Stapje terug voor de masterplanner

On 29 juni 2012, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Emergence’ (2001) van Steven Johnson:

Waar de ontwerpteams die meedoen aan de Moscow Competition afgelopen weekeinde ook bezwaar tegen maakten, was het voornemen van de opdrachtgever om de voorgestelde verkeersoplossingen in het rekenmodel van de stad te stoppen, om te kijken of de voorstellen ook werkelijk tot oplossingen zullen leiden. Immers, het probleem van de verkeerscongestie is het grootste probleem van Moskou. Nog altijd is de modal split gunstig: 70 procent van de bewegingen in Moskou is met openbaar vervoer, dankzij de uitstekende metro. Maar het autogebruik groeit snel en de Moskouse metro puilt uit. Elk team is daarom uitgerust met een verkeersexpert, dus zoiets zou toch moeten kunnen. Niet dus. De ontwerpers wierpen tegen dat hun ontwerpen zo niet waren bedoeld. Echt serieus werk zou veel meer tijd, energie en inspanning vergen. Hun oplossingen variëren van benutting van de spoorring rond Moskou voor personenvervoer in plaats van goederenvervoer, afleiding van het goederenvervoer via aparte, nieuw aan te leggen systemen, een netwerk van hogesnelheidstreinen rond Groot Moskou met nieuwe stations op afstand, metroverbindingen tussen de vier vliegvelden, toevoeging van ringen van autosnelwegen, ondergrondse railverbindingen tussen twee of meer van de negen stations die een knoop vormen onder het voormalige hotel Russia naast het Kremlin, alwaar een nieuw ondergronds station is gedacht.

Mooi hoe Steven Johnson, een Britse natuurkundige, zulke verkeerstechnische oplossingen ooit typeerde. In ‘Emergence’ (2001) schrijft hij helemaal op het eind: “For decades, urban engineers have built evermore-complicated systems to direct the paths of automobiles through congested city streets, by observing the patterns of traffic and tweaking the stoplights and street directions where rpoblems arose.” Echter, voegt hij daaraan toe, stadsverkeer is een probleem van georganiseerde complexiteit, dat het beste benaderd kan worden met bottom-up oplossingen, niet door top-down maatregelen. Files zijn een ruwe vorm van emergent gedrag, maar ze zijn jarenlang bestreden met kostbare ingenieursoplossingen. Om een oplossing te vinden moet juist de masterplanner een stap terugdoen. Gewoon de verkeerslichten slimmer afstellen door ze informatie te geven over ongelukken en opstoppingen, en je bent van al je files af. “You can conquer gridlock by making the grid itself smart.” Lijkt me een advies voor Moskou dat ze daar beter niet in de wind kunnen slaan.

Tagged with:
 

De slag om Moskou

On 28 juni 2012, in duurzaamheid, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 23 juni 2012:

Niet de verplaatsing van het federale centrum naar de Moskouse periferie an sich is de steen des aanstoots in de Moscow Competition. Veeleer gaat het om het categorisch afwijzen door de opdrachtgever van een compacte stad-strategie voor de Russische hoofdstad. Of, zoals een Russische expert het afgelopen week opmerkte: waarom is het oude Moskou in het ontwerp van OMA een donkerblauw gat, terwijl de buitenste ringzone helwit oplicht? De meeste experts prefereerden een strategie die tot grotere dichtheid leidt en die het bestaande weet te waarderen. Jammer was het daarom dat Vincent Fouchiers presentatie over de recente OECD-conferentie in Parijs inzake compacte stadstrategieën op de tweede dag van deze vierde ronde niet doorging. Fouchier bleek verhinderd. In plaats daarvan kregen we opnieuw een presentatie van CEO Philippe Chiax over het Parijse La Défense. Op zichzelf was die lezing niet slecht, maar hij ging voorbij aan de hele kwestie.

Op het eind van de conferentie kwam het tot een ontlading, toen de opdrachtgever een gedetailleerd ontwerp voor het federale centrum in de zuidwestelijke periferie eiste, terwijl de experts in meerderheid zo’n nieuw centrum aan de buitenkant van de agglomeratie afwijzen. Naar wie moesten de ontwerpteams luisteren? Zeker toen de opdrachtgever dreigde de ontwerpers niet te betalen als ze het gevraagde werk niet leverden, ontstond er tumult in de zaal. Er werd geciteerd uit de contracten, die zo’n gedetailleerd ontwerp voor het federale centrum niet eisten. Ook voelde men zich overvallen door het politieke besluit van afgelopen maand waarbij een plek buiten Moskou, in het zuidwesten, was aangewezen waar het allemaal moet gebeuren, in plaats van af te wachten wat de ontwerpers zouden adviseren. In alle emoties ging men voorbij aan de argumenten die een compacte stadbenadering legitimeren. Een hogere dichtheid kwam niet echt aan bod en het argument van duurzaamheid werd niet één keer gebruikt. Dat mensen liever in oude, complexe, gelaagde steden wonen dan in nieuwbouw, het werd niet opgemerkt. Het deed me denken aan de opmerking van het Ostozhenka-team over het door Moskou geannexeerde gebied in het zuidwesten: de slag om Moskou werd hier ooit gestreden. Net als tijdens de Tweede Wereldoorlog blijkt sector nr. 8 ook nu de plek van de grote ommekeer. Zal hier Moskou worden bevrijd?

Tagged with:
 

Een vreemd soort unanimiteit

On 27 juni 2012, in internationaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 22 juni 2012:

Opnieuw konden de experts hun stem uitbrengen op de negen ontwerpteams die een plan ontwikkelen voor Groot-Moskou. We hebben het over de Moscow Competition. Het  hele expert-team telt zo’n veertig leden, afkomstig uit alle geledingen van de plannersgemeenschap in Moskou, aangevuld met enkele experts uit Parijs, Madrid, Berlijn en Amsterdam. Iedere expert gaf een cijfer. Zij kozen in meerderheid voor het plan van het Chernikhov-team. Nummer twee werd het Rotterdamse OMA. Andrej Chernikhov en zijn mensen wijzen het voornemen van de Russische regering af om het machtscentrum uit het hart van Moskou naar de zuidwestelijke periferie te verplaatsen. In plaats daarvan stelt het team voor een locatie te kiezen aan de Moskva rivier, midden in de stad. Chernikhov gelooft namelijk niet dat het verhuizen van 15.000 bureaucraten bijdraagt aan het oplossen van het congestieprobleem van Moskou. Ook weerspreekt het team het uitgangspunt van een hoge bevolkingsprognose. De Moskouse bevolking zal veeleer stabiliseren en vergrijzen. Er zal daarom vooral moeten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van leven in de stad, minder in nieuwbouw aan de randen. Ook gelooft het niet in een sprong naar high tech. Daarvoor is de achterstand ten opzichte van de rest van de wereld te groot. Wetgeving is nodig om de industriële zones binnen de stad aan te pakken en schoon te maken. In het zuidwesten zou een lineaire stad volstaan, misschien een polycentrisch systeem van clusters.

Het laagst scoorden het Amerikaanse team uit Pittsburgh, het Italiaanse team van Bernardo Secchi en het Franse L’AUC. Waarom? Er lijkt maar één duidelijke reden. L’AUC gelooft dat de groei van de zuidelijke periferie onvermijdelijk is en stelt hier een lineaire stad voor, bedoeld voor leefstijlen die alle ex-urbaan van karakter zijn. Het komt met omvangrijke, zeer dure transportsystemen om deze periferie te bedienen. Ook Secchi volhardt in een omvangrijk programma aan de zuidwestkant, die zij op één noemer plaatst met le Corbusier’s Chandigarh in de Punjab. Dit nieuwe centrum beschrijft dit team in termen van ‘civic magnificence’. Het Urban Design team uit Pittsburg ten slotte kiest voor een pragmatisch New Urbanism programma dat weliswaar de bestaande kwaliteiten van Moskou waardeert, maar dat het regeringscentrum toch helemaal naar buiten verplaatst, te koppelen aan een aantal nieuwe campussen. Dus wat is de reden? Oppositie tegen de verplaatsing van het regeringscentrum lijkt een doorslaggevende rol te hebben gespeeld in de waardering van de experts. Een vreemd soort unanimiteit lijkt zich van hen te hebben meester gemaakt, ook al riep de organisatie op om vooral onafhankelijk te stemmen. De ontwerpers maken zich nu op voor het maken van ontwerpen voor het nieuwe regeringscentrum op de inmiddels door de regering bepaalde plaats, in het zuidwesten.

Tagged with:
 

Kapitaalstad

On 26 juni 2012, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 23 juni 2012

Hoe gezond is de economie van Moskou? Natalia Zubarevich, verbonden aan het Independent Institute for Social Policy in Moskou, sprak afgelopen zaterdag over, wat ze noemde, ’some unpleasant numbers for you’ tijdens de vierde ronde van de Moscow Competition, de besloten prijsvraag voor het masterplan van Moskou. De Russische hoofdstad, aldus de economisch geografe, herbergt een topconcentratie van bedrijven die weliswaar in Moskou belasting betalen, maar die hun geld elders verdienen. Alle grote gas- en oliebedrijven van Rusland zijn bijvoorbeeld in Moskou gevestigd. Op papier wordt 24 procent van het Nationaal Inkomen in de hoofdstad verdiend, terwijl slechts 10 procent van de Russische bevolking in Moskou woont. Veertig procent van alle Russische importen verloopt via Moskou. Op papier kent Moskou nog relatief veel industrie, maar de werkelijkheid is anders. Moskou is een echte postindustriële stad. Zubarevich noemde de cijfers “a shaky foundation for development.”

Tijdens de crisis werd Moskou ook het zwaarst getroffen. De buitenlandse investeringen lopen er fors terug. Andere streken in Rusland, zoals het Verre Oosten en Krasnodar, hebben onder de financiële problemen veel minder te lijden. Niet dat Moskou arm is, integendeel. De staat en de stad blijven gewoon in de hoofdstad investeren. Zeker 43 procent van alle investeringen zijn afkomstig van de gemeentelijke overheid. Dat komt doordat de gemeentelijke belastinginkomsten door de vele in Moskou aanwezige bedrijven royaal worden gevoed. “Also the federal budget ships in.” Volgens Zubarevich is dit niet goed voor de stedelijke economie. Bovendien geeft dit in de rest van Rusland scheve ogen. Moskou kent een kunstmatige economie die typisch is voor hoofdsteden en die sterk door kapitaalrente wordt gedreven. Moet je in zo’n situatie als stad in de verplaatsing van het regeringscentrum naar buiten, zoals de huidige regering wil, instemmen en ook willen mee investeren? Zo’n operatie is uiterst kostbaar en het zijn allerminst productieve investeringen. Ondertussen moeten de groeiende pensioenen van de ouder wordende bevolking worden betaald. De vermogensbelasting is verlaagd, het mes gezet in het woningonderhoud, de sociale uitkeringen gereduceerd met 42 procent. Tot zover econome Natalia Zubarevich. De ingenieur Blinkin bleek vervolgens te hebben uitgerekend wat de nieuwe infrastructuur naar het federale centrum zou kosten: minimaal 15 miljard. Het budget van de stad reikt niet verder dan 7 miljard. De onderhandelingen met de staat kunnen beginnen.

Tagged with:
 

Blue Lab

On 21 juni 2012, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Weekend van 31 maart 2012:

The House of Denim is een platform-in-oprichting rond denim – spijkerstof – in en rond Amsterdam. Ik sprak laatst een van de oprichters, Mariette Hoitink van HTNK. Haar partner in crime is James Veenhoff. Ze vertelde me dat er opvallend veel maakindustrie rond denim in Amsterdam te vinden is. Ze sprak zelfs van ‘Amsterdam Denim Capital’. Niemand in Amsterdam weet het, en echt verklaren kan ze het ook niet, toch is het zo. Gek dat juist het buitenland dit opmerkelijke feit wèl beseft. Hoitink wees me op het gegeven dat Nederland groot is geworden in de textiel. In de Quoto 500 zijn het de textielbaronnen die nog altijd de lijst aanvoeren. Omdat ik waarschijnlijk nog steeds ongelovig keek, wees ze door het raam, naar buiten. Hier om de hoek, gebaarde ze, zit G+N. Zij maken gluejeans – gelijmde spijkerbroeken, een Amsterdamse vinding. Geweldige technologie, nieuw design. En zo zijn er veel meer bedrijven. The House of Denim zal bestaan uit vier instituten: een opleidingsschool, een R&D centrum, een museum/galerie/archief/winkel rond denim en de Demin Union, een netwerk van liefhebbers van denim en labels. De school opent binnenkort aan de Europaboulevard.

Dat de Amsterdamse denimbedrijven groot kunnen worden, bewijst G-Star. In NRC stond laatst een portret. Oprichter Jos van Tilburg begon ooit met bewerkte, oud gemaakte jeans. In 1996 zette hij in op ongewassen, donkere spijkerbroeken nadat hij deze trend had opgemerkt in Tokio. Hij doopte zijn oude merk Gapstar om in G-Star. Elwood werd zijn eerste echte broek. Aanvankelijk verkocht die niet en moesten mensen erom lachen; inmiddels heeft hij er 13 miljoen exemplaren van verkocht. Het jeanslabel heeft nu 6.000 verkooppunten in 70 landen en zette vorig jaar 780 miljoen euro om. Er zijn wereldwijd 303 G-Starwinkels. Die zitten enkel in de grote wereldsteden. De flagship store zit in de Amsterdamse PC Hooftstraat. Op het hoofdkantoor in Amsterdam Zuidoost werken 600 mensen. In totaal heeft G-Star 1000 mensen in dienst. Rem Koolhaas bouwt op dit moment het nieuwe hoofdkantoor. En dan te bedenken dat, naast G-Star, nog tal van grote en kleine modebedrijven in het Amsterdamse met spijkerstof werken. De totale omzet van denim in en om Amsterdam komt jaarlijks neer op 3 miljard euro. Vanuit The House of Denim zal deze jeanswereld nog veel groter, duurzamer en geavanceerder worden gemaakt. Wie had het over een nieuwe Nederlandse industrialisatiepolitiek?

Tagged with:
 

Urban feel

On 20 juni 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Volkskrant Magazine van 26 mei 2012:

Sportscholen opgelet, jullie krijgen concurrentie van de stad. Uit Volkskrant Magazine begrijp ik dat in steden als New York, Chicago en San Francisco de mensen op grote schaal de sportscholen verruilen voor de straat. Het is de nieuwste trend. De sporters combineren hardlopen met krachtoefeningen in de buitenlucht: door buizen kruipen, over wegversperringen springen, trappen oprennen, over auto’s klimmen. Mensen hebben inmiddels door dat je geen ingewikkelde apparaten nodig hebt om je lijf te trainen en dat de stad zelf daarvoor voldoende mogelijkheden biedt. Het blad ‘Men’s Health’ heeft daartoe de ‘Urbanathlon’ bedacht: een parcours van 12 kilometer hardlopen met veel obstakels onderweg. Het gaat om obstakels die horen bij de urban feel. “De Urbanathlon is al in meerdere wereldsteden populair.” In september wordt er een gehouden in Amsterdam.

Veelal rennen de sporters in groepjes. Het is geen duurprestatie. De oefeningen zijn ook leuk en komen meer overeen met natuurlijke bewegingen. Zoals: over banken springen, zigzaggen door een rijtje paaltjes, hangen in een fietsrek, rennen met zandzakken, over muurtjes klauteren, onder een hek doorkruipen. Met zulke oefeningen kom je uit bij de essentie van bewegen waar je ‘verbluffend fit’ van wordt. VK Magazine citeert Erica Bakker die tweemaal in de week de trainingen verricht: “We rennen dwars door Amsterdam en doen dingen waar ik zelf niet op zou komen. Op handen en voeten de tientallen trappen af kruipen bij het technologiemuseum Nemo bijvoorbeeld.” Het gaat allemaal weer een stap verder dan joggen. Mij lijkt het leukste ervan dat je met Urbanathlon de stedelijke ruimte op een totaal andere manier ervaart. Niet meer als dreiging of verstopping, maar als te nemen hindernis en geweldige uitdaging. Ongepolijst, pretentieloos, grappig, effectief. En je doet het met vrienden.

Tagged with:
 

Wel een stad, nog geen magie

On 19 juni 2012, in politiek, sport, by Zef Hemel

Gehoord op 18 juni 2012 in Rotterdam:

Terwijl Nederland nog zijn wonden likt vanwege de uitschakeling in de eerste ronde van het EK voetbal, verzamelt een klein gezelschap liefhebbers zich in het Nederlands Architectuur Instituut om over het onderwerp ‘Olympic Cities’ te spreken. Het Amsterdamse Architectenbureau XML presenteerde daar maandagavond een helder onderzoek naar Olympische kandidatuur van steden elders in de wereld en plaatste daarmee een eventuele Nederlandse kandidatuur voor 2028 in een internationaal perspectief. Het betrof de kandidaturen van Madrid, Istanbul, Doha en Tokio (2020) en Durban en Cape Town in Zuid-Afrika (2024). Nederland bleek de enige te zijn die decentrale spelen voorstelde, alle andere hadden compacte spelen op het oog. Zelfs de straal van 50 kilometer waarbinnen alle onderdelen van de spelen volgens het IOC georganiseerd moeten worden, werd in de Nederlandse modellen genegeerd. Het Nederlandse mantra ‘Je kan het nooit alleen’ had kennelijk tot die energievretende, onhandige en niet te beveiligen spelen geleid. XML noemde het een typisch staaltje Nederlandse ruimtelijke ordening. En zeg nou zelf, de complete spelen passen makkelijk op een oppervlak ter grootte van het Amsterdamse Bos. Buiten Amsterdam hoef je in principe niets te organiseren.

Opvallend was ook de kennelijk heimelijke afspraak dat we alleen maar over de kandidatuur van Nederland mochten spreken. Het land Nederland werd dus vergeleken met steden elders in de wereld. “Het IOC eist een stad, niet een land,” merkte XML nog in de zijlijn op, maar niemand had veel zin om daarop te reageren. De vermoeidheid sloeg al helemaal toe toen XML op het eind weer drie nieuwe modellen voor Nederlandse Spelen introduceerde. Dat mocht dus niet, dat was tegen de afspraak. De treurnis rond de verdeling van de Olympische infrastructuur hadden we net achter de rug en was ons slecht bekomen. Het laatste sprankje hoop verdween toen panellid Sjors de Vries zelfs Europa geen schijn van kans meer toedichtte. Het werd me in Rotterdam volkomen duidelijk. Nederland tobt vooral met zichzelf en is absoluut niet klaar voor de Spelen. Er is geen momentum. De kandidatuur valt alleen te winnen wanneer er een grote stad is die magisch aanvoelt, die een belangrijke boodschap voor de wereld in petto heeft en die gezegend is met charismatische politici die wereldwijd aanspreken: Mandela, Blair, Lula. In Nederland is van dat al geen sprake.

Tagged with:
 

Dure lessen uit Valencia

On 18 juni 2012, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 februari 2012:

Nog niet zo lang geleden gingen Nederlandse bestuurders, architecten en ontwikkelaars gebroederlijk op excursie naar Valencia, Spanje. De Spaanse kuststad was, net als Bilbao, een voorbeeld van hoe je een perifeer gelegen regio krachtig kunt opstoten in de vaart der volkeren door veel dure infrastructuur aan te leggen, grote musea, parken, voorzieningen te bouwen, alles onder architectuur. Langs de hele kuststrook verrezen in korte tijd pretparken, hotels, vakantieresorts, congrescentra, een Formule 1-circuit en een vliegveld. Veel Nederlandse regio’s waren in zo’n regionaal succesverhaal geïnteresseerd en spiegelden zich graag aan de ondernemende Spanjaarden. Nu, tijdens de crisis, blijkt dat achter al die glanzende facades enorme corruptie schuilging en dat de voorspelde groei een wel heel dure wensdroom was. Valencia heet nu ‘het Griekenland van Spanje’. De regio wordt beschuldigd van jarenlang financieel wanbeleid. Het zou gaan om een bedrag van niet minder dan 60 miljard euro. Alleen al het nieuwe vliegveld kostte de belastingbetaler 150 miljoen euro, maar er is nog geen vliegtuig geland. De regio koerst af op een volledig bankroet. Madrid zal zeker ingrijpen.

Om alle ambities te realiseren had de centrumrechtse regering van Valencia de eigen bureaucratie stelselmatig afgebroken. Daarvoor in de plaats had ze publieke bedrijven en stichtingen in het leven geroepen die de overheidstaken beter en goedkoper zouden uitvoeren. NRC: “In werkelijkheid bleken ze vooral nuttig om makkelijker de begrote projectkosten te kunnen overschrijden en schulden te maken, zonder bemoeienis van het regioparlement of Madrid.” Ander ‘voordeel’, aldus de krant, was dat in de directies en besturen goed betaalde baantjes weggegeven konden worden aan vrienden en zakenrelaties. Ondertussen gingen de belastingen omlaag. Hierdoor kon de partij jarenlang stevig in het zadel blijven. De crisis heeft in deze regio echter zwaar huisgehouden en aan alle gouden dromen op slag een einde gemaakt. De meeste bouwprojecten blijken achteraf niet rendabel. “Ze schijnen bovenal vehikels te zijn geweest voor politici, bouwbedrijven en projectontwikkelaars om elkaar miljoenen toe te spelen.”  Ik hoop dat Nederlandse bestuurders hier kennis van hebben genomen en er lering uit zullen trekken, meer lering in ieder geval dan in die gouden jaren.

Tagged with:
 

Jazz of marsmuziek?

On 15 juni 2012, in planningtheorie, politiek, technologie, by Zef Hemel

Gehoord op 14 juni 2012 in Amsterdam:

Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut, hield gisteravond een lezing over ‘Stedelijke Vernieuwing in de improvisatiemaatschappij’. Hij deed dat tijdens de jaarvergadering van het algemeen bestuur van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing bij Stadgenoot in de Sarphatistraat in Amsterdam. Voor zijn lezing putte hij rijkelijk uit zijn recent verschenen boek (‘De improvisatiemaatschappij’, 2011). Wat hij vooral deed was een diagnose stellen van onze tijd, die hij als ‘een ander type wereld’ typeerde. Die wereld was niet meer solide, wel complex, in hoge mate netwerkachtig, richtingloos. Hij sprak van ‘complexiteit zonder richting’. Veel mensen ervaren haar als chaotisch en verwarrend. Enerzijds lijkt zij overgereguleerd, anderzijds moeten mensen juist meer zelfredzaam zijn. Toch kent die nieuwe wereld meer structuur – een hogere organisatiegraad – dan wij denken. Boutellier vergeleek haar met een zwerm spreeuwen. Hij sprak van ’small worlds in a big society’. Aan de basis van deze complexe wereld zonder richting legde hij het internet, dat informatie, contacten, personen van over de hele wereld samenbrengt in een klein doosje: een computer op zakformaat die iedereen bij zich draagt.

Boutellier sprak niet over steden, wel over instituties. Geen wonder, want de hele zaal zat vol met vertegenwoordigers van bekende instituties. Die reorganiseren zich suf, om alle veranderingen bij te benen. Helpen doet het allemaal niet. Stuk voor stuk verkeren ze in een permanente crisis. Zelfs de rechterlijke macht staat op zijn grondvesten te schudden. Boutellier adviseerde de instituties om terug te keren naar hun kern en zich af te vragen waartoe ze op aarde zijn. Het deed me denken aan de kerntakendiscussie van jaren geleden. Maar bij Boutellier paste het in de behulpzame metafoor van de jazzimprovisatie. Wat we het beste kunnen doen in deze verwarrende situatie, zei hij, is leren improviseren, ons sterker richten op de buitenwereld, ons eigen instrument goed bespelen, een helder thema kiezen, niet teveel kaders stellen, experimenten toelaten, lichte vormen van leiderschap introduceren, dialoog, fysiek contact, plezier beleven aan het samenspel met anderen. Zijn voorstel riep als vanzelf bij de zaal het verleidelijke alternatief op van de sterke staat die volgens Singaporees model een duidelijke koers bepaalt en iedereen daarin meeneemt. Bernard Wientjes. Maxime Verhagen. Een sterke man. Een heldere lijn. Niet links, niet rechts, maar recht door zee. Boutellier leek er verlegen mee. Jazz of marsmuziek? Het wereldwijde web mag het zeggen.

Sewage gardens

On 14 juni 2012, in voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 4 november 2011:

Elke dag verliest Nederland 17,5 hectare landbouwgrond. Elke dag zijn er zes boeren minder. Telde ons land in 1960 nog 270.000 boeren, nu zijn er nog amper 68.000 agrariërs over. Toch neemt de agrarische productie nog steeds toe. Die vindt in toenemende mate plaats in kassen. Die kassenverbouw is echter sterk afhankelijk van olie en aardgas en ook van schaars wordende fosfaatertsen. Veel van ons voedsel wordt bovendien geïmporteerd dankzij een transportsector die al even afhankelijk is van olie. Een artikel van Sietz Leeflang en Jan Willem van der Schans in NRC Handelsblad luidde een tijdje geleden de noodklok. Leeflang is voorzitter van De Twaalf Ambachten, Van der Schans is onderzoeker aan de Wageningse Landbouwuniversiteit. In hun artikel stellen ze dat wij ons niet langer buiten de natuurlijke kringloop van onze planeet kunnen plaatsen. Hun argumenten klinken plausibel. Maar worden zij gehoord?

In hun artikel schrijven ze over de herontdekking van natuurlijke hulpbronnen die in stedelijk afval zitten en die heel goed zouden kunnen worden aangewend door de Nederlandse land- en tuinbouwsector. De landbouw ontbeert echter deze waardevolle grondstoffen omdat ze via het riool worden afgevoerd. In Amsterdam wordt het rioolslib zelfs verbrand. “Dit is verspilling, zeker nu verantwoorde recycling tot compost mogelijk is, die ook voor aanmerkelijke structuurverbetering van landbouwgrond kan zorgen.” Daarom stellen ze voor om over te stappen op zogenaamde ‘kringlooplandbouw’. Die bestaat uit stadsgerichte boerenbedrijven in groene zones rond de grote steden. Ze spreken zelfs van een ‘eetbaar metropolitaan landschap’. Hun voorstel herinnerde me aan de lezing van Susan Taylor, onlangs in Washington gehouden, over de zogenaamde ‘sewage gardens’ die ten tijde van Baron Haussmann in een zone rond Parijs werden aangelegd. De lozingen uit het pas aangelegde riool – destijds een technisch hoogstandje van de stadsingenieurs – werden daar gebruikt voor bemesting van tuinbouwgrond via uitgekiende irrigatietechnieken, alles speelde zich net buiten de vestingmuren van Parijs af. Emile Zola heeft ze nog in een van zijn romans beschreven. Ze lagen bij Batignolles, op de plaats waar nu een park aangelegd wordt. U moet het maar nalezen. Lijkt me overigens echt iets voor de volgende Floriade. Het komt allemaal terug. Als een echte kringloop.

Tagged with: