Dit artikel verscheen in ‘Dit is het mooiste ooit’, Maven Publishers, Amsterdam 2015.

Sinds 1990 nam hij me regelmatig mee op excursie. Hij was slecht ter been. Ik had geen auto. Ergens in de buurt van Amsterdam pikte hij me telkens op. Zijn stok gooide hij dan onder het dashboard. Hij reed. Zijn auto was een onopvallend type, de kleur, meen ik, was rood. De ene keer bracht hij me naar de Eemvallei, de volgende keer naar Walcheren en het Veerse Meer, later naar Flevoland. De laatste keer bezochten we samen het Gelderse rivierenland. We lunchten in een uitspanning aan de dijk. Ik genoot. Alle landschappen bleken door hem ontworpen. Hij was landschapsarchitect geweest, medewerker van Staatsbosbeheer, hoogleraar te Wageningen. Toen ik hem ontmoette was hij al met emeritaat. Zijn naam was Nico M. de Jonge. In 1994 ontving hij de oeuvreprijs van de stichting Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. In 1997 overleed hij, 77 jaar oud.

De excursies waren zijn initiatief. Hij had me opgebeld. Wat wist ik van hem? Niet veel. Hij las De Telegraaf. Zijn humor bleek boosaardig. Mensen, verzekerde hij, willen in vrijheid leven, liefst beschut in het groen. Achter het stuur vertelde hij me over de populieren onderweg, over de vele soorten die de bermen van de rijkswegen sierden. Machtige bomen met steile of juist doorhangende takken, met ruisende rode, gele of bruine bladeren. De A-15 was zijn favoriete snelweg. Uitsluitend landschap, geen steden. Nico de Jonge toonde me de schoonheid van het Nederlandse land.

Een groot kenner van barokke, half vergane landgoederen was hij. Die landgoederen waren tenminste nuchter, functioneel. Lyrisch was hij over de twintigste eeuwse ruilverkavelingen; Walcheren vormde zijn vroegste werk – achteraf vond hij het toch te romantisch; het latere strenge Flevoland achtte hij beter geslaagd. Het allermooiste dat hij me liet zien, vond hij zelf, was het rivierenland. Mooi? Zeker. Hij woonde in Renkum. Dáár zag ìk het mooiste in mijn leven. Nico’s tuin.

De tuin van Nico M. de Jonge in Renkum was omgeven door een drie meter hoge hagebeuk. Het huis zelf was onopvallend, vanaf de straat nauwelijks te zien. In het midden van de tuin stond een reusachtige beuk die alles bedekte. Met boom en hagebeuk was een bijna ronde donkere ruimte gevormd die Nico met tropische planten van onder tot boven bleek te hebben gevuld. Eigenlijk betrad je een soort van oerwoud. Nooit had ik zoiets spannends en mysterieus gezien. Zijn huis was helemaal leeg; aan alle kanten waren kassen tegen de gevels gebouwd, de planten echter stonden buiten. Vochtplekken aan de plafonds en muren duidden op schimmel; kachels met pannen stonden je werkeloos aan te staren. Het was zomer. In de herfst zou Nico al zijn planten weer naar binnen slepen.

Waarom ik dit het mooiste vond? Omdat een tuin sowieso het mooiste is wat een mens kan creëren. Een tuin heeft de eigenaar zelf gemaakt, met zijn eigen handen, gecomponeerd uit levend, natuurlijk materiaal. Dat veronderstelt grote kennis van bodem, klimaat en planten. Nico wist alles van planten. Jaren werken was het, ploeteren, zagen, snoeien, wieden. De tuinen van Mien Ruys kende ik, evenals de tuin van stedenbouwkundige Van Eesteren in het Amsterdamse Buitenveldert. De tuin van Nico was anders, mysterieuzer, donkerder, doorleefder. Vooral de reusachtige hortensia’s herinner ik me, het dichte bladerdak; bloemen lichtten op in het door groen gefilterde licht. Het was betoverend mooi. Het geheel deed denken aan de mooiste tuinen in India die verwijzen naar het verloren paradijs: zinnelijk, vruchtbaar, vochtig, als de natuur, maar mooier, gezet naar de hand van zijn schepper, althans tot op zekere hoogte. Nico, die van romantiek gruwde, had een tuin ontworpen die echt was, niet gekunsteld. Het kleinst mogelijke landschap. Maar ook vergankelijk. Ik weet bijna zeker dat de tuin in Renkum niet meer bestaat.

Daar kwam nog iets bij. Nico’s tuin deed me terugverlangen naar het woeste landje tegenover mijn ouders’ huis. Met de planten die daar zo hoog groeiden dat ik, klein als ik was, me er destijds in kon verliezen. Ik bouwde er hutten, maakte gangenstelsels, stookte vuurtjes, verborg me tussen de hoge planten. Een geheime wereld van spanning en avontuur, veel opwindender dan een speeltuin. Ook dat landje bestaat niet meer.
De zeventigjarige gebogen man die in mijn herinnering moeizaam uit zijn auto kroop en met stramme hand het tuinhek opende, had een eigen leefwereld geschapen die mij persoonlijk trof – die, als ik er weer aan terugdenk, mij tot op de dag van vandaag nog altijd diep beroert.