Gehoord op 7 juli 2014 in de Academie van Bouwkunst Amsterdam:

Wat heeft Evert Verhagen zoal geleerd tijdens de bouw en ontwikkeling van de Westergasfabriek in Amsterdam? Veel, heel veel. In het publieksprogramma van summer school ‘Thinking City’ sprak hij voor een stampvolle zaal over zijn recente werk in Amsterdam. In 2004 kwam het culturele complex aan de Ponceaukade eindelijk gereed. Er was veel aan voorafgegaan. Verhagen was indertijd gemeentelijk projectmanager. De twaalf hectare vervuilde grond onder de oude gasfabriek werd in 1992 door de gemeente verworven, moest eerst worden schoongemaakt, de historische gebouwen gered, een nieuw park ontworpen, en steeds was er ongeloof en geldgebrek. Verhagen begon daarom met het tijdelijk programmeren van de oude gebouwen. Want wat de krakers konden, dat kon hier ook. Cultuur kreeg van hem volop de ruimte. Dat programmeren deed hij vijf jaar lang. Daardoor begon er iets te veranderen; mensen ontdekten het gebied, ze vonden de gebouwen steeds mooier, er kwam geld. Een programma, zei hij, is veel belangrijker dan de architectuur. Pas na het programmeren startte hij met plannen maken. In die lange periode van transitie viel er, aldus Verhagen, het meeste te leren. Dat was ook zijn belangrijkste les: tijdens transities gebeurt het, dan moet je goed opletten.

Transformaties zijn moeilijk en zwaar. In het begin is er helemaal niets, en niemand gelooft je. Maar plekken maken waar jonge mensen elkaar ontmoeten, wist Verhagen, zijn hard nodig in een grote stad. Dus hield hij moed. Alles, zei hij, draait om mensen. Ook voor de programmering gaat het om het vinden van de juiste man of vrouw. Zijn of haar netwerk van vrienden en relaties is namelijk cruciaal. Elke stad moet hierin investeren. Als nieuwste voorbeeld gaf Verhagen het voormalige abattoir in Casablanca, Marokko, waarbij hij als adviseur ook betrokken is. De Afrikaanse stad telt vijf miljoen inwoners, de meeste ervan zijn jong. Toch valt er weinig tot niets voor hen te beleven. In de abattoirs – L’Batoir – worden nu voorstellingen gegeven, een tijdelijke culturele programmering voedt de wens van een nieuw centrum in het hart van de metropool. Dat gaat er ook komen. Elke stad in de wereld, aldus Verhagen, kan het. Elke stad verdient het. Het gaat om de jonge mensen, om groot talent, van rond de dertig. Die verhuizen gemakkelijk. Die moet je aan je binden. Goed programmeren is daarvoor cruciaal.

Tagged with:
 

Normaal

On 9 juli 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Influence of Bike Share Systems on Cycling Behavior’ van Seth Lowe:

Deze week studeerde de Amerikaanse planoloog Seth Lowe af aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar fietsdeelsystemen in een aantal grote steden. Marco te Brömmelstroet was zijn begeleider. De gehanteerde systemen in Parijs, Rome, Melbourne en Barcelona vergeleek Lowe met elkaar. Alle vier ‘bike share systems’ vormen derde generatie-deelsystemen die door GPS-technieken voldoende vandalismebestendig zijn. De oudste zijn die van Parijs en Barcelona (2007), de jongste is die van Melbourne, Australië (2010). In zijn onderzoek richtte hij zich met name op de karakteristieken van de gebruikte fietsen. De steden koos hij om verschillende fietstypen te evalueren. Welk fiets wordt door de meeste gebruikers geprefereerd? Bijna tweehonderd personen in de vier steden interviewde hij, die hij eenvoudig kon bereiken via Facebook en Twitter. Aansluitend interviewde hij nog achttien fietsreparatiewinkels en fietsexperts in de vier steden. Wat bleek? Vrijwel iedereen wil het liefste een gewone stadsfiets van het Nederlandse type. Dat was opmerkelijk, want veel partijen meenden dat deelfietsen ultramodern en juist sportief moeten zijn.

Toch is het logisch. In het algemeen bleek dat gebruikers van de fietsdeelsystemen vooral willen dat fietsen als activiteit in hun eigen stad gewoon, normaal, wordt. Lowe: "that respondents want to seem as ‘normal’ als possible." Sterker, hun diepste verlangen is dat via de fietsdeelsystemen steeds meer mensen, net als zij, zullen gaan fietsen en dat niemand meer opkijkt als ze een fietser tegenkomen in het verkeer. Afwijkend fietsgedrag en uitgesproken fietsuitrusting (helmen) worden daarom ook niet gewaardeerd. Men wil geen subcultuur of sekte lijken. "There was a general consensus that the bikes used in different systems should stand out and be identifiable but in a tasteful way that represents the city." De geïnterviewden in alle vier steden verkozen het type fiets dat gebruikt wordt in Rome boven alle andere. Dat is overigens het fietstype in het slechtst presterende fietsdeelsysteem van alle vier steden, al schijnt Turijn, waar hetzelfde type fiets wordt gebruikt, wèl succesvol te zijn.

Tagged with:
 

Dynamische agglomeraties

On 8 juli 2014, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in De Balie, Amsterdam, op 2 juli 2014:


In De Balie aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam vond afgelopen week – in besloten kring – een gedenkwaardig beraad plaats van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing. Ruim twintig betrokkenen spraken onder leiding van Yoeri Albrecht over de toekomst van Nederland. Onderwerp: toenemende ruimtelijk-economische verschillen tussen stedelijke regio’s. Taco van Hoek, directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw, was een van de inleiders. Hij toonde drie LT-scenario’s voor ons land, een van sterke groei (Dynamische agglomeraties), gemiddelde groei (Evenwichtige groei) en geringe groei (Ruimtelijke segregatie). Er komen nog een miljoen huishoudens bij, zei hij, dus gebouwd zal er moeten worden. In alle drie scenario’s is ook nog sprake van welvaartsgroei, maar door de stijgende zorguitgaven en de vergrijzende bevolking zal veel van die groei weer worden tenietgedaan. Alleen in Dynamische agglomeraties zal Nederland nog in welvaart sterk blijven groeien.

Arbeidsaanbod, aldus Van Hoek, wordt key. In plaats van bedrijven aan te trekken, zullen steden en regio’s hun inspanningen in toenemende mate moeten gaan richten op mensen, om hen te paaien vooral te blijven. In twee van de drie scenario’s zal het arbeidsaanbod namelijk sterk krimpen. Vooral in bepaalde regio’s zal krimp optreden, daar staat de beroepsbevolking nu al onder druk. In scenario Ruimtelijke segregatie zal zelfs de helft van de Nederlandse regio’s gaan krimpen (sic!). Hij voorspelde daarom de komende jaren ‘een slag om het arbeidsaanbod’. De woningmarkt zal hiervoor zeker worden gebruikt. Drukgebieden als Amsterdam en Utrecht zullen volgens hem veel meer moeten bouwen, maar de rest van het land zal het ook willen, bang als het is om arbeidskrachten te verliezen. Er komt dus hevige concurrentie. De noordelijke Randstad, zei hij, zal daarom veel minder restrictief ruimtelijk beleid moeten gaan voeren, om lagere grondprijzen te forceren. Anders verliest het mensen aan krimpregio’s. Want een tegenbeweging sluit hij niet uit: van mensen die Amsterdam en Utrecht gewoon te duur vinden en elders neerstrijken. Het roer moet daar dus om, bij Amsterdam. En snel ook. Gebeurt dit niet, dan raakt straks alles ruimtelijk gespreid en krijgt Nederland geen scenario Dynamische agglomeraties. Dan krijgen we, als totaal, ook veel minder economische groei.

Tagged with:
 

Organisch

On 6 juli 2014, in planningtheorie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Peripheries’ (2014) van Federico Savini:

Afgelopen week promoveerde Federico Savini aan de Universiteit van Amsterdam op de planning van de grootstedelijke periferie in een aantal Europese metropolen. Zijn invalshoek: de politieke dilemma’s die planners tegenkomen als ze gemeentegrensoverschrijdend, ver buiten het centrum van de kernstad, onbestemde gebieden willen ontwikkelen. Hij vergeleek situaties in de randen van Parijs, Milaan en Amsterdam met elkaar. In Parijs betrof het de Noordoostzone, in Milaan het zogenaamde Falck-project in het noorden, in Amsterdam de planning van het Zaan-IJ-gebied. Het is een knap werkstuk geworden over spanningen, dilemma’s en opgaven die planners in deze gebieden zoal ontmoeten. Maar zijn onderzoek gaat zeker ook over experimenten en "the emergence of a new urban agenda for border areas." Want in de randen, daar vinden dikwijls de vernieuwingen plaats.

Wat me in de analyse echter stoorde was de wijze waarop Savini de experimenten met name in Amsterdam omschreef. In ‘Urban Peripheries’ vatte hij ze samen als ‘organic‘ en dat is terecht, maar de manier waarop hij die organische planning vervolgens in de tekst typeerde vond ik overwegend negatief geformuleerd. Het betreft hier volgens hem "an ill-defined project with uncertain outcomes, with no unitary agenda, no strong investments on border areas." Verderop heeft hij het over "misalignment between emerging agendas and the growth strategies," onzekerheid over beleidslijnen ook, "unclear socio-economic and territorial strategies" en "lack of proactive market actors." Dat zijn kwalificaties waar je niet vrolijk van wordt. Terwijl organisch zoveel wil zeggen als: een schitterende totaalvisie (Structuurvisie 2040) enerzijds en heel klein beginnen anderzijds, geleidelijke groei, leren, veranderen, transformeren. Het is: Natura Artis Magistra. Hoe meer planners de natuurwetten eerbiedigen, hoe beter en succesvoller hun werk. Savini: "Het woord ‘piecemeal planning’ heb ik willen vermijden." Organisch staat toch niet gelijk aan piecemeal?

Tagged with:
 

People-oriented planning

On 3 juli 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn nr.2 2014:

Patsy Healey is Brits planoloog, emeritus-hoogleraar planning aan Newcastle University en auteur van ‘Making Better Places. The Planning Project in the Twenty-First Century’ (2010). Ik ontmoette haar in 2005, toen ze in Amsterdam was voor onderzoek in verband met het schrijven aan haar boek. Amsterdam is een van de steden die prominent in ‘Making Better Places’ figureren. In het tweede nummer van Rooilijn van dit jaar – het tijdschrift van de planologen van de Universiteit van Amsterdam – verscheen zowaar een interview met de ‘grand dame’, opgetekend door Thijs Koolmees, Marije Koudstaal en Stan Majoor. In ‘Puzzling towards people-oriented planning’ vertelt ze over de nieuwste ontwikkelingen in de ruimtelijke planning die ze als professional ontwaart sinds het verschijnen van haar theoretische boek: deze ruimtelijke planning wordt, althans in Europa, steeds lokaler, speelt zich hoofdzakelijk af op stedelijk niveau, en houdt meer en meer rekening met de wensen en ideeën van gewone mensen.

Healey ziet overigens tegenstrijdige ontwikkelingen. De Britse regering predikt weliswaar ‘The Big Society’ en ‘localism‘, maar centraliseert ondertussen bijna alles. "This is because it does not know any other way to act." In werkelijkheid ontwaart ze een implosie van het politieke systeem op nationaal niveau, waarbij rijksambtenaren kennis en vaardigheden verliezen, terwijl steden steeds krachtiger worden en de institutionele leegte vullen. Maar ook stedelijke autoriteiten hebben volgens haar de neiging te centraliseren en door bezuinigingsdrang hun kennis overboord te zetten. Healey: "If you look at the big local authorities, they are so trapped in all the procedures they have to follow that it is very hard to loosen up from all of that, in order to take initiatives like we did." Blijft over de lokale gemeenschap. Gewone mensen, stelt Healey, denken op verschillende schalen, beschikken over veelsoortige kennis, kunnen door samen te werken heel veel bereiken. Ze noemt het opvallend dat zoveel op hele kleine schaal geregeld kan worden en dat er zo weinig buurtoverstijgende coördinatie nodig is. Op buurtniveau begint dus de nieuwe planning. Een representatieve democratie moet je natuurlijk niet weggooien, zegt ze, maar alleen maar eens in de vier jaar je stem uitbrengen is volgens haar de bottom line. "I think it is about building another kind of democracy."

Extremistan

On 2 juli 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2010) van Nassim Nicholas Taleb:

Typische luchthavenlectuur. Maar wat een lectuur! Las eindelijk Taleb’s ‘The Black Swan’. Verplichte leesvoer voor planologen. De Libanese schrijver, bekend van ‘Fooled by Randomness’ (2004), publiceerde een boek over het verschijnsel van de willekeurige gebeurtenissen die ons leven op zijn kop zetten. Telkens weer doen we alsof de toekomst geen verrassingen kent. Maar niets is minder waar. De toekomst wordt alleen maar onzekerder. Dat komt door de snel toenemende complexiteit. Mediocristan maakt plaats voor Extremistan. Lang dachten de mensen dat zwanen wit waren. Totdat er ineens een zwarte zwaan bleek te bestaan. Achteraf praten we de zwarte zwaan goed, maar vooraf hadden we geen idee. Telkens zoeken we bevestiging voor de gebeurtenissen die we verwachten, of maken we verhalen die de toevallige verschijnselen weer in een zinvol verband moeten plaatsen. Verhalen en verklaringen achteraf zijn in die zin verraderlijk. Want daardoor zijn we teveel op het ons bekende, althans op het door ons verwachte gericht. Anders gezegd, we denken en willen dat de wereld minder toeval kent dan er in werkelijkheid bestaat. We willen de vele ‘zwarte zwanen’ eenvoudig niet zien. Onze blindheid voor toeval maakt ons kwetsbaar. Echter, dat de toekomst steeds onzekerder wordt begint bij sommigen duidelijk te worden. De noodzaak van ‘resilience’, adaptief vermogen, maatwerk, bottom-up, creativiteit wordt steeds meer ingezien.

We zouden fundamentele onzekerheid als uitgangspunt moeten nemen in ons werk en moeten leren begrijpen dat er positieve en negatieve zwarte zwanen zijn. De eerste bouwen zich doorgaans geleidelijk op, de tweede doen zich abrupt voor. Alles draait om ‘schaalbaarheid’ van de verschijnselen. Is het verschijnsel schaalbaar, dan is het besmettelijk. En besmettelijkheid kan grote gevolgen hebben. Denk aan welvaart, roem, inkomen, stedelijke bevolking, oorlog, bedrijfsomvang, financiële markten. “Mediocristan is where we must endure the tyranny of the collective, the routine, the obvious, and the predicted; Extremistan is where we are subjected to the tyranny of the singular, the accidental, the unseen, and the unpredicted.” Om beter toegerust te zijn op het onbekende zouden we ons oordeel langer moeten uitstellen, veel meer moeten durven experimenteren, praktijkervaring benutten, empirisch zijn. Taleb stelt dat theorievorming steeds minder werkt, voorspellen verliest haar betekenis, filosofie wordt irrelevant. Zelf noemt hij zich ‘sceptisch empiricus’. Hij wantrouwt verklaringen en verhalen. Of toch niet? Taleb: “There may be a way to use a narrative – but for a good purpose. Only a diamond can cut a diamond; we can use our ability to convince with a story that conveys the right message – what storytellers seem to do.”

Tagged with:
 

Fascinerend

On 1 juli 2014, in technologie, by Zef Hemel

Gezien in de Westergasfabriek te Amsterdam op 12 juni 2014:

De keynote op de negende Kennisdag ruimtelijke sector van de gemeente Amsterdam was niemand minder dan Carlo Ratti, directeur van de SENSEable City Lab, MIT Department of Urban Studies and Planning. Zelden zo’n swingende presentatie gezien. Als een VJ stond de magere, in een T-shirt gehulde Ratti achter het katheder, waarin zijn computer zat verstopt, die hij uiterst behendig bediende en waarmee hij het ene na het andere filmpje de zaal inslingerde, telkens ondersteund door een stevige beat. We zagen allerlei toepassingen van technologie in het stedelijke, hoe apps ons kunnen volgen, zelfsturende auto’s, ik ontwaarde zelfs een drone. Het zag er allemaal puik uit, en het leek vooral ook heel kostbaar. Elk filmpje werd afgesloten met reclame van grote bedrijven die de ontwikkelde technologie – prototypes – hadden helpen financieren. We werden niet alleen vermaakt, nee we werden verleid. Technologie is ook fascinerend.

Bij veel technologische toepassingen, viel me op, fungeren de stedelingen min of meer als bevers die, met zendertjes uitgerust, de planners precies laten weten waar ze zitten en wat ze zoal uitspoken. Op basis van die informatie kunnen planners de ruimte inrichten, of manipuleren. Veel toepassingen vond ik slim, sommige waren comfortabel. Enkele echter voelden juist heel oncomfortabel omdat ze me deden denken aan moderne oorlogvoering. Als sociale wetenschapper vroeg ik me af of mensen – consumenten – dit allemaal werkelijk willen, of dat deze technologie hen door de industrie wordt opgedrongen. Als planoloog twijfelde ik of je hiermee aan een goede samenleving bouwt. En dat is toch wat publieke ruimtelijke planning wil: bijdragen aan een ‘civil society’. Techniek maakt mensen vrij, schreef Kevin Kelly in ‘What Technology Wants’. Zou dat het zijn? Misschien kan iemand me geruststellen.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Omgekeerde participatie

On 27 juni 2014, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Nieuw-West op 27 juni 2014:

De vijftig studenten planologie (einde tweede jaars bachelor) van de Universiteit van Amsterdam waren het erover eens: Amsterdam Nieuw-West is veel leuker en diverser dan ze hadden gedacht. Eigenlijk vonden de studenten dat de economische crisis veel goeds had gedaan in het enorme stedelijke gebied rond de Sloterplas – “die enorme plak woningbouw” –, een gebied dat aanvankelijk zwaar was gedomineerd door woningbouwverenigingen, maar nu burgerinitiatieven toeliet, vooral van zittende bewoners. In negen groepen hadden de studenten gedurende een maand in een atelier even zovele sociaal-ruimtelijke vraagstukken bestudeerd, variërend van zelfbouw, gebrekkige waterkwaliteit, leegstaande kantoren, kwijnende winkelgebieden, ouderenhuisvesting, lastig te herbestemmen monumentale kerkgebouwen, niet gesloopte woningbouwprojecten en aanbodgerichte smart-grid programma’s. Hun analyse: de problemen zijn er wel, maar het heeft geen zin ze als zodanig te behandelen. Er zijn voldoende kansen. Hun groepswerk loog er ook niet om. Beter is om positief te zijn en de beweging van onderop te faciliteren. De gemeente vonden ze ‘een gereserveerde facilitator’. Waarom de bewoners niet gewoon helpen en stimuleren?

De door de uit vakmensen van het stadsdeel bestaande jury waardeerde de groep studenten die aan de Wildemanbuurt hadden gewerkt het meest. Hun werk aan deze woonbuurt in Osdorp, achter de Sloterplas, die volgens de plannen van de gemeente en de woningcorporaties eigenlijk had moeten worden gesloopt maar die als gevolg van de crisis was gespaard gebleven, beschreven ze in een spannende, persoonlijke zoektocht. Via Garage Notweg, vertelden ze, waren ze in contact gekomen met bewonersgroepen die graag het heft in eigen handen hadden willen nemen en de openbare ruimte liefst hadden willen helpen inrichten en beheren, maar die letterlijk door hekwerken daarvan waren afgehouden. Hoe corporaties en gemeente over de bewoners dachten, illustreerden ze aan de hand van een foto van een metalen toegangshek dat als een erfafscheiding diende en dat door een van corporatie was aangebracht in de kennelijke verwachting dat de bewoners haar zouden voltooien met een heg of schutting. De studenten vonden het te gek voor woorden en pleitten van de weeromstuit voor ‘omgekeerde participatie’: bewoners nemen het voortouw en de gemeente mag ze misschien helpen. Hun boude voorstel om inspraakavonden te vervangen door ‘uitspraakavonden’ trof doel. Alle aanwezigen waren door hun betoog geroerd, de vertegenwoordigers van het stadsdeel niet uitgezonderd.

Tagged with:
 

Dit zijn wij

On 25 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 21 juni 2014:

Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boek over verhalen. Een samenvatting ervan verscheen in Sir Edmund, de bijlage van De Volkskrant, afgelopen weekeinde. In ‘Vertel. Over de kracht van verhalen’ doet ze precies wat ze in de titel belooft: schrijven over de kracht van verhalen. Daarmee sluit ze aan bij de narratieve stroming die ook in de wetenschap van de planologie tegenwoordig opgeld doet (althans rond mijn leerstoel) en die bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam de afgelopen tien jaar in de praktijk van de stadsontwikkeling veelvuldig werd beproefd. Want waaruit bestaat die kracht? Een samenvatting: verhalen brengen lijn in de gebeurtenissen, ze geven je greep op hoe het verder moet, ze vergroten je vermogen je te verplaatsen in andere rollen, ze verlichten je in een situatie van onzekerheid, ze maken de toekomst minder bedreigend, ze zijn voor iedereen te volgen, ze tonen de dilemma’s van het bestaan, ze geven richtlijnen over goed en kwaad, ze kunnen telkens opnieuw worden ingezet, ze maken duidelijk hoe je iets moet doen, ze helpen je bij de zoektocht naar identiteit, ze stomen je klaar voor een nieuwe toekomst, ze openen nieuwe perspectieven, ze maken het mogelijk om gedachten en associaties met elkaar te delen, ze geven een warm gevoel van verbondenheid.

Een sterk verhaal geeft het gevoel van: dit zijn wij, aldus Brinkgreve. In situaties van grote onzekerheid kunnen verhalen dus grote diensten bewijzen. Ook in de ruimtelijke ordening. De toekomst is immers per definitie ongewis. Het narratieve gehalte in de stadsontwikkeling en de ruimtelijke ordening is tot nu toe echter pover ontwikkeld. De planologie is heel instrumenteel geworden en ook totaal gejuridificeerd. Alleen mediation lijkt nog te kunnen helpen. Maar beter dan mediation is het herontdekken en weer losmaken van een narratieve werkwijze, ook al is dat in een technocratische omgeving buitengewoon ingewikkeld. Niemand houdt daar van verhalenvertellers. En voor je het weet zijn het weer de verleidelijke ontwerpen van de starchitects die de planners moeten redden. Dat liever niet. Zeker, ze verlichten je even, maar daarna ruik je onraad. Ze geven je bovendien weinig richtlijnen over goed en kwaad. Ze geven ook zelden een warm gevoel van verbondenheid. En ze tonen al helemaal niet de dilemma’s van het bestaan. Integendeel, ze walsen vaak met hun schone schijn over de dilemma’s heen. Vandaag neem ik na precies tien jaar afscheid van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam. Zou Brinkgreve niet een masterclass aan de Amsterdamse planologen kunnen geven?

Tagged with: