Sint Petersburg aan de Amstel

On 6 februari 2014, in boeken, muziek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘In het huis van de dichter’ (2008) van Jan Brokken:

In 1976 ontvluchtte de jonge Russische concertpianist Youri Egorov de Sovjet Unie. Via Italië arriveerde hij in Amsterdam. Daar vroeg hij politiek asiel aan. Daarna woonde hij jarenlang aan de Brouwersgracht. In 1988 overleed hij. Jan Brokken, die hem goed gekend heeft, schreef een ‘roman’ over zijn korte leven, zijn muziek en zijn optredens. De roman gaat ook over Amsterdam en andere steden. Mooi bijvoorbeeld om te lezen hoe Egorov Amsterdam vergeleek met Sint Petersburg. “Sint Petersburg was even weinig Russisch als Amsterdam Hollands.” Petersburg, aldus Egorov, was “open, westers, modieus, wuft, en schiep het klimaat voor artistieke vernieuwingsbewegingen en politieke omwentelingen.” Deze eigenschappen bracht hij in verband met de handel en de omvang van de stad. “Precies als Amsterdam.” En net als op Amsterdam, werd door Russen op Sint Petersburg afgegeven. Het was, wist Egorov, de kift. Brokken, zelf afkomstig uit Rhoon: “In bekrompenheid deed Rusland eeuwenlang niet voor het landelijke Holland onder.”

Even verderop spreekt Brokken zelfs van ‘tweelingzussen’. Amsterdam en Sint Petersburg liggen beide aan het water, in een winderige, moerassige streek, ook qua sfeer en mentaliteit stemmen de twee steden opvallend overeen: ze zijn ruimdenkend, kosmopolitisch. “Youri voelde zich er op zijn gemak, veel meer dan in Londen of New York.” In New York had de pianist een appartement, maar hij nam de Concorde naar Londen om sneller thuis te zijn. “Thuis aan de Brouwersgracht, thuis was het Concertgebouw, voor hem de mooiste concertzaal van de wereld, met de beste akoestiek. Nergens speelde hij beter dan daar, voor het Amsterdamse publiek, dat hij als zijn eigen publiek was gaan beschouwen.” In Amsterdam hadden Grieg, Mahler, Debussy, Strauss, Schönberg, Ravel en Stravinski gespeeld. En dan was er de wiet, de stickies en de hash. Nee, een schitterend boek. En wat een lofzang op Amsterdam.

Tagged with:
 

Marshall Berman 1940-2013

On 12 september 2013, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All That is Solid Melts Into Air’(1982) van Marshall Berman:

Deze week overleed Marshall Berman (1940-2013). Deze reusachtige New Yorkse intellectueel, woonachtig in de Bronx, schreef een van de mooiste boeken over het Modernisme die ik ken: ‘All That is Solid Melts Into Air’. Marx, Dostojewski en Goethe had ik nog niet gelezen, maar Berman liet me er kennis mee maken. Door zijn ogen leerde ik sociale omgevingen lezen en waarderen – “small towns, big construction sites, dams and power plants, Joseph Paxton’s Chrystal Palace, Haussmann’s Parisian boulevards, Petersburg prospects, Robert Moses’ highways through New York; and finally, reading fictional and actual people’s lives (…)” Destijds was wat hij schreef allemaal nieuw voor mij. Berman maakte duidelijk dat in het modernisme alles verandert en transformeert en dat dat ons huiver en schrik aanjaagt. En dan die geweldige paradox. Echt modern zijn is anti-modern zijn: “from Marx’s and Dostoevsky’s  time to our own, it has been impossible to grasp and embrace the modern world’s potentialities without loathing and fighting against some of its most palpable realities.” Marshall Berman is niet meer.

Nooit zal ik het voorwoord vergeten, dat hij in januari 1981 schreef. Kort nadat hij zijn boek voltooid had stierf zijn zoon, vijf jaar oud. ‘All That Is Solid Melts Into Air’ droeg hij op aan Marc Joseph. Diens leven en dood brachten de thema’s van zijn vader zo dicht bij huis: “the idea that those who are most happily at home in the modern world, as he was, may be most vulnerable to the demons that haunt it; the idea that the daily routine of playgrounds and bicycles, of shopping and eating and cleaning up, of ordinary hugs and kisses, may be not only infinitely joyous and beautiful but also infinitely precarious and fragile; that it may take desperate and heroic struggles to sustain this life, and sometimes we lose.” Waarna hij Karamazov citeert, die zou hebben gezegd dat de dood van kinderen hem, meer dan iets anders, zijn kaartje naar het universum wilde doen inleveren. Berman bleef nog drieendertig jaar in New York werkzaam.

Tagged with:
 

Segregatie

On 29 augustus 2013, in boeken, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Atlas Shrugged’ (1957) van Ayn Rand:

Ayn Rand schetst in haar roman ‘Atlas Shrugged’ (1957) een ontluisterend beeld van een failliete wereldeconomie waarin sociaal overheidsbeleid het ondernemen geleidelijk aan onmogelijk maakt. Een aantal ondernemers die in opstand komen tegen dit gruwelijke staatssocialisme met zijn belastingen en hoge regeldruk blijken doelbewust aan te sturen op de ontwrichting van de economie. Een van hen start een nieuwe gemeenschap ergens hoog in de Amerikaanse Rocky Mountains – ‘Galt’s Gulch’, vernoemd naar de oprichter John Galt -, waar ondernemers niets in de weg wordt gelegd en waar zij eindelijk eerlijk hun geld kunnen verdienen (en ook houden). De filosoof Hans Achthuis noemt deze heilstaat de utopie van de vrije markt. Rand zelf trekt de vergelijking met Atlantis – de stad waar heldengoden vredig samenleefden, maar die sinds lang verloren wordt gewaand en waarvan het bestaan zelfs in twijfel wordt getrokken. Amerikaanse neo-conservatieven zweren erbij en hopen dat John Galt hen komt redden.

Mij bekroop eerlijk gezegd het gevoel dat Rand hier gewoon de idylle van een ruimtelijk gesegregeerde gemeenschap schetst, niet zozeer een sekte, maar een groep gelijkgestemden die alle andersdenkenden rigoureus afwijzen en die voor zichzelf een ‘gated community’ beginnen waar ze in afzondering ongestoord kunnen genieten van hun eensgezindheid. Ze bewaken streng hun grenzen, hebben alle toegangswegen op een na afgesneden en laten niemand met afwijkende opvattingen tot hun territorium toe. Alle huizen lijken op elkaar, iedereen heeft dezelfde smaak. Diversiteit en pluriformiteit worden verafschuwd en daarin vinden alle ingezetenen elkaar. Feitelijk schetst Rand hier de Amerikaanse droom die later werkelijkheid zou worden en die ook in ons land de laatste tijd in opmars is: woonbuurten waar men elkaar op leefstijl uitzoekt en dan gezellig in afzondering samenwoont. Zelfs woningcorporaties in Eindhoven zwichten ervoor. Mensen willen niet meer samenleven, ze verdragen elkaar niet langer. Een gevaarlijke utopie. Lees Ayn Rand!

Tagged with:
 

Vooruitziende blik

On 23 augustus 2013, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Atlas Shrugged’ (1957) van Ayn Rand:

Eerder al schreef ik over Ayn Rand’s ‘Atlas Shrugged’, naar aanleiding van Hans Achterhuis’ ‘De utopie van de vrije markt’. Deze zomer las ik dan eindelijk de dikke pil die in mijn geboortejaar verscheen en die nog altijd tot de meest gelezen boeken behoort in Amerika. En ik moet toegeven, het is een indringend verhaal over een aantal meedogenloze ondernemers. Deze dystopie schetst precies de ondergang van Amerika die wij op dit moment beleven. Autofabrieken zijn op de fles gegaan, de Amerikaanse Oostkust is verworden tot een ‘Rustbelt’, New York wankelt, de financiele crisis heeft de meeste mensen verarmd, mensen met talent zijn gevlucht naar de ‘Sunbelt’. Het sombere beeld dat Ayn Rand bijna zestig jaar geleden schetste van een toekomstige Amerikaanse economie is juist nu werkelijkheid aan het worden. Geen wonder dat de roman aan de andere kant van de oceaan een ware revival beleeft. Alleen de oorzaak van de huidige crisis is een volstrekt andere dan die Rand indertijd schetste: niet de weke sociaal-democratie van Barack Obama, maar juist het keiharde, niets ontziende neoliberalisme van zijn voorgangers drijft de Verenigde Staten op dit moment naar de ondergang. Ik vrees echter dat Amerikanen dit heel anders zien. ‘Atlas Shrugged’ is de bijbel van de ultraconservatieven. Trouwens, van zo’n roman kan geen econoom het winnen.

Voor Rand zijn grote steden tastbare uitingen van economische vitaliteit en kracht, het zijn producten van individueel moedig ondernemerschap, niet van cultuur en samenleving. Wanneer bijvoorbeeld twee grootindustriëlen – Dagny Taggart en Hank Rearden – elkaar op Thanksgiving Day in New York ontmoeten, zegt Rearden: “You know, Dagny, Thanksgiving was a holiday established by productive people to celebrate the success of their work.” Waarna we lezen: “The movement of his arm, as he raised the glass, went from the portrait – to her – to the buildings of the city beyond the window.” Diezelfde Rearden – uitvinder van een nieuw soort metaal – wordt even eerder in de roman door een andere grootindustrieel, Ellis Wyatt, aangemoedigd New York te verlaten wanneer de ondernemers door Washington aan banden worden gelegd: “Hank, why don’t you move to Colorado? To hell with New York and the Eastern Seaboard! This is the capital of the Renaissance. The Second Renaissance – not of oil paintings and cathedrals – but of oil derricks, power plants, and motors made of Rearden Metal. They had the Stone Age and the Iron Age and now they’re going to call it the Rearden Metal Age – because there’s no limit to what your Metal has made possible.” Vele ondernemers vluchten de bergen in maar Rearden blijft op zijn post. Het is alsof Mark Zuckerberg wordt aangemoedigd New York te verlaten en zijn geluk te beproeven in San Francisco, aan de andere kant van de Rocky Mountains. Silicon Valley opgevat als een soort Atlantis. 1957, wat een vooruitziende blik!

Tagged with:
 

Torenhoog

On 21 juni 2013, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A man in full’ (1998) van Tom Wolfe:

Ruim vijftig studenten planologie aan de Universiteit van Amsterdam werken op dit moment aan gebiedsontwikkeling vanuit een leegstaand kantoorpand op Amsterdam Sloterdijk. De twaalfde en dertiende verdieping van een van de hoogste torens in het hart van het kantorengebied stelde Bright Offices om niet beschikbaar aan de studenten om in te werken. Dat is aardig. De organisatie probeert ondertussen het pand te verhuren. Er is Wifi en er zijn tafels en stoelen, maar koffie is er niet. Het deert de studenten niet, druk als ze zijn met afspraken maken, stakeholders spreken, gastsprekers ontvangen, stukken bestuderen. Medewerkers van de gemeente Amsterdam helpen hen daarbij.

Stukken bestuderen? Er is daar op Sloterdijk veel aan de hand, maar aan papier, laat staan theorie, heb je als planoloog op dit moment weinig, tenminste als je al die ingewikkelde vraagstukken in het gebied wilt oplossen. Er moet volop worden geïmproviseerd. Beter een goede roman lezen. Bijvoorbeeld ‘A man in full’ (1998) van Tom Wolfe. Die gaat over Charlie Croker, vastgoedontwikkelaar in Atlanta, Texas. Zijn trots – een veertig meter hoge toren in de suburbs van Atlanta – staat leeg, zijn schulden bij de banken blijken torenhoog, al zijn bezittingen dreigt hij van de bank te moeten verkopen. Wolfe biedt de lezer een kijkje in de psyche van deze ontwikkelaar. Tegelijk leer je de stad Atlanta kennen. Torens verstrekken Croker eeuwige roem, de naam van de architect is snel vergeten, maar de naam van de ontwikkelaar blijft. Overmoed doet Croker menen dat het niet uitmaakt waar hij de torens neerkwakt; Joel Garreau’s ‘Edge City’ is zijn lievelingsboek. Maar uiteindelijk, als alle ellende achter de rug is, is het inzicht daar: ‘What is it you’re looking for in this endless quest? Tranquillity. You think if only you can acquire enough wordly goods, enough recognition, enough eminence, you will be free, there’ll be nothing more to worry about, and instead you become a bigger and bigger slave to how you think others are judging you.” In het boek leer je ook Conrad Hensley kennen. Die blijkt de werkelijke held in het verhaal. Hensley weet hoe je een gelukkig leven moet leiden. Ik kijk uit het raam en zie de leegstaande torens van Sloterdijk. Zo’n roman zouden de studenten moeten lezen.

Tagged with:
 

De oppervlakte is alles

On 6 juni 2013, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De barbaren’ (2012) van Alessandro Barrico:

De Italiaanse schrijver Alessandro Barrico schreef een verbluffend boek over de overgangsfase waarin onze cultuur zich bevindt: een cultuur van diepgang naar een cultuur aan de oppervlakte, in de breedte. Ik las het ademloos in de hogesnelheidstrein van Amsterdam naar Marseille. Geen betere toestand trouwens dan zo’n hoge snelheid om een dergelijk boek te lezen. Als ruimtelijke ordening een culturele opgave is, dan is Barrico’s essay voor planologen zeker relevant. Kort gezegd is zijn stelling dat wij van een burgerlijke cultuur van diepgang en ernst naar een cultuur van doorgangssystemen gaan, van kennis als surfen, synthetische sequenties, ervaringen in de vorm van een baan. Hoe zal ik het zeggen? In het verleden kauwden we op een stuk verfijnde muziek, tegenwoordig hechten we eerder aan “alle flauwekul die zich voordoet in de vorm van een oppervlakkige, snelle en spectaculaire sequentie.” Verwerpelijk? Nee hoor, in de Verlichting en in de Romantiek gebeurde hetzelfde.

Mooi vond ik vooral hoe Barrico de democratie typeert: als kenmerkend voor de barbaarse manier van doen. “Denk aan het idee om de betekenis te verpulveren over het oppervlak van een heleboel equivalente punten (de burgers) in plaats van die verankerd te houden in één heilig punt (de koning, de tiran). (…) Denk aan de overtuiging dat de macht geen enkele verticale legitimatie heeft (de koning was de uitverkorene van God), maar alleen een horizontale legitimatie (de instemming van de burgers). Zodat de hele geschiedenis van de macht zich aan de oppervlakte afspeelt, waarbij alleen de actuele feiten van belang zijn en de diepgang er niet toe doet (…)” Volgens Barrico zijn er geen idealen meer in de politiek. Het is de triomf van de techniek boven de principes. Wat overblijft is een inhoudelijke leegte. Hiertegen een muur opwerpen heeft geen zin. Op het eind blijkt dat de verteller leeft in het jaar 2026 en op onze tijd terugblikt. De overgangsfase mondt uit in de volgende toestand: “Het wereldbeeld dat de media ons verschaffen, de geografie van idealen die de politiek ons voorstelt, het idee van kennis dat de digitale wereld ons ter beschikking stelt hebben geen greintje diepte: het zijn verzamelingen van subtiele, of zelfs fragiele vanzelfsprekendheden die wij rangschikken in figuren met een zekere kracht.” De oppervlakte is alles, het eindpunt van de democratie: alles wordt licht, oppervlakkig, gemakkelijk, betekenisloos, commercieel, spectaculair, gericht op ervaring.

Tagged with:
 

Een elegante verklaring

On 24 mei 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Dit verklaart alles’ (2013) van John Brockman (red.):

Wat een aardig boek! In ‘Dit verklaart alles’ zijn 156 bijdragen gebundeld van wetenschappers die een elegant wetenschappelijk inzichten in korte teksten delen. Initiatiefnemer is John Brockman, uitgever en redacteur van Edge.org. Edge is een club van Amerikaanse wetenschappers. Op de website worden speculatieve wetenschappelijke ideeën verkend en gepubliceerd. Jaarlijks verschijnt er een boek. Dit jaar werd wetenschappers gevraagd hun meest elegante, mooie of diepzinnige verklaringen in te zenden. Een selectie ervan is nu in boekvorm verschenen. Zelf heb ik er ook een geschreven (‘Hoe steden groeien’). Ze omvatten filosofie, wiskunde, economie, gedragswetenschap, geschiedenis en taalwetenschap, “met als gemeenschappelijk kenmerk dat men met een simpel en niet voor de hand liggend idee komt als verklaring voor een complexe serie verschijnselen.” De Nederlandse uitgever Maven Publishers bracht een vertaling uit.

Mijn favoriete verklaring in het boek? Ik denk die van PZ Myers, als bioloog verbonden aan University of Minnesota Morris. Zijn elegante verklaring ontleende hij aan John Tyler Bonner. Bonner bracht hem bij D’Arcy Wentworth Thompson, auteur van het klassieke ‘On Growth and Form.’ Daar vond hij zijn favoriete aforisme voor een wetenschappelijke kijk op het heelal: “Alles is zoals het is, omdat het zo geworden is.” Volgens Myers is het een subtiele manier om aan te geven hoe belangrijk voortgang en geschiedenis zijn voor het begrijpen waarom alles is zoals het is. “Je kunt wetenschappelijke concepten eenvoudigweg niet begrijpen op basis van een benadering waarbij je de onderdelen ontleedt in een statische momentopname van hun huidige toestand.” Anders gezegd, om te begrijpen hoe iets werkt, moet je eerst begrijpen hoe het zo geworden is. Dat is, dunkt mij, zeker ook relevant voor planologen. Planologen moeten historici raadplegen. Vandaag ga ik het zelf beproeven in een lezing over de Noord-Zuidlijn: een geschiedenis van liefst vijftig jaar. Nee, een mooi inzicht. Fraai, elegant en diepzinnig.

Tagged with:
 

Future City anno 1973

On 25 maart 2013, in boeken, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Future City’ (1973) van Roger Elwood:

Twee dozen met boeken kreeg ik over de post van stedenbouwkundige Fred Zandvoort (1923). Fred is onlangs negentig jaar geworden. Boeken stuurde hij over steden uit de periode 1960 tot 1975. Een ervan is getiteld ‘Future City’ (1973). Erin opgenomen zijn korte verhalen van Amerikaanse schrijvers over steden in de toekomst. De toekomst van het jaar 2000 of zelfs 2050, wel te verstaan. De verhalen herlezen anno 2013 is ronduit curieus. Redacteur is science fictionschrijver Roger Elwood. Het voorwoord is van de hand van Clifford Simak. Dat stuk alleen al is veelzeggend over de situatie in het jaar 1973 en bepalend voor de oriëntatie van de redacteur en veel schrijvers van destijds. Simak: "The city today lives on as an anachronism propped up by tradition."

Handel was internationaal geworden, ze vond niet meer plaats tussen steden, aldus Simak in 1973. Zakendoen vroeg ook niet langer om nabijheid. Reizen en transport waren gemakkelijk en goedkoop geworden en konden over grote afstanden plaatsvinden. Bescherming hoefden steden niet meer te bieden. Steden waren ook niet meer nodig voor het bestuur. Steden, kortom, waren overbodig geworden. "Heroic efforts have been made to keep them alive and habitable, but these efforts have been of a patchwork nature as expedience demanded." Overal was sprake van verval. "The city today is strangling and suffocating and there does not seem that much can be done with it." Helemaal opnieuw beginnen en compleet nieuwe steden bouwen dan? Zou kunnen. Maar dan zouden die nieuwe steden zelfvoorzienend moeten zijn, zonder achterbuurten, zonder vervuiling en zonder werkloosheid. Simak: "But why save the city at all? Why spend money on it?" En dan: "The day may come, sooner than we think, when business and industry, as well as people, will have fled the city." Het eerste verhaal speelt in New York: "a searing vision of a decaying New York segregated from the rest of the country, replete with bedicabs (taxi’s voorzien van prostituees en bedden), real murder films, dingy hotels – visitors must be subjected to a lung-cleansing machine before they leave." Wegwezen dus. In Amsterdam was de situatie toentertijd niet heel anders. Twee jaar later startte de bouw van Almere. Daarna begon de stedelijke renaissance.

Tagged with:
 

Zelfbouw

On 21 maart 2013, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A Hologram for the King’ (2010) van Dave Eggers:

Hoofdpersoon Allan Clay uit Boston, Massachusetts, belandt in ‘A Hologram for the King’ van Dave Eggers, als consultant van de Amerikaanse firma Reliant in King Abdullah Economic City, kortweg KAEC. De nieuwe stad ligt een paar uur buiten Jeddah, Saoedi Arabië, aan oevers van de Rode Zee. Daar moet hij met een team een holografische videoconferentie installeren in een tent voor de koning van het land, die ook de opdrachtgever is van de bouw van de stad. De eerste torens staan er, de waterlopen zijn gegraven, maar verder is er alleen maar woestijn en die ene tent. Het is precies zoals Dubai en Abu Dhabi ooit moeten zijn begonnen. Auteur Dave Eggers wijdt ons in in het leven van Clay, die net gescheiden is, een studerende dochter heeft en diep in de schulden zit. Van het slagen van zijn opdracht in KAEC hangt het af of hij uit de financiële problemen zal raken. Maar daar lijkt in de roman weinig kans op, want in de hele onderneming zit weinig schot. Amerika produceert zelf niets meer en Saoedi Arabië is rijk, maar heeft geen haast en bestelt alles in het buitenland. Iedereen is manager of consultant. Op de achterflap lees ik: “In ‘A Hologram for the King’, Dave Eggers takes us around the world to show how one man fights to hold himself and his splintering family together in the face of the global economy’s gale-force winds.”

Wanneer Clay boven op het dak van een flat in aanbouw staat en overweegt om een appartement te kopen en zo te speculeren op het succes van de bouwonderneming die een droom is van die ene oude koning, denkt hij terug aan Boston. Geworteld is hij er niet. Geboren in Dedham, een dorpje even ten zuiden van Boston, beseft hij dat niemand hem daar meer meer kent. Sinds jaar en dag woont hij in Duxbury, maar aan die voorstad voelt hij zich allerminst gehecht. Ooit had hij geprobeerd er iets voor zichzelf te bouwen: een natuurstenen muur om zijn eigen tuin. Hij had stenen en cement gekocht bij de plaatselijke bouwmarkt. “Building the wall gave Allan as much pleasure as he’d known in years, even though he had virtually no idea what he was doing.” Het moest allemaal snel klaar zijn, en met cement had hij nog nooit gewerkt. “But then came a visit from the zoning department.” Men ontbood hem op het stadhuis. Hij bleek geen vergunning te hebben. De muur moest weer worden afgebroken. Aan die beschamende affaire denkt hij terug als hij uitkijkt over de woestijn even buiten Jeddah, met rondom hem een reusachtige bouwput waar binnen dertig jaar een metropool moet verrijzen. Mooi. Huiveringwekkend.

Tagged with:
 

Verplichte lectuur

On 27 oktober 2012, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Reizen zonder John’ (2012) van Geert Mak:

In zijn nieuwste boek reist Geert Mak de Amerikaanse schrijver John Steinbeck achterna op zijn tocht dwars door de VS, nu vijftig jaar geleden. Ik heb het boek gelezen. De route die Mak in 2011 aflegde is precies die waarover Steinbeck in 1960 publiceerde in zijn reisverhalen gebundeld in ‘Travels with Charley’. Charley, dat was Steinbeck’s hond. ‘Travels with Charley’ was het boek dat destijds de temperatuur opnam van het naoorlogse Amerika en dat Steinbeck’s zwanenzang zou worden. De nu even oude Mak schrijft er vijftig jaar later een nog veel dikker boek over. Te dik, als je het mij vraagt. Om kort te gaan, Steinbeck was al oud, voelde zich depressief, slikte amfetamine en vluchtte min of meer voor zijn vrouw, zijn gestrande huwelijk en zijn twee verloren zonen. Wat voor indruk van Amerika kun je dan als schrijver geven?

Opvallend is dat Steinbeck de grote steden systematisch meed. Volgens Mak verlangde hij terug naar het oude Amerika, het Jeffesonse ideaal van het stoere, eerlijke Amerikaanse platteland. Dat ideaal vond hij overigens niet meer. Over de USA was Steinbeck dan ook ronduit pessimistisch. Mak begrijpt dat achteraf wel. Maar nu, vijftig jaar later, blijkt het nog veel erger te zijn: het Amerikaanse platteland, net als het Russische, het Duitse en het Chinese, loopt leeg, raakt in verval, de mensen trekken naar de grote steden. Mak, die het verval nauwgezet beschrijft, bezoekt slechts een paar grote steden: Detroit, Chicago en New Orleans. Alleen de laatste beschreef ook Steinbeck. Mak zet hiermee de toon, want Detroit kwijnt op dit moment weg en New Orleans is de ramp van orkaan Kathrina nog lang niet te boven. Chicago is bovendien nog even woest als destijds. Daarmee levert Mak een even vertekend beeld van de USA als Steinbeck in 1960. Anders gezegd, wie ‘Reizen zonder John’ leest moet ook ‘Triumph of the City’ van Ed Glaeser lezen. Anders zou je misschien gaan denken dat de Verenigde Staten inboeten aan vitaliteit.

Tagged with: