22 miljoen mensen zonder water

On 14 november 2014, in water, by Zef Hemel

Gelezen in Het Financieele Dagblad van 24 oktober 2014:

Afgelopen week een fotograaf ontmoet. Raakte met hem in gesprek. Hij vertelde me dat hij vier jaar in Sao Paulo had gewoond. Niet in Brazilië, verduidelijkte hij, maar in Sao Paulo. De stedelijke regio in het zuiden van het land telt 22 miljoen inwoners, haar grootstedelijke economie is 411 miljard euro waard, dat is een derde van de hele Braziliaanse economie. Sao Paulo is zo groot, dat je haar eigenlijk nooit verlaat. De rest van het land bestaat voor de inwoners eigenlijk ook niet. Dat is geen provincialisme, maar grootstedelijkheid. Je oriënteren kun je je er ook al niet; wil je bij iemand elders in de stad op bezoek, dan bepaal je eerst een plek in de stad die je kent, gaat daar naar toe, om vervolgens je opnieuw te oriënteren, om zo uiteindelijk op je bestemming te arriveren. Daardoor maak je vaak enorme omwegen. Met GPS, zei de fotograaf, is dat probleem overigens opgelost.

Rond dezelfde tijd besteedde Het Financieele Dagblad aandacht aan zakenstad Sao Paulo, de economische motor van het land. Die motor ondervindt ernstige hinder van droogte. Dit jaar bleven de tropische onweersbuien uit. Vorig jaar viel er ook al geen regen. Daardoor zijn de watervoorraden opgeraakt. De rivierbeddingen staan droog, transport over water is niet meer mogelijk, de centrales kunnen niet meer worden gekoeld, de energievoorziening wordt bedreigd. Zelfs de superrijken krijgen er last van. En het erge is, veertig procent van het drinkwater lekt weg of wordt gestolen. De Braziliaanse Rijkswaterstaat wil nu de kraan dichtdraaien. Maar daarmee zou de economie van Sao Paulo tot stilstand komen. De stad probeert nu uit alle macht dit te voorkomen. Ze kan het probleem zelf oplossen, zegt ze. De waterconsumptie heeft ze de afgelopen tien jaar al gehalveerd. Maar de staat ziet dat niet. Die begrijpt niet hoe steden functioneren.

Tagged with:
 

Haven paaien

On 13 november 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 oktober 2014:

Misleidende kop: ‘Zonder haven geen Singapore’. Het artikel van de hand van correspondent Melle Garschagen in NRC Handelsblad ging over de nieuwste havenplannen van de met ruimte woekerende stadstaat ten zuiden van Maleisië. Aan het schiereiland Tuas van Singapore zal een vier vingerige containerhaven worden toegevoegd door opspuiting, de eerste vinger daarvan, ter waarde van 596 miljoen euro, werd afgelopen zomer succesvol aanbesteed. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een verplaatsing van de bestaande terminals. Alleen door een nieuwe, volkomen gerobotiseerde haventerminal elders te bouwen kan de haven van Singapore overleven. In Maleisië en Indonesië zitten de concurrenten die azen op de markt van containeroverslag. Op de plaats van de bestaande havenarealen zal vanaf 2027 een nieuwe stad verrijzen. Werkgelegenheid schept de nieuwe containerhaven ook niet – het betekent eerder banenverlies -, maar de nieuw te bouwen stad op de plaats van de huidige haven schept wèl heel veel nieuwe banen! En appartementen!

Zo doe je dat dus. Stad bouwen door haven te verplaatsen. De transformatie vindt overigens onder druk van de 5,5 miljoen Singaporesen plaats. Want die willen banen en appartementen zo dicht mogelijk bij de stad. Ze gingen zelfs massaal de straat op, wat in Singapore hoogst ongebruikelijk is. De stad dreigt volgens de inwoners onleefbaar te worden. Garschagen: "De regering van Lee beseft dat ze banen moet creëren en ruimte maken voor appartementen om aan de macht te blijven." De bestaande haven omtoveren in een nieuw stuk stad en de havenbaronnen paaien met een nieuwe haven, dat is dus haar strategie. Dus om nou te beweren dat de haven essentieel is voor het voortbestaan van Singapore lijkt me onzin. De stad is, anders dan bijvoorbeeld Rotterdam, sterk ontwikkeld over de volle breedte van het economische spectrum. Vladan Babovic van de National University of Singapore komt in het artikel aan het woord en stelt dat ‘zonder het een al het andere wegvalt’, maar dat is twijfelachtig. Deze dichtbevolkte stadsstaat zou heel goed zonder zeehaven kunnen. Juist doordat haar economie zo divers is, is ze veerkrachtig. Net zoals Los Angeles zonder haven kan, kan ook Singapore zonder.

Tagged with:
 

Push a Negative Hard

On 12 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rules for Radicals’ (1972) van Saul Alinsky:

Hoe werken mensen beter samen? Daarover ging mijn lezing in Utrecht, twee weken geleden. Mijn antwoord: werken in kleinere eenheden, meer zelfsturing, minder controle, minder management. Dit kan alleen als de kans op conflicten gereduceerd wordt. Hoe bannen wij conflicten uit ons werk? Een van de voorbeelden die ik noemde was het werk van Saul Alinsky (1909-1972), opbouwwerker uit Chicago en leermeester van Barack Obama. Ogenschijnlijk koos ik daarmee een heel slecht voorbeeld. Hij, Alinsky, zocht conflicten juist op, nee hij maakte ze. Hij bedacht een vijand, creëerde daarmee een gemeenschappelijk doel en bracht zo de mensen samen. Dit noemde hij ‘empowerment’. In 1972 schreef hij er een boek over. In ‘Rules for Radicals’ behandelt hij twaalf regels over symbolische constructies en niet-gewelddadige conflicten die uitmonden in een gestructureerde organisatie van mensen met een duidelijk doel. Werkte het?

Iets van deze bewuste conflicthantering zie je nog steeds in onze samenleving terug. Geen wonder. Veel babyboomers hebben er ooit mee gewerkt en gebruiken het nog steeds, bewust of onbewust. Immers, zij kwamen in opstand tegen hun ouders, het gezag, de autoriteiten. Alinsky gaf hen nuttige tips. Bijvoorbeeld de ander belachelijk maken, waardoor hij geen verweer heeft; de vijand bevechten met zijn eigen regels; de druk erop houden; uitgaan van een dreiging omdat die voor mensen werkelijker is dan de feiten; de vijand bevechten buiten zijn eigen expertise. En wat te denken van deze? "If you push a negative hard enough, it will push through and become a positive." Mensen zullen uiteindelijk kiezen voor de underdog, dus speel de underdog en wees subversief! Misschien, suggereerde ik daar in Utrecht, heeft deze werkwijze, door velen in praktijk gebracht, uiteindelijk wel zoveel sturing en management in onze samenleving noodzakelijk gemaakt. Je moet de mensen niet vertrouwen. Maar als dat zo is, dan kunnen we dit ook weer afbreken. De huidige machthebbers – zelf babyboomers – zullen dit misschien niet snel doen. Dat is dan aan de volgende generatie.

Tagged with:
 

Poor forecasters

On 11 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 5 december 2005:

Een oudje misschien. Maar nog steeds geldig en ook voor planologen buitengewoon relevant. In ‘Expert Political Judgment: How Good is It? How Can We Know?’ laat de Amerikaanse psycholoog Philip Tetlock overtuigend zien dat experts de toekomst minder goed voorspellen dan leken. Hoewel de boodschap niet fijn is, kreeg het boek destijds toch een bespreking in The New Yorker. In ‘Everybody is an expert’ vertelt Louis Menand hoe Tetlock tweehonderdvierentachtig mensen vroeg om voorspellingen te doen. Uiteindelijk verzamelde hij ruim 82.000 voorspellingen. De experts bleken niet betere voorspellers dan de amateurs, nee ze scoorden significant slechter. Bijvoorbeeld in het geval waarin uit drie mogelijke toekomsten kon worden gekozen. De experts kwamen niet verder dan vijftig procent goed, de amateurs scoorden beter. Menand: "Human beings who spend their lives studying the state of the world, in other words, are poorer forecasters than dart-throwing monkeys, who should have distributed their picks evenly over the three choices."

Hoe dit kan? Menand geeft een aantal verklaringen. Experts zijn te gespecialiseerd en kunnen het geheel niet meer overzien. Ze zijn ‘egels’. Die weten één groot ding. Door hun specialistische kennis blaken ze van zelfvertrouwen en kennen weinig twijfel. Ze komen vaak aanzetten met plausibele details, merkwaardige feiten, waarmee ze ons – niet-experts – proberen te overtuigen. Vooral economen lijden hieraan. Echter, amateurs overzien de wereld niet slechter, eerder beter, en kunnen ook scherpere inschattingen maken. Amateurs zijn ‘vossen’: ze weten van alles een klein beetje. Toevlucht zoeken in statistieken – ook gedetailleerde, achter de voordeur – helpt niet. Toch is dit precies wat experts steevast doen. Nu weer zoeken ze hun toevlucht in ‘Big Data’. Achteraf zullen ze ook nooit toegeven dat ze foute inschattingen hebben gemaakt. Hun werk is voorspellen, de media willen alleen dàt van hen en daarop worden ze afgerekend. We kunnen beter gewone burgers raadplegen. Ondertussen tasten wij omtrent de toekomst volkomen in het duister.

Tagged with:
 

Randstedelijke vooroordelen

On 10 november 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Vertrouwd voordelig’ (2014) van Peter Middendorp:

Een muur van vooroordelen typeert de kloof tussen de Randstad en het Noorden, dat stelde afgelopen zaterdag Ana van Es, vertrekkend correspondent voor het Noorden in de Volkskrant. "De kloof tussen het Noorden en de Randstad, dat is in feite de kloof tussen platteland en stad." Volgens haar is dat ook het onderscheid tussen relatieve armoede en welvaart. In het Noorden gaat veel niet goed. Groningen-stad draait prima cijfers, maar voor de rest van de provincie geldt dit stellig niet. "Decennia is door het Rijk actief geprobeerd het Noorden op te stuwen in de vaart der volkeren." Het hielp allemaal niet. Recente rapporten ademen een andere sfeer. De toekomst van Nederland ligt in de stad. "Het Noorden, ‘met al dat platteland’, blijft achter als een verlaten buitengewest." Geld pakt het wezenlijke probleem niet aan, erkent ook Van Es. Toch is dat het enige waarop de bestuurders van het Noorden nog hopen. Dat was de strekking van het sombere afscheidsartikel in de krant.

Ik moest bij het lezen denken aan ‘Vertrouwd voordelig’, de rake roman van Peter Middendorp. Die speelt in Emmen, Zuidoost-Drenthe, in een middenstandsmilieu, om precies te zijn in de Noorderstraat in het centrum van de Drentse industriekern die na de Tweede Wereldoorlog opgestoten moest worden in de vaart der volkeren. Emmen, de stad die gelijk staat aan de door de staat gesponsorde AKU, later Enka, nog weer later Akzo Nobel, vormt het toneel van een heus drama van een puber die zijn afkomst en omgeving probeert te bevechten. De roman maakt duidelijk – duidelijker dan welk ander serieus achtergrondartikel ook – dat het met Emmen helemaal niet goed gaat. Het mag niet gezegd, want het is een taboe, maar iedereen met enig talent wil Emmen de rug toekeren. Er zijn zelfmoorden, dat ook. Maar vooral staat bus 50 – de huidige Qliner – naar Groningen in de roman model voor het massale vertrek van scholieren naar studentenstad Groningen. Elk uur rijdt ze vanaf de markt naar de grote stad om jonge mensen te vervoeren. Je diploma halen, daarna mag je weg. Randstedelijke vooroordelen?

Tagged with:
 

Silicon Roundabout

On 7 november 2014, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 maart 2014:

Iemand zei me laatst dat Londen goed bezig is nu het een Tech City aan het ontwikkelen is, een heus ecosysteem waarin startups in de Britse metropool kunnen gedijen. Amsterdam zou dat ook moeten doen. Hij bedoelde Silicon Roundabout, een deel van Shoreditch dat een paar jaar geleden voorwerp werd van de Tech City Strategy van het Londense gemeentebestuur en de Britse regering. Kort na 2000 was dit inderdaad het gebied in Oost-Londen waar kleine startups gevestigd waren. Maar nu niet meer. In ‘The slow death of Silicon Roundabout’ beschrijft Cory Doctorow, zelf inwoner van de buurt, hoe de overheid vakkundig een einde maakte aan het levendige milieu van internetpioniers van Shoreditch door het als zodanig te gaan promoten. Maar eerst de naam. Die werd in 2008 gemunt door Matt Biddulph, zelf in de buurt woonachtig en eigenaar van Dopplr. "If this goes on, some awful estate agent will start calling us Silicon Roundabout," zei hij ooit. Zelf deden hij en zijn vrienden er lacherig over, maar de gemeente maakte het tot een ernstige zaak, een doel, een missie.

Startups, schrijft Doctorow, zijn vreemde vogels. "Most of them fail." En als ze al succesvol zijn, dan vergeten ze het liefst al hun eerdere mislukkingen. "They are fizzy." Het patroon is als volgt: de jongeren werken voor een startup die mislukt, met een collega gaan ze aan de slag bij een ander; dit doen ze een aantal keren tot ze ergens hun vrienden treffen; met hen beginnen ze vervolgens hun eigen startup. "Almost everything that startups do comes to nothing." Maar overheden duiken erop alsof het allemaal succesverhalen zijn. En zo werd Silicon Roundabout geboren. Daar tref je nu ‘incubators’ met mooie bureaus. De gemeente, aldus Doctorow, is niet geïnteresseerd in vreemde vogels die broeden in goedkope, kleine leegstaande kantoren. In zijn straat gingen de goedkope panden zelfs tegen de vlakte om plaats te maken voor studentenhuisvesting. Internationale studenten, wel te verstaan. De gemeente handhaaft niet. Het enige dat economisch groeit in Shoreditch zijn de makelaars en aannemers."The startups that gave it its ridiculous name are gone."

Tagged with:
 

Archaisch

On 6 november 2014, in innovatie, stedenbouw, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 23 juli 2014:

Excellentie, innovatie en economische groei, welke omgeving hebben ze nodig? Deze week moest ik een lezing hierover geven voor de opleidingsdirecteuren van Amsterdam Science Park. Dat ik de stad zie als een grote campus, zullen ze graag willen geloven. Maar veel hebben ze er niet aan. Wat moet er op Science Park gaan gebeuren? De campus is zeker een geschikt model. Wonen, werken, studeren en onderzoeken, alles op ‘een open veld’, dat was het architectonische programma van Thomas Jefferson, die als architect tevens president van Amerika, uit Oxford, Cambridge en Harvard eind achttiende eeuw een schitterende classicistische universiteitscampus voor Virginia ontwierp. Het klooster werd bij hem een dorp. Opnieuw las ik een column van Coen Teulings, die niet alleen hoogleraar is aan de Universiteit van Amsterdam, maar sinds ruim een half jaar ook aan die van Cambridge, Groot-Brittannië. Zijn vrouw doet in Delft onderzoek naar campussen. In NRC Handelsblad schreef hij er afgelopen zomer een column over. Misschien wel speciaal voor haar.

De universiteit van Cambridge, aldus Teulings, is gehuisvest in kasteelachtige gebouwen. Ieder college heeft een eigen identiteit, ze is een wereld op zichzelf. “Ieder college heeft een eigen gebouw, een ommuurde veste, slechts toegankelijk via de Porter’s Lodge.” Binnen gelden tal van ongeschreven regels die ver teruggaan in de tijd, het zijn oude rituelen, en uit alles spreekt diep respect voor wetenschappelijke kwaliteit. De econoom Teulings, kennelijk in gesprek met zichzelf en met zijn studiegenoten, merkt op dat een dergelijke universiteit geen toonbeeld is van efficiency. “Die ondoelmatigheid is juist goed. Het houdt een universitaire cultuur levend die door de eeuwen heen veel nieuwe inzichten heeft gebracht.” Teulings: “Archaïsche tradities helpen blijkbaar een cultuur te conserveren waarin excellentie goed gedijt.” En renderen doet het ook, want Cambridge University draait al vier eeuwen lang een omzet van meer dan een miljard pond. Teulings: “Ik verkeer regelmatig in totale verwarring.”

Tagged with:
 

Smart Cities

On 5 november 2014, in duurzaamheid, economie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Smart about Cities’ (2014) van Maarten Hajer en Ton Dassen:

Vorige week een masterclass gegeven aan veertien internationale studenten uit het Amsterdam Excellence Scholarship-programma van de UvA en zeven excellente studenten uit verschillende masterprogramma’s binnen Nederland. Onderwerp: ‘Smart Cities’. Drie uur lang spraken we over het onderwerp aan de hand van het recent verschenen boek van het Planbureau voor de Leefomgeving, i.c. het essay van Maarten Hajer. In ‘On Being Smart about Cities’ stelt de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving dat het vertoog over slimme steden tot nu toe a-historisch is en zich weinig gevoelig toont voor sociale context waarin steden zich ontwikkelen. Technologische preoccupatie staat een bredere, meer vruchtbare benadering in de weg. Steden moeten economische groei combineren met ambitieuze duurzaamheidsdoelen die per saldo zullen leiden tot beduidend minder energie- en grondstoffengebruik. Juist een meer historische en gedragswetenschappelijke aanpak is hard nodig om te overleven.

Doordat de studenten uit alle studierichtingen behalve geografie en planning afkomstig waren konden we het onderwerp onbevooroordeeld bespreken. Moeiteloos schakelden we tussen fundamentele vragen als ‘wanneer en hoe veranderen wij ons gedrag?’ naar ‘hoe intelligent zijn steden?’ Tussendoor ging het over: ‘welke invloed heeft onze omgeving op ons gedrag?’ en ‘wat is het verschil tussen ons aanpassen en creatief zijn?’ Ook stonden we stil bij de vraag of een kritische houding en het koesteren van wetenschappelijke twijfel voldoende zijn om ons snel aan kunnen te passen aan een veranderende omgeving. Is, anders gezegd, de wetenschap wel voldoende wendbaar en innovatief? Tegenover hoogtechnologische steden als New Songdo plaatsten de studenten, waarvan sommigen zelf afkomstig uit India en Midden Amerika, de slums en favela’s van Mumbai en Mexico City. Overheden maken daar steeds dezelfde fouten. Biedt de ’smart city’ daar wel oplossingen voor? Een student vroeg: wat is het doel van steden? Dat wisten we niet goed. We refereerden aan de natuur. Vergelijkingen werden gemaakt met dieren en planten. Welke organismen passen zich het snelste aan? Ondertussen vertelden we elkaar verhalen, uitmondend in de speculatie dat fictie met zijn spanningsboog en vermogen om soms miljoenen mensen te boeien, veel meer dan non-fictie, ons zou kunnen redden. Iemand wilde weten waar dit gesprek nu precies over ging.

Tagged with:
 

Stedenbouw begrijpen

On 4 november 2014, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 27 oktober 2014:

Book cover 'Atlas of the Functional City'

Op het symposium bij de presentatie van de ‘Atlas of the Functional City’, afgelopen dinsdag in een steenkoude kerk in Rotterdam, spraken overwegend kunsthistorici. Hun lezingen gingen over het legendarische vierde congres van C.I.A.M. (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) dat in de zomer van 1931 was gehouden tijdens een boottocht tussen Marseille en Athene. Het eerste exemplaar van het vuistdikke boek, gesponsord onder andere door de EFL-stichting, werd vlak voor de pauze in ontvangst genomen door Titia Frieling, de weduwe van stedenbouwkundige Dirk Frieling. In haar dankwoord herinnerde ze aan de bijzondere werkwijze van de architecten die zich destijds verzameld hadden op het schip. Van Eesteren had er haar en haar man veel over verteld. Architecten uit vele landen werkten er samen, hun vergelijkend onderzoek naar steden vond plaats in een informele, kameraadschappelijke sfeer. Diezelfde coöperatieve werkwijze had ze later ook aangetroffen in Nederland Nu Als Ontwerp en nog weer later in De Nieuwe Wibaut.

Kunsthistorici zijn niet in werkwijzen geïnteresseerd. Hen interesseren alleen de kaarten. Gregor Harbusch uit Zürich sprak over de stadsanalyses, de Berlijnse historicus Thomas Flierl over Moskou, waar het congres oorspronkelijk had moeten plaatsvinden, Lara Voerman over de technische realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Vincent van Rossem, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, over de invloed van Fritz Schumacher op het denken van Cornelis van Eesteren (‘Eerst denken, dan pas ontwerpen’). Na afloop van de lezingen volgde discussie. Gevraagd werd naar de communicatie rond het congres. Wat kwam er naar buiten? Het was een vraag waar de sprekers niet goed raad mee wisten. Ook op de vraag naar nieuwe inzichten die het negatieve imago van de functionele stedenbouw zouden kunnen bijstellen kwam geen respons. Ten slotte volgde een vraag over de bewoners. Waren zij door de architecten van CIAM ooit gehoord? Doodse stilte. Voerman vertelde over persoonlijke brieven van Van Eesteren, gevonden in de archieven, met burgers die over stof en zand hadden geklaagd. Van Rossem vond dit onzin. Volgens hem was stedenbouw zo ingewikkeld dat gewone burgers er toch niets van begrepen. Hoezo niet begrijpen? Kunsthistorici begrijpen niets van planning.

Tagged with:
 

In the Thick of Things

On 3 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen op Business Insider van 7 mei 2014:

cornell tech campus

De derde en laatste casus in de Masterclass Stedenbouw New York 2015 wordt die van Cornell NYC Tech. Deze spiksplinternieuwe universiteit in New York – een samenwerking van Cornell University en Technion-Israel Institute of Technology – zal zijn deuren openen in 2017 op een nog te bouwen campus van 12 acres (met 2 miljoen square feet aan gebouwen) op Roosevelt island. Voorlopig zit ze in een oud gebouw. Cornell Tech moet grootstedelijke problemen helpen oplossen en New York gaan positioneren als ‘major tech center’. Gerekend wordt op circa 2.000 studenten voor in totaal acht masterprogramma’s, waarvan drie duaal: connective media, healthier life, built environment. Door alle acht loopt informatietechnologie als rode draad. De universiteit is de uitkomst van een tender, uitgeschreven door burgemeester Bloomberg die de technologische en de grootstedelijke vraagstukken met elkaar wil verbinden.  Kosten: 2 miljard dollar. Maar voorlopig zit de universiteit nog in “a nondescript third-floor loft’ in Chelsea, Manhattan, haar beschikbaar gesteld door Google. Het New Yorkse initiatief heeft bijvoorbeeld Amsterdam geinspireerd om te komen tot een soortgelijke tender, waarvan AMS de uitkomst is: Graduate School for Amsterdam Metropolitan Solutions.

Alles is hier nieuw, niets is zeker bij Cornell Tech. Het terrein op Roosevelt island is eigendom van de gemeente, die steekt er tot 100 miljoen dollar in. Cornell, nu nog gevestigd in Ithaka, ziet grote voordelen in een vestiging op Manhattan. Dan gaat het volgens de voorzitter, David Skorton, om “the rather old-school benefit of being in the thick of things. Anders gezegd:  “Interactions can occur at a very long distance now, but you still see that many, many serendipitous steps forward are based on the old concept of bumping into people, having lunch, that personal interaction,” En: “We’re already seeing that in the temporary campus, in the Google space. “Even with all our technology proximity still really matters.” Ziedaar de voordelen van een stadscampus in hartje New York. Voordelen die ook Columbia en New York University ertoe hebben gebracht flink te investeren in hun campussen in ‘The Big Apple’. Want geen universiteit kan achterblijven.

Tagged with: