Amsterdamlezing #2

On 16 januari 2015, in planningtheorie, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Pieter Hooimeijer en Zef Hemel zullen de tweede Amsterdamlezing van 2015 voor hun rekening nemen. Op 9 februari spreken zij over de intelligentie en innovatiekracht van steden in het algemeen en Amsterdam in het bijzonder. Hooimeijer, die sociale geografie en demografie aan de Universiteit Utrecht doceert, zal de avond modereren; Hemel zal vanuit de planologische invalshoek de inleiding verzorgen. Met de lezing willen wij het beeld van Amsterdam als kennisstad aanvullen met kennis uit de geografie en de planologie. Hooimeijer zal dat mede doen als lid van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) die in april 2014 een belangwekkend rapport aan de Nederlandse regering publiceerde over de toekomst van de stad. Was is die toekomst van steden eigenlijk en hoe belangrijk is wetenschappelijke kennis daarin precies? Vermoedelijk zal Hooimeijer de plaats en betekenis van universiteiten in die toekomst, en zelfs de rol van steden daarin, relativeren. Ikzelf denk dat deze rol juist bepalend is.

Waarom bepalend? De oorsprong van het denken over geavanceerde stedelijke kennisproductie moet gezocht worden langs de boorden van de Grote Oceaan: Japan, Taiwan, Singapore, bovenal Silicon Valley. Ver van Nederland dus. Geografische studies naar het succes van de Bay Area vonden hun oorsprong in Los Angeles, waar wetenschappers het raadselachtige succes van Silicon Valley probeerden te verklaren. ‘Technopoles’, later ‘Cybercities’, ‘Informational Cities’, nog weer later ‘Smart Cities’ werden dit soort hoogtechnologische steden genoemd. Stanford University leek de sleutel. Begin 2000 werden aan die ene T van Technologie nog twee T’s toegevoegd, te weten Talent en Tolerantie. ‘Creatieve steden’ boordevol jong, hoogopgeleid talent werden nu uitgeroepen tot de winnaars in de eenentwintigste eeuw. Belangrijker dan het begrip waren de bestanddelen: Science Parks, ‘Valleys’, clusters, campussen, ‘startup ecosystems’, de begrippen duidden op nabijheid, de grote betekenis van de regionale schaal en van mondiale stedelijke netwerken. En het belang van praktische lokale kennis – metis. Met als gevolg een relativering van de natie-staat. Een overzicht van dit vertoog krijgt u op 9 februari 2015. Locatie: CREA, Roeterseiland.

Bestemming worden

On 15 januari 2015, in openbare ruimte, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Zaanstad en Almere op 2 januari 2015:

Tijdens de feestdagen twee nieuwe winkelcentra bekeken: dat van Zaanstad en Almere. Ik was onder de indruk. Misschien kwam het door het mooie winterweer, misschien ook door de vrolijke kerstdrukte. Beide winkelcentra werden een paar jaar geleden opgeleverd, beide proberen een hoogwaardig middelpunt met eigen voorzieningen en een eigen identiteit te creëren in een voorstedelijke setting van overwegend dorpsgewijze bewoning, alles onder de rook van Amsterdam. Beide verbinden het treinstation met het water via een winkelstraat. Beide maken daarbij gebruik van een stadhuis, een bioscoopcomplex, een busstation, een hotel en het water. Beide bieden een prettige verblijfsruimte voor wandelaars. O ja, beide gemeenten zijn ongeveer even groot en beide worstelen met de nabijheid van Amsterdam, dat alle voorzieningen al in ruime mate heeft. Immers, voor de inwoners van zowel Zaanstad als Almere is Amsterdam een ideale bestemming, omgekeerd worden zij voor de Amsterdammers nooit een bestemming, wat ze ook doen. Sterker, met de bouw van hun winkelapparaat lopen zij het risico hun eigen winkelstand te ondergraven. Het internet-winkelen zal hen bovendien als eerste bereiken.

Maar de verschillen tussen de twee waren even opvallend. Zaanstad koos voor retro, Almere voor het modernisme. Almere bestaat uit één groot hellend gebouw, Zaanstad bestaat uit een labyrint van bruggen. Almere omarmt de auto, Zaanstad bedient vooral de fiets en het openbaar vervoer. Het jongere Almere heeft het voordeel van een treinstation à niveau, bij Zaanstad liggen de sporen op het maaiveld, wat de ontsluiting veel moeilijker maakt. In Almere domineren de landelijke ketens, in Zaanstad profiteert de plaatselijke middenstand. Almere heeft een schitterende openbare bibliotheek toegevoegd, in Zaanstad heb ik die niet kunnen ontdekken (blijkt in de Verkadefabriek aan de Zaan te zijn gevestigd). Almere heeft meer uitgepakt dan Zaanstad. Zaanstad is ook armer dan Almere. Nog een verschil: in Almere draait niet de film Mr. Turner, dit tot groot ongenoegen van sommige Almeerders, maar in Zaanstad draait hij wel. Daarvoor moet je in Zaanstad wel naar De Fabriek aan de overzijde van de Zaan, want in het nieuwe winkelcentrum draait hij niet. In Amsterdam draait Mr. Turner in vier bioscopen op tien verschillende tijden. Toch raadt iemand op internet aan een treinreis naar Groningen te wagen voor het zien van de film. Grappig.

Tagged with:
 

Criminal Campus

On 14 januari 2015, in politiek, sociaal, by Zef Hemel

Source: The Guardian of 12 January 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Just another word on Paris and on the significance of proximity. Earlier I wrote about La Grande Borne, the sad residential suburb of Grigny where all three protagonists from Charlie the drama grew up and spent their troubled youth. The actual encounter between the young men however did not take place there but in prison. To be precise: in Fleury-Mérogis, located in the south of Paris. In The Guardian I read an article about this prison, the biggest one in Europe. The men’s department alone holds 3,800 offenders. The complex is 180 acres big, dates from the 60s and used to be considered as a model prison. When the three were imprisoned, the penitentiary was in decay and had become a center of violence, drug abuse and suicide. The Guardian, quoting a report of the International Observatory of Prisons, wrote: "Space in overcrowded cells was less than animals were afforded usually." The jail was a social dustbin. Already in 2008, detainees smuggled video recordings out to show the world how bad the conditions were. In this prison the boys came in contact with Djamel Beghal, the terrorist who brought them on the trail of Islamic fundamentalism. The prison is not only a social dustbin, but also and above all a campus for criminal intelligence. The form of the prison actually seems a bit like the new Google campus in Silicon Valley.

I recalled an essay by the Dutch architectural historian Vincent van Rossem, published in the Yearbook of Dutch Architecture from 1990 to 1991. Title of his discourse: "Architecture and punishment; a tough love.” Van Rossem responded to the massive building boom in the Dutch prison system, conducted by the then Government Building Department on the whim of the government. Everywhere across the country new penitentiaries appeared. How the hell could you review this kind of architecture? Van Rossem predicted doom. With so many detainees in close proximity, there is only more misery to come. I understood that in the coming years many prisons in the Netherlands will close their ports. People worry about job losses. But shouldn’t we be happy instead? The less prisons, the better. Much harm may already be done. In the coming years, we still expect many unpleasant surprises. At this time, Fleury-Mérogis is being refurbished. For Amédy Coulibaly, Saïd and Chérif Kouachi however this comes too late.

Tagged with:
 

Criminele campus

On 14 januari 2015, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 12 januari 2015:

prison-fleury-merogis.jpg

Nog even over Parijs. En over de betekenis van nabijheid. Eerder schreef ik over La Grande Borne, de treurige woonwijk in voorstad Grigny waar alle drie hoofdrolspelers in het Charlie-drama opgroeiden en hun beroerde jeugd doorbrachten. De daadwerkelijke ontmoeting tussen de jonge mannen vond echter niet daar plaats, maar in de gevangenis. Om precies te zijn: in Fleury-Mérogis, ten zuiden van Parijs. In The Guardian las ik een beschrijving van deze allergrootste gevangenis van Europa. Alleen al de mannenafdeling telt 3800 delinquenten. Het terrein is 180 hectare groot. Het complex dateert uit de jaren ‘60 en was destijds een modelgevangenis. Toen de drie er gevangen zaten was hij verloederd en verworden tot een centrum van geweld, drugsmisbruik en zelfmoord. The Guardian, een rapport citerend van de International Observatory of Prisons, schreef: “Space in overcrowded cells was less than animals were usually afforded.” De gevangenis was een ‘sociale vuilnisbak’ (social dustbin). Al in 2008 werden door gevangenen video-opnamen naar buiten gesmokkeld om te laten zien hoe beroerd de omstandigheden waren. Hier kwamen de jongens in contact met Djamel Beghal, de terrorist die hen op het spoor bracht van het islamitische fundamentalisme. De gevangenis is dus niet alleen een sociale afvalbak, maar ook en vooral een campus voor criminele intelligentie. De vorm lijkt zowaar ook een beetje op die van de nieuwe Google campus in Silicon Valley.

Ik moest terugdenken aan een essay van architectuurhistoricus Vincent van Rossem, ooit verschenen in het Jaarboek Architectuur van 1990-1991. Titel van zijn betoog: ‘Architectuur en straf; een moeizame liefde’. Van Rossem reageerde op de enorme bouwwoede in het Nederlandse gevangeniswezen, uitgevoerd door de toenmalige Rijksgebouwendienst, op last van de regering. Overal in het land verschenen nieuwe penitentiaire inrichtingen. Hoe moest je in godsnaam dit soort architectuur recenseren? Van Rossem voorspelde veel onheil. Zoveel misdaad op een kluitje, daar kan alleen ellende van komen. Ik begreep dat de komende jaren veel gevangenissen in Nederland hun poorten weer zullen sluiten. Mensen maken zich druk over verlies van werkgelegenheid. Maar moeten we niet juist blij zijn? Hoe minder gevangenissen, hoe beter. Veel kwaad is misschien al geschied. De komende jaren wachten ons nog vele onplezierige verrassingen. Op dit moment wordt Fleury-Mérogis trouwens opgeknapt. Voor Amédy Coulibaly en Saïd en Chérif Kouachi komt het te laat.

Tagged with:
 

Beter dan verdichten?

On 13 januari 2015, in sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le plus grand Paris’ (1970) van Jean Vaujour:

La Grande borne à Grigny (Essonne), quartier classé

Afgelopen zondag stonden we zowaar op Place de la République, Parijs, machteloos te staren naar de immense menigte in zwart geklede Parijzenaars. De moord op zeventien Fransen was toen amper 24 uur achter de rug. Alle aandacht van de pers ging uit naar het beroemde stadscentrum, de boulevards tussen Nation en République en het grote plein zelf. Anderhalf miljoen Fransen verenigd in het centrale consumptieparadijs om de eenheid te bevestigen en het leed met elkaar te delen. ‘s Avonds weer thuis in Amsterdam las ik de kranten er op na. In Het Parool zag ik een grote luchtfoto van banlieu Pantin, Bobigny, óók Parijs. De kop: ‘Hier kon radicalisme groeien.’ Het bijbehorende artikel van de hand van Tobias den Hartog schetst de uitzichtloosheid van Pantin, in het bijzonder van La Grande Borne, waar de broers, tevens daders Kouachi en ook Coulibaly opgroeiden. Pantin: het is één lange strip van kille flats. “De Parijse grandeur is lichtjaren verwijderd.”

Tijdens mijn studie, eind jaren zeventig, was uitgerekend La Grande Borne de bestemming van menig planologische excursie. Deze toentertijd spiksplinternieuwe woonwijk in de nieuwe stad Grigny ten zuiden van Parijs was een toonbeeld van stedenbouwkundig vernuft, met ranke torens en gebogen, felgekleurde woonblokken in een uitgestrekt grastapijt. Een soort Almere. De frisse wijk, ontworpen door Emile Aillaud, liep over van de goede bedoelingen. Over Bobigny: “L’objectif poursuivi c’est de créer des ensembles compacts, ayant une structure solide, composés des élements-supports d’une vie sociale complete.” De planologische oplossing van toen – een nieuwe stad, in lage dichtheid gebouwd, met collectieve openbare ruimtes, dominante sociale woningbouw, ontsluiting per trein – achtte men veel beter dan de grote stad Parijs zelf verdichten. Jean Vaujour schreef destijds: “Cette politique est beaucoup plus apte a protéger la vocation des cités traditionelles que le ‘laisser-faire’ qui aboutirait tot ou tard a les enserrer dans une immense banlieu parisienne sans vie propre et sans beauté.” Hoe onnozel heeft men kunnen zijn.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #5

On 12 januari 2015, in filosofie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Bas-Haring

Op 9 maart 2015 spreekt filosoof Bas Haring de vijfde Amsterdamlezing van dit jaar. Haring is sinds 2006 hoogleraar ‘Publiek begrip van wetenschap’ aan de Universiteit Leiden. De wetenschap die hij de laatste jaren vooral wil begrijpen is de economische. Die staat sinds de financiële crisis danig in de belangstelling. Zelf heeft Haring meer affiniteit met de natuurwetenschappen en is economie voor hem een onbekend terrein. Hij ging daarom colleges economie volgen en schreef er in de Volkskrant stukken over. Wat hem zoal opvalt? Het maatpak dat tot de standaarduitrusting van bankiers behoort. Voor hem staat het symbool voor een eenzijdige cultuur die gemakkelijk tot ontsporingen leidt. Het abstracte karakter van geld. Die abstractie kan ertoe leiden dat mensen zich niet meer verantwoordelijk voelen voor wat er met hun geld gebeurt. Bankiers die zelf veel geld verdienen. Haring doet het denken aan zijn bijbaantje in een dropkraam op de markt. “Van de eigenaar mocht ik zoveel drop eten als ik wilde. Hij zei: ons product is drop, dus is het goed dat je daar zelf ook van eet.” Dit vertelde hij allemaal in een interview met de Triodos Bank.

Voor de NWO Geesteswetenschappen schreef Haring een essay over kennisvalorisatie, zeg maar: de waarde van wetenschappelijke kennis. In ‘Kunstgebitten, machines en stof’ (maart 2014) noteert hij: “Van sommige kennis is de economische waarde, het geldbedrag, makkelijk te bepalen. Het makkelijkst is dat bij kennis die kosten bespaart.” Typisch Haring. Maar bij andere soorten kennis – bijvoorbeeld over tolerantie, multiculturaliteit en toneel – is dit al veel moeilijker. Haring: “Los van reflecties over waarde, de meetbaarheid ervan en het verschil tussen economische waarde en waarde in het algemeen, is een ding zeker: kennis die niet gekend wordt is waardeloos.” De rest van zijn essay is vooral een pleidooi om wetenschappelijke kennis beter te verspreiden en te delen. Liefst op onorthodoxe, ludieke wijze. Hij geeft er mooie voorbeelden van. Zoals de kunstgebittenverzameling van Guus Flögel. Wilt u er meer over weten? Kom dan maandagavond 9 maart om 20.00 uur naar CREA, Roeterseiland. Wel eerst aanmelden op de website van de UvA.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #4

On 9 januari 2015, in gezondheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Foto: Danny Schwarz

Jaap Seidell is de vierde spreker in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen gewijd aan het thema ‘Amsterdam kennisstad’. Seidell is universiteitshoogleraar Overgewicht, voeding en chronische ziekten aan de Vrije Universiteit. Van zijn hand verscheen onlangs ‘Het voedsellabyrint’, een boek over al die eetadviezen. Universiteitskrant Folia typeerde hem onlangs als wetenschapper die niet van de ivoren toren is. Hij schrijft columns in Het Parool en twittert over gezondheid en voeding. Samen met Arnoud Verhoeff, epidemioloog bij de GGD, is hij betrokken bij de oprichting van het Sarphati Institute. Dat is een nieuw instituut waarin UvA, VU, AMC, VUmc, GGD en bedrijfsleven samen onderzoek doen naar nieuwe epidemische ziekten in grote steden. Zoals obesitas. Overgewicht heeft alles te maken met armoede. Arme mensen eten te vet, te zoet, te zout. Veelal eten ze ongezond. Mensen met de laagste opleiding hebben dan ook het meeste last van obesitas. Hun levensverwachting is jaren korter dan die van hoogopgeleiden. Vooral kinderen. “Als je van Amsterdam-Zuid naar West fietst, kom je ineens terecht tussen een bevolking die vijftien jaar langer ongezond is en acht jaar korter leeft.” Acht jaar!

Seidell is betrokken bij het veelomvattende plan Amsterdam Gezond Gewicht van wethouder Eric van der Burg (VVD). Kern van de Amsterdamse aanpak is de omgeving te veranderen waarin kinderen opgroeien. Wijken moeten weer stimulerend worden gemaakt voor gezond gedrag. Tegenover VUmc verklaarde de hoogleraar dat  je daarmee in een klap vele problemen zult oplossen: “de verkeersveiligheid neemt toe, het leefmilieu wordt gezonder, de schoolprestaties stijgen en je krijgt meer sociale integratie en participatie.” Voedsel en beweging als sleutel voor een beter ingerichte stad. In 2033 moet het probleem in Amsterdam zijn opgelost. Maar hoe gaan we dat voor elkaar krijgen? Is niet eerder participatie de sleutel? Zomaar een vraag. Seidell zal er op maandagavond 2 maart 2015 om 20.00 uur op reageren. Locatie: CREA, Roeterseiland. Toegang gratis. Aanmelden vooraf wel verplicht.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing #3

On 8 januari 2015, in technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op uva.nl van 19 november 2014:

Patti Valkenburg schreef een boek over mediagebruik door kinderen. Zeg maar: het gebruik van smartphones, iPads, games op computers door onze Nederlandse jeugd. Valkenburg is universiteitshoogleraar Media, jeugd en samenleving aan de UvA. In 2003 stichtte ze aan de Universiteit van Amsterdam het Onderzoekscentrum Jeugd en Media, nu één van de grootste in zijn soort wereldwijd.In ‘Schermgaande jeugd’ geeft ze antwoord op de vraag of ouders hun kinderen moeten beschermen tegen hun mediagebruik. Kinderen zitten namelijk gemiddeld zes uur per dag achter een scherm. In de derde Amsterdam Lezing van 2015, op maandagavond 16 februari 2015 om 20.00 uur, zal ze haar antwoord verder inkleuren met voorbeelden uit eigen wetenschappelijk onderzoek. Op de website van de UvA lees ik: “Valkenburg laat zien dat de meeste kinderen baat hebben bij de nieuwste generatie schermmedia: hun cognitieve en sociale vaardigheden nemen toe, en hun vriendschappen en zelfvertrouwen worden gestimuleerd.” Dat is goed nieuws.

Maar een kleine groep kinderen vergaat het minder goed. Die is verslaafd aan games. Dat zijn de zogenaamde pathologische gamers. Valkenburg schat deze groep op zo’n vijf procent. En voor de rest geldt dat kinderen inmenging door hun ouders in hun schermgebruik  niet tolereren. Dat rekenen ze namelijk tot hun privédomein. Wat moeten of kunnen ouders dan nog doen? Valkenburg meent dat een autonomie-bevorderende opvoeding het beste werkt. Daarbinnen ontwikkelt het kind voldoende zelfcontrole. “Bijvoorbeeld: geen apparaten aan tafel tijdens het eten en geen telefoon na een bepaalde tijd in de avond.” Duidelijke afspraken dus. Alle andere zaken kunt u zelf aan haar vragen tijdens de Amsterdam Lezing, want daarvoor is voldoende tijd. Zelf ben ik het meeste benieuwd naar de pathologische gamers. Hoe zit dat precies en wat kunnen we daaraan doen? U moet zich vooraf aanmelden. Locatie: CREA, Roeterseiland.

Tagged with:
 

Exit Smart City?

On 7 januari 2015, in bestuur, technologie, by Zef Hemel

Gelezen op ‘Digital Minds for a New Europe’ (september 2014) van Rem Koolhaas:

Rio operations center- interior

Op 24 september 2014 hield Rem Koolhaas in Brussel een opmerkelijke lezing voor de High Level Group van de EU over ‘Smart Cities’. De oude Nederlandse architect (1944) was uiterst kritisch, of was het somberte? Cynisme? Hij zei: “The city triumphed at the very moment that thinking about the city stopped.” Hoezo gestopt? Bij stadsontwikkeling, aldus Koolhaas, gaat het tegenwoordig niet meer om vormgeven aan gemeenschappen, zoals architecten altijd deden (“Architecture used to be about the creation of community”) , maar om comfort, veiligheid, controle, duurzaamheid en zelfs het vermijden van rampen als klimaatverandering door toepassing van geavanceerde stedelijke technologieën. Grote bedrijven hebben de stad als afzetmarkt ontdekt en burgemeesters laten hun oren hiernaar hangen. Welke burgemeester wil niet ‘slim’ zijn, aldus Koolhaas. Het toekomstbeeld van de stad is volgens hem dood. “If you look at Silicon Valley you see that the greatest innovators in the digital field have created a bland suburban environment that is becoming increasingly exclusive, its tech bubles insulated from the public sphere.”

Volgens Koolhaas hebben de grote bedrijven de stad afgepakt van de architecten. Vooral op Benjamin Barber’s pleidooi om burgemeesters de wereld te laten regeren (‘If Mayors Ruled the World’) richt hij zijn giftige pijlen. Burgemeesters zijn volgens hem bij uitstek vatbaar voor de retoriek van de markt. “This confluence of rhetoric – the ‘smart city’, the ‘creative class’, and ‘innovation’ – is creating a stronger and stronger argument for consolidation.” De controlekamer van IBM in Rio de Janeiro (foto) staat voor hem symbool voor een stad die in toenemende mate wordt ingericht als een ‘comprehensive surveillance system’. Kortom, de politiek moet de stad weer teruggeven aan de architecten. En de architecten, die in de jaren negentig massaal voor de markt zijn gaan werken, moeten de politiek weer bestoken met spannende toekomstbeelden. Over participatieve community planning, mede mogelijk gemaakt door de nieuwe technologie, sprak de grote architect met geen woord.

Tagged with:
 

Stadstaat NL

On 6 januari 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in FD van 20 december 2014:

Agora_van_Athene.jpg

FD interviewde Jeroen van der Veer, oud-topman van Shell. Het gesprek ging over Nederland, over onze toekomst, over robotisering, over het gevaar van de klimaatverandering, over de economische crisis, over globalisering. Zijn we er klaar voor? Wat moeten we doen? Van der Veer: "We zouden eigenlijk een wat strengere overheid moeten hebben die het land meer als een stadstaat regeert. We zitten nog te veel vast aan het oude CDA-denken: dat we heel veel platteland hebben in Nederland. Onzin natuurlijk. 60% van de bevolking woont al in steden. We hebben net zoveel inwoners als groter New York." Vervolgens klaagt Van der Veer over het grote aantal volksvertegenwoordigers in raden, staten en kamers. Vijfduizend in Nederland tegenover vijfhonderd in New York. Dat kan dus minder. Elke gemeente zijn eigen beleid? Nonsens. Singapore is zijn voorbeeld. Ziedaar het nieuwe denken over Nederland, opgevat als een stadstaat. Centraliseren en sterker regeren vanuit Den Haag dus.

En dat terwijl precies het omgekeerde moet gebeuren. Minder vanuit Den Haag, meer vanuit de steden, van onderop dus. Antifragiel noemt Taleb dat. Dat houdt in: sneller reageren op groeiende onzekerheid, meer experimenteren, veel fouten maken maar kleinere, grotere betrokkenheid, minder streng, juist zachter, menselijker, lokaler, dichter bij de realiteit, meer als Zwitserland. Waarom pleit Van der Veer juist voor het omgekeerde? Geen idee. Nogmaals, kennelijk is Singapore zijn grote voorbeeld. Bij hem minder democratie dus, meer autocratie, geen civil society, maar het grote bedrijfsleven. Waakt u voor Den Haag, kijk uit voor de stadstaat, let op Koninklijke Shell. Al heeft Van der Veer natuurlijk wel een punt. We moeten meer vanuit steden denken, niet vanuit Den Haag. Geen centralisatie dus, maar structurele decentralisatie. En Nederland is niet één stad. Daarvoor is alles te gefragmenteerd. Dat betekent allerminst dat de provincie straks regeert. We moeten naar de maat van de global city-region. Wat houdt dat in?

Tagged with: