Extremistan

On 2 juli 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2010) van Nassim Nicholas Taleb:

Typische luchthavenlectuur. Maar wat een lectuur! Las eindelijk Taleb’s ‘The Black Swan’. Verplichte leesvoer voor planologen. De Libanese schrijver, bekend van ‘Fooled by Randomness’ (2004), publiceerde een boek over het verschijnsel van de willekeurige gebeurtenissen die ons leven op zijn kop zetten. Telkens weer doen we alsof de toekomst geen verrassingen kent. Maar niets is minder waar. De toekomst wordt alleen maar onzekerder. Dat komt door de snel toenemende complexiteit. Mediocristan maakt plaats voor Extremistan. Lang dachten de mensen dat zwanen wit waren. Totdat er ineens een zwarte zwaan bleek te bestaan. Achteraf praten we de zwarte zwaan goed, maar vooraf hadden we geen idee. Telkens zoeken we bevestiging voor de gebeurtenissen die we verwachten, of maken we verhalen die de toevallige verschijnselen weer in een zinvol verband moeten plaatsen. Verhalen en verklaringen achteraf zijn in die zin verraderlijk. Want daardoor zijn we teveel op het ons bekende, althans op het door ons verwachte gericht. Anders gezegd, we denken en willen dat de wereld minder toeval kent dan er in werkelijkheid bestaat. We willen de vele ‘zwarte zwanen’ eenvoudig niet zien. Onze blindheid voor toeval maakt ons kwetsbaar. Echter, dat de toekomst steeds onzekerder wordt begint bij sommigen duidelijk te worden. De noodzaak van ‘resilience’, adaptief vermogen, maatwerk, bottom-up, creativiteit wordt steeds meer ingezien.

We zouden fundamentele onzekerheid als uitgangspunt moeten nemen in ons werk en moeten leren begrijpen dat er positieve en negatieve zwarte zwanen zijn. De eerste bouwen zich doorgaans geleidelijk op, de tweede doen zich abrupt voor. Alles draait om ‘schaalbaarheid’ van de verschijnselen. Is het verschijnsel schaalbaar, dan is het besmettelijk. En besmettelijkheid kan grote gevolgen hebben. Denk aan welvaart, roem, inkomen, stedelijke bevolking, oorlog, bedrijfsomvang, financiële markten. “Mediocristan is where we must endure the tyranny of the collective, the routine, the obvious, and the predicted; Extremistan is where we are subjected to the tyranny of the singular, the accidental, the unseen, and the unpredicted.” Om beter toegerust te zijn op het onbekende zouden we ons oordeel langer moeten uitstellen, veel meer moeten durven experimenteren, praktijkervaring benutten, empirisch zijn. Taleb stelt dat theorievorming steeds minder werkt, voorspellen verliest haar betekenis, filosofie wordt irrelevant. Zelf noemt hij zich ‘sceptisch empiricus’. Hij wantrouwt verklaringen en verhalen. Of toch niet? Taleb: “There may be a way to use a narrative – but for a good purpose. Only a diamond can cut a diamond; we can use our ability to convince with a story that conveys the right message – what storytellers seem to do.”

Tagged with:
 

Fascinerend

On 1 juli 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gezien in de Westergasfabriek te Amsterdam op 12 juni 2014:

De keynote op de negende Kennisdag ruimtelijke sector van de gemeente Amsterdam was niemand minder dan Carlo Ratti, directeur van de SENSEable City Lab, MIT Department of Urban Studies and Planning. Zelden zo’n swingende presentatie gezien. Als een VJ stond de magere, in een T-shirt gehulde Ratti achter het katheder, waarin zijn computer zat verstopt, die hij uiterst behendig bediende en waarmee hij het ene na het andere filmpje de zaal inslingerde, telkens ondersteund door een stevige beat. We zagen allerlei toepassingen van technologie in het stedelijke, hoe apps ons kunnen volgen, zelfsturende auto’s, ik ontwaarde zelfs een drone. Het zag er allemaal puik uit, en het leek vooral ook heel kostbaar. Elk filmpje werd afgesloten met reclame van grote bedrijven die de ontwikkelde technologie – prototypes – hadden helpen financieren. We werden niet alleen vermaakt, nee we werden verleid. Technologie is ook fascinerend.

Bij veel technologische toepassingen, viel me op, fungeren de stedelingen min of meer als bevers die, met zendertjes uitgerust, de planners precies laten weten waar ze zitten en wat ze zoal uitspoken. Op basis van die informatie kunnen planners de ruimte inrichten, of manipuleren. Veel toepassingen vond ik slim, sommige waren comfortabel. Enkele echter voelden juist heel oncomfortabel omdat ze me deden denken aan moderne oorlogvoering. Als sociale wetenschapper vroeg ik me af of mensen – consumenten – dit allemaal werkelijk willen, of dat deze technologie hen door de industrie wordt opgedrongen. Als planoloog twijfelde ik of je hiermee aan een goede samenleving bouwt. En dat is toch wat publieke ruimtelijke planning wil: bijdragen aan een ‘civil society’. Techniek maakt mensen vrij, schreef Kevin Kelly in ‘What Technology Wants’. Zou dat het zijn? Misschien kan iemand me geruststellen.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Omgekeerde participatie

On 27 juni 2014, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Nieuw-West op 27 juni 2014:

De vijftig studenten planologie (einde tweede jaars bachelor) van de Universiteit van Amsterdam waren het erover eens: Amsterdam Nieuw-West is veel leuker en diverser dan ze hadden gedacht. Eigenlijk vonden de studenten dat de economische crisis veel goeds had gedaan in het enorme stedelijke gebied rond de Sloterplas – “die enorme plak woningbouw” –, een gebied dat aanvankelijk zwaar was gedomineerd door woningbouwverenigingen, maar nu burgerinitiatieven toeliet, vooral van zittende bewoners. In negen groepen hadden de studenten gedurende een maand in een atelier even zovele sociaal-ruimtelijke vraagstukken bestudeerd, variërend van zelfbouw, gebrekkige waterkwaliteit, leegstaande kantoren, kwijnende winkelgebieden, ouderenhuisvesting, lastig te herbestemmen monumentale kerkgebouwen, niet gesloopte woningbouwprojecten en aanbodgerichte smart-grid programma’s. Hun analyse: de problemen zijn er wel, maar het heeft geen zin ze als zodanig te behandelen. Er zijn voldoende kansen. Hun groepswerk loog er ook niet om. Beter is om positief te zijn en de beweging van onderop te faciliteren. De gemeente vonden ze ‘een gereserveerde facilitator’. Waarom de bewoners niet gewoon helpen en stimuleren?

De door de uit vakmensen van het stadsdeel bestaande jury waardeerde de groep studenten die aan de Wildemanbuurt hadden gewerkt het meest. Hun werk aan deze woonbuurt in Osdorp, achter de Sloterplas, die volgens de plannen van de gemeente en de woningcorporaties eigenlijk had moeten worden gesloopt maar die als gevolg van de crisis was gespaard gebleven, beschreven ze in een spannende, persoonlijke zoektocht. Via Garage Notweg, vertelden ze, waren ze in contact gekomen met bewonersgroepen die graag het heft in eigen handen hadden willen nemen en de openbare ruimte liefst hadden willen helpen inrichten en beheren, maar die letterlijk door hekwerken daarvan waren afgehouden. Hoe corporaties en gemeente over de bewoners dachten, illustreerden ze aan de hand van een foto van een metalen toegangshek dat als een erfafscheiding diende en dat door een van corporatie was aangebracht in de kennelijke verwachting dat de bewoners haar zouden voltooien met een heg of schutting. De studenten vonden het te gek voor woorden en pleitten van de weeromstuit voor ‘omgekeerde participatie’: bewoners nemen het voortouw en de gemeente mag ze misschien helpen. Hun boude voorstel om inspraakavonden te vervangen door ‘uitspraakavonden’ trof doel. Alle aanwezigen waren door hun betoog geroerd, de vertegenwoordigers van het stadsdeel niet uitgezonderd.

Tagged with:
 

Dit zijn wij

On 25 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 21 juni 2014:

Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boek over verhalen. Een samenvatting ervan verscheen in Sir Edmund, de bijlage van De Volkskrant, afgelopen weekeinde. In ‘Vertel. Over de kracht van verhalen’ doet ze precies wat ze in de titel belooft: schrijven over de kracht van verhalen. Daarmee sluit ze aan bij de narratieve stroming die ook in de wetenschap van de planologie tegenwoordig opgeld doet (althans rond mijn leerstoel) en die bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam de afgelopen tien jaar in de praktijk van de stadsontwikkeling veelvuldig werd beproefd. Want waaruit bestaat die kracht? Een samenvatting: verhalen brengen lijn in de gebeurtenissen, ze geven je greep op hoe het verder moet, ze vergroten je vermogen je te verplaatsen in andere rollen, ze verlichten je in een situatie van onzekerheid, ze maken de toekomst minder bedreigend, ze zijn voor iedereen te volgen, ze tonen de dilemma’s van het bestaan, ze geven richtlijnen over goed en kwaad, ze kunnen telkens opnieuw worden ingezet, ze maken duidelijk hoe je iets moet doen, ze helpen je bij de zoektocht naar identiteit, ze stomen je klaar voor een nieuwe toekomst, ze openen nieuwe perspectieven, ze maken het mogelijk om gedachten en associaties met elkaar te delen, ze geven een warm gevoel van verbondenheid.

Een sterk verhaal geeft het gevoel van: dit zijn wij, aldus Brinkgreve. In situaties van grote onzekerheid kunnen verhalen dus grote diensten bewijzen. Ook in de ruimtelijke ordening. De toekomst is immers per definitie ongewis. Het narratieve gehalte in de stadsontwikkeling en de ruimtelijke ordening is tot nu toe echter pover ontwikkeld. De planologie is heel instrumenteel geworden en ook totaal gejuridificeerd. Alleen mediation lijkt nog te kunnen helpen. Maar beter dan mediation is het herontdekken en weer losmaken van een narratieve werkwijze, ook al is dat in een technocratische omgeving buitengewoon ingewikkeld. Niemand houdt daar van verhalenvertellers. En voor je het weet zijn het weer de verleidelijke ontwerpen van de starchitects die de planners moeten redden. Dat liever niet. Zeker, ze verlichten je even, maar daarna ruik je onraad. Ze geven je bovendien weinig richtlijnen over goed en kwaad. Ze geven ook zelden een warm gevoel van verbondenheid. En ze tonen al helemaal niet de dilemma’s van het bestaan. Integendeel, ze walsen vaak met hun schone schijn over de dilemma’s heen. Vandaag neem ik na precies tien jaar afscheid van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam. Zou Brinkgreve niet een masterclass aan de Amsterdamse planologen kunnen geven?

Tagged with:
 

De weg en de waarheid

On 24 juni 2014, in infrastructuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All that is solide Melts Into Air’ (1982) van Marshall Berman:

Ergens moet het Modernisme voor de machine hebben gekozen, in plaats van de mens. Techniek wilden de internationale architecten humaniseren, dat wil zeggen dienstbaar maken aan het moderne leven. Ze omarmden haar, de industrie, de machines en dus ook de auto, volledig, omdat ze dachten dat deze de mensen comfort en een beter leven zouden brengen. Waren ze erdoor verblind? In 1948 publiceerde Siegfried Giedion  ‘Mechanization Takes Command’. Daarin onderzocht deze Zwitserse ideoloog van de CIAM – de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne – hoe de mechanisering ons moderne leven steeds meer beheerst en bepaalt. Beweging legde hij aan de basis van de vooruitgang en de auto zag hij als transportmiddel en snelheidsduivel bij uitstek die eind negentiende eeuw het privéleven van gewone stervelingen binnendrong. De auto, schreef hij, is de voorloper van de ‘volledige mechanisatie’ en de autosnelweg is de ultieme stedenbouwkundige uitdrukking ervan. Eerder, in ‘Space, Time and Architecture’ (1945), had hij al beschreven hoe de autosnelweg als parkweg onze grote steden binnendrong. Giedion: "In de eerste plaats vervult de parkweg een fundamentele wet van de stad in opkomst: hij scheidt de dooreengehaalde functies van het voertuig- en het voetgangersverkeer. Tevens brengt de parkweg de doodsteek aan de opvatting toe, als zou een verkeersweg een geïsoleerde baan zijn die maar ergens door het landschap heenslingert, doch er geen verband mee houdt." Je kunt er gelukkig niet langs wonen, merkte de ideoloog van het Modernisme op. "De parkweg wijst naar een verschiet waarin, nadat het hoognodige gedokter achter de rug is, de kunstmatig opgeblazen stad tot haar normale omvang zal zijn teruggebracht."

De autoweg als wapen tegen de grote stad. Wat een vergissing. Kijk naar de Gooiseweg/Wibautstraatcorridor, daterend van 1965, die na de IJtunnel in Amsterdam Noord overgaat in de Nieuwe Leeuwarderweg. Of neem de ‘Weg van de Broederschap en Eenheid’ die op last van Tito zowel oud als Nieuw Belgrado bruut doormidden klieft. Beide Modernistische autowegen hebben de oude en nieuwe stad bijna om zeep geholpen, ze omarmden het landschap maar isoleerden de aanpalende wijken. De Amerikaanse architectuurcriticus Marshall Berman zei het in 1982 zo mooi toen hij terugkeerde van een bezoek aan Brasiliá. De Brazilianen vervloekten de door Costa en Niemeyer ontworpen Modernistische stad, terwijl moderne architecten haar juist verafgooddden. Berman moest de gewone man gelijk geven. "My sense of what Brasiliá lacked brought me back to one of my book’s central themes, a theme that seemed so salient to me that I didn’t state it as clearly as it deserved: the importance of communication and dialogue." Modern klonk het misschien niet, voegde hij eraan toe, maar sinds het begin van de menselijke beschaving zijn onderlinge verstandhouding en dialoog de basis van alle bouwen en ontwerpen geweest. "We need to make the most of these possibilities; they should shape the way we organize our cities and our lives."

Tagged with:
 

Welvaartsverliezen

On 23 juni 2014, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Economic Survey: Netherlands (2010):

 

Een beetje laat misschien. Toch nuttig om te lezen: de analyse van de Nederlandse economie volgens de OECD in 2010. Ik las het hoofdstuk over de woningmarkt. Die is naar de maatstaven van de OECD te gereguleerd, allesbehalve flexibel. Dat komt doordat de overheid zich er teveel in mengt. Met 35 procent van alle woningen heeft Nederland veruit de grootste voorraad sociale huurwoningen; tegelijk zijn de wachtlijsten voor deze woningen in Nederland, Amsterdam voorop, het langst. Het totaal van woningen afgemeten aan de totale bevolking is in ons land vrij normaal, maar de toedeling van die voorraad aan inkomenscategorieën en de werkelijke vraag blijkt juist beroerd. Om kort te gaan, de Nederlandse woningmarkt is sterk aanbodgestuurd, door de overheid bepaald. Daarbij komt dat de al even overheidsgestuurde ruimtelijke ordening dit allemaal nog erger maakt: die is restrictief en reageert niet op de vraag. Ze maakt de woningbouw bovendien duurder: naar schatting wordt een derde van de woningprijs in Nederland door ruimtelijke ordening bepaald.

Ruimtelijk betekent dit dat mensen op de verkeerde plekken wonen, ver van hun werk, in de woning die zich eigenlijk liever niet willen. Sommige steden, zoals Amsterdam en Utrecht, kunnen bovendien niet voldoende groeien omdat de overheid met ruimtelijke maatregelen dit verhindert. De OECD schat dat Nederland hierdoor aanzienlijke welvaartsverliezen lijdt. Hoeveel precies kan ze niet zeggen: "It is difficult to estimate welfare losses because of the fact that physical planning regulations also prevent the reaping of agglomeration benefits from further growth of cities and indirectly depress labour supply." In de Randstad, constateert ze, zijn de agglomeratievoordelen het grootst en is de banengroei het sterkst, maar de vereiste woningen ontbreken daar. Daardoor worden weer agglomeratievoordelen gemist. Enzovoort. Extra woningen bouwen in de Randstad is dus dringend is nodig, terwijl elders in het land minder zou moeten worden gebouwd, maar dit moet wel vergezeld gaan van grotere lokale belastinginkomsten, want voorzieningen mogen in de Randstad niet achterblijven. De woningprijzen zouden flink kunnen dalen. We zijn inmiddels vier jaar verder. Iemand een idee hoe het ermee staat?

Tagged with:
 

Planning lags behind

On 20 juni 2014, in regionale planning, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Den Haag op 19 juni 2014:

We bevonden ons in Den Haag, waar op datzelfde moment de politiek de Noordvleugelprovincie afschoot. Eerst was er Amsterdam, toen Eindhoven. De presentatie van J.B. Kshirsagar, chief planner van de Town & Country Planning Organization van het Ministerie van Stedelijke Ontwikkeling van India, ging vervolgens over NCR, de National Capital Region van New Delhi. Het loog er allemaal niet om. Het plangebied van de NCR betreft de regio rond de Indiase hoofdstad, bestaande uit vijftien districten van drie lidstaten: Haryana, Rajastan en Uttar Pradesh. Vergeleken bij de presentaties van Eindhoven en Amsterdam bevonden we ons ineens in de overtreffende trap: een gebied van liefst 33.500 vierkante kilometer – dat is even groot als heel Nederland. Overigens, slechts vier procent daarvan is gemeente New Delhi. In de stad zelf wonen ruim 17 miljoen mensen; in de hele regio zijn dit meer dan 22 miljoen – 7,6 procent van de Indiase stedelijke bevolking. De NCR werd onlangs uitgebreid en telt nu 45 miljoen inwoners. De groei is onstuimig, al vlakt deze de laatste jaren enigszins af. In 1951 woonden nog slechts 1,7 miljoen mensen in Delhi; nu is dit het tienvoudige; in 2025 verwacht men een bevolkingsomvang van ruim 28 miljoen. NCR, opgericht in 1985, is bedoeld om deze enorme groei in goede banen te leiden. Planner Kshirsagar deed voorkomen dat dit ook lukte. Vooral de aanleg van infrastructuur in de regio achtte hij daarvoor essentieel: nieuwe autosnelwegen, metrolijnen en spoorwegen, alle gericht op nieuwe subcentra.

Buiten New Delhi willen de planologen vijf metropolitane centra bouwen, elf regionale subcentra, diverse service centra, centrale dorpen en basisdorpen: elk metropolitaan centrum moet uiteindelijk een miljoen inwoners gaan tellen. Het geheel moet ‘globale excellence’ uitstralen. Vandaar de reis naar Nederland, naar Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, om te leren van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Piece de resistance in India worden de zogenaamde ‘counter magnet areas’ in de aanpalende staten; ze zijn bedoeld om de migratie af te leiden en te voorkomen dat de enorme mensenmassa naar het ene centrum van New Delhi trekt. Dat centrum zou in dat geval bezwijken. Vijf counter magnet areas zijn er tot nu toe aangewezen. Het kunnen er meer worden. In een straal van 120 kilometer worden de nieuwe steden gepland. Wat schreef onlangs The Indian Express? Op 20 juni kopte ze: “NCR expands, planning lags”. Men heeft het gevoel dat de planologen de groei niet kunnen bijbenen. De nieuwe regering van premier Narendra Modi wil slagvaardigheid tonen. Wat gaat dit voor Groot-Delhi betekenen? Komt de nieuwe infrastructuur op tijd gereed? In Forbes (14 september 2011) las ik een interview met diezelfde Kshirsagar, ruim drie jaar geleden, waarin hij niet erg optimistisch was: “City planning experts say the administrative set-up needs radical changes if the situation is to be rectified. Some even go as far as to recommend doing away with the NCRPB. “It is time for the government to do away with the plan body and consider establishing a megapolis government that will have the necessary powers to plan for the holistic development of the region.”

Tagged with:
 

Placemaking

On 19 juni 2014, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gehoord op 18 juni 2013 in Amsterdam:

 

Fred Kent was in Amsterdam. Ik ontmoette hem in Bodega Keijzer, Van Baerlestraat. Twee dagen lang leidde de New Yorker een workshop op het Museumplein, Amsterdam. De bedenker van placemaking-strategieën probeerde met betrokkenen het Museumplein tot leven te wekken, omwonenden te betrekken, activiteiten op gang te brengen, net zoals hij ooit Bryant Park op Manhattan, New York, tot leven heeft gewekt. Want placemaking is ontwerpen van de openbare ruimte samen met gebruikers. Kent’s presentatie gisterochtend was erg goed, nee indrukwekkend. We moeten onze openbare ruimte heel anders inrichten, zei hij, we moeten haar niet meer ontwerpen, maar programmeren en activeren. Omwonenden, voegde hij eraan toe, hebben geweldige ideeën, dus gebruik ze, werk ermee. Het gaat sneller, is goedkoper, werkt lichter. De programmering van de openbare ruimte, zei hij, is belangrijker dan de vorm. De benadering die Kent volgt dient vele doelen, is holistisch, stimulerend, duurzaam, sociaal, open. ‘Placemaking’ maakt mensen blij, ze vormen gemeenschappen, tonen zich actief, zijn betrokken.

We spraken met name over Parijs, over oud-burgemeester Delanoë en de veranderingen die hij in het stadsbeeld heeft gebracht. Hij had het allemaal al vroeg begrepen. Met ‘Paris Plage’ had hij de wegen langs de Seine verkeersvrij gemaakt, waardoor mensen zich de openbare ruimte weer konden toe-eigenen; hierdoor werden wandelen en fietsen opnieuw geïntroduceerd in de binnenstad. Het resultaat is dat de Dienst Infrastructuur van de gemeente Parijs nu het wandelen heeft omarmd, de snelheden op de autowegen omlaag heeft gebracht, tientallen kruisingen als ’shared space’ heeft aangemerkt. Kent toonde zich hierover erg enthousiast. Er is geen weg meer terug, zei hij, steden die dit niet begrijpen zullen achterblijven. Stockholm dan, vroeg iemand? Die stad loopt toch voorop? Stockholm, repliceerde hij, is nog lang niet zover, want hoewel de stad zich afficheert als ‘walkable city’ tonen de ambtenaren zich er nog steeds arrogant, betweterig. ‘Place Making’ is nu eenmaal radicaal: alle principes worden erdoor omgedraaid. De stad – de stedelijke ruimte – is van de mensen, niet van het verkeer, de ambtenaren, de ontwerpers of de politie. Hij knikte me toe: “Does this make sense to you?”

Tagged with:
 

Leegstand

On 18 juni 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 26 februari 2014:

De mevrouw riep het, luidkeels. Dat het een schande was dat er zoveel vastgoed in dit land leegstaat. Haar toon en opmerking bevielen de presentator niet. We hadden het die avond immers over ‘de ideale stad’. Leegstand paste niet in het ideaalplaatje. In De Balie aan het Kleine-Gartmanplantsoen werden maandagavond vier wetenschappers aan de tand gevoeld over de stad, verstedelijking, stad en land, geluk, stedenbouw, en dat voor een uitverkochte zaal. De avond was georganiseerd door De Balie, De Volkskrant, KNAW en NEMO. Over de ideale stad praten durfde eigenlijk geen van hen; sinds de jaren zeventig hebben experts het liever over ‘de goede stad’ of ‘de rechtvaardige stad’. Dat is al ambitieus genoeg. En hoe zo’n goede stad eruit ziet, daarover verschilden ze ook van mening. De Nederlandse steden komen dicht in de buurt, vond iemand. Een ander meende dat dorpsachtig bewoonde steden mensen het gelukkigst maken. Weer een ander meende dat schoonheid ook iets uitmaakt. "De meeste mensen vinden Amsterdam iets mooier dan Almere," stelde Martijn Burger, die aan de Erasmus Universiteit onderzoek doet naar menselijk welbevinden. Daarom wordt Amsterdam als woonstad volgens hem aantrekkelijker gevonden. Maar mensen zijn iets gelukkiger op het platteland, voegde hij eraan toe.

Jammer dat die leegstand buiten de orde viel. Die neemt namelijk alleen maar toe. De kantorenleegstand blijkt structureel en kan niet meer alleen geweten worden aan conjuncturele schommelingen. Het werken zelf verandert, het aantal benodigde vierkante meters neemt al jaren af. Hetzelfde geldt voor winkels. Ons winkelgedrag is aan snelle verandering onderhevig, steeds meer mensen doen hun inkopen via internet. Maar we willen het niet weten. En planologie zetten we het liefste overboord. Zelfs woningen staan op grote schaal leeg. Begin dit jaar waren dat er al 350.000. Dat is liefst vijf procent van de totale woningvoorraad van dit land. Een gezonde leegstand bedraagt niet meer dan twee procent. Het zijn woningen die sloop wacht, zoals in Amsterdam, of verkoop. De meeste bevinden zich in de periferie. Daarnaast worden veel woningen illegaal bewoond. Ook in Italië, Duitsland en Frankrijk staan erg veel woningen leeg: elk van die landen telt er al zeker twee miljoen. In Groot Brittannië zijn het er 700.000. Investeerders speculeerden hier, gemeenten krompen maar wilden het niet weten, plattelandsgebieden lopen leeg. Het onderwerp is taboe, het is iets waarover we het liefst niet spreken. Liever hebben we het over ideale steden, over dorpsachtig bewoonde steden. En over een idyllisch platteland.

Tagged with: