Troeptrimmen

On 19 februari 2015, in afval, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord op Het Loopveld, Amsterdam, op 14 februari 2015:

Oprichtster en eigenaar Fit Earth

Het gesprek in de sportkantine afgelopen zaterdag ging weer eens over drukte in de stad. Over het fietsparkeren, de vele toeristen, het vuilnis op straat. Ouders wisten wel een oplossing. Alle aandacht richtte zich in eerste instantie op het zwerfafval. Veel bewoners van de grachtengordel, wist iemand, zetten hun vuilnis ‘s avonds al op straat. Geen wonder dat het dan een bende wordt. Hoe ze dat wist? Elke ochtend fietst ze langs de grachten naar haar werk, aan het IJ. Nee, het waren niet zozeer de bedrijven. De bewoners mogen dan klagen, ze zijn zelf mede oorzaak van de troep, concludeerde ze. Iemand anders suggereerde dat de woede zich richt op de toeristen en dat de gemeente hierop wordt aangesproken, maar dat veel klachten vermoedelijk betrekking hebben op het gedrag van de eigen buren. Hierna maakten we de voorlopige balans op: we moeten, om het probleem op te lossen, bij ons eigen gedrag beginnen.

Vervolgens regende het oplossingen. Een van de ouders vertelde dat ze gefascineerd was door afval. Elke ochtend nam ze een tas mee. Je wilt niet weten wat je onderweg tegenkomt, zei ze. Veel afval raapte ze op, bundelde het en wierp het in een vuilnisbak of container. Ze vertelde over ‘troeptrimmen’, dat is een nieuwe sportieve manier om zwerfafval op te ruimen. Op een website las ik: “Het zwerfafval met kniebuigingen, rekkend en strekkend oprapen heeft een positief effect op het lijf, de geest en de buurt. Ergernis nummer drie in Nederland kun je dus omzetten in een positieve beweging.” Ze had nog meer tips. Met drie regels kunnen we alle straten en pleinen van onze steden schoon krijgen: 1. gooi nooit iets weg op straat; 2. raap elke dag tenminste één ding op; 3. moedig twee mensen aan om hetzelfde te doen. De tafel in de sportkantine die ochtend fungeerde even als een buitengewoon intelligent platform. Alles van onderop!

Tagged with:
 

Volksvlijt 2

On 16 februari 2015, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Roeterseiland, op 9 februari 2015:

Zaal Amsterdamlezingen 2015 (maandag 2 februari 2015 met Ben Kröse)

Tijdens de Amsterdamlezing van Zef Hemel over ‘Smart Cities, Open Planning’, maandagavond op Roeterseiland campus, ontspon zich een discussie met de zaal over de platforms die onze steden intelligent kunnen maken. Hoe open zijn ze? Moeten we ze niet begrenzen? En wie initieert? Hemel stelde dat alles begint bij een enkeling. Hij of zij neemt het initiatief en stelt een groep samen. Die groep is al een platform, maar echt intelligent is hij nog niet. Vereisten daarvoor zijn: diversiteit van de deelnemers, groei door een open karakter, gevoed worden door inspiratie, permanente interactie, decentraliteit. Wat dat laatste betreft, elk platform moet dicht op de realiteit gaan zitten. Allerlei voorbeelden kwamen voorbij: de Hells Angels, de Industrieele Club, het televisieprogramma Utopia, Vrienden van het Singelpark Leiden, de G1000, Pakhuis de Zwijger, de Amsterdam Economic Board, de vele startups, de Amsterdamse gemeenteraad, ‘Volksvlijt 2016’. De meeste platforms bleken niet echt open, zijn onvoldoende divers. Vele missen ook voldoende contact met de realiteit, dan blijft het bij praten, redetwisten, het spreken in abstracties. Hemel probeerde de output breed te definiëren. Hij zei dat we de resultaten vaak niet eens in de gaten hebben, soms kan het jaren duren voordat deze zich manifesteert. Alles hangt af van de inspiratie, de concreetheid, de herhaling, de omvang en gevarieerdheid van de samenstelling.

Tijdens het gesprek kwam moderator Hooimeijer met het voorbeeld van een asielzoekerscentrum. De mensen die daar verblijven zijn vaak afkomstig uit de hele wereld en verschillen ook sterk qua achtergrond. In Nederland zitten ze opgesloten in barakken en mogen soms jarenlang niets doen. Potentieel, gaf Hemel toe, zijn deze centra hele krachtige platforms, die we echter helemaal niet gebruiken. Een oudere heer achterin de zaal vond het allemaal tamelijk vaag: hij miste de grote verhalen. Hemel stelde hem gerust en verzekerde dat de platforms op den duur spannende toekomstverhalen genereren. Een ander klaagde dat alle van onderop gegenereerde intelligentie uiteindelijk vastloopt in bureaucratie. Hemel adviseerde hem om er omheen te bewegen en niet teleurgesteld te zijn. En hoe voorkomen we dat slechts een klein deel van de bevolking meedoet? Hemel gaf toe dat we hierop voortdurend inspanning moeten plegen. Ook om te voorkomen dat ‘tribes’ en ‘groupthink’ ontstaan is het nodig dat de platforms open blijven en dat de diversiteit blijft toenemen. Een middelbare scholier stond op en wierp tegen dat de campussen op de tekening in ‘Volksvlijt 2016′ op gesloten bolwerken leken. Hemel voorspelde dat de campussen in elkaar zouden grijpen en dat ze uiteindelijk één groot kluwen zouden vormen. De verwachte uitkomst van het platform vergeleek hij met een Afrikaanse termietenstad.

Tagged with:
 

Digital life

On 6 februari 2015, in gezondheid, technologie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA op 2 februari 2015:

De Amsterdamlezing van Ben Kröse, afgelopen maandagavond in CREA, ontlokte aan de uitverkochte zaal veel reacties en vragen. Kröse, hoogleraar Ambient robotics aan de Universiteit van Amsterdam en lector Digital life aan de Hogeschool van Amsterdam, sprak over robots en sensoren in de stad. De komende jaren, hield de hoogleraar ons voor, zal Amsterdam demografisch sterk veranderen. Het aandeel ouderen stijgt, terwijl de jonge instroom afneemt. Zelfs de beroepsbevolking groeit nauwelijks, het beschikbare zorgpersoneel krimpt. Zo zal het aantal dementen groeien van ruim 8.000 in 2015 naar 16.000 in 2040. Veelal zullen ze thuis moeten blijven wonen. Juist in de ouderenzorg verwacht hij daarom revolutionaire ontwikkelingen in de robotica. Het begint daar met sensoren, die in huis gemakkelijk kunnen worden geïnstalleerd. Ouderen kunnen dan op de voet worden gevolgd, de mantelzorgers ontlast, eventuele valongelukken geregistreerd. Tal van hele kleine technologische ingrepen zullen het leven van ouderen vergemakkelijken.

Kröse vertelde over de protocollen en trajecten die moeten worden doorlopen voordat nieuwe technologie mag worden geïmplementeerd. Ook de zorgprofessionals en de zorgverzekeraars houden veel ontwikkelingen tegen, wachten liever af of zijn bang voor hun baan. De ouderen zelf moeten aan alle nieuws erg wennen: alleen door hen goed voor te lichten en actief bij de vernieuwingen te betrekken kunnen experimenten worden vlotgetrokken. De techniek gaat dus veel sneller dan de samenleving aankan, lijkt het wel. Wat hieraan te doen? Is deze traagheid juist goed, de angst voor nieuwe technologie terecht? Hierover ging het gesprek. Kröse vertelde dat hij zijn team had versterkt met ethici om zorgvuldigheid te garanderen, maar uiteindelijk, zei hij, beslisten toch de zorgverzekeraars. In de discussie (worden ouderen door technologie empowered of juist bedreigd?) mengde zich de hele zaal. Eigenlijk zou er in Amsterdam een Pakhuis de Zwijger moeten komen voor ouderen, gezondheid en technologie – een plek waar partijen elkaar ontmoeten en hele concrete gesprekken voeren, zoals op deze gedenkwaardige avond. 

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 2 februari 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam op 29 januari 2015:

Foto: Allard Pierson Museum

Afgelopen donderdagavond aanwezig geweest bij de opening van het DWDD Pop-Up Museum. Het was een gedenkwaardige avond. Tien zalen van het Allard Piersonmuseum van de Universiteit van Amsterdam aan het Rokin zijn door bekende Nederlanders ingericht met kunst afkomstig uit tien Nederlandse musea. Het televisieprogramma DWDD nam hiertoe het initiatief. Minister Bussemaker verrichtte de opening. Daarna begon een vrolijk feestje waarbij museumdirecteuren en mediamensen elkaar zowaar in de armen vielen. Wat er zoal te zien is? Kunst uit de depots van de tien musea, uitgekozen door de BN-ners naar thema of, gewoon, naar persoonlijke voorkeur. De zalen zijn intiem, lekker volgestouwd en vooral warm en kleurrijk ingericht. Vier maanden lang is dit geslaagde pop-up museum voor het brede publiek te bezichtigen. Het wordt daar vast nog drukker, aan het Amsterdamse Rokin.

Terwijl wereldberoemde musea als het Louvre, Beaubourg en het Guggenheim bezig zijn met filialisering in steden in Azië, het Midden-Oosten of in de regio (Beaubourg Metz), beginnen de Nederlandse musea, omgekeerd, met een gezamenlijk filiaal in de eigen hoofdstad. Voor het eerst zijn de collecties van het Groninger Museum, het Drents Museum, het Rotterdamse Fotomuseum, het Utrechtse Catharijne Convent en al die andere regionale musea bij elkaar te zien op één plek, in het centrum van Amsterdam. In plaats van jarenlang cultureel spreidingsbeleid nu eindelijk ruimtelijke concentratie, samenwerking en samenhang – een vorm van omgekeerde filialisering dus. Wat een geweldig idee! Kan dit pop-up initiatief niet een structureel karakter krijgen? Dus dat alle Nederlandse musea, inclusief het Rotterdamse architectuurmuseum, een permanent gezamenlijk onderkomen krijgen in de hoofdstad. Kunnen we eindelijk ook de unieke collectie bouwkunst weer zien, op de plek waar de meeste reuring is, in Amsterdam.

Tagged with:
 

Radicaal, incrementeel

On 30 januari 2015, in bestuur, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

In Den Haag spreken ze al jaren over een nieuwe sturingsfilosofie. Een van de aardigste boekjes die de afgelopen jaren daarover zijn verschenen, is ‘De energieke samenleving’ (2011). Auteur: Maarten Hajer, in het dagelijks leven directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag. Het boekje gaat over een schone economie en hoe deze te bereiken. Hiertoe is een nieuwe planning nodig, aldus Hajer. Die nieuwe planning begint in de stad. En de kern van die andere, nieuwe planning is: gebruik maken van de creativiteit en het leervermogen in de stedelijke samenleving. Dat is een samenleving van mondige burgers met, aldus Hajer, “een ongekende reactiesnelheid, leervermogen en creativiteit.” Dus niet meer een overheid die lastige burgers corrigeert, maar een overheid die goed luistert en de samenleving mobiliseert. ”De vraag in dit rapport is, kortom, hoe de overheid de kracht van de energieke samenleving kan laten werken op de weg naar duurzaamheid.”

Hajer stelt dat het dikwijls blijkt te gaan om heel lokale belangen die gewone mensen vaak beter begrijpen dan hogere overheden en die op zichzelf weer vrij eenvoudig te koppelen zijn aan mondiale vraagstukken zoals voedselveiligheid en klimaatverandering. Begin dus lokaal, is zijn devies. Van onderop kunnen vervolgens weer nieuwe beelden ontstaan met regionale identiteiten, passend in een groter geheel. Wat Hajer in het boekje voorstelt is een vorm van ‘radicaal incrementalisme’ waarbij het Rijk duidelijke doelen stelt, zijn bevoegdheden decentraliseert , zijn data met iedereen deelt en verder vooral partijen ondersteunt en helpt. Hajer: “Met een duidelijke stellingname kan de overheid veel energie mobiliseren wanneer zij zich erop richt de grote publieke uitdagingen te koppelen aan de directe leefomgeving van de burger.” Midden in die omslag zitten we nu. Er moet nog veel meer worden gedecentraliseerd, geluisterd en geholpen. Ziedaar ook de nieuwe Agenda Stad van het Nederlandse kabinet. Alleen, datzelfde moeten de steden doen: duidelijke doelen stellen, decentraliseren, luisteren en helpen. Over een week begint in Amsterdam aflevering 4 van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang met een nieuwe sturingsfilosofie voor gemeenteambtenaren. Radicaal, incrementeel.

Tagged with:
 

Almere buitenwijk

On 28 januari 2015, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Almere deze week’ van 21 januari 2015:

schaalsprong almere

Afgelopen week Hogeschool Windesheim Flevoland bezocht. Men vroeg mij een bijdrage te leveren aan het nieuwe Honours Programma New Towns. Dat gaat in september 2015 van start. Windesheim Flevoland is gevestigd in het centrum van Almere, groeit snel en verzorgt inmiddels al 18 opleidingen aan meer dan 1600 studenten. In het Honours Programma zal met de gekwalificeerde studenten afkomstig uit diverse studierichtingen gezocht worden naar samenhang tussen de verschillende perspectieven voor nieuwe steden als Almere en Lelystad. De nieuwe steden zijn niet organisch gegroeid, maar op de tekentafel gepland. “Internationaal gezien worden deze steden bewonderd om hun vermogen om nieuw land te scheppen en voor hun vermogen om in een kort tijdsbestek zoveel nieuwe woningen te bouwen, met de nodige infrastructuur en voorzieningen.”  In het programma moeten de studenten zich uitspreken over de maakbaarheid van Almere. En vooral: “Maar zijn deze verzamelingen huizen inmiddels ook steden?”  Mij is gevraagd om de studenten iets te vertellen over trendanalyses en toekomstscenario’s.

Onderweg naar de school onderschepte ik in het winkelcentrum een editie van ‘Almere deze week’, nummer 4, 21 januari 2015. Het gratis huis-aan-huisblad wordt in een oplage van 84.525 exemplaren verspreid. Op pagina 7 viel mijn oog op de kop ‘Almere is eigenlijk geen stad’. Geciteerd wordt de architect Jerome Adema, die voorrekent dat Almere de kwalificatie ‘stad’ niet verdient. “Hoewel Almere qua oppervlakte groter is dan Amsterdam, heeft Almere niet alleen veel minder inwoners, maar wonen die ook minder stedelijk.” In Amsterdam, rekent Adema voor, wonen gemiddeld 6.000 mensen op een vierkante kilometer. In Almere is dit 1.500.  Hoofddorp telt 4.000 mensen per vierkante kilometer. Zelfs in Almere Stad is de dichtheid niet meer dan 3.500 inwoners per vierkante kilometer. In het centrum van Amsterdam is dat 12.909 inwoners.  De dichtheid van het centrum van Almere, aldus Adema, is even hoog als die van een buitenwijk van Berlijn. “Voor een centrum van een stad verwacht je dat eigenlijk niet. En zeker niet voor een stad die bij de vijf grootste van Nederland wil horen.” Adema telt inwoners, niet bezoekers. Die bepalen uiteindelijk de stedelijkheid. Raden hoeveel?

Tagged with:
 

Steden besturen zichzelf

On 26 januari 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 14 januari 2015:

Op initiatief van Hugo Fernandes Mendes, Chief Science Officer van de gemeente Amsterdam, sprak Henk de Jong, oud-gemeentesecretaris van Amsterdam, onlangs ten overstaan van ruim honderd Amsterdamse ambtenaren over ‘Wie (be)stuurt de stad?’ De lezing was een beknopte versie van zijn Van Slingelandtlezing van 9 oktober 2014, gehouden voor de Vereniging voor Bestuurskunde te Den Haag. Zef Hemel was gevraagd te reageren. De stelling van De Jong kwam hierop neer: steden kunnen de grote vraagstukken van deze tijd niet zelf oplossen; daarvoor hebben ze de hogere overheden nodig. In Benjamin Barber’s stelling dat burgemeesters in staat zijn de wereld te redden (‘If Mayors Ruled The World’) geloofde hij niet. Bestuurskundige De Jong adstrueerde zijn stelling met voorbeelden uit New York, waar hij de afgelopen twee jaar consultant was geweest. De slagkracht van de gemeentelijke instellingen in deze machtige metropool bleek danig tegen te vallen; zonder de hulp van de staten New York en New Jersey en de federale overheid in Washington waren ze tot weinig in staat. Veel hybride organisaties en privaat initiatief liggen er aan de basis van projecten. Een private organisatie als Regional Plan Association (RPA) maakt bijvoorbeeld langetermijnplannen voor de agglomeratie. In de richting van de huidige gemeentesecretaris Arjan van Gils: “Als Amsterdam een RPA had gehad, konden we de Dienst Stadsontwikkeling nu mooi opheffen!”

Hemel draaide de redenering om: hogere overheden zijn niet in staat om de grote problemen van dit moment op te lossen. Daarvoor hebben ze de steden nodig. Het mislukken van het Kyoto-protocol (1997) vormde voor hem het bewijs. De machtsblokken in de wereld speelden het destijds hard; China deed niet mee, terwijl het systeem van emissierechten de rijke landen bevoordeelde. In ‘Seeing like a State’ (1998) heeft James Scott, hoogleraar Politieke wetenschappen aan Yale, trouwens al laten zien waarom staten oplossingen niet naderbij kùnnen brengen. Hogere overheden simplificeren, standaardiseren en schakelen gelijk; ze werken met abstracte kennis en missen daardoor de specifieke lokale kennis die nodig is voor het oplossen van complexe vraagstukken. Steden kunnen dat wel. Hun impact op de omgeving – de stedelijke invloedssfeer – is bovendien groot, op hun wingewesten, waar zij hun grondstoffen, voedsel, water, energie en arbeidskrachten van betrekken, is die impact zo mogelijk nog groter. De slagkracht van burgemeesters schuilt niet in hun bevoegdheden en taken, die inderdaad beperkt zijn, maar in het duiden en richting wijzen. Steden besturen zichzelf, van onderop.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #6

On 22 januari 2015, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Foto: Danny Schwarz

Dymph van den Boom, rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, zal het drieluik van de lezingenreeksen over ‘Amsterdam kennisstad’, afsluiten. Dat zal ze doen in de grote zaal van CREA op Roeterseiland, op maandagavond 16 maart 2015 om 20.00 uur. Mevrouw Van den Boom (1951) is vanaf 1996 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar Algemene Pedagogiek. Tussen 2001 en 2007 was zij tevens decaan van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Zij begon haar wetenschappelijke loopbaan als ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit Leiden. Aan die universiteit studeerde zij psychologie en promoveerde daar in 1988. Sinds 1 oktober 2007 is Dymph van den Boom lid van het College van Bestuur van de UvA. Door universiteitsblad Folia werd ze onlangs een ‘dossiertijger zonder franje’ genoemd. Het thema van ‘Amsterdam kennisstad’ zal zij in haar lezing inhoudelijk benaderen, vanuit haar functie van rector magnificus, dus vanuit de universiteit, niet vanuit de stad in de eerste plaats.

Een ‘kennisstad’ zegt haar niet zoveel. Volgens mevrouw Van den Boom is de relatie van met name de UvA met de stad wel een bijzondere, zeker als je deze benadert vanuit de geschiedenis. Die geschiedenis begon met Vossius en Barlaeus in 1632. Vanaf dat moment werd er college niet alleen aan studenten gegeven, maar ook de gegoede burgers schoven aan. De band tussen de universiteit en de stad is sindsdien een nauwe. De nieuwste betrekkingen tussen Amsterdam en UvA krijgen vorm in tal van nieuwe initiatieven. De recente plannen voor een ‘Amsterdam Center for Advanced Studies’ zal Van den Boom tijdens haar Amsterdamlezing met name noemen en ook toelichten. Ze zou de relatie tussen de stad en de universiteit het liefst vormgeven via een iteratief proces, waarbij in een voortdurende wisselwerking tussen stad en wetenschappers uit alle faculteiten naar relevante wetenschappelijke kennis wordt gezocht voor de Amsterdamse grootstedelijke problematiek. Een ‘Amsterdam Center for Advanced Studies’ kan dan ook een diversiteit aan onderwerpen en thema’s beslaan. Het center wordt ook niet een apart instituut, maar een platform waarin de hele universitaire gemeenschap bij tal van vraagstukken wordt betrokken. De details hoort u tijdens de lezing, die gratis is. Wel vooraf aanmelden graag (zie link boven).

Tagged with:
 

Bestemming worden

On 15 januari 2015, in openbare ruimte, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Zaanstad en Almere op 2 januari 2015:

Tijdens de feestdagen twee nieuwe winkelcentra bekeken: dat van Zaanstad en Almere. Ik was onder de indruk. Misschien kwam het door het mooie winterweer, misschien ook door de vrolijke kerstdrukte. Beide winkelcentra werden een paar jaar geleden opgeleverd, beide proberen een hoogwaardig middelpunt met eigen voorzieningen en een eigen identiteit te creëren in een voorstedelijke setting van overwegend dorpsgewijze bewoning, alles onder de rook van Amsterdam. Beide verbinden het treinstation met het water via een winkelstraat. Beide maken daarbij gebruik van een stadhuis, een bioscoopcomplex, een busstation, een hotel en het water. Beide bieden een prettige verblijfsruimte voor wandelaars. O ja, beide gemeenten zijn ongeveer even groot en beide worstelen met de nabijheid van Amsterdam, dat alle voorzieningen al in ruime mate heeft. Immers, voor de inwoners van zowel Zaanstad als Almere is Amsterdam een ideale bestemming, omgekeerd worden zij voor de Amsterdammers nooit een bestemming, wat ze ook doen. Sterker, met de bouw van hun winkelapparaat lopen zij het risico hun eigen winkelstand te ondergraven. Het internet-winkelen zal hen bovendien als eerste bereiken.

Maar de verschillen tussen de twee waren even opvallend. Zaanstad koos voor retro, Almere voor het modernisme. Almere bestaat uit één groot hellend gebouw, Zaanstad bestaat uit een labyrint van bruggen. Almere omarmt de auto, Zaanstad bedient vooral de fiets en het openbaar vervoer. Het jongere Almere heeft het voordeel van een treinstation à niveau, bij Zaanstad liggen de sporen op het maaiveld, wat de ontsluiting veel moeilijker maakt. In Almere domineren de landelijke ketens, in Zaanstad profiteert de plaatselijke middenstand. Almere heeft een schitterende openbare bibliotheek toegevoegd, in Zaanstad heb ik die niet kunnen ontdekken (blijkt in de Verkadefabriek aan de Zaan te zijn gevestigd). Almere heeft meer uitgepakt dan Zaanstad. Zaanstad is ook armer dan Almere. Nog een verschil: in Almere draait niet de film Mr. Turner, dit tot groot ongenoegen van sommige Almeerders, maar in Zaanstad draait hij wel. Daarvoor moet je in Zaanstad wel naar De Fabriek aan de overzijde van de Zaan, want in het nieuwe winkelcentrum draait hij niet. In Amsterdam draait Mr. Turner in vier bioscopen op tien verschillende tijden. Toch raadt iemand op internet aan een treinreis naar Groningen te wagen voor het zien van de film. Grappig.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #4

On 9 januari 2015, in gezondheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Foto: Danny Schwarz

Jaap Seidell is de vierde spreker in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen gewijd aan het thema ‘Amsterdam kennisstad’. Seidell is universiteitshoogleraar Overgewicht, voeding en chronische ziekten aan de Vrije Universiteit. Van zijn hand verscheen onlangs ‘Het voedsellabyrint’, een boek over al die eetadviezen. Universiteitskrant Folia typeerde hem onlangs als wetenschapper die niet van de ivoren toren is. Hij schrijft columns in Het Parool en twittert over gezondheid en voeding. Samen met Arnoud Verhoeff, epidemioloog bij de GGD, is hij betrokken bij de oprichting van het Sarphati Institute. Dat is een nieuw instituut waarin UvA, VU, AMC, VUmc, GGD en bedrijfsleven samen onderzoek doen naar nieuwe epidemische ziekten in grote steden. Zoals obesitas. Overgewicht heeft alles te maken met armoede. Arme mensen eten te vet, te zoet, te zout. Veelal eten ze ongezond. Mensen met de laagste opleiding hebben dan ook het meeste last van obesitas. Hun levensverwachting is jaren korter dan die van hoogopgeleiden. Vooral kinderen. “Als je van Amsterdam-Zuid naar West fietst, kom je ineens terecht tussen een bevolking die vijftien jaar langer ongezond is en acht jaar korter leeft.” Acht jaar!

Seidell is betrokken bij het veelomvattende plan Amsterdam Gezond Gewicht van wethouder Eric van der Burg (VVD). Kern van de Amsterdamse aanpak is de omgeving te veranderen waarin kinderen opgroeien. Wijken moeten weer stimulerend worden gemaakt voor gezond gedrag. Tegenover VUmc verklaarde de hoogleraar dat  je daarmee in een klap vele problemen zult oplossen: “de verkeersveiligheid neemt toe, het leefmilieu wordt gezonder, de schoolprestaties stijgen en je krijgt meer sociale integratie en participatie.” Voedsel en beweging als sleutel voor een beter ingerichte stad. In 2033 moet het probleem in Amsterdam zijn opgelost. Maar hoe gaan we dat voor elkaar krijgen? Is niet eerder participatie de sleutel? Zomaar een vraag. Seidell zal er op maandagavond 2 maart 2015 om 20.00 uur op reageren. Locatie: CREA, Roeterseiland. Toegang gratis. Aanmelden vooraf wel verplicht.

Tagged with: