‘De stad als brein’

On 14 juli 2012, in wetenschap, by Zef Hemel

 

 

 

Op donderdag 13 september 2012 om 16.00 uur houd ik mijn intreerede als bijzonder hoogleraar Grootstedelijke Vraagstukken (Wibautleerstoel) aan de Universiteit van Amsterdam. Locatie: Oude Lutherse Kerk, Spui, Amsterdam.

Iedere volger van mijn blog is van harte uitgenodigd.

 

Afbeelding uit: Steven Johnson, Emergence (2001), Penguin Books.

Tagged with:
 

Beste stad ter wereld

On 13 juli 2012, in benchmarks, by Zef Hemel

Gelezen in Time NewsFeed van 9 juli 2012:

Alweer een benchmark van steden. Dit keer die van ‘de beste steden ter wereld’. De ranking blijkt een combinatie van de jaarlijkse ‘Liveability Index’ van de Economist Intelligence Unit en cijfers van BuzzData, een in Hong Kong gevestigd databureau. De EIU volgt sinds kort een open data beleid en dit is het resultaat. De architect Filippo Lovato maakte een nieuwe ranking van de gecombineerde cijfers, waarbij hij vooral lette op zeven ruimtelijke kenmerken van steden: de hoeveelheid groene ruimte, suburbanisatie, toegang tot natuur, aanwezigheid van cultuurhistorie, verbondenheid met de rest van de wereld, nabijheid van andere steden, en vervuiling. Hij legde in totaal zeventig wereldsteden tegen zijn meetlat. Wat blijkt? Hong Kong staat op één, Amsterdam op twee, Osaka op drie. Hong Kong heeft de minste luchtvervuiling van de steden uit de top 10, dus ook minder dan Amsterdam. “Hong Kong, the winner, is a very compact city that managed to maintain its natural heritage, create a dense network of green spaces and enjoy extensive links to the rest of the world,” aldus Lovato. Compacte steden met goede luchthavens in megaregio’s lijken bij hem dus te winnen. Amsterdam de op een na beste stad ter wereld?

In de Liveability Index van de Economist Intelligence Unit stond Amsterdam nog op 8 en Hong Kong op plaats 10. Daar stond Toronto bovenaan, en Sydney op 2. Verdiend gestegen? In The Economist van 3 juli vindt men het aanvechtbaar. Het vele groen van Hong Kong is aan de fysieke omstandigheden te danken, niet aan de stad zelf, zo luidt het commentaar. En de natuur is er weliswaar dichtbij, maar een groot deel van het jaar niet te harden vanwege het tropische klimaat. Bovendien kampt Hong Kong tegenwoordig met ernstige luchtvervuiling die afkomstig is van het Chinese vasteland. En wat te denken van Osaka op plaats 3 en Tokio op plaats 10? Iedereen die ooit in Japan heeft gewoond zal Tokio prefereren boven Osaka. “Osaka is as insularly Japanese as always.” Ten slotte vielen heel wat steden buiten de boot omdat ze te klein bevonden waren door Lovato. De redactie vindt het experiment geslaagd, maar wat Lovato deed niet altijd objectief. Over Amsterdam geen discussie.

Tagged with:
 

Garages of pakhuizen?

On 12 juli 2012, in economie, innovatie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 7 juli 2012:

Ging m’n laatste blog item nog over de enorme vernieuwende kracht van de tegencultuur van San Francisco, kennelijk is er sinds 1975 ook in en rond de Bay Area veel creatiefs verloren gegaan. De garages waar de jonge Bill Hewlett, Dave Packard en Steve Jobs hun uitvindingen deden bestaan niet meer. Vandaar het initiatief van een aantal mensen in San Jose om de garagecultuur in de Valley nieuw leven in te blazen. In de binnenstad is, aldus The Economist, onlangs ZERO1 Garage geopend: een plek waar kunstenaars in contact worden gebracht met technici. “Artists are by far the most radical experimenters in society,” aldus directeur Joel Slayton. Ideeën rond duurzaamheid, milieu, internet, gaming en open data moeten hier een impuls krijgen. Een artistieke impuls, wel te verstaan. Google heeft al toegezegd samen te werken met ZERO1 als het gaat om intellectueel eigendom, privacy en beveiliging, en Adobe staat op het punt een soortgelijke overeenkomst te sluiten. Ze noemen ZERO1 “part think-tank, part incubator, part exhibition space.” Het is de bedoeling kunstenaars in het vroegste stadium bij de productontwikkeling in te schakelen.

Wat in Silicon Valley de spreekwoordelijke garage is, is in Amsterdam het pakhuis. Pakhuis de Zwijger lijkt me een regelrechte pendant van ZERO1 Garage, zeker als ik de foto’s op internet bekijk. Ook de oudere Waag society mag als een voorloper van het Silicon Valley-initiatief gelden. Misschien is het hele idee in San Jose wel afgekeken van Amsterdam – het zou me niet verbazen – en dat de mythe van de garage een directe afgeleide is van het Amsterdamse pakhuismodel: “that young companies long on talent and short on money could change the world while surrounded by car parts and oil cans.”  De vraag is echter of Amsterdamse hightechbedrijven wel evenveel investeren in Pakhuis de Zwijger als de bedrijven van Silicon Valley in hun garage. Ik vrees van niet. Dat zou Amsterdam toch weer op een achterstand zetten. Lijkt me iets om te bespreken in de Economic Development Board.

Tagged with:
 

Bay Area hippiedom

On 11 juli 2012, in innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De academische boekengids’ van juli 2012:

Onder de titel ‘California dreamin’’ verscheen van de hand van Frans van Lunteren, hoogleraar geschiedenis van de natuurwetenschappen aan de Vrije Universiteit, onlangs een recensie van het nieuwste boek van historicus David Kaiser. Dat boek, getiteld ‘How the Hippies saved Physics’, gaat over creatieve wetenschappelijke experimenten in het San Francisco van de periode 1965 tot 1975. Kaiser schreef een boek over ‘gemarginaliseerde hippies’ als Fritjof Capra en Gary Zukav die studeerden op en rond Berkeley. Ze waren veelal werkloos en behoorden tot de Fundamental Fysiks Group. De eerste is vooral bekend van ‘The Tao of Physics’ (1975) en van de ander verscheen ‘The Dancing Wu Li Masters (1979). Vooral het eerste boek werd een bestseller, met een oplage van vele miljoenen was het een van de best verkochte boeken van de twintigste eeuw. Terwijl de rest van de fysici zich uitsluitend richtte op controleerbare voorspellingen onder het motto ‘shut up and calculate’, deelden de leden van de Fundamental Physiks Group een fascinatie voor de grondslag van de quantummechanica uit de jaren ‘20, parapsychologische experimenten, oosterse mystiek en psychedelische drugs. Capra, aldus Van Lunteren, zag in de lessen van de quantummechanica een opmerkelijke bevestiging van oosterse religies en mystici. De quantumhippies ontvouwden een nieuw onderzoeksveld dat spoedig gefinancierd zou worden door het Amerikaanse leger en door ondernemers met een fascinatie voor ongewone wetenschap. Hun vernieuwingen hebben verstrekkende gevolgen gehad voor de natuurkunde en de wetenschapsgeschiedenis.

Kennelijk heeft de unieke tegencultuur van de San Francisco Bay Area in de jaren zestig en zeventig tot een enorme vruchtbare vernieuwing geleid, ook al speelde deze zich af in de maatschappelijke marge. Van Lunteren spreekt van ‘plaats- en tijdgebonden omstandigheden’ die in die vernieuwing een ‘vitale rol’ zouden hebben gespeeld. De voorbeelden die hij noemt staan niet op zichzelf. “In diezelfde jaren zeventig bracht het Bay-Area-hippiedom ook nog tal van andere vernieuwers voort. Denk bijvoorbeeld aan de college-drop-out en Hare Krishna-adept Steve Jobs.” Daaruit trekt de hoogleraar wetenschapsgeschiedenis de conclusie dat innovatie doorgaans uit onverwachte hoek komt. Op zichzelf is dat correct. Maar belangrijker is, ze ontspringt telkens weer aan steden. En altijd zijn het steden waar het broeit en gist. Zelden betreft het keurige gereguleerde steden waar alle bèta’s netjes een zeven halen onder het motto ‘shut up and calculate’. Met technologie alleen ben je er nog niet.

Tagged with:
 

Chicago, Los Angeles, Amsterdam

On 10 juli 2012, in wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam op 27 juni 2012:

In zijn oratie, getiteld ‘Urban Perspectives of the World’, beschreef de nieuwe hoogleraar sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam, Jan Nijman, op 27 juni in de aula aan het Spui de hernieuwde belangstelling voor grootstedelijk onderzoek. Nijman, die meer dan vijfentwintig jaar in Miami Florida doceerde, is tegenwoordig directeur van het ‘Centre for Urban Studies’ in Amsterdam. Hij coördineert er het multidisciplinaire onderzoek naar steden, een onderzoeksveld dat zeker dertig Amsterdamse hoogleraren en meer dan veertig promovendi samenbrengt. ‘Urban Studies’ is een van de vijftien speerpunten in het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. Nijman wees op de nieuwe condities van stedelijke groei en expansie die steden tot een belangwekkend veld van nieuw onderzoek maken.

Interessant was de passage waarin Nijman de opmerkelijke rol van Chicago in het stedelijke onderzoek duidde. Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw kwam inderdaad vrijwel alle belangwekkende sociaal-wetenschappelijke onderzoek inzake steden uit één stad, namelijk de ‘Windy City’ in het Midden-Westen van de Verenigde Staten (Ernest Burgess, Herbert Mead, Robert Park, Louis Wirth). In de jaren negentig werd deze rol overgenomen door Los Angeles (Mike Davis, Allen Scott, Edward Soja, Michael Storper), maar Nijman wees er fijntjes op dat LA deze functie slechts betrekkelijk kort heeft vervuld. Hij had er ook een verklaring voor. Het kwam, zei hij, doordat wetenschappers aan de westkust hoofdzakelijk over Los Angeles zelf publiceerden. Toen andere steden in de wereld LA niet langer zagen als de stad van de toekomst, was het snel met de faam van haar onderzoekers gedaan. Dat zal Amsterdam niet overkomen, voegde hij er onmiddellijk aan toe. Amsterdamse onderzoekers zullen over stedelijke verschijnselen in alle wereldsteden publiceren. Hij dichtte de Nederlandse hoofdstad met zijn vele stadsonderzoeken daarin goede kansen toe. “Our city has all the requisites to ‘model’ in this urban-global world. And our Centre for Urban Studies is very well positioned, with an impressive range of expertise, local and global, for the kind of balanced strategy required to play a leading role in the field, world-wide.”

Tagged with:
 

Boordevol planning

On 9 juli 2012, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het boze oog’ (1983) van Gerrit Komrij:

Gerrit Komrij (68) overleed afgelopen week. Vele stukjes schreef hij over Amsterdam. Van hem herinner ik me nog levendig de column in Vrij Nederland die later, in 1983, gepubliceerd werd in ‘Het boze oog’ en die een Vrij Nederland lezende student planologie te Groningen als ik destijds voor raadsels plaatste: “Decennia lang hebben de socialistische burgemeesters, wethouders, directeuren, raadsleden, bestuurders, ambtenaren hun héle visie in deze stad gelegd, met hart en ziel. Nadat ze hun visie, hun hart en ziel in de stad hadden gelegd, zag de stad er uit als na een bombardement.” Wat moest ik ervan denken? Groningen werd destijds geregeerd door jonge socialisten als Max van den Berg en Jacques Wallage. Met Groningen ging het helemaal niet slecht. Amsterdam leek me niet veel anders. Wat was daar in de hoofdstad aan de hand?

Komrij: “Het Amsterdam van nu is het resultaat van een totale visie. Het stadsbeeld vormt de exacte weergave van de hersens van de ambtenaren die het bepaalden: vol gaten, dead ends, koehandel en blinde muren. Vol ongerief en stilstand.”  Waarop doelde Komrij precies? “Geen planning op de lange termijn? Ach kom. Hun planning bestaat niet alleen uit hun onwrikbare voornemen om de burgers te treiteren en te jennen, maar ook om dit tot hun laatste snik vol te houden. Hun planning is gericht op de langst mogelijke termijn. Een beleid van scherven en harken? Toe nou. Het is juist een stevig beleid. Het is een beleid van asfalt en sloophamers. Geen gevoel voor cultuur, omgeving, verantwoordelijkheid? Maak het een beetje. Jensden ze er, met hun stevige beleid en boordevol planning, soms niet de opera en het stadhuis, in één gebouw gecombineerd, triomfantelijk door? Zorgden ze niet voor een prachtige siamese tweeling van zang en wachttijden, van dans en stempelkussens?”  Ach ja, natuurlijk, het was de omstreden bouw van de Stopera. Achteraf besef ik dat planologen sindsdien verdacht zijn. In Amsterdam.

Tagged with:
 

The beginning of shape

On 5 juli 2012, in theorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Emergence’ (2001) van Steven Johnson:

Waarom ik het boek opnieuw uit de kast haal? Omdat ‘The connected lives of ants, brains, cities and software’ ook na ruim tien jaar nog hoogst actueel is. Sommige auteurs zijn gewoon hun tijd ver vooruit. De Amerikaanse wetenschapsjournalist Steven Johnson is zo iemand. In ‘Emergence’ beschrijft hij hoe zelf-organiserende systemen werken. Zulke systemen ontwikkelen zich bottom-up en gehoorzamen aan slechts een paar regels. Steden zijn typische zelf-organiserende systemen; Johnson noemt ze ‘pattern amplifying machines’. Neem Manchester. Begin negentiende eeuw, toen Friedrich Engels haar bezocht, groeide de textielstad in Noord-Engeland opzienbarend snel. De rijke buurten waren gescheiden van de arme arbeidersbuurten; die laatste zaten opvallend goed verstopt. De stad leek keurig geordend, maar was in werkelijkheid een van de minst geplande steden van het Verenigd Koninkrijk. “That mix of order and anarchy is what we now call emergent behaviour.” Het boek van Johnson gaat over complexiteit en over zelfregulerend gedrag, waardoor patronen vanzelf ontstaan, zonder interventie van bovenaf.

Uitgerekend in Manchester studeerde de wiskundige Alan Turing. Turing was het die in 1948 Londen verruilde voor de noordelijke textielstad om onderzoek naar mathematische patronen te doen in het laboratorium dat uiteindelijk de grondslagen van de computer zou ontvouwen. Zijn paper over ‘morfogenese’ – over het ontstaan van vormen – verscheen in 1952: een verslag van een studie naar biologische ontwikkeling op basis van wiskundige formules. In feite was hij de eerste die de kracht van zelfassemblage detecteerde en die emergent gedrag op het spoor kwam.  Zijn opzienbarende ontdekkingen deed Turing uitgerekend in de meest ongeplande stad van Groot Brittannie. Toeval kan dat volgens Johnson niet geweest zijn. Johnson besluit dan ook met de stelling, zich mede baserend op de theorieën van Turing: “You don’t need regulations and city planners deliberately creating these structures. All you need are thousands of individuals and a few simple rules of interaction.” Johnson woont en werkt in Park Slope, het door Paul Auster bezongen deel van Brooklyn, New York. New York is een van de minst gereguleerde steden ter wereld. Zou ook hier sprake van toeval zijn?

Tagged with:
 

My Amsterdam

On 3 juli 2012, in film, by Zef Hemel

Gezien in de Movies op 1 juli 2012:

Afgelopen zondag zag ik in de Movies ‘My Amsterdam’ van Ed van der Elsken uit 1983. Architect Friso Broeksma vertoonde de oude film in het voorprogramma ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Wat de vertoning zo bijzonder maakte was de bewerking die Jan Rothuizen ervan had gemaakt. Rothuizen was er ook. Hij had, zei hij, het hele parcours opnieuw gefilmd vanuit een Fiat 500 en naast de historische beelden van Van der Elsken gezet: Haarlemmerstraat, Nieuwendijk, Dam, Kalverstraat, Vijzelstraat, Weteringcircuit, terug door de Vijzelstraat, Muntplein, Reguliersbree, Rembrandtplein en weer terug. De commentaarstem van Van der Elsken had hij gehandhaafd. Zo zagen we hetzelfde straatbeeld twee keer: in 1983 en achtentwintig jaar later, in 2011. In 1983 woonde ik net een jaar in Amsterdam. De Haarlemmerstraat waar de film mee begint is vlakbij de Droogbak waar ik destijds werkte. Het is ook de straat waar de Movies nog altijd is gevestigd. Een feest van herkenning, pure nostalgie. Tegelijk was het alsof ik die zonnige middag weer de bioscoop uitliep, in de auto stapte en opnieuw de stad inreed. Een wonderlijke ervaring.

Beide films waren ‘s ochtends om 6 uur geschoten. De straten waren leeg. Was er in die achtentwintig jaar veel veranderd? Zo op het oog niet. De openbare ruimte in Amsterdam is veel beter geworden, dat wel, er ligt tegenwoordig minder zwerfvuil op straat, de ‘amsterdammertjes zijn verwijderd, in de Haarlemmerstraat en op de Zeedijk zijn de gaten in de straatwanden opgevuld. Verder is alles nog hetzelfde. Het grote verschil met vroeger zit in het dramatische eindbeeld van de film. In 1983 reed Van der Elsken door de Staalstraat. Op het eind van de smalle straat, in zuidelijke richting, is het beangstigend leeg. Een fel licht schijnt je tegemoet. Ineens rijdt de camera een kale vlakte op, draait naar links en toert over het Waterlooplein of wat daarvan over is. Rond de Mozes en Aaronkerk houdt hij abrupt stil. We vangen nog een glimp op van het toenmalige Maupoleum. Van der Elksen mompelt iets in de trant van “In dit deel van de stad zijn hele verschrikkelijke dingen gebeurd. Ik zal daar verder niet op ingaan. Waarom moet hier nou een stadhuis verrijzen? Ze hadden toch beter dat stadhuis op de Dam in ere kunnen herstellen?” Dat was in 1983. Was hij destijds naar het IJ gereden, dan hadden we nu opgelucht kunnen ademhalen. Maar nee, de woede richtte zich in 1983 op die Stopera. Zijn woorden echoën nog na.

Tagged with: