Ark van Noach

On 30 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Shogun’s City at the Twenty-First Century’ (1998) door Roman Cybriwsky:

Afbeeldingsresultaat voor roppongi hills

Ook Tokio gaat de hoogte in. De grootste stad op aarde (35 miljoen inwoners) ligt in een delta en is in de twintigste eeuw langs spoorlijnen extreem naar buiten uitgedijd, met overwegend lage bebouwing die inmiddels reikt tot aan de voet van de bergen. Op dit moment kruipt echter alles en iedereen weer naar binnen, naar het centrum toe. Inwoners accepteren de lange reistijden niet langer, ze willen dichter bij hun werk wonen. Dan maar minder vierkante meters en flink gestapeld. In Tokio bezochten we Roppongi Hills, een nieuwe typologie van hoogbouw, ontwikkeld door de Mori Building Company in de buurt van de uitgaanswijk Roppongi. Voor Tokio is hoogbouw een relatief nieuw fenomeen. Minoru Mori, de oprichter van Mori, was een van de eersten die torens in de Japanse hoofdstad bouwde: Mori Biru 1  stamt al uit 1955. De zoon van een rijsthandelaar die op hogere leeftijd een zeer succesvol ontwikkelaar werd, heeft inmiddels 80 Mori Biru’s op zijn naam staan, alle in de buurt van Toranomon, de CBD van Tokio. Zijn nieuwste creatie is Roppongi Hills, een enorme toren met een gemengd programma van wonen en werken dat gereedkwam in 2003 in een armere buurt van houten huizen rond een aantal Amerikaanse kazernes. Het masterplan is van de hand van het Amerikaanse Kohn Pedersen Fox Associates.

We gingen kijken en schoten met een lift naar de veertigste verdieping na eerst het dure winkelcentrum aan de voet van de kolos te hebben doorkruist. Kosten noch moeite zijn hier gespaard. Het Mori museum met de privé kunstcollectie van Minuro Mori sloegen we over. Ik moest denken aan het artikel in The Guardian van 18 mei 2015 waarin de 17 jaar worden beschreven die Mori nodig had om de grond onder de toren te verwerven. Vierhonderd grondeigenaren kregen een appartement in de toren aangeboden, slechts 161 accepteerden het aanbod; de rest moest tegen exorbitante prijzen door de ontwikkelaar worden uitgekocht. Een kwart van het complex bestaat nu uit parkachtige semi-openbare ruimte; op alle daken zijn groentetuinen aangelegd – op één dak ligt zelfs een rijstveld (foto); afval wordt hergebruikt, regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, een eigen, op gas gestookte energiecentrale reduceert de uitstoot van emissies met 27 procent, zonnepanelen genereren elektriciteit voor de verlichting. Het gebouw zou gegarandeerd aardbevingsbestendig zijn. Is dit de toekomst van Tokio? Wonen, werken en recreëren in hoogbouw, alles zeer dicht opeengepakt, in grote hoogbouwcomplexen die bijna zelfvoorzienend zijn, die bestand zijn tegen tsunami’s, branden en aardbevingen – onheil dat in de toekomst zeker komen gaat. Roppongi Hills is ontworpen als een Ark van Noach. Helaas alleen voor de happy few. Al onze Hollandse vooroordelen moeten overboord.

Tagged with:
 

De tuin en de tuinman

On 27 januari 2017, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gezien in het Glazen Huis in het Amstelpark, Amsterdam, op 22 januari 2017:

‘De tuin en de tuinman’ heet de kleine, zeer fraaie tentoonstelling van  kunstenares Irene Fortuyn (1959) in het Amstelpark. Hij is op dit moment te zien in het Glazen Huis. Afgelopen zondag was ik bij de opening. Het decor was een schitterende zonovergoten, maar wel koude winterdag. Aanleiding voor de ingetogen tentoonstelling zijn Nico van der Ree en Klaas Noordhuis. Beide mannen waren sinds de Floriade van 1972 – dus meer dan 40 jaar lang – de tuinmannen van het Amstelpark. Onlangs gingen ze met pensioen. Fortuyn wilde niet alleen een ode brengen aan Nico en Klaas, maar wilde zich ook verdiepen in het onderhoud van het Amstelpark en van parken in het algemeen. Wie zijn eigenlijk die mensen die het grootstedelijke groen in Amsterdam beheren? Hoe wordt er tegenwoordig gewied, gemaaid, geschoffeld, gesnoeid, en met welke gedachten? Wat is eigenlijk een park? En wat is een tuin? Wat is een landschap? Ze sprak met de hele keten van tuinmannen die het Amstelpark beheren, van de man van de reclassering die de paden schoon blaast tot aan de planoloog die de nieuwe parken bedenkt. Steeds stelde ze hen dezelfde vragen. Van hun antwoorden maakte ze, samen met Marco Sweering, een documentaire. Die is tot eind maart 2017 te zien in het Glazen Huis.

Wat me opviel in de film is de enorme diversiteit en rijkdom van antwoorden op steeds dezelfde eenvoudige, door Fortuyn gestelde vragen. Telkens noemt ze een woord, waar iedere tuinman spontaan op moet reageren. Voor ieder van ons – want ik deed mee – kwam de gekozen vorm trouwens totaal onverwacht. Dat kun je in de film goed zien. Hoe reageer je op ‘wieden’? Het eerste wat je te binnen schiet werd door de maker onverbiddelijk met de camera vastgelegd. De documentaire toont daardoor een grote spontaniteit, de antwoorden zijn dikwijls geestig, in ieder geval is alles wat gezegd wordt heel menselijk, doortrokken van persoonlijke kennis. Elders in de tentoonstelling is ook nog een film te zien van een zomerse wandeling met Nico en Klaas door het Amstelpark. Die moet u niet missen. Het commentaar van de beide mannen op alles wat zij tegenkomen is grappig en spannend. Nee, stadsparken zijn schitterend, het Amstelpark is wel een van de mooiste. Dankzij de Floriade van 1972 natuurlijk. Wat een rijkdom. Een tentoonstelling die je aan het denken zet.

Tagged with:
 

Hoe Helsinki te verdichten

On 25 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord van Jochgem Gunneman op 21 januari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor maptionnaire.com

Hij had zich gemeld met een idee. Jochgem Gunneman, van Gunneman GIS Geomatics uit Den Haag, wilde me heel graag Maptionnaire laten zien. In De Ingenieur had hij een interview met mij gelezen over mijn nieuwste boek, ‘De toekomst van de stad’. Daaruit had hij opgemaakt dat ik geïnteresseerd zou zijn in de nieuwste Finse software. Waarom? Omdat ik in de noodzaak van burgerraadpleging geloof. Ik maakte een afspraak met hem. Hij zou bij mij langskomen. Via LinkedIn las ik ondertussen zijn blog over Timo Hämäläinen. Deze jonge Finse stedelijke activist had zich opgewonden over het feit dat Helsinki een extreem uiteengelegde stad is. Meer dan 40% van het stedelijke oppervlak is groen, dus onbebouwd. Veel jonge Finnen zouden dolgraag in Helsinki (620.000 inwoners) willen wonen, maar dat lukt ze niet. Helsinki is voor hen te duur. Er wordt ook te weinig gebouwd. Net als Amsterdam zit de Finse hoofdstad op slot.  Maptionnaire is software die burgers in staat stelt om suggesties te doen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in hun eigen buurt. Maprionnaire brengt burgerinzichten in beeld, analyseert data, lokt uit tot interactie, voert dialoog en bevordert lokale samenwerking. Hämäläinen is de agent van het nieuwe product dat door Aalto University in Espoo is ontwikkeld. Gunneman, die de Nederlandse markt bestrijkt, liet het me zien. Ik was onder de indruk.

Eigenlijk zou elke Nederlandse gemeente deze Finse software moeten installeren. Burgers kunnen dan heel gemakkelijk aangeven wat hen in hun directe omgeving niet zint, wat anders moet, hoe het beter kan, met deze software ze kunnen tal van ideeën gemotiveerd aandragen via één website en met de gemeente en de mede-burgers delen. Gunneman liet me zien dat de gemeente de bewoners ook vragen kan stellen, reacties uitlokken, concept-plannen voorleggen. Maptionnaire verzamelt alle informatie overzichtelijk en deelt deze met het brede publiek. Mijn vraag was of hiermee de burgers werkelijk uitstijgen boven het niveau van consumenten en burgerschap gaan vertonen. Gunneman meende van wel. Het voorbeeld van een Nederlandse basisschool, waarvan de leerlingen hun eigen schoolgebouw analyseerden, verbeterden en opnieuw samenstelden, moest me overtuigen. Zo toegankelijk is het dus. Het resultaat zag er indrukwekkend uit. Als Helsinki door deze software ècht zou verdichten, dan heeft Finland veel gewonnen. Meer land, meer stad. Ook in het volgepakte Nederland is dit een belangrijke opgave. Nog steeds bouwen we veel te veel woningen aan de randen, buiten, in de polder. Als we werkelijk zouden verdichten, zou dat enorm veel ruimte schelen. Nog beter: grote steden bouwen.

Tagged with:
 

Randstadsprookje

On 23 januari 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Geschreven in ‘Waar verzet jij je tegen?’ (2017) van Mark Geels en Tim van Opijnen (red.):

Waar verzet jij je tegen?

Het duurde even voordat ik erachter kwam dat de Randstad een mooi, maar kostbaar sprookje is. Het verzet ertegen kwam direct daarna. De discussie over Het Groene Hart eind jaren ’90 van de twintigste eeuw was voldoende om me te doen beseffen dat het verhaal van de Randstad opvallende gelijkenis vertoont met ‘De kleren van de keizer’. Ook in het geval van Randstad en Groene Hart had de keizer namelijk helemaal geen kleren aan. Het ruimtelijke concept van de Randstad dateert van de jaren vijftig, maar heeft nooit in werkelijkheid bestaan en was zelfs op kaarten nimmer te traceren. Toch verschenen er midden jaren zestig buitenlandse publicaties over deze zogenaamde ‘Greenheart Metropolis’ en ‘Randstad Conurbation’ die onze voorvaderen verblindden en met intense trost vervulden. De Randstad was volgens de jonge Britse geograaf Peter Hall zelfs toegetreden tot het rijtje van zeven ‘Wereldsteden’. Wie had dat ooit gedacht? Voor niemand echter kan het een geheim zijn geweest dat de Randstad een fictie was, maar je dorst het gewoon niet toe te geven, want dan zou je voor je ambt niet deugen of je zou waarschijnlijk onvergeeflijk dom gevonden worden. Iedereen bleef de keizer dus roemen om zijn kostbare gewaden en iedereen leek erop gebrand om te zien hoe slecht of dom zijn buurman was. Vakgenoten noemen dat een planningsdoctrine.

De inliggende steden – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – dorsten al helemaal niet in de spiegel te kijken. En er waren ministers die Het Groene Hart verkochten als Central Park en de Randstad voorstelden als New York, net zoals er nu ministers zijn die aan ons, burgers, Nederland als één grote stad proberen te slijten. Allemaal onzin natuurlijk. Ik weet het nog goed. Als topambtenaar uit een van de grote steden zat ik in een stuurgroep Randstad 2040. In de vergaderingen op het Haagse departement deed de keizer zijn kleren uit en reikten de ontwerpers hem kledingstukken aan: koeien in de wei, grutto’s in de lucht, magneetzweefbanen in de polder, Randstadrail tot aan Roelofarendsveen, en verder heel veel asfalt en beton. We moesten vervolgens allemaal bevestigen dat de Randstad daarmee werkelijk schitterend zou worden en dat het Groene Hart zou worden behouden. Ja, zeiden alle hovelingen. Maar we zagen niets, want er was helemaal niets. De kamerheren deden echter net alsof ze de sleep opnamen en tastten met hun handen over de vloer, ze durfden niets te laten merken. De zoveelste publicatie over de Randstad werd voorbereid. Deze nieuwste zou nog mooier worden dan alle voorgaande. Ik voelde me net een klein kind dat de anderen toeriep: ‘Maar hij heeft niets aan!’ Wat waren ze boos! Het is ook nooit meer goed gekomen. Toch blijft de keizer nog altijd doen alsof hij de mooiste kleren aanheeft. Maar het volk weet beter en de keizer zelf beseft het ook. Hij durft zijn paleis niet meer uit. Sindsdien verzet ik me tegen het hele idee, want wie de naaktheid eenmaal heeft gezien kan alleen maar verzet aantekenen. Niet dat het helpt. Het westen van Nederland slibt onherroepelijk dicht en de minister smeert asfalt dat het een lieve lust is. Echte steden bouwt men in dit land nog steeds niet. Het volk zou zich een betere toekomst moeten dromen.

Tagged with:
 

Up with the People

On 20 januari 2017, in bestuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Japan Restored’ (2015) van Clyde Prestowitz:

Afbeeldingsresultaat voor japan restored clyde prestowitz

Op de terugvlucht van Tokio naar Amsterdam las ik ‘Japan Restored’ van Clyde Prestowitz. Prestowitz is oprichter van de Economic Strategy Institute in Washington DC en adviseert regeringen, vakbonden en multinationals over concurrentiekracht en globalisering. In ‘Japan Restored’ geeft hij zijn visie op de toekomst van Japan en schetst hij hoe deze derde economie van de wereld uit de hardnekkige crisis kan komen waarin deze nu al meer dan twintig jaar verkeert. Zijn stelling: Abenomics is niet genoeg. Abenomics, een economische politiek die vernoemd is naar de Japanse premier Shinzo Abe, staat voor 1. geldcreatie op grote schaal, 2. fiscale stimulansen en massieve infrastructuur-investeringen, 3. deregulering met name van de Japanse landbouwsector. Door al deze maatregelen zou het inflatiecijfer rond de 2 procent uit moeten komen en de Japanse productie substantieel moeten groeien. Prestowitz betwijfelt echter of dergelijke economische maatregelen voldoende zullen zijn. Helemaal op het eind van zijn boek doet hij uit de doeken wat dan wel nodig is om Japan uit het slop te trekken. Dat hoofdstuk heet: ‘Up with the People, Down with the Bureaucrats’. Het gaat over nieuwe vormen van governance.

Tijdens de snelle modernisatie van Japan in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw heeft Japan voor een Frans besturingsmodel gekozen met een sterke hiërarchische en bureaucratische inslag – een centralistisch staatsmodel dat na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse bezetter nog werd versterkt en waarin vrijwel alle beleid vanuit hoofdstad Tokio werd bepaald. Volgens Prestowitz moet het land daar zo snel mogelijk vanaf. Dat gebeurt inmiddels ook. Een Japanse staatscommissie adviseerde onlangs om de steden meer bevoegdheden te geven en vooral meer fiscale en budgettaire ruimte te bieden. Sterker, het land heeft onlangs een complete decentralisatie doorgevoerd. Prestowitz noemt het voorbeeld van Osaka, dat de decentralisatie als het ware heeft afgedwongen door zich niet langer iets van hoofdstad Tokio aan te trekken en dat al sterk van onderop wordt bestuurd, waar innovatie sterk wordt aangewakkerd, waardoor Osaka een stad is geworden die steeds meer de trekken krijgt van een noordelijk Singapore. Met Osaka als gids, verspreidde het virus van decentralisatie zich over heel Japan. Het resultaat is een ingrijpende staatkundige herziening waarbij de 47 provincies onlangs zijn omgevormd tot 15 kantons met elk een eigen gouverneur, eigen fiscaal regime en eigen wetgeving. De angst dat sommige regio’s hierdoor rijker zullen worden dan andere hield de politiek aanvankelijk tegen, maar, aldus Prestowitz, uiteindelijk werd decentralisatie toch geaccepteerd. Het alternatief is namelijk voortdurende stagnatie. Interessant dus, ook voor ons.

Tagged with:
 

Olympic Tokyo

On 18 januari 2017, in participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 1 september 2016:

Gerelateerde afbeelding

In 2020 worden de Olympische Spelen voor de tweede keer in Tokio gehouden. De eerste keer – ik weet het nog goed – was in 1964, toen Anton Geesink heel verrassend ‘s nachts de finale judo won en ik besloot judo te gaan leren. Destijds stonden de Japanse steden aan de vooravond van een enorme bloeiperiode. Tien jaar later zou het Westen ruw wakker worden geschud door grote Japanse bedrijven en dolf de Europese industrie definitief het onderspit. Tokio was destijds de eerste stad in Azië die van het IOC de Spelen mocht organiseren. Alles leek toen nog jong en nieuw en onbeproefd. Ditmaal is het anders. De Japanse economie doet het al twintig jaar niet meer goed, China is aan een stevige opmars bezig, alles is daar groter, imposanter, nieuwer; de snel vergrijzende Japanse bevolking worstelt met een minderwaardigheidscomplex, zelfs buurland Zuid-Korea presteert beter. De kernramp bij Fukushima in maart 2011, waarbij een kernreactor de vijfendertig miljoen inwoners van Tokio zelfs in gevaar bracht, betekende een gevoelige klap voor het land waar het, aldus architect Kengo Kuma, nog altijd niet overheen is. Kuma vertelde me dat zijn stadion en de Olympische Spelen in het algemeen deze gevoelige imagoschade moeten herstellen en het Westen moeten doen geloven dat Japan opnieuw op het wereldtoneel kan en wil acteren.

Voor Tokio zelf zijn de OS 2020 van belang omdat de stad zijn positie als financieel centrum van Azië dreigt kwijt te raken. Concurrenten als Shanghai en Singapore azen op haar financiële instellingen; ze maken goede kans om de rol van Tokio op het wereldtoneel over te nemen. Tokio is ook geen fraaie stad en sommigen vinden haar zelfs veel te groot. Kengo Kuma moet met zijn stadionontwerp het ongunstige tij doen keren. Zijn schitterende ontwerp sluit aan bij de Japanse traditie, hij bouwt vooral in hout, het stadion komt op de plek van het oude stadion, verrijst dus midden in de stad, maar dan wel als een tempel in het bos. Is zoiets voldoende? Toen las ik  dat het aardbevingsgevoelige Tokio in 2015 door The Economist tot de veiligste stad ter wereld was uitgeroepen, ook omdat direct na de ramp in Fukushima was opgevallen hoe de Japanse bevolking de getroffen regio spontaan te hulp was geschoten. Christian Dimmer van Urban Studies, verbonden aan Tokyo University, schreef daarover: “There is a long tradition of community organisations, non-profits, local governments and neighbourhood associations closely collaborating in disaster risk management and awareness building. Such strong social networks, in turn, have come to be recognised as key to foster community resilience.” Precies hierin schuilt dus een grote mogelijkheid: Tokio kan straks met de OS 2020 de wereld laten zien hoe een reusachtige stad in staat is zichzelf van onderop te organiseren. In deze tumultueuze tijden is dat een belangrijke boodschap aan de hele wereld.

Tagged with:
 

De kunst van het verdichten

On 16 januari 2017, in vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Changing Profile of an Urban Giant’ (1993) van Roman Cybriwsky:

Density of Tokyo. Bron: Politecnio di Milano

Tokio is niet alleen de allergrootste, maar ook de meest dynamische, ja zelfs de duurzaamste stad van het hele noordelijke én zuidelijke halfrond. In de Japanse hoofdstad is de gemiddelde levensduur van een gebouw amper 26 jaar. Na een kwart eeuw wordt de constructie gewoon weer afgebroken. Ervoor in de plaats verrijst dikwijls een groter, doorgaans hoger gebouw. Reden? De grond onder de Japanse hoofdstad is extreem duur en zonder opstallen is ze veel meer waard dan met gebouwen erop. Overlijdt de eigenaar, dan verkopen de erfgenamen de grond doorgaans door eerst het bouwwerk af te breken om het daarna op de oververhitte grondmarkt aan te bieden. Personen die men jiageya noemt bemiddelen tussen grondeigenaren en projectontwikkelaars; deels zakelijk, desnoods crimineel zetten ze traditionele grondeigenaren onder druk om hun geliefde bezit ten behoeve van nieuwbouw over te dragen. Wie door de straten van Tokio loopt, ziet elke dag nieuwe bouwactiviteiten, vooral in het centrum en langs de stations van de metro en de spoorlijnen. Kleine kavels – gevolg van datzelfde erfrecht – maken de binnenstedelijke dynamiek nog groter. Tokio verdicht voortdurend, terwijl de randen juist verschrompelen. Steeds meer mensen leven er op een kluitje in en rond het grootstedelijke hart. En alles is daar nieuw. Monumentenzorg speelt er hoegenaamd geen rol.

De Nederlandse praktijk is heel anders. Monumentenzorg is bij ons oppermachtig. Grondwaardestijgingen resulteren hier nauwelijks in grotere dynamiek. Hier blijft de fysieke ruimte bijkans totaal bevroren. Liever bouwen wij nieuwe rijtjeswoningen in de maagdelijke polder, op flinke afstand van de gewilde stedelijke kern. Mensen die een woning zoeken moeten daardoor uitwijken naar elders, waardoor de reisafstanden maar blijven groeien. Desondanks krimpen ook bij ons de randen van de stadsgewesten. Mensen schuiven steeds meer op richting grootstedelijke centrum, ook al zit het centrum zelf op slot. Verdichten is een kunst die wij heel slecht verstaan. Liever zingen wij de loftrompet op polynucleaire structuren. De Amerikaanse geograaf Roman Cybriwsky schreef over Tokio dat de druk in en rond het centrum zo hoog is dat mensen bereid zijn hier in minuscule ruimtes te wonen. Een woning kopen is hier ook extreem duur. Voor de meesten zit er niets anders op dan te huren. Hoogbouw rukt nu in de Japanse hoofdstad op. Parken en plantsoenen maken slechts vijf procent uit van het oppervlak van de megastad, autowegen ontbreken bijkans, alles is volgebouwd. Toch voelt het niet als druk. Dat houdt verband met het meer dan uitstekende openbaar vervoer. Vergeleken met Nederland is Tokio duizend keer duurzamer.

Tagged with:
 

Paleis van de toekomst

On 14 januari 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Zhang Jian and the World Exposition in the Early Years of the 20th Century’  van Ma Min en Ai Xianfeng:

Afbeeldingsresultaat voor tokyo ueno park 1877

Bezoek gebracht aan Tokio. Met zijn 36 miljoen inwoners is de Japanse hoofdstad nog altijd de grootste stad op aarde. Opnieuw vond ik het indrukwekkend. Met Japan gaat het al jaren niet goed – er is sprake van een sterke demografische en economische krimp -, maar in Tokio zelf merk je daar weinig van. Haar bevolking groeit nog steeds, zij het bescheiden, terwijl haar grootstedelijke diensteneconomie onverminderd goed presteert. Dat krijg je als een stad groot en divers is. De opbloei van de stad begon in 1868, toen het geïsoleerde Japan onder druk van de Amerikanen zijn grenzen opende voor de buitenwereld en de keizer besloot Kyoto als hoofdstad in te ruilen voor het centraal gelegen Edo, het huidige Tokio. De modernisering verliep daarna verrassend snel. Wat heet, Tokio maakte een ongekende bloeiperiode door, een gouden eeuw die duurde tot de grote aardbeving van 1923, zes jaar later gevolgd door de economische crisis van de jaren dertig. Tokio was destijds de eerste Aziatische stad die haar economie volledig industrialiseerde. Haar bevolking verdubbelde in korte tijd, waardoor ze definitief uitgroeide tot de grootste stad op aarde, een positie die ze daarna niet meer prijs zou geven.

Wat was eigenlijk de katalysator van die snelle opbloei en modernisering? Ik zocht ernaar in de vakliteratuur en vond allerlei keizerlijke maatregelen van bestuurlijke vernieuwing. Is bestuurlijke vernieuwing dan werkelijk zo belangrijk? Ik twijfelde, dus ik zocht verder. Aan de basis, las ik, lag een door de keizer benoemde commissie die in 1871 naar Europa en Noord-Amerika was gereisd om de industriële revolutie daar te bestuderen. Haar aanbevelingen zouden later per keizerlijk decreet worden uitgevoerd. Een van de aanbevelingen betrof de bouw van een Crystal Palace, bedoeld voor grote toekomstgerichte tentoonstellingen. De eerste tentoonstelling – die van 1851 – had in Londen miljoenen mensen op de been gebracht en geïnspireerd; Londen had er zijn hernieuwde opbloei aan te danken. In datzelfde Londen had de commissie de tweede versie van Crystal Palace in Sydenham bezocht. Bij terugkomst beval ze de keizer aan een soortgelijk Paleis voor Volksvlijt in de hoofdstad te bouwen.  Het kwam te staan in het pas geopende Ueno Park. In 1877 vierde Tokio hier zijn eerste grote industriële expositie. In totaal zouden vijf tentoonstellingen in de Meiji-periode hun deuren in Ueno Park openen. In de Dazheng periode volgden nog eens twee. De laatste was in 1922, dat was een jaar voor de fatale aardbeving. Afgelopen week bracht ik een bezoek aan Ueno Park. Het paleis van de toekomst bestaat niet meer. Wel trof ik er zes musea aan in een bruisende metropool van inmiddels ongekende omvang.

Tagged with:
 

Amsterdam en de rest

On 12 januari 2017, in ethiek, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 januari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor josse de voogd het parool

percentage hoogopgeleiden (blauw: hoog). Bron: CBS, Compendium voor de leefomgeving.

Opmerkelijke opinie van geograaf Josse de Voogd in de Amsterdamse krant Het Parool van 11 januari 2017. De Voogd is een Nijmeegse geograaf die naar Amsterdam is getrokken, althans hij is daar medewerker van de Universiteit van Amsterdam, net als ik verbonden aan de afdeling Geografie, Planologie en Ontwikkelingsstudies. De Voogd, die eerder schreef over de ‘witte kloof’’, stelt vast dat de verschillen tussen Amsterdam en de rest van Nederland groeien, economisch, maar ook mentaal. En de trek van vooral hoogopgeleiden naar Amsterdam houdt aan, met als gevolg dat het wonen in die stad steeds duurder wordt, ook omdat er te weinig wordt gebouwd. Amsterdammers leveren daarom in op vierkante meters. Maar dat is het punt niet. Volgens De Voogd begrijpen ‘elitaire Amsterdammers’ de gewone Nederlanders niet meer, en doordat ze goedgebekt zijn en de media gemakkelijk bereiken domineren ze het maatschappelijke debat. Ze hebben niet in de gaten dat de rest van het land heel anders denkt dan zij. Amsterdammers leven in een cocon. Hij vindt het tijd worden dat ze dimmen.

Wat de aanhoudende trek naar Amsterdam betreft heeft De Voogd gelijk. Ook is het correct dat het vooral hoogopgeleiden zijn die al jaren voor de hoofdstad kiezen. De Voogd is er zelf een voorbeeld van, hoewel hij inmiddels niet meer in Amsterdam woont. Zelf koos ik in 1981 voor de bestemming Amsterdam. Betekent dit dat ik in een cocon leef en dat ik de rest van Nederland niet meer begrijp en dat ik nu moeten dimmen? Ik denk het niet. Intellectuelen dienen het voortouw te nemen in het maatschappelijk debat, ook als ze bij elkaar op een kluitje wonen; dat is hun natuurlijke rol. Amsterdammers geven ook graag hun mening – denk aan Bas Heine, Paul Scheffer, Ewald Engelen. Trouwens, uitgerekend hoogopgeleiden hebben donders goed in de gaten dat er een ‘tweedeling’ groeit, sterker, daar schrijven ze al jaren vlammende opiniestukken over. De burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan, sprak bij zijn aantreden in 2010 over Amsterdam als ‘verantwoordelijke hoofdstad’. Zelf schreef ik onlangs een boek, getiteld ‘De toekomst van de stad’, waarin ik het toenemende contrast tussen Amsterdam en de rest in het licht plaats van aanhoudende metropoolvorming. Dimmen is wel het laatste wat Amsterdammers moeten doen. Nee hoor, het vraagstuk moet in alle openheid worden besproken.

Tagged with:
 

Wel de melk, niet de koeien

On 5 januari 2017, in economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 22 oktober 2016:

Gerelateerde afbeelding

 

Een Special Report van het Londense zakenblad The Economist ging eind oktober 2016 over het Rusland onder president Poetin. In de kerstvakantie eindelijk tijd gevonden om het te lezen. Wat de Russische economie betreft wordt daarin Innopolis opgevoerd, de nieuwe stad onder de rook van Kazan, 820 kilometer oostelijk van Moskou, goed voor 155.000 inwoners, als illustratie van wat de heer Poetin zoal beweegt. Innopolis is het project van zijn voorganger, president Dmitry Medvedev, en werd op de tekentafel bedacht door Liu Thai Ker, hoofdarchitect van Singapore. De nieuwe stad, inmiddels twee jaar oud, moest net als Skolkovo bij Moskou – een ander project van Medvedev – een ware technopolis worden, een stedelijke hub van creativiteit en innovatie in een snel globaliserende wereld. Medvedev begreep dat Rusland niet achter kon blijven in de technologische ratrace en gebruikte het middel van een Free Economic Zone om in de buurt van Kazan (1 miljoen inwoners), aan de overkant van de rivier de Wolga, hoogwaardige grootstedelijke condities te scheppen die nodig zijn om talent aan zich te binden. Dat talent komt er nu echter niet. Zijn opvolger, Mr. Poetin, wil wel de melk, maar niet de koeien, aldus The Economist. Anders gezegd, het klimaat voor ondernemerschap is door de regering Poetin nooit gerealiseerd. Integendeel. Er staan alleen maar gebouwen.

In het algemeen vaart president Poetin een heel andere koers dan zijn voorganger. Hij probeert economische groei te bevorderen door geld te steken in het militair-industrieel complex en in grootschalige infrastructuur. Dat is een klassiek recept van natiestaten waarover The Economist het volgende schrijft: “the cost of these projects could outweight their benefits. And in the absence of a thriving private sector, those new roads and bridges may not do much.” Jane Jacobs noemde dat ‘transactions of decline’. De onstuimige groei van Moskou, Kazan en Sint Petersburg is voorbij. Zij hebben het nakijken. De nieuwe middenklasse die met die grootstedelijke groei de afgelopen decennia werd gevormd, heeft, met andere woorden, geen plek meer in het huidige autoritaire model van het Kremlin, dat overwegend gericht is op overheidsmiddelen steken in zinloze overheidsprojecten. Het regime van president Poetin is anti-stedelijk. Vanaf 2014 regeert weer de provincie. Het is een recept voor achteruitgang en verlies. Wat er met de plannen voor Innopolis gaat gebeuren is nu niet duidelijk. Het is wachten op betere tijden.

Tagged with: