De stad als brein

Mevrouw de Rector Magnificus, Mijnheer de Decaan, Leden van het Curatorium van de Wibautleerstoel, College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Amsterdam, geachte toehoorders,

Op dit moment voltrekt zich een merkwaardige revolutie. Alles lijkt vloeibaar te worden, niets is meer vanzelfsprekend. Elke zekerheid omtrent waar deze wereld naar toe gaat lijkt vervlogen. De turbulentie komt van binnen en van buiten en doet zich voelen op wereldschaal. De socioloog Manuel Castells heeft deze ontwikkeling eind jaren negentig van de vorige eeuw scherp geanalyseerd in zijn driedelige ‘The Information Age’. Nieuwe technologieën zijn de aanjager. Informatie- en communicatietechnologie in de eerste plaats. Ze wordt als ontwrichtend ervaren. Daarbij spelen óók vraagstukken als die van de houdbaarheid van de aarde. Is verdere groei wel mogelijk zonder onze planeet te schaden in de zin dat toekomstige generaties nooit meer het bestaansniveau van ons zullen kunnen evenaren?
De onzekerheid treft ook Amsterdam. Economisch en demografisch wil en zal ‘de oude dame aan de Amstel’ wel blijven groeien. Immers, ondanks de financiële crisis gaat het haar nog betrekkelijk goed. Maar op het moment dat ik dit zeg, begin ik al te twijfelen. Want de burgers en het bestuur hebben deze voorspoed maar gedeeltelijk zelf in de hand. Kan de wetenschap helpen overzicht te brengen en kennis ontsluiten die enige helderheid brengt voor de inwoners van de hoofdstad van het land? Wethouder Wibaut zou het zich hebben afgevraagd. Het is een maatschappelijke kwestie van de eerste orde.
Voor het college van Burgemeester en Wethouders was het aanleiding om de naar Wibaut vernoemde leerstoel aan deze universiteit de komende vijf jaar in het licht van de toekomst te plaatsen. Met name de wethouder ruimtelijke ordening ziet zich voor een lastige opgave gesteld. Hij wordt geconfronteerd met een omvangrijke groeiprognose, die echter in het licht van de crisis lastig valt te realiseren.

Vanuit een mondiaal perspectief is in de ontwikkeling die wij op dit moment meemaken de verstedelijking dominant. Immers, het vooruitzicht dat de wereldbevolking de komende decennia nog met drie miljard zal toenemen en dat van die toekomstige negen à tien miljard misschien wel zeventig tot tachtig procent in steden zal leven, plaatst alles in een nieuw perspectief: hoe wij in de toekomst zullen wonen, werken, rusten, recreëren, ons voeden, verzorgen, bewegen wordt door dit metropolitaanse vooruitzicht sterk bepaald. Op dit moment vormen zich overal op aarde megasteden die regio’s en landsgrenzen verre overschrijden. De revolutie die wij meemaken is een urbane. De mens wordt definitief een stedelijk dier.

Wibaut en Walden
In de tijd van wethouder Wibaut, zo rond 1920, groeiden de steden in Europa en Amerika ook al onstuimig. Ook toen al was nieuwe technologie de drijvende kracht. Vergeleken echter met de explosieve groei in Azië, Afrika en Zuid-Amerika die wij op dit moment beleven, lijkt de verstedelijkingsgolf in Europa en Amerika op het eind van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw bijkans in het niet te vallen. Dat neemt niet weg dat op Wibaut en zijn tijdgenoten de urbanisatie al grote indruk maakte. Vandaar ook zijn opvallende interesse voor stedenbouw en planologie. Het raadslid Wibaut diende de motie in die van het toenmalige gemeentebestuur de instelling van een stedenbouwkundige dienst eiste. Amsterdam zou groeien, maar dat moest volgens de indieners op maatschappelijk en economisch verantwoorde wijze gebeuren. Geordend, esthetisch, hygiënisch, gepland. Mijn eigen dienst, de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, is er in 1928 uit voortgekomen.
Op wie de explosieve groei van steden ook al zo’n grote indruk maakte, was de dichter, schrijver en filosoof Henry David Thoreau. Enkele jaren vóór Wibauts geboorte ontvluchtte deze zoon van een welvarend ondernemer het snel groeiende Boston, Massachusetts, en streek neer in de bossen bij Concord, waar onder de rook van de grote stad zijn vader een buitenverblijf had. Daar, aan de oever van Walden vijver en pal naast de pas aangelegde spoorlijn die Boston met zijn westelijke voorsteden verbond, leefde deze merkwaardige alumnus van Harvard University twee jaar lang in een zelfgebouwde hut en schreef er ‘Walden; or Life in the Woods’. Walden verscheen in 1854. Het zou een bestseller worden en via zulke uiteenlopende bewonderaars als Frederik van Eeden en Mahatma Gandhi later school maken en onderdeel gaan vormen van een lange lijst boeken, geschriften en pamfletten, alle min of meer een reactie op de uitwassen van de snel groeiende metropool.
In ‘Walden’ verklaart Thoreau zijn grote liefde voor individuele onafhankelijkheid, materiële zelfvoorziening, geestelijk zelfonderzoek, wandelen en natuur. Over de grote stad sneert hij dat je daar niet hoeft te leven om de wereld te doorgronden. En ook: “Een kleine gestapelde muur van veldkeien die iemands tuin begrenst, is zinvoller dan een Thebe met honderd poorten dat steeds verder is afgedwaald van het ware levensdoel.” Boston met zijn dominante materialistische cultuur, dat was als Thebe. Van de natuur kon je volgens Thoreau meer leren. Thoreau had ook weinig op met prille ideeën over socialisme. Volgens hem haalden grote aantallen mensen het gemiddelde niveau van denken alleen maar naar beneden. Er is later wel geschamperd over het feit dat Thoreau minder in zijn hut verbleef dan hij deed voorkomen. Zelf deed hij daarover allerminst geheimzinnig. Trouwens, van hem hoefden mensen niet net zo te leven als hij. Dat was nu juist de kern van zijn filosofie: ieder mens moet onafhankelijk zijn en zijn leven geheel volgens eigen inzichten leiden. Hoe minder de overheid doet hoe beter en burgerlijke ongehoorzaamheid is soms gerechtvaardigd. Het ware levensdoel is: persoonlijke vrijheid.
De anti-stedelijke gevoelens die Thoreau verwoordde – diens afwijzing van snelheid, techniek, mensenmassa’s, materialisme en metropool – moeten we, als gezegd, zien in het licht van de onstuimige verstedelijking met zijn dominante industrie in het midden van de negentiende eeuw. Grote steden werden vereenzelvigd met extreme rijkdom en spilzucht, maar ook met schrijnende armoede, bandeloosheid, stank, vervuiling, criminaliteit, ze werden regelmatig geplaagd door levensbedreigende epidemieën die door de dichte pakking van mensen vaak een verwoestende uitwerking hadden. Die gevoelens van afkeer werden ook maatschappelijk breed gedeeld. De vriendelijke natuur werd tegenover de smerige, opdringerige stad geplaatst.
In 1905, twee jaar voordat hij in de Amsterdamse gemeenteraad zou worden gekozen, schreef de vijfenveertig jarige Wibaut een scriptie over Walden. Daarin typeert hij Thoreau als een weinig maatschappelijk denker. “Hij (Thoreau) ziet alleen de maatschappij als een produkt van menschelijke dwaasheid en niet de menschen als het ongelukkige resultaat van maatschappelijke dwaasheid.” Thoreau bekommert zich eigenlijk ook niet om de grote massa, noteert Wibaut vervolgens. Met waardering schrijft hij over Thoreau’s kritiek op de leefwijze van mensen en constateert dat het boek ook aangeeft hoe mensen beter kunnen leven. “Het middel ertoe is onafhankelijkheid,” maar daar laat hij direct op volgen: “maar dit mag geen doel worden.”
Wat wilde Wibaut? Wibaut was een ondernemer die zich tot het socialisme had bekeerd. In plaats van een klassenstrijd te voeren hoopte hij langs democratische weg te bereiken dat in brede kring de gedachte van een meer sociale, rechtvaardige wereld zou postvatten. Terwijl zijn blik internationaal was, geloofde hij dat vooral door middel van lokale maatschappelijke hervormingen vooruitgang kon worden geboekt. Zijn doel was ‘volledige democratie’ door gemeenschappelijk eigendom van productiemiddelen en grond binnen de gemeentegrenzen. De ideale samenleving waarin iedereen deelt en participeert zou uiteindelijk door middel van planning worden bereikt. Toen hij ‘Walden’ las was Wibaut juist verhuisd van Vlissingen naar Amsterdam, waar hij zich met zijn gezin had gevestigd aan de Weesperzijde. Anders dan Thoreau koos Wibaut juist bewust voor de grote stad.

Tot zover Walden en Wibaut. Ik heb ze hier opgevoerd om er lessen uit te leren. Ik weet het, inmiddels leven wij in volstrekt andere tijden. Maar er is ook een belangrijke overeenkomst tussen toen en nu. Opnieuw maken wij wereldwijd een ongekende urbanisatie mee die, zoals gezegd, nog veel omvangrijker en turbulenter is dan honderd jaar geleden. Sommigen spreken zelfs van de laatste ronde van verstedelijking. De vraagstukken van duurzaamheid en rechtvaardigheid dringen zich aan ons op, in de sloppenwijken van de steden in Azië, Afrika en Zuid-Amerika broeit en gist het, via het internet verspreiden de outcasts hun bedreigingen. Manuel Castells heeft vooral op de schaduwkanten van deze ontwikkeling gewezen. Tegelijkertijd opende de Britse geograaf Sir Peter Hall in ‘Cities in Civilization’ een hoopvoller perspectief: op sommige momenten in de geschiedenis bloeiden bepaalde steden op en werden extreem innovatief. Dit zou ook in de eenentwintigste eeuw weer gebeuren. Vier jaar later poneerde de Amerikaanse geograaf Richard Florida in ‘The Rise of the Creative Class’ de stelling dat innovatie en creativiteit de drijvende krachten zijn in onze postindustriële samenleving en dat een zogenaamde ‘creatieve klasse’ van kunstenaars en vernieuwers naar bepaalde steden trekt. Het meer algemene idee dat steden potentieel geweldige generatoren van welvaart, innovatie en creativiteit zijn raakte het afgelopen decennium binnen en buiten de wetenschap snel verbreid. Ook de Amerikaanse econoom Edward Glaeser bevestigde onlangs in ‘Triumph of the City’ dat de extreem hoge kosten van grootstedelijke infrastructuren alleszins gerechtvaardigd zijn omdat wij onze cultuur, onze welvaart en onze vrijheid aan grote steden te danken hebben. En technologiekenner Kevin Kelly noemde de stad een technologisch construct dat op een minimaal oppervlak een maximum aan ideeën en uitvindingen genereert en dat de keuzemogelijkheden van mensen sterk vergroot, waardoor zij hun leven steeds meer naar eigen inzicht kunnen inrichten. De Canadese strateeg Jeb Brugmann ten slotte kondigt niet minder dan een ‘stedelijke revolutie’ aan, waarmee hij doelt op de komst van nieuwe ‘urban regimes’ die de wereld ingrijpend zullen veranderen. Kortom, in betrekkelijk korte tijd zijn vanuit heel verschillende hoeken stemmen opgegaan om grootstedelijkheid te gaan beschouwen als een nastrevenswaardige conditie en minder als een probleem. Grootstedelijkheid als bij uitstek de conditie die ons economische voorspoed brengt, die tot grotere gezondheid leidt, die bovendien duurzaam is en die mensen bevrijdt.

Nu is er een probleem. Nog steeds waart de geest van Thoreau rond die meent dat wij beter af zijn in ons eentje, in een eengezinswoning buiten de grote stad, en die een kunstmatige tegenstelling creëert tussen stad en land, tussen stad en natuur. In Noord-Amerika – het land van Thoreau en Glaeser – is de neiging tot suburbanisatie nog altijd het grootst. Ideologisch is hij daar ook sterk met het gedachtegoed van Thoreau verbonden, al is van diens oorspronkelijke streven naar eenvoud en vergeestelijking weinig meer over. De huidige Amerikaanse suburb is juist het toppunt van consumentisme – een vorm van persoonlijke vrijheid die wel heel ver afstaat van wat Thoreau ooit bedoelde en die ook allerminst duurzaam blijkt te zijn. Glaeser schrijft bijvoorbeeld dat hij als bewoner van een dorp even buiten Boston had ontdekt dat zijn energierekening vele malen hoger was dan toen hij nog dicht bij Harvard woonde. In het groen, schrijft hij, toon je weliswaar je liefde voor de natuur, maar leven in een metropool is veel milieuvriendelijker. Glaeser noemt dit inzicht fundamenteel. Maar is het bij ons zoveel beter? Zelfs in ons kleine landje met zijn zeventien miljoen inwoners is het ruimtelijke beleid nog altijd niet afgestapt van het idee dat grote steden vooral een probleem zijn en dat een dichtheid van dertig, veertig woningen per hectare wel het maximaal haalbare is. Nu het verstedelijkingsprogramma op zijn einde loopt moeten we constateren dat de laatste rijksgestuurde ruimtelijke operatie vooral files heeft gebaard. Vergeeft u mij m’n ongenuanceerdheid, maar wordt het niet tijd voor een nationaal programma voor compacte, diverse en duurzame grote steden? Een programma dat bovendien de bijzondere ecologische betekenis van hoogstedelijke milieus erkent en dat stad en land op een andere manier met elkaar probeert te verzoenen dan door het platteland nòg verder vol te bouwen? ‘Steden kunnen de wereld redden!’, luidde de ondertitel van het internationaal stedenbouwcongres dat de Dienst Ruimtelijke Ordening samen met het NIROV en het toenmalige Ministerie van VROM in 2009, nota bene in het zogenaamde Wibaut-jaar, organiseerde. Een mondiaal grootstedelijk perspectief, klonk de boodschap, is niet alleen economisch aantrekkelijk, maar ook noodzakelijk als wij de aarde willen behouden.

Hier doemt een nieuwe held op: Colin Beavan, de ‘No Impact Man’ die met vrouw en kind vanuit zijn appartement in hartje New York gedurende een jaar probeerde duurzaam te leven. Dat dat niet meeviel mag duidelijk zijn en het is aandoenlijk om te lezen over zijn verwoede pogingen om bijvoorbeeld geen toiletpapier meer te gebruiken. Terwijl zijn gezin zich ontdeed van zoveel mogelijk spullen, leerde het de waarde van het immateriële kennen voor het vinden van geluk. Beavan als de nieuwe Thoreau, zoekend naar vrijheid, onafhankelijkheid en vergeestelijking door onthouding en zelfvoorziening, ditmaal niet teruggetrokken in de bossen bij Concord, maar midden in de hectische metropool. Moeten we dan allemaal gaan leven als eco-extremist Beavan? Ik hoop toch van niet.

Precies hier begint het vraagstuk van mijn leerstoel en dit is wat ik als planoloog de komende vijf jaar zou willen onderzoeken, namelijk: is er een grootstedelijke planning denkbaar die steden duurzaam maakt, die tegelijkertijd de vrijheidsgraden van stedelingen vergroot en die economische groei bevordert? Ik denk namelijk dat dit mogelijk is. Ruimtelijk planning wordt echter veelal als een inbreuk op de persoonlijke vrijheid gezien en als een rem op economische groei. Haar reputatie op het vlak van duurzaamheid houdt ook al niet over. Overheidssturing in het algemeen heeft het op dit moment zwaar te verduren. Ik denk ook dat de planning ingrijpend moet veranderen, wil ze kunnen voldoen aan de hoge eisen die wij tegenwoordig aan haar stellen. Haar nieuwe gedaante zal door planners waarschijnlijk ervaren worden als deplanning, als een pijnlijke vorm van ‘ont-planning’, met veel verlies en weinig controle. Het paradoxale is dat de nieuwe planning juist weer midden in de samenleving zal komen te staan en in de frontlinie zal opereren van maatschappelijke vernieuwing. Veel steden in de wereld zijn naar die nieuwe, democratische planning op zoek en Amsterdam lijkt op dit moment te behoren tot de koplopers. Het veronderstelt wel dat we in dit kleine landje het idee van de metropool met zijn hoge dichtheid gaan omhelzen. Laten we afscheid nemen van Thoreau, geen heimwee meer hebben naar Walden en ook beseffen dat VINEX – het ruimtelijke beleid volgens de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening – wel heel ver afstaat van duurzaamheid, maar ook dat een leven leiden als Colin Beavan niet nodig is. Wibaut had gelijk. We moeten maatschappelijk denken, persoonlijke vrijheid is niet ons enige doel en lokale planning is noodzakelijk. Ons perspectief is, hoe dan ook, grootstedelijk. Groot Amsterdam, met zijn tweeënhalf miljoen inwoners, maakt zich op voor een derde Gouden Eeuw.

Thinking together
Als de grootstedelijke regio het technische construct is dat op een minimaal oppervlak een maximum aan ideeën genereert, dan is de metropool zelf dus een beginpunt van ons denken. Wat zijn de contouren van de nieuwe Amsterdamse planning die ons meer welvaart belooft, ons grotere persoonlijk vrijheid biedt en tegelijk onze aarde weet te behouden? Ik noem er drie. Samen vormen ze de architectuur van de stad, opgevat als brein.

a. Kennis
Volgens mij hebben we in ieder geval méér intelligentie nodig. Die grotere intelligentie met z’n feedback mechanismen kunnen we eenvoudig bereiken door méér breinen in te schakelen bij de planning. Glaeser spreekt van ‘thinking together’. Dat ‘samen denken’ gebeurt nu onvoldoende. Het begrip ‘wisdom of crowds’, door de Amerikaanse ‘New Yorker’ columnist James Surowiecky geijkt, kan hier goede diensten bewijzen. Het gaat ervan uit dat grote groepen heel verschillende mensen onder bepaalde omstandigheden in staat zijn betere besluiten te nemen dan experts, en ook betere voorspellingen te doen over de toekomst. Diversiteit is daarvoor een vereiste. Nu is de bevolking van grote steden als Amsterdam heel divers. Voor collectieve intelligentie is ze daardoor buitengewoon geschikt. Door grote delen van de bevolking van de stedelijke regio bij de planning in te schakelen zouden we tot collectieve wijsheid moeten kunnen komen. Hoe meer al die breinen in contact met elkaar staan, hoe intelligenter de stad. In een kant-en-klaar ruimtelijk model vertalen laat dit zich niet. Wel wil ik hier wijzen op het opmerkelijke succes van de campus als nastrevenswaardig model in de zogenaamde kenniseconomie. Zelf zie ik in die campussen juist een heel andere trend, namelijk de neiging om de stad te imiteren. Universiteiten, vliegvelden, stations, ziekenhuizen, pretparken, scholen, ze zoeken opvallend genoeg allemaal naar levendigheid, cultuur, voorzieningen, informaliteit, interactie, kruisbestuiving – typisch de kenmerken van de metropool. Feitelijk bootsen ze de stad in afzondering na. Ikzelf denk dat het ecosysteem van de metropool als zodanig potentieel tot veel grotere intelligentie leidt dan al die campussen afzonderlijk en dat de campus het beste met de stad kan versmelten.
Heel verschillende soorten kennis zou betekenen dat kennis van de professionele planners niet volstaat. Planners excelleren in het hanteren van kaarten, diagrammen en statistieken. Dit professionele repertoire wordt als objectief beschouwd en heeft vooral als doel om andere professionals te overtuigen. Echter, het is statische kennis, abstract, de werkelijkheid sterk reducerend. Daar tegenover staat de rijke, gevarieerde en specifieke kennis over het alledaagse leven, inclusief de menselijke emoties die daarbij horen. Die kennis is concreet, plek gebonden, sterk door persoonlijke ervaringen geschraagd. De neiging van planners is om deze kennis te negeren. Professionals hebben uitgesproken opvattingen over welke kennis relevant is en welke niet. Benutting van àlle soorten kennis vereist aggregatie, niet selectie, want grotere intelligentie ontwikkelen komt neer op het creëren van een rijke en omvangrijke body of knowledge. Omgekeerd overtuigen de abstracte kaarten, plannen en statistieken van de experts de burgers niet. De Amerikaanse planoloog John Friedmann gelooft daarom niet dat beide soorten kennis ooit bij elkaar kunnen komen. De abstracte kennis van de planningsexperts staat volgens hem te ver af van de burgers en juist dicht bij de ‘power brokers’. Die laatsten zullen hun macht alleen delen indien er voldoende tegenmacht wordt georganiseerd. Kennis over het alledaagse leven moet zich volgens Friedmann dus steeds weer als een politieke tegenmacht opstellen en bewijzen, in de vorm van actievoeren door burgers of door een gang naar de rechter. Afgezien van de vertraging, het wantrouwen en de onrust die dit teweegbrengt, blijft ook veel kennis onbenut. Wel constateert Friedmann meer aandacht in recente planningstheorieën voor grotere betrokkenheid van burgers, maar die tendens ziet hij toch vooral als een terugkeer van ideeën uit de turbulente jaren zeventig van de vorige eeuw, niet als een nieuw begin.
Friedmann ziet over het hoofd dat sinds het internet collectieve intelligentie zich al aan het organiseren is, op het wereldwijde web, en dat zich daar een ‘wisdom of crowds’ ontwikkelt die alle vormen van kennis opvallend gemakkelijk integreert. Zelf stel ik regelmatig op Twitter een open vraag; uit de ruim veertienhonderd volgers krijg ik uiteenlopende reacties die samen een heel spectrum aan antwoorden opleveren. Open source werkt ook al zo snel en krachtig. Wat in de fysieke wereld slecht lukt omdat ze verkokerd is of professioneel te sterk verkaveld, dat gebeurt dus wèl in het virtuele: het soepel samenkomen van zeer heterogene kennis. Wachten totdat de sociale media in staat zijn om menselijke dialogen na te bootsen, zoals de socioloog Richard Sennett denkt, of tot iedereen online is, hoeft beslist niet. De grotere intelligentie wordt ook zonder dat bereikt. De stadsontwikkeling zou van deze ontwikkeling op het web kunnen profiteren. Wat houdt de planners tegen? Verlies van macht? Ik denk het wel. Een van de ingrijpende gevolgen van de informatietechnologie is dat professionals het werk van amateurs niet langer kunnen buitensluiten. Veel beroepsgroepen – journalisten, muzikanten, artsen, rechters, bankiers, politici – zijn de planologen al voorgegaan. Niet dat hun rol daarmee is uitgespeeld. Planners hoeven alleen niet meer onwetendheid en irrationaliteit te bestrijden, ze kunnen zich eindelijk op de kern van hun vak richten: samen aan betere steden bouwen. Door de nieuwe open planning kan een veel rijkere bron van kennis en betrokkenheid worden aangeboord.

b. Verhalen
Collectieve intelligentie vraagt ook om duiding en betekenisgeving. Zonder dat worden mensen niet geraakt, dragen ze niet bij en komen ze niet in actie tenzij alleen vanuit hun eigen belang. Castells heeft erop gewezen dat de behoefte aan identiteit allesbepalend zal zijn in een samenleving die onder druk van de globalisering grenzeloos wordt, die aan voortdurende verandering blootstaat en die daarbij permanent uit elkaar dreigt te vallen. De technische planning met haar nadruk op governance en planningsinstrumentarium gaat aan deze behoefte voorbij. Voor zover het narratieve in de planning al bestaat, werd ze het afgelopen decennium beheerst door marketing denken en abstracte planconcepten, het accent lag op macht en op iconen. Betekenis en identiteit kunnen echter ook heel anders geladen worden. Door boeiende, bijna persoonlijke verhalen te vertellen worden mensen ontvankelijk en herkennen zich in situaties die voor hen in een groter verband worden geplaatst, ze raken vertrouwd met een hen onbekende toekomst. Omdat in een narratief proces mensen zich idealiter openstellen voor kritiek en onderhandeling en bereid zijn de eigen overtuiging bij te sturen kunnen ook uiteenlopende belangen gemakkelijker worden verzoend. Verhalen laten zich ook kneden en passen zich aan; nieuwe hoofdstukken kunnen worden toegevoegd; er is geen pretentie meer van maakbaarheid. Verhalen zijn dus open. Goed vertelde verhalen zijn zelfs in staat om mensen te inspireren en te activeren. Anders gezegd, verhalen erkennen de complexe wereldse realiteit, confronteren ons met onze morele verantwoordelijkheden en zetten ons aan tot gezamenlijk actie. Begin jaren zeventig lanceerde ontwikkelingspsycholoog Jerome Bruner de theorie dat het ‘verhalende bewustzijn’ voor mensen zeker zo belangrijk is als het ‘informatieverwerkende bewustzijn’, zo niet belangrijker. Dat verhalende bewustzijn mag in een intelligente planning niet ontbreken en het is de kunst om die toekomstverhalen gezamenlijk te ontwikkelen. Zo ontstaan gedeelde visies.

c. Dialoog
Als derde en laatste bestanddeel van collectieve intelligentie als basis voor de nieuwe planning noem ik hier de dialoog. In bijna alle bestaande planningsliteratuur wordt op het belang van open gesprekken gewezen. Dialoog impliceert een persoonlijke relatie tussen mensen, wederkerigheid, een luisterende en vragende houding die zaken in twijfel trekt en waarin voortdurend gezamenlijk wordt geleerd. Maar in diezelfde planningsliteratuur wordt ook vastgesteld dat in de wereld van de ‘power brokers’ de dialectiek veelal domineert. Een van mijn voorgangers, Jan Terlouw, ooit zelf politicus, wees daar in zijn intreerede op. Twijfel, de bondgenoot van de naar feiten en waarheid zoekende wetenschap, is de vijand van de politicus die overtuiging moet uitdragen, beweerde hij. Snel leren is daardoor veel moeilijker. Of neem de socioloog Richard Sennett, die in ‘Together. The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation’ beschrijft hoe politiek links rond 1900 koos voor machtspolitiek, een militante vorm van politiek bedrijven die sterk top-down werd aangestuurd. Politieke strijd vereiste dat de rijen gesloten bleven; de intern discipline maakte dat elke vorm van anders denken werd opgevat als zwakte; solidariteit werkte hiërarchie in de hand. Nog steeds ziet men sporen hiervan terug in de politiek. Referenda laten alleen de keuze tussen voor en tegen; politieke debatten vertrekken vanuit een these en roepen een antithese op; consensuspolitiek hoopt op synthese, maar het duurt doorgaans lang voordat die wordt bereikt. Het ongeduld in de politiek verhoudt zich slecht met deze confronterende wijze van communiceren. Het ambtelijke apparaat weerspiegelt dit ‘unite-and-fight principe’. Daar wordt vanuit kokers gewerkt, in afgebakende programma’s en projecten. En alles is op uitvoering gericht. Mijn ervaring is dat inspirerende verhalen het dialectische even kunnen doorbreken, maar de werking ervan is inderdaad van korte duur. Intelligentere planning is lastig wanneer een organisatie niet op samenwerking is ingericht. Herkenbaar zijn de ervaringen van de planoloog James Throgmorton, die na zijn aantreden als wethouder ruimtelijke ordening van Iowa City bevolking en raadsleden lijnrecht tegenover zich vond. Aan zijn pleidooien voor een open, inclusieve planning hadden ze geen boodschap. Het enige dat ze wilden was bedrijven accommoderen. Het sterkte hem alleen maar in de opvatting dat voor een houdbare toekomst een open benadering noodzakelijk is die soepel meebeweegt met veranderende opvattingen in de samenleving. In plaats van efficiënte bestuurlijke besluitvorming die afwijkingen, tegenspraak en twijfels vooral als politieke risico’s ziet, is een benadering nodig die open is, die gebruik maakt van lokale platforms binnen en buiten de gemeente, waar mensen van zeer diverse pluimage met elkaar inzichten delen en waar gezamenlijk aan toekomstverhalen wordt gebouwd. Met die meanderende stroom moeten planners en politici meebewegen.
Krijgen we dan niet last van dwarsliggers, van boze, cynische, kwaadwillende burgers? Niet als de planning van meet af aan open is. Lopen we niet het risico dat we uitsluitend de stedelijke elite bereiken die al heel goed in staat is voor zichzelf op te komen? Niet als we begrijpelijke verhalen maken en platforms creëren die voor heel verschillende mensen inspirerend zijn. Gebrek aan tijd en belangstelling van druk bezette stedelingen? Laten we ons realiseren dat mensen in principe houden van hun stad. Door die bijna irrationele liefde willen ze er graag aan bijdragen. Wie houdt er niet van Amsterdam?
Ik ga met u terug naar de roerige jaren zeventig, naar de begintijd van de inspraak. Want uw eventuele scepsis zal op ervaringen uit die tijd en daarna zijn gestoeld. De jonge planoloog Friedmann stelde zich in 1973 een lerende samenleving voor als een die bestaat uit allemaal kleine cellen die zich overal spontaan kunnen vormen. Worden taken complexer, dan vormen zich nieuwe cellen. Op een gegeven moment kunnen permanente platforms ontstaan waar mensen van verschillende achtergronden gestructureerde dialogen met elkaar voeren. Mijn idee is dat je deze organische celstructuur van een lerende samenleving het beste op steden kunnen projecteren, zo’n beetje zoals Patrick Abercrombie dit in 1944 voor Londen heeft gedaan. Onze latere structuur van stadsdelen is daarvan min of meer een afgeleide. Uiteindelijk zijn dit allemaal geformaliseerde structuren geworden en net als inspraak in wetten en verordeningen geregeld. Maar als je goed telt zijn er veel meer cellen. Kijk je bijvoorbeeld naar Amsterdam, dan zie je overal platforms ontstaan waar heel verschillende mensen voortdurend dialogen met elkaar voeren. Dan bedoel ik niet alleen de bekende debatcentra als De Balie, Pakhuis de Zwijger, De Rode Hoed, Felix Meritis, ARCAM, Club Trouw en De Nieuwe Liefde. Ook de Economic Board waar ondernemers, gemeente en universiteiten met elkaar spreken, Picnic, TEDx, Kenniskring Amsterdam, Spui 25, De Republikein, het pas opgerichte Stad Forum als opvolger van de Raad voor de Stadsontwikkeling, en nog veel meer: op heel veel plaatsen worden kennis, inzichten en ervaringen gedeeld. Vaak incidenteel, dikwijls weinig geformaliseerd, meestal improviserend, steeds op de toekomst van de stad gericht. Ook het ‘Amsterdam Gesprek’ van vanavond is een incidenteel platform waarin tweehonderd burgers – honderd ambtenaren, vijftig ondernemers en vijftig wetenschappers – met elkaar van gedachten wisselen over Amsterdam in het jaar 2025, wanneer de stad 750 jaar bestaat. Het initiatief van mijn voorganger Paul Scheffer en Ila Kassem van Van de Bunt om met jonge ondernemers over de toekomst van de stad te praten valt hier samen met de hervormingsagenda van de gemeente Amsterdam. Trouwens, is het niet opvallend dat steeds meer instellingen en bedrijven zich naar buiten keren, naar hun directe omgeving? Neem de Universiteit van Amsterdam. Haar relatie met de stad, merk je, wordt intensiever, onlangs weer fraai gesymboliseerd met het ‘Glazen Huis van de Wetenschap’ hier op het Spui. Daar komt bij dat, wat Friedmann in 1973 nog niet kon voorzien, zich op het internet een veelvoud van open fora, kennisbronnen en gedachtewisselingen ontwikkelt. Het gezamenlijke leren gaat daar snel. Die digitale ontwikkeling staat nog maar in de kinderschoenen. Al die platforms voegen zich bij de Amsterdamse gemeenteraad en de raden van de stadsdelen. Meebewegen met de stroom betekent aan publieke zijde dat evenzeer de gemeente zich naar buiten keert en al deze fysieke en virtuele platforms op de een of andere manier hoort en misschien ook wel in eigen gelederen kopieert. De ‘Vrijstaat Amsterdam’ uit 2009 was zo’n platform. De structuurvisie Amsterdam 2040 is ervan het resultaat. Ze won ‘Awards for Excellence’ van zowel Eurocities als ISOCARP. Een ander prijswinnend voorbeeld – maar nu buiten Amsterdam – is Roombeek in Enschede. Daar is bij de wederopbouw van de door de vuurwerkramp getroffen wijk open planning toegepast waarbij burgers van meet af aan actief werden betrokken. Wat zij voorstelden werd gerealiseerd, met een bewonderenswaardig resultaat. Dat het werkt is dus wel bewezen, maar wil de politiek het ook? Volgens de opstellers van het recent verschenen WRR-rapport ‘Vertrouwen in burgers’ is dit geen vraag meer, maar een noodzaak.
Laat ik de vraag eens omdraaien. Hebben wij de overheid nog wel nodig? De Britse conservatieve filosoof Roger Scruton stelt in ‘Green Philosophy’ bijvoorbeeld dat de overheid niet in staat is tot een duurzaam beleid. Ze is zelfs een gevaar voor het milieu zodra ze de leiding krijgt. De enorme milieuvervuiling ten tijde van de Sovjet Unie is voor hem daarvan het overtuigende bewijs. Mensen, is zijn stelling, lossen hun problemen zelf wel op, op lokaal niveau, in hun eigen gemeenschappen, omdat ze zich daar nog verbonden voelen met hun omgeving. Er is echter alle reden om de juistheid ervan te betwijfelen. Wel geloof ik, mèt Scruton, dat alleen op lokaal niveau duurzame oplossingen gevonden worden. ‘The wisdom of crowds’ werkt ook alleen op decentraal niveau, dicht bij de leef- en ervaringswereld van mensen. Maar mensen kunnen het nooit alleen. De Amerikaanse urbaniste Jane Jacobs had het mijns inziens bij het rechte eind toen zij in ‘Systems of Survival’ het private en het publieke stelsel als twee verschillende waardesystemen opvoerde, die beide nodig zijn om te overleven en die tot op zekere hoogte ook gescheiden moeten worden gehouden. Want als ze hybride worden, baren ze monsters. Het publieke moet dus waken over het private, en het private over het publieke. Corruptie is een teken dat tenminste een van beide systemen faalt. Er zal dus altijd wel een verschil zijn tussen wat burgers willen en wat het gemeentebestuur doet. Ze moeten elkaar voortdurend corrigeren. En precies daarin schuilt ook de oplossing. De overheid moet allerminst worden uitgeschakeld; dat is zelfs gevaarlijk. Maar wat de overheid zelf bedenkt is lang niet altijd duurzaam, al denkt zij vaak van wel. Ik zie het als een verdere doorontwikkeling van de lokale democratie. Het al of niet afschaffen van de deelraden acht ik in deze minder relevant. Het gaat er veeleer om van meet af aan intensieve verbindingen te leggen tussen het bestuur, de volksvertegenwoordiging en de samenleving, opdat de stad als één groot brein functioneert. Dat kan als het bestuur en het ambtelijke apparaat zich naar buiten richten. Ook omdat de representatieve democratie aan betekenis inboet, is deze nieuwe open planning hard nodig. Misschien is het nog niet de ‘volledige democratie’ die Wibaut bedoelde; maar hij komt er wel heel dichtbij.

Wat ik de komende vijf jaar graag zou willen onderzoeken is de werking van deze drie bestanddelen van open planning – kennis, verhalen, dialoog –, toegepast op grootstedelijk niveau, in casu Amsterdam. Daarin voel ik mij schatplichtig aan Annemieke Roobeek, een van mijn voorgangers, die in 1995 Forum Amsterdam oprichtte vanuit hetzelfde idee dat de burgers de stad uitmaken. Koos zij destijds voor 2010 als tijdshorizon en de Noord-Zuidlijn als uitgangspunt voor deliberatie, door mijn dubbelfunctie van planoloog bij de gemeente en hoogleraar planning aan de universiteit zoek ik naar een aangepaste, eigentijdse opgave. Een proefgebied als een Amsterdamse Floriade zou een unieke gelegenheid bieden, verondersteld dat de Nederlandse Tuinbouwraad begin oktober voor Amsterdam kiest. Het beoogde expositieterrein bevindt zich in het hart van Amsterdam Zuidoost, in het bidbook is het begin van een verhaallijn ontwikkeld, veel partijen zijn al betrokken, naar geschikte platforms wordt gezocht. Stap voor stap zou zowel vanuit de stad als vanuit de universiteit de nieuwe planning in dit gebied ontwikkeld kunnen worden: tegelijk scheppend en reflecterend. Niet alleen het Floriadeterrein zelf, maar het hele stadsdeel, ja zelfs het sterk door tuinbouw gedomineerde platteland kan hierdoor duurzaam worden. Ook een eventuele kandidatuur van Amsterdam als naamstad voor de Olympische Spelen in 2028 zou zich voor een groots opgezet maatschappelijke experiment als deze lenen. De open planning zou daardoor zelfs op heel Nederland betrokken kunnen raken. Van een totaal andere orde maar niet minder relevant beschouw ik de krimpproblematiek in de gemeenten Delfzijl, Heerlen en Sluis, waarvoor burgemeester Van der Laan het initiatief tot samenwerking heeft genomen. De hervormingsagenda van de gemeente Amsterdam, in het bijzonder die van de ruimtelijke sector, zie ik in hetzelfde licht en ik hoop dat het beeld van Amsterdam als brein daarin de komende vijf jaar weer een stap dichterbij wordt gebracht. Naast experimenten dicht bij huis hoop ik dat uitwisseling met andere steden in de wereld die op soortgelijke wijze bezig zijn met open planning in het onderwijsprogramma kan worden opgenomen. Het onlangs opgerichte ‘Centre for Urban Studies’ kan daarin goede diensten bewijzen. Zelfs steden waar open planning nog ontbreekt of minder voor de hand ligt kunnen interessant studievelden vormen, al was het maar om erachter te komen of andere planningsculturen werkelijk zo verschillen dat ze steden beletten om als breinen te functioneren.

Het pad naar verbetering
Maar hoe komen wij tot verandering? Die vraag stelt Kevin Kelly zich ook op het eind van zijn nieuwste boek. Er zullen, schrijft hij, altijd een paar mensen zijn die het schrijven van een boek in een hut aan de rand van een vijver het ideale pad vinden naar verbetering. Maar de meesten zien toch de toenemende keuzemogelijkheden dankzij nieuwe technologie en een rijke stedelijke beschaving als de manier om vooruitgang te boeken. Wibaut’s geloof in grootstedelijke planning getuigde van diezelfde houding. Stedenbouw en planning zijn door en door maatschappelijk, ze proberen de wereld beter te maken door mensen meer ruimte, meer kansen en meer mogelijkheden te bieden. De moderne informatie- en communicatietechnologie stelt mensen in staat om zich overal mee te bemoeien. Het helpt ons om onze steden als collectieve breinen te laten functioneren. De hier ontvouwde open planning is daarom op deelname van zoveel mogelijk mensen gericht; ze gaat uit van inspireren, delen en samenwerken, alles op grootstedelijke schaal. Deze interactieve planning herinnert aan de jaren zeventig, ook al bestond er toen nog geen internet en liepen de steden leeg. Voor mijzelf is hiermee de cirkel rond, want de planologie die ik juist in die tijd in Groningen studeerde en waarvan ik in de jaren tachtig en negentig geleidelijk afstand nam omdat ik, eenmaal in Amsterdam, betrokken raakte bij Nederland Nu Als Ontwerp, heb ik de afgelopen acht jaar weer in mijn armen gesloten. Niet dat vormgeving er bij nader inzien niet toe doet. Dat doet ze zeker. Zonder schoonheid kunnen wij niet leven. Maar ook de ontwerpprofessie kan niet langer de wijsheid claimen. Wij hebben elkaar nodig. We moeten samenwerken. Terug naar de jaren zeventig dus. De oude planningsliteratuur blijkt ook nog opvallend fris en actueel. De ‘learning society’ van John Friedmann is zelfs springlevend. Het dialectische van die tijd heeft de nieuwe generatie echter ver achter zich gelaten. Via internet bouwt ze aan haar eigen sociale netwerken. Ik maak er graag deel van uit, ik leer ervan en ben optimistisch. Sluit ik daarmee mijn ogen voor alle onrecht en wreedheid in de wereld? Nee, stellig niet. We leven in een gevaarlijke wereld. Zie ik dan niet dat zoveel vrijheid mensen angstig en egoïstisch maakt? Zeker, de zelfzucht en de onzekerheid zijn er wel, maar ze drukken me niet. Zijn wij niet nog ver verwijderd van ‘de goede stad’, zoals mijn voorganger Geert Mak die in zijn intreerede zo fraai typeerde? Jawel, dat is en blijft een nimmer te realiseren utopie. Desalniettemin zie ik de toekomst alleen maar beter worden. “De optimist,” schreef Gandhi in 1921,“leeft in gedachten van liefde en barmhartigheid, en aangezien hij niemand als zijn vijand beschouwt, beweegt hij zich zonder angst, of hij nu in de bossen leeft of midden tussen de mensen.” Laten we de bossen mijden en ons in de mensenmassa onderdompelen en van elkaar leren, kennis delen, optimistisch zijn en samenwerken. Want niet alleen van de natuur kunnen we leren. Dat kunnen we ook van technologie. Misschien wel meer leren we van elkaar, en van een van de grootste technische prestaties waartoe mensen in staat zijn: grote, vernuftige en duurzame steden bouwen.

Dankwoord
‘De wijsheid van de meeste mensen is leengoed’, schreef Michel de Montaigne. Dat geldt ook voor mij. Ik ben veel mensen schatplichtig.

Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam dank ik voor de mogelijkheid om mij vijf jaar aan haar instelling te verbinden. De betekenis van de universiteit voor de stad zal de komende jaren groter worden. Met u, mevrouw de Rector, had ik hierover direct al een boeiend gesprek. De komende reeks Amsterdam Lezingen zal daarom in het teken staan van ‘Amsterdam als kennisstad’.

Het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam dank ik voor het in mij gestelde vertrouwen en voor de bijzondere leeropdracht die ze voor mij heeft geformuleerd. In het bijzonder dank ik wethouder Van Poelgeest. Het is een voorrecht om voor u te werken.

Mijn grote leermeesters zal ik ook de komende vijf jaar in gedachten houden: G.J. van den Berg, die met zijn ethische benadering van planologie mij nog altijd in zijn greep heeft; Manfred Bock, die als promotor mij de grote waarde van historisch denken heeft leren inzien; wijlen Dirk Frieling, die mij voordeed hoe je met ruimtelijke planning mensen kunt inspireren; Max van den Berg die met zijn levendige geest en praktische ervaring als planoloog en ambtenaar me tot op de dag van vandaag met goede raad terzijde staat.

Mijn collega’s van de Dienst Ruimtelijke Ordening dank ik voor de samenwerking, in het bijzonder Klaas de Boer en Wim Hoedemaker, met wie ik vier jaar in de directie zat. Dat geldt ook voor de huidige directieleden Hans Tijl en Edith de Graaf. Hen dank ik voor hun vertrouwen.

Maria de Cuartas, Arnan Oberski en Dirk van der Woude van gemeentezijde en Robert Kloosterman van de zijde van de universiteit dank ik voor hun steun bij mijn voordracht.

Mijn nieuwe collega’s aan de Universiteit van Amsterdam dank ik voor de gastvrije wijze waarop zij mij hebben ontvangen. De sfeer die ik op de afdeling aantref is nieuwsgierig, open, op samenwerking gericht.

De studenten wil ik dit zeggen: als je niet alleen wil reflecteren, maar ook de wereld wil verbeteren, kies dan voor planologie en train jezelf in samenwerken.

Lieve ouders, het is mooi dat jullie er bent. Met jullie nieuwsgierigheid, eerlijkheid en open houding zijn jullie voor mij een voorbeeld. Na dertig jaar ambtenaar te zijn geweest wordt een van jullie zoons nu zowaar professor. Ik hoop dat dit jullie met trots vervult.

Lieve Esther, Lotte, Stijn, Maud en Hannah, jullie man en vader lijkt soms wel een kluizenaar. Ook deze rede heb ik geschreven op Bakkum, in ons hutje, in afzondering. Gelukkig zijn jullie er. Dank voor de onvoorwaardelijke liefde waarmee jullie mij dagelijks omringen.

Een mens leidt zijn leven volgens eigen inzichten. De vrijheid in mijn leven ervaar ik als een grote verantwoordelijkheid. Je leeft maar één keer. Laten we er met z’n allen iets moois van maken. Laten we van Amsterdam een vrije, duurzame, mooie en rechtvaardige stad maken.

Ik heb gezegd.

Intreerede, uitgesproken op 13 september 2012 als hoogleraar Grootstedelijke Vraagstukken (Wibautleerstoel) aan de Universiteit van Amsterdam.