Metropolitaan landschap

On 23 mei 2013, in natuur, by Zef Hemel

Gelezen in het Parool van21 februari 2013:

Gisteren gesproken over het Amsterdamse metropolitane landschap. Dat begrip is geijkt in de nieuwe structuurvisie van Amsterdam 2040 en omvat de talrijke recreatieterreinen die de hoofdstad aan alle zijden omgeven. Door die terreinen tekent Amsterdam zich nog altijd scherp af in het landschap, hoewel de 2,3 miljoen tellende metropoolregio inmiddels veel groter is en ook nieuwe steden als Almere, Purmerend, Hilversum en Hoofddorp omvat. De agglomeratie zelf weet zich door unieke landschappen omringd, die met uiteenlopende beheerregimes en beschermingsconstructies zorgvuldig in stand worden gehouden en die diep doordringen in de stad. Op termijn lijken die regimes echter niet genoeg. Een eerste stap is om het ringvormige maar versplinterde landschap voortaan als een eenheid te beschouwen en als onderdeel van de metropool. Een volgende stap zou kunnen zijn om ook ànders naar dat landschap te gaan kijken.

Wie blijft denken in termen van natuur of uitplaatsing van sportparken, volkstuinen en zorgboerderijen zal vooral voor rommeligheid en toename van autobewegingen vrezen. Te denken echter valt ook aan heel andere functies zoals evenementen. In het Parool stond een paar maanden geleden een interessant artikel over de toename van festivals rond Amsterdam. Uitgerekend de groengebieden bleken in toenemende mate grootschalige evenementen te accommoderen: Awakenings (35.000 bezoekers) en Latin Village (16.000 bezoekers) in Haarlemmerliede, Mysteryland in het Haarlemmermeer (60.000 bezoekers), Open Air (25.000 bezoekers) en Gaasper Pleasure (5.000 bezoekers) in Amsterdam-Zuidoost, Dutch Valley (22.000 bezoekers) in Zaanstad, Welcome to the future (14.000 bezoekers) in Oostzaan, Dance Valley (24.000 bezoekers) in Spaarnwoude en Wooferland (3.800 bezoekers) en Filipijnse Barbecue (3.500 bezoekers) in de Houtrak. De festivals duren vaak langer dan een dag, soms worden er bomen geplant en heggen gesnoeid, maar ook pannenkoeken gebakken en bingo gespeeld in verzorgingshuizen in de nabije omgeving. In totaal bezochten vorig jaar 250.000 mensen festivals in het metropolitane landschap van Amsterdam. Typisch een functie voor een ècht metropolitaan landschap.

Tagged with:
 

Metropool van miljonairs

On 16 mei 2013, in benchmarks, by Zef Hemel

Gelezen op Z24 op 14 mei 2013:

Amsterdam telt 58 duizend dollarmiljonairs. Dat berichtte Z24 afgelopen week op haar website. Het opzienbarende cijfer is afkomstig van het Londense Wealthinsight. Het gaat hier over de gehele Amsterdamse metropoolregio, bestaande uit 36 gemeenten. Daar wonen momenteel 2,3 miljoen mensen. Wat is een dollarmiljonair? Een dollarmiljonair had medio 2012 ongeveer 800 duizend euro aan vrij vermogen. Nederland telt 185 duizend dollarmiljonairs. Dat betekent dat de hoofdstad ongeveer 31 procent van alle Nederlandse miljonairs onder haar inwoners telt. Is dat veel? Ja, dat is naar verhouding erg veel. In en rond New York bijvoorbeeld woont slechts 7 procent van alle Amerikaanse dollarmiljonairs. De kans een miljonair in Amsterdam tegen komen is dus aanzienlijk groter dan in New York. Een op de veertig mensen – zo’n 2,5 procent – is hier miljonair. Toch is de concentratie miljonairs in en rond Amsterdam kleiner dan in het ruim elf miljoen inwoners tellende Moskou. In de Russische hoofdstad wonen ruim drie op de vijf Russische dollarmiljonairs.

Wereldwijd valt Amsterdam daarmee net buiten de top-30 van steden met de meeste miljonairs. Tokio staat op die mondiale ranglijst bovenaan, met 461 duizend dollarmiljonairs. De kans om in deze immense Japanse metropool een miljonair tegen het lijf te lopen is zelfs nog groter dan in Amsterdam: een kans van 1 op 28. Nee, de allergrootste kans om op straat een miljonair de hand te schudden is niet in Tokio of Moskou, maar in Frankfurt. Bijna een op de veertien inwoners is daar miljonair. Frankfurt is dan ook niet zo groot, wel extreem rijk. Leuke statistieken? Jazeker. Amsterdam vergaart rijkdom. Het is al lang geen arbeidersstad meer. Ook al is de stad internationaal gemeten erg klein, ze doet het in dit opzicht naar verhouding best goed.  De volgende keer de statistieken over stedelijke concentraties van miljardairs. Ik vrees dat Amsterdam dan niet meer meetelt in de wereld.

Tagged with:
 

Te laat, in verval

On 22 april 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Generating Culture’ (2002) van Jonathan Israel:

Afgelopen 18 april 2013 vierde Felix Meritis zijn 225-jarig bestaan met de opening van een kunstwerk op het oude observatorium op het dak van het pand aan de Keizersgracht. Het kunstwerk – Amsterdam of above  Amsterdam of Below – van Joseph Semah verbindt, aldus de beknopte catalogus, de sterren, de grachten en de stad. Het betreft in neon verlichte citaten op diverse gebouwen in de hele stad die vanaf het oude observatorium voortaan ‘s nachts te zien zijn. Felix Meritis (‘Gelukkig door Verdiensten’) opende in 1788 haar deuren als sociëteit waar de burgers van Amsterdam de Verlichtingsidealen deelden en uitdroegen. Het gebouw is opgetrokken in neoclassicistische stijl – de stijl van de Verlichting -, de architect is Jacob Otten Husly. Het observatorium aan het Keizersgracht is het oudste van Nederland.

De opening herinnerde me aan de prachtige lezing van de Britse historicus Jonathan Israel tijdens het congres in het KIT in 2002, gewijd aan creatieve steden. In ‘The Conditions for Creativity, Prosperity and Stability in the Cities of the Dutch Golden Age’ beschreef hij niet alleen de opkomst en bloei van de Hollandse steden, maar ook hun verval. Het onvermogen om in de late zeventiende eeuw in het bloeiende Amsterdam wetenschappelijke academies op te richten zette volgens Israel de hoofdstad van de republiek op een achterstand. Londen en Parijs kregen ze namelijk wel. Het grote observatorium dat Lodewijk XIV in Parijs liet bouwen is nog altijd een van de meest eloquente herinneringen aan zijn regeerperiode. Uitgerekend Amsterdam, waar sinds 1640 nota bene de belangrijkste wetenschappelijke instrumenten waren ontwikkeld en vervaardigd, kreeg géén academie en géén observatorium. Christiaan Huygens vertrok daarom in de vroege jaren 1660 naar Parijs. Israel begrijpt wel waarom Nederland in verval raakte: “Had there been a proposal before the States of Holland for an academy of sciences, whichever town was proposed as its site would have been sure to arouse the jealousy, and very likely the non-cooperation of the rest.” Pas honderd jaar later kreeg Amsterdam zijn observatorium. Maar toen was het te laat.

Tagged with:
 

Gemeentelijk initiatief

On 17 april 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam in kaarten’ (1987):

Bijna tweehonderd jaar lang, vanaf rampjaar 1672, vormde de Amsterdamse Plantage een onbebouwd gebied binnen de stadswallen. Al die tijd werd er hier geen kavel uitgegeven. Ook de bevolkingsomvang van Amsterdam bleef gedurende die hele periode steken op precies 200.000. Daarin kwam pas verandering na 1850. De groei zette toen lichtjes in. In de verarmde oude binnenstad raakten de kelders en zolders het eerste overbevolkt. Totdat in 1857 de gemeenteraad besloot met alle huurders van de tuinen in de Plantage het contract te beëindigen. Het gebied, ingeklemd tussen het Roeterseiland met uitsluitend industrie in het zuiden, de Kadijken met hun pakhuizen en Entrepotdok in het noorden en de Jodenbuurt in het westen, leek voorbestemd om een armeluisbuurt te worden. Echter, de gemeente bezat alle grond, wat in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was, en stelde hoge eisen aan de nieuwe bebouwing. Zo vormde zich in korte tijd een van de mooiste woonwijken van Amsterdam.

Toegegeven, deels was het succes van de Plantage als nieuwe, deftige woonbuurt te danken aan Artis, dat in 1838 werd aangeplant en dat met zijn in 1851 geopende Parkzaal de gegoede burgerij een passende entourage bood voor uitgaan en vertier. Maar de gemeente maakte het stedenbouwkundige plan en dat zou voor het uiteindelijke succes beslissend blijken. Dertig jaar later, zo rond 1890, was het grootste deel van de Plantage al bebouwd. In ‘Amsterdam in kaarten’ lees ik hierover: “De opzet van burgemeester en wethouders was geslaagd. De buurt had een uitgesproken deftig karakter gekregen, wat een breuk met de aangrenzende gebieden vormde.” Opnieuw een bewijs dat lang niet alle grote stedenbouw in het negentiende eeuwse Amsterdam uitsluitend te danken was aan de burgerij, maar dat ook de gemeente duidelijk initiatief nam en actief ingreep waar zij dat nodig achtte. Tussen 1860 en 1900 gingen de grondprijzen in de Plantage vijftig maal over de kop. De stad zelf werd ineens rijk. Voor wethouder Treub reden om in Amsterdam erfpacht in te voeren. En voor wethouder Wibaut reden om de gemeente stedenbouwkundig te outilleren.

Tagged with:
 

Ollies en flips

On 15 april 2013, in economie, mode, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 1 december 2012:

Deze kende ik nog niet. ‘Amsterdam past bij skatewereld’. De uitspraak is van Pierre André Senizergues, oprichter van Sole Technology. In Het Parool stond een interview met hem. Senizergues (45) is niet alleen ingenieur, maar vooral bekend als voormalig Frans, Europees en wereldkampioen skaten. Van origine Frans, vertrok hij begin jaren negentig naar Los Angeles om er bij IBM te gaan werken, maar dat beviel hem niet. Tegenwoordig runt hij zijn eigen bedrijf, vanuit Amsterdam. Het Europese hoofdkantoor van Sole Technology is gevestigd bij de Houthavens, onder de rook van havenbedrijven als Cargill en Eggerding. Het ontwikkelt en verkoopt coole schoenen voor skaten in liefst zeventig landen. Het werd groot met ‘etnies’, een echt cultmerk. Het merk heeft drie eigen brandstores in Europa, waaronder een aan het Damrak in Amsterdam. Waarom juist Amsterdam?

Nederland telt 60.000 skaters, alle jong, want onder de twintig jaar. Dat is niet heel veel. De hoofdstad zelf telt ongeveer 20 skate-obstakels, waaronder het indoorskatepark op de NDSM-werf, het Olympiaplein en de Marnixpool. Dat is al beter. Voor Senizergues telt mee dat iedereen in Amsterdam goed Engels spreekt. Bovendien kent de stad veel cultuur, waardoor de individuele leefstijl hier zwaar weegt, en bij skaten hoort nu eenmaal leefstijl. Maar ook staat Amsterdam voor duurzaamheid en skaten en snowboarden verbindt Senizergues met het behoud van de planeet. Vandaar ook dat hij voor een duurzaam hoofdkantoor heeft gekozen, met 60 zonnepanelen op het dak en een state-of-the-art geothermisch koel- en warmtesysteem, op fietsafstand van Centraal Station. Maar het belangrijkste is dat Amsterdam ondernemend is, dat er hier veel wordt gereisd en veel wordt geexperimenteerd. Weer zo’n mooi voorbeeld van een creatief internationaal bedrijf dat technologie combineert met mode, sport en leefstijl, in een uiterst riskante bedrijfstak waarin permanent moet worden geïnnoveerd. Het kan alleen bestaan als het goed is ingebed in een grootstedelijk creatief milieu, zeg maar: in de rafelranden van een dynamische, internationaal georienteerde creatieve stad.

Tagged with:
 

Een schijntje

On 11 april 2013, in cultuur, economie, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gezien in Amsterdam op 10 april 2013:

Amper terug uit Parijs fiets ik zowaar weer langs het vernieuwde Rijksmuseum. Over een paar dagen opent het zijn poorten (en later dit jaar mag ik er weer onderdoor). Alle kritieken erover zijn tot nu toe lovend. Het museum is zeker geen Louvre, maar met de fraaie Hollandse tuinen, het plein, het fietspad en de grachten biedt het aan de wereld iets uniek Amsterdams. Hier geen koningen of koninginnen, hier geen hofhouding of regering, wel cultuurminnende burgers en een neogotisch gebouw op de rand van een diepliggende polder. De effecten van het museum op de stad en de regio zullen ongekend zijn. Niet alleen de culturele, maar ook de economische. Wat die laatste betreft zal het Rijksmuseum meer voor de Nederlandse economie gaan betekenen dan de hele Tweede Maasvlakte bij elkaar, dat verzeker ik u. Die laatste kostte de Nederlandse staat liefst 2,9 miljard euro, het Rijksmuseum ‘slechts’ 375 miljoen. Een schijntje dus.

Zeker de economische effecten zijn nauwelijks te overschatten. Door het Rijksmuseum zal het internationale hoogwaardige toerisme naar Nederland sterk toenemen, het bezoek naar het museum gaat van 1 naar 2 miljoen per jaar. In ‘Stad en land’ (december 2010) heeft het Centraal Planbureau bovendien aangetoond dat investeringen in kunsten en monumenten de lokale grond- en vastgoedwaarde sterk doet stijgen. Amsterdam zelf wordt door deze investeringen dus nog veel meer waard. Het CPB spreekt van ‘de wederopstanding van de stad’. Inderdaad zal Amsterdam als stedelijke economie eindelijk weer de kracht ontwikkelen die de stad voor de Tweede Wereldoorlog heeft gehad, maar die door de suburbanisatie en gedwongen ‘overloop’ ernstig werd ondergraven. De naamsbekendheid en de aantrekkingskracht van Amsterdam op grote internationale bedrijven en congressen wordt door het museum ook nog eens flink verhoogd en de investering in een Nationaal Historisch Museum zal achteraf dwaas en overbodig blijken. Nee, die vergelijking met de Tweede Maasvlakte is zo gek nog niet. De opening van het Rijksmuseum komt precies op tijd. Ze overtreft het effect van het Guggenheim Museum in Bilbao. Waarom? Omdat Amsterdam op zichzelf al een wereldbestemming is. Ze zal het beste medicijn blijken tegen de crisis en een enorme impuls voor de verder eenzijdige nationale economie.

Tagged with:
 

Niet meer in te lopen

On 28 maart 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 december 2012:

Zie je wel? Hoe groter de stad, hoe hoger het tempo van leven. De Amerikaanse psycholoog Marc Bornstein van Princeton University en zijn team deden al in 1994 onderzoek naar de samenhang tussen loopsnelheid en bevolkingsomvang in 25 steden in zes verschillende landen. Wetenschapsjournalist Dirk Vlasblom berichtte er laatst over in NRC Handelsblad. Hoe groter de stad, hoe sneller de mensen bewegen. In 1979 publiceerden Bornstein e.a. erover in de ‘International Journal of Psychology’’. Het verband bleek zeer sterk. Later herhaalde de Britse psycholoog Richard Wiseman van de University of Hertfordshire precies hetzelfde onderzoek. In tien jaar tijd bleken de stedelingen zelfs tien procent sneller te zijn gaan lopen. Singapore stond nu bovenaan de lijst. Voetgangers liepen er gemiddeld 6,24 kilometer per uur, zelfs 30 procent sneller dan begin jaren negentig. In Guangzhou, China (13 miljoen inwoners) waren de inwoners 20 procent sneller gaan lopen: 6,02 kilometer per uur. Vergelijk dit met een relatief kleine stad als Manama, Bahrein (150.000 inwoners): 3,72 kilometer per uur. In Utrecht liepen inwoners gemiddeld 5,45 kilometer per uur.

Conclusie: het looptempo volgt de mondiale trend van economische groei, welstand, gezondheid en vooral omvang van steden. Hoe groter de stad, hoe hoger het looptempo. In 1994 lag het tempo in de top drie steden tweemaal hoger dan in de langzaamste drie. Toen nog betrof het Duitse, Zwitserse en Ierse steden. Nu, anno 2013, zijn de Europese steden ruimschoots gepasseerd door metropolen in China, Latijns Amerika en Indonesië. Daar ligt het tempo van leven inmiddels veel hoger dan bij ons. Nederlandse steden lopen letterlijk achter; ze zijn eenvoudig veel te klein. De werkelijke achterhoede wordt echter gevormd door steden in het Midden-Oosten. Zo traag als Jeddah en Isfahan zijn Amsterdam en Rotterdam nog net niet.

Tagged with:
 

Depressief

On 27 maart 2013, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 maart 2013:

In Nederland slikken ruim 900.000 mensen een antidepressivum. Dat is erg veel. In achterstandswijken wordt door mensen zelfs gemiddeld méér geslikt dan elders: 117 (Nederland = 100), lees: 17 procent boven het gemiddelde. Het stond te lezen in NRC Handelsblad van afgelopen week. Het gaat om onderzoek van het CBS waarbij de gegevens van de basisadministraties van achttien steden werden gekoppeld aan die van apothekers. Het verschil, aldus journaliste Frederiek Weeda, verbaast de onderzoekers allerminst. “In achterstandsbuurten wonen meer depressieve mensen.” Hoezo? “Bekend is dat bewoners van achterstandswijken gemiddeld lager opgeleid, ongezonder en armer zijn dan mensen in andere wijken.”  Logisch. Tot zover niets opvallends. Het onderzoek bevestigt eerder wat we al vermoeden: in de grote steden van de Randstad zijn veel mensen arm, laag opgeleid en ongezond. Daar moet je niet wezen.

Opmerkelijk worden de uitkomsten pas als wordt vastgesteld dat er in de steden buiten de Randstad gemiddeld juist méér wordt geslikt dan in bijvoorbeeld Rotterdam of Amsterdam. Sterker, in Amsterdam en Rotterdam wordt zelfs minder geslikt dan het landelijke gemiddelde. Huh? In de Amsterdamse Bijlmermeer ligt het gebruik liefst 31 procent onder het landelijke gemiddelde. Rara, hoe kan dat? Het moet daar in die grote steden toch het allerergste zijn? Krijgen patiënten daar niet te weinig hulp? Weten ze van het bestaan van antidepressiva wel onvoldoende af? Rust er daar onder die allochtonen in de Bijlmer niet nog een taboe op? Kortom, het moet daar in het Westen toch veel erger zijn gesteld met de geestelijke gezondheid dan in Leeuwarden of Maastricht?  Nee, concluderen de onderzoekers, het is juist omgekeerd. In de grote steden van de Randstad is de hulpverlening professioneler dan in de provincie, huisartsen en psychiaters hebben daar betere methoden om depressieve mensen te helpen. In de grote stad ben je als patiënt dus beter af. Verhelderend.

Tagged with:
 

Gehoord op de Zuidas in Amsterdam op 21 maart 2013:

Afgelopen week de deelnemers van de nieuwe leergang ‘Triomf van de stad’ van Wim Derksen toegesproken op de Amsterdamse Zuidas, al jaren de duurste grond van Nederland. Onderwerp: stad en cultuur. Het begon onschuldig met een uitleg over festivals en evenementen en hoe je je eigen stad daarmee impulsen kunt geven door betere benutting van de openbare ruimte, de infrastructuur, de hotels, de culturele voorzieningen. Alles heel praktisch en organisch, licht en ook goed toe te passen in Utrecht, Vlaardingen, Almere en Zoetermeer. Een deelnemer merkte op dat zoiets kennelijk in Amsterdam gemakkelijker gaat dan elders in Nederland. Zeker, er is hier meer van alles, je hoeft niet zo te duwen en te trekken, de dingen gaan in Amsterdam bijna vanzelf. Het deed Derksen denken aan het ogenschijnlijke gemak waarmee de Amsterdamse marathon groeit en nu al die van Rotterdam in aantallen deelnemers overtreft. Dat klopt. Daarover ging mijn tweede, meer theoretische gedeelte van de cursus. Maar dat deel viel bij de cursisten in minder goede aarde.

Volgens Geoffrey West en anderen zijn grote steden efficiënter dan kleine steden. In ‘Growth, Innovation, Scaling and the Pace of Life in Cities’ (2006) stellen de wetenschappers vast dat steden niet anders functioneren dan andere levende organismen. Verdubbelt een stad in omvang, dan heeft hij maar 85% meer energie nodig, net als dieren. Je vindt in grote steden dan ook naar verhouding meer winkels, meer tankstations, meer banken, meer supermarkten, meer voorzieningen, meer cultuur, meer dan je op grond van hun omvang zou mogen verwachten. Grote steden zijn niet alleen duurzamer, ze bieden de mensen gemiddeld ook meer van alles. Dat komt doordat grote steden productiever zijn dan kleine. Mensen lopen er harder, denken er sneller, er is meer interactie. De taak van planning, aldus West, is om interactie te maximaliseren en daarbij de hinder te minimaliseren. Dat betekent grote compacte metropolen bouwen en de congestie binnen die reusachtige steden bevorderen op de plekken waar de grondwaarde het hoogste is. Zo’n metropool zal worden beloond met veel voorzieningen ter plekke. In relatief kleine steden zal de overheid echter zwaar aan moeten die voorzieningen moeten trekken, ze opzettelijk plannen en er veel publiek geld tegenaan moeten gooien.  Dat is niet duurzaam en zonde van de energie en het geld.

Een standbeeld

On 20 maart 2013, in literatuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op 18 maart 2013 in CREA te Amsterdam:

De laatste spreker in de serie Amsterdam Lezingen was niemand minder dan Marita Mathijsen. De emeritus-hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam sprak voor een volle zaal over Jacob van Lennep in het negentiende eeuwse Amsterdam. Dat alles onder de noemer ‘Amsterdam kennisstad’. Op eigen kosten, vertelde ze, had de romanschrijver een drinkwaterleiding door Britse ingenieurs laten aanleggen van Heemstede, waar zijn familie een buiten had, naar de Haarlemmerpoort in Amsterdam. Voor een cent per emmer konden de inwoners van de hoofdstad daar jarenlang schoon drinkwater uit de duinen kopen, de Jordanezen, die het dichtste bij de kraan woonden, in de eerste plaats. Tot dan werd drinkwater nog uit de Vecht in schepen aangevoerd en in waterbakken ondergronds bewaard. Nog bij de aanleg van de metro in 1978 was men op zo’n enorme waterbak gestuit. Deze praktijken waren allesbehalve hygiënisch en de reputatie van Amsterdam was op dat vlak ook allerminst gunstig. Napoleon had nog bevolen een waterleiding naar de Vechtplassen aan te leggen, zo vies vond hij het Amsterdamse drinkwater. Het zou nog twintig jaar duren voordat iedere Amsterdammer aansluiting kreeg op het waterleidingnet, maar aan Van Lennep is te danken dat er in 1851 een begin werd gemaakt met het aanleggen ervan, die er zelfs geld voor leende in Engeland. Drie jaar later was alle vijfentwintig kilometer buizen gelegd. Door het schone duinwater bleef Amsterdam tijdens de cholera-epidemie van 1866, waaraan liefst 23.000 Nederlanders stierven, relatief gespaard. Daarna zou de overheid de verantwoordelijkheid van Van Lennep’s ‘Duinwater Vereeniging’ overnemen. Nog steeds hanteert Waternet voor haar leidingen Engelse maten.

Mathijsen wees erop dat het vooral schrijvers waren geweest die in de negentiende eeuw sociale misstanden aan de kaak stelden. In dat verband noemde ze Pieter Jan Heije, Piet Paaltjens, Jacob van Lennep, Multatuli. Dikwijls waren zij tevens dominee, politicus of arts. Zo beschreef Multatuli in zijn Max Havelaar de onrechtvaardigheden in Nederlandsch-Indië en Piet Paaltjens dichtte over de wantoestanden in Schiedam, waar de jeneverstokerijen de aanleg van een drinkwaterleidingnet lange tijd verhinderden. Van Lennep zelf was een van de eersten die de Amsterdamse volkswijken introkken en de schrijnende toestanden aldaar noteerden. Dat soort schrijverspraktijken zag je ook in het buitenland. Als voorbeeld noemde Mathijsen Victor Hugo in Parijs en iemand in de zaal herinnerde aan ‘De negerhut van Oom Tom’ van Harriet Beecher Stowe. Mathijsens verklaring hiervoor klonk aannemelijk: schrijvers beschrijven in hun poëzie of fictie de werkelijkheid, doen er ook onderzoek naar en kunnen in hun verhalen mensen diep ontroeren en daarmee mobiliseren. Dat doen schrijvers tegenwoordig nog steeds. Maar wat Van Lennep deed was uitzonderlijk. Hij die standbeelden regelde voor Vondel en Rembrandt, verdient nu zelf een standbeeld. Iemand in de zaal verzekerde dat dat standbeeld er ook zou komen. Op het Haarlemmerplein. Het was een mooie avond.

 
Tagged with: