Te laat, in verval

On 22 april 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Generating Culture’ (2002) van Jonathan Israel:

Afgelopen 18 april 2013 vierde Felix Meritis zijn 225-jarig bestaan met de opening van een kunstwerk op het oude observatorium op het dak van het pand aan de Keizersgracht. Het kunstwerk – Amsterdam of above  Amsterdam of Below – van Joseph Semah verbindt, aldus de beknopte catalogus, de sterren, de grachten en de stad. Het betreft in neon verlichte citaten op diverse gebouwen in de hele stad die vanaf het oude observatorium voortaan ‘s nachts te zien zijn. Felix Meritis (‘Gelukkig door Verdiensten’) opende in 1788 haar deuren als sociëteit waar de burgers van Amsterdam de Verlichtingsidealen deelden en uitdroegen. Het gebouw is opgetrokken in neoclassicistische stijl – de stijl van de Verlichting -, de architect is Jacob Otten Husly. Het observatorium aan het Keizersgracht is het oudste van Nederland.

De opening herinnerde me aan de prachtige lezing van de Britse historicus Jonathan Israel tijdens het congres in het KIT in 2002, gewijd aan creatieve steden. In ‘The Conditions for Creativity, Prosperity and Stability in the Cities of the Dutch Golden Age’ beschreef hij niet alleen de opkomst en bloei van de Hollandse steden, maar ook hun verval. Het onvermogen om in de late zeventiende eeuw in het bloeiende Amsterdam wetenschappelijke academies op te richten zette volgens Israel de hoofdstad van de republiek op een achterstand. Londen en Parijs kregen ze namelijk wel. Het grote observatorium dat Lodewijk XIV in Parijs liet bouwen is nog altijd een van de meest eloquente herinneringen aan zijn regeerperiode. Uitgerekend Amsterdam, waar sinds 1640 nota bene de belangrijkste wetenschappelijke instrumenten waren ontwikkeld en vervaardigd, kreeg géén academie en géén observatorium. Christiaan Huygens vertrok daarom in de vroege jaren 1660 naar Parijs. Israel begrijpt wel waarom Nederland in verval raakte: “Had there been a proposal before the States of Holland for an academy of sciences, whichever town was proposed as its site would have been sure to arouse the jealousy, and very likely the non-cooperation of the rest.” Pas honderd jaar later kreeg Amsterdam zijn observatorium. Maar toen was het te laat.

Tagged with:
 

The Frozen City

On 19 april 2013, in politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op het Roeterseiland in Amsterdam op 18 april 2013:

Geweldig gastcollege gisteren aan de Universiteit van Amsterdam van Bart Goldhoorn. Goldhoorn, woonachtig in Amsterdam, werkt al zeventien jaar in Moskou als architect en organisator van stedelijke evenementen. Gisteren vertelde hij de bachelor-studenten over de planning van Groot Moskou. Voor het begrijpen van de huidige impasse – een absolute Catch 22 situatie – verwees hij naar de geschiedenis van Rusland. Rusland, zei hij, is een land van revoluties; verandering gaat er nooit geleidelijk.  De laatste revolutie was een contrarevolutie die volgde op de perestroika. Ineens had de markt zijn intrede gedaan en gingen mensen de straat op om hun spulletjes te verkopen. Tot dan was Moskou nog een volledige ‘supply oriented city’ geweest, waarin grootschalige volkshuisvesting was gecombineerd met grote fabrieken en waarbij alles collectief was en niemand enige verantwoordelijkheid wilde dragen. Deze contrarevolutie heeft ‘de nachtmerrie van het communisme’ met de ‘nachtmerrie van het kapitalisme’ gecombineerd. De gebouwde omgeving van Moskou is namelijk nog overwegend communistisch, terwijl de samenleving door blind kapitalisme gedreven lijkt. ‘Russians are fed up with collectivity’. Overal plaatsen ze hekken en slagbomen en hun auto gebruiken ze als middel om zich de openbare ruimte toe te eigenen.

Overal zag Goldhoorn inertie: in normen, in eigendom, in bescherming. De ergste inertie ontwaarde hij in de Russische bureaucratie. Deze ambtenarenkaste, die  dikwijls overheidswerk combineert met eigen ondernemingen, vormt de werkelijke heersende klasse. Ze stapelt perestroika-regelgeving op sovjetregels; of regelgeving wettig is maakt haar niet uit. In Rusland, voegde Goldhoorn eraan toe, is geen sprake van trias politica, dus kunnen bureaucraten gewoon hun gang gaan. Goldhoorn zag niets in de oplossingen die door de ontwerpteams tijdens de Moscow Competition waren aangedragen. Tot enige verbetering in de situatie zullen ze niet leiden. In Moskou is sprake van een ronduit zwakke overheid en de russen gaan conflicten uit de weg. Stagnatie is de uitkomst, een ernstig gebrek aan innovatie. Erger, ‘urban planning in Moscow is a dangerous profession,” waarbij hij verwees naar de stedenbouwkundige van Perm die vorige week door de politie was gearresteerd. Vandaar de titel van zijn college: ‘The Frozen City’. Lichtpuntjes zag Goldhoorn wel: de nieuwe chief architect van Moskou is jong en lijkt vatbaar voor verandering. Vraag uit de zaal: kan verandering hier alleen met een volgende revolutie komen? Bart glimlachte, hij dacht van wel.

Tagged with:
 

Mensen willen metropolen

On 18 april 2013, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The cities of Russia’ van Dmitri Piterski in GeoJournal (1997):

Vandaag alweer het derde hoorcollege over Moskou aan de Universiteit van Amsterdam, in de minor ‘Cities in Transition’. Tot de verplichte literatuur behoort een artikel over de steden van Rusland. Auteur is Dmitri Piterski van het Institut für Länderkunde in Leipzig. Van recente datum is het artikel niet. Wel schetst het een goed beeld van de stedenpolitiek in de voormalige Sovjet-Unie. Meest opvallende feit vond ik dat Rusland een land is van grote steden. Tussen 1970 en 1990 steeg het aantal steden van meer dan 500.000 inwoners van 17 naar 34. Die grootstedelijke groei ging veel sneller dan de planners hadden gedacht. Vele Sovjet-plannen voor steden bleken keer op keer achterhaald, want stelselmatig had men met een sterkere groei van middelgrote steden gerekend en een tragere groei van grote steden. Die laatste waren meest nieuwe steden, door de Sovjet-planners op papier bedacht. Sterker, de ruimtelijke politiek in de jaren zestig en zeventig was er een van opzettelijke decentralisatie: grote steden tolereerden de Sovjets niet. Dat Moskou zo snel tot veruit de grootste stad van de Sovjet-Unie zou uitgroeien was ook onbedoeld.

Op dit moment krimpen veel Russische steden en het aantal krimpende steden neemt nog steeds toe. Vooral de westelijk gelegen industriële centra en provinciesteden verliezen hun bevolking. Moskou daarentegen groeit. Die sterke groei is niet het gevolg van een hoog geboortecijfer, want net als in de rest van Rusland is hier sprake van een natuurlijke bevolkingskrimp. De Moskouse groei is er een van zuivere immigratie. Russische migranten uit alle windstreken – Europees Rusland, Siberië en het Verre Oosten – trekken massaal naar de allergrootste steden in het centrum. Is dit slecht nieuws? Nee, eerder lijkt sprake van een natuurlijke correctie. Wat jarenlang planmatig ruimtelijk is gespreid – met new towns en antistedelijk beleid – blijkt bij nader inzien toch niet levensvatbaar, sterft af en ruimt zichzelf op. Mensen willen metropolen. Alle nieuwe steden zijn mislukt. Achteraf jammer van zoveel geforceerde planning, waarin overigens niet alleen Sovjetplanners excelleerden. In Europa en Amerika was de situatie niet wezenlijk anders.

Tagged with:
 

Gemeentelijk initiatief

On 17 april 2013, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam in kaarten’ (1987):

Bijna tweehonderd jaar lang, vanaf rampjaar 1672, vormde de Amsterdamse Plantage een onbebouwd gebied binnen de stadswallen. Al die tijd werd er hier geen kavel uitgegeven. Ook de bevolkingsomvang van Amsterdam bleef gedurende die hele periode steken op precies 200.000. Daarin kwam pas verandering na 1850. De groei zette toen lichtjes in. In de verarmde oude binnenstad raakten de kelders en zolders het eerste overbevolkt. Totdat in 1857 de gemeenteraad besloot met alle huurders van de tuinen in de Plantage het contract te beëindigen. Het gebied, ingeklemd tussen het Roeterseiland met uitsluitend industrie in het zuiden, de Kadijken met hun pakhuizen en Entrepotdok in het noorden en de Jodenbuurt in het westen, leek voorbestemd om een armeluisbuurt te worden. Echter, de gemeente bezat alle grond, wat in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was, en stelde hoge eisen aan de nieuwe bebouwing. Zo vormde zich in korte tijd een van de mooiste woonwijken van Amsterdam.

Toegegeven, deels was het succes van de Plantage als nieuwe, deftige woonbuurt te danken aan Artis, dat in 1838 werd aangeplant en dat met zijn in 1851 geopende Parkzaal de gegoede burgerij een passende entourage bood voor uitgaan en vertier. Maar de gemeente maakte het stedenbouwkundige plan en dat zou voor het uiteindelijke succes beslissend blijken. Dertig jaar later, zo rond 1890, was het grootste deel van de Plantage al bebouwd. In ‘Amsterdam in kaarten’ lees ik hierover: “De opzet van burgemeester en wethouders was geslaagd. De buurt had een uitgesproken deftig karakter gekregen, wat een breuk met de aangrenzende gebieden vormde.” Opnieuw een bewijs dat lang niet alle grote stedenbouw in het negentiende eeuwse Amsterdam uitsluitend te danken was aan de burgerij, maar dat ook de gemeente duidelijk initiatief nam en actief ingreep waar zij dat nodig achtte. Tussen 1860 en 1900 gingen de grondprijzen in de Plantage vijftig maal over de kop. De stad zelf werd ineens rijk. Voor wethouder Treub reden om in Amsterdam erfpacht in te voeren. En voor wethouder Wibaut reden om de gemeente stedenbouwkundig te outilleren.

Tagged with:
 

Erwten als bewijs

On 16 april 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2013:

Onder de kop ‘Het begin van landbouw was bewuste keuze’ verscheen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad laatst een artikel over het ontstaan van de landbouw. Volgens de gangbare theorie ontstond deze geleidelijk, doordat mensen en gewassen langzaam naar elkaar toegroeiden. ‘Cultivatie vóór domesticatie’ heet deze theorie. Die theorie blijkt niet langer houdbaar. Waarom? Omdat wilde erwten nooit een belangrijke voedingsbron kunnen zijn geweest voor jager-verzamelaars. De opbrengst was daarvoor te laag. Erwten, linzen (foto) en kikkererwten moeten onaantrekkelijk zijn geweest om te verbouwen. Toch waren deze peulvruchten een ‘rotsvast onderdeel’ van het allereerste akkerbouwpakket, samen met granen als eenkoorn, emmer en gerst. Wetenschapsjournalist Hendrik Spiering: “Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkerwerwten gevonden.” Conclusie van de wetenschappers? “Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten.” Geen jager-verzamelaars dus. Maar wat voor mensen dan wel?

De wetenschappers houden het op ‘vroege boeren’, maar alles wijst erop dat het gaat om stedelingen. Circa 11.000 jaar vormden zich namelijk de eerste steden in de wereld. Overal waar de vroegste steden werden aangetroffen treft men korte tijd later ook sporen van vroege landbouw aan. Voor Jane Jacobs was het aanleiding om in ‘The Economy of Cities’ (1968) de theorie te ontvouwen dat de vroege landbouw een stedelijke innovatie is geweest en dat er dus eerst steden waren, en daarna pas landbouw. Nog steeds ontkennen veel archeologen deze bijzondere hypothese die steden aan de basis van de menselijke evolutie plaatst.  Waarom? Omdat ze nog altijd veronderstellen dat boeren hun omgeving als de beste begrepen en stedelingen, die dat veel minder deden, pas veel later op het wereldtoneel zouden zijn verschenen. Stedelingen zouden natuur en landbouw nooit hebben begrepen. Preciezer, stedelingen zijn boeren die van hun omgeving vervreemd zijn geraakt. Zoiets. Een hele merkwaardige redenering. Het is omgekeerd: de vroege boer was een stedelijke innovatie, die later van de stad vervreemd is geraakt.

Tagged with:
 

Ollies en flips

On 15 april 2013, in economie, mode, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 1 december 2012:

Deze kende ik nog niet. ‘Amsterdam past bij skatewereld’. De uitspraak is van Pierre André Senizergues, oprichter van Sole Technology. In Het Parool stond een interview met hem. Senizergues (45) is niet alleen ingenieur, maar vooral bekend als voormalig Frans, Europees en wereldkampioen skaten. Van origine Frans, vertrok hij begin jaren negentig naar Los Angeles om er bij IBM te gaan werken, maar dat beviel hem niet. Tegenwoordig runt hij zijn eigen bedrijf, vanuit Amsterdam. Het Europese hoofdkantoor van Sole Technology is gevestigd bij de Houthavens, onder de rook van havenbedrijven als Cargill en Eggerding. Het ontwikkelt en verkoopt coole schoenen voor skaten in liefst zeventig landen. Het werd groot met ‘etnies’, een echt cultmerk. Het merk heeft drie eigen brandstores in Europa, waaronder een aan het Damrak in Amsterdam. Waarom juist Amsterdam?

Nederland telt 60.000 skaters, alle jong, want onder de twintig jaar. Dat is niet heel veel. De hoofdstad zelf telt ongeveer 20 skate-obstakels, waaronder het indoorskatepark op de NDSM-werf, het Olympiaplein en de Marnixpool. Dat is al beter. Voor Senizergues telt mee dat iedereen in Amsterdam goed Engels spreekt. Bovendien kent de stad veel cultuur, waardoor de individuele leefstijl hier zwaar weegt, en bij skaten hoort nu eenmaal leefstijl. Maar ook staat Amsterdam voor duurzaamheid en skaten en snowboarden verbindt Senizergues met het behoud van de planeet. Vandaar ook dat hij voor een duurzaam hoofdkantoor heeft gekozen, met 60 zonnepanelen op het dak en een state-of-the-art geothermisch koel- en warmtesysteem, op fietsafstand van Centraal Station. Maar het belangrijkste is dat Amsterdam ondernemend is, dat er hier veel wordt gereisd en veel wordt geexperimenteerd. Weer zo’n mooi voorbeeld van een creatief internationaal bedrijf dat technologie combineert met mode, sport en leefstijl, in een uiterst riskante bedrijfstak waarin permanent moet worden geïnnoveerd. Het kan alleen bestaan als het goed is ingebed in een grootstedelijk creatief milieu, zeg maar: in de rafelranden van een dynamische, internationaal georienteerde creatieve stad.

Tagged with:
 

Amateur peers

On 12 april 2013, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amateurism’ (2008) van Erik Kessels:

Vorige week college gegeven op de Academie van Bouwkunst Amsterdam. Onderwerp: wat ontwerpers van planologen kunnen leren. Opnieuw bleek het niet eenvoudig om de beide disciplines dichter bij elkaar te brengen, laat staan de ontwerpdiscipline anders te laten denken. Zwichten voor de crisis die het vak bijna om zeep helpt zou ook niet goed zijn. Beter de rug recht houden en wachten op betere tijden, lijkt het motto. En ja, de architectuur heeft wel eens zwaardere crises gekend. Dat er, los van de economische malaise, iets structureels aan de hand is waardoor het stedenbouwkundige ontwerpen fundamenteel zal veranderen, bleek moeilijk te accepteren. Met name het punt van de ‘massa-amateurisatie’ wilde er bij de studenten niet in. Planologen vormen de voorhoede en zijn dit aan het leren; ontwerpers zijn nog niet zover. Zit je net op een Academie vier jaar lang moeizaam het vak te leren, krijg je te horen dat amateurs het van je gaan overnemen. Begrijpelijk, die fronsende wenkbrauwen.

Na afloop kreeg ik een fantastisch publicatie van reclamemaker/kunstenaar Erik Kessels in handen. In 2008 had hij aan de Amsterdamse Academie als 4e ‘Artist in Residence’ een research group geleid die uitgerekend het verschijnsel ‘amateurisme’ had bestudeerd: “what is an amateur and what is a professional? Is one somehow superior to the other?” Dat soort vragen. De resultaten waren opgenomen in het boekje.  Allemaal buitengewoon aandoenlijke en ontroerende werkstukken van amateurs. Conclusie van Kessels: “Instead of closing ourselves off from amateurs and their influences, it might be beneficial to welcome them, their inspirations and enthusiasm. Those of us lucky enough to get paid for our creativity should welcome our amateur peers, not sneer down our marker pens at them.” Nieuw is het niet. In de negentiende eeuw was het de adel die zich er op liet voorstaan. Amateurisme betekende voor hen werkelijke passie. In de 21ste eeuw gaat het om een variant hiervan: “Increasingly, our entertainment is no longer the work of megastars but of regular people with a sketchpad, a digital camera and a strong inventive streak.”

Tagged with:
 

Een schijntje

On 11 april 2013, in cultuur, economie, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gezien in Amsterdam op 10 april 2013:

Amper terug uit Parijs fiets ik zowaar weer langs het vernieuwde Rijksmuseum. Over een paar dagen opent het zijn poorten (en later dit jaar mag ik er weer onderdoor). Alle kritieken erover zijn tot nu toe lovend. Het museum is zeker geen Louvre, maar met de fraaie Hollandse tuinen, het plein, het fietspad en de grachten biedt het aan de wereld iets uniek Amsterdams. Hier geen koningen of koninginnen, hier geen hofhouding of regering, wel cultuurminnende burgers en een neogotisch gebouw op de rand van een diepliggende polder. De effecten van het museum op de stad en de regio zullen ongekend zijn. Niet alleen de culturele, maar ook de economische. Wat die laatste betreft zal het Rijksmuseum meer voor de Nederlandse economie gaan betekenen dan de hele Tweede Maasvlakte bij elkaar, dat verzeker ik u. Die laatste kostte de Nederlandse staat liefst 2,9 miljard euro, het Rijksmuseum ‘slechts’ 375 miljoen. Een schijntje dus.

Zeker de economische effecten zijn nauwelijks te overschatten. Door het Rijksmuseum zal het internationale hoogwaardige toerisme naar Nederland sterk toenemen, het bezoek naar het museum gaat van 1 naar 2 miljoen per jaar. In ‘Stad en land’ (december 2010) heeft het Centraal Planbureau bovendien aangetoond dat investeringen in kunsten en monumenten de lokale grond- en vastgoedwaarde sterk doet stijgen. Amsterdam zelf wordt door deze investeringen dus nog veel meer waard. Het CPB spreekt van ‘de wederopstanding van de stad’. Inderdaad zal Amsterdam als stedelijke economie eindelijk weer de kracht ontwikkelen die de stad voor de Tweede Wereldoorlog heeft gehad, maar die door de suburbanisatie en gedwongen ‘overloop’ ernstig werd ondergraven. De naamsbekendheid en de aantrekkingskracht van Amsterdam op grote internationale bedrijven en congressen wordt door het museum ook nog eens flink verhoogd en de investering in een Nationaal Historisch Museum zal achteraf dwaas en overbodig blijken. Nee, die vergelijking met de Tweede Maasvlakte is zo gek nog niet. De opening van het Rijksmuseum komt precies op tijd. Ze overtreft het effect van het Guggenheim Museum in Bilbao. Waarom? Omdat Amsterdam op zichzelf al een wereldbestemming is. Ze zal het beste medicijn blijken tegen de crisis en een enorme impuls voor de verder eenzijdige nationale economie.

Tagged with:
 

Parijs groeit, Parijs krimpt?

On 10 april 2013, in regionale planning, by Zef Hemel

Gezien in Parijs op 8 april 2013:

Deze week ging de tweede week van de masterclass stedenbouw van start. Bestemming: Parijs. Bij de start was ik ter plekke aanwezig. Master is de Amsterdamse stedenbouwkundige Maurits de Hoog, Anne Luijten organiseert het. Onder leiding van De Hoog ontwikkelen vijftien planologen en stedenbouwkundigen van de vier grote steden in de Randstad in drie weken tijd verstedelijkingsstrategieën voor Seine Amont, het uitgestrekte industriële gebied aan de zuidoostkant van de Franse hoofdstad. DRO Amsterdam is de initiatiefnemer. De Nederlandse ambassade in Parijs en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu verlenen medewerking. We werden ontvangen door medewerkers van het Institut d’Amenagement du territoire et d’Urbanisme (AIU) van Ile de France en door EPA-ORSA, de ontwikkelmaatschappij voor het gebied.

Wat is precies de opgave in Seine Amont? Het reusachtige gebied ten zuiden van Porte d’Orleans bestaat uit een plateau en een rivierdal die in noord-zuid richting door grote autosnelwegen worden doorsneden. In de jaren zestig zijn hier vliegveld Orly en foodcenter Rungis ontwikkeld, waardoor een logistiek niemandsland is ontstaan waaromheen, verspreid over een groot aantal dorpen, slechts 300.000 mensen wonen. Door de geluidsoverlast en door het isolement loopt die bevolking op dit moment zelfs terug. Ondertussen groeit Groot-Parijs stevig door en zoekt de steenrijke stad naar mogelijkheden om in zuidelijke richting te expanderen. Echter, het gebied kent vele hindernissen, oogt weinig aantrekkelijk, mist parken, ja zelfs een goede openbaar vervoerontsluiting ontbreekt en de Seine kan makkelijk buiten zijn oevers treden en de vallei onder water zetten. Tijdens de masterclass kwam aan het licht dat de lokale, veelal arme bevolking zich bovendien tegen verandering verzet. Men stemt er overwegend communistisch en verlangt terug naar spoorwegen en industrie. In dat laatste schuilt natuurlijk de oplossing. Met nieuwe metrolijnen probeert Parijs het gebied de komende jaren te ontsluiten, maar die zijn niet voor 2030 gereed. Ook is de vraag of ze de juiste plekken zullen aandoen. Ben benieuwd met welke oplossingen de Nederlandse planologen de komende weken zullen komen.

Tagged with:
 

River City

On 5 april 2013, in duurzaamheid, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Anarchist Gardener’ (2012):

De Ruin Academy van Taipei, Taiwan, werkt met lokale kennis. Bijvoorbeeld met kennis van de vissers van de Keelong, Danshui en Xindian die generaties lang op deze rivieren in de stad hebben gevist, goederen en mensen vervoerd, op de hogere gronden hun tempels gebouwd, van het voedsel uit de rivieren hun bestaan opgebouwd. In hun actieve leven, vertelden ze, waren de rivieren nog schoon geweest, de stormvloeden nog voorspelbaar en aanvaardbaar. Echter, toen de woning van dictator Chiang Kai-Shek na de oorlog eens overstroomde gelastte deze onmiddellijk dat er hoge muren zouden worden gebouwd tussen de stad en het water. De vissersgemeenschappen langs de rivieren moesten voor de bouw worden verplaatst. Ook raakte het rivierwater vervuild door industrievestiging stroomopwaarts. De rivier verdween daardoor uit het leven van de inwoners. Sindsdien is de metropool het contact met het water kwijtgeraakt.

Waarom? Zonder grote problemen hadden de vissers honderden jaren met de rivieren geleefd, met overstromingen, maar ook met periodes van droogte. Nu werden zij door de machthebbers tegen zichzelf ‘beschermd’. De vissers voelen zich als vuilnis behandeld. "The official city is modern and inhumane. It wants to clean up the back-alleys of Taipei and beautify them." Nodig waren deze moderne ingrepen volgens hen niet. "Taiwanese nature, as any nature is against any kind of control. The only rule of nature is existence maximum, to produce maximal life in the given conditions. This goes for the jungle and this goes for the communities in the Taipei Basin. Organic human settlements can find a way how to coexist with the rest of nature." Hun alternatief? Midden op de rivier een boot leggen, als een ark van Noach, met aan boord al degenen die van de rivieren moeten leven. Daar zullen zij aan elkaar hun verhalen vertellen. Hun lokale kennis zou veel beter kunnen worden benut. Ik las het in een krant die ik meenam uit Taipei. "Participatory planning will offer the tool for the local knowledge to be part of the decision making and the local knowledge building of the Taipei river urbanism." Die wijsheid geldt in Taiwan, maar ook in Nederland en in de USA na ‘Sandy’.