Er geen doekjes om winden

On 13 maart 2015, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 9 maart 2015:

Phillip's Economic Computer, 1949.

Bill Phillips kennen economen van de zogenaamde ‘Phillips curve’. Die geeft een voorspelling van de werkloosheid gerelateerd aan de inflatie. Phillips was een Australiër die zijn carrière begon als krokodillenjager. Later runde hij een bioscoop. Weer later voer hij op grote schepen om de cv-installaties aan boord te onderhouden. Op 31 jarige leeftijd ging hij alsnog sociologie studeren. In Londen. Aansluitend koos hij voor een master economie. Echter, zijn cijferlijst was ronduit beroerd. Toch werd hij tot de LSE toegelaten. Daar faalde hij. Maar bij de mislukking legde hij zich niet bij neer. Hij wilde economie echt begrijpen. Daartoe bouwde hij in zijn schuur in drie maanden tijd een machine waarmee hij de economie simuleerde: een cv-installatie waarin water de rol van geld had. Water stroomt. Geld ook. Door de machine leerde hij economie eindelijk zelf begrijpen en ontdekte hij zowaar zijn ‘Phillips curve’. Keynes zou met de machine ooit nog eens een economisch vraagstuk hebben opgelost.

Tot zover het eerste deel van de Amsterdamlezing van Bas Haring, hoogleraar Publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit Leiden, afgelopen maandag in CREA op Roeterseiland te Amsterdam. Wat wilde Haring met het verhaal over Bill Phillips zeggen? Vier lessen trok hij eruit. Les 1: stel vragen, moffel niets weg, 2. ga zelf aan de slag en vraag je af hoe het precies zit; 3. beperk je niet tot teksten, maar máák dingen die verhelderen; 4. jouw levensloop ligt niet vast, die is onvoorspelbaar. En verder vertelde hij vooral over zijn eigen late kennismaking met de economische wetenschap. Zijn respect voor economen bleek groot. Dus de vraag rees waarom de economen bij het brede publiek hebben afgedaan en op dit moment zo’n statusval doormaken. Iemand in de zaal bekende dat hij de lobbyist van de taxibranche in het journaal op televisie nog eerder vertrouwde dan de zogenaamd onafhankelijke econoom. Haring: ‘Misschien omdat ze zulke slechte voorspellers zijn.” En waarom werken de economen niet veel meer met andere disciplines samen? Haring wist het niet. Hij sprak heldere taal, gebruikte mooie voorbeelden, was heel open. Hij wond er geen doekjes om.

Tagged with:
 

De mooie deeleconomie

On 12 maart 2015, in infrastructuur, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gehoord in De Pijp in Amsterdam op 8 maart 2015:

In vijf jaar tijd heb ik mijn buurtje in de Amsterdamse De Pijp drastisch zien veranderen. Op het pleintje en de stoepen staan nu gemiddeld zes scooters geparkeerd, vijf jaar geleden waren dat er nog nul. Liefst ‘s nachts rijden de eigenaren ermee vlak voor mijn deur langs, de gevels bijna schampend. De jongelui hebben daarnaast hippe fietsen en vaak ook een kleine snelle auto, die ze bijna niet gebruiken. Die staan op straat geparkeerd, de fietsen vullen de rekken. De gemeente heeft een flink aantal rekken bijgeplaatst. Alles is echter permanent bezet, zowel de parkeerplaatsen als de fietsenrekken, want de dure vervoermiddelen worden bijna niet gebruikt. Zelfs het speelpleintje voor de kinderen is nu een permanent parkeerterrein voor fietsen geworden. Marokkaanse jongens (de buurman kent ze) stelen hier alles wat los en vast zit, elke week is het wel raak. En soms komt de gemeente fietsen wegsnijden. Het ruimt even op. De oorzaak van dit alles is de grootschalige verkoop van de kleine sociale huurwoningen in de buurt door de Amsterdamse woningbouwcorporaties. Werkloze armoedzaaiers en bijstandsmoeders maken plaats voor studenten en vooral yuppen. Hun held is Willem Holleeder op zijn scooter, de misdadiger van Zuid. En Amsterdam is voor hen één grote uitgaanswereld. Lol!

Met mijn kinderen gaat het vooralsnog goed. Ze kunnen nog steeds opgroeien in de grote stad. We zien ook dat de gemeente zijn best doet om de buurt leefbaar te houden. Maar er is één ding dat we bijna niet meer kunnen verdragen. Dat zijn de alarmsystemen van de scooters. Elke nacht is het wel raak. Snerpend en tergend lang gaan de claxons over. Vaak is er niets aan de hand. De eigenaren voelen zich voor de overlast niet verantwoordelijk. Sterker, ze hebben niet eens door dat ze de buurtbewoners ermee terroriseren. Het gaat immers om de veiligheid van hun kostbaar bezit. Een jonge buurvrouw sprak ik er laatst op aan. Ze reageerde hevig verontwaardigd. Uiteindelijk gaf ze toe dat de meeste scooteralarmsystemen slecht zijn afgesteld. Er verandert echter niets. Verderop, in de grachtengordel, komen de bewoners in opstand tegen de grote drukte. En de Tweede Kamer verhindert Amsterdam om de scooterterreur aan te pakken. Ik wil niet verhuizen. Wanneer stappen mijn jonge buurtgenoten eindelijk eens in die mooie deeleconomie?

Tagged with:
 

De redding van de Zuidas

On 11 maart 2015, in infrastructuur, by Zef Hemel

Geschreven in ‘’The Other Side. Nieuw Belgrado-Amsterdam Noord’ (2015):

https-::farm4.staticflickr.com:3138:2939003436_d0204f393a_b

Op een gegeven ogenblik moet het Modernisme voor de machine hebben gekozen, in plaats van voor de mens. Techniek wilden de internationale architecten dienstbaar maken aan het moderne leven. Ze omarmden haar, de industrie, de machines en vooral de auto, omdat ze dachten dat deze de mensen comfort en een beter leven zouden bieden. Zo publiceerde Siegfried Giedion in 1948 ‘Mechanisation takes command’. Daarin onderzocht de Zwitserse ideoloog van de CIAM hoe de mechanisering ons moderne leven was gaan beheersen en bepalen. Beweging legde hij aan de basis van de moderniteit. Bij uitstek de auto zag hij in dat licht. De auto, schreef hij, is de voorloper van de ‘volledige mechanisatie’ en de autosnelweg de ultieme stedenbouwkundige uitdrukking ervan. Eerder, in ’Space, Time and Architecture’ (1945), had hij de moderne snelweg al als een scheidende parkweg opgevat die de grootstad zou inbinden en intomen. “De parkweg wijst naar een verschiet waarin, nadat de kunstmatig opgeblazen stad tot haar normale omvang zal zijn teruggebracht.”

De autosnelweg als wapen tegen de grote stad. Dat was ook precies de intentie van de tekenaars van het IJtunneltracé in het Amsterdam van begin jaren ‘60 en van de ring A10 in Amsterdam-Zuid en West. Provo sprak destijds over het ‘koolmonoxideklootjesvolk’. Marshall Berman, de intellectuele reus uit New York, schreef in 1982 hetzelfde toen hij terugkeerde van een bezoek aan Brasiliá. De Brazilianen zelf vervloekten de door Costa en Niemeyer ontworpen modernistische autostad, terwijl architecten haar juist verafgoodden. Berman moest de gewone man gelijk geven. “My sense of what Brasiliá lacked brought me back to one of my book’s central themes, a theme that seemed so salient to me that I didn’t state it as clearly as it deserved: the importance of communication and dialogue.” Nu ik in Seoul, Zuid-Korea, rondloop en zie hoe men daar de snelweg door de stad rigoureus heeft afgebroken, begrijp ik bijna niet hoe alle autoverkeer op slag is verdampt! Geen verkeersmodel heeft dit kunnen voorspellen. De auto’s zijn ingeruild voor een park waar nu een lieflijk riviertje door stroomt. De Cheonggye Stream  wordt door de mensen bewonderd en is ook schitterend. Ineens moet ik aan de A10 denken. Stel je voor dat de A10-Zuid, in plaats van verdubbeld (sic!), wordt afgebroken en het Zuidas-tracé voor datzelfde geld (1,4 miljard euro voor vier rijstroken extra) wordt omgetoverd tot een langgerekt park. Op voorspraak van de inwoners, die bij de planvorming betrokken zouden zijn. Voor hoofdpijndossier Zuidas een redding, voor de mensheid een zegen.

Tagged with:
 

De opslingering van Amsterdam

On 10 maart 2015, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Besproken in B.Amsterdam op 6 maart 2015:

couleurlocale

Couleure Locale klinkt misschien kneuterig, maar is het beslist niet. Het betreft een initiatief van Emilie Vlieger en Kris Oosting. In het kader van het Jaar van de Ruimte 2015 organiseren deze twee jonge Utrechtse ondernemers het komende jaar een aantal Ruimteverkenningen op verschillende plekken in Nederland. De eerste vond afgelopen vrijdag plaats in Amsterdam. Daarvoor kozen ze als locatie B.Amsterdam – de nieuwe broedplaats naast IBM in Nieuw-West – , ze namen de internationale concurrentiepositie van Amsterdam als thema en, getriggerd door een interview met hem in Vrij Nederland, vroegen ze Zef Hemel als spreker.  Aansluitend nam Vincent Kompier, overgekomen uit Berlijn, de circa dertig deelnemers mee op metro-excursie. Het gezelschap, afkomstig uit heel Nederland en Vlaanderen, bezocht o.a. de Zuidas en het Marineterrein, waar Startup Delta is gevestigd. Wat was hun indruk? Ik vermoed, na de lezing, dat ze vooral in verwarring waren gebracht.

De lezing van Hemel ging over ‘De opslingering van Amsterdam’. Daarmee wilde hij zeggen dat er feitelijk geen keuze is: Amsterdam wordt door mondiale krachten opgeslingerd. Wie goed oplet ziet dat aan de lokale toeristenmarkt (‘drukte in de stad’), de woningmarkt (‘Amsterdam is een spons’), de kantorenmarkt (verziekt, maar op de Zuidas geen leegstand), enzovoort. Die opslingering komt door de verknoopte mondiale netwerken, de waarde van het merk ‘Amsterdam’ in de wereld, glasvezel en internet en nog zo wat zaken waarvan de betekenis de landsgrenzen verre overstijgt. Het enige wat we kunnen doen is de groei van Amsterdam proberen af te remmen. Dat doen we dan ook met volle kracht. Amsterdam zelf creëert bewust schaarste om vastgoedprijzen hoog te houden, haar bevolking wil liefst niet groeien en klaagt over de drukte, de regering, gesteund door het Interprovinciaal Overleg en in de nek geblazen door de Tweede Kamer, spreidt en smeert programma’s en geld uit over de provincies onder het mom van verdelende rechtvaardigheid, ruimtelijke ordening in Nederland is per definitie distributieplanologie opgevat als eng-nationaal gezelschapsspel, Europa ten slotte gedraagt zich als een fort dat immigratie verhindert. “Waarom zou je als Amsterdam ook moeten willen groeien?”, was de vraag die het bij de aanwezigen opriep. Inderdaad, de vraag stellen alleen al. De Nederlanders vonden het maar negatief, de Vlamingen juist verfrissend. Ik vlieg vandaag naar Seoul, waar men wel bereid is op te slingeren.

Tagged with:
 

Gidsstad

On 9 maart 2015, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 8 februari 2015:

In amper zes jaar tijd is het aantal hotelkamers in Amsterdam met liefst 6.000 gegroeid tot ruim 24.000. In 2015 worden er zelfs 3.100 kamers aan de voorraad toegevoegd. In de hele metropoolregio is het aantal hotelkamers – inmiddels 33.000 – met vijf procent gegroeid. De kamerbezetting bleef desondanks ‘stabiel’. Stabiel wil zeggen een stabiele bezettingsgraad van 76 procent. Maar de gemeentelijke statistische dienst noteerde ook: “Niet eerder ontvingen de Amsterdamse hotels zoveel boekingen.” Daar komen nog eens half miljoen bezoekers van cruiseschepen bij, en komend seizoen worden in de Amsterdamse haven liefst 157 cruiseschepen en een veelvoud van riviercruises verwacht. En dan zijn er de Airbnb-toeristen. Meer dan 10.000 woningen in Amsterdam werden afgelopen jaar op de website aangeboden – een groei van 123 procent. De hotelsector ondergraven ze echter niet. Vooral het luxe segment in de toeristische markt blijft groeien. De omzet steeg met 44 procent, de opbrengst per kamer met 36 procent. De afgelopen tien jaar trok de hoofdstad zestig procent meer bezoekers! Amsterdam is niettemin extreem duur voor toeristen – ze staat op de tweede plaats van steden met de duurste hotelovernachtingen in Europa. Komend seizoen zullen de hotelprijzen weer stijgen. De bewoners van de binnenstad slaan alarm. De bouw van hotels moet stoppen. Hoe dit kan? Een typisch voorbeeld van non-lineaire groei. Zulke groei leidt tot paniekreacties. Het moment waarop de pleuris uitbreekt heet een tipping point. Dan is het meestal al te laat.

Stephen Hodes, adviseur voor cultuur en toerisme, gooit nog eens olie op het vuur. Hij verwacht de komende tien jaar een verdubbeling van de Amsterdamse toeristensector. (Overigens, dat voorspelde hij tien jaar geleden ook al, wat redelijk is uitgekomen). Ook deze adviseur pleit voor een bouwstop voor hotels. Hij vreest voor een ‘Disneyficatie’ van Amsterdam. Amsterdam wordt een pretpark. Dat illustreert hij met een statistiek van steden met het aantal overnachtingen per inwoner: Amsterdam staat daarin binnen Europa eenzaam aan de top (Venetië is weggelaten, ZH). Maar zullen de prijzen dan niet juist torenhoog stijgen? Amsterdam moet een gidsstad worden voor het beheersen van het toerisme, vindt hij. In elk geval is er niet één oplossing. Naast een bouwstop denkt hij aan een betere ruimtelijke spreiding. Maar één oplossing noemt hij niet: een verdubbeling van het inwonertal van Amsterdam zelf. Dat zou zijn statistiek op natuurlijke wijze corrigeren. Het zou ook tot een veel betere mengverhouding leiden, tot beter openbaar vervoer, tot meer spreiding, tot grotere investeringen, tot specifiekere voorzieningen. Nu moet alles met ingrepen, maatregelen en ‘big data’ worden opgelost. Niet handig.

Tagged with:
 

Troosteten

On 6 maart 2015, in gezondheid, voedsel, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 2 maart 2015:

troost eten

Dagelijks nemen wij gemiddeld 226 voedselbeslissingen. Negentig procent van die beslissingen nemen we onbewust. Wel of niet eten, wel of niet snoepen, wel of niet koffie drinken. In zijn Amsterdamlezing van afgelopen maandag in CREA op Roeterseiland campus in Amsterdam sprak Jaap Seidell, hoogleraar Voeding en gezondheid aan de VU, indringend over chronische aandoeningen als obesitas, diabetes en overmaat aan cholesterol. Chronische aandoeningen hebben net als infectieziekten epidemische trekken. Maar anders dan infectieziekten gaat zo’n epidemie niet over. Hij groeit alleen maar. Obesitas is een typische welvaartsziekte, maar hangt ook sterk samen met urbanisatie. Grote delen van Azië, waar de verstedelijking in een hoog tempo gaat, kampen nu ook met obesitas en diabetes. Vooral in de sloppenwijken. Waarom? Zit je onderaan de maatschappelijke ladder, dan heb je minder keus, lijdt je vaker aan chronische stress, dan ga je vet, zout en zoet eten. Bij apen zie je dat ook. Seidell noemde het voorbeeld van ‘troosteten’, dat we allemaal wel kennen. Verkeerd eten als verdedigingsmechanisme. Het klonk aannemelijk en huiveringwekkend.

En het begint allemaal op jonge leeftijd. In de eerste twee jaar van ons leven wordt de toon gezet. Pas jaren later openbaren zich de ziekteverschijnselen. 30.000 kinderen in Amsterdam zijn op dit moment te zwaar. Seidell vergeleek de aandoening met cholera in de negentiende eeuw. Ook toen dachten de mensen dat het een gebrek aan wilskracht van arme mensen was, een tekortschieten van verantwoordelijkheidsgevoel in de krottenwijken. ‘Je weet toch dat fastfood niet goed voor je is?’ Seidell maakte afdoende duidelijk dat dat te eenvoudig is. Het probleem is razend ingewikkeld en zit in de omgeving, niet in de mensen. De fysieke omgeving deugt niet, de voedselomgeving van arme mensen schiet tekort. Net als Samuel Sarphati moeten we de stedelijke omgeving veranderen. Het kan. Stadslandbouw helpt. Kinderen moeten weer leren groenten eten. Schoolmaaltijden ook. En water drinken in plaats van frisdrank. Ongezonde etenswaar verbieden. Superfood? Onzin. Veel te duur. De stedelijke overheid moet ingrijpen, zoals wethouder Van der Burg ook doet. De voedingsmiddelenindustrie moet worden aangepakt. De prijzen van groenten en fruit zijn de afgelopen tien jaar veertig procent gestegen, die van zoet en vet voedsel veertig procent gedaald. Seidell was heel duidelijk. De zaal stelde vragen en dacht met hem mee. Indrukwekkend.

Tagged with:
 

Visieloos

On 5 maart 2015, in bestuur, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam van verzorgingsstad naar participatiestad’ (2014) van Bob Kassenaar:

Kreeg onlangs een exemplaar van het boek van Bob Kassenaar in handen. Deze trouwe en gepokt en gemazelde ambtenaar van de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam ging in 2014 met pensioen. Aansluitend schreef hij een dik boek over veertig jaar werken bij de gemeente, helemaal vanuit het perspectief van het stadhuis. Centraal thema: hoe te komen tot een lerende organisatie. Mooi onderwerp. Goed geschreven ook. Een lerende organisatie lijkt ook mij buitengewoon belangrijk. Maar bij een veelkoppige gemeentelijke organisatie is dat heel moeilijk omdat er elke vier jaar nieuwe bazen aantreden die telkens weer het wiel willen uitvinden. En al die bazen hebben hun eigen diensten die ze maar wat graag tegen elkaar in stelling brengen. Kassenaar verbijt zich dan ook voortdurend. Meerjarige strategie of regie laat staan lessen leren uit gemaakte fouten, het is, stelt hij, gewoon onmogelijk in gemeenteland.

In hoofdstuk 3.4 wijdt hij uit over de opgave van ‘samenhang en structuur’. Volgens Bob heeft de gemeente op dit terrein een slechte reputatie en heeft ze ook in al die jaren niets geleerd. Wat is het probleem? ‘Groupthink’ ligt hier voortdurend op de loer. Er is volgens hem ook geen ‘countervailing power’ in de ruimtelijke sector. Planningsoptimisme is het gevolg. Planningsoptimisme wordt hier gevoed door een dominante projectenstructuur en door de grote invloed van marktpartijen. En toen, in 2004, kwam er tot overmaat van ramp ook nog Zef Hemel bij de gemeente Amsterdam werken, die visionair bleek te zijn (blz 221). “Volgens die visie komen alle projecten die nu op stapel staan, in de toekomst tot volle bloei.” Alle projecten? Over wat voor visie hebben we het dan? Bob vond het in ieder geval verschrikkelijk. Zijn conclusie: “Het organiseren van tegenkracht in Amsterdam is even cultuurvreemd als het werken met alternatieven.” Werkelijk? Mijn tienjarige ervaring heeft mij juist geleerd dat alle diensten en stadsdelen in Amsterdam elkaar voortdurend tegenwerken: de countervailing power blijkt uitstekend te zijn georganiseerd. Een gedeelde visie zou partijen juist bij elkaar hebben gebracht. O ja, en leren is niet hetzelfde als regie voeren vanuit het stadhuis.

Tagged with:
 

Open City

On 4 maart 2015, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Open City’ (2011) van Teju Cole:

‘Open City’ van Teju Cole moet je in één keer uitlezen. De lange monologue intérieur van Jules is inderdaad, zoals een criticus schreef, "a meditation on history and culture, identity and solitude". De hoofdpersoon wandelt voortdurend door New York, ontmoet daar allerlei mensen, denkt na over de dingen, over zijn leven, over de stad. Afkomstig uit Nigeria is hij, net als de trekvogels boven zijn hoofd, ooit neergestreken in New York. New York is een typische migrantenstad, want de mensen komen werkelijk overal vandaan. Zelf woont hij dicht bij Columbia University, zijn avondwandelingen begint hij vanuit Morningside Heights, West Harlem. Elke avond loopt hij een stukje verder. "In this way, at the beginning of the final year of my psychiatry fellowship, New York City worked itself into my life at walking pace." Jules is psychiater in opleiding. Hij doorziet de ziel van mensen en doorgrondt, door te lopen, ook de ziel van de stad. Vandaar.

Mooi vond ik de passage in het vliegtuig. Jules vliegt terug uit Brussel, waar zijn moeder ooit woonde, naar New York. Bij landing ziet hij onder zich de stad liggen en stelt zich voor dat het vliegtuig een doodskist is en beneden hem de begraafplaats, met de huizen als marmeren grafstenen. "Then it came to me: I was remembering something I had seen about a year earlier: the sprawling scale model of the city that was kept at the Queens Museum of Art." Het blijkt te gaan om de maquette die in 1964 was gebouwd voor de Wereldtentoonstelling en die sindsdien keurig was bijgehouden en nog altijd te zien in dit museum. "In this case it was the real city that seemed to be matching, point for point, my memory of the model, which I had stared at for a long time from a ramp in the museum." De maquette had hem weer herinnerd aan een verhaal van Borges over cartografen die zo door detaillering waren geobsedeerd dat ze een kaart van het rijk maakten op een schaal van 1:1. "The map proved so unwieldy that it was eventually folded up and left to rot in the desert." Fascinerend. Zo werkt dus onze ziel.

Tagged with:
 

Immigrantvriendelijk

On 3 maart 2015, in demografie, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 7 februari 2015:

immigrants to Baltimore

Twee artikelen in hetzelfde nummer van The Economist. Het ene over Frankrijk, het andere over de Verenigde Staten. Beide artikelen over immigranten en grote steden. In Frankrijk worden ze als een probleem gezien, in de Verenigde Staten als een oplossing. Zo brandmerkt de Franse regering de 50 tot 100 ghetto-achtige buitenwijken in Franse steden waar moslim-migranten geconcentreerd leven als probleemgebieden. Premier Manuel Valls sprak zelfs van een ‘apartheidsvraagstuk’ dat zou aanzetten tot extremisme, criminaliteit en radicaal islamisme. Sinds 2005, toen de rellen in de Franse banlieus begonnen, is er door de regering al 400 miljoen euro gestoken in renovatie en stedelijke herstructurering. Helpen doet het niet. Frankrijk levert de meeste jihadis aan Syrië en Irak (nu al zo’n 1400), al levert België per hoofd van de bevolking nog meer jonge strijders. “Prison seems to be a particularly efficient incubator.” Kortom, de diagnose en ook de reactie van de Franse regering lijken een verkeerde.

In de Verenigde Staten wordt immigratie juist als een oplossing gezien. In ‘Rolling out the welcome mat’ staan Amerikaanse steden centraal die in de afgelopen jaren een eigen migratiebeleid ontwikkelden. Baltimore trekt Spaanstalige aan uit New York. Haar burgemeester, Stephanie Rawlings-Blake, wil van Baltimore zelfs de meest immigrantvriendelijke stad ter wereld maken. Ook andere Rustbelt-steden zoals Cleveland en Philadelphia verstrekken tegenwoordig stedelijke visa aan migranten die naar hun stad toe komen. Waarom? “Several studies suggest that when immigrants arrive, crime goes down, schools improve and shops open up.” Eenvoudig is het niet, want ook migranten willen veilige buurten, goede scholen en kans op werk. Detroit trekt migranten aan, maar verliest ze ook weer. Baltimore lukt het wel. En hoe. Tussen 2000 en 2013 groeide de immigratie met 50 procent. “In places like Highlandtown, which bustles with Ethiopian, Moroccan and Mexican restaurants, that has started a cycle of gentrification, as affluent young whites have been lured by the new urban vibe.” Kortom, in Europa ziet men het verkeerd, regeringen kunnen het sowieso niet, laat steden dus hun eigen visa verstrekken. laat buurten gewoon verkleuren en vier de gentrificatie, op gang gebracht door de nieuwkomers! Omarm de migranten. In Europa onbespreekbaar. Een taboe.

Tagged with:
 

Utopisch

On 2 maart 2015, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de inleiding bij ‘De Stijl: 1917-1931’ (1982) van Hans Jaffé:

Alweer een tijdje geleden een lezing gegeven in Rotterdam over stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988). Frits Palmboom, bezetter van de Van Eesterenleerstoel in Delft, had mij gevraagd in Het Nieuwe Instituut te spreken over het ontwerp van Van Eesteren van de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen. Wie was eigenlijk Van Eesteren? In de eerste plaats, zei ik, was hij een kind van de Eerste Wereldoorlog. Die gebeurtenis heeft zijn werk blijvend beïnvloed. Kunsthistoricus Jaffé omschreef deze oorlog, die Van Eesteren als jongeman had beleefd, als een periode van volstrekte chaos, die mensen verlangend had doen uitzien naar evenwicht en harmonie. De kring van kunstenaars waarin de jonge Van Eesteren verkeerde, zocht die harmonie in abstractie en precisie. Piet Mondriaan deed dat in zijn schilderijen, Van Eesteren in de functionele organisatie van stad en landschap. Ook met het latere beloop van de Houtribdijk had Van Eesteren, destijds adviseur van de Zuiderzeewerken, naar harmonie en evenwicht gestreefd. Zo is de dijk schitterend opgespannen tussen twee Zuiderzeestadjes, het oude Enkhuizen en het nieuwe Lelystad.

In de inleiding bij de catalogus over De Stijl-tentoonstelling in Stedelijk Museum en het Kröller-Müller Museum uit 1982 had de oude Jaffé geschreven over de tijd waarin de kunstenaars van De Stijl volwassen waren geworden – de schoksgewijze veranderingen door de industrialisatie en de onstuimige groei van de steden. “Op al deze gebieden werd een algemeen plan, een denkbeeld aanvaard als vervanging van individuele, vaak willekeurige beslissingen. Een blauwdruk, een formule vormde de basis voor alle eigentijdse, vooruitstrevende scheppingen.” De blauwdruk moest in de chaos van de moderniteit houvast bieden, ze werd tevens gezien als model voor artistieke productie. “De kunst was een pionier, een gids naar een lichtere toekomst, naar een nieuwe en revolutionaire utopie.” Hoe anders is het nu. De blauwdruk heeft afgedaan, een algemeen plan wordt verafschuwd, abstractie en precisie schitteren door afwezigheid, de chaos wordt aanvaard, verwerkelijking van de harmonie zoeken we tegenwoordig in de achtergebleven stad, niet in een zogenaamd nieuw leven. Er is geen geloof meer in een nieuwe en revolutionaire utopie. Wie begrijpt de Houtribdijk nog? Niemand.

Tagged with: