Elektronisch trekpaard

On 21 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 maart 2015:

Alweer bijna vergeten. Op 27 maart 2015 legde een stroomstoring een groot deel van Noord-Holland plat. De oorzaak was een probleem in een hoogspanningsstation van Tennet in Diemen. Verkeerslichten werkten niet meer, mensen zaten vast in de lift, treinen vielen uit, vliegtuigen bleven aan de grond, geldverkeer was onmogelijk, ziekenhuizen schakelden over op noodstroomvoorzieningen; datzelfde gold voor de radio en televisie-studio’s in Hilversum en …. datacenters. Een miljoen huishoudens in en rond Amsterdam had urenlang geen stroom. Nog maar kort daarvoor, op 11 maart, had het Parool een bericht over de snelle toename van het stroomverbruik in uitgerekend deze regio geplaatst. Dat kwam, aldus de krant, met name door de vele nieuwe datacenters en ICT-bedrijven die zich op dit moment  in en rond de hoofdstad vestigen. Tussen 2010 en 2013 was sprake van een groei van liefst 15,8 procent. 

De gegevens waren opmerkelijk. Dit is wat ik las: de totale ICT-branche in Nederland verbruikte in 2013 in totaal 2,7 miljoen kilowattuur aan stroom – evenveel als het verbruik van 900.000 huishoudens. Bijna de helft daarvan (43%) werd verbruikt in de provincie Noord-Holland. Ter vergelijking: in Zuid-Holland is dit aandeel slechts 12,7 procent. In Rotterdam, Den Haag en Utrecht daalde het nota bene, in Den Haag zelfs met een vijfde. Brabant werd niet genoemd. Van alle stroom die Noord-Holland verbruikt gaat nu al 9,4 procent naar de ICT-sector. Het verschil met de rest van Nederland wordt snel groter. Aan de cijfers van het veranderende stroomverbruik zie je dat de Amsterdamse regio binnen Nederland steeds meer als het economische trekpaard fungeert en hier en daar zelfs de trekken krijgt van een Silicon Valley. De grote gangmaker is de Amsterdam Internet Exchange, een van de belangrijkste internetknooppunten ter wereld. In dit licht bezien is de kwetsbaarheid van de stroomvoorziening zoals op die 27ste maart 2015 een majeur punt van aandacht. Nu nog glasvezel. En, vanwege de opslingering, een grotere maatvoering van de stad.

Tagged with:
 

Saskia Sassen was here

On 20 mei 2015, in economie, vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Gehoord op 19 mei 2015 in de Stadsschouwburg te Amsterdam:

10854908

De lijst met huisuitzettingen in Amerikaanse steden die ze toonde was ronduit schokkend. De financiële markten, zei ze, zijn de nieuwe motoren van de economie. Die kopen en masse grond en vastgoed op, ze verwerven hele stadsdelen, de vastgoedprijzen in die steden stijgen soms skyhigh. Tot mensen het niet meer kunnen betalen. Met huisuitzettingen tot gevolg. Hele buurten die de laatste jaren enorm in waarde zijn gestegen worden letterlijk door de eigenaren ontruimd. Er blijven alleen façades over, met niets erachter. Aan het woord was Saskia Sassen, hoogleraar sociologie aan Columbia University New York. Ze sprak tijdens de derde editie van ‘De Staat van de stad’, over trends en feiten rond de ontwikkeling van Amsterdam. Sassen vatte de boodschap van haar nieuwste boek: ‘Expulsions. Brutality and Complexity in the Global Economy’ (2014) kernachtig samen. Daarbij behandelde ze ook Europa. En hoe stond het er voor met Amsterdam? Sassen: “Amsterdam lijkt nog een heel levendige, leefbare en complexe stad, maar als ik naar de cijfers kijk, dan voel ik mij ongemakkelijk.” Wat blijkt? Buitenlands kapitaal dat de afgelopen jaren in Amsterdam/Randstad is geïnvesteerd is met liefst 248 procent gegroeid. Volgens haar betrof het vooral Amsterdam.

Iemand twitterde dat dit vermoedelijk de aankoop van vastgoed op de Zuidas betrof. Duitse beleggers hadden daar de afgelopen paar jaar voor een habbekrats hele kantoortorens opgekocht. Londense toestanden hoeven we hier heus niet te verwachten. Ik denk dat hij gelijk heeft. Maar de kern van de boodschap van Sassen is duidelijk: geld hoopt zich op in sommige steden en verdrijft daar de mensen. Het is de overtreffende trap van ‘gentrification’, in goed Nederlands: verdringing. Twee jonge geografen van de Universiteit van Amsterdam, Wouter van Gent en Cody Hochstenbach, zouden er later die avond op terugkomen. Zij pleitten voor het stoppen met het bewuste beleid om hoger opgeleiden aan te trekken en buurten te gentrificeren. Er zou geen enkel sociale huurwoning in Amsterdam meer mogen worden verkocht en Airbnb zou moeten worden verboden. Ondertussen lees ik verder in ‘Last Man in Tower’ van de Indiase schrijver Aravind Adiga. Die roman gaat over de verdrijving van een groep bewoners uit een verouderde flat in Mumbai door een ontwikkelaar, Dharmen Shah. Ze moeten plaats maken voor een duur nieuwbouwproject. Hij biedt hen veel geld. Eén oude bewoner verzet zich. Het thema is van alle tijden.

Tagged with:
 

Amsterdam verdubbelen

On 18 mei 2015, in demografie, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 22 januari 2015:

Drukte op het Damrak - foto copyright Hauptillusionator via Flickr (cc)

De aanleiding was de drukte in Amsterdam. Het televisieprogramma Nieuwsuur wilde er een item over maken. Was het er nou werkelijk zo druk? Ze zochten iemand die het onderwerp wilde relativeren. Ik moest onmiddellijk denken aan de recente demografische studie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Die ging over de bevolkingsgroei in Nederland. In ‘De stad: magneet, roltrap en spons’ (2015) wordt geconstateerd dat veel jongeren naar de grote steden trekken. Tussen 2000 en 2014 is Amsterdam met 80.000 inwoners (IJburg) gegroeid. Ook Utrecht (95.000, Leidsche Rijn), Groningen (20.000, De Held) en Den Haag (70.000, Ypenburg, Leidscheveen) zijn groeiers. Of die groei doorzet vindt het Planbureau onzeker. Het aantal jongeren zou immers afnemen. Werkelijk? Volgens mij is een nieuwe generatie VINEX-locaties in de grote steden veel bepalender voor doorgaande groei. En vergeleken bij die lichte demografische rimpeling zijn cijfers over groeiende bezoekersstromen in ieder geval voor steden veel relevanter. Waar is het rustig, waar wordt het druk?

Om hoeveel bezoekers gaat het eigenlijk?, wilde de reporter weten. Zelf kwam hij uit Haarlem. Daar was het niet zo druk. Zeventien miljoen bezoekers per jaar, antwoordde ik. Hij wilde het niet geloven. Het waren er toch niet meer dan 5 miljoen? Nee, lichtte ik toe, dat zijn alleen de buitenlandse toeristen die hier in hotels overnachten. De werkelijke bezoekersaantallen liggen veel hoger. Stephen Hodes hanteert een getal van 8 miljoen. Ik put uit de laatste Amsterdam City Index. Je hebt immers ook dagjesmensen, winkelend publiek, gasten die op campings in de regio logeren, de 0,6 miljoen mensen die op cruiseschepen in de haven overnachten, mensen die congressen en evenementen in de hoofdstad bezoeken, enzovoort. En, voegde ik eraan toe, de prognoses wijzen op een verdubbeling in de komende tien jaar. In 2005 kwamen 11 miljoen mensen naar de hoofdstad, in 2014 waren dat er al 17,3 miljoen. Elk jaar groeit hun aantal met circa 1 miljoen. Daarover maken de Amsterdammers zich zorgen. Worden zij straks een minderheid die onder de voet wordt gelopen? De wereld is groot, de urbanisatie zet door, de middenklasse groeit, iedereen wil reizen, en Amsterdam is klein. Wat moeten we doen?, vroeg de reporter vertwijfeld. Amsterdam verdubbelen, zei ik.

Tagged with:
 

Media Campus in Volksvlijt

On 10 april 2015, in regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in AMS, Mauritskade te Amsterdam, op 8 april 2015:

Mediacity

Afgelopen woensdag woonde ik het eerste atelier van Volksvlijt2016 bij. Gisteren schreef ik er al een post over. Het tweede gesprek die middag ging over mediacampus in en rond Hilversum. We begonnen in het Mediapark zelf. Twee jaar geleden viel dat bedrijventerrein in handen van een Britse investeerder nadat TCN failliet was gegaan. Die nieuwe investeerder, Peel Media, heeft ook bezit in Manchester. MediaCityUK heet het. Deze ‘City’ ontwikkelde zij nadat de BBC in 2004 op last van de Britse regering 1.800 banen van het dure Londen moest verplaatsen naar het armlastige Manchester. De eerste fase, groot 15 hectare, kwam gereed in 2011 bij een bocht van een oud kanaal op een typische brownfield locatie. Even eerder was het lightrail-systeem van Groot-Manchester met veel overheidsgeld al aangesloten op de nieuwe campus, die zal bestaan uit wonen, werken, winkelen en ook studeren, want de lokale University of Salford verhuist naar de site. De architectuur van het geheel werd in de pers overigens hevig gekritiseerd. Datzelfde Peel Media kijkt nu hoe zij in Hilversum de verworven site verder kan ontwikkelen.

Ooit, rond 1920, koos de Nederlandse regering voor Hilversum en niet voor Alkmaar als locatie voor het nationale omroepwezen. De huidige Hilversumse mediacampus die eruit is voortgekomen, begreep ik, is buitengewoon geavanceerd. De mogelijkheden die bijvoorbeeld het nieuwe Instituut voor Beeld en Geluid biedt zijn oneindig: al het vaderlandse media-erfgoed is daar al gedigitaliseerd. De commercialisering van het omroepbedrijf heeft in Nederland al vroeg plaatsgevonden. De enorme investeringen in de technische infrastructuur onder en boven de grond maken het complex nauwelijks verplaatsbaar. Alles verloopt via deze technologische draaischijf, ook nu steeds meer studio’s naar Amsterdam (Westgasfabriek, Amstel III) verhuizen. Daarbij vloeien (cross)media en ICT in elkaar over: dit wordt één geheel. Wat ik bovendien begreep is dat Hilversum zich nadrukkelijk als een mediastad gaat profileren. De hele stad wordt daarbij opgevat als één grote campus. Met mediastart-ups, media-onderwijs, media-wonen, media-winkelen, media-ontspannen. Dat is nieuw. Volgens de aanwezige projectleider moeten Amsterdam en Hilversum daarom als één geheel worden gezien. Ben benieuwd hoe de Britten zich hierin gaan bewegen en hoe de Hilversumse bevolking dit ziet.

Tagged with:
 

Aftrap Volksvlijt2016

On 8 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gehoord bij AMS, Mauritskade Amsterdam, op 8 april 2015:

Ruim 120 mensen woonden vandaag de aftrap van Volksvlijt2016 bij. In twee rondes werden aan telkens twaalf tafels parallelle gesprekken gevoerd over de toekomstige economie van Amsterdam. Ontwerpers leidden de gesprekken. Deelnemers waren ondernemers, kunstenaars, burgers, studenten, vrijgestelden, vertegenwoordigers van NGO’s, een handjevol ambtenaren, een paar collega’s van de Board, mannen vrouwen fifty fifty, allemaal heel divers. Alleen de bestuurders ontbraken helaas, ook niet de managers. Die hadden het bij nader inzien toch te druk. Wie er wel was kreeg alle ruimte om bij te dragen. Zelf woonde ik twee gesprekken bij: ‘s ochtends over de staalcampus in en rond Velsen, ‘s middags over de mediacampus in en rond Hilversum. Alles inhoudelijk, verkennend, open, afwisselend, boeiend. Wat er zoal ter tafel kwam? Veel. Eerst de staalcampus. Daar, op het terrein van Tata Steel, blijken twee heel zeldzame soorten mossen te groeien: kalkpurpersteeltje en schaduwdubbeltandmos. Op een onooglijk parkeerterrein vol slakken en ander bedrijfsafval groeit de een, terwijl mos nummer twee massaal tegen een muur van een stalen loods is gevonden. Wist ik niet.

Wat de staalcampus nog meer te bieden heeft: een symfonie-orkest, een conservatorium, een vitale stoomtreinenvereniging, enorme rangeerterreinen, een brandweercorps, walsen, ovens, laboratoria, het fijnste staal van de wereld, een brandwondenziekenhuis. En steenkool natuurlijk, en erts. Wisten we allemaal niet. Ook ontdekten we in het zuidelijke deel van de gemeente Velsen dure villa’s met enorme hoeveelheden paarden, in de richting van de zee innovatieve visverwerkingsbedrijven, aan het strand een werkloze jachthaven, een cruiseterminal en een twee kilometer lang strand vol kite-surfers. We stelden bevolkingskrimp vast. Keken we meer regionaal, dan bespeurden we een visconnectie, een Turkse connectie, een Indiase connectie, een Noord-Hollandse connectie. Moeiteloos regen we alles aaneen via de zogenaamde Westas langs de A5, opgespannen tussen de luchthaven, de zeehaven en Tata Steel. En hoe zit het met nieuwe materialen? Waar zijn hier de start-ups, de spin-offs? Iemand herinnerde zich het logo van Hoogovens, destijds ontwikkeld door Jurriaan Schrofer: een zeester gevormd door vijf blokken gekanteld staal. Vuur, stelden we vast, is de verborgen kracht van de staalcampus. Vuur trekt mensen aan. Vuur aan zee, dat wordt voor ons de nieuwe staalcampus.

Tagged with:
 

Nu: proactief!

On 27 maart 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 24 maart 2015:

 

 

Het Reuring! Café van de Vereniging voor Overheidsmanagement deed de provincie aan, dit keer Amsterdam. De Stadstimmertuin was veranderd in een Haagse salon. Er speelde een band, de ‘Wizzards of AZ’, er was drank en er waren mooie vrouwen. Moderator Mark Frequin maakte er een vrolijk boel van. Frequin is Directeur-Generaal op het Ministerie van Binnenlandse Zaken te Den Haag. Zijn gastheer was Arjan van Gils, gemeentesecretaris van Amsterdam. Het onderwerp dat deze laatste had gekozen was: ‘De proactieve overheid’. Als gasten had hij uitgenodigd Jos van der Lans (publicist), Paul van der Velpen (directeur GGD), Manfred van Doorn (trainer) en Zef Hemel (hoogleraar). Met leuke limericks leidde hij ze in. Waarover spraken zij? Over de wereld aanvankelijk, maar de zaal bracht het gesprek snel terug naar Amsterdam. Het ging over de grote gemeentelijke reorganisatie. Leidde die tot een proactieve overheid? Hemel zei dat hij niet precies wist wat Van Gils eronder verstond, maar dat hij er een voorstander van was. Op het podium deed hij later een demonstratie van wat volgens hem proactief is: in een hele snelle beweging zijn smartphone tevoorschijn halen om zich vervolgens via Twitter op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen in de wereld. Het kwam niet aan.

De zaal roerde zich. Teveel oude mannen in het panel, vond men. Een opgewonden jongedame in het publiek – bestuurskundige en zelf ambtenaar – sprak lang en nadrukkelijk over de noodzaak van efficiency en bedrijfsmatige sturing. Ze noemde het ‘austerity’. Alsof dat proactief is. Frequin gaf haar alle ruimte. Van Gils knikte instemmend. Burgers, reageerde hij, vragen aan de gemeente overal, op iedere plek, steeds hetzelfde: één gemeentereiniging, één aanpak van de overlast, één loket, één soort van dienstverlening. Hemel daarentegen prees de complexiteit van de grote stad. Hoe complexer, hoe rijker. Neemt de complexiteit toe, dan hoef je minder van bovenaf te sturen, moet je juist improviseren. Het systeem corrigeert zichzelf. Complexiteit verklaart ook waarom Amsterdam zo succesvol is en Rotterdam en Enschede veel minder. Waarop een andere jonge vrouw – ook ambtenaar – vertelde over de teloorgang van experimenten met buurtbegrotingen en andere lokale innovaties in Oost als gevolg van de reorganisatie en het opheffen van de stadsdelen. Wat kwam ervoor in de plaats? Een standaardaanpak, bedacht in het stadhuis. Laatste vraag uit het publiek: wat is nou eigenlijk proactief?

IJzeren eeuw

On 25 maart 2015, in economie, geschiedenis, technologie, by Zef Hemel

Gezien in het Amsterdam Museum op 8 maart 2015:

Tot 2 augustus 2015 is de tentoonstelling ‘De IJzeren Eeuw’ te zien in het Amsterdam Museum in de Kalverstraat. Kort na de opening ging ik er kijken. De eerste zaal is veelbelovend: aan de linkerkant hangen kleurrijke negentiende eeuwse schilderijen die vooral terugverwijzen, aan de rechterkant zwart-wit fotografie die de nieuwste bruggen, stations, spoorlijnen en ingenieurswerken tonen. Daarna volgen de stoommachines, de eerste fabrieken, de afscheiding van België, het onderwerpen van de koloniën. Volgens de bijgevoegde teksten is de aanleg van het Suezkanaal in 1870 de aanleiding voor de Nederlandse regering om in ons land ook echt iets te gaan ondernemen: het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg. Amsterdam volgt schoorvoetend. De urbanisatie van Nederland is volgens de samenstellers niet de motor van de economische ontwikkeling, maar het gevolg van een doortastend optredende rijksoverheid. Dat lijkt mij een ernstige misvatting. De prachtige schilderijen van Breitner van Amsterdam rond de eeuwwisseling moeten dit beeld als het ware bevestigen. Het is Thorbecke die Amsterdam uit zijn winterslaap kust. Werkelijk?

Neem de aanleg van de eerste drinkwaterleiding naar Amsterdam. Dat was een privaat initiatief van Van Lennep, gericht op de stad Amsterdam. Daarover is alleen een filmpje te zien. Maar wat ik vooral in de tentoonstelling mis, die overigens prachtig is, is het Paleis voor Volksvlijt van Samuel Sarphati. Van dat bouwwerk, stammend uit 1863, hangt alleen een klein schilderij. Dat had natuurlijk een flink schaalmodel moeten zijn. Nu lijkt het alsof de Nederlandse regering het voortouw nam in de nationale economische ontwikkeling. Daarmee bevestigen de makers nog steeds het oude beeld dat de natie-staat ons tot nieuwe voorspoed bracht. Niets is minder waar. In 1840 werden de eerste stoomlocomotieven in Amsterdam geproduceerd. Ook het eerste stoomschip stamde uit die tijd. Amsterdam spiegelde zich aan Parijs, Wenen en Londen, maar kon die vergelijking natuurlijk slecht doorstaan. Het miste een koning, die liever in Den Haag verbleef, en het kreeg daarvoor in de plaats een omvangrijk lompenproletariaat dat het verarmende platteland ontvluchtte en in de fabrieken in de hoofdstad op zoek ging naar werk. En met succes. De eerste spoorwegen waren stedelijke initiatieven, geen rijks-bemoeienissen. Dat kwam pas later. Nee, de makers van deze tentoonstelling durven het nog steeds niet aan om steden aan de basis van de economische opbloei te leggen.

Tagged with:
 

Desert Cities

On 24 maart 2015, in politiek, ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 16 maart 2015:

Op 2 april 2015 start een nieuwe editie van ‘Cities in Transition’, een minor Urban Studies in het bachelorprogramma die ik vanuit mijn leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam verzorg. Dit jaar gaan we de casus Moskou verbreden en meer inbedden in een globale context. Istanbul en Toronto komen erbij. Maar nu las ik afgelopen week over twee andere metropolen. Tegenover Moskou, met zijn geplande dubbelstad van twee miljoen Moskovieten in het zuidwesten,  zouden zij evengoed Jeddah en Caïro kunnen worden geplaatst. Ten noorden van het Saoedische Jeddah bouwt de koning een compleet nieuwe stad, King Abdullah Economic City (KAEC), in de woestijn. Eind dit jaar rijdt daar de eerste hogesnelheidstrein naar de heilige steden Mekka en Medina. De andere metropool – Caïro – lanceerde afgelopen week een plan om oostelijk van de bestaande stad in de woestijn een nieuwe stad te bouwen. In zeven jaar tijd wil men daar vijf miljoen Egyptenaren huisvesten en alle regeringsgebouwen naartoe verplaatsen. Het oppervlak van de nieuwe stad wordt zo groot als de stadstaat Singapore. De geprognotiseerde bevolkingsomvang van Caïro in 2050 is 40 miljoen zielen. Nu al leeft 96% van de bevolking van het land op slechts 4% grondoppervlak. De congestie is er enorm. Het bouwen van een nieuwe stad moet daarin verlichting brengen. Zo is het ook in Moskou.

Hebben deze dubbelstadplannen werkelijk toekomst? Zullen ze ooit werken? En wat doen al die presidenten met die architecten, bouwers en ontwikkelaars in dat maagdelijke gebied? Vanwaar die krankzinnige maquettes van compleet nieuwe steden in woestijnen? En in hoeverre bieden die presidenten tegen elkaar op? Antwoorden mogen de studenten zelf verzinnen. Ik hoop dat ze daarbij zullen putten uit hun eigen geschiedenis. Want het is nog niet zo lang geleden dat de Nederlandse regering de bouw van een nieuwe stad beval ten oosten van de hoofdstad, in een diepe lege polder. De premier achtte Amsterdam te druk en te vol. Hij rekende op twintig miljoen Nederlanders rond het jaar 2000. Almere kreeg de forse groeitaakstelling van liefst 300.000 inwoners. Haar geplande oppervlak was groter dan van moederstad Amsterdam. Met de stichting van Almere werd voorkomen dat Amsterdam in 2000 zou uitgroeien tot een metropool als Londen of Parijs. Die steden vond de regering onleefbaar. Wat een vergissing. Maar het idee was simpel, de grond was er goedkoop en voor de bouwwereld was de deal buitengewoon lucratief.

Tagged with:
 

Eind goed al goed

On 19 maart 2015, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 27 november 2014:

Terug uit Seoul, Korea, vis ik in de Amsterdamse Stopera een brochure uit de bak over ‘Zuidasdok. Ruimtelijke plannen in vogelvlucht’. De eerste vetgedrukte zin luidt: “Zuidasdok is een project om de bereikbaarheid van de Amsterdamse Zuidas en het noordelijk deel van de Randstad in de toekomst te kunnen blijven garanderen.” Dat klinkt als een noodzaak. Maar hebben we hier wel met een project te maken? Is dit geen stuk stad? En gaat het alleen om bereikbaarheid? Of is Zuidasdok niet meer dan een inpassing van een verbrede rijkssnelweg in een grote stad? En gaat Zuidasdok bereikbaarheid echt garanderen? Allemaal vragen. Het deed me trouwens denken aan een ingezonden stuk in Het Parool van 14 januari 2015 van Jos Nijhuis, directeur van Schiphol NV. Die vond Zuidasdok niet ver genoeg gaan, althans de bereikbaarheid van Schiphol is er volgens hem allerminst mee gegarandeerd. “Ondanks de nabijheid is Amsterdam vanaf de luchthaven niet goed te bereiken” Zowel Amsterdam als Schiphol groeien. Daarom pleitte hij voor doortrekking van de NoordZuidlijn vanaf Zuidasdok naar de luchthaven. Kortom, levert Zuidasdok werkelijk de garantie die de brochure belooft?

En dan was er een eerder bericht in NRC Handelsblad, verschenen op 27 november 2014. Het droeg de kop ‘Metro kwetsbaar door enkelspoor’. Ik kon het bijna niet geloven toen ik het las. Volgens het Gemeentelijke Vervoerbedrijf is de NoordZuidlijn bij ingebruikname in 2017 niet in staat om de verwachte stromen passagiers af te wikkelen. Het gaat om liefst 187.000 reizigers per dag! Reden voor het alarm: acht jaar geleden is er bezuinigd op het stukje spoor op …. de Zuidas. Daar komt enkelspoor in plaats van dubbelspoor. De hele lijn wordt hierdoor buitengewoon storingsgevoelig. Metrostation Zuidas is nu aangepast. “Dit vanwege de te verwachten drukte, omdat vertrekkende en instappende passagiers van hetzelfde perron gebruik moeten maken.” Eén defecte metro kan straks de hele lijn voor langere tijd stilleggen. Ondertussen worden bestaande tramlijnen in Amsterdam opgeheven. Glazig kijk ik nog eens naar de brochure. “Doel is een optimale doorstroming van het verkeer en vervoer te combineren met een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In 2028 moet dit alles zijn gerealiseerd.” Opgelucht haal ik adem. In 2028 komt alles goed.

Tagged with:
 

Er geen doekjes om winden

On 13 maart 2015, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 9 maart 2015:

Phillip's Economic Computer, 1949.

Bill Phillips kennen economen van de zogenaamde ‘Phillips curve’. Die geeft een voorspelling van de werkloosheid gerelateerd aan de inflatie. Phillips was een Australiër die zijn carrière begon als krokodillenjager. Later runde hij een bioscoop. Weer later voer hij op grote schepen om de cv-installaties aan boord te onderhouden. Op 31 jarige leeftijd ging hij alsnog sociologie studeren. In Londen. Aansluitend koos hij voor een master economie. Echter, zijn cijferlijst was ronduit beroerd. Toch werd hij tot de LSE toegelaten. Daar faalde hij. Maar bij de mislukking legde hij zich niet bij neer. Hij wilde economie echt begrijpen. Daartoe bouwde hij in zijn schuur in drie maanden tijd een machine waarmee hij de economie simuleerde: een cv-installatie waarin water de rol van geld had. Water stroomt. Geld ook. Door de machine leerde hij economie eindelijk zelf begrijpen en ontdekte hij zowaar zijn ‘Phillips curve’. Keynes zou met de machine ooit nog eens een economisch vraagstuk hebben opgelost.

Tot zover het eerste deel van de Amsterdamlezing van Bas Haring, hoogleraar Publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit Leiden, afgelopen maandag in CREA op Roeterseiland te Amsterdam. Wat wilde Haring met het verhaal over Bill Phillips zeggen? Vier lessen trok hij eruit. Les 1: stel vragen, moffel niets weg, 2. ga zelf aan de slag en vraag je af hoe het precies zit; 3. beperk je niet tot teksten, maar máák dingen die verhelderen; 4. jouw levensloop ligt niet vast, die is onvoorspelbaar. En verder vertelde hij vooral over zijn eigen late kennismaking met de economische wetenschap. Zijn respect voor economen bleek groot. Dus de vraag rees waarom de economen bij het brede publiek hebben afgedaan en op dit moment zo’n statusval doormaken. Iemand in de zaal bekende dat hij de lobbyist van de taxibranche in het journaal op televisie nog eerder vertrouwde dan de zogenaamd onafhankelijke econoom. Haring: ‘Misschien omdat ze zulke slechte voorspellers zijn.” En waarom werken de economen niet veel meer met andere disciplines samen? Haring wist het niet. Hij sprak heldere taal, gebruikte mooie voorbeelden, was heel open. Hij wond er geen doekjes om.

Tagged with: