De volle 100%

On 17 december 2014, in demografie, kunst, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in de Stadsschouwburg te Amsterdam op 13 december 2014:

Het waren er precies 100. Honderd inwoners van Amsterdam. Ze speelden zichzelf in een stuk van het Berlijnse theatercollectief Rimini Protokoll, opgevoerd in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein (foto: Tim Mitchell). Samen vormden ze een getrouwe afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Eerder had Rimini Protokoll dit type theater al uitgevoerd in vierentwintig andere steden in de wereld. In een kettingreactie waren de Amsterdammers vijf maanden geleden bij elkaar gebracht: ieder had een volgende kandidaat aangewezen op een zodanige wijze dat het geheel paste in de statistische opbouw van de Amsterdamse bevolking naar geslacht, leeftijd, afkomst, huwelijkse staat en buurt: 49% man, 51% vrouw, 49% Nederlands, 5% Turks, 16% westers allochtoon, 62% alleenstaand, 25% getrouwd, 19% uit Nieuw West, 11% centrum, 10% Zuidoost, enzovoort. Met elkaar maakten ze in een twee uur durende voorstelling de stedelijke statistieken van het gemeentelijk bureau Onderzoek & Statistiek levend door vragen te beantwoorden die hen werden gesteld. Ja/nee. Ik wel/ik niet. Ik was erbij.

Groter nog dan ik had gedacht bleek de diversiteit van de Amsterdamse bevolking. Wat een smeltkroes is de stad! Kleurrijk, maar zeker niet gemakkelijk. Wel tolerant. Veel toleranter dan ik dacht. Niet tolerant per se in positieve zin, eerder proefde ik een zekere onverschilligheid. Sommige politieke thema’s leefden nauwelijks, over andere zaken wonden de mensen zich juist vreselijk op. Ik zag een volksparlement dat stemde over stedelijke kwesties (waaraan stoort u zich het meest?), maar het sprak ook over zichzelf en durfde zich daarin soms verbluffend bloot te geven. Wie had ooit zelfmoord overwogen? Wie had wel eens een pistool op zich gericht gezien? Wie had schulden? Wie ging vreemd? Het was, in een woord, ontroerend. Ik had ook nooit op deze wijze naar de stad gekeken. En het mooiste was, op het toneel bleek er geen leider in de groep, de groep regelde toch alles zelf. Telkens nam iemand het voortouw door een vraag te stellen. Vragen stellen aan elkaar. Zo kun je de enorme diversiteit dus overleven, nee vieren.

Tagged with:
 

More opportunities

On 15 december 2014, in benchmarks, economie, by Zef Hemel

Gehoord tijdens de Catch-Up van de Amecboard in Amsterdam op 12 december 2014:


Het Amerikaanse PriceWaterhousCoopers brengt jaarlijks de ‘Cities of Opportunities’ Index uit. Elk jaar worden door haar ruim dertig steden in de wereld doorgelicht op een aantal indicatoren die de aantrekkelijkheid van de stad meten voor investeringen door het internationale bedrijfsleven. Dan gaat het om onderwijs, technologie, vestigingskosten, klantvriendelijkheid, kwaliteit van leven. Amsterdam was daar steeds niet bij. Nu wel. En wat blijkt? Na Londen, New York en Singapore eindigde de Nederlandse hoofdstad op vier. Dat is een ongekend hoge score. Afgelopen vrijdag werden de cijfers officieel bekend gemaakt. Hazem Galal, global leader for Cities & Local Government van PWC, kwam de uitslag eind augustus al in Amsterdam bij de Economic Board vertellen. Toen moesten we nog onze mond houden. Nu niet meer.

Waarop scoort Amsterdam zo hoog? Amsterdam is de beste als het gaat om gezondheid, veiligheid, duurzaamheid en natuur. Ook is Amsterdam – heel verrassend – beste stad op technological readiness. Verder: de gateway functie (Schiphol) is op orde, maar niet de beste (want niet duurzaam). Beduidend minder hoog scoort de stad op demografie en transport. Voorts moet Amsterdam veel steden voor laten gaan op economic clout (zeg maar: agglomeratievoordelen) en ease of doing business. Hoezo matig op demografie? De Amsterdamse bevolking, rekent PWC voor, wordt snel ouder. De stad is weliswaar populair om in te wonen, maar er worden veel te weinig woningen gebouwd. Doordat niemand de stad meer uit wil, worden we met z’n allen snel ouder. Nog even en Amsterdam is vergrijsd. Anders gezegd: Amsterdam is te klein. Een andere achterstand doet zich voor in het openbaar vervoer. Daarop scoort Amsterdam ronduit beroerd. Er is jaren achterstand in investeringen in het openbaar vervoer, de ov-chipcard is niet gebruiksvriendelijk, er is teveel ingezet op de auto, het OV is te duur. Galal was heel duidelijk hierover: andere steden in de wereld hebben de afgelopen tien jaar juist zwaar in hoogwaardig openbaar vervoer geïnvesteerd. PwC stelde voor tenminste de NoordZuidlijn door te trekken naar Schiphol.

Tagged with:
 

Derde paradigmaverschuiving

On 8 december 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verschuivende paradigma’s’ (2014) van Technopolis:

IMG_0942.JPG

Interessante kost. Technopolis heeft de doorwerking van het ruimtelijk-economische beleid van het Ministerie van Economische Zaken van de afgelopen tien jaar onderzocht. Ik wist niet dat zulk beleid nog bestond. Dat regionaal-economische beleid, lees ik nu, kende twee paradigmaverschuivingen: eerst, met ‘Pieken in de Delta’, van het inhalen van economische achterstanden naar het sterke sterker maken, vervolgens van centraal naar decentraal. Door het departement wordt daarbij een zogenaamde clusterbenadering toegepast. Een cluster is een regionaal complex van partijen dat binnen een bepaald economisch segment opereert. Samenwerking tussen deze partijen wordt door het nieuwe ruimtelijk-economische beleid bevorderd. En, werkt het? Het is maar hoe je het bekijkt. Technopolis denkt van wel.

Het denken in clusters is verraderlijk. Dat blijkt wel als je het rapport goed leest. De makers onderscheiden drie ‘oude’ clusters: het Westlandse tuinbouwcomplex, het Rotterdamse havencomplex en het Brabantse electronicacomplex. Andere clusters zijn jonger, vruchten van het nieuwe beleid: een gezondheidscluster in Oost-Nederland, een watercluster in Noord-Nederland en een creatief cluster in de Noordvleugel. En dan is er één complex dat zich buiten het rijksbeleid heeft gevormd: het IT-sciencecluster in Amsterdam. De conclusie luidt dat in de nieuwe clusters sterke verbeteringen zijn opgetreden, maar in de oude veel minder. Waarom verraderlijk? Omdat het abstracte clusterdenken de ogen sluit voor wat er in de werkelijkheid gebeurt. En: het wil elke regio een eigen economische specialisatie geven. Het denkt niet stedelijk. Sterker, het heeft geen idee wat grote steden doen. Hoe kan Amsterdam in korte tijd nieuwe clusters uit de hoed toveren, zonder ondersteuning van het Rijk? Ik bedoel maar. Clusterdenken en agglomeratievoordelen, het gaat slecht samen. Tijd voor een derde paradigmaverschuiving: van regionale specialisatie naar grootstedelijke diversiteit.

Tagged with:
 

Café Cox

On 4 december 2014, in innovatie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Folia van 26 november 2014:

.

IMG_0940.JPG

Ik, als visionair, geen oog voor detail? Hier een bewijs van het tegendeel. Ze is hoofdredacteur van het immens populaire televisieprogramma DWDD, al vanaf het eerste uur. Ze studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Universiteitskrant Folia interviewde haar. De rubriek heet ‘Wasdom’ en portretteert elke week een bekende alumnus. Dieuwke Wynia (1969) vertelde de redactie ondermeer over café Cox en hoe belangrijk dit theatercafé in de Stadsschouwburg voor haar carrière geweest is, meer eigenlijk dan haar studie. Voor haar afstudeerscriptie kreeg ze een zeven. “Zo’n laf cijfer!” Nee, dan café Cox. Aan de stamgasten dankte ze haar eerste baan bij de publieke omroep.

Wie het interview goed leest ontdekt al gauw dat niet alleen Wynia haar carrière te danken heeft aan café Cox. Ook het vernieuwende succesformat van DWDD zelf lijkt in feite een afgeleide van wat er zich afspeelde in de kroeg onder de Stadsschouwburg in de Amsterdamse binnenstad. Er speelden bandjes, jonge kunstenaars traden op. Wynia leerde er hard werken, improviseren. Maar ook: ze leerde er veel mensen kennen. Zoals Martin Bril, Jan Mulder en Pierre Bokma. “Dat waren gek genoeg veel mensen die tegenwoordig in ‘De wereld draait door’ te gast zijn.” Ze noemt het ‘de klik’ met de mensen uit kunst-, cultuur- en mediawereld die het werken in café Cox haar naar het toekomstige succes van DWDD heeft gewezen. In 1997 kwam aan die reputatie van Cox een einde toen Sjoerd Kooistra de kroeg overnam en deze besmet raakte. Het interview deed me denken aan de belangrijke rol die de Walker’s Wagon Wheel Tavern in Mountain View heeft gespeeld in de ontwikkeling van Silicon Valley. Alle grote ondernemers en uitvinders kwamen elkaar daar tegen. Over nabijheid gesproken.

Tagged with:
 

Bouwdelirium

On 1 december 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Gerard Heineken. De man, de stad en het bier’ (2013) van Annejet van der Zijl:

Gerard Heineken

Las in de trein naar Parijs dan eindelijk de biografie van Gerard Heineken, oprichter van het Amsterdamse bier-imperium, geschreven door Annejet van der Zijl. Het boek is leerzaam. Het schetst een treffend beeld van het begin van de Tweede Gouden Eeuw van Amsterdam. Rond 1851 was Nederland economisch en cultureel hopeloos achterop geraakt; voor technisch vernuft moest je hier niet zijn, dan ging je naar Londen of Parijs. Maar dan, rond 1860, vertonen zich ineens jonge mannen – allemaal twintigers – in de stad die nieuwsgierig zijn naar technische vindingen uit het buitenland, die deze met eigen vermogen importeren en in Amsterdam introduceren. Allemaal startups dus. Zo ook Gerard Heineken, die een oude brouwerij in de binnenstad opkoopt en de lokale markt gaat bedienen met nieuw soort bier dat hij in Duitsland leert kennen. Het is het begin van het Heineken concern.

Waardoor al deze jongemannen, niet behorende tot de plaatselijke elite, ineens opstaan en beginnen te ondernemen, dat is de grote vraag. Volgens Van der Zijl kwam het door Samuel Sarphati. Deze joodse ondernemer bouwde een Paleis voor Volksvlijt aan het einde van de Utrechtse straat naar het voorbeeld van Christal Palace in Londen.  Het gebouw was zo groot als de Dam en werd verlicht door meer dan 6000 gaslampen. In 1864 opende het zijn ijzeren poorten. “Aangestoken door het succes van het Paleis voor Volksvlijt broeiden er vervolgens steeds meer initiatieven die Amsterdam eindelijk de eigentijdse allure zouden geven waar het nog zo pijnlijk aan ontbrak.” Ook niet onbelangrijk: Thorbecke financierde de aanleg van het Noordzeekanaal. Opvallend echter is de beweging van jonge ondernemers in de stad: allen deelden een gevoel van verantwoordelijkheid voor de publieke zaak dat verder reikte dan hun privébelang. “En dus gaven ze geld.” Ze geloofden ineens in de toekomst van Amsterdam. Twintig jaar later, in 1884, opent zowaar een Wereldtentoonstelling op het gloednieuwe Museumplein. De stad verkeert dan in een ‘bouwdelirium’. Haar inwonertal verdubbelt. Twintig jaar later dus. Zo stortte Amsterdam zich dus in de Tweede Gouden Eeuw.

Tagged with:
 

Stadsambassade

On 24 november 2014, in bestuur, economie, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord in La Defense, Parijs op 20 en 21 november 2014:

Door de ambassades van Nederland in Parijs en die van Frankrijk in Den Haag was er afgelopen week een grote tweedaagse conferentie over de toekomst van de stad belegd in Parijs, in het CNIT. Het Nuffic in Den Haag had bovendien ruim dertig jonge getalenteerde studenten en PhD’s uit verschillende universiteitssteden in de twee landen uitgenodigd om deel te nemen. Deze jonge mensen kwamen uit Lille, Lyon, Marseille, Bordeaux, Parijs, Eindhoven, Nijmegen, Enschede, Utrecht, Leiden, Amsterdam. In werkelijkheid bleken veel studenten en afgestudeerden afkomstig uit Italië, Pakistan, Palestina, Marokko, Canada, China enzovoort, want zo zit de wereld tegenwoordig in elkaar. Een pre-conferentie op de donderdagochtend maakte de gemoederen onder de jonge talenten los. Wat die grootstedelijke toekomst betreft, die bleek vooral ‘smart‘. Want het Smart City-spook waart rond, ook door Europa.

De aanleiding: in januari had de Franse president Hollande een bezoek gebracht aan ons land. Korte tijd later was premier Manuel Valls in zijn voetspoor getreden. In Amsterdam hadden ze afgesproken om de inhoudelijke samenwerking tussen de twee landen te intensiveren. De conferentie was er het resultaat van, met de beide ambassades fungerend als een soort ‘stadsambassade’. Wat er uit kwam? In zes workshops wisselden de steden hun ervaringen bij het implementeren van slimme technologieën uit, Parijs en Amsterdam voorop. De beide keynote sprekers Dirk-Jan van den Berg, voorzitter van het College van Bestuur van de TU Delft (over AMS), en Remy Dorval, directeur van Fabrique de la Cité, noemden de toekomst van onze steden als het belangrijkste onderwerp op de actuele beleidsagenda. Natiestaten, aldus de twee, zullen de steden alle ruimte moeten geven om de wereld te redden, want de eerste is allang niet meer het handelende niveau. En in de steden, voegden de deelnemers daaraan toe, zijn het de burgers die daar een beslissende invloed moeten krijgen. Niemand die dit tegensprak.

Tagged with:
 

Creating the common goods

On 17 november 2014, in cultuur, filosofie, kunst, by Zef Hemel

Gehoord in het Paleis op de Dam in Amsterdam op 12 november 2014:

Benjamin Barber was hoofdspreker in het Paleis op de Dam bij de openingsceremonie van de World Cities Culture Summit 2014 in Amsterdam. Zevenentwintig metropolen onder aanvoering van Londen waren drie dagen te gast in Amsterdam om ideeën uit te wisselen over de rol van kunst in de stadsontwikkeling. De Amerikaanse politicoloog-filosoof sprak hen toe in de Burgerzaal. Ditmaal ten overstaan van de koning, die aanhoorde hoe de Amerikaan de natiestaat opnieuw wegzette en voorspelde dat over twintig jaar niet landen, maar genetwerkte steden de wereld zullen regeren. Waarom? Omdat landen vooral in grenzen denken, in onafhankelijkheid, terwijl steden praktisch opereren in netwerken en denken in wederzijdse afhankelijkheden. Als Duitsland groter wordt, wordt Polen kleiner, verduidelijkte hij; maar de groei van Warschau gaat niet ten koste van Berlijn. Barber verbond steden met kunst met democratie. Hij citeerde Javier Nieto: ‘De stad is kunst’. Daarmee las hij vrij letterlijk voor uit hoofdstuk 10 van ‘If Mayors Ruled the World’, zijn nieuwste boek uit 2013. "If one must choose, it is more appropriate to treat the city as the instrument of the arts rather than the other way round, for it exists in a certain sense for art."

Kunst, zei Barber, gaat over het publieke, de commons, de openbare ruimte, over datgene wat wij met elkaar delen. Kunst refereert ook aan democratie, omdat rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en participatie ook in de verbeelding die de kunst kenmerkt een voorname rol spelen; kunst, ten slotte,  is kosmopolitisch, ze kent geen grenzen. Op het platteland zijn wij niet vrij, stelde Barber, wel in de publieke ruimte in de stad: de parken, de pleinen, de agora. Maar de opmars van de privatisering en het terugdringen van de stedelijke publieke ruimte betekent een aanslag ook op de kunsten. Dom is dat, want kunst en verbeelding stimuleren juist de economie. “So the arts benefit the urban economy, because to benefit the commons, to enhance the community, to help create common goods and public space, is economically beneficial.” En toen kwam het. We hebben geen ‘Declaration of Independence’ nodig. De wereld is daarvoor te complex en te vervlochten geworden. Wat we nodig hebben is, aldus Barber, ‘a Declaration of Interdependence’. U kunt het allemaal op uw gemak nalezen in het hoofdstuk getiteld ‘Cultural cities in a multicultural world’.

Tagged with:
 

Stedenbouw begrijpen

On 4 november 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 27 oktober 2014:

Book cover 'Atlas of the Functional City'

Op het symposium bij de presentatie van de ‘Atlas of the Functional City’, afgelopen dinsdag in een steenkoude kerk in Rotterdam, spraken overwegend kunsthistorici. Hun lezingen gingen over het legendarische vierde congres van C.I.A.M. (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) dat in de zomer van 1931 was gehouden tijdens een boottocht tussen Marseille en Athene. Het eerste exemplaar van het vuistdikke boek, gesponsord onder andere door de EFL-stichting, werd vlak voor de pauze in ontvangst genomen door Titia Frieling, de weduwe van stedenbouwkundige Dirk Frieling. In haar dankwoord herinnerde ze aan de bijzondere werkwijze van de architecten die zich destijds verzameld hadden op het schip. Van Eesteren had er haar en haar man veel over verteld. Architecten uit vele landen werkten er samen, hun vergelijkend onderzoek naar steden vond plaats in een informele, kameraadschappelijke sfeer. Diezelfde coöperatieve werkwijze had ze later ook aangetroffen in Nederland Nu Als Ontwerp en nog weer later in De Nieuwe Wibaut.

Kunsthistorici zijn niet in werkwijzen geïnteresseerd. Hen interesseren alleen de kaarten. Gregor Harbusch uit Zürich sprak over de stadsanalyses, de Berlijnse historicus Thomas Flierl over Moskou, waar het congres oorspronkelijk had moeten plaatsvinden, Lara Voerman over de technische realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Vincent van Rossem, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, over de invloed van Fritz Schumacher op het denken van Cornelis van Eesteren (‘Eerst denken, dan pas ontwerpen’). Na afloop van de lezingen volgde discussie. Gevraagd werd naar de communicatie rond het congres. Wat kwam er naar buiten? Het was een vraag waar de sprekers niet goed raad mee wisten. Ook op de vraag naar nieuwe inzichten die het negatieve imago van de functionele stedenbouw zouden kunnen bijstellen kwam geen respons. Ten slotte volgde een vraag over de bewoners. Waren zij door de architecten van CIAM ooit gehoord? Doodse stilte. Voerman vertelde over persoonlijke brieven van Van Eesteren, gevonden in de archieven, met burgers die over stof en zand hadden geklaagd. Van Rossem vond dit onzin. Volgens hem was stedenbouw zo ingewikkeld dat gewone burgers er toch niets van begrepen. Hoezo niet begrijpen? Kunsthistorici begrijpen niets van planning.

Tagged with:
 

Nachtleven is duurzaam

On 8 oktober 2014, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De hardnekkigheid van de 9 tot 5-economie’ (2009) van Paul de Beer:

MIRIK MILAN _ PREFEITO DA NOITE EM AMSTERDA

Het geklaag, vooral afgelopen zomer, over de enorme drukte in Amsterdam bleek iets typisch Amsterdams. Nu klagen Amsterdammers graag – daar niet van -, maar dat is niet wat ik bedoel. Wel dit: de door Amsterdammers ervaren drukte doet zich alleen voor in (het centrum van) Amsterdam, in de rest van Nederland is het veel rustiger. Vergelijk het straatbeeld zelfs in Rotterdam maar eens met dat in Amsterdam. Amsterdam kookt over, Rotterdam nog in het geheel niet. Deels zijn het de stromen toeristen, waaronder heel veel dagjesmensen, deels groeit gewoon het inwonertal van de hoofdstad gestaag, elk jaar met 15.000. Elders in Nederland is eerder sprake van krimp, van toenemende rust en stilte. Er is geen andere conclusie mogelijk. Die enorme stromen mensen kunnen hier niet meer tussen negen en vijf worden geaccommodeerd. Amsterdam maakt zich op voor een heuse 24-uurs economie. De grootste stad van Nederland wordt eindelijk volwassen.

Volgens de econoom Paul de Beer is er in Nederland beslist geen sprake van langere werktijden. Volgens cijfers uit 2009 blijkt althans hier niets van. De Beer: "Voor zeven uur ’s ochtends en na zes uur ’s avonds is vrijwel niemand aan het werk." Dat zal best, maar dat zijn landelijke cijfers. In Amsterdam lijkt mij dat niet (meer) het geval. En het is ook logisch. Bij een bepaalde omvang gaat een stad niet meer slapen, dan dendert ze door. Dat zie je in echte grote wereldsteden als Londen, Sao Paulo, Tokio, New York en Parijs. Dat is buitengewoon duurzaam, goed en profijtelijk en, zeker, overlast geeft het hier en daar ook. Voorzieningen worden hierdoor echter optimaal benut, nieuwe banen worden gecreëerd, inwoners en bezoekers worden langer en beter in alles bediend. Nederland is nu nog provinciaals, de regelgeving wordt overwegend in Den Haag gemaakt. Al jaren pleit nachtburgemeester Mirik Milan (foto) voor ruimere openingstijden. Zo stelde het vorige B&W van de hoofdstad ruim een jaar geleden al enkele 24-uurs zones voor de horeca in en ik zag een pleidooi van de Amsterdamse afdeling van D66 voor meer nachtvergunningen en ruimere openingstijden. Supermarktjes, bakkers, drogisterijen, ze moeten ook ’s avonds laat open kunnen zijn. Amsterdam zoekt naar een nieuwe balans.

Tagged with:
 

Vies, vuig en vol

On 29 september 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 18 augustus 2014:

 
Hyde Park - Grand Avenue

Kort nadat de Rotterdamse directeur van het Rijksmuseum, Wim Pijbes, in NRC Handelsblad weer eens had geklaagd over Amsterdam ("Amsterdam raakt vies, vuig en vol"), werd in Saint Louis, Missouri, de 18-jarige Michael Brown doodgeschoten door een blanke agent. Het was het startschot voor bewoners van Ferguson om de straat op te gaan en te plunderen. Daags erna schreef Guus Valk er een indrukwekkende reportage over. Zelden las ik zo’n goed achtergrondartikel over wat er aan de hand is in steden als St. Louis. Deanel Trout, die hij tegenkwam op straat, vertelde hem hoe hij veertien jaar geleden het criminele en verpauperde centrum van Saint Louis was ontvlucht om zijn intrek te nemen in een groot vrijstaand huis in Ferguson. "Zoals overal in Amerika trok ook St. Louis in de tweede helft van de twintigste eeuw leeg. Blanke mensen wilden in vrijstaande huizen met grote tuinen wonen, en kwamen alleen nog voor hun werk in de stad." Ferguson, aldus Valk, werd het prototype van de fantasieloze, maar comfortabele suburb.

Het ooit trotse, industriële St. Louis raakte in verval en het blanke Feruguson spon er garen bij. Eerst ontving het een blanke middenklasse op zoek naar rust, die echter al snel plaatsmaakte voor een zwarte middenklasse. Waarop de blanken nòg verder weg trokken en de huizenprijzen daalden. Na de blanke vlucht kwam de zwarte vlucht. Valk: "In een paar decennia is de omgeving van St. Louis, een gebied met ruim drie miljoen inwoners, een van de meest gesegregeerde steden van de VS geworden." Vandaar ook de hoge criminaliteit. In het district waar Ferguson deel van uitmaakt, werden in 2012 op een miljoen inwoners liefst 44 moorden gepleegd. En de uittocht gaat door. Volgens een recent artikel in Co-exist.com vluchten de blanken nu uit de wijken waar de hispanics een kritische meerderheid halen. Nee, Joel Garreau zag het verkeerd. In ‘Edge Cty’ (1991) beweerde hij dat exurbane expansie noodzakelijk is om binnensteden te redden. In St. Louis ontbrak deze expansie en daarom, schreef hij, kregen planologen haar binnenstad niet aan de praat. Het centrum van Saint Louis is leeg. Dat is nog eens wat anders dan een volle Amsterdamse binnenstad die lijdt onder haar enorme aantrekkingskracht en die volgens de directeur van het Rijksmuseum de grenzen van haar succes bereikt. Suburbanisatie leidt tot verval, urbanisatie tot bloei.

Tagged with: