Urban by nature

On 6 juni 2014, in natuur, openbare ruimte, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien op 4 en 5 juni 2014 in Amsterdam:

Laatst hoorde ik het iemand weer zeggen (nog wel een expert): "We zouden in Amsterdam eigenlijk een ‘Emerald Necklace’ moeten maken." Schande, dacht ik nog. Die Emerald Necklace is er al lang. Afgelopen week bezochten mijn kinderen en ik hem, tijdens de avondvierdaagse in Zuid. Vier avonden lang wandelden we door de mooiste groenstructuur die een Nederlandse stad bezit: het Gijsbrecht van Aemstelpark, het Amsterdamse Bos, de Kalfjeslaan, het Amstelpark, de Amsteloevers en het Beatrixpark, alles bijeengehouden door schitterende groenzones en waterlopen. Het aanvankelijke ontwerp dateert van 1937, toen ook de aanleg ervan begon. Het geheel werd voltooid in 1972, toen de Floriade in het Amstelpark zijn deuren opende. In amper vijfendertig jaar kreeg de hoofdstad een grootstedelijke groenstructuur die zijn gelijke in de geschiedenis niet kent. Wat me tijdens de wandelingen nog het meest verbaasde was de uitstekende staat waarin al het groen verkeert, het zorgvuldige beheer van de heemtuinen, de waterpartijen, de schoolwerktuinen, de wateroevers, met als hoogtepunt het groene pad op de zuidoever van de Kalfjeslaan – op Amstelveens grondgebied. Zelden zoveel Hollandse schoonheid en pracht bij elkaar gezien.

De Emerald Necklace werd tussen 1878 en 1894 aangelegd; het geheel was ontworpen door Frederick Law Olmsted. Deze gerenommeerde Amerikaanse landschapsarchitect ontwierp daarmee de oudste regionale groenstructuur van Amerika, die zijn oorsprong vond in het hart van het oude Boston, Massachusetts, aan de Boston Commons, en die vandaaruit zeven mijl naar buiten voert. Inmiddels zijn de 1.100 acres gebruiksgroen door een aantrekkelijke suburbane stad omgeven: Brooklyne. Het hoogtepunt van het parkenstelsel vond ik altijd het imposante arboretum, tegenwoordig beheerd door Harvard University. Het lijdt geen twijfel dat Cornelis van Eesteren, hoofdontwerper van Stadsontwikkeling, het werk van Olmsted in Boston goed kende en als inspiratie nam voor zijn eigen Hollandse polderversie: laaggelegen waterparken, bijeengehouden door met groen omrande sloten en vaarten – waterhuishouding, recreatie en natuurbouw op geraffineerde wijze met elkaar gecombineerd – een ideale Modernistische compositie die bedoeld was om het jonge Buitenveldert mee te sieren. Geestverwanten als Wim Boer, mejuffrouw Mulder en Pieter van Loon hebben er aan getekend. Wat een schoonheid, wat een kostbaar bezit! Kom er tegenwoordig maar eens om. Misschien is dat laatste wat die collega vorige week bedoelde: zouden we niet opnieuw zo’n mooi parkensysteem moeten ontwerpen?

Tagged with:
 

De Sprong Omhoog

On 1 juli 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 maart 2013:

Ongelezen bleef de rede van Deirdre McCloskey op de grote stapel liggen. Deze econoom en historica aan de universiteit van Illinois sprak dit voorjaar een interessante lezing uit op het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen over innovatie. Eindelijk las ik hem. Haar verklaring voor de enorme economische groei na 1800 gaat terug op wat er rond 1600 in Amsterdam gebeurde en na 1700 in Londen en Boston: permanente innovatie door een opkomende stedelijke middenklasse. “Dat de wereld tussen 1600 en 1848 als een bezetene aan het innoveren sloeg, kwam door de langzaam veranderende denkbeelden over de stedelijke middenklasse en over haar materiële en institutionele innovaties.”  Na Amsterdam, aldus McCloskey, volgde de rest van Europa “en ook zijn uitlopers, en ten slotte in onze tijd China en India.” De opkomst van de onderneming – door McCloskey aangeduid als ‘de zakelijke versie van moed en hoop’ –, gecombineerd met vertrouwen – door haar aangeduid als ‘de zakelijke versie van rechtvaardigheid en matigheid’ – , maakte ondenkbare innovaties mogelijk.

In haar verklaring voor de versnelling van innovaties legt McCloskey sterk de nadruk op waarden en normen. Weliswaar wijst ze op het belang van steden, maar het wil er bij haar niet in dat innovatief vermogen in de eerste plaats met stedelijke groei te maken heeft. Echter, valt de enorme spurt in innovaties niet verdacht opvallend samen met een versnelling van de urbanisatie wereldwijd? McCloskey: “Lang voor West-Europa hadden de Chinezen al enorme steden, maar zakendoen oogstte in hun beschaving geen bewondering. Daar draait het om: waardigheid voor het zakendoen, of zakenmensen die gewicht of macht bezitten.” Stedenbouw, aldus de Amerikaanse econoom, biedt daarom onvoldoende verklaring. Maar is dat wel zo? De Chinese beschaving met zijn grote steden was juist buitengewoon innovatief. Pas toen de Chinese steden niet meer groeiden, verloor de Chinese beschaving aan innovatief vermogen. McCloskey schrijft het zelf: “Natuurlijk hebben de burgerlijke notabelen in de geschiedenis van de steden helaas ook herhaaldelijk het plaatselijke bestuur gekaapt, met het oogmerk om zonder innovatie winst te maken. Dit gebeurde in Nederland in de achttiende eeuw.” Inderdaad, vanaf eind zeventiende eeuw groeiden de Nederlandse steden, Amsterdam incluis, niet meer. Londen nam het stokje over. Dankzij Hollands kapitaal. Wie geen grote steden wil zal ook niet innoveren.

Tagged with:
 

Zelfbouw

On 21 maart 2013, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A Hologram for the King’ (2010) van Dave Eggers:

Hoofdpersoon Allan Clay uit Boston, Massachusetts, belandt in ‘A Hologram for the King’ van Dave Eggers, als consultant van de Amerikaanse firma Reliant in King Abdullah Economic City, kortweg KAEC. De nieuwe stad ligt een paar uur buiten Jeddah, Saoedi Arabië, aan oevers van de Rode Zee. Daar moet hij met een team een holografische videoconferentie installeren in een tent voor de koning van het land, die ook de opdrachtgever is van de bouw van de stad. De eerste torens staan er, de waterlopen zijn gegraven, maar verder is er alleen maar woestijn en die ene tent. Het is precies zoals Dubai en Abu Dhabi ooit moeten zijn begonnen. Auteur Dave Eggers wijdt ons in in het leven van Clay, die net gescheiden is, een studerende dochter heeft en diep in de schulden zit. Van het slagen van zijn opdracht in KAEC hangt het af of hij uit de financiële problemen zal raken. Maar daar lijkt in de roman weinig kans op, want in de hele onderneming zit weinig schot. Amerika produceert zelf niets meer en Saoedi Arabië is rijk, maar heeft geen haast en bestelt alles in het buitenland. Iedereen is manager of consultant. Op de achterflap lees ik: “In ‘A Hologram for the King’, Dave Eggers takes us around the world to show how one man fights to hold himself and his splintering family together in the face of the global economy’s gale-force winds.”

Wanneer Clay boven op het dak van een flat in aanbouw staat en overweegt om een appartement te kopen en zo te speculeren op het succes van de bouwonderneming die een droom is van die ene oude koning, denkt hij terug aan Boston. Geworteld is hij er niet. Geboren in Dedham, een dorpje even ten zuiden van Boston, beseft hij dat niemand hem daar meer meer kent. Sinds jaar en dag woont hij in Duxbury, maar aan die voorstad voelt hij zich allerminst gehecht. Ooit had hij geprobeerd er iets voor zichzelf te bouwen: een natuurstenen muur om zijn eigen tuin. Hij had stenen en cement gekocht bij de plaatselijke bouwmarkt. “Building the wall gave Allan as much pleasure as he’d known in years, even though he had virtually no idea what he was doing.” Het moest allemaal snel klaar zijn, en met cement had hij nog nooit gewerkt. “But then came a visit from the zoning department.” Men ontbood hem op het stadhuis. Hij bleek geen vergunning te hebben. De muur moest weer worden afgebroken. Aan die beschamende affaire denkt hij terug als hij uitkijkt over de woestijn even buiten Jeddah, met rondom hem een reusachtige bouwput waar binnen dertig jaar een metropool moet verrijzen. Mooi. Huiveringwekkend.

Tagged with:
 

Low friction

On 29 januari 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gehoord op 24 januari 2013 in Amsterdam:

Een zestiental mid-career Sloan Fellows van MIT (Massachusetts Institute of Technology, Boston), afkomstig uit de hele wereld, bezocht afgelopen week Nederland. Na Den Haag en Eindhoven eindigde hun bezoek in de hoofdstad, in Amsterdam. Hun reis stond in het teken van het REAL-programma van MIT. REAL staat voor: Regional Entrepreneurial Acceleration Lab. Het is een laboratorium waarin op basis van gefundeerde theorieën bestudeerd wordt hoe regionale economieën gefaciliteerd kunnen worden, met de nadruk op innovatief ondernemerschap. Men vergelijkt cluster-georiënteerde benaderingen met creatieve-klasse prespectieven, zeg maar: Michael Porter en Michael Storper tegenover Richard Florida. “The REAL MIT Sloan Fellows will take a series of deep dives into different regions, cities and nations that exemplify entrepreneurial growth and economic development across sectors and across the world.” Een van die regio’s, steden en landen is Nederland c.q. Amsterdam. Annemieke Roobeek, hoogleraar Strategie en Verandermanagement aan Nyenrode Business University, begeleidde de delegatie.

Na vier dagen Nederland, waarvan twee dagen Amsterdam, sloot het Amerikaanse gezelschap haar bezoek af in de ambtswoning van de burgemeester aan de Herengracht. Dan Harple, een van de Sloan Fellows, hield daar een toespraak waarin hij verhaalde van de bevindingen van de groep. Hun was vooral opgevallen, zei Harple, de ‘low friction’. Die geringe frictie gold in velerlei opzichten. Waar je in Silicon Valley lang moest autorijden om van de ene afspraak naar de andere te komen, daar sprong je in Amsterdam gewoon op je fiets; overal kon je snel en gemakkelijk binnenkomen, de omgangsvormen zijn informeel.  Ondanks die losse, informele stijl en geringe dominantie van de auto blijkt Amsterdam buitengewoon goed georganiseerd en kan er snel iets geregeld worden; er is ook relatief weinig bureaucratie. De lokale overheid is er toegankelijk en meewerkend. Het andere dat de Sloan Fellows was opgevallen was ‘volume’: er is enorm veel Amsterdams talent en dat talent ligt voor het oprapen, de initiatieven, aldus Haple, zijn niet te tellen. Harple, die tevens co-founder is van Nexuslabs Foundation, zei dat hij ‘venture capitalists’ zal wijzen op deze goudmijn aan de andere kant van de Atlantische Oceaan en dat Nexuslabs deze kapitaalverschaffing aan jonge, innovatieve Amsterdamse ondernemers zal gaan ondersteunen. Waarvan akte.

Tagged with:
 

Civic Commons

On 3 april 2012, in participatie, regionale planning, technologie, by Zef Hemel

Gehoord in de RAI op 27 maart 2012:

Tijdens Inter Traffic, de grootste internationale beurs op het gebied van verkeer en vervoer in de Amsterdamse RAI, vond de kick off plaats van Commons4EU. Vijf steden presenteerden er hun nieuwste apps die de digitale uitwisseling tussen burgers en hun stad moeten stimuleren: Boston, Barcelona, Rome, Londen en Amsterdam. Esteve Almirall, hoogleraar aan Esade Business School in Barcelona, maakte duidelijk waarom open innovatie voor steden zo belangrijk is. De publieke sector heeft vaak erg veel taken, maar haar budgetten slinken zienderogen, om lokale problemen op te lossen kunnen burgers veel actiever worden ingeschakeld. Bovendien moeten de steden zichzelf opnieuw uitvinden. Bedrijven die al eerder open innovatie omarmden, zoals Procter & Gamble, varen er economisch wel bij, dus waarom de overheid niet? Het gaat hier niet om complexe grootschalige digitaliseringsprojecten die maar al te vaak mislukken. De projecten zijn juist klein, goedkoop, experimenteel en snel te realiseren. Elke stad kan zijn eigen apps ontwikkelen en beproeven. Deze civic commons, soms gratis, soms betaald, kunnen een nieuwe manier zijn om op stedelijk niveau een civil society te bouwen.

Boston, Massachusetts, gaf in Amsterdam van die civic commons instructieve voorbeelden. Nigel Jacob, werkzaam bij The Mayor’s Office of New Urban Mechanics, vertelde hoe Boston de afgelopen jaren open innovatie in het centrum van haar werkzaamheden plaatste. Onder het motto ‘Source, Support, Study, Share, Scale’ werden eerst ideeën opgehaald, vervolgens in pilots ondersteund, op hun impact bestudeerd, de resultaten gedeeld, om ten slotte te worden opgeschaald naar stedelijk niveau. ‘Street Bump’ is wel de leukste app in Boston: de app, actief geladen in de mobiele telefoon die in de auto meereist, registreert automatisch gaten in het wegdek. Burgers tellen de gaten, maar de gemeente kan ook op het stratenplan direct aflezen waar de gaten zich bevinden. Is het gat gedicht, dan krijgt de burger daarvan onmiddellijk bericht. Zulke apps zijn praktisch, leuk en stimulerend. Ze bevorderen het contact tussen burgers en gemeentelijke diensten. Boston kent inmiddels meer apps die de burgers actief inschakelen bij het oplossen van problemen: apps voor onderwijsprestaties, voor schoolbussen, voor afvalverwerking, voor sneeuwruimen. Vijftig apps voor twintig gemeentelijke diensten in de laatste vijf jaar is de stand van zaken. Commons4EU gaat soortgelijke toepassingen in Europese steden stimuleren en delen. Onder aanvoering van Amsterdam zullen Manchester, Helsinki, Rome, Barcelona, Berlijn, Parijs en de Nederlandse hoofdstad een ‘Code for Europe’ ontwikkelen. “Sharing data, civic commons, meeting place for city experts. Which apps are really cutting edge?” Ik zou zeggen: Eureka!

Tagged with:
 

No Impact Man

On 24 februari 2012, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘No Impact Man’ (2009) van Colin Beavan:

Op zoek naar een eigentijdse Thoreau, stuitte ik op Colin Beavan. Een jaar lang probeerde deze New Yorker geen voetafdruk op aarde na te laten. Hij schreef er, net als Thoreau, een boek over, getiteld ‘No Impact Man’. Ik las het gretig. Het is weliswaar minder literair dan ‘Walden’ (1854), maar wel buitengewoon actueel en het tobt eigenlijk nog steeds met dezelfde vragen. Waarom kopen wij zoveel spullen? Waarom eten wij ongezond? Waarom belasten wij de aarde? Waarom richten wij ons niet meer op het immateriële? Is ons geluk dan zo verbonden met al die spullen? “A quick and partial inventory of the crap I found in our rubbish bags in only four days: 14 plastic coffee cups, 12 plastic straws, 19 paper napkins, 14 small paper bags, 9 sets of plastic cutlery (unused)….” Hij besluit met vrouw, hond en kind een jaar lang bewust te leven en zo weinig mogelijk de aarde te belasten. Het lukt hem wonderwel. En hij leert veel. Zoals: “In fact, according to Bill McKibben’s ‘Deep Economy’, small, local farms produce more food per acre than industrial farms and use land, water and fossil fuels more efficiently.” Over dat soort inzichten gaat zijn boek. Hij wil, schrijft hij op het eind, geen martelaar lijken, maar vraagt zijn lezers wel of ze niet net als hij hun leven willen veranderen. Dat is meer dan Thoreau durfde te doen. Thoreau trok zich terug in de bossen bij Concord en schreef over zijn eenvoudige leven in de natuur. Echter, hij liet aan zijn lezers over om zelf te beslissen hoe zij hun leven wilden leiden. Hij had aan zijn hut en zijn potten en pannen genoeg.

Thoreau en Beavan zijn typisch grootstedelijke fenomenen. Thoreau keerde het geciviliseerde Boston de rug toe en trok zich terug in de bossen bij Concord, Beavan deed zijn experiment vanuit zijn appartement in hartje Manhattan. Beiden waren niet geïnteresseerd in geld, wel in natuur, cultuur, kunst, religie, Boeddhisme. Waar de een de stad Boston zelden noemt, daar grossiert de ander in New Yorkse zaken. Je hoeft niet terug naar de natuur om zonder voetafdruk te leven – dat is de hoopgevende boodschap van Beavan. “Good Lord, man, “ National Public Radio presenter Scott Simon would say to me during an interview for Talk of the Nation, “isn’t the whole point of living in New York to enjoy the good life?” Eerst nog dacht Beavan dat zijn interviewer gelijk had (“Self-restraint. Crap!”), maar later komt bij hem het inzicht. “The truth is that we feel we can live comfortably using a bit less than we used to.” Niet dat dat genoeg is. Maar door oneindig goed te doen kan een mens veel schade compenseren. “All our potentials for good are unlimited.”

Tagged with:
 

Autostad

On 17 februari 2012, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘J.T.P.Bijhouwer’ (2011) van Gerrie Andela:

Jan Bijhouwer, geboren in Amsterdam op 15 november 1898, was een vooraanstaand landschapsarchitect. In 1927 bezocht hij Boston, Massachusetts; dat was zes jaar na beëindiging van zijn studie botanie in Wageningen. Zijn bestemming was Arnold Arboretum, de door Olmsted ontworpen bomentuin die tegenwoordig deel uitmaakt van Harvard University. Afgelopen jaarwisseling was ik er. Het arboretum is onderdeel van de Emerald Necklace, een zeven mijl lang stelsel van parken dat dwars door Boston voert en dat, naast Central Park in New York, tot het beste werk van Olmsted moet worden gerekend. Bijhouwer reisde op een fellowship van de Rockefeller Foundation, maar besloot een jaar langer te blijven. In zijn onderhoud voorzag hij door in Amerika werk te zoeken. Hij, amper 29 jaar oud, reisde in een T-Ford door het immense land. Gerrie Andela’s recent verschenen monografie van Bijhouwer opent met de reis, die volgens haar bepalend zou zijn geweest voor zijn latere leven. “De kleinschalige en overzichtelijke wereld van Nederland lag ver achter hem.” Hij zou er zijn echtgenote, Evelyn Oliver, leren kennen, die afkomstig was uit Maine.

In 1952 keerde Bijhouwer naar Amerika terug. Zijn vrouw was op het eind van de oorlog, door honger verzwakt, bezweken aan tuberculose. Opnieuw bezocht hij Boston. Zijn ‘Amerikaanse notities’ verschenen in het tijdschrift Bouw. Op dat moment beschikte elk gezin in Boston reeds over een auto; Bijhouwer keek er zijn ogen uit. Aan de zuidkant van Boston zag hij de dertig hectare omvattende ‘The Shoppers World’ – de eerste shopping mall, met parkeerterreinen voor duizenden auto’s. Andela: “Om de afstanden inzichtelijk te maken verplaatst Bijhouwer het naar een Nederlandse context, met Amsterdam als vergelijkbaar stadscentrum en de zuidgrens van Amstelveen als locatie voor het nieuwe winkelgebied.” Voor de lezers van Bouw, amper bekomen van de oorlog, zal het een ongekend moderne ervaring zijn geweest. Wel gek, want tien jaar later zou in datzelfde Amstelveen een begin worden gemaakt met de bouw van de Binnenhof, het winkelcentrum van het snel groeiende Amstelveen langs de snelweg A9. De parkeerterreinen zouden spoedig volgen, want het autobezit in ons land maakte midden jaren zestig een enorme inhaalslag. Amstelveen werd in één klap een autostad. En ondertussen plantte Amsterdam met Sloterplas, Nieuwe Meer, Amsterdamse Bos, Gijsbrecht van Aemstelpark en Amstelpark (Floriade 1972) zijn eigen modernistische Emerald Necklace. Amsterdam ging ineens op Boston lijken. Goed gezien door Bijhouwer.

Tagged with:
 

Sportieve rivalen

On 3 februari 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 2 februari 2012:

Amerikanen zijn gek van sport, dat is bekend. Sommige Amerikaanse steden zijn nog extremer als het aankomt op sport en sportbeoefening dan andere. Tijdens mijn korte verblijf in Boston, Massachusetts, viel het me al op. Alles lijkt in die stad aan de Oostkust te draaien om wedstrijden, clubs, stadions en toernooien. De lokale aanhang beweegt mee met het seizoen. In de winter is ijshockey favoriet en loopt iedereen uit voor de Boston Bruins; ‘s zomers is het eerder honkbal en basketbal, en staat heel Boston in het teken van de Patriots en de Boston Celtics. Ook de universiteiten hebben hun eigen studentenclubs en hun eigen stadions. Het stadion van Boston College is bijvoorbeeld groter dan de Ajax Arena in Amsterdam. Prijzenkasten beslaan er hele verdiepingen en iedereen eert de lokale helden. Sportheld ben je hier voor je hele leven. Hoe anders is dat bij ons.

In het nieuwste nummer van The Atlantic wijst de Amerikaanse econoom Richard Florida op het feit dat sport sterk gebonden is aan de grootste steden. De verschillen tussen steden zijn, als het aankomt op sport, echter veel extremer dan als het gaat om economie of cultuur. De ene stad presteert uitzonderlijk, terwijl de andere nauwelijks meetelt. Zo ontdekte Florida dat de zone Boston-New York-Washington veruit de kroon spant als het gaat om het winnen van kampioenschappen, de zone van Chicago-Detroit-Cleveland-Pittsburgh blijkt een goede tweede. Nummer drie en vier zijn al veel kleiner. Nee, de sportprestaties blijken tussen steden zeer ongelijk verdeeld. De Amerikaanse topsport wordt beheerst door de rivaliteit tussen het kleine Boston en de reus New York. Die rivaliteit verwijst ver terug in de Amerikaanse geschiedenis, toen de twee steden nog wedijverden om de macht binnen de jonge Republiek. In de afgelopen jaren was het Boston dat zijn grote buur aftroefde. Ja, dat is sport: een sportstad kun je niet maken door een stadion te bouwen en een club financieel te ondersteunen. Die sportieve status heeft hele sterke historische wortels, aardend in een geschiedenis van stedelijke macht en rivaliteit.

Tagged with:
 

Knowledge City

On 19 januari 2012, in economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Boston beschikt niet alleen over een enorme concentratie culturele instellingen in Fenway, de concentratie ziekenhuizen, even boven Roxbury, is al even indrukwekkend. Zelden zag ik zoveel ziekenhuizen op zo’n klein oppervlak bij elkaar. Het is kenmerkend voor de stad; welbeschouwd bestaat ze uit talrijke gespecialiseerde campussen. Die rond de ziekenhuizen stamt uit de zeventiende eeuw, toen de medici van Harvard Medical School autopsieën pleegden in het kapelletje in Harvard Yard. Ed Glaeser schrijft in ‘Triumph of the City’ niet zonder plezier dat hij in dat kapelletje tegenwoordig les geeft. De Harvard-econoom gebruikt de geneeskunde als voorbeeld van de heruitvinding van Boston in de twintigste eeuw, toen de stad zich noodgedwongen moest oriënteren op haar vele onderwijsinstellingen nadat de industrie de stad had verlaten. De biomedische economie in Boston is een regelrechte spin off van deze succesvolle stedelijke politiek. Boston Scientific, ooit begonnen in Watertown, was een kweekvijver voor nieuwe bedrijfjes als Biogen en Genzyme. Novartis kwam naar Boston om talent aan trekken en vestigde zich in de voormalige snoepfabriek in Cambrigde (Necco Wafers), dicht bij MIT. Boston produceert niet alleen extreem veel medisch talent, de stad haalt zijn zieken ook van ver, geneest ze en zendt ze weer naar huis. Boston, aldus Glaeser, exporteert gezondheid op wereldschaal.

Een stedelijke structuur van campussen heeft niet alleen maar voordelen. Er zijn ook nadelen. Een nadeel is bijvoorbeeld dat er van een stedelijk centrum feitelijk geen sprake meer is. Het centrum van Boston lijkt te ontbreken. Het historische centrum heet nu financieel district – een gebied waar buiten kantoortijden eigenlijk niemand meer komt. De toeristenbussen, op zoek naar de begraafplaats van John Winthrop, rijden er door bijna lege straten. Als er van een centrum nog sprake is, dan lijkt die te liggen ten westen van Boston Common. Eigenlijk geldt dat voor elke campus: slechts op bepaalde tijden is het er levendig en druk, daarbuiten is het er uitgestorven. Om het stedelijk leven te ervaren moet je goed weten waar je op dat moment moet zijn en zit je voortdurend in de auto, op weg naar de plek waar het gebeurt. Het studentenleven speelt zich geheel af op de campussen, waardoor de rest van de stad feitelijk niets van dit opwindende uitgaansleven merkt en er ook allerminst van profiteert. Het lijkt een econoom als Ed Glaeser allemaal niet te deren. Hij geeft er les, maar woont elders, vermoedelijk net als zijn collega’s ver buiten de stad. Dat is het grootste, wèl erkende probleem van Boston, namelijk dat het verkeer op alle autowegen in en rond de stad in de spitsuren vast staat. Boston produceert extreem veel verkeer.

Tagged with:
 

Athens of America

On 12 januari 2012, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) van Jane Jacobs:

Fenway Cultural District in Boston bevat de grootste concentratie culturele instellingen van Groot-Boston. Het culturele kwartier ligt tamelijk ver buiten het historische centrum, ten zuiden van Back Bay Fens, naast het door Olmsted midden negentiende eeuw ingerichte park. Eigenlijk begint het al met de openbare bibliotheek uit 1852 van McKim aan Copley Square. Als je vervolgens Huntington Avenue – ‘Avenue of the Arts’ – afloopt kom je ze allemaal tegen: Boston Symphony, Huntington Theater Company, het ‘Theater District’, het conservatorium, Museum of Fine Arts. Ben je bij de laatste dan ben je al ver buiten het bereik van het oude centrum; je moet de Green Line nemen om weer in de oude stad te komen; lopen is te ver. Onwillekeurig moest ik denken aan het Museumpleinkwartier: ook zo’n negentiende eeuwse concentratie van musea en culturele instellingen buiten het historische centrum, gekoppeld aan het Vondelpark en natuurlijk aan het Museumplein zelf. In een van de laatste nummers van Plan Amsterdam analyseert stedenbouwkundige Maurits de Hoog deze en andere Amsterdamse ‘culturele clusters’ en hoe ze in hun omgeving zijn opgenomen. Hij telt in totaal negen clusters, alle heel verschillend, de meeste gelukkig nog altijd in de binnenstad. In Boston is dat anders, daar heeft men midden negentiende eeuw juist alle culturele instellingen naar buiten verplaatst. Hieraan dankte de stad destijds zijn reputatie van ‘Athens of America’. Echter, het gevolg was dat de binnenstad van Boston langzaam doodbloedde. Het werd een saai Central Business District, later, in de twintigste eeuw, ook nog eens doorsneden door een autosnelweg, die pas onlangs onder de grond is gewerkt.

Jane Jacobs noemt Boston in ‘The Death and Life of Great American Cities’ de eerste Amerikaanse stad die voor zichzelf een cultureel district bouwde. Een ‘Committee of Institutes’ bedacht in 1859 een ‘Cultural Conservation’ -kwartier ver buiten de binnenstad, waar naar het voorbeeld van het oude Athene uitsluitend culturele instellingen zich mochten vestigen. De bouw ervan, merkt Jane Jacobs op, viel merkwaardigerwijze juist samen met de geleidelijke culturele neergang van de stad. “Whether the deliberate segregation and decontamination of numerous cultural institutions from the ordinary city and ordinary life was part of the cause of Boston’s cultural decline, or whether it was simply a symptom and seal of a decadence already inevitable from other causes, I do not know. One thing is sure: Boston’s downtown has suffered miserably from lack of good mixtures in its primary uses, particularly good mixing in of night uses and of live (not museum-piece and once-upon-a-time) cultural uses.” Waarom de culturele instellingen in de stad clusteren? Dat is meestal dood in de pot. Het worden dan toeristische eilanden. Voor een levendige cultuur moet je ze juist mengen en spreiden. Jacobs vermoedt dat het te maken had met de financiering: de elite wil cultuur alleen financieren wanneer deze niet kan worden ‘besmet door andere functies. Haar advies is echter dit vooral niet te doen. Bouw geen ‘museumparken’, maak geen culturele concentraties, maar verdeel ze juist over de stad. Het heeft even geduurd. Pas onlangs is Boston begonnen nieuwe musea (ICA, Children’s Museum) aan de zuidkant van de binnenstad te bouwen.

Tagged with: