Een vrijere stad

On 30 september 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Wij eisen geluk’ (1997) van D.H. Frieling:

 

Naar aanleiding van mijn intreerede (http://bit.ly/UVADMe) ontving ik een exemplaar van ‘Wij eisen geluk’ van Dirk Frieling. Het betreft een interview van Maarten Kloos met de stedenbouwkundige Frieling over de Bijlmermeer. Het boekwerkje kwam over de post, juist op de dag dat bekend werd dat de Floriade 2022 niet in de Bijlmer zal worden gehouden, maar in Almere. Het interview blijkt helemaal te zijn uitgeschreven, er lijkt geen woord van zijn verhaal verloren te zijn gegaan. De spreektaal maakt dat je als het ware gedwongen wordt in de huid van Frieling te kruipen, die voorzitter was van de stuurgroep vernieuwing Bijlmermeer en die begin april 2011 kwam te overlijden. Een sterk verkorte versie verscheen destijds in het tijdschrift Archis, in een nummer dat geheel was gewijd aan de Bijlmermeer.

Frieling blijkt in het interview nog altijd een liefhebber te zijn geweest van de Bijlmer. Hij zegt ook niet te begrijpen waarom de Bijlmer helemaal moest worden afgebroken. Hij vond de wijk juist het voorbeeld van ‘een vrijere stad’. Waarom men de Bijlmer mislukt vond, is volgens hem dat men de beheerconsequenties niet heeft willen trekken, zowel technisch en verkeerskundig als sociaal en economisch. “Er is maatschappelijk-bestuurlijk geen vorm gevonden voor het technische concept en tot op de dag van vandaag heeft men dat ook niet gewild en is men daar ook niet in geïnteresseerd.” Tijdens het lezen valt mijn oog op een bijzondere passage. Die gaat over de bouw van de Bijlmer, die niet toevallig samenvalt met de bouw van het nabije Almere. Frieling: “Als je Almere en de Bijlmer vergelijkt, dan kan je zeggen nou ja waarom is er met Almere geen probleem en met de Bijlmer wel.” Die vraag stemt tot nadenken. (foto Tim Freh)

Tagged with:
 

Beschaving

On 27 september 2012, in cultuur, geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 15 juni 2012:

In het noordwesten van Spanje zijn prehistorische rotstekeningen opnieuw gedateerd, volgens een nieuwe methode. Ze blijken 5 tot 10.000 jaar ouder dan gedacht. Karel Berkhout schreef erover in NRC Handelsblad. Men schat ze nu op 40.800 jaar oud. Daarmee zijn de tekeningen vooralsnog de oudste van Europa. Maar door de nieuwe datering vallen ze ook samen met de geschatte eerste migratie van de oudste mensen – de Homo Sapiens – van Afrika naar Europa. De eerste groepjes mensachtigen arriveerden namelijk juist rond die tijd op ons continent. Het kan dus ook zijn dat de tekeningen niet door mensen gemaakt zijn, maar door Neanderthalers. Die waren, blijkt uit recente vondsten, tot veel meer in staat dan wetenschappers eerst dachten. Als ze de tekeningen hebben gemaakt, zouden ze ook een taal moeten hebben ontwikkeld. Kan dat, zo op het eind, dus vlak voor hun uitsterven?

Archeoloog Joao Zilhao van de Universiteit van Barcelona denkt dat dit goed mogelijk is. Neanderthalers leefden grofweg van 250.000 jaar tot 30.000 jaar geleden in Europa. “Neanderthalers leefden lang verspreid over Europa in kleine groepen. Pas later gingen ze dichter bij elkaar leven en dat zette technologische en culturele vernieuwingen in gang.” Al was van stedenvorming nog lang geen sprake (die begon pas 6.000 jaar geleden, dus 35.000 jaar na de rotstekeningen in noordwest Spanje), het principe van innovatie door samenballing werd toen al geboren en dit is wel precies wat steden veel later zouden doen: technologische en culturele vernieuwing in gang zetten. Van rotstekeningen tot iPads, alle cultuur en innovatie is te danken aan concentratie in steden. Hoe groter de steden, hoe meer innovatie.

Tagged with:
 

Mislukt experiment?

On 26 september 2012, in cultuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 23 juni 2012:

Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef op de opiniepagina van NRC Handelsblad dat de stad gevaar loopt. Torenhoge schulden zouden zijn opgebouwd om de creatieve klasse te lokken. Later herhaalde hij zijn dreigende woorden in een essay in een recente bundel opstellen van het Planbureau voor de Leefomgeving. “Wandel willekeurig welke Nederlandse stad binnen en je struikelt over de bouwputten. (…)” Zijn woede richt zich met name op de geograaf Richard Florida, die lokale bestuurders gek zou hebben gemaakt met beloftes van groei als ze maar voor een creatieve klasse zouden bouwen en die steden heeft opgezadeld met ‘megalomane paradeprojecten’. Die bestuurders, schrijft hij, zijn allemaal gaan geloven dat als je maar chique museumkwartieren bouwt en parken aanlegt, de mensen en de bedrijven vanzelf komen. Niet dus. “Terwijl de bankier en de vastgoedjongen genieten van een vroeg pensioen, betaalt Jan Modaal het gelag. Werkloos, de gevangene van zijn worghypotheek, met ouders en kinderen die schraalhanserige zorg en onderwijs ontvangen, mag hij tot in lengte van jaren opdraaien voor Florida’s mislukte experiment. Dat de steden van Zutphen tot Amsterdam vol staan met prijswinnende musea, bibliotheken en stations is niet meer dan een schrale troost.”

Ik moest aan zijn tirade denken toen ik vorige week maandag Dordrecht bezocht. Die stad, met ruim honderdduizend inwoners, investeert op dit moment voor zeker honderd miljoen euro in cultuur. Zo is de oude watertoren veranderd in een hotel, is het Dordrechts museum uitgebouwd met een nieuwe vleugel, worden bioscopen gebouwd in historische panden in de binnenstad, wordt het voormalige gebouw van het Gemeentelijk Energiebedrijf aan de Noordendijk omgebouwd tot cultuurpaleis voor de podiumkunsten, verandert het pand De Holland van 1859 van Sybold van Ravesteyn in een nationaal onderwijsmuseum, wordt een historisch museum gevestigd in Het Hof van Dordrecht en is Schouwburg Kunstmin van diezelfde Van Ravesteyn uitgebreid met een nieuw achtertoneel. Last but not least wordt er met financiële steun van de gemeente een University College gevestigd in de historische binnenstad. De publieke investeringen worden gedaan in crisistijd. Engelen, die zelf keer op keer een Keynesiaanse stimuleringspolitiek bepleit, zal het wel rekenen tot Florida’s mislukte experiment, maar ik sluit niet uit dat Dordrecht zich op deze manier uit de crisis werkt. Den Bosch, Deventer, Amsterdam, Groningen, Middelburg en Maastricht gingen haar voor.

Tagged with:
 

Het scheve wonen

On 25 september 2012, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 juli 2012:

Afgelopen zomer bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor het eerst een kaart naar buiten waarop het aantal scheefwoners per Nederlandse gemeente stond afgebeeld. Hoe blauwer, hoe meer scheefwonen. Voor de goede orde, scheefwoners zijn mensen die corporatiewoningen bewonen, maar die daarvoor eigenlijk een te hoog salaris hebben. Het is een typisch Nederlands fenomeen. Van de 2,2 miljoen sociale woningen in Nederland worden er 609.000 scheef bewoond. Landelijk gemeten wordt 28 procent van de sociale huurwoningen scheef bewoond. Wat blijkt? Het Westen van het Land kampt het meeste met scheefwoners, met blauwe uitstralingsgebieden langs de kust, richting de Veluwe en het noorden van Noord-Brabant, de rest van het land is met het fenomeen veel minder vertrouwd. Nog een opvallend feit: anders dan je zou verwachten weten de grote steden het aandeel scheefwonen aardig in te tomen. Het blauwst zijn de gemeenten in het zogenaamde Groene Hart. De onderzoekers hadden geen duidelijke verklaring en minister Spies waarschuwde in haar brief aan de Tweede Kamer van 5 juli dat uit het onderzoek geen conclusies mochten worden getrokken.

Het kaartbeeld deed me sterk denken aan het rapport van de Werkcommissie Westen des Lands uit 1958. Daarin werd voor het eerst de Randstad als een probleem getypeerd. Omdat de staatscommissie meende dat bevolking, welvaart en inkomen moesten worden gespreid, werd er door de regering een beleid ontwikkeld om de grote steden in het westen te ‘ontlasten’. Hele contigenten sociale huurwoningen werden vervolgens jarenlang door het Rijk naar de omgeving van de steden gedirigeerd, tot op grote afstand. Dit zogenaamde ‘uitstralingsbeleid’ heeft in die zin gewerkt, dat de meeste goedkope woningen zich tegenwoordig in een royale straal rond de grote steden bevinden; nabij de steden zelf gold een beschermingsbeleid, met het Groene Hart als pièce de résistance. De erfenis hiervan zag ik fraai in het kaartbeeld terug. Ook na vijftig jaar spreidingsbeleid is de druk op de grootstedelijke woningmarkt nog erg hoog. Met scheefwonen tot gevolg.

Tagged with:
 

Culturele gateway

On 24 september 2012, in cultuur, by Zef Hemel

Gezien op 19 september 2012 in Amsterdam:

Afgelopen zaterdag opende dan eindelijk het Stedelijk Museum in Amsterdam weer zijn deuren. De week ervoor kon ik alvast een kijkje nemen. Het was overweldigend. Vergeleken bij het nieuwe Centre Beaubourg Metz dat ik afgelopen zomer met vrouw en kinderen bezocht, stond ik hier in de wereldtop. Overal om me heen werd Engels, Spaans en Frans gesproken. Net als het nieuwe filmmuseum Eye aan het IJ is de nieuwbouw open, transparant en licht, naar de stad gekeerd. En wat onwaarschijnlijk rijk is Amsterdam aan klassieke moderne kunst! De collectie, zeer fraai geëxposeerd, bevat absolute topstukken. Maar er is ook echt kunst te zien die hoort bij Amsterdam (en Parijs): Karel Appel, Ed van der Elsken, Jan Schoonhoven, Piet Mondriaan, Jan Dibbets, Gerrit Rietveld, Rineke Dijkstra, enzovoort.

De entree is uitnodigend, het café-restaurant op de hoek aan de Van Baerlestraat zorgt voor levendigheid. De nieuwbouw opent zich vriendelijk naar het Museumplein. De grasmat is daar net op tijd vervangen. Voor de Paulus Potterstraat lijkt me het overigens geen winst. Die straat wordt hierdoor nog saaier dan hij al is, zeker met die malle verhoogde trambaan. En het trappenhuis in de oudbouw van het museum ligt nu ronduit vreemd; vroeger vond ik dat bestijgen juist zo’n ongelooflijke museumervaring. Maar verder niets dan goeds over het Museumplein. Het plein wordt ronduit spannend. Ik voorspel u, het Museumplein wordt het nieuwe centrum van Nederland, een gateway naar de wereld. Daar gaat dit land economisch en cultureel nog ongelooflijk van profiteren.

Tagged with:
 

Bottom-up

On 21 september 2012, in participatie, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 26 mei 2012:

De komende masterclass van de Dienst Ruimtelijke Ordening in Amsterdam zal zich afspelen in Parijs. Afgelopen week spraken we over Groot Parijs in verhouding tot Groot Amsterdam. Het gesprek herinnerde me aan Vincent Fouchier, adjunct-directeur van IAU Ile de France, die ik ontmoette in Moskou tijdens de Moscow Competition. Eerder al schreef ik op deze blog over zijn Moskouse lezing. Wat me nu nog meer opviel was dat Fouchier erop wees dat de groeikernenpolitiek van Parijs ooit een typische staatsaangelegenheid was geweest, net als in andere landen. Zelfs het regionale plan van Groot-Parijs was na de oorlog telkens door de Franse staat gemaakt. Voor het eerst echter mag de Parijse regio dit plan nu zelf maken. Het is bijna gereed. Men heeft het bottom-up ontwikkeld, op de zware infrastructuur na. Die laatste wordt nog altijd door de staat bedisseld. Het plan wordt door alle stakeholders gedragen. En wat de mensen willen? Ze willen vooral meer woningen in Parijs tegen lagere prijzen. Ze willen niet meer in de geplande nieuwe steden wonen, ze willen juist verdichting, liefst zo dicht mogelijk bij de oude stad. Ook willen de Parijzenaren die in de regio wonen minder afhankelijk worden van de auto.

De besluitvorming is ook al op de helling. Die is helemaal gedecentraliseerd en wordt tegenwoordig in een ingewikkelde uitwisseling tussen meer dan duizend gemeenten samen met moederstad Parijs voorbereid (kaartje Zandbelt VandenBerg). De centralisatie van de besluitvorming in Frankrijk die plaatsvond in de jaren tachtig van de twintigste eeuw is helemaal teruggedraaid. Destijds was iedereen tegen Parijs, de laatste jaren is iedereen van Parijs gaan houden. Onder president Hollande hoopt men op verdere decentralisatie, want medewerking van de staat is daarvoor vereist. Het liefst zag men de totstandkoming van een krachtige regionale autoriteit. Het doet denken aan de recente brief van de burgemeesters van de vier grote Nederlandse steden aan het demissionaire kabinet waarin deze om meer beleidsruimte vragen. Kortom, er is ook in Parijs een ‘bottom-up-beweging’ gaande.

World Cup High-Speed Rail

On 20 september 2012, in infrastructuur, sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Moscow Times van 24 augustus 2012:

In 2018 worden de wereldkampioenschappen voetbal gespeeld in Rusland. In totaal dingen 13 Russische steden mee naar de mogelijkheid om een of meer wedstrijden van het toernooi te accommoderen. Eind september, begin oktober wordt bekend gemaakt welke steden dat zullen zijn. Toen het immense land zijn bid in 2010 beloond zag, maakte het direct haar voornemen bekend om in ieder geval een aantal hogesnelheidslijnen aan te leggen vóór 2018 tussen de steden Moskou en Sint Petersburg en tussen de hoofdstad en Yekaterinburg, uiteraard om er voetbalfans mee te vervoeren. In 2013 zou de aanleg al van start gaan. Het idee was om de reistijd op de 660 kilometer tussen de twee grootste metropolen met 400 kilometer per uur terug te brengen van 4,5 uur tot 2,5 uur. Kosten: 1,12 triljoen roebel. Sinds 2008 rijden er al snelle treinen tussen beide steden, maar hun snelheid is gelimiteerd (250 kilometer per uur). De tweede lijn naar het oosten, via Nizhny Novgorod en Kazan, zou neerkomen op ‘slechts’ 26 uur treinen tussen de hoofdstad en de Oeral. Kosten: onbekend. In totaal zou het gaan om een investering van, omgerekend, 175 miljard US dollar.

Inmiddels groeit twijfel of het spoorplan ook werkelijk doorgang zal vinden. Nog steeds menen de autoriteiten dat de uitvoering van het ambitieuze vijfjarenplan mogelijk moet zijn, maar de kosten blijken nu zo hoog dat The Moscow Times deze zomer al berichtte over een rapport dat de autoriteiten vermoedelijk zal doen zwichten. Goedkopere alternatieven zijn voorhanden. In ieder geval komt de investering niet voor in het investeringsplan van de Russische spoorwegen tot 2020. Een dezer dagen maakt de regering bekend of het Russische HSL-plan zal worden doorgezet. Ondertussen tekenden sommige deelnemende internationale teams aan de Moscow Competition een hele serie nieuwe HSL-lijnen die Moskou moeten verbinden met Azië, Europa en het Midden Oosten. Kosten: een veelvoud van wat nu al begrotelijk is.

Tagged with:
 

Reizen zonder Geert

On 19 september 2012, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Travels with Charley’ (1961) van John Steinbeck:

Van iemand kreeg ik ‘Reizen zonder John’ van Geert Mak bij mijn inauguratie cadeau. Het was aanleiding om weer die oude pocketeditie van John Steinbeck ter hand te nemen. De hernieuwde kennismaking was verrassend. Het bleek zondermeer leuk om die zoektocht van de zestigjarige schrijver naar Amerika opnieuw te lezen.  Let wel, het is de tijd van ‘Mad Men’. Ditmaal echter geen New York, maar wel San Francisco, Montana, Mojave. Trouwens, heel Californië trekt voorbij. Steinbeck reist opnieuw door zijn vaderland na vijfentwintig jaar, maar hij vermijdt de grote steden. “Of course, I had been reading about the population explosion on the West Coast, but for West Coast most people substitute California. People swarming in, cities doubling and trebling in numbers of inhabitants, while the fiscal guardians groan over the increasing weight of improvements and the need to care for a large new spate of indigents.”

Mooi hoe hij Seattle beschrijft. Het is 1960. “I remember Seattle as a town sitting on hills beside a matchless harborage – a little city of space and trees and gardens, its houses matched to such a background. It is no longer so.” Wat ziet hij na vijfentwintig jaar? “The tops of hills are shaved off to make level warrens for the rabbits of the present. The highways eight lanes wide cut like glaciers through uneasy land.” Dit was niet het Seattle dat hij zich herinnerde. “I wonder why progress looks so much like destruction.” Dan volgt zijn analyse van de moderne Amerikaanse stad anno 1960: “When a city begins to grow and spread outward, from the edges, the center which was once its glory is in a sense abandoned to time.” Het verval begint al snel; arme mensen trekken naar binnen. “Nearly every city I know has such a dying mother of violence and despair where at night the brightness of the street lamps is sucked away and policemen walk in pairs.” Totdat ooit alles weer goed komt en de stad monumenten bouwt voor zijn verleden. Of niet. Ik ben benieuwd hoe Mak de toestand in de Amerikaanse steden, vijftig jaar later, beschrijft.

Tagged with:
 

Reusachtige visioenen

On 18 september 2012, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Over de democratie in Amerika’ van Alexis de Tocqueville:

In 1840 publiceerde de politiek filosoof Alexis de Tocqueville zijn tweede deel over de democratie in Amerika. Het eerste deel was vijf jaar eerder verschenen. De jonge staat in de nieuwe wereld fungeerde bij hem als model voor het postrevolutionaire Frankrijk. Kunst, schreef hij in deel 2, wordt talrijker en onbeduidender in de democratie dan in een absolutistische staat. Maar er zijn uitzonderingen. Vervolgens behandelde hij de ‘kunstmonumenten’ in de nieuwe hoofdstad Washington DC. “De Amerikanen hebben op de plek waarvan zij de hoofdstad wilden maken de ruimte afgepaald voor een immense stad die vandaag nauwelijks meer inwoners telt dan Pontoise, maar die volgens hen ooit een miljoen inwoners moet herbergen; zij hebben de bomen al gerooid tot tien Franse mijl in de omtrek uit angst dat deze de toekomstige bewoners van de imaginaire metropool zouden hinderen. In het centrum van de stad hebben zij een prachtig paleis gebouwd dat als zetel van het Congres moet dienen, en zij hebben het de pompeuze naam Capitool gegeven.” Niet bepaald een onbeduidend werk van een democratie, die hoofdstad.

Hoe kan De Tocqueville het imposante stedenbouwkundige werk van de Franse ingenieur L’Enfant rijmen met een democratische politiek die doorgaans slechts ‘onbeduidende’ werken voorbrengt? Immers, “nergens lijken de burgers kleiner dan in een democratische natie.” Zijn verklaring voor deze ongerijmdheid luidt als volgt: “In democratische samenlevingen wordt de verbeeldingskracht kleiner wanneer zij aan zichzelf denken en wordt zij oneindig groot als zij aan de staat denken. Dat leidt ertoe dat dezelfde mensen die klein leven in minuscule woningen, dikwijls reusachtige visioenen krijgen als het gaat om publieke monumenten.” Een teken van verlichting vindt hij die grootheidswaan niet. De Romeinen, schrijft hij, zouden nooit al die aquaducten rond hun steden hebben gebouwd als ze de wetten van de hydraulica hadden begrepen. “Het volk dat geen andere sporen van zijn verblijf op aarde achterlaat dan een paar loden pijpen in de grond en enkele ijzeren stangen aan de oppervlakte, zou meer meester over de natuur kunnen zijn geweest dan de Romeinen.”

Tagged with:
 

De Partij van de Steden

On 16 september 2012, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 13 september 2012:

Bij eerdere verkiezingen schreef ik al over de veranderende politieke geografie van Nederland. Mijn stelling was dat de ruimtelijke uitsortering van de Nederlanders als gevolg van veertig jaar suburbanisatie zich rechtstreeks vertaalt in nieuw stemgedrag. Niet meer de verzuiling of de rangen en standen, maar de ruimtelijke orde ligt tegenwoordig aan de basis van het kiezerslandschap. Het ‘politieke landschap’ is letterlijk een landschap geworden. Politiek geograaf Josse de Voogd viel mij indertijd min of meer bij. De kaartjes van Nederland in NRC Handelsblad met de dominantie per partij van afgelopen donderdag laten deze tendens opnieuw duidelijk zien. Hans Wiegel begreep het indertijd het eerst: hij trok Almere en Purmerend binnen om het liberale evangelie te verkondigen. Die inspanning betaalt zich nu uit.

Kijk naar de kaartjes. De PvdA is de Partij van het Noorden geworden, het CDA de Partij van het Oosten, de PVV de Partij van de Periferie, de SP de Partij van het Zuiden en de VVD de Partij van het Westen. D66 en GroenLinks vormen samen de Partij van de Steden. Je kunt het ook anders formuleren. De welvarende delen van Nederland stemmen overwegend liberaal, de armere delen stemmen populistisch dan wel traditioneel. Of nog weer anders: de welvarende suburbs stemmen VVD, de grote steden stemmen sociaal-liberaal, de periferie stemt populistisch-conservatief. Hoe langer de Nederlandse regering suburbanisatie blijft bevorderen, hoe groter de VVD. Alles regionaliseert. Ruimtelijke ordening zou een politieke prioriteit moeten worden, van elke partij.

Tagged with: