Civics

On 10 februari 2015, in geschiedenis, regionale planning, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Pioneers in British Planning’ (1981) van Gordon Cherry (ed):

 

632

 

Onlangs een lezing gegeven in Geneve, aan de universiteit, over open planning. In de zaal werd na afloop de vergelijking gemaakt met het werk van de Schotse bioloog, socioloog en planner Patrick Geddes (1854-1932). Veel opgeschoten, concludeerde ik, zijn we dus niet. Hoewel je de opmerking van de Zwitserse dame in het publiek ook positief kon opvatten. Enerzijds doelde ze op de brede evolutionaire, quasi-theoretische benadering van Geddes van het vakgebied die ik de zaal kennelijk voorhield en die de afgelopen decennia inderdaad verloren is gegaan, anderzijds de hele praktische experimenten waarmee hij en ik die benadering onderbouw(d)en. Ook die combinatie van beide komt nauwelijks nog voor, gescheiden als de academische wereld is van de planologische praktijk. Het is juist wat mij begin jaren ‘80 in het oeuvre van Geddes zo aantrok en wat me destijds deed besluiten het schrijven van een proefschrift te combineren met werken in de planologische praktijk. Ik heb er nog altijd geen spijt van.

In ‘’Pioneers in British Planning’ schreef Helen Meller ooit een essay over het leven en werk van Patrick Geddes. Ze typeerde hem als een zeer bevlogen generalist die geen aanvoerder van een beweging (van overwegend specialisten) kòn zijn. Geddes, werkzaam in Edinburgh – het ‘Athene van het Noorden’ -,  geloofde ook niet in politiek en meende dat alleen met concrete economisch-ruimtelijke interventies verbetering kon worden gebracht in de lot van mensen. Zijn Kropotkin-achtige voorstellen tot wederzijdse hulp werden vaak geridiculiseerd, zelfs zijn vrienden en collega’s plaagden hem erom. Maar hij had ook fans. “His enthousiasm was infectuous but he chose emotional rather than intellectual methods to convert the world to the socio-biological eutopia of social reconstruction.” Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trok hij teleurgesteld naar India, later naar Israel, om in de slums de armen bij te staan met praktische adviezen. Bij terugkeer in 1916 trof hij de jonge Amerikaan Lewis Mumford als leerling, maar ook die ging later een andere weg. Onder Nederlandse planners staat Geddes vooral bekend om zijn pleidooi voor ‘survey before plan’. Ach ja.

Tagged with:
 

De uitvinding van agglomeratievoordelen

On 9 februari 2015, in innovatie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities in Civilization’ (1998) van Peter Hall:

Mooie beschrijving van Manchester en omgeving in de achttiende eeuw door Peter Hall in zijn onnavolgbare ‘Cities in Civilization’. Als innovatief milieu binnen de vroeg-industriële beschaving is Manchester het beste te vergelijken met wat wij tegenwoordig aanduiden als ‘Silicon Valley’. Nergens werden zoveel technische innovaties gedaan in zo’n korte tijd als in deze ene vallei, met als gevolg een enorme toevloed van kapitaal en talent. Vanavond zal ik er mijn Amsterdamlezing mee openen. Waarom uitgerekend Manchester? Zes sleutelelementen onderscheidde de Britse geograaf ten aanzien van het succes van Lancashire: al vroeg kende het gebied een economische organisatie die tegelijk ook een sociale was; de inwoners bleken goed in netwerken; mede daardoor was er hier al vroeg een middenklasse gevormd van kleine ondernemers; de netwerken bleven niet beperkt tot de katoenverwerking, maar overlapten met de ambachten, zoals de fabricage van uurwerken; in het gebied was goed technisch onderwijs voorhanden en waren sociëteiten actief die nieuwsgierigheid stimuleerden; ten slotte het gegeven dat al deze zaken op een heel klein oppervlak – één stad – bijeenkwamen.

Hall besluit het hoofdstuk met het noemen van vijf factoren die bepalend waren voor het economische succes van Manchester: een egalitair klimaat; een gevoel van vrijheid, een drang tot innovatie; relatief ambachtelijke en weinig kapitaalintensieve economische bedrijvigheid; een hecht, goed ontwikkeld kennisnetwerk rond handel en innovatie. Gevolg: “Everyone with ambition wanted to come to Manchester; it was the place where they would make their fame and fortune.” Mensen van buiten waren welkom en konden er relatief gemakkelijk aan de slag. Hier werd het geld vergaard en ook gespendeerd. Wie op afstand in de dorpen en kleine stadjes hetzelfde probeerde te doen, wachtte technologische stagnatie. Je moest er domweg middenin zitten. Bij zijn bezoek aan Manchester schreef Alexis de Tocqueville:”From this filthy sewer pure gold flows.” Alfred Marshall, die Charles Darwin bewonderde en de economische wetenschap op biologische grondslagen wilde vestigen, zou er eind negentiende eeuw zijn begrip agglomeratievoordelen aan ontlenen.

Tagged with:
 

Digital life

On 6 februari 2015, in gezondheid, technologie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA op 2 februari 2015:

De Amsterdamlezing van Ben Kröse, afgelopen maandagavond in CREA, ontlokte aan de uitverkochte zaal veel reacties en vragen. Kröse, hoogleraar Ambient robotics aan de Universiteit van Amsterdam en lector Digital life aan de Hogeschool van Amsterdam, sprak over robots en sensoren in de stad. De komende jaren, hield de hoogleraar ons voor, zal Amsterdam demografisch sterk veranderen. Het aandeel ouderen stijgt, terwijl de jonge instroom afneemt. Zelfs de beroepsbevolking groeit nauwelijks, het beschikbare zorgpersoneel krimpt. Zo zal het aantal dementen groeien van ruim 8.000 in 2015 naar 16.000 in 2040. Veelal zullen ze thuis moeten blijven wonen. Juist in de ouderenzorg verwacht hij daarom revolutionaire ontwikkelingen in de robotica. Het begint daar met sensoren, die in huis gemakkelijk kunnen worden geïnstalleerd. Ouderen kunnen dan op de voet worden gevolgd, de mantelzorgers ontlast, eventuele valongelukken geregistreerd. Tal van hele kleine technologische ingrepen zullen het leven van ouderen vergemakkelijken.

Kröse vertelde over de protocollen en trajecten die moeten worden doorlopen voordat nieuwe technologie mag worden geïmplementeerd. Ook de zorgprofessionals en de zorgverzekeraars houden veel ontwikkelingen tegen, wachten liever af of zijn bang voor hun baan. De ouderen zelf moeten aan alle nieuws erg wennen: alleen door hen goed voor te lichten en actief bij de vernieuwingen te betrekken kunnen experimenten worden vlotgetrokken. De techniek gaat dus veel sneller dan de samenleving aankan, lijkt het wel. Wat hieraan te doen? Is deze traagheid juist goed, de angst voor nieuwe technologie terecht? Hierover ging het gesprek. Kröse vertelde dat hij zijn team had versterkt met ethici om zorgvuldigheid te garanderen, maar uiteindelijk, zei hij, beslisten toch de zorgverzekeraars. In de discussie (worden ouderen door technologie empowered of juist bedreigd?) mengde zich de hele zaal. Eigenlijk zou er in Amsterdam een Pakhuis de Zwijger moeten komen voor ouderen, gezondheid en technologie – een plek waar partijen elkaar ontmoeten en hele concrete gesprekken voeren, zoals op deze gedenkwaardige avond. 

Tagged with:
 

Luchtfietserij

On 5 februari 2015, in stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 januari 2015:

The Elevators installation in the Central Pavilion

ThyssenKrupp, de staalgigant uit Essen, heeft een lift ontwikkeld die zowel verticaal als horizontaal kan bewegen. Carola Houtekamer schreef er een reportage over. In NRC handelsblad interviewt ze onderzoeker Markus Jetter die haar vertelt dat de liftenbouwers met het oude systeem een grens hebben bereikt. De kabels worden te lang en te zwaar, de liften hebben brede schachten nodig, “we kunnen niet hoger.” De nieuwe kabelloze magneetlift, Multi geheten, is ontwikkeld uit de oude Transrapid-techniek, de magneetzweeftrein die het dertig jaar geleden met Siemens ontwikkeld maar die nooit aansloeg. De Multi biedt 25 procent meer oppervlak en 50 procent meer doorstroom. En ja, hij kan ook opzij bewegen. Alexander Keller, directeur van de liftendivisie van ThyssenKrupp, ziet hiermee een hele nieuwe markt voor zich opdoemen: nog hogere gebouwen en gebouwen die in de breedte gaan. Wat gaat dit in de toekomst betekenen?

Volgens Keller groeien megasteden “als de hel”. Wolkenkrabbers zullen vijfhonderd tot zeshonderd meter hoog kunnen worden. Dat worden steden op zichzelf waar mensen in werken en leven. Als in 2017 de Multi in productie wordt genomen kunnen architecten weer volop dromen over nieuwe steden uitgevoerd in hoogbouw. Liften, aldus Keller, vormen nu nog een enorme beperking voor architecten. Straks niet meer. De liften bewegen dan rond, als in een reuzenrad. Tijdens de architectuurbiënnale afgelopen zomer in Venetië toonde curator Rem Koolhaas in zijn eigen paviljoen al een prototype van een verticaal en horizontaal bewegende lift. Ze was ontworpen door de TU Eindhoven, meende ik, en paste in de opstelling die de nieuwe mogelijkheden van hoogbouw schetste. Toen leek dit nog luchtfietserij. Maar nu dus niet meer. 2017 is niet ver weg.

Tagged with:
 

Zwak

On 4 februari 2015, in economie, filosofie, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Culture of the New Capitalism’ (2006) van Richard Sennett:

NewCapitalism.jpg

Welke arbeidsverhoudingen karakteriseren het moderne kapitalisme? Die vraag stelde zich de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Hij deed er uitgebreid onderzoek naar. Aan Yale University hield hij in 2004 er een serie lezingen over, die twee jaar later verschenen onder de titel ‘’The Culture of the New Capitalism’. Dat was vlak voor de financiële crisis. Maar Sennett gaat in zijn boek vooral terug in de tijd. Meer vrijheid, daarvoor betoogden de studenten in ‘68, ze wilden zich bevrijden uit de gevangenis van de centraal geplande economie met zijn enorme bureaucratie en vijfjarenplannen. Dat is hen gelukt. In de plaats van ‘the prison of bigness’ trad een zeer flexibele economie aan en een verzwakte overheid, met een minimum aan bemoeizucht van planners. Het resultaat? Onrust, flexibiliteit, toenemende ongelijkheid, sterke gerichtheid op de korte termijn, minder samenhang, geringere loyaliteit, macht zonder gezag, en vooral een gevoel van grote nutteloosheid (uselessness). Veel mensen voelen zich overbodig, buitengesloten. Vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. “So as cities swelled, uselessness was viewed as a necessary, if tragic, consequence of growth.

Las ik tussen de regels door ook nog iets positiefs? Ergens op het eind citeert Sennett Abraham Maslov, de psycholoog die in de jaren ‘60 het ideaal van de verantwoordelijke, creatieve individuele mens verwoordde, de mens die vooral uit is op persoonlijke groei. Wat is er van dat ideaal terecht gekomen? Niet veel dus. Sennett wijt dat vooral aan de verzwakte instituties die de mensen weinig vertrouwen inboezemen, bij hen ook geen loyaliteit opwekken en hen dus ook niet aanzetten tot participatie.  “Yet I don’t think the dreamers of my youth had the wrong idea in holding up material life to a cultural standard. As the reader may possibly have detected, I was one of those youthful dreamers.” Waarop de oude, wijzer geworden Sennett verzucht: “The normal path of the adult’s ‘sentimental education’ is meant to lead to ever greater resignation about how little life as it is actually conducted can accord with one’s dreams.” En toen was er de crisis. Ineens waren daar de coöperaties, de zelfbouwgroepen, de burgerinitiatieven, de start-ups, de platforms, de mensen zelf, de daders ook.

Tagged with:
 

Druk, drukker, niet druk

On 3 februari 2015, in regionale planning, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 17 december 2014:

Nu al driemaal een interview gegeven over ‘drukte in Amsterdam’. Veel Amsterdammers maken zich er zorgen over. In zijn nieuwjaarsspeech merkte burgemeester Van der Laan hierover op dat andere gemeenten in Nederland maar wat jaloers op de Amsterdammers zijn omdat zij graag wat meer leven in de brouwerij zouden willen. Een benijdenswaardig luxe probleem? Inderdaad is het opvallend dat elders in het land het thema van drukte en overlast helemaal niet speelt. Integendeel, er wordt daar juist alles aan gedaan om een beetje drukte te laten ontstaan. Het zijn vaak allemaal projecten die een bruisende toekomst beloven, terwijl die er nog helemaal niet is. Steeds scherper wordt het onderscheid tussen ruimtelijke projecten die voorzien in een reële behoefte en projecten die een behoefte moeten kweken. Het gevaar van leegstand en onderbenutting wordt levensgroot. Ewald Engelen spreekt in ‘De schaduwelite’ (2014) van "een in duigen gevallen vastgoeddroom". Daar lijkt het inderdaad op.

Verontrustender dus dan de drukte in het centrum van Amsterdam vind ik het aantal projecten in Nederland dat op plekken drukte in de toekomst belooft waar die op dit moment nog niet is en waarschijnlijk ook niet meer zal komen. Oorzaak: het vele goedkope geld. Vergelijk het met de mijnsluitingen in Limburg in 1965. Ook daar viel programma weg en was ineens veel goedkoop geld voorhanden. De miljarden aan steun die de regering ter compensatie aan het gebied verstrekte, leidden, aldus NRC Handelsblad onlangs in een terugblik, tot grootschalige corruptie. Hoofdstad Maastricht kreeg een academisch ziekenhuis, een universiteit, een congrescentrum, een prestigieus nieuw stadsdeel, een toonaangevend museum, twee grote bruggen over de Maas, een theater aan het Vrijthof en een geheel gerestaureerde binnenstad. Projecten die drukte moesten doen ontstaan. Een mooi voorbeeld van wat James Scott aanduidt als ‘Seeing like a State’. Heeft het geholpen? "De sociaal-economische situatie is inmiddels verbeterd, maar het trauma van 1965 is nog niet overwonnen." Heerlen krimpt. Zulke praktijken dreigen opnieuw. In de woorden van Engelen: mensen worden dronken gevoerd met schulden en vastgoed.

 

Drukte in de stad

On 2 februari 2015, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam op 29 januari 2015:

Foto: Allard Pierson Museum

Afgelopen donderdagavond aanwezig geweest bij de opening van het DWDD Pop-Up Museum. Het was een gedenkwaardige avond. Tien zalen van het Allard Piersonmuseum van de Universiteit van Amsterdam aan het Rokin zijn door bekende Nederlanders ingericht met kunst afkomstig uit tien Nederlandse musea. Het televisieprogramma DWDD nam hiertoe het initiatief. Minister Bussemaker verrichtte de opening. Daarna begon een vrolijk feestje waarbij museumdirecteuren en mediamensen elkaar zowaar in de armen vielen. Wat er zoal te zien is? Kunst uit de depots van de tien musea, uitgekozen door de BN-ners naar thema of, gewoon, naar persoonlijke voorkeur. De zalen zijn intiem, lekker volgestouwd en vooral warm en kleurrijk ingericht. Vier maanden lang is dit geslaagde pop-up museum voor het brede publiek te bezichtigen. Het wordt daar vast nog drukker, aan het Amsterdamse Rokin.

Terwijl wereldberoemde musea als het Louvre, Beaubourg en het Guggenheim bezig zijn met filialisering in steden in Azië, het Midden-Oosten of in de regio (Beaubourg Metz), beginnen de Nederlandse musea, omgekeerd, met een gezamenlijk filiaal in de eigen hoofdstad. Voor het eerst zijn de collecties van het Groninger Museum, het Drents Museum, het Rotterdamse Fotomuseum, het Utrechtse Catharijne Convent en al die andere regionale musea bij elkaar te zien op één plek, in het centrum van Amsterdam. In plaats van jarenlang cultureel spreidingsbeleid nu eindelijk ruimtelijke concentratie, samenwerking en samenhang – een vorm van omgekeerde filialisering dus. Wat een geweldig idee! Kan dit pop-up initiatief niet een structureel karakter krijgen? Dus dat alle Nederlandse musea, inclusief het Rotterdamse architectuurmuseum, een permanent gezamenlijk onderkomen krijgen in de hoofdstad. Kunnen we eindelijk ook de unieke collectie bouwkunst weer zien, op de plek waar de meeste reuring is, in Amsterdam.

Tagged with:
 

Radicaal, incrementeel

On 30 januari 2015, in bestuur, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

In Den Haag spreken ze al jaren over een nieuwe sturingsfilosofie. Een van de aardigste boekjes die de afgelopen jaren daarover zijn verschenen, is ‘De energieke samenleving’ (2011). Auteur: Maarten Hajer, in het dagelijks leven directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag. Het boekje gaat over een schone economie en hoe deze te bereiken. Hiertoe is een nieuwe planning nodig, aldus Hajer. Die nieuwe planning begint in de stad. En de kern van die andere, nieuwe planning is: gebruik maken van de creativiteit en het leervermogen in de stedelijke samenleving. Dat is een samenleving van mondige burgers met, aldus Hajer, “een ongekende reactiesnelheid, leervermogen en creativiteit.” Dus niet meer een overheid die lastige burgers corrigeert, maar een overheid die goed luistert en de samenleving mobiliseert. ”De vraag in dit rapport is, kortom, hoe de overheid de kracht van de energieke samenleving kan laten werken op de weg naar duurzaamheid.”

Hajer stelt dat het dikwijls blijkt te gaan om heel lokale belangen die gewone mensen vaak beter begrijpen dan hogere overheden en die op zichzelf weer vrij eenvoudig te koppelen zijn aan mondiale vraagstukken zoals voedselveiligheid en klimaatverandering. Begin dus lokaal, is zijn devies. Van onderop kunnen vervolgens weer nieuwe beelden ontstaan met regionale identiteiten, passend in een groter geheel. Wat Hajer in het boekje voorstelt is een vorm van ‘radicaal incrementalisme’ waarbij het Rijk duidelijke doelen stelt, zijn bevoegdheden decentraliseert , zijn data met iedereen deelt en verder vooral partijen ondersteunt en helpt. Hajer: “Met een duidelijke stellingname kan de overheid veel energie mobiliseren wanneer zij zich erop richt de grote publieke uitdagingen te koppelen aan de directe leefomgeving van de burger.” Midden in die omslag zitten we nu. Er moet nog veel meer worden gedecentraliseerd, geluisterd en geholpen. Ziedaar ook de nieuwe Agenda Stad van het Nederlandse kabinet. Alleen, datzelfde moeten de steden doen: duidelijke doelen stellen, decentraliseren, luisteren en helpen. Over een week begint in Amsterdam aflevering 4 van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang met een nieuwe sturingsfilosofie voor gemeenteambtenaren. Radicaal, incrementeel.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with:
 

Almere buitenwijk

On 28 januari 2015, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Almere deze week’ van 21 januari 2015:

schaalsprong almere

Afgelopen week Hogeschool Windesheim Flevoland bezocht. Men vroeg mij een bijdrage te leveren aan het nieuwe Honours Programma New Towns. Dat gaat in september 2015 van start. Windesheim Flevoland is gevestigd in het centrum van Almere, groeit snel en verzorgt inmiddels al 18 opleidingen aan meer dan 1600 studenten. In het Honours Programma zal met de gekwalificeerde studenten afkomstig uit diverse studierichtingen gezocht worden naar samenhang tussen de verschillende perspectieven voor nieuwe steden als Almere en Lelystad. De nieuwe steden zijn niet organisch gegroeid, maar op de tekentafel gepland. “Internationaal gezien worden deze steden bewonderd om hun vermogen om nieuw land te scheppen en voor hun vermogen om in een kort tijdsbestek zoveel nieuwe woningen te bouwen, met de nodige infrastructuur en voorzieningen.”  In het programma moeten de studenten zich uitspreken over de maakbaarheid van Almere. En vooral: “Maar zijn deze verzamelingen huizen inmiddels ook steden?”  Mij is gevraagd om de studenten iets te vertellen over trendanalyses en toekomstscenario’s.

Onderweg naar de school onderschepte ik in het winkelcentrum een editie van ‘Almere deze week’, nummer 4, 21 januari 2015. Het gratis huis-aan-huisblad wordt in een oplage van 84.525 exemplaren verspreid. Op pagina 7 viel mijn oog op de kop ‘Almere is eigenlijk geen stad’. Geciteerd wordt de architect Jerome Adema, die voorrekent dat Almere de kwalificatie ‘stad’ niet verdient. “Hoewel Almere qua oppervlakte groter is dan Amsterdam, heeft Almere niet alleen veel minder inwoners, maar wonen die ook minder stedelijk.” In Amsterdam, rekent Adema voor, wonen gemiddeld 6.000 mensen op een vierkante kilometer. In Almere is dit 1.500.  Hoofddorp telt 4.000 mensen per vierkante kilometer. Zelfs in Almere Stad is de dichtheid niet meer dan 3.500 inwoners per vierkante kilometer. In het centrum van Amsterdam is dat 12.909 inwoners.  De dichtheid van het centrum van Almere, aldus Adema, is even hoog als die van een buitenwijk van Berlijn. “Voor een centrum van een stad verwacht je dat eigenlijk niet. En zeker niet voor een stad die bij de vijf grootste van Nederland wil horen.” Adema telt inwoners, niet bezoekers. Die bepalen uiteindelijk de stedelijkheid. Raden hoeveel?

Tagged with: