Waarom doen we het?

On 9 december 2016, in infrastructuur, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn nr. 5, 2016:

Gerelateerde afbeelding

Het laatste themanummer van dit jaar van het Amsterdamse planologentijdschrift Rooilijn is gewijd aan ‘Het institutionele perspectief’ van de ruimtelijke planning. Aanleiding is het afscheid van Willem Salet als hoogleraar Stedelijke en Regionale Planning aan de Universiteit van Amsterdam. De socioloog Salet bezette de leerstoel van 1995 tot 2017 en richtte die vooral op de context van planning, op “een veel bredere institutionele reflectie over de condities die bepalen wat planning vermag.” Daarmee nam hij afstand van de praktijk, Salet plaatste zich zelfs met opzet buiten het vakgebied. Op het eind van het nummer wordt de vertrekkende hoogleraar geïnterviewd door Els Beukers. Beukers vraagt hem naar de beoefening van het vak door de gemiddelde planoloog. Die opereert, antwoordt Salet, hoofdzakelijk pragmatisch en probeert voortdurend maatschappelijke problemen op te lossen. Maar daar hoort wel een institutionele verantwoording bij. De planoloog moet zich voortdurend afvragen wat hij eigenlijk doet en waarom hij dat doet. Problemen oplossen? Zal best. Maar wat geeft hem het recht om te doen wat hij doet? “Dat legitimeren houdt me wel enorm bezig en dat geef ik ook aan studenten mee. Waarom doen we wat we doen?

Vervolgens vraagt Beukers hoe het institutionele denken in de planologie helpt om de ruimtelijke dynamiek te begrijpen. De stad, antwoordt Salet, wordt institutioneel nog altijd veel te eng gedefinieerd. Als voorbeeld noemt hij de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Die is volgens hem een antwoord op de problemen van 1970. Het woon-werkverkeer is inmiddels sterk regionaal, dus de Noord-Zuidlijn is allang niet meer de juiste oplossing: voor Salet een teken dat de Amsterdamse regio zich institutioneel niet goed heeft georganiseerd. Randstadrail in de Zuidvleugel beoordeelt hij in dat opzicht als veel gunstiger. Ik las het met stijgende verbazing. De eerste plannen voor metrostelsels in Amsterdam dateren van 1960. Qua schaal was het stelsel afgeleid van die van metropolen als Londen en Parijs. Amsterdam koos destijds voor de maat en schaal van Stockholm. Nog steeds is deze maat goed gekozen. Immers, het stadscentrum van Amsterdam is extreem druk, metronetwerken zijn erg duur, ze dienen compact te zijn en hebben elke 800 meter een halte, ze ontsluiten alleen die stadsdelen die voldoende dichtheid hebben en veel bezoekers ontvangen. De uiteindelijke Randstadrail is een treinstelsel voor een uit de hand gelopen suburbane ontwikkeling, noodzakelijk voor het woon-werkverkeer. Vergelijk hem met de Zuidtangent tussen Haarlem, Schiphol en Amsterdam Zuidoost, maar niet met de Noord-Zuidlijn. Nee, in institutioneel opzicht is er met de Metropoolregio Amsterdam niets mis. Wel heeft Amsterdam dringend behoefte aan meer metro.

Stedelijke verbazing

On 7 december 2016, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Jongens, maak het maar mooi’ (2016) van Max van den Berg:

Afbeeldingsresultaat voor andere tijden nieuwmarkt amsterdam

Dramatisch keerpunt in de ambtelijke carrière van topambtenaar Max van den Berg (1938-2016) is het rampjaar 1971. Dat las ik in zijn onlangs bij uitgeverij Thoth verschenen memoires. De grond in Amsterdam wordt hem dan te heet onder de voeten. Veel van zijn plannen worden in dat jaar afgeblazen door wethouder Han Lammers. Lammers zwicht voor de bewoners en actievoerders en wil voortaan behoud en herstel. Van den Berg ziet dat absoluut niet zitten. Hij wil juist een sterk verdicht centrum met veel cultuur, een nieuwe universiteitscampus en nieuwe attracties en daarvoor is sloop nodig. In een ‘bitter kroeggesprek’ vertelt Van den Berg zijn wethouder dat hij de handdoek in de ring gooit, hij heeft een adempauze nodig. De wethouder neemt het laconiek op. In de herfst vertrekt Van den Berg voor bijna twee jaar naar Den Haag, naar de toenmalige Rijksplanologische Dienst. In Amsterdam begint ondertussen de stadsvernieuwing, ambtelijke projectgroepen nemen de macht over van de centrale diensten. In zijn afwezigheid breekt de pleuris uit, want Lammers handhaaft de metroplannen in de Nieuwmarktbuurt, zeer tegen de zin van diezelfde bewoners-actievoerders. 

In Den Haag, ver weg van het Amsterdamse stadsgewoel, kijkt Van den Berg zijn ogen uit. Deftige departementen strijden er over ambtelijke beleidsnota’s. Men ontwikkelt er abstracte stadsmodellen. Vooral provincies manifesteren zich er, op jacht naar het grote geld. In Den Haag vindt men Amsterdam ‘arrogant’. Wat Van den Berg vooral opvalt: “Tot mijn stedelijke verbazing zie ik dat de landbouwkongsi van het departement van LNV, landbouworganisaties, de RABO-bank en de Universiteit van Wageningen veel sterker is dan de versnipperde stedelijke belangen.” Is het ooit anders geweest? Het Rijk heeft nooit belangstelling voor de grote steden gehad, de arrogantie die het Amsterdam verwijt is eerder een teken van Haagse afkeer van grootstedelijkheid dan van Amsterdamse hoogmoed, rijksdepartementen laten het hoofd hangen naar het sterke front van agrarisch Nederland, waartoe ook de provincies behoren. Dat heeft een verstrekkende invloed, want de staat neemt in die tijd alle dossiers over dankzij sterk groeiende rijksfinanciën. Van den Berg: “Rijk en provincies investeren zwaar in regionale infrastructuren.” Het grote geld ging, kortom, naar asfalt, ruilverkavelingen, zeehavens en deltawerken, niet naar steden. Op Amsterdam stuurde de regering de marechaussee af, om lastige relschoppers in de boeien te slaan en te detineren.

Tagged with:
 

Macht in Amsterdam

On 23 november 2016, in Geen categorie, boeken, by Zef Hemel

Gehoord op 18 november in het Van Eesterenmuseum te Amsterdam:

Jongens, maak het maar mooi-Max van den Berg

Ter gelegenheid van de presentatie van ‘Jongens, maak het maar mooi’, het boek van voormalige topambtenaar Max van den Berg (1938-2016) over de naoorlogse stadsontwikkeling van Amsterdam, verzamelde zich afgelopen vrijdagmiddag in het Van Eesterenmuseum in Amsterdam Nieuw-West een bont gezelschap van gepensioneerde ambtenaren van Stadsontwikkeling en jonge trainees rond drie gesprekstafels. Het grauwe herfstige weer had niemand er niet van weerhouden naar de Burgemeester De Vlugtlaan te komen. De bijeenkomst vond plaats in het kader van het project Learning History van de gemeente Amsterdam, dat tot doel heeft als organisatie te leren van het verleden. Aan elke tafel werd een kort verhaal verteld over de naoorlogse geschiedenis van Amsterdam en de gemeentelijke organisatie: één over macht, een ander over leiderschap en een derde over geld. Daarna kon iedereen reageren. Daarbij ging het er niet zozeer om de vraag of het verhaal klopte, maar of mensen het met eigen ervaringen konden verrijken en wat we er van konden leren. Zelf zat ik aan de tafel die ging over macht. Fer van den Boomen, extern organisatieadviseur, vertelde het verhaal dat was samengesteld uit een dertigtal gesprekken met voormalige politici, topambtenaren en stadshistorici rond het vraagstuk van de macht in de Amsterdamse stadsontwikkeling. Het boek van Max zong ondertussen op de achtergrond door m’n hoofd.

Wat me opviel was dat iedereen tijdens het voorlezen geboeid zat te luisteren. Daarna vertelden oudgedienden anekdotes die onderdelen van het verhaal illustreerden. Er werd veel gelachen. Sommige zaken kwamen de anderen bekend voor, andere kwesties leidden juist tot hilariteit en verbazing. Vanuit heel verschillende perspectieven werd nieuw licht op zaken geworpen, in elk historisch feit kwam diepte. Zo nuanceerden enkelen het verhaal dat wethouder Jan Schaefer de dienstdirecteuren tijdens een vergadering op het stadhuis de deur zou hebben gewezen omdat ze met te velen waren geweest – illustratie van hoe deze wethouder de macht van de directeuren wilde breken – door op te merken dat bijna alle directeuren zich bij dit soort vergaderingen lieten vervangen door ondergeschikten en een ander vertelde dat hij door de secretarie die ochtend was gemaand toch vooral te komen opdraven en zelfs oppas thuis had geregeld, waarna de wethouder hem had weggebonjourd. Dus zo werkt macht in Amsterdam. We leerden hoe politieke conflicten vaak in de informele sfeer worden opgelost, dat persoonlijke netwerken belangrijk zijn, dat het stadhuis vaak een storende factor is, dat de ambtelijke diensten elkaars macht bestrijden of met elkaar delen, dat David Goliath heel goed weet te verslaan, dat de afstand tussen de ambtelijke werkvloer en het bestuur doorgaans groot is, dat alles verpolitiekt is, dat ambachtelijke kennis medewerkers soms bescherming bood. Mijn conclusie: macht in Amsterdam is extreem versnipperd, niemand heeft het voor het zeggen, de stad kent zijn eigen dynamiek en het is de kunst met die dynamiek mee te bewegen. En ook: reorganisaties werken niet. Maar het belangrijkste: burgers weten het beter. Waarom? Omdat zij de dynamiek in de stad beter aanvoelen. Zet ze rond de tafel en laat ze hun verhaal vertellen. De oplossingen komen vanzelf.

Tagged with:
 

Gemiste kans

On 10 november 2016, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De emancipatie van de periferie’ (2016) van Floris Alkemade:

 

Charmant maar flets essay van de rijksbouwmeester, Floris Alkemade. Of eigenlijk is het een gesproken tekst bij plaatjes. Op 1 november lanceerde Alkemade zijn ‘Emancipatie van de periferie’ in Scheveningen tijdens het zogenoemde rijksbouwmeesterscongres. In het verhaal, aldus het bijgeleverde persbericht, “ageert hij tegen de focus van planners op de stadscentra en pleit hij voor het benutten van de dynamiek en ruimte die de periferie biedt.” Hoezo focus van de planners op de stadscentra gericht? Was het maar waar. De focus van VINEX  en post-VINEX is juist op netwerken gericht, op dit moment ontbreekt zelfs elke focus. Het is een oude retorische truc: je afzetten tegen een denkbeeldige vijand. Geen woord over duurzaamheid, want daar is deze nationale bouwmeester niet van. Wel iets over leegstand. Maar denk niet dat dit tot inkeer leidt. Leegstaande woningen zullen verloederen en moeten dus worden gesloopt, maar Alkemade bestemt ze voor werken. Dream on! Opnieuw een pleidooi voor suburbanisatie en ruimtelijke spreiding afkomstig uit Haagse kokers. We komen er maar niet van af. Nee het is nog veel erger. Volgens de Brabander Alkemade heeft de Randstad afgedaan en moeten we het stedelijke veld nog veel groter trekken. Hij spreekt van een uitvergrote Randstad richting zuiden en oosten, precies zoals de bedenkers begin jaren ‘60 hadden voorspeld.

Wanneer hij over de structuur van de nationale verstedelijking schrijft, noteert Alkemade het volgende:  “Binnen deze structuur valt de zelfstandige kracht van Amsterdam op dat als enige echte Nederlandse metropool een uitzonderlijk sterke identiteit en aantrekkingskracht heeft.” Dit rangschikt hij onder “het fenomeen van de ongeremd aantrekkelijke hoofdsteden (…).” Een kaartje van Parijs zet hier de toon. Ja, Parijs! Banlieus! Het leidt volgens hem tot een ‘altijd weer pijnlijke segregatie van kansrijken en kansarmen’. Niet goed dus. Waarop hij de zoveelste lofzang op de polynucleaire structuur van de Nederlandse verstedelijking zingt. Alkemade: “Juist de open structuur biedt condities en een dynamiek die een palet aan gespreide ontwikkelingen mogelijk maakt.” Niet dus, juist een compacte, verdichte structuur biedt gunstige condities voor innovatie, ontwikkeling en bloei. Maar nee hoor, we gaan weer ruimtelijk spreiden. “Op het moment dat het verstedelijkte midden van Nederland in al zijn samenhang onderzocht en ontwikkeld wordt, ontstaat een metropool met ongekende kwaliteiten.” Nee joh, dan ontstaat er een zeer dunbevolkte metropool van bizarre afmetingen en gedomineerd door infrastructuur en verstoken van grootstedelijkheid. Zullen we dit maar beschouwen als een gemiste kans?

Meer verbeeldingskracht

On 17 oktober 2016, in film, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 15 oktober 2016:

Afbeeldingsresultaat voor shanghai

Hoe ziet Amsterdam er uit in 2030? Als het aan de Rotterdamse socioloog Wim Derksen (1952) ligt nog net zo als in 2016. Althans dat meende ik dit weekeinde te lezen in Het Parool (15 oktober 2016). Ik denk dat hij zich ernstig vergist. Maar hoe dan wel? Zoiets vergt verbeeldingskracht. Neem ‘Her’. In 2013 verscheen deze sciencefiction film van Spike Jonze over Los Angeles in het jaar 2025. Hoofdpersoon Theodore Twombly (Joaquin Phoenix) wordt in de film verliefd op een computerstem. Het is een flinterdun, melancholisch verhaal, al laat het goed zien hoe mens en technologie versmelten. Hoe ziet Los Angeles eruit in 2025? Op die vraag lichtte Colin Marshall het scenario van ‘Her’ door. Op YouTube kun je zijn filmcollege mooi volgen. Los Angeles over tien, twintig jaar wordt door Spike Jonze verbeeld als een stad van torens, autovrije straten en veel metro. Twombly zelf woont in een wolkenkrabber. Voor een dagje op het strand neemt hij de ondergrondse. Voor een ritje naar de natuur kiest hij voor een hogesnelheidstrein. Dat is niet het Los Angeles dat wij van vroeger kennen. Wat is er gebeurd? Zelfs autostad Los Angeles verdicht snel en krijgt de trekken van een Aziatische metropool. Dat is nu al gaande.

Veel opnamen in ‘Her’ zijn gemaakt in Shanghai. Dat is niet zo gek. Los Angeles telt op dit moment 18 miljoen inwoners, Shanghai is de grens van 22 miljoen inwoners al gepasseerd. LA groeit echter ook snel en die sterke groei vindt op dit moment vooral plaats door verdichting, niet door verdere suburbanisatie. Toen Jonze zijn filmopnamen maakte was dit precies wat Bianca Barragan vaststelde in Curbed Los Angeles: “Los Angeles is changing its identity. It’s moving away from the car and the single-family house and toward transit and denser living. And now it’s even getting dramatically less sprawly.” Het zijn vooral jonge hoogopgeleide mensen en ouderen die weer voor de grote stad kiezen en die het centrum prefereren boven de buitenwijk. Zij zijn zelfs bereid om in hoogbouw te wonen, ook in het aardbevingsgevoelige LA. Barragan citeerde een wetenschapper die Los Angeles binnen de USA zelfs de kampioen noemde van succesvolle verdichtingsstrategieën. Natuurlijk wordt Amsterdam geen Shanghai zoals Het Parool met haar fotokeuze suggereerde, maar ze gaat wel lijken op een stad als Toronto (2,6 miljoen inwoners, de regio 5,4 miljoen). Ik denk dat Wim Derksen de film moet bekijken. Een beetje meer verbeeldingskracht kan bij deze oude sociaal-democraat geen kwaad.

Tagged with:
 

Wensenlijstjes

On 14 oktober 2016, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in FD van 8 oktober 2016:

Afbeeldingsresultaat voor asml

Duidelijke boodschap van Peter Wennink, topman van chipsfabrikant ASML in Veldhoven, afgelopen weekeinde in FD. Alleen al de kop op de voorpagina was veelbetekenend: “ASML naar de Randstad? Uitgesloten”. Snel dus door naar pagina 6 en 7. Wennink bleek door de Brabantse lobbymachine naar voren geschoven om een helder statement te maken richting Den Haag. Altijd Den Haag. Er komen daar weer verkiezingen aan, de ministeries maken hun kabinetsstukken, de politieke partijen leggen hun oor te luister in de provincie, de Eindhovense burgemeester is net vertrokken. Wat is het Brabantse wensenlijstje?, vroegen de journalisten De Lange en Olsthoorn bereidwillig. Een breed brainportplan, internationale infrastructuur, hogesnelheidsverbindingen, een internationaal congrescentrum, meer rijksgeld voor hoge cultuur en topsport. Wennink: “Er is geen rijksmuseum onder de grote rivieren. Niet één.” Ziedaar een CEO van een groot bedrijf die zich de rol van politicus aanmeet. Nee, Wennink piekert er niet over om met zijn bedrijf naar Amsterdam te verhuizen. “Ga ik naar Amsterdam, dan moet ik al die (toeleverende) bedrijven meenemen.” En de vrouwelijke minister die hem ooit toefluisterde dat een beetje afstand voor zijn internationale kenniswerkers niet veel  uitmaakt omdat ze dat in China wel gewend zijn, wees hij streng terecht. Das was echt flauwekul. Alles moet, omgekeerd, naar Brabant.

In één ding moeten we Wennink gelijk geven. Brabant hoort niet bij de Randstad en de afstand tussen Eindhoven en Amsterdam is te groot voor echte agglomeratiekracht. Een minister die denkt dat Nederland één grote stad is, heeft het inderdaad goed mis. Maar om nu de rijksoverheid te dwingen voor een succesvolle chipsfabrikant die alleen met dure EUV-technologie kan overleven en die daarvoor de beste kenniswerkers ter wereld aan zich moet binden miljarden overheidsgeld naar Brabant te sluizen is ook zowat. Dat die kenniswerkers in een echte metropool willen leven, betekent nog niet dat de metropool naar Mozes moet komen. Nog eenmaal Wennink: “De toegevoegde waarde van ASML is groter dan die van de hele Tweede Maasvlakte (…) Waar zit het toekomstige verdienmodel van Nederland? Hier in Brabant.” Lijkt me niet correct. Het toekomstige verdienmodel van Nederland zit niet in een gespreide ontwikkeling, maar in echte metropoolvorming, in een sterk geconcentreerde stedelijke ontwikkeling in hoge dichtheid vlak bij Schiphol. In Den Haag zouden ze ASML een verhuispremie moeten geven, net zoals ze vroeger verhuispremies aan bedrijven gaven om uit de Randstad naar Brabant te vertrekken.

Tagged with:
 

Non-Plan

On 1 oktober 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities of Tomorrow’ (1988) van Peter Hall:

 Fontenot-NonPlan-9

 

Kon de plek van mijn boekpresentatie symbolischer, nee ironischer? Op het Spui in Amsterdam, pal naast het Maagdenhuis, lanceerde ik op 27 september 2016 mijn nieuwe boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ (Amsterdam University Press) met live recensies van Paul Scheffer, Herman Vuijsje, Jos Gadet en Ruben Maes. Het zaaltje was helemaal uitverkocht, mensen die er niet in konden, stonden voor de ramen. De zon scheen over het plein. Vijftig jaar na de provo-demonstraties rond het Lieverdje en de Maagdenhuisbezetting van 1969 reageerden de aanwezigen op mijn radicale oproep om de rigide Nederlandse planning open te breken en weer echte steden te laten groeien, organisch, van onderop. In Universiteitsblad Folia noemde ik de Nederlandse steden zelfs ‘nepsteden’. Vooral Vuijsje (1946) reageerde gebeten. Hij eiste juist méér bemoeienis van de Nederlandse staat met de ruimtelijke ordening. En Scheffer (1954) vond dat ik te weinig de schaduwkanten van de metropool belichtte; zo fijn waren die organisch gegroeide steden van mij helemaal niet. Alleen Gadet (1959) viel mij bij. Hij was dan ook, net als ik, net te jong voor de babyboomgeneratie die destijds de revolutie predikte. Uitgerekend de babyboomers blijken nu conservatief.

Gadet sprak van een eeuwige cyclus van ideeën en hij heeft gelijk. Zijn we terug in 1969? Ik denk het wel. Vorig jaar bezetten de studenten opnieuw het Maagdenhuis, nu is er dus mijn radicale boek. In 1969 publiceerden de jonge honden Reyner Banham, Paul Barker, Peter Hall en Cedric Price hun iconoclastische manifest ‘Non-Plan. An Experiment in Freedom’ in het Britse ‘New Society’. Ze wilden van alle planning af; de dingen moesten spontaan kunnen gebeuren. Ze eisten vrijheid en ruimte voor experimenten, hun pleidooi kwam neer op een aantal weloverwogen oefeningen met non-planning, want in een aantal aangewezen zones zouden mensen weer gewoon moeten kunnen bouwen wat ze willen: “at least one would find out what people want; at the most, one might discover the hidden style of mid-20th century Britain.” Terugblikkend schreef Peter Hall in zijn ‘Cities of Tomorrow’ (1988) dat het manifest van hem en zijn vrienden destijds werd doodgezwegen. Pas tien jaar later durfde iemand met een soortgelijk voorstel te komen. In Amsterdam was dat niet anders. Pas na de Nieuwmarktrellen (1975) mochten bewoners hun gesloopte buurt terugbouwen volgens eigen plan. De Nieuwmarktbuurt is een van de geslaagdste twintigste eeuwse experimenten, het grote voorbeeld voor het latere Java-eiland en Borneo en Sporenburg. Door de bewoners, niet door de overheid of de planners, werd grootstedelijkheid opnieuw uitgevonden.

Tagged with:
 

Anders plannen maken

On 27 september 2016, in boeken, by Zef Hemel

Hoe kun je nog plannen maken in situaties van grote complexiteit? In zijn nieuwste boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ betoogt Zef Hemel dat de sturing in onze grote steden veel lichter en opener kan dan planologen vaak denken. Met Volksvlijt 2056 deed hij een experiment in open planning. Een impressie.

 _MGL1839 _MGL1815

_MGL1857  _MGL1711

Om erachter te komen wat een stad wil en nodig heeft, zou men haar bewoners eigenlijk voortdurend moeten raadplegen. Dat klinkt logisch, maar het gebeurt zelden. Het argument is vaak dat het praktisch lastig zou zijn om zoiets te organiseren. En als het dan eens gebeurt, wordt door autoriteiten vaak een ja- of nee-stem gevraagd, echt geluisterd wordt er niet. Vaker zoekt het bestuur draagvlak voor de eigen plannen, wordt veel energie in voorlichting en overtuigingskracht gestoken; echte betrokkenheid wordt zelden op prijs gesteld. Dit hoort ook bij het proces van professionalisering van de planologie. Door de verwetenschappelijking werden de afgelopen honderd jaar steeds meer statistieken, diagrammen en kaarten leidraad in de stadsontwikkeling. Planologen en stedenbouwkundigen eisten hun rol in de belangenafweging op en richten zich op het bestuur dat hun plannen en ontwerpen moet vaststellen en uitvoeren. Bestuurlijk georiënteerde planologen problematiseren graag de governance, die inderdaad niet werkt en waaraan men eindeloos lang kan sleutelen. Zulk werk is goed voor de broodwinning, maar het raakt de fundamentele problemen niet en lost ze ook niet op. Iedereen lijkt vergeten de dromen en ideeën van gewone mensen op te slaan. Sinds er digitale sociale media bestaan weten we echter dat hele grote groepen mensen bijna permanent met elkaar in gesprek gaan over alles wat hen bezighoudt, dankzij internet kunnen ze zich steeds beter organiseren en steeds meer macht naar zich toetrekken. Door zich aan te sluiten bij zulke platforms, virtueel maar ook fysiek, zouden overheden heel goed kunnen aftappen van deze ‘collectieve intelligentie’. Een dergelijke werkwijze heet open planning.

Om open planning in de praktijk te beproeven organiseerde de Wibautleerstoel aan de UvA afgelopen jaar ‘Volksvlijt 2056’. Volksvlijt was een tentoonstelling in de Openbare Bibliotheek Amsterdam over de economische toekomst van de hoofdstad. Bezoekers konden er hun eigen toekomst dromen. De programmering van Volksvlijt was helemaal open, alles was op zoveel mogelijk interactie gericht, een centrale autoriteit ontbrak, er lagen ook geen plannen of voornemens op tafel. We wilden zoveel mogelijk mensen in de stad activeren, hen bij hun eigen toekomst betrekken, hen een stem geven, en vooral elkaar laten inspireren. Onze referentie was Samuel Sarphati (1813-1866). Diens ‘Vereniging voor Volksvlijt’, opgericht in 1852 en tien jaar later uitmondend in zijn roemruchte Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein, beoogde precies dit:  tentoonstellingen die inspireren, een vereniging oprichten die als een open platform functioneert, samenwerking beijveren, iedereen in de stad aanzetten tot ondernemen, kapitaal op de nieuwe ondernemingen richten, onderwijs en onderzoek bevorderen en iedereen daarin laten delen, honger en armoede bestrijden door nieuwe nijverheid, voorbeeldige stadsontwikkeling entameren, een betere toekomst dromen. Nog altijd koestert Amsterdam een verrukkelijke herinnering aan Samuel Sarphati. Zijn Vereniging leidde tot de aanleg van het Vondelpark bijvoorbeeld, maar ook van de bouw van het Concertgebouw, de oprichting van het Concertgebouworkest, de instelling van het conservatorium, de stichting van de eerste woningbouwcorporatie en de eerste hypotheekbank, de opening van de eerste openbare bibliotheek, de Amsterdam RAI. Eind negentiende eeuw spoelde een golf van positief, praktisch idealisme over de stad. Op die golf kwam wethouder Floor Wibaut bovendrijven. Berlage werd van dat nieuwe Amsterdam uiteindelijk de grote bouwmeester. Alles dankzij het platform.

Fragment uit ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ (2016) van Zef Hemel. Amsterdam University Press. ISBN 978 94 6298 246 8.

European Knowledge Hub

On 22 september 2016, in wetenschap, by Zef Hemel

Read in  ‘Mapping Research and Innovation’ (2015) of Elsevier/Urban Innovation Network:

Afbeeldingsresultaat voor amsterdams competitive advantage

Last year, scientific publisher Elsevier and the Urban Innovation Network (UIN) published a comparative study of research output of eleven comparative European university cities, amongst them Amsterdam. The other cities were Barcelona, Berlin, Brussels, Copenhagen, Dublin, Hamburg, Madrid, Manchester, Stockholm and Vienna. In ‘Mapping Research and Innovation’ (2015) the researchers distinguished four dimensions of research strength: relative volume, relative usage, relative impact and research excellence. Excellence was measured by a city’s relative share of the most impactful research – “that which is among the top decile worldwide in terms of citations within a given subject area. We call these star articles.” Overall conclusion: Amsterdam has a strong claim to being one of the top knowledge cities in Europe. Its research output per capita is second only to Copenhagen, but the relative impact of its research is the highest. The researchers discovered that Amsterdam has a very strong position in medicin, in volume and impact. “It is nearly twice the world average in relative volume, given the city’s size and overall research output.” Orange (picture) means its impact is also quite high, “more than twice that of the world average.” Winners are oncology, radiology, nuclear medicine and imaging.

Striking is Amsterdam’s output in computer science, which nearly doubled over the past decade. In terms of publications per capita, Amsterdam’s output in computer science is now second among the eleven cities. “These growth trends suggest that Amsterdam is growing a world-class base of computer science researchers, which can both help train the next generation of tech workers and attract the most promising tech companies.” What about social sciences? Psychology has a very strong position, but only in volume, the other social sciences are performing above average, but their impact is rather low. In terms of publications per 1000 residents, the researchers found growth in all eleven cities. But the absolute winners are Amsterdam en Copenhagen, with Vienna and Stockholm following at a distance. How important is this? Elsevier: “Universities creat jobs and demand for real estate space, attract and retain talent, stimulate investment beyond their walls. (…) But, the central role played by universities in the innovation ecosystem is not well understood and an untapped resource.” Exploring a city’s innovation ecosystem is a valuable way of seeing the future with greater clarity.

Tagged with:
 

A Day to Remember

On 19 september 2016, in cultuur, gezondheid, by Zef Hemel

Heard at the Heineken Experience, Amsterdam, on 16 September 2016:

MIRIK MILAN _ PREFEITO DA NOITE EM AMSTERDA

Friday, 16 September 2016, it was Enjoy Responsible Day at Heineken Brewery, Stadhouderskade in Amsterdam. Four teams of four young professionals, recruited from the staff of the Amsterdam based global brewery were asked to develop a campaign for moderate drinking in only 8 hours time. Theme: ‘A night to remember’. Amsterdam’s night mayor Mirik Milan (picture) was hosting the day. In a film he showed people around in Amsterdam during the night, proofing that nightlife is just great when you move around with your friends while moderate your drinking. I was invited as one of the experts. There was also a lecture of John Weich, editor, advertiser and writer of ‘Storytelling on Steroids’ (2014), on new trends in city making. Weich spoke about cities that are ‘stretching’, ‘urban ecosystems of innovation’, ‘new agoras’ in cities, ‘emotional landscapes’ on the ‘other side of the railway tracks’, ‘active public space’ in ‘odd areas’, ‘spontaneous congregation’ of young people in ‘multipurpose venues’, new digital tools of wayfinding and navigation, take-out food and the fast growth of delivery services. He showed us great examples in Oslo, Copenhagen, New York. Then the teams went to work. At the end of the day they would come up with three or four cool ideas.

Some teams developed proposals for apps. They still think technology is bewitching us. One team, on the other hand, wanted us to ‘disconnect in order to connect’. And then there was a team ending its presentation with a self-evident, intelligible idea based on the notion that cities are for people meeting other people. In fact, it was what Mirik Milan had demonstrated with his short film: locals showing visitors around, offering them ‘a night to remember’. So when locals do that, you as a visitor will never misbehave, not wanting to miss the end of your guided tour, so you moderate your drinking. If Heineken would promote this kind of city trips, locals would meet strangers, some even might make friends, new agoras in our cities will develop, take-out food will serve us even in the most barren spots, spontaneous congregation will blossom, public space will get activated, city life will be more vibrant. An app will be needed, one that is connecting local guides with visitors from abroad. An app that is called ‘A Night to Remember’. Sponsored by Heineken. Great day.

Tagged with: