Tribeca aan zee

On 16 april 2015, in afval, water, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Twenty Minutes in Manhattan’ (2009) van Michael Sorkin:

De linkse architect-schrijver Michael Sorkin werkt vanuit 145 Hudson Street, New York, in een voormalige drukkerij, een fors gebouw dat hij gedetailleerd beschreef in zijn ‘Twenty Minutes in Manhattan’ (2009). We zochten hem vorige week op. Boven hem bleek het New Yorkse bureau van Rem Koolhaas’ OMA/AMO gevestigd. Niet dat ze veel contact hebben met elkaar, de twee architecten. Daarvoor zijn de vloeren te dik en is de benadering van de stad door de twee architecten ook te verschillend. Met veel liefde beschreef Sorkin in ‘Twenty Minutes’ zijn studio toen hij hem in 1989 betrok: goedkoop en veel beter dan alle lofts die hij in de Village eerder had gebruikt. Echter, nadat hij het huurcontract had getekend bleek dat de gemeente daar geen vuilnis ophaalde (dat doet ze alleen in woonbuurten). Al snel meldde zich een private partij: of hij maar een contract wilde tekenen. Na aanvankelijke weigering kwamen even later twee mannen aan de deur die hem een val voorspiegelden van veertien verdiepingen naar beneden. Welkom in New York!

Sorkin, hoewel op leeftijd, leidt een middelgroot architectenbureau. Daarnaast doet hij stedenbouwkundig onderzoek vanuit Terreform. Ook geeft hij les aan City College of New York. We kwamen, zei hij onmiddellijk bij onze binnenkomst, juist op tijd. Over een paar dagen zou Rebecca Solnit de Lewis Mumford-lezing geven op zijn Graduate School. Kenden we haar niet? Solnit, afkomstig uit San Francisco, is uitgever van Harper’s Magazine en schrijver van tal van boeken. Haar specialisatie is hoe steden zich ontwikkelen na natuurrampen. Z0 schreef ze over Hurricane Katrina en Loma Pietra Earthquake. In New York, dat kampt met het post Sandy-syndroom, wordt zulke lectuur met meer dan gewone belangstelling gelezen. De veerkracht van gemeenschappen na rampspoed is opvallend groot, aldus Solnit – die van overheden en andere instituties juist opvallend gering. Ik dacht terug aan de aankomst met het vliegtuig op JFK. We cirkelden boven zee en draaiden voor Staten Island langs in noordelijke richting naar Queens. Onder me lag het strand van Coney Island, in de verte zag ik de rotsachtige zuidpunt van Manhattan liggen. De machine vloog al laag. Het zicht was anders dan ik van New York gewend ben: de metropool ligt pal aan de oceaan, ze ligt laag, haar kust heel zandig, dichtbevolkt en totaal onbeschermd. Welkom Rebecca Solnit!

Tagged with:
 

Middle-class migration

On 15 april 2015, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Telegraph van 23 maart 2015:

Rising prices have made central London a no-go zone for all but the   super-rich, starting a mass migration of the middle classes. This is where   they’re going.

Dat het Londen voor de wind gaat zal iedereen duidelijk zijn. Jaloersmakend goed. Eigenlijk gaat het veel te goed met de Britse metropool.  De economie van de stad is bijna zo groot als die van heel Nederland. En ze groeit als kool. Met bijna 10 miljoen mensen kun je dus evenveel welvaart creëren als met 17 miljoen. Er komt ook een enorme kapitaalstroom op de stad af, afkomstig uit de hele wereld. De prijzen schieten omhoog. Een deel van de groeiende welvaart zit in grond en vastgoed. Kopen wat je kopen kunt, lijkt het motto. Centraal Londen is voor gewone stervelingen domweg onbetaalbaar geworden. In de Britse krant The Telegraph stond een stuk over de Londense middenklasse en hoe die op dit moment naar buiten wordt gedreven. Kensington en Chelsea waren voor hen al onbereikbaar geworden, de trek vindt nu plaats richting Clapham en Chiswick, anderen slaan hun tenten op in Raynes Park en Kilburn. Herne Hill en Kensal Rice zijn de nieuwe ‘nappy valleys’ waar soortgenoten graag wijntjes drinken. In tien jaar tijd stegen de vastgoedprijzen met 180 procent. Gemiddeld kost een huis in Centraal Londen nu 1,6 miljoen pond.

De gegevens waar de krant aan refereert zijn afkomstig van Savills, die op zijn beurt gebruik maakte van cijfers van de Land Registry. Wat blijkt? In de nieuwe middenklassegebieden van Groot-Londen zijn de huizenprijzen de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Alleen al in 2014 stegen de prijzen met 17 procent. Dat drijft de jonge tweeverdieners naar nieuwe plekken: Hammersmith, Shepherd’s Bush, Thameside, Finchley, Dulwich, Cricklewood, Putney. Neem Barnes, Kew, Mortlake: “Luvvies and writers nestle in this loop of the Thames, enjoying its parks and good schools. They have been firm favourites with creative, media and theatre types, a short drive to Shepperton and other west London film studios.” De nieuwe middenklasse steekt zich in steeds grotere schulden omdat de Londense hypotheekmarkt ronduit overkookt. In Raynes Park, Merton, bijgenaamd ‘The poor man’s Wimbledom’, is de gemiddelde prijs nu al 573,714 pond. “First-timers are mad for it. We are also seeing a huge surge in couples upsizing, typically from Earlsfield or Wimbledon.” Een flatje met een enkele slaapkamer kost hier nu 350.000 pond kosten, kleine woningen doen 700.000 pond. Gelukkig hebben wij in Nederland die welvaartsgroei niet. Gelukkig zijn onze steden nog klein.

Tagged with:
 

Puur toeval

On 14 april 2015, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin, Amsterdam, op 13 april 2015:

De opzet was een soort van DWDD-setting met Ruben Maes als presentator en Zef Hemel als tafelheer. Maes ontving de gasten, Hemel reageerde alsof het niet ingestudeerd was. De gedenkwaardige inspiratiedag van vierde en laatste editie van De Nieuwe Wibaut speelde zich af in Amsterdam-Noord. In de Tolhuistuin kwam alle inspiratie bij elkaar aan de stamtafel van Maes: rector Ilja Klink, consultant Frans Soeterbroek, politica Marijn  Bosman, musicus Corrie van Binsbergen, drie deelnemers van DNW (uit Amsterdam, Delfzijl en Den Haag). In de zaal roerden zich bovendien architect Wouter Valkenier (Hannekes Boom) en ondernemer Frank Alsema (Buiksloterham). Iedereen reageerde op elkaar. Het was een levendig gesprek over improviseren, besturen, politiek bedrijven, samenwerken. Van Binsbergen speelde drie impovisatiestukken. Een dichter sloot de middag af. Er werd gelachen. Mooier kan een praktijkleergang van een gemeente niet zijn.

Van Binsbergen musiceerde liever dan dat ze sprak, zei ze. Maes ondervroeg haar over de kunst van het improviseren, daarbij vervaarlijk zwaaiend met Boutellier’s ‘De improvisatiemaatschappij’. Hoe doe je dat? Hoe speel je dan samen?, drong hij aan. Van Binsbergen kende het boek van Boutellier niet. Na aanvankelijke schroom haalde ze ineens een papier tevoorschijn met daarop de tien principes van het improviseren volgens John Cage (1912-1992). Althans volgens een non die Cage, op zijn beurt, zou hebben geciteerd. ‘s Avonds las ik ‘John Cage and Improvisation – An Unresolved Relationship’ van Sabine Feisst van Arizona State University. Cage had een hekel aan improvisatie, maar was gefascineerd door toeval. Zijn composities zijn ‘toevalsmuziek’. Later, in de jaren zeventig, las hij Thoreau, verdiepte zich in ecologie en politiek en kwam op zijn aanvankelijke aversie terug. Maar, vond hij, het mocht geen sentiment worden. Improviseren moest een ontdekkingsreis zijn. “Improvisation, that is to say not thinking, not using chance operations, just letting the sound be, in the space, in order that the space can be differentiated from the next space which won’t have that sound in it.” Cage verkende de grens tussen wat wel en niet meer gestructureerd kan worden. Precies daarover ging het die middag in de Tolhuistuin.

 

Reputatie

On 13 april 2015, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gehoord in New York op 30 maart 2015:

Columbia-University_Morningside1-e1366638271780-537x350[1] 

Edith Hsu Chen is deputy director van het Manhattan Borough Office van de gemeente New York. We spraken haar in Reade Street, op loopafstand van City Hall. Onderwerp: de universiteiten in de stad. Ze vertelde ons dat er een trek heeft plaatsgevonden van de universiteiten uit de buitenwijken en de voorsteden naar het centrum van New York. De meeste universiteiten hebben zich nu stevig genesteld op Manhattan, de duurste grond op aarde. Columbia University – een Ivy League universiteit – had al haar campus in West Harlem maar opent binnenkort fase 1 van haar nieuwe, iets noordelijk gelegen campus in Manhattanville.  NYC University kwam van buiten, maar zocht positie rond Washington Square, in de West Village, en heeft daar grote uitbreidingsplannen die overigens door de buurt worden geblokkeerd. Cornell heeft de tender gewonnen en opent in 2017 op Rooseveldt Island, tegenover East Manhattan, een geheel nieuwe campus. Daar ook bevinden zich alle grote medical schools en ziekenhuizen. Cooper Union pleegde kostbare nieuwbouw in de East Village en dreigt daaraan zelfs failliet te gaan. Waarom willen alle universiteiten toch op Manhattan zitten? Het is de naam, de plek, de reputatie, de prijs, de grootstedelijkheid.

Lastig is het wel. Buurtbewoners verzetten zich hevig tegen de uitbreidingsplannen. De nieuwbouw is vaak groot, grof, zelden fraaie architectuur. Vooral de dormitories moeten het ontgelden: niemand wil zoveel studenten in de buurt. En duur is het ook. Maar de private universiteiten kunnen het zich permitteren. Hun alumni doneren, bedrijven betalen mee, desnoods schroeven de universiteiten de tuition fees van hun studenten op. Die betalen toch al fortuinen. Trouwens, vastgoed op Manhattan is zeker voor private universiteiten een uitstekende belegging. Kortom, door zich op Manhattan te vestigen stijgt de reputatie van de universiteiten, bieden zij aan studenten een unieke ervaring, melden zich daardoor de grootste talenten, groeit de winstgevendheid. Chen zei dat de stad na de financiële crisis van 2008 zich op de nieuwe groeisectoren van het onderwijs en de volksgezondheid richt. Zij trekken bedrijven en jong, koopkrachtig talent uit de hele wereld aan. Bovendien scheppen ze nieuwe banen. Ze sloot niet uit dat hier een even grote zeepbel zal ontstaan, die op een gegeven moment uiteen kan spatten. In het vliegtuig op de heenreis las ik een Special Report van The Economist over de wereldwijde dominantie van Amerikaanse universiteiten waarin in feite hetzelfde wordt beweerd. Geld en reputatie worden belangrijker dan onderwijs. Dit kan niet goed gaan.

Tagged with:
 

Bericht uit de East Village

On 11 april 2015, in onderwijs, vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in New York Times van 9 april 2015:

 

WhyCooperUnionHasToChargeTuition

De studenten hebben het Maagdenhuis ontruimd. Elders is het bonje. Afgelopen week refereerden onze gesprekspartners in New York er al aan, deze week stond het opnieuw in de New York Times: de in New York gevestigde Cooper Union for the Advancement of Science and Art laat sinds kort haar studenten collegegeld betalen. Tot nu toe was studeren aan Cooper Union helemaal gratis. De school was open en toegankelijk voor iedereen. Alleen graduates die het zich konden veroorloven betaalden voor hun onderwijs. Vorig jaar dreigde de in 1859 door de filantroop Peter Cooper opgerichte school echter failliet te gaan. Haar grootste vastgoedbezit is Chrysler Building, hartje Manhattan. Mede door dat unieke bezit had de school tot voor kort nog een positieve balans van 735 miljoen dollar. Is hier sprake van mismanagement? De attorney-general van New York, Eric Schneiderman, heeft nu een onderzoek naar het college van bestuur van de non-profit organisatie ingesteld en afgelopen week brieven gestuurd waarin hij de schoolleiding verantwoordelijk stelt voor de penibele financiële positie.

Het incident staat niet op zichzelf. Eerder al gingen nonprofit organisaties als New York City Opera en Long Island College Hospital in de financiële crisis ten onder. De metropool kent liefst 80.000 nonprofit organisaties, die allemaal van groot belang zijn voor het functioneren van de stad. De nonprofit sector is goed voor zeker tien procent van alle banen. Wat deed het college van bestuur van de gerenommeerde Cooper Union, waar Daniel Libeskind, Alex Katz en John Heyduk studeerden, verkeerd? Ze bouwde een duur nieuw pand op haar campus en sloot daarvoor een lening af van 175 miljoen dollar tegen een rente van 5,75 procent over een termijn van dertig jaar. Chrysler Building mag dan een solide onderpand zijn dat vijfentachtig procent van het eigen vermogen uitmaakt, de overige vijftien procent bestaat uit beleggingen in hedge funds en private equity partnerships die nauwelijks renderen. De studenten mogen het financiële gat nu dichten: voor undergraduates komt het neer op 20.000 dollar collegegeld jaarlijks. Ze protesteren al sinds het slechte nieuws bekend werd (23 april 2013) en eisen het vertrek van Jamshed Bharucha, de voorzitter van het college van bestuur. Tot nog toe vergeefs. Maar de stad onderneemt nu eindelijk actie. Tot zover berichten uit de East Village.

Tagged with:
 

Media Campus in Volksvlijt

On 10 april 2015, in regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in AMS, Mauritskade te Amsterdam, op 8 april 2015:

Mediacity

Afgelopen woensdag woonde ik het eerste atelier van Volksvlijt2016 bij. Gisteren schreef ik er al een post over. Het tweede gesprek die middag ging over mediacampus in en rond Hilversum. We begonnen in het Mediapark zelf. Twee jaar geleden viel dat bedrijventerrein in handen van een Britse investeerder nadat TCN failliet was gegaan. Die nieuwe investeerder, Peel Media, heeft ook bezit in Manchester. MediaCityUK heet het. Deze ‘City’ ontwikkelde zij nadat de BBC in 2004 op last van de Britse regering 1.800 banen van het dure Londen moest verplaatsen naar het armlastige Manchester. De eerste fase, groot 15 hectare, kwam gereed in 2011 bij een bocht van een oud kanaal op een typische brownfield locatie. Even eerder was het lightrail-systeem van Groot-Manchester met veel overheidsgeld al aangesloten op de nieuwe campus, die zal bestaan uit wonen, werken, winkelen en ook studeren, want de lokale University of Salford verhuist naar de site. De architectuur van het geheel werd in de pers overigens hevig gekritiseerd. Datzelfde Peel Media kijkt nu hoe zij in Hilversum de verworven site verder kan ontwikkelen.

Ooit, rond 1920, koos de Nederlandse regering voor Hilversum en niet voor Alkmaar als locatie voor het nationale omroepwezen. De huidige Hilversumse mediacampus die eruit is voortgekomen, begreep ik, is buitengewoon geavanceerd. De mogelijkheden die bijvoorbeeld het nieuwe Instituut voor Beeld en Geluid biedt zijn oneindig: al het vaderlandse media-erfgoed is daar al gedigitaliseerd. De commercialisering van het omroepbedrijf heeft in Nederland al vroeg plaatsgevonden. De enorme investeringen in de technische infrastructuur onder en boven de grond maken het complex nauwelijks verplaatsbaar. Alles verloopt via deze technologische draaischijf, ook nu steeds meer studio’s naar Amsterdam (Westgasfabriek, Amstel III) verhuizen. Daarbij vloeien (cross)media en ICT in elkaar over: dit wordt één geheel. Wat ik bovendien begreep is dat Hilversum zich nadrukkelijk als een mediastad gaat profileren. De hele stad wordt daarbij opgevat als één grote campus. Met mediastart-ups, media-onderwijs, media-wonen, media-winkelen, media-ontspannen. Dat is nieuw. Volgens de aanwezige projectleider moeten Amsterdam en Hilversum daarom als één geheel worden gezien. Ben benieuwd hoe de Britten zich hierin gaan bewegen en hoe de Hilversumse bevolking dit ziet.

Tagged with:
 

Aftrap Volksvlijt2016

On 8 april 2015, in economie, by Zef Hemel

Gehoord bij AMS, Mauritskade Amsterdam, op 8 april 2015:

Ruim 120 mensen woonden vandaag de aftrap van Volksvlijt2016 bij. In twee rondes werden aan telkens twaalf tafels parallelle gesprekken gevoerd over de toekomstige economie van Amsterdam. Ontwerpers leidden de gesprekken. Deelnemers waren ondernemers, kunstenaars, burgers, studenten, vrijgestelden, vertegenwoordigers van NGO’s, een handjevol ambtenaren, een paar collega’s van de Board, mannen vrouwen fifty fifty, allemaal heel divers. Alleen de bestuurders ontbraken helaas, ook niet de managers. Die hadden het bij nader inzien toch te druk. Wie er wel was kreeg alle ruimte om bij te dragen. Zelf woonde ik twee gesprekken bij: ‘s ochtends over de staalcampus in en rond Velsen, ‘s middags over de mediacampus in en rond Hilversum. Alles inhoudelijk, verkennend, open, afwisselend, boeiend. Wat er zoal ter tafel kwam? Veel. Eerst de staalcampus. Daar, op het terrein van Tata Steel, blijken twee heel zeldzame soorten mossen te groeien: kalkpurpersteeltje en schaduwdubbeltandmos. Op een onooglijk parkeerterrein vol slakken en ander bedrijfsafval groeit de een, terwijl mos nummer twee massaal tegen een muur van een stalen loods is gevonden. Wist ik niet.

Wat de staalcampus nog meer te bieden heeft: een symfonie-orkest, een conservatorium, een vitale stoomtreinenvereniging, enorme rangeerterreinen, een brandweercorps, walsen, ovens, laboratoria, het fijnste staal van de wereld, een brandwondenziekenhuis. En steenkool natuurlijk, en erts. Wisten we allemaal niet. Ook ontdekten we in het zuidelijke deel van de gemeente Velsen dure villa’s met enorme hoeveelheden paarden, in de richting van de zee innovatieve visverwerkingsbedrijven, aan het strand een werkloze jachthaven, een cruiseterminal en een twee kilometer lang strand vol kite-surfers. We stelden bevolkingskrimp vast. Keken we meer regionaal, dan bespeurden we een visconnectie, een Turkse connectie, een Indiase connectie, een Noord-Hollandse connectie. Moeiteloos regen we alles aaneen via de zogenaamde Westas langs de A5, opgespannen tussen de luchthaven, de zeehaven en Tata Steel. En hoe zit het met nieuwe materialen? Waar zijn hier de start-ups, de spin-offs? Iemand herinnerde zich het logo van Hoogovens, destijds ontwikkeld door Jurriaan Schrofer: een zeester gevormd door vijf blokken gekanteld staal. Vuur, stelden we vast, is de verborgen kracht van de staalcampus. Vuur trekt mensen aan. Vuur aan zee, dat wordt voor ons de nieuwe staalcampus.

Tagged with:
 

City of Opportunity

On 8 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Power Broker’ (1975) van Robert Caro:


Op een zonnige zondagmiddag reden we met de metro naar Queens, New York, om het grootste park van Robert Moses te bekijken. Een echte halte heeft Flushing Meadows niet, dus stapten we uit in Forest Hills. Vandaaruit liepen we in noordelijke richting door een laagbouwwijk van overwegend duur verbouwde bungalows. Daar, beneden ons, lag ineens Flushing Meadows, aangelegd in een voormalig moeras tevens vuilnisbelt, omzoomd door brede autosnelwegen. Welkom in Queens, welkom in de wereld van Robert Moses! Moses, de machtige directeur stadsontwikkeling van New York en liefhebber van autosnelwegen en stadsparken, realiseerde hier op het eind van zijn veertigjarige carriėre het grootste park van New York – anderhalf maal Central Park. Midden in Queens, wist Moses, betekent centraal in de metropool. Om het aan te leggen had de man twee grote Wereldtentoonstellingen nodig: die van 1939 en die van 1964, beide in New York gehouden. Na afloop lag in de barre locatie een megalomaan park met stadion, museum en paviljoens, goed bereikbaar per auto, maar niet met de  metro (want dan kreeg je maar arme mensen in je park). Het was zijn grote droom. Kosten destijds: 59 miljoen dollar.

Het paviljoen van New York City bleek in 1994 verbouwd door Rafael Vignoli. We namen er een kijkje. Binnen is nog altijd de enorme maquette van de metropool te zien die destijds, in 1964, op de Wereldtentoonstelling figureerde en die door honderd man in drie jaar tijd was gebouwd. Wat een ongelooflijke sensatie! Minutieus gedetailleerd ligt hier de machtigste stad ter wereld anno 1964 zoals de stadsbouwer die op het eind van zijn indrukwekkende carrière had afgeleverd in de schaal 1:1200. Tijdens de Wereldtentoonstelling kon men eroverheen vliegen in een gesimuleerde indoor helikoptervlucht van 9 minuten. Met een ‘God’s eye view’ ervoer men ‘The City of Opportunity’. We ervoeren het opnieuw. We zagen de modernistische metropool van 1964, groots, uitgestrekt, suburbaan, regelmatig, strak geregisseerd, keurig geordend. Iedereen moet ‘The Power Broker’ lezen, de maquette zien en dan beseffen dat die tijd voorbij is. Voorgoed voorbij.

Tagged with:
 

City in transition

On 7 april 2015, in migratie, sociaal, vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Vanity Fair van mei 2014:

Deze week, amper drie uur terug uit New York, gaf ik mijn eerste college ‘Cities in Transition’ aan de UvA. Kon niet mooier. In New York, vertelde ik de studenten, waren me twee dingen het meeste opgevallen: de vele Spaanstalige opschriften enerzijds en de vele ranke, extreem hoge torens in aanbouw anderzijds. Eerst het Spaans. In korte tijd verandert de Big Apple in een Spaanstalige – nou oké, tweetalige – enclave; het aantal Hispanics groeit er opvallend snel. In Queens bijvoorbeeld zag ik hele grote Mexicaanse en Zuid-Amerikaanse gemeenschappen van arme migranten, meest verzameld in parken en buurten, in afwachting van iets. Ook de metro zat er vol mee. Ze zijn hier nieuw, ze zijn arm en ze komen met hele gezinnen tegelijk. Hun werklust spat ervan af. Opnieuw verandert New York ingrijpend door een influx van imposante migrantengemeenschappen. Het andere dat me opviel waren de vele nieuwe torens. Dan hebben we het over Manhattan, om precies te zijn het gebied ten zuiden van Central Park, ter hoogte van 57 Street. Ook dit verschijnsel is nieuw: ranke woontorens, sommige nog hoger dan Empire State Building, elke verdieping bestaande uit niet meer dan een of twee appartementen. Ze worden gebouwd voor de ‘’happy few’’, nee ‘the filthy rich’, afkomstig uit de hele wereld. Extreem rijk ontmoet extreem arm in New York.

In Vanity Fair las ik een artikel over de nieuwste golf bizar ranke hoogbouw op Manhattan. In ‘Too Rich, Too Thin, Too Tall?’ concentreert alle aandacht zich op het nieuwste werk van de architect Rafael Vignoly. Hij ontwierp een woontoren aan Park Avenue waarvan het penthouse op de 96ste verdieping is verkocht aan een anonieme koper voor liefst 95 miljoen dollar. De ranke, extreem hoge toren telt in totaal slechts 104 appartementen. Prijs per vierkante voet: 11.500 dollar. In de omgeving verrijzen meer van dit soort dure torens. De hoogste opent dit jaar: One57. Architect: Christian de Portzamparc. Meer starchitects ontwerpen nu hun eigen duurste supertower in dezelfde buurt: Frank Gehry, Richard Meier, Jaques Herzog and Pierre de Meuron, Jean Nouvel en Robert Stern. Wie dacht dat de starchitects in de crisis verdwenen waren heeft het dus goed mis. Echter, de gebouwen bestaan hoofdzakelijk uit glas. De rijken kopen in de eerste plaats uitzicht, en de náám van een beroemd architect, niet zijn architectuur. Binnenkort bestaat de hele skyline ten zuiden van Central Park hoofdzakelijk uit naalden: een stekelig bos dat zijn schaduw werpt over het duurste stukje aarde, in bezit genomen door de allerrijksten die, kampend met een permanente jetlag, op reis zijn tussen hun appartementen in Shanghai, Sao Paulo, Dubai, Londen en de Big Apple. Ik vertelde het de studenten. Dit is wat ze me vroegen: gaat dit goed? Kan dit wel naast elkaar bestaan?

Tagged with:
 

Volksvlijt 2016

On 2 april 2015, in Geen categorie, by Zef Hemel

Op woensdag 8 april 2015 vindt het eerste atelier Volksvlijt 2016 plaats bij AMS, het Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions aan de Mauritskade. Volksvlijt is een open platform. Iedereen kan dus deelnemen. In Volksvlijt 2016 wordt de economie van de metropoolregio Amsterdam gedurende een klein jaar ontwikkeld met de inzet van zeer veel partijen. Tijdens de bouw maken alle partijen kennis met elkaar. Twaalf campussen – zes in Amsterdam, zes rond Amsterdam – krijgen stapsgewijze vorm onder leiding van twaalf ontwerpers: Burton Hamfelt, Michiel van Iersel, Lada Hrsak, Soheila Najand, Donna van Milligen Bielke, Bruno Doedens, Space&Matter, Janna Bystrykh, Maurice Bogaert, Pepijn Verpaalen, Evert Nijland en Jarrik Ouburg. Alle ideeën, plannen, voornemens, dromen en mogelijkheden die de deelnemers aandragen zullen door de ontwerpers in de campussen worden verwerkt. Uiteindelijk zal de hele metropoolregio worden voorgesteld als één grote campus waarop wonen, werken, studeren, recreëren en innoveren intens zijn verstrengend. Want de campus als ruimtelijk fenomeen gaat over uitwisselen, verbinden, ontmoeten. Ze staat gelijk aan de stad van de toekomst! Innovatie, economie en samenwerking worden hier gevoed door het ruimtelijk organiseren van zoveel mogelijk gezochte en ongezochte contacten. Hoe doe je dat? Volksvlijt zal in 2016 worden tentoongesteld op een centrale locatie in Amsterdam.

Iedereen die nieuwsgierig is of actief wil bijdragen is van harte uitgenodigd te komen. Studenten, ondernemers, docenten, burgers, ambtenaren, iedereen kan meedoen. Je hoeft je alleen maar aan te melden bij WimJan.Hollebeek@dwi.amsterdam.nl Geef daarbij aan of je de hele dag komt of alleen de ochtend dan wel de middag. We gaan werken aan de Staalcampus in Velsen, de Logistieke campus op Schiphol, de Leisure campus in de Haarlemmermeer, de Media campus in Hilversum, het Innovatie district in de Amsterdamse grachtengordel, de zelfvoorzienende wijkcampus op Java-eiland, de Circulaire havencampus in Westpoort, de Tourist Campus rond het Museumplein, de Food Campus in Zaanstad, de Blue Ecology Campus rond het IJmeer, de Big Data Campus in Almere en de Health & Wellbeing Campus in Amsterdam Zuidoost. Zo ontwikkelen we met z’n allen een nieuwe economie. Op 8 april zijn er twee rondes, waardoor iedereen aan twee campussen kan bijdragen. Het volgende atelier is op woensdag 9 september 2015. Mis het niet! Doe dus mee!