achterin het boek. Alles hierin lijkt uitvergroot. Zo kostte de toren liefst 180 miljoen euro; het bouwwerk weegt in totaal 211.000 ton; er werkten 150 experts aan het ontwerp, plus 600 ontwerpers en ingenieurs; in totaal hebben 8.000 mensen aan de toren gewerkt; de staalfabriek stond 1500 kilometer van de toren verwijderd; de onderdelen werden per vrachtwagen over de weg aangevoerd. Wablief? Over een afstand van vijftienhonderd kilometer? Dat is, zeg maar, 211.000 ton staal per vrachtwagen van Marseille naar Amsterdam slepen. Alleen een Egyptische farao kan zoiets verzinnen.

Tagged with:
 

De voorsprong begon in Manchester

On 20 december 2012, in geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘When China Rules the World’ (2009) van Martin Jacques:

Het interessante aan het nieuwe perspectief van Martin Jacques op de actuele mondiale verhoudingen is zijn besef dat de wereld niet door naties wordt bepaald, maar door steden. Als hij in ‘When China Rules the World’ bijvoorbeeld wil duidelijk maken dat de voorsprong van het Westen op de rest van de wereld pas in de loop van de negentiende eeuw begon en niet eerder, zoomt hij in op de situatie rond 1800 en vergelijkt niet China met Europa, maar de Britse steden met de Chinese in de Jangtse delta. Qua welvaart, cultuur en technologie ontliepen die twee grootstedelijke gebieden elkaar niet veel. Grote delen van China waren rond 1800 nog feodaal, zeker, maar de werkelijke maatstaf voor ontwikkeling waren Shanghai, Hangzhou en Nanjing. “In 1800, rather than being Eurocentric, the global economy was, in fact, polycentric, economic power being shared between Asia, Europe and the Americas, with China and India the world’s largest economies.” Daarna gaan Londen en Manchester ineens ver vooruitlopen op de Chinese en Japanse metropolen. Een ongekende samenballing van innovatie en economische kracht ontwikkelt zich hier in de bevolkingscentra langs de Theems en de Irwell. Een eeuw later is van een voorsprong niet veel meer over. Kijk maar naar de Aziatische metropolen.

De voorsprong die de Britse steden vanaf 1800 namen op de rest van de wereld, werd al snel gekopieerd door andere grote steden in de nabijgelegen delen van Europa: Duitsland, Frankrijk, België. Europa als geheel kwam daardoor op voorsprong te staan. Maar in de loop van de twintigste eeuw kopiëren alle steden in de wereld deze Europese technologie, eerst de Amerikaanse, even later ook de Aziatische. Natiestaten konden deze kopieerdrift alleen maar afremmen. Rest de vraag waarom het de Britse metropolen waren en niet de Chinese die rond 1800 zo onnavolgbaar innovatief waren. Volgens Jacques waren conjuncturele karakteristieken hierin bepalend, geen structurele. Vervolgens gaat hij de fout in door het verschil in afstand tot de steenkool als verklarende factor breed uit te meten: in China was die afstand veel groter dan in Groot-Brittannië. Hij had beter Peter Hall’s ‘Cities in Civilization’ (1998) kunnen raadplegen. Het juiste antwoord luidt namelijk dat in Manchester rond 1770 “an intelligent network for both trading an innovation” ontstond, “the first true innovative milieu”.

Tagged with:
 

Neem China

On 30 november 2012, in demografie, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Report on Ecological Footprint of China” (2012) van WWF:

Amper terug uit Brussel, valt me een stuk in handen waarom ik niet gevraagd heb, maar dat ik beslist moet lezen. Het rapport van het Wereldnatuurfonds over de ecologische voetafdruk van China. Weliswaar, lees ik, groeit de biocapaciteit van China door verdere ontginning en nieuwe technieken, toch verbruikt een Chinees elk jaar opnieuw het dubbele areaal van wat het land kan bieden. Er zijn op dit moment dus twee China’s nodig om het land te voeden en te onderhouden. Als een Chinees zou leven als een Amerikaan, dan had het immense land zelfs de hele wereld nodig. China moet dus snel verduurzamen, niet omdat het een grote voetafdruk bezit, maar omdat het land zo’n omvangrijke bevolking heeft. Het Aziatische deel van de Pacific telt vijftig procent van de wereldbevolking en verbruikt op dit moment 40 procent van de beschikbare biocapaciteit. Voor de goede orde, de minst duurzame landen ter wereld per hoofd van de bevolking zijn de Verenigde Arabische Emiraten, de VS en Finland, Canada en Koeweit. Nederland staat op plaats 26, na Rusland en voor Japan.

Bemoedigend vond ik om te lezen dat de ecologische voetafdruk van China weliswaar snel stijgt, maar dat de absolute groei van het Nationaal Product van het land nog veel sneller groeit. “This could be caused by an increase in less resource intensive economic activities, or by inequality in the distribution of Footprint and income within different populations in China.” Zelf denk ik het eerste. Door de snelle compacte verstedelijking – veel compacter dan Europa, laat staan de VS – groeit een urbane diensteneconomie die van nature veel zuiniger omspringt met grondstoffen en goederen dan een gespreide, deels agrarische samenleving. Echter, het WWF denkt er anders over: “There is a significant difference in per capita Ecological Footprint between the urban and rural population in China, with residents in urban areas requiring much more capacity to support their lifestyles than rural residents. While urban living can be more resource efficient than rural living, this effect is compensated by the higher income in urban areas.” Dat zou betekenen dat de verwachte groei van de stedelijke bevolking tot 2020 met 220 miljoen Chinezen slecht zou zijn? Dit is het antwoord van het WWF: “One of the most effective ways to prevent a large increase in China’s Ecological Footprint as more residents move to cities will be the use of a compact urban development strategy.”

Tagged with:
 

De campus en de stad

On 18 januari 2012, in onderwijs, stedelijkheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Campus and the City’ (2007) van Kerstin Hoeger en Kees Christiaanse:

De campussen van MIT en Harvard in Boston en die van Stanford, Silicon Valley, maken wereldwijd furore. Iedere grote stad wil tegenwoordig binnen zijn grenzen wel zo’n vermaarde campus hebben. Kerstin Hoeger van de EHT in Zürich beschreef deze trend onlangs in ‘Campus and the City’ als volgt: “Worldwide, universities and their host cities are evolving into ‘knowledge cities’. University and corporate campuses thereby not only take on a central role for the cultural, economic and social development of the city, they are also establishing themselves as laboratories for a new Denkkultur.” Bijgevolg groeien steden en campussen naar elkaar toe, dat wil zeggen, een campus in de periferie probeert een stad in zichzelf te worden en een campus in de stad probeert zich angstvallig naar die gaststad te openen. De Uithof in Utrecht, de High Tech Campus in Eindhoven en Paddepoel in Groningen zijn voorbeelden van het eerste, de VU en de UvA in Amsterdam van het tweede. Jammer genoeg wil elke instelling die ook maar iets met kennis doet tegenwoordig een campus bouwen, waardoor steden een aaneenschakeling van campussen dreigen te worden. Vaak blijkt het niet meer te zijn dan ‘veel vastgoed op een afgebakend terrein’. De ratio is bezuinigen op beheer en exploitatie, het argument van kennisuitwisseling een doekje voor het bloeden. Alle stedelijkheid sijpelt ondertussen weg. Boston is daarvan een treffend voorbeeld. Vandaar dat Harvard een gemengd stedelijk gebied aan de stadse kant van de Charles River wil bouwen, om de bestaande campus met de stad te verbinden. Voor de steden is een campus inderdaad een weinig aantrekkelijk perspectief.

Immens zijn de campussen in Azië. Ik zag er laatst eentje in Guangzhou, China. Hij wordt gebouwd op een eiland in de Pearl River aan de zuidkant van de stad en is liefst 18 vierkante kilometer groot. In 2003 startte de bouw. Wanneer de campus voltooid is, zullen er 200.000 studenten wonen en werken, in totaal 350.000 mensen – studenten en staf ineen. Guangzhou telt op dit moment 12 miljoen inwoners, er zijn 30 universiteiten en hogescholen; tien daarvan worden in ‘Guangzhou University City’ ondergebracht. Zhu Wenyi, verbonden aan de Tsinhua Universiteit in Peking, typeert in ‘Campus and the City’ deze GZUC als ‘the first and the largest mega university campus in the world’. Ik begrijp het wel, de Chinezen zijn gewend aan steden die bestaan uit louter compounds; en een universiteitscampus is niets anders dan een zoveelste compound, ook al is het een hele grote. Ook Kerstin Hoeger vindt het opvallend dat in Azië geen toenadering tot de stad wordt gezocht. Maar voor haar maakt het uiteindelijk toch niet uit. “Each of the campuses featured in this book has found a unique strategy – based on its individual vision for the future – to deal with this conundrum. To what extent the desired development will match the intent is something that time alone will tell.” Het boek toont alleen de campussen, los van hun stedelijke context. En dat is tekenend.

Tagged with:
 

Eenrichtingverkeer

On 20 december 2011, in afval, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘When a Billion Chinese Jump’ (2010) van Jonathan Watts:

Vanavond alweer de derde aflevering van de tiendelige VPRO-serie ‘Nederland van Boven’. Ik ben nog aan het bijkomen van deel twee. Dat ging over Nederland als doorvoerhaven van spullen. Het zag er allemaal fantastisch uit. De Rotterdamse haven werd voorgesteld als een heroïsch verdeelcentrum van goederen voor vijfhonderd miljoen Europeanen. We zagen hoe reusachtige containerschepen de Nieuwe Waterweg naderden. De duizenden containers die ze vervoerden bleken volgeladen met linkerschoenen, printerplaten enzovoort, ze naderden de ‘open muil van de hongerige delta’. We zagen vervolgens het ‘precisie-uurwerk’ van de moderne logistiek: onbemand, gerobotiseerd, grootschalig, op tijd. En ergens tussen al dat anonieme containergeweld, op het grootste natuurterrein van Nederland (de Tweede Maasvlakte), was een eenzame jager lieve konijntjes aan het doodschieten. “Iemand moet het doen.” De konijnen waren een gevaar omdat ze de dijkjes doorgroeven die bij calamiteiten de olie uit de leeglopende olietanks moeten opvangen. Dat neerknallen bleek nog niet gerobotiseerd. Maar gelukkig, dat ene hertje tussen de Mazarati’s dat de lak dreigde te beschadigen, had de jager gespaard.

Alle mooie, dure spullen die we zagen waren bestemd voor het Europese achterland. Maar wat gebeurde er met de containers als ze eenmaal waren geleegd? In Jonathan Watts’ “When a Billion Chinese Jump’ valt te lezen hoe de containers in Rotterdam gevuld worden met afval. In Zuidoost-China, in Guangdong, arriveert al dat ‘foreign rubbish’ van een dolgedraaide consumptiemaatschappij om er te worden ‘gerecycled’. Watts: “Carrier bags and bottles were shipped to Shunde and Heshan from London, Rotterdam and Hong Kong for chopping, melting and remoulding into pellets. In the electronic waste communities of Guiyu and Qingyuan, old computers, televisions and home appliances from the US, Japan and South Korea were stripped down and broken up.” Watts begrijpt het wel. “In handelstermen is het zeer voor de hand liggend om afval te verschepen en elders te laten recyclen.” De schepen varen van China naar het Westen, maar dreigen leeg terug te keren. Wat is er voordeliger dan ze te vullen met soms zwaar vervuild afval? “It was cheaper to send a container of waste from London to Guangdong on an otherwise empty ship than it was to truck it to Manchester.” Het gevolg: “People in other countries were being exposed to risks and pollution that wealthy foreign consumers were not willing to accept themselves.” Watts bezoekt Guiyu, ‘s werelds grootste begraafplaats van computers. Kinderen hebben er 50 procent meer lood in hun bloed dan gezondheidsorganisaties aanvaardbaar achten. Het brengt hem tot de volgende conclusie: “Rather than cut down on consumption, which would hurt economic growth, governments encouraged citizens to recycle, which appeared to be a clean, efficient alternative to burning and landfilling. But all too often this meant sending the waste overseas, particularly to China.” We zagen het vorige week allemaal niet. In de uitzending scheen boven Rotterdam vooral de zon.

Tagged with:
 

Le Corbusier chinois

On 15 december 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Urbanews.fr van 8 december 2011:

Josselin Thonnellier, verbonden aan het Institut d’Urbanisme de Grenoble, valt het op dat sinds de hervormingen van Deng Xiaoping alle uitbreidingen in de periferie van de Chinese steden op vrijwel identieke wijze plaatsvinden. Die vaststelling deed hij onlangs in de digitale nieuwskrant Urbanews.fr. Ik kan het beamen. Elke chinese stad gebruikt ongeveer dezelfde orthogonale motieven, waardoor ruimtelijke eenheden – doorgaans carré’s – worden gevormd die door autosnelwegen gemakkelijk worden ontsloten. Het geheel oogt als een ‘hyper-rationeel landschap’, volkomen gestandaardiseerd, ook in de hoogte, een machinelandschap dat vooral verwijst naar winstmaximalisatie voor ontwikkelaars en bouwbedrijven. “Point de départ des stratégies commerciales et immobilières, les secteurs offrent ainsi aux développeurs la possibilité de maximaliser la rentabilité de leurs projets jusqu’à standardiser le moindre de leurs éléments, de la hauteur des batiments en passant par le coefficient d’occupation des sols ou le taux d’espaces réservés à un usage ‘public’.” Toen ik het afgelopen najaar de nieuwe uitleg zag, schrok ik. Ik moest onmiddellijk denken aan het werk van Le Corbusier.

Het vreemde is dat Thonnellier de verbinding met zijn eigen verleden niet legt, maar in plaats daarvan de Amerikaanse suburbs als maatstaf voor vergelijking kiest: “certains secteurs des périphéries des grandes villes chinoises ressemblent de plus en plus et à s’y méprendre à de vastes complexes américains sécurisés.” Stellig doelt hij hier op de ‘gated communities’, hij moest er vooral aan denken, schrijft hij, toen hij ergens in deze chinese grids complete golfterreinen zag liggen. Hij realiseert zich dat Chinesen een rijk verleden hebben als het gaat om het wonen in afgesloten eenheden. Hij noemt ook de befaamde ilongs. Maar hij gelooft niet dat de Chinese steden hierop werkelijk teruggrijpen. “Loin de constituer un modèle hérité, celui des secteurs de la ville chinoise contemporaine correspond davantage à l’expression du syncrétisme de l’idéologie communiste, des traditions et d’un modèle capitaliste chinois en devenir.” Vreemd is dat. Thonnellier zou hierin toch Le Corbusier moeten herkennen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben veel Franse steden dergelijke hoogbouwwijken-in-het-groen gebouwd. Sterker, dit soort Bijlmerachtige structuren hebben uitgerekend de Fransen naar het buitenland geëxporteerd. Sinds kort dus ook naar China.

Tagged with:
 

Or destroy the planet

On 1 december 2011, in duurzaamheid, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘When a Billion Chinese Jump’ (2010) van Jonathan Watts:

De Britse Guardian-correspondent Jonathan Watts schreef een verontrustend boek over de ecologische ramp die zich in China op dit moment voltrekt. Ik heb er de afgelopen tijd al het nodige over geblogd. “China is a 3.000-year-old civilisation in the body of an industrial teenager; a mega-rich, dirt-poor, overpoplulated, under-resourced, ethnically diverse mass of humanity that is going through several stages of development simultaneously; a coal-addicted powerhouse attempting to pioneer new energy technologies, and a communist-led, capitalist-funded economic giant travelling at unprecedented speed.” Beter kan ik het, na een bezoek van amper veertien dagen aan het land, niet beschrijven. Hoe loopt dit af? Weet Watts een uitweg, een oplossing? In Peking gelooft hij niet. Ook niet in een bottom-up beweging. De werkelijke macht in China berust bij de lokale partijbonzen – deze ‘Mini Mao’s’, de middenklasse van investeerders en ondernemers in de steden, zij moeten het doen. Vaak, merkt Watts op, leidt dit in het Westen tot het pleidooi voor democratie, maar dat lost het probleem niet op: “the threat of wealthy individuals and megacities that are gobbling up resources and producing waste at a rate that is as destructive and unsustainable as almost anyone and anywhere overseas.” Vandaar de ondertitel van zijn boek: “How China Will Save Mankind – Or Destroy it.”

Bijna wanhopig geworden sla ik Ed Glaeser’s ‘Triumph of the City’ (2011) op. Op het eind komt deze Harvard-econoom te spreken over de Chinese steden. “Their decisions about land use will have a huge impact on energy consumption and carbon emissions.” De sleutel heeft de stedenbouw in handen. “If they live at high densities and use public transit, then the whole world will benefit. If they sprawl, then we will all suffer from high energy costs and higher carbon emissions.” De effectiefste manier is volgens Glaeser het heffen van belasting op CO2-uitstoot. “By not taxing energy use properly, we are implicitly subsidizing energy-intensive suburban lifestyles and pushing people out of cities.” Uitgerekend op China vestigt hij zijn hoop. “Chinese leaders seem to understand that high densities will enable their once poor country to become rich. They seem to get the fact that tall towers enhance productivity and reduce environmental costs. If China embraces height rather that sprawl, the world’s carbon emissions will be lower, the planet will be safer from global warming, and China will be less dependent on the oil-producing nations of the Middle East.” Met andere woorden, China doet het goed en probeert het tij te keren. Het Westen faalt. Niet alleen de Verenigde Staten blijven doodgemoedereerd doorsuburbaniseren, ook Europa blijft weigeren grote compacte steden te bouwen. Deze week verhoogde de Nederlandse regering nota bene de maximumsnelheid op de autosnelwegen naar 100 respectievelijk 130 kilometer. Een actie regelrecht gericht tegen de steden. Nee, een actie tegen de planeet.

Tagged with:
 

Wild tuig

On 30 november 2011, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Review of Books van 23 november 2011:

Opnieuw geeft Oscar Garschagen in NRC Handelsblad inzage in het leven van de gemiddelde arbeidsmigrant in de grote steden aan de Chinese oostkust. De migranten van het platteland die daar in groten getale werken, schrijft hij, mogen hun kinderen er niet op school doen. Daardoor leven veel kinderen nog op het platteland bij hun grootouders en moeten daar naar school. Hun vader en moeder zien ze slechts een à twee keer per jaar. “Communistisch China is een standenmaatschappij, een gespleten samenleving, waarin het geboorteregistratiesysteem (hukou) dat in de jaren vijftig door Mao Zedong werd ingevoerd een van de voornaamste breuklijnen veroorzaakt.” Over dit hukou-systeem schreef afgelopen zomer ook The Economist al uitgebreid, door mij opgetekend in mijn blog  over The Rat Tribe, (http://bit.ly/vKAmMN). Garschagen noteert acht miljoen rechteloze arbeidsmigranten in Peking, zeven miljoen in Shenzen en nog eens negen miljoen in Guangzhou. Daar komt bij dat het onderwijs in deze metropolen moderner, meer op het individu gericht is, dan op het platteland. De vier oudste en grootste economische zones hebben indertijd hun eigen schoolsystemen mogen ontwikkelen, die zij overigens zelf financieren. Terwijl het doorsnee onderwijs in China klassikaal is, gericht op feitenkennis en standaardexamens, is er in het onderwijs in deze metropolen meer ruimte voor Engelse taal, muziek, gymnastiek en kalligrafie. Iedere zaterdag protesteren de ouders voor het openbreken van het systeem. Tevergeefs. De autoriteiten vrezen een enorme toeloop naar de scholen, die zullen bezwijken onder de aantallen nieuwkomers. Inwoners van Peking, Guangzhou, Shenzen en Sjanghai noemen de migrantenkinderen ook wel ‘wild tuig’. De mensen die Garschagen spreekt denken dat het nog wel twintig jaar zal duren voordat het hukou-systeem wordt afgeschaft.

In The New York Review of Books van deze maand las ik een bespreking van het nieuwste boek van Ezra Vogel over Deng Xiaoping, waarin de auteur – de dissidente wetenschapper Fang Lizhi – het onderwijsstelsel dat Deng Xiaoping introduceerde uitgebreid hekelt. Weliswaar heropende Deng de universiteiten na de Culturele Revolutie onder Mao, dat wil niet zeggen dat hij pro-onderwijs was. Fang Lizhi noemt het hukou-systeem als bewijs voor zijn stelling. Veel kinderen zijn daardoor uitgesloten van onderwijs. Hij beschuldigt Vogel ervan hieraan geen aandacht te besteden. “Deng Xiaoping, the alleged ‘education reformer’, enforced this household registry system, and its consequences for education, to his dying day.” Overigens gaat het systeem niet terug op Mao, maar op de Japanse bezetter die de migratie naar de steden hoe dan ook wilde voorkomen, bang als ze was voor opstanden. De paradox is dat die opstanden nu dreigen juist vanwege het hukou-systeem. Het Chinese voorbeeld laat overigens mooi zien dat steden liefst hun eigen onderwijssysteem ontwikkelen en dat dat ook profijtelijk is. Natuurlijk is er veel te zeggen voor landelijke uniformiteit, maar het inspelen op de regionale economie daagt steden uit hun eigen koers te varen als het gaat om het opleiden van hun beroepsbevolking.

Tagged with:
 

Nieuwe industriepolitiek

On 23 november 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 23 augustus 2011:

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid bereidt een advies voor over een nieuwe industrialisatiepolitiek voor Nederland. Het onderwerp ligt erg gevoelig, ik weet het. Overheidsinmenging in de Nederlandse industrie is in het verleden niet bijster gelukkig geweest. Vandaar wellicht dat de geleerden op reis gingen. Seoul, Singapore en Abu Dhabi werden ter plekke bestudeerd. Ze hadden zich al dat reisgeld kunnen besparen. In Amsterdam was dit najaar een tentoonstelling te zien in het Rembrandthuis die bijzonder instructief was. In ‘Gedrukt tot Amsterdam’ ging het over de nieuwe media in de Gouden Eeuw: de prentuitgeverij. Het drukken en verspreiden van prenten door slimme zakenlui was destijds als het maken van iPads en apps in onze tijd. Dat gebeurde allemaal voor het eerst in Amsterdam. Amsterdam was het ‘Silicon Valley’ van de zeventiende eeuw. “Terwijl het nu museumobjecten van een verouderd medium zijn, waren prenten toen dè manier om snel beelden te maken en te verspreiden.” Ineens zagen kunstenaars werk van verre collega’s, omdat het op grote schaal werd gekopieerd op prent. “De wereld werd veel kleiner.”

Welke les hieruit kan worden geleerd? Dat een nieuwe industriepolitiek een grootstedelijke zal moeten zijn. Ik denk echter dat de verre reizen onze wetenschappers hebben gevoed met het idee dat industriepolitiek veeleer iets met robotisering te maken heeft en dat ze, indien al territoriaal moet worden gedacht, vooral voor Brabant en Overijssel interessant zal kunnen zijn. Productiviteit in de industrie is te danken aan mechanisering en industrie vind je in dozen langs de snelweg. Zoiets. Het splitsen van industriebeleid en innovatiebeleid past in datzelfde verouderde denken. En het idee dat ICT ruimtelijke scheiding tussen creatie en feitelijke productie mogelijk maakt is in dat denken ook al zo dominant. Het gekke is echter dat de economie juist weer lokaler en kleinschaliger wordt en dat ze steeds meer de grote steden wil bedienen. In de Volkskrant van 8 oktober bijvoorbeeld las ik dat veel industrie China alweer verlaat en terugkeert naar de Verenigde Staten. Als reden wordt opgegeven dat Chinese arbeid aan de Oostkust te duur wordt en de grondprijzen er de pan uitrijzen. Het zal best. In feite zien we een gelijkwaardigheid tussen continentale economieën ontstaan. Bovendien worden metropolen zo immens groot dat ze reusachtige afzetmarkten gaan vormen voor lokale industrie die domweg geen export meer nodig heeft. Het mondiale transportsysteem kraakt trouwens in zijn voegen; duurzaam is het allerminst. En de creatieve bedrijven in de grote steden zoeken juist toenadering tot de kleine lokale maakindustrie. Ondernemen in niches levert een veel hogere toegevoegde waarde. De toekomst is dus aan een grootstedelijke industriepolitiek. Vandaar mijn tip. WRR, was liever gaan kijken in de Amsterdamse Jodenbreestraat.

Tagged with: