Versteende tentenkampen

On 19 augustus 2014, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 1 augustus 2014:

Curator Rem Koolhaas had de samenstellers van de inzendingen van de landenpaviljoens voor de Internationale Architectuur Biënnale Venetië 2014 gevraagd terug te blikken op honderd jaar Modernisme in hun eigen land. Een bijzondere inzending bleek die van Peru. Het Zuid-Amerikaanse land toonde vijf naoorlogse uitbreidingen van de hoofdstad Lima, alle een reactie op de snelle en ongecontroleerde groei van sloppenwijken die begon in de jaren veertig. De architecten hadden de nieuwkomers een eenvoudige en rationele plattegrond aangeboden, waarop de zelfbouwers vervolgens hun eigen woning konden realiseren. “The research presented in this exhibition reveals that Peruvian Modernity is the encounter of a rationally systematized spatial organization with a spontaneously squatted and self-built architecture.” De oudste nederzetting was die van de Ciudad de Dios uit 1955, de nieuwste het Huaycan Programma uit 1984. De laatste was het initiatief van burgemeester Alfonso Barrantes, die met lede ogen had moeten toezien hoe het nationale verstedelijkingsprogramma van president Belaunde in de crisisjaren op de klippen liep. De president probeerde de ontwikkeling van sloppenwijken tegen te gaan en in plaats daarvan keurige woonwijken te bouwen. Het alternatief van Barrantes – Proyecto Especial de Huanycan – bestond uit een participatief ontwerpproces dat op een nieuwe, snelle en effectieve manier duizenden mensen uitzicht bood op goedkope woningen (24.000 in totaal) in een ravijn van 462 hectare.

Peru neemt met zijn ‘In/Formal’ duidelijk stelling in een omgeving die er trouwens helemaal niet om vraagt. Koolhaas is alleen geïnteresseerd in architectuur, niet in steden. Lima is in korte tijd uitgegroeid tot een metropool van meer dan zeven miljoen inwoners. Daar kwam geen Le Corbusier of machtige bouwindustrie aan te pas. Lima laat zien dat het anders kan. Niet de architectuur staat er voorop, maar de mensen. Niet de commercie, maar zelforganisatie. Niet het resultaat, maar het proces. “It reassesses this unique encounter of the bottom-up and top-down processes, and poses the question of how architecture and society will build the city during the next century.” Hoe gaan wij in de 21ste eeuw onze steden bouwen? Nog altijd met architecten, maar zij dienen nu de mensen. Ik moest denken aan oud-wethouder Adri Duivesteijn, die na een studiereis door Peru al vroeg tot inzicht was gekomen en die dit idee van zelforganisatie tijdens zijn wethouderschap in Almere in praktijk heeft proberen te brengen. “Het maakt de stad diverser, kleurrijker, interessanter en persoonlijker,” schreef hij in november 2013. Architect Carel Weeber noemde dergelijke zelfbouwwijken in 1998 ‘versteende tentenkampen’.

Tagged with:
 

Bedreigd erfgoed

On 18 augustus 2014, in monumentenzorg, toerisme, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 2 augustus 2014:

We sliepen op een camping op de noordelijke punt van het Lido. Elke morgen en avond passeerden daar enorme cruiseschepen, waarvan sommige meer dan 40.000 ton wegen; het was een belachelijk gezicht, ze schampten ons bijna letterlijk. In Venetië zelf is het zo mogelijk nog ridiculer: de varende monsters maken van het Unesco-monument ronduit een farce. Vanaf november dit jaar komt daar een einde aan. Dat althans heeft de Italiaanse regering onder druk van de bevolking van Venetië besloten. In 2012 sprongen woedende bewoners en sympathisanten in het water om de schepen de doorvaart door het Giudecca-kanaal te verhinderen. Maar de burgemeester van Venetië is niet blij met het regeringsbesluit en ook de cruise-industrie wil het niet. Die laatste is een rechtszaak tegen de staat begonnen. Ondertussen zijn ook de milieu-activisten allerminst tevreden, want het compromis dat de regering met de sector heeft gesloten behelst onder meer het graven van een diepe geul door de lagune om de kolossale schepen om te leiden. Dat zou opnieuw een verstoring van de toch al kwetsbare ecologie van Venetië betekenen. Niemand blij, iedereen boos.

Waar gaat het om? Elk jaar bezoeken zo’n 650 cruiseschepen Venetië (ter vergelijking: in Amsterdam gaat het om 200 schepen). Ze komen ’s ochtends vroeg en vertrekken ’s avonds laat. Elk schip stoot evenveel uitlaatgassen uit als een wagenpark van 15.000 auto’s. De groei van de sector is enorm. Bezochten in 1991 nog circa 200.000 cruisepassagiers de amper 60.000 inwoners tellende Dogenstad, tegenwoordig zijn dat er 1,8 miljoen. De schepen worden ook steeds groter. De gemeente – vreemd genoeg – wordt er niet wijzer van, want de passagiers overnachten er niet en maken ook nauwelijks gebruik van de voorzieningen. Alleen het havenbedrijf strijkt de winst op. Vandaar dat de burgemeester niet blij is met de besluitvorming, die over zijn hoofd is genomen tussen de staat en de sector en die alleen relatief goedkope nautische oplossingen biedt. Een echte oplossing zou bijvoorbeeld zijn: een nieuwe cruiseterminal, op veilige afstand van de lagune. Maar dat is te duur. Ondertussen heeft het World Monuments Fund besloten om Venetië op de lijst van bedreigd erfgoed te plaatsen, samen met Timboektoe en een aantal monumenten in Syrië.

Tagged with:
 

Sir Peter Hall 1932-2014

On 6 augustus 2014, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Generating Culture. Roots and Fruits’ (2002):

Op 30 juli 2014 overleed op 82-jarige leeftijd Sir Peter Hall, Brits geograaf. In Nederland werd Hall vooral bekend door zijn boek ‘Zeven wereldsteden’ (1966). Tot die zeven ‘wereldsteden’ rekende de toen 34-jarige vakgenoot ook de toen pas door planologen uitgevonden ‘Randstad Holland’. Hall gebrandmerkte deze destijds als "een van de vreemdste stedelijke agglomeraties van de wereld", want een hoefijzervormige stad van honderdzeventig kilometer lengte, waar vond je die nu? Hij vond het planologische schema tamelijk geniaal: groei van de Randstad vond plaats door lintuitbreiding met groene wiggen. "Het is vrijwel zeker," schreef hij in 1966, "dat voor de meeste snel-groeiende wereldsteden de Nederlandse oplossing de juiste is." De Randstad als planologisch exportartikel, dat hoorden wij Nederlanders een buitenlander graag zeggen. Hall werd in ons land dan ook veel gelezen en was hier altijd waanzinnig populair.

Als geograaf bleef Hall zijn hele werkende leven geïnteresseerd in steden en in planning. In februari 2001 sprak hij opnieuw in Nederland, toen op een congres in Amsterdam over ‘creatieve steden’. In het Koninklijk Instituut voor de Tropen hield hij een lezing over zijn magnum opus, ‘Cities in Civilization’ (1998). Dat boek handelde over de vraag waarom sommige steden in sommige tijdperken zo creatief en innovatief zijn. In zijn lezing stelde hij bovendien de vraag of planologisch beleid zulke grootstedelijke innovatie kan helpen bevorderen. Weer meende hij dat het polynucleaire patroon van de Randstad in ons land een gunstige uitgangspositie bood. Maar wat nu vooral nodig was, waren volgens hem ‘economies of scale and scope’: de grote steden moesten groter, de universiteiten gespecialiseerder, de onderzoekscentra geconcentreerder, de steden meer gericht op geavanceerd openbaar vervoer, op kunst, op erfgoed en op een ‘civilized public realm’. Het waren boodschappen bedoeld voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Maar die nota heeft het politiek niet gered. De regering trad terug vanwege schuldbesef inzake Srebrenica. En Peter Hall reden we na afloop van het congres in onze auto terug naar het hotel. Hij was vrolijk en had stevig gedronken. Een autoraampje was ingeslagen, maar dat deerde hem niet. Grappend reden we over de grachten. Hij was inderdaad ‘the urbanest of urbanists’. Hij is niet meer.

Tagged with:
 

Biennale als IKEA

On 5 augustus 2014, in cultuur, duurzaamheid, stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 31 juli 2014:

De Nederlandse architect Rem Koolhaas (70) is de curator van de Internationale Architectuur Biënnale van Venetië 2014. Thema: ‘fundamentals’. In plaats van toparchitectuur, toont Koolhaas achttien elementen die architectuur sinds mensenheugenis bepalen: de vloer, het dak, de muur, de corridor, het balkon, de wc, de lift, het raam, de trap, de hellingbaan, de haard, enzovoort. Zijn stelling is dat elk van deze elementen een historische ontwikkeling heeft doorgemaakt die in de afgelopen honderd jaar door het Modernisme zodanig zijn gestroomlijnd dat ze nu vooral langs lijnen van veiligheid en comfort industrieel worden vormgegeven. De volgende stap laat zich raden: de architectuur van de toekomst zal nog steeds door al deze elementen worden bepaald. Zijn tentoonstelling – verwijzend naar Siegfried Giedion’s ‘Mechanisation Takes Command’ (1945) – ervoer ik als een regelrechte IKEA; per type liggen de bouwelementen in de ruimte helder geordend, als consumptieartikelen in schappen uitgestald. Maar waar is de architectuur gebleven? Sterarchitecten ontbreken in deze tentoonstelling. Voor hen lijkt deze biënnale een regelrechte affront. Ik zag ze dan ook niet, de architecten, deze zomer. Hun rol lijkt uitgespeeld. In die zin is het een dappere biënnale.

Met de architecten zijn echter ook de mensen van het toneel verdwenen. Van iets maatschappelijks in deze biënnale zie ik geen enkel spoor. Ook het thema duurzaamheid ontbreekt totaal. Maatschappelijke thema’s, ze zijn aan Koolhaas kennelijk niet besteed. Nu het crisis is, trekt de architect zich terug op eigen terrein. Uiteraard, ook dat is een statement. In zijn scan van het hedendaagse Italië, in het Arsenaal, zag ik meer dan genoeg aanleiding om als architect een maatschappelijke positie te betrekken. Zeker als de zorgelijke toestand in Italië model staat voor de situatie waarin wij volgens de curator allen verkeren – in verval, met onwaarschijnlijk veel architecten, nog altijd met potentie, maar bovenal met een wankel democratisch bestuur. Echter, Koolhaas laat het na. Ik zag een biënnale vol bouwmaterialen en ik moest denken aan de uitspraak van Juan Clos, voorzitter van UN-Habitat: nooit eerder was het zo goedkoop om te bouwen. Afschrijvingstermijnen voor vastgoed naderen het nulpunt. Voor weinig geld kunnen we in vijf jaar tijd hele steden uit de grond trekken, om ze na tien jaar weer kosteloos op te ruimen of te laten vervallen. De installatie van Wolfgang Tillmann – ‘Elements of Architecture’ – maakte dit afdoende duidelijk. Waar is schoonheid? Waarom erfgoed beschermen? Na het bezoek aan ‘Monditalia’ verliet ik gedesillusioneerd het biënnaleterrein.

Tagged with:
 

Land grabbing

On 28 juli 2014, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in Almere op 22 juli 2014:

Eenentwintig studenten Urban Studies uit Singapore, China, Europa en de Verenigde Staten bezochten afgelopen week de nieuwe stad Almere tijdens een summer school van de Universiteit van Amsterdam. De ochtend brachten we door in het stadscentrum, de middag in het Homeruskwartier in Almere Poort. In een lezing van Marcel Stolk, strategisch adviseur van de gemeente, maakten ze kennis met de ‘Almere Principles’ rond duurzaamheid en met nieuwste ruimtelijke strategieën van de gemeente. Het nieuwe stadscentrum van OMA zagen de studenten vooral als ‘architectuur’, als een enorme megastructuur die in de gemiddelde Amerikaanse suburb zeker niet zou misstaan. Het was architectuur vooral bedoeld om mensen aan te trekken die er nu nog niet waren. Toch oordeelden de Amerikanen uiteindelijk positief: hier leek het te werken, afgaande op de mensen op straat, die best gelukkig leken. De grote vraag voor hen was alleen: wie betaalt dit allemaal? De Japanse studenten hadden hun eigen favoriet: het theater van Sanaa architecten aan het Weerwater. Hier voelden zij de serene rust en harmonie uit hun vaderland. Jammer alleen dat het theater gesloten was. Dat zou in Japan nooit gebeuren.

De nieuwste ruimtelijke praktijken in Homeruskwartier en het toekomstige Oosterwold riepen bij de meeste studenten vooral vragen op. Ze hadden zeker vragen toen ze hoorden dat door de crisis de dichtheid van de nieuwbouw in Almere nog lager werd. Toen ze Homeruskwartier bezochten viel het ze mee: die woonwijk leek op een doorsnee Amerikaanse suburb, alles georiënteerd op de auto, zij het met wel erg weinig ruimte tussen de woningen. De typologie vonden ze ouderwets Amerikaans. Hier opnieuw de vraag: wie betaalde dit allemaal? Ten aanzien van Oosterwold konden ze het domweg niet geloven: 4.300 hectare onttrekken aan de landbouw, nog wel de vruchtbaarste grond ter wereld, om vervolgens in een absurd-lage dichtheid van 5 woningen per hectare te gaan bouwen, dat was toch pure ‘land grabbing’? (= grond doelbewust onttrekken aan de landbouwproductie door regeringen en multinationals om biobrandstoffen e.d. te verbouwen) Datzelfde gebeurde in Oost-Afrika en Zuid-Amerika op grote schaal. Dat was niet goed, ze keurden het af. Zorgen, zo bleek, hadden ze over de voedselvoorziening in de wereld.

Tagged with:
 

Open City

On 20 juli 2014, in participatie, ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadsschouwburg in Amsterdam op 18 juli 2014:

Richard Sennett interviewen is een droom. Afgelopen vrijdag kwam hij uit. Sennett sprak in de Amsterdamse stadsschouwburg, aan het begin van de eindpresentaties van de summer school ‘Thinking City’. Via een Skype-verbinding weliswaar, want hij bleek te moe om te reizen. Sennett is 71 jaar. Vanuit zijn Londense werkkamer sprak hij over zijn nieuwste boek, dat nog moet verschijnen: Open City. De socioloog, auteur van boeken als ‘The Fall of Public Man’, ‘The Craftsman’ en ‘Together’, maakt zich grote zorgen over de huidige mondiale verstedelijking. Sinds de Tweede Wereldoorlog bouwen wij onze steden helemaal verkeerd, dat wil zeggen op een bureaucratische wijze, te rigide, in te grote eenheden, met gescheiden functies, in veelal geïsoleerde campussen, met gated communities, een planning die teveel top-down is, alles vanuit omvattende masterplannen. Dit levert ons geen leefbare steden op. Zelfs Silicon Valley, waar iedereen van droomt, vond hij veel te ‘smooth‘. Sennett noemde onze moderne steden ‘gesloten steden’, nee ‘frozen cities’.

De slums die overal in Azië, Afrika en Zuid-Amerika verschijnen hebben van dit alles juist te weinig: geen structuur, weinig overheidsbemoeienis, te zeer bottom-up. Ook zij zijn daardoor onleefbaar. Ergens gaat iets helemaal mis. Sennett noemde het voorbeeld van Shanghai, waar hij veel onderzoek heeft gedaan: die metropool is simpelweg niet leefbaar. Wat nodig is, zei hij, is meer anarchisme. Theoretisch is het probleem vooral dat planners, managers en bestuurders telkens weer streven naar stabiliteit. Echter, stabiele complexe systemen zijn dood-in-de-pot, het levert bevroren toestanden op; je moet juist streven naar een dynamisch evenwicht met voldoende ruimte voor bottom-up initiatieven. Zeker, de vorm van de stad is cruciaal. Maar moderne architecten willen hem beheersen en liefst bevriezen. De vorm moet juist aansluiten bij de telkens veranderende behoeften van de samenleving. Sennett noemde het voorbeeld van scholen in Londen die samen met de gebruikers werden ontworpen; mensen konden kiezen uit verschillende alternatieven. Gebruikers en omwonenden bleken veel intelligenter en redelijker dan door de experts gedacht. Sennett vond het hierna genoeg. Het gesprek had een half uur geduurd. Daarna volgden de eindpresentaties van de zestig deelnemers aan de summer school. Een mooier programma was nauwelijks denkbaar.

Tagged with:
 

Mars der Beschaving

On 15 juli 2014, in internationaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant V zomer #1 van 12 juli 2014:

  Zomaar wat zomeraantekeningen. Sociaal-geografen Fenne Pinkster en Wouter van Gent schreven afgelopen zaterdag in Het Parool een ingezonden brief over onvrede in Amsterdam. Ook in nette buurten zou ‘een breed gedragen onvrede’ heersen. De onderzoekers van de UvA schetsen processen van ’schaalvergroting’ en ‘neoliberalisering’. De afstand tussen buurtbewoners en publieke instanties is volgens hen afgenomen, de bibliotheek is samengevoegd en bevindt zich elders in het stadsdeel, de wijkagent zit verder weg, buurtbeheerders van corporaties hebben nog maar één keer in de week spreekuur in plaats van een kantoortje op locatie. Proteststemmen van de buurtbewoners moeten anders worden gelezen, aldus Pinkster en Van Gent: het zijn stemmen vóór meer bescherming en behoud van voorzieningen. Ze noemen het ‘een Mars der Beschaving’.

Het andere artikel las ik diezelfde zaterdag in De Volkskrant. Arie Haan is trainer in China. Zijn voetbalclub bevindt zich in Tianjin aan de oostkust, een stad van 7 tot 8 miljoen inwoners, eigenlijk de aanvoerhaven van Peking. Zelf woont Haan in Peking, ruim 100 kilometer verderop, dat is een metropool van twintig miljoen inwoners, hij woont er op de zestiende verdieping van een flat in het centrum. Dagelijks gaat hij met de kogeltrein op en neer, daar doet hij een half uur over. "Net als nagenoeg elke andere stad in dit land zie je overal vernieuwing. Alle oude wijken, de hutongs, gaan plat." Over Peking zegt hij: "Toen ik hier voor het eerst kwam wonen, zat ik in een compound met alleen maar buitenlanders, volledig afgeschermd van de rest van de stad. Je moest een pasje hebben om binnen te komen. Nu zit ik in een buurt die wat meer gemengd is." Toch voelt Peking als een dorp: je komt elkaar tegen in San Li Tun, de uitgaanswijk. Veel vrienden zijn vertrokken, naar Singapore, Australië, Zuid-Afrika. Dit is de stand van zaken. Zo zit de wereld op dit moment in elkaar. Ik wens u allemaal een goede vakantie.

Tagged with:
 

Coevolution

On 14 juli 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Noord op 11 juli 2014:

AESOP staat voor Association of European Schools Of Planning. Hun jaarcongres was dit keer in Utrecht. Er namen zo’n duizend wetenschappers uit heel Europa aan deel. Thema: ‘From Control To Coevolution’. Planning gaat niet meer top-down, maar vereist samenwerking tussen vele partijen. Zoiets. Tijdens de derde dag waren er een een achttal Mobile Tracks georganiseerd door en in Nederlandse steden. Een van die steden was Amsterdam. Koen Raats, Rick Vermeulen en ondergetekende ontvingen als vertegenwoordigers van de Universiteit van Amsterdam ruim honderd deelnemers afgelopen vrijdag in de hoofdstad, om precies te zijn op de noordelijke IJ-oevers. De reis door Amsterdam Noord begon op de NDSM, gevolgd door een wandeling naar de Buiksloterham, we eindigden bij de Tolhuistuin. Op elk van de drie locaties stonden telkens drie mensen gereed: een planner, een gebruiker en een wetenschapper. Na een korte introductie konden de AESOP-leden vragen aan hen stellen. Zo ontstond een levendige gedachtenwisseling over planning, deels theoretisch, deels praktisch, vaak heel persoonlijk, steeds vanuit sterk verschillende perspectieven.

Soms waren de vragen feitelijk, maar de meeste vragen gingen over de gevolgde werkwijze, geen ging over het waarom. Wat de Europese wetenschappers vooral bezighield was de wijze waarop in Amsterdam tussen al die partijen, in al dat overleg, telkens weer overeenstemming werd bereikt, hoe plannen voortdurend veranderden, geld werd gevonden, begrip werd opgebracht, voortgang geboekt, kortom hoe telkens weer de flexibiliteit werd gevonden en de harmonie bewaard. Hoe zat het met het risicomanagement? Was dat er niet? Steeds werd gerefereerd aan de Nederlandse planningscultuur die zo sterk ontwikkeld is en die de soepele samenwerking tussen al die partijen in al die wisselende omstandigheden kennelijk mogelijk maakt. Een hoogleraar uit Cyprus vond de werkwijze Zuid-Europese trekjes krijgen. Anderen vonden de gang van zaken waarbij de gemeente samen met de bewoners de straat ontwierp een regelrechte luxe. Een planner uit Griekenland wist het zeker. Helemaal op het einde van de dag, op de binnenplaats van A-Labs op Overhoeks, vatte ze het samen: jullie in Amsterdam hebben de grond in handen. Vanuit die sterke positie kunnen jullie het je veroorloven co-evolutie te bedrijven, anders was dit heus niet mogelijk geweest. Het was niet: From Control to Coevolution, maar: Control ànd Coevolution. Zoiets, zei ze, is alleen in Amsterdam mogelijk.

Tagged with:
 

Under your nose

On 12 juli 2014, in kunst, sport, by Zef Hemel

Gehoord op 9 juli in het Hilton Hotel in Amsterdam:

Twee bijzondere mensen, twee geweldige, vergelijkbare initiatieven. Cyntha van Heeswijck begon Art Zuid, Abdelkader Benali initieerde de Groene van Amsterdam. Afgelopen mei werd voor de eerste keer zijn marathon gelopen, door Amsterdam Nieuw West. Benali is schrijver en hardloper. Zijn studio bevindt zich achter Osdorp. Zelf loopt hij rondjes om de Sloterplas. Benali in een interview in NRC Handelsblad: "Ik loop hier zelf hard en dacht: je zou hier vrij gemakkelijk een loop kunnen organiseren. De infrastructuur is geschikt; brede, rustige paden. Veel groen. Daarbij verdient deze buurt het ook." Zijn parcours voerde langs Sloterplas, Nieuwe Meer en door de Tuinen van West. Ruim 330 sympathisanten boden hem geld, waardoor hij de vereiste 15.000 euro voor vergunningen, dranghekken, politie-inzet en registratie van rentijden kon betalen. Alles werd gecrowdfunded. Benali: "Het past bij het utopische van Nieuw-West. Bij nul beginnen." Op 11 mei was de eerste marathon een feit. Er liepen zeker 2.000 mensen mee.

Cyntha van Heeswijck deed hetzelfde in Amsterdam Zuid. Afgelopen week sprak ze in het publieke lezingenprogramma van summer school ‘Thinking City’ in het Hilton Hotel aan de Apollolaan. Zes jaar geleden, vertelde ze, begon ze Art Zuid, een vier maanden durende beeldententoonstelling in de openlucht in plan Berlage. Met zestig vrijwilligers en een budget van 7 tot 8 ton organiseert deze juriste sindsdien om de twee jaar de grootste tijdelijke beeldententoonstelling van Nederland, telkens bestaande uit zeventig nieuwe sculpturen. De centrale assen van Apollolaan en Minervalaan vormen het hart. Afgelopen jaar trok Art Zuid 350.000 bezoekers. Ze prees het plan Berlage, de schitterende architectuur en ze vertelde hoe bezoekers door de tentoonstelling ook de architectuur en de stedenbouw van Amsterdam Zuid waren gaan zien en waarderen. Twee bijzondere initiatieven van twee bijzondere personen. Twee initiatieven die maximaal gebruik maken van de stedenbouwkundige kwaliteiten van hun stadsdeel, binnen en buiten de ring, alles tijdelijk, alles ’slechts’ programma, maar met een enorme uitstraling. Benali heeft gelijk: "It’s under your nose."

Tagged with:
 

Gehoord op 7 juli 2014 in de Academie van Bouwkunst Amsterdam:

Wat heeft Evert Verhagen zoal geleerd tijdens de bouw en ontwikkeling van de Westergasfabriek in Amsterdam? Veel, heel veel. In het publieksprogramma van summer school ‘Thinking City’ sprak hij voor een stampvolle zaal over zijn recente werk in Amsterdam. In 2004 kwam het culturele complex aan de Ponceaukade eindelijk gereed. Er was veel aan voorafgegaan. Verhagen was indertijd gemeentelijk projectmanager. De twaalf hectare vervuilde grond onder de oude gasfabriek werd in 1992 door de gemeente verworven, moest eerst worden schoongemaakt, de historische gebouwen gered, een nieuw park ontworpen, en steeds was er ongeloof en geldgebrek. Verhagen begon daarom met het tijdelijk programmeren van de oude gebouwen. Want wat de krakers konden, dat kon hier ook. Cultuur kreeg van hem volop de ruimte. Dat programmeren deed hij vijf jaar lang. Daardoor begon er iets te veranderen; mensen ontdekten het gebied, ze vonden de gebouwen steeds mooier, er kwam geld. Een programma, zei hij, is veel belangrijker dan de architectuur. Pas na het programmeren startte hij met plannen maken. In die lange periode van transitie viel er, aldus Verhagen, het meeste te leren. Dat was ook zijn belangrijkste les: tijdens transities gebeurt het, dan moet je goed opletten.

Transformaties zijn moeilijk en zwaar. In het begin is er helemaal niets, en niemand gelooft je. Maar plekken maken waar jonge mensen elkaar ontmoeten, wist Verhagen, zijn hard nodig in een grote stad. Dus hield hij moed. Alles, zei hij, draait om mensen. Ook voor de programmering gaat het om het vinden van de juiste man of vrouw. Zijn of haar netwerk van vrienden en relaties is namelijk cruciaal. Elke stad moet hierin investeren. Als nieuwste voorbeeld gaf Verhagen het voormalige abattoir in Casablanca, Marokko, waarbij hij als adviseur ook betrokken is. De Afrikaanse stad telt vijf miljoen inwoners, de meeste ervan zijn jong. Toch valt er weinig tot niets voor hen te beleven. In de abattoirs – L’Batoir – worden nu voorstellingen gegeven, een tijdelijke culturele programmering voedt de wens van een nieuw centrum in het hart van de metropool. Dat gaat er ook komen. Elke stad in de wereld, aldus Verhagen, kan het. Elke stad verdient het. Het gaat om de jonge mensen, om groot talent, van rond de dertig. Die verhuizen gemakkelijk. Die moet je aan je binden. Goed programmeren is daarvoor cruciaal.

Tagged with: