Fraaie nutteloosheid

On 31 mei 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Kevin Kelly, auteur van ‘De wil van technologie’, beschrijft het technium – het geheel van technologieën in de wereld – als een complex systeem met landbouw als basistechnologie, met infrastructuur als goede tweede en met steden als derde belangrijkste technologie. Elke technologie, schrijft hij, streeft naar alomtegenwoordigheid. “Bij de knooppunten van wegen die zich als een wijdvertakte mantel rond de continenten buigen, staan schitterende steden van steen en silicium die de materiaalstromen zo hebben gekanaliseerd dat een groot deel van het technium via hen circuleert.” Kelly spreekt van “rivieren van voedsel en ruwe materialen” die naar de steden stromen en van afval dat er weer uitstroomt. “Iedere bewoner van een ontwikkeld stedelijk gebied verplaatst jaarlijks twintig ton materiaal.” Nog zo’n opmerkelijk gegeven: “In stedelijke gebieden overal ter wereld is de snelheid toegenomen waarmee nieuwe technologieën zich tot het verzadigingspunt verspreiden.” Grote aantallen van een bepaalde technologie doen nieuwe systemen ontstaan die hun eigen dynamiek genereren. “Alomtegenwoordigheid verandert alles telkens opnieuw.”

Binnenkort zullen er op aarde zoveel steden zijn dat vermoedelijk een heel nieuw systeem zal ontstaan. Schrijft Kelly hier iets over? Wel schrijft hij dit: “Een technologie die alomtegenwoordig wordt, verdwijnt meestal uit het zicht.” Daarop noemt hij het voorbeeld van motoren. Eén kamer van zijn huis alleen al bevat twintig motoren. Maar ook elektriciteit, papier en katoen zijn alomtegenwoordig en worden nauwelijks meer opgemerkt. Zullen onze steden ook uit ons bewustzijn verdwijnen? Wanneer Kelly de schoonheid van technologie beschrijft ga je daaraan twijfelen. Oude, gelaagde, complexe steden, schrijft hij, vinden wij het mooist. Jonge steden vinden we steevast lelijk. “De schoonheid van de evolutie heeft ons in haar ban.” Daarom vinden we de natuur doorgaans ook mooi: omdat ze oud, complex en gelaagd is. Technologie, aldus Kelly, wil niet alleen maar nuttig zijn. Ze wil kunst worden, zebwil mooi en nutteloos zijn. Ik moest onmiddellijk denken aan steden als Venetië, Rome, Florence en ook wel Amsterdam. Allemaal steden die als grote kunst ogen, die extreem mooi en tegelijk nutteloos zijn. Elke stad in de wereld streeft naar dat stadium in de technologische evolutie. Kelly: “We zullen lyrisch praten over de charmes van een bepaalde technologie en ons vergapen aan de subtiliteit ervan. We zullen onze kinderen ermee naartoe slepen en de imposantheid ervan zwijgend bewonderen.” Beschrijft hij hier niet gewoon toerisme?

Tagged with:
 

Het einde van de politiek

On 30 mei 2012, in participatie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Afgelopen donderdagavond sprak op uitnodiging van Hare Majesteit in het Paleis op de Dam de CEO van Google, Eric Schmidt. De hoofdlijn van zijn lezing, getiteld ‘The Internet in the past, present and future’, was spannend en eenvoudig te volgen. De komende tien jaar zal het aantal gebruikers van internet wereldwijd stijgen van de huidige twee miljard naar liefst zeven miljard. De technologie wordt sneller, beter en goedkoper. Een ongehoorde collectieve intelligentie zal zich meester maken van de planeet aarde. Het web bevrijdt alle mensen, het belooft grote openheid. “To connect people is to free people.” Vooral de enorme groep achtergestelden in de wereldsteden – in de termen van Schmidt ‘the inspiring majority’- zal van het web gaan profiteren. Het wordt, belooft hij, ‘earth shattering’. Weliswaar zullen de maatschappelijke verschillen, wereldwijd, groter worden, maar de vooruitgang voor iedereen ligt in het verschiet. Schmidt toonde zich erg optimistisch, al zag hij ook gevaren. Hij noemde er drie: ‘cyber crime’, ‘lack of privacy’‘ en de onvoorspelbare reactie van overheden. Die laatste konden wel eens besluiten het internet minder vrij en open te maken. Echter, het zal de opmars van het web niet kunnen stuiten. “Internet is like water”, op termijn zal internet ervaren worden als elektriciteit – als iets dat overal in overvloed aanwezig is.

Op de bevrijdende werking van internet gaat ook Kevin Kelly, mede-oprichter van Wired’,  in in zijn nieuwste boek. Eigenlijk geldt dit – die toenemende vrijheid – voor alle technologieën, zo stelt hij. “Het technium breidt eerst het scala aan mogelijke keuzes uit en vervolgens het scala aan mogelijke beslissers die keuzes kunnen maken. Hoe krachtiger een nieuwe technologie is, hoe groter de nieuwe vrijheden die ze ontsluit.” Technologische ontwikkeling vergroot dus onze persoonlijke vrijheid, tegelijk vergroot ze de mogelijkheden tot samenwerking. Vroeger was een samenwerking tussen miljoenen mensen logistiek lastig te verwezenlijken. Nu niet meer. We zijn nu in staat om samen encyclopedieën te maken, videoarchieven aan te leggen en software te realiseren. “Kunnen we op dezelfde manier bruggen, universiteiten en nieuwe steden bouwen?” Voor Kelly is dit bijna een retorische vraag. Vroeger hadden we regeringen nodig, schrijft hij, nu steeds minder. Lange tijd vertrouwden we, in plaats daarvan, op de vrije markt. Binnenkort zullen we onze collectieve wensen realiseren door samenwerking. Dankzij de samenwerkingstechnologieën van het wereldwijde web en de zeven miljard mensen die er dagelijks gebruik van zullen maken. Schmidt noemde de nieuwe generatie studenten als voorbeeld. Zij staan op en zijn online, tot ze uiteindelijk gaan slapen. Zo zal iedereen straks leven. Het eindstadium voor de mensheid wordt: vrijheid en samenwerking. Je hoeft er geen politieke partij meer voor op te richten. Het komt vanzelf.

Tagged with:
 

African Queen, Rosy Dimple

On 25 mei 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 mei 2012:

Afgelopen dinsdagmiddag plantten vele enthousiaste vrijwilligers honderden zomerbloeiers in de spoorberm bij station Bullewijk in Amsterdam Zuidoost. Een mooie foto van Klaas Fopma stond afgelopen woensdagavond in Het Parool. De strook waar het om gaat bevindt zich aan de rand van Amstel III, het grote kantorengebied aan de spoorlijn naar Utrecht. Initiatiefnemer is Saskia Beers, ondernemer en eigenaar van Glamourmanifest. Met haar onderneming wil ze – van huis uit architecte – de transformatie van de leegstaande kantoren in het werkgebied een impuls geven. De leliebollen – met namen als African Queen, Rosy Dimple, Pearl Loraine – waren afkomstig van Lily Company uit Andijk en de stichting Seed Valley in Noord-Holland Noord. De grond werd vooraf licht geprepareerd door de gemeente; daarna konden de vrijwilligers hun gang gaan. Het vrolijke plantfestijn werd afgesloten met het drinken van champagne. Komende zomer zullen de bermen langs het spoor fraai in bloei staan met lelies uit Noord-Holland. Op deze manier is op een bijna guerilla-achtige wijze inhoud gegeven aan wat mensen straks kunnen verwachten van Floriade 2022, als de Nederlandse Tuinbouwraad dit najaar tenminste kiest voor Amsterdam als toekomstige locatie. Het betreft een unieke samenwerking tussen ondernemers uit de Nederlandse tuinbouwsector en prettig gestoorde stedelingen. Stad en land weer verenigd.

Wat Beers doet is natuurlijk gewoon ondernemen. Ze makelt tussen ontwikkelaars, gebruikers en pandeigenaren om transformatie in leeg vastgoed op gang te brengen. Daaraan hoopt ze een centje te verdienen. De wijze waarop ze dat doet grenst echter aan kunst, want niet alleen de spontane plantactie van afgelopen dinsdag, maar ook het voordragen van gedichten door poetry pusher Justin Samgar tijdens Nationale Gedichtendag met megafoon voor de ingang van metrostation Bullewijk en het verspreiden van liefst honderd goudgekleurde tuinkabouters over het kantorengebied (“Handje nodig hier?”) waren eerder ook al haar initiatief. Steeds laat ze haar artistieke acties vergezeld  gaan van het drinken van champagne, want zakendoen is ook een beetje feestvieren. Vandaar Glamourmanifest. Beers laat zien hoe de nieuwe planning in zijn werk gaat: verbinden en ondernemen, maar ook inspireren, mensen aan het denken zetten en activeren. Beers werkt daarin nauw samen met de gemeente. Haar werk is door en door sociaal. Ze gebruikt de openbare ruimte om veranderingen op gang te brengen. Haar doel met Zuidoost is het maken van een mooi gemengd woon-werkgebied. Ze kan goed improviseren. Allemaal kenmerken van de nieuwe open planning. Volgen dus die vrouw!

Stedenbouwkundig exzeem

On 24 mei 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The City in History’ (1961) van Lewis Mumford:

Mijn afscheid van Washington DC ging gepaard met een haastig bezoek aan het graf van Pierre Charles L’Enfant. Het graf van de stedenbouwkundige, ontwerper van het grondplan van de Amerikaanse hoofdstad, bevindt zich op het hoogste punt van Arlington, vlak bij het graf van John F. Kennedy. Het uitzicht is adembenemend. Van die grote afstand is niet te zien dat de obelisk zich niet in de zichtas van het Witte Huis bevindt en dat er meer oneffenheden in het barokke assenstelsel vallen te bespeuren, alsof de stedenbouwkundige zich toch nog net heeft vergist. Het plan dateert van 1791, dat is ruim honderd jaar na Versailles. In die honderd jaar beleefde de westerse wereld zeker drie revoluties: de Engelse, de Franse en de Amerikaanse. De koning maakte plaats voor de gewone burger, het absolutistische gezag werd verruild voor de democratie. In dat opzicht is het al opmerkelijk dat de jonge Amerikaanse republiek een Franse ingenieur uitkoos om haar hoofdstad te ontwerpen en dat hij daarbij een vormentaal koos die rechtstreeks ontleend was aan die van oude despotische regimes. Het plan bestaat uit hele grote lanen en pleinen, een stratenplan ontbreekt nagenoeg, evenals gebouwen. Lewis Mumford verbaasde zich al over de verkwisting van ruimte. “Only a modern highway engineer, with his extravagant intersections, could compete with L’Enfant in this reckless wastage of precious urban land.”

Mumford legde ook uit waarom de obelisk niet in de as ligt. “The framework was there, but the contents were absent. For one thing was lacking: the power to execute the plan by building.” De plek van de nieuwe stad was bovendien ongelukkig gekozen, het betrof een moeras in de bocht van de Potomac river, en daardoor kon de zware obelisk bijvoorbeeld niet gebouwd worden op de plek die er aanvankelijk voor was bestemd. L’Enfant probeerde het terrein weliswaar naar zijn hand te zetten, maar wat de overheid naliet was de grond in eigendom nemen om het plan te realiseren. In plaats daarvan verkocht zij deze aan particulieren. Zelfs de McMillan commissie uit 1901 lukte het later niet om alle gemaakte fouten recht te zetten. “Planning and building, in Karlsruhe, Versailles, St. Petersburg, went hand in hand. Under the conditions that governed L’Enfant’s work, the paper plan had no influence whatever over the contents.” De Amerikaanse overheid koos voor het model van laissez-faire. Gevolg: “The landcape was filled with a spreading mass of urban flotsam and jetsam, cast overboard in the storm of capitalist enterprise.” In 1961, toen Mumford dit schreef, was laissez-faire uit de mode, maar in 2012, als u dit leest, beleeft laissez-faire weer een ware hausse. ‘Spontane’ en ‘organische’ stedenbouw is niet anders dan wat Mumford destijds afkeurend neerzette als ‘stedenbouwkundig exzeem’. In de naam van de vrijheid werd alle sublieme orde overboord gezet.

Tagged with:
 

What’s going on?

On 23 mei 2012, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Edge City’ (1991) van Joel Garreau:

Toen mijn vliegtuig de landing inzette boven Maryland ontwaarde ik de contouren van wat Washington DC moest zijn. Die contouren leken ongedefinieerd, ze waren vaag verstedelijkt, half landelijk, half suburbaan. De autotocht van Dulles International Airport naar Georgetown voerde vervolgens een uur lang door bosachtig landschap, maar overal achter de struiken doemden anonieme kantoorgebouwen op. Niet dat Washington opvalt door echte hoogbouw, integendeel. De stad is juist laag gebouwd en eindeloos uitgestrekt. Washington zelf telt niet veel meer dan 570.000 inwoners, maar de regio is goed voor bijna vijf miljoen. De mensen die ik in Washington sprak – meest landschapsarchitecten – waren  unaniem in hun afkeurende oordeel over de stedelijke ontwikkeling: afgezien van het moordende klimaat met zijn vochtige drukkendhete zomer was de stad vooral intens lelijk geworden, want wat er de afgelopen dertig jaar in en rond Washington is gebouwd was naar hun oordeel vooral goedkoop, lelijk, van bordkarton, lukraak neergezet en eindeloos uitgestrekt.

Opeens herinnerde ik mij de laatste hoofdstukken uit Joel Garreau’s knappe studie van de Amerikaanse ‘Edge Cities’. Die gingen óók over Washington. De hoofdstad van de Verenigde Staten telde begin jaren negentig liefst zestien Edge Cities. ‘Edge Cities’ zijn moderne voorsteden die bestaan uit meer bureaus dan bedden, meer parkeerplaatsen dan huizen, steden met glazen atria en glimmende malls en eindeloos veel alleenstaande woonhuizen. In Tysons Corner bijvoorbeeld werken liefst 107.000 mensen, terwijl er slechts 17.000 mensen wonen. Dertig jaar eerder was het terrein nog weiland, korte tijd later bleek alles te zijn volgebouwd. Garreau voert de figuur van Till Hazel op, die als ontwikkelaar begin jaren tachtig aan de wieg stond van onder andere Tysons Corner, Virginia, en William Center. Hazel schroomde niet om voormalige slagvelden als die van Manassas – monumenten uit de Amerikaanse burgeroorlog – om te vormen tot ordinaire bedrijvenparken. Mensen reden indertijd door Washington met bumperstickers als ‘Have a Nice Day. Shoot a Developer.’ Garreau probeert de volkswoede te verklaren, zoals die tegen de shopping malls. Garreau: “Perhaps that is why the malls at the centers of our Edge Cities so frustrate us. The very moment they succeed in finding a way to help us express our individuality, their distributive function denies it – by spreading it nationwide.” Zou het werkelijk? Garreau schreef dit ruim twintig jaar geleden. Sindsdien is Washington alleen maar uitgestrekter geworden.

Tagged with:
 

Doorrijden!

On 16 mei 2012, in infrastructuur, openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 14 april 2012:

De wetenschappers uit Parijs met wie ik in Washington DC de woning deelde, zaten er vol van. Uiteraard had hun opwinding te maken met de Franse verkiezingskoorts aan de vooravond van de presidentsverkiezingen die later door Francois Hollande zouden worden gewonnen. Het betrof het plan van burgemeester Delanoë om de kades in de binnenstad van Parijs over een lengte van twee kilometer autovrij te maken. Delanoë, de bedenker van ‘Paris Plage’, had het idee op woensdag 14 april 2012 gelanceerd. Binnen twee jaar wil hij het verkeer over de linkeroever verwijderen en over de rechteroever sterk reduceren. Het gaat om een gebied van 15 hectare, waarvan 4,5 hectare helemaal zal toevallen aan de voetganger. Doel: de stedelijke luchtkwaliteit verbeteren en de openbare ruimte aantrekkelijker maken. Kosten: 40 miljoen euro. Ik begreep dat de presidentskandidaten zich erop hadden gestort, met felle voor- en tegenstanders. Op rechts was men uiteraard fel tegen, op links juist voor. L’APUR, het ontwerpbureau van de gemeente, had enkele impressies getekend van hoe de autoloze kades – de berges – eruit zouden kunnen zien. APUR had ook kunstmatige eilanden in de Seine getekend ter hoogte van de Eiffeltoren, met paviljoens erop en uitspanningen, deze waren onderling verbonden door bruggen. “Organisées autour de plusieurs pôles, dont la culture, le sport et la nature, ces nouvelles berges devraient aussi laisser une place aux espaces dédiés à la nuit," aldus de Parijse burgemeester.

Mijn Franse vrienden gruwden van het hele idee. Ze vreesden dat de binnenstad van Parijs nog meer uitgeleverd zal worden aan de toeristen. Vooral de eilanden met vermaak in de Seine stuitten hen tegen de borst. Daar gaat, voorspelden ze, Parijs later enorme spijt van krijgen. Afkeurend spraken ze van ‘Disneyficatie’ van heel Parijs en stelden hun linkse burgemeester ervoor verantwoordelijk. Op de website van Le Monde lees ik echter heel andere reacties. Iemand stelt daarop zelfs voor de autotunnel onder de Seine helemaal door te trekken naar de tunnel onder het Kanaal. Dan kan het Parijse autoverkeer in één ruk doorrijden naar Engeland. Zo ken ik de Fransen weer. In juni beslist de raad.

Tagged with:
 

Food for thought

On 15 mei 2012, in voedsel, by Zef Hemel

Gehoord op 5 mei 2012 in Washington DC:

De ochtend van de tweede dag van het symposium ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, was geheel gewijd aan Parijs. Al tijdens het ‘Ancien Regime’ waren de zogenaamde ‘kitchen gardens’ in en rond de Franse hoofdstad een bezienswaardigheid. De ‘Marais’ liepen in een band rond Parijs van het noorden naar het oosten, ze waren bestemd voor intensieve groenteteelt, op de zuidhellingen van de stad groeiden druiven. Florent Quellier van Université Francois Rabellais vertelde er het volgende over: “Not only were the Parisian kitchen gardens spaces of modernity, displaying technical advances such as fertilizing, climate control, and pruning techniques, they also illustrated the concept of urbanity and civility.” Kortom, innovaties in de land- en tuinbouw vonden in steden plaats, ze waren onderdeel van de beschaving, dit is trouwens van alle tijden. Soortgelijke innovaties behandelde Susan Taylor-Leduc van Trinity College in Parijs. Zij vertelde over de ‘jardin maraichers’ even buiten de vestingwerken in de negentiende eeuw, die het sterk vervuilde maar vruchtbare water uit de pas aangelegde riolering van Baron Haussmann gingen gebruiken voor bevloeiing van het land. “The concept of a circulus, an interconnected organic system, inspired 19th-century engineers, hygienists and chemists to industrialize the process of intensive fertilization practiced by market gardeners to irrigate land with non-human waste.” In 1893 werd bij Gennevilliers een ‘sewage farm’ gesticht die uiteindelijk tweeduizend ares land met stront bevloeide; jaarlijks werden daar meer dan 40.000 witte, groene en rode kolen geoogst, die buiten Les Halles aan de burgers van Parijs werden verkocht.

Het derde deel in de reeks Parijs-lezingen werd verzorgd door Meredith Tenhoor van Pratt Institute. Zij liet haar licht schijnen over de twintigste eeuwse voedselvoorziening van de Franse hoofdstad en andere Franse steden in de vorm van de naoorlogse ‘Marchés d’Interet National. De voedselmarkt van Rungis ten zuiden van Parijs was er een onderdeel van. De staat ontfermde zich over het voedsel, dat tot dan toe lokaal werd georganiseerd. Door deze grootschalige, aan de nationale spoorwegen gekoppelde marktplaatsen werd het Franse landbouwbedrijf en de organisatie van de steden totaal veranderd. Voedselproductie werd op slag grootschalig en industrieel. Het voedsel, zo centraal in het stedelijke leven, verdween in luttele jaren uit de stad en verschoof naar de periferie, het raakte uit het zicht van de burgers en maakte zowel voedselproductie als voedselconsumptie volkomen anoniem. Weg was het rijke culturele leven van de Parijzenaar waarin voedsel zo’n voorname rol speelde. Toch geloofde Tenhoor dat Rungis een nuttige rol kan spelen in een terugkeer naar duurzamer, meer lokaal georiënteerde voedselpatronen. Hoe precies, dat vertelde ze er niet bij. Het was een klein lichtpuntje in een verder somber stemmende ochtend.

Tagged with:
 

‘It is a shambles’

On 14 mei 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 12 mei 2012:

Van Jane Jacobs is de uitspraak: “Macro-economics – large-scale economics – is the branch of learning entrusted with the theory and practice of understanding and fostering national and international economies. It is a shambles.” Economische groei, aldus Jacobs in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1985), wordt niet door naties gemaakt, maar in steden. Macro-economen willen dat maar niet begrijpen. Ik moest eraan denken toen ik afgelopen zaterdag over de voorgenomen bezuinigingen van de gemeente Amsterdam in Het Parool las. De enige stedelijke economie die nog goed draait in dit land laat zich de maat nemen door Den Haag en conformeert zich aan andere steden die economisch veel slechter presteren, ze neemt zich voor tenminste evenveel te bezuinigen als de anderen. Met zichtbaar genoegen haalt journalist Karman de Rotterdamse wethouder financiën aan, die 2500 ambtenaren ontslaat en stevig bezuinigt op de gemeentelijke begroting. Over Amsterdam zou ze in De Telegraaf hebben gezegd dat die gemeente niet genoeg bezuinigt omdat de gemeenteraad er te tam is. “In Amsterdam heerst toch een andere politieke cultuur.” Volgens Karmans heeft de raad deze week de kans ‘zich te revancheren’. Alsof het een kampioenschap bezuinigen betreft. Alsof – om Jane Jacobs te parafraseren – de economische situatie in Rotterdam niet fundamenteel afwijkt van die in Amsterdam.

Als het gras te hoog wordt, knippen jullie het af. En gras dat slecht groeit, wordt juist bemest.” Die uitspraak deed diezelfde zaterdag Walter Lewin, hoogleraar kernfysica aan MIT in Boston, in NRC Handelsblad. Een ‘center of excellence’ is in Nederland niet mogelijk, stelt hij vast. “Men vindt dat een vies woord. Alles moet hier hetzelfde niveau hebben. Dat is jullie probleem. (…) Iedereen moet bij jullie gelijk zijn en gelijke kansen krijgen. Dan zet je in op de middelmaat.” Wat voor universiteiten geldt, geldt in Nederland ook voor steden. Wij staan niet toe dat sommige steden zich onderscheiden, dat de ene stad economisch beter presteert dan de andere. Zodra een stad het beter doet dan de andere, wordt hij geschoren. Het zit in onze cultuur. Het is een belangrijke reden waarom de open Nederlandse economie niet uit het dal zal klimmen zonder actieve hulp van buiten. Zelf kan, nee wil ze het niet. Daarom nog eenmaal Jane Jacobs: “The feedback seems to operate on the premise that people who relinquish the civilized art of maintaining creative cities are not to be entrusted with the risks of developing further. (…) Societies and civilizations in which the cities stagnate don’t develop and flourish further. They deteriorate.”

Tagged with:
 

Urban farming extravaganza

On 11 mei 2012, in voedsel, by Zef Hemel

Gehoord op 4 en 5 mei 2012 in Washington DC:

Een interessante bijdrage leverde ook Tal Alon-Mozes aan het congres ‘Food & The City’ op Dunbarton Oaks, Washington DC. Haar paper ging over Israelische voedsellandschappen in de twintigste eeuw. Minder bekend dan de roemruchte Kibbutzim waren de kleine stedelijke boerderijen in en rond Tel Aviv die voedsel leverden aan de Joodse migranten die zich vanaf de jaren ‘20 vestigden in Palestina. Als voorbeeld noemde ze Kiryat Avoda. Volgens de volkstelling van 1942 waren er 4669 kleine stadslandbouwbedrijfjes in Palestina. Hun agrarische activiteiten waren geïnspireerd door Ebenezer Howard’s idee van de ‘garden city’ en Leberecht Migge’s gemeenschapstuinen. Het waren vooral vrouwen die het tuinieren in praktijk brachten. Economisch stelde het volgens Alon-Mozes allemaal niet veel voor, maar in de opbouw van het land speelde het verschijnsel een uitermate belangrijke rol. Stadslandbouw werd zelfs een zeer prominent onderdeel van het eerste Nationale Masterplan voor de jonge staat Israel, door Arie Sharon opgesteld (1951). Alon-Mozes: “In nurturing a domestic vegetable garden, one was implementing the essentials of the nation’s revival: productivity, native connectedness to the land, independence and self-fulfillment.” Later zou stadslandbouw in de vergetelheid raken en geen rol meer spelen in de opbouw van het Joodse land.

Tal Alon-Mozes vertelde dat het idee van stadslandbouw ook in Israel weer een comeback maakt. Met name door NGO’s worden achtergestelde groeperingen aangespoord om zich door middel van tuinieren te emanciperen, vooral de recente migranten uit Ethiopië verbouwen hun eigen groente om te integreren in de harde Israelische samenleving. Wat me vooral bijbleef van haar paper waren de aspecten van stadslandbouw die minder met voedsel te maken hebben, maar veeleer met het sociale, zoals vrouwenemancipatie, onafhankelijkheid, zelfverwerkelijking en zelfvertrouwen. In Israel lijkt stadslandbouw vooral ideologisch ingegeven, en natuurlijk ook religieus. Althans, die indruk kreeg ik. Of vergis ik me? Op een website las ik over een ‘urban rooftop garden party’ op de achtste verdieping van een gebouw in het centrum van Tel Aviv, georganiseerd door Green Prophet Jeff, alias The Compost Guy. Het deed me ergens aan denken. “So what’s the schedule for this urban farming extravaganza?”

Tagged with:
 

Gehoord in Dumbarton Oaks, Washington DC, op 4 en 5 mei 2012:

Het symposium over ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, vond plaats in de Music Room, een uitbreiding daterend uit 1928 van het achttiende eeuwse landhuis waar in 1944 de geallieerden onderhandelden over de oprichting van de Verenigde Naties. In deze historische, met gedempt licht beschenen zaal klonken de historische bijdragen van David Haney (Kent University), David Rifkind (Miami International University), Tal Alon-Mozes (Technion University) en Mary McLeod (Columbia University) over de voedselproblematiek van steden in de twintigste eeuw met een merkwaardige echo. Vreemd, dat de recente trend van ‘urban farming’ zulke duidelijke historische parallellen kent. Want kort voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog en later tijdens de Grote Depressie en de wederopbouw outilleerden alle grote steden zich met tuinen, volkstuinen en tuinbouwarealen om in de eigen behoefte aan voedsel te voorzien. Deze stadslandbouw werd ook toen al gezien als sociaal, emanciperend, duurzaam en gezond. Haney plaatste de figuur van ‘the Anarchist Prince’ Leberecht Migge centraal, en alle latere sprekers refereerden aan deze unieke Duitse tuinarchitect uit het Interbellum. Zo mogelijk nog opmerkelijker vond ik dat alle sprekers erop wezen dat deze stedelijke beweging steeds gepaard was gegaan met oproepen tot ‘spontane’ en ‘organische’ stedenbouw. Migge schreef over ‘Die Wachsende Siedlung’ en Le Corbusier tekende zijn ‘Ferme Radieuse’ en zijn ‘Village Radieux’

Iemand in de zaal vroeg of de populariteit van stadslandbouw en van organische stedenbouw misschien iets te maken heeft met de crisis. Gaan mensen hun eigen voedsel verbouwen zodra er sprake is van ernstige maatschappelijke ontwrichting? En verlangt iedereen ineens naar zelfbouw en ongeplande buurten als de economie stevig neerwaarts gaat? Geen van de historisch geschoolde sprekers durfde dit te ontkennen. Hun verhalen hadden ze geplaatst in situaties van grote maatschappelijke onrust, armoede, ontwrichting, idealisme, bevlogenheid en hoop. Hier een bloemlezing van Twitter-volgers die, door mij gevraagd naar de reden waarom stadslandbouw wereldwijd op dit moment zo populair is, antwoordden: omdat het zo leuk staat in de media, vanwege imagoverbetering van eigenaren, vanuit het besef dat langeafstandsrelaties met landbouw en voedselvoorziening onzeker en niet transparant zijn, om dezelfde reden waarom we in het voorjaar krokussen en hyachinthen op tafel zetten, vanwege de structurele leegstand en de duurzaamheid, omdat het zo leerzaam is voor kinderen. Iemand zond me een samenvatting van een boek van André Viljoen en Han Wiskerke, getiteld ‘Sustainable food planning: evolving theory and practice’. Daarin worden voedselveiligheid en duurzaamheid van de voedselproductie als de belangrijkste aanleidingen genoemd. “In the wider contexts of global climate change, resource depletion, a burgeoning world population, competing food production systems and diet-related public health concerns, new paradigms for urban and regional planning capable of supporting sustainable and equitable food systems are urgently needed.” Dat laatste klinkt behoorlijk verontrustend. Het antwoord is dus ja.

Tagged with: