Use capacity where capacity is

On 30 april 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 24 april 2012:

The Moscow Competition dus. Een van de interessantste voorstellen kwam van het Moskouse architectenbureau Ostozhenka. Dat gelooft dat Moskou een minder monocentrische structuur bezit dan velen denken. Het hele netwerk van kleine historische vissersdorpen heeft de tijd gewoon goed weten te doorstaan dankzij het forenzentreinenstelsel. De stad heeft zelfs een harmonieuze structuur, maar die “is now very broken.” De rivieroevers liggen er ronduit beroerd bij. “The city has slackened in social and cultural terms. It has no clear shape.” Het probleem is eerder dit: “So much is left barren and abandoned.” Twintig procent van Moskou wordt niet gebruikt. “What do we do with all those empty spots?” Door alle verlaten terreinen over de matrix van spoorlijnen te projecteren komt Ostozhenka tot haar gedroomde strategie: “to take the opportunity of old infrastructures and abandoned areas.” Moskou, aldus Ostozhenka, is een vrouwelijke stad. Zeker, ze is dichtbebouwd, maar er is genoeg ruimte voor vrije busbanen en tramsporen. De oplossing van het bureau is pragmatisch. “Use capacity where capacity is.”

De volgende dag was ik te gast bij the Institute for the Masterplan of Moscow. Daar werken meer dan 6000 ambtenaren dagelijks aan de miljoenenmetropool. Ik woonde een vergadering bij waar collega’s elkaar proberen te helpen. Eén voerde het woord, de anderen luisterden aandachtig. Iemand bediende de powerpoint. De rest keek naar het scherm, als waren zij allen chirurgen. De meesten waren vrouwen. De spreekster gebruikte de laserpen zo veelvuldig, dat deze tot tweemaal toe weigerde. We zagen uitsluitend technische tekeningen. Behandeld werd een stuk grond ter grootte van zeker viermaal de NDSM-werf in Amsterdam-Noord. Op het terrein stond blijkbaar een fabriek van de Russian Atomic Agency. De planners hadden het vermoeden dat er nauwelijks nog iets in die fabriek werd geproduceerd. Het enorme terrein, ingeklemd tussen een snelweg en bundels spoorweginfrastructuur, leek precies op wat Ostozhenka de dag tevoren als kans had gezien: ideaal om Moskou mee te verdichten. Alleen, wat in de fabriek gebeurde bleek uiterst geheim, de grond mogelijk ernstig vervuild, de contacten met de stad, begreep ik, moeizaam. “Hoe pak je zoiets aan?”, vroeg de voorzitter vertwijfeld. Ik antwoordde, de zaal ernstig rondkijkend, dat men het planningsrepertoire moest verbreden, op andere manieren communiceren, en vooral moed houden. “Plans are nothing, planning is everything.” Wat moet je in zo’n situatie met een internationaal gelabeld masterplan?

Tagged with:
 

No New Towns

On 29 april 2012, in demografie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen op VK.nl van 3 september 2011:

Terwijl de bevolking van Rusland krimpt – vorig jaar met 3 miljoen tot 142,9 miljoen zielen –, groeit die van Moskou. Sinds de volkstelling van 2002 nam de Moskouse bevolking met bijna 11 procent toe, tot 11,5 miljoen. Plus de 1,8 miljoen die elders staan ingeschreven maar feitelijk in Moskou wonen en werken. Het aantal illegalen in Moskou schat men nog eens op tenminste één miljoen. In totaal telt Moskou op dit moment dus bijna 15 miljoen inwoners en dat inwonertal groeit nog steeds. Mensen trekken naar Moskou vanwege de kans op werk en vanwege de grote inkomensverschillen: in Moskou zijn de salarissen gemiddeld drie tot vier keer hoger dan in de provincie. Dit gegeven plus het feit dat Moskou zelf geteisterd wordt door hevige congestie was de aanleiding voor het stadsbestuur om alvast een stuk grond ten zuidwesten van Moskou in te lijven, voor de regering om decentralisatie van het apparaat naar de periferie te overwegen en om een internationale prijsvraag uit te schrijven voor de uitleg van Moskou in de oblast: the Moscow Competition. Tien architecten dingen naar de gunst van de Moskouse autoriteiten. In september zullen hun ontwerpen worden tentoongesteld in een paviljoen in het Gorki Park. Het grote voorbeeld is de ontwerpwedstrijd ‘Grand Paris’ van president Sarkozy voor de herstructurering van Parijs uit 2009. Zo’n aansprekend evenement wil Moskou nu ook. Door de Russische collega’s was ik gevraagd deel uit te maken van het expertteam dat de ontwerpen moet beoordelen. Afgelopen week voltrok zich de tweede ronde.

Direct de eerste dag ontstond al ophef toen het Parijse bureau Grumbach, door mij daartoe uitgedaagd, verklaarde dat Moskou geen nieuwe steden moet bouwen. De Parijse ‘Villes Nouvelles’ waren immers op een grote mislukking uitgelopen. Ook rond Londen en de Randstad, aldus Grumbach, bleken de nieuwe steden allesbehalve een succes. De architecten in de zaal die uitgerekend polycentrische structuren hadden getekend en nieuwe steden hadden toegevoegd, waren not amused. Een van hen – het Rotterdamse bureau OMA – noemde de afwijzing van nieuwe steden zelfs reactionair. Logisch, want het bureau had liefst vier reusachtige luchthavensteden in de oblast getekend. Mijn compaan Reiner Nagel, directeur stadsontwikkeling van Berlijn, ontvouwde daarop een krantenartikel uit Die Zeit waarin de demografische ontwikkeling van de Russische Federatie tot 2050 was berekend. Daaruit bleek dat op termijn ook Moskou zal gaan krimpen. Het voorstel van OMA zou, wanneer Moskou op termijn inwoners verliest, neerkomen op een regelrechte ramp. De groei van de vier satellieten onder de conditie van krimp plus de decentralisatie van functies naar de vier new towns zal het bestaande Moskou zeker uithollen. Nagel en ik keken elkaar aan. Deze discussie, oordeelden wij, verdient hoe dan ook een vervolg.

Tagged with:
 

Moscow sprawl

On 28 april 2012, in internationaal, by Zef Hemel

Gehoord op 22 april 2012 tijdens vlucht Amsterdam-Moskou:

Mijn medepassagier was een Canadees, afkomstig uit Calgary. Hij was op weg naar West-Siberië. Om naar olie te boren. Het was voorjaar, dus het werk ging weer beginnen. Ik schatte hem zeker vijftien jaar jonger dan ik. Tot eind juli zou hij daar blijven, in een stad van amper 200.000 inwoners aan de rivier de Ob. Dertig jaar geleden was daar nog niets. Als je de stad uit reed zag je nog steeds helemaal niets, in alle richtingen zeker vier uur lang geen woning of boerderij te zien. Het deerde hem niet. Calgary was weliswaar een grote stad, maar Canada was immens groot en met zijn 35 miljoen inwoners overwegend leeg want dunbevolkt. In West Siberië verbleef hij al vijf jaar, zes maanden daar, zes maanden bij vrouw en kinderen thuis. Het was zijn laatste jaar. Hij had er genoeg van, al zou hij zijn leven lang naar olie blijven boren. Er was immers meer dan genoeg olie in de wereld, zeker in Oost-Siberië, waar de grootste velden ter wereld lagen. Boortechnieken – zijn specialisme – verbeterden snel, waardoor bijvoorbeeld ook in China oliewinning binnen bereik zou komen. Dat moest ook wel, want de olieconsumptie in de wereld stijgt snel, heel snel.

Moskou vond hij een bizar grote stad die geplaagd wordt door wilde verstedelijking. De sprawl rond Amerikaanse steden, zei hij, verbleekt vergeleken met die rond Moskou. De verschillen tussen stad en land zijn in Rusland ook extreem. En net als in de Verenigde Staten is de middenklasse weggevallen en wordt de groeiende stedelijke onderklasse aan zijn lot overgelaten. Het land is groot en rijk en kan met gemak in zijn eigen behoeften voorzien. Het bezit olie en grondstoffen in overvloed, er zijn enorme zoetwatervoorraden en ook aan hout is geen gebrek. De bevolking krimpt weliswaar, maar is omvangrijk, werkt hard en is geschoold en geëmancipeerd. Het enige wat Rusland neerdrukt is de corruptie, de gebrekkige organisatie en vooral de extreme verschillen in rijkdom. Waarom, vroeg mijn Canadees zich af, laten de Russen zich door een kleine minderheid als slaven behandelen? Vergeleken bij Rusland en Amerika vond hij Europa een toonbeeld van beschaving. De Europese steden waren in zijn ogen prettig, ontspannen en fijn om in te leven. Amsterdam vond hij geweldig. Iedereen wandelt of fietst er. Zijn vrouw is dol op Amsterdam. Hun trouwdag hebben ze er gevierd. Daarna waren ze doorgevlogen naar Rome. In Rome, besloten ze, zouden ze wel willen wonen, maar ook in Amsterdam “Bij mooi weer zit iedereen gewoon buiten te genieten in de zon.” In Amerika draait alles om de klok, is iedereen voortdurend aan het werk, bezig om op tijd op zijn afspraak te komen. In Rusland ook. Maar niet in Amsterdam. En Amsterdam, voegde hij eraan toe, is opgeruimd, zo netjes, zo schoon.

Tagged with:
 

De vloek van olie

On 20 april 2012, in innovatie, regionale planning, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Skolkovo: City of the future as a Russian Hi-Tech Hub’ (2011) van Fedor Kudryavtsev en Victoria Bannykh:

Zondag naar Moskou. Ik had het er laatst over met Willem van Winden, lector aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij is betrokken bij de ontwikkeling van Skolkovo, een nieuwe hightechstad aan de zuidwestkant van Moskou. Ook Rusland, geplaagd door de ‘olie-vloek’, moet innoveren. President Medvedev kondigde daartoe in 2009 een omvattende moderniseringsprogramma aan, waarbij de focus ligt op energie-efficientie, kernenergie, informatietechnologie, ruimtevaart en medische technologie. Moskou speelt daarin een bepalende rol. Die stad moet het centrum worden waar alle kennis samenkomt en waar contacten worden gelegd met mondiale markten. Of beter, dat centrum moet in Skolkovo komen. "It is to be a compact urban space that provides conditions conducive to both work and life. It would also serve as an urban environment benchmark both in Russia and worldwide." Waarom uitgerekend Skolkovo? "While there are many famous Russian cities with traditions as centres of science that date back to the Soviet era, the final selection fell upon a green field situated near the small village of Skolkovo 2 kilometres south-west of Moscow." Bedoeld worden steden als Tomsk en Novosibirsk, beroemd om hun wetenschappelijke prestaties.

De keuze viel op het idyllische dorpje Skolkovo, niet omdat het onbebouwd was gebleven dankzij de aanwezigheid van proefvelden voor agrarisch onderzoek, maar omdat daar een nieuwe dependance van de Moscow School of Management wordt gebouwd: het Innovation Centre. De initiatiefnemers van de managementschool willen niet minder dan een nieuwe benadering van stadsontwikkeling en economische politiek beproeven en juist omdat Skolkovo geen verleden heeft, is het voor hen een ideale plek. "The Centre should become a testing area for new economic policies focused on overcoming the ‘oil-curse’ problem." Skolkovo krijgt daartoe een status aparte, onttrekt zich aan de belastingplicht en zal niet worden gehinderd door Russische wetten en regelgeving. Het wordt een eiland in een metropolitane zee, en de stichting die zich er eigenaar van mag noemen krijgt de volmacht, maar ook de plicht het allegrootste talent aan zich te binden. De Russische president zelf is voorzitter van de Raad van Toezicht. Om een idee te geven, in de Town Planning Council van Skolkovo hebben de Japanner Kazuyo Sejima en de Zwitserse architect Pierre de Meuron zitting. Het plan zelf is de uitkomst van een internationale prijsvraag, die is gewonnen door het Franse AREP team. De komende jaren is er elk jaar zeker een half miljard dollar beschikbaar om in Skolkovo te investeren. De vraag dringt zich op: zal Skolokovo zich werkelijk aan de Russische ‘olie-vloek’ weten te onttrekken? Fedor Kudryavtsev en Victoria Bannykh formuleren de vraag iets anders: "Can the building of a new ‘green’ and ‘hi-tech’ city in a natural ‘green’ environment that has fortuitously survived near a tremendous metropolis still be regarded as a ‘green’ approach?"

Tagged with:
 

Wu-Wei

On 18 april 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Retracking America’ (1971) van John Friedmann:

Donderdag 19 april opent in Rotterdam de Internationale Architectuur Biënnale. Thema: ‘Making City’. De stad wordt dit keer echt gemaakt. Het deed me denken aan ‘The Tao of Transactive Planning’, opgenomen in ‘Retracking America’ (1971) van de Amerikaan John Friedmann. Friedmann schrijft daarin dat hij zich een incident herinnert waarbij een planner zijn geduld verloor omdat iets wat hij bedacht had niet werd uitgevoerd. “His model of the planning process was simplistic. The planner plans; the client buys the plans and uses all the means at his disposal to see them carried out.” Volgens Friedmann gaat goede planning heel anders in zijn werk. “The Tao says: All things go through their own transformations.” Waarop hij een meer complex model van planning introduceert, dat hij aanduidt als ‘transactive planning’. “The Taoist philosophy of wu-wei – doing nothing – would seem to be more appropriate to this model than controlled impatience.” Veel krachten in de stadsontwikkeling verlopen automatisch, die kennen hun eigen dynamiek. Soms ontbreekt de dynamiek, of verloopt de verandering te snel. De planner kan er vaak niet veel aan doen. “Both planner and client must respect the laws of transformation and be mindful of their limited abilities to control the flow of events.” Beter is het soms om helemaal niets te doen.

Behartigenswaardig vond ik ook een ander citaat: “Tao invariably does nothing, yet there is nothing that is not done.” Het lijkt er vaak op, verklaart Friedmann, alsof de planner niets doet; echter, hij leert en al lerende vergaart hij nieuwe kennis. Hierdoor veranderen wel de perspectieven, en in het verlengde daarvan verandert het gedrag. Het mag dus lijken alsof er helemaal niets gebeurt, toch verandert alles wel degelijk. “Persons change, institutions change, the environment for action changes.The ideas of the learner take root, are themselves transformed, and pass into action, affecting the behavior of society.” Toen ik het tijdens mijn planologische studie las, begreep ik het niet. Een planner moet toch maken, creëren? Nu, na dertig jaar praktijkervaring, kan ik de betekenis ervan doorgronden. Wat Friedmann schrijft is pure wijsheid, een groot planoloog waardig. ‘Making City’ is vaak gewoon niets doen, wachten, geduld oefenen, leren, perspectief veranderen, meebewegen, de tijd zijn werk laten doen.

Tagged with:
 

Ravenna Park

On 17 april 2012, in duurzaamheid, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Green Philosophy’ (2012) van Roger Scruton:

Wanneer de conservatieve Britse filosoof Roger Scruton duidelijk wil maken dat “een overheidsbureaucratie een gevaar wordt voor het milieu zodra ze de leiding krijgt over wat er gebeurt”, verwijst hij naar de vele misstanden, begaan in de Sovjet-Unie door het communistische regime. De sovjets lieten zich niets gelegen liggen aan het milieu en niemand die haar daarvoor strafte, zelfs niet toen ze haar eigen regels overtrad. Vervolgens verwijst Scruton naar Seattle, Washington, want van dezelfde misstanden zou sprake zijn in democratische samenlevingen. Overheden, aldus Scruton, deugen gewoon niet. Je moet ze niet vertrouwen. Zo vertelt hij over Ravenna Park in Seattle, in 1887 ingesteld door een rijke particulier, William Beck en zijn vrouw. Zij kochten stukken land aan de rand van de stad om bescherming te bieden aan de unieke woudreuzen die er destijds groeiden. Tienduizend mensen bezochten jaarlijks het lange ravijn met zijn imposante bomen. In 1911 verkochten de Becks hun park echter aan de stad, waarna de overheid de hoge bomen vrijwel onmiddellijk kapte. In 1925 was er geen boom meer over. Scruton: “Een doeltreffende particuliere investering die een belangrijk milieugoed had beschermd en een levendige publieke belangstelling had gecreëerd om het in stand te houden, was in veertien jaar tijd verwoest toen het eenmaal in openbaar bezit was.” Inderdaad, schokkend om te lezen. Maar klopt het ook?

Op HistoryLink.org trof ik een essay over Ravenna Park van Peter Blecha uit januari 2011. Het eerste dat me opviel was dat William Beck vastgoed ontwikkelde en daartoe grond rond Ravenna Park op grote schaal verkocht. Ravenna Park bleek middelpunt van snelle stedelijke ontwikkeling. In die expansie paste ook het voornemen van de stad om in 1909 de Alaska-Yukon-Pacific Exposition – een grote wereldtentoonstelling – enkele blokken ten zuiden van Ravenna Park te organiseren. Beck wilde daar graag van profiteren en wilde zijn park verkopen. Echter zijn aanbod werd door de stad van de hand gewezen omdat zijn vraagprijs veel te hoog was. Uiteindelijk werd het na tussenkomst van de rechter alsnog gekocht, maar nu tegen een veel lagere prijs. John Charles Olmsted werd vervolgens gevraagd een ontwerp voor het park te maken; het moest deel uitmaken van een omvattend stedelijk parksysteem van niet minder dan 20 mijl lengte. Wel spreekt ook Blecha van ‘city mismanagement’ toen bleek dat ambtenaren bomen kapten en stiekem het hout verkochten; hun chef verdedigde de acties omdat de bomen ‘verrot’ zouden zijn. Ook na het bekend worden van het schandaal ging de houtkap gewoon door. Volgens Blecha maakte dit voor de inwoners van Seattle niet veel uit. Zij bleven van hun park genieten. Bewoners organiseerden zich later in ‘Vrienden van het Ravenna Park’ en zorgen sindsdien samen met de gemeente voor onderhoud en restauratie. Blecha: “Due to the efforts of these citizens, the southeastern end of Ravenna Park has been beautifully landscaped, with new trails and riparian habitat restored along a good portion of the long-abused creek.” Scruton overdrijft dus schromelijk. Er zijn in Seattle zeker fouten gemaakt, maar de particulier Beck presteerde niet beter dan de overheid. Overheid en bewoners samen presteren het beste. En zeg nou zelf, welke natuur blijft geheel ongeschonden in een wervelwind van onstuimige verstedelijking?

Tagged with:
 

Metropolitane voedselclusters

On 16 april 2012, in technologie, voedsel, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 12 april 2012:

Interdisciplinaire studievereniging Bèta-Gamma vierde afgelopen week haar lustrum met een heus congres. Het ging over ‘Metropolis. Over de stad van morgen’. Ik was een van de sprekers. De spreker voor mij heette Madeleine van Mansveld, ze is verbonden aan de Universiteit van Wageningen als landschapsecoloog. Van Mansveld sprak over ‘metropolitane voedsel clusters’. Steden, zei ze, bepalen steeds meer de aard van de voedselproductie. Voedsel wordt een modeartikel. Neem bijvoorbeeld hash: het is een van onze grootste exportartikelen. Ook de wijze waarop het voedsel wordt geproduceerd, wordt steeds kritischer door stedelingen gevolgd. Duurzaamheid is belangrijk, de ethische dimensie staat voorop. Echter, de voedselproductie blijft achter bij de economische groei. Daarom is er een tweede voedselrevolutie nodig. Denktanks van ondernemingen, overheden en kennisinstituten rond Wageningen hebben daarom het volgende bedacht. Er moeten agroparken dicht bij de steden komen, liefst in havengebieden. Op die zeer grootschalige agroparken zullen plantaardige ketens, dierlijke ketens en afbrekende ketens (van algen en paddestoelen) worden samengebracht. Door er bovendien de verwerkende industrie tegenaan te zetten, ontstaan stedelijke agrocomplexen waar de kringlopen zullen worden gesloten. Ziektes krijgen dan niet meer de kans, want transport  – de grote boosdoener in deze – wordt tot een minimum beperkt. O ja, het platteland wordt dankzij de agroparken weer een plek voor wonen, natuur en recreatie; megastallen horen daar immers niet thuis.

Dat de stedelingen steeds meer eisen stellen aan hun voedsel staat buiten kijf. De agrarische sector kan niet meer ongestoord zijn gang gaan. Maar zullen de stedelingen reusachtige agroparken in hun achtertuin wèl accepteren? Ik betwijfel het. Die twijfel bespeurde ik ook bij de studenten in de zaal. Kritische vragen over de bio-industrie werden op Van Mansveld afgevuurd. Juist deze week las ik in ‘De wil tot technologie’ (2012) het hoofdstuk waarin Kevin Kelly zich afvraagt of een grootschalige, op aardolie draaiende landbouw echt onvermijdelijk is. Zeker, hierdoor is in het verleden op grote schaal goedkoop voedsel geproduceerd. Maar die werkwijze heeft volgens hem en anderen geen toekomst meer. “Volgens veel voedseldeskundigen is het probleem van de huidige voedselproductie dat ze sterk afhankelijk is van monoculturen (geen diversiteit), van te weinig verschillende gewassen (wereldwijd maar vijf), wat een onevenredig intensieve toepassing van medicijnen, pesticiden en herbiciden noodzakelijk maakt, de landbouwgrond vervuilt (vermindering van kansen) en voor zowel energie als voedingsstoffen te zwaar op goedkope aardolieproducten leunt (verminderde vrijheid).” Kelly ziet meer in een gedecentraliseerde, heterogene landbouw van lokale, gespecialiseerde boerderijen, eventueel bemand door robots. Zo’n voedselproductie voldoet wèl aan de eisen van goede technologie; ze vermeerdert de keuzes en vergroot de vrijheid. Stedelingen zullen, denk ook ik, zo’n landbouw eerder accepteren dan die Wageningse agroparken.

Tagged with:
 

Springplank voor innovaties

On 13 april 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 maart 2012:

Zelf zat ik op judo, van 1965 tot 1969 om precies te zijn, bij sportschool Spermon in Emmen. Het winnen van olympische goud van Anton Geesink in Tokio in 1964 lag aan die keus mede ten grondslag. Een Nederlander die won in Japan, in een Japanse vechtsport! Veel jongetjes van mijn leeftijd kozen na dat kampioenschap voor judo als hun favoriete sport. Misschien daarom ook viel mijn oog op Het Parool van ruim een maand geleden, waarin Steven van der Gaag de geschiedenis optekende van sportschool Gé Koning in Amsterdam. Sinds 1952 huist deze sportschool onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum. Eigenaar Gé Koning had zijn diploma jiujitsu – “de vechtkunst der Japaneeschen” – gehaald bij de Japanner K.T.Yo. “Koprollen op de stoep in zwarte gebreide korte broekjes, dat soort werk.” Al voor de oorlog was de jonge Koning begonnen in jiujitsu les te geven in Amsterdam. Na de oorlog ging hij met Pim Smit op de motor naar Parijs. “Ze hadden gehoord over de jiujitsuclub van Jean Beaujean, maar keerden terug met een nieuwe sport: judo.” In Bordeaux leerden ze de Japanner Michigami kennen die voor hen de techniek van de onbekende vechtkunst ontleedde. Elke drie maanden haalden ze hem op met de auto. Zo belandde judo als vechtsport in Amsterdam. Diezelfde Gé Koning zat tien jaar later als bondscoach langs de mat in Tokio, toen Anton Geesink daar zijn olympische gouden plak won.

Opnieuw een fraai voorbeeld van hoe innovaties zich succesvol via steden verspreiden. Wat niemand dus weet is dat het Nederlandse judo zijn oorsprong vond in Parijs en Bordeaux en dat ze letterlijk op de motor vervoerd werd naar Amsterdam. Geesink woonde destijds in Utrecht, maar na een telefoontje dat ze daar een jongen hadden “die ze niets meer konden leren”, maakte Koning met hem kennis en haalde hem naar de hoofdstad. Onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum, werd het olympische succes van later voorbereid. Koning junior over Geesink: “Hij heeft hier lesgegeven en mijn moeder heeft nog kleren voor hem gemaakt.” Ziedaar het nut van grote steden. Ze fungeren als springplank voor innovaties, die later de rest van het land bereiken. Want wat destijds voor judo gold, geldt nog steeds voor talloze andere zaken. Zaken die we nog niet kennen. Omdat het innovaties zijn. Die wij in de provincie nog moeten leren.

Tagged with:
 

Be yourself

On 12 april 2012, in demografie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 6 april 2012:

‘Going Solo’ heet het nieuwste boek van Eric Klinenberg, hoogleraar sociologie aan New York University. Het gaat over alleenstaanden in steden als Washington, Denver, Dallas, San Francisco en New York. Ik las een bespreking in NRC Handelsblad, geschreven door Guus Valk. Bijna de helft van de volwassen Amerikanen heeft geen gezin, in grote steden is het aandeel alleenstaanden nog groter. In Scandinavië is het aandeel nog groter dan in de VS. “Deze ontwikkeling voltrekt zich internationaal. Er is geen beschaving uit het verleden waar eerder zoveel mensen alleen woonden.” Eenderde van de alleenstaanden bestaat uit ouderen. Doordat we steeds ouder worden, wordt deze groep ook steeds groter. De andere tweederde is alleenstaand voor bepaalde tijd. “De snelst groeiende groep bestaat uit mensen tussen de 35 en 65, die ooit een tijd een lange relatie hebben gehad.” Volgens Klinenberg heeft de groei van die groep te maken met de emancipatie van vrouwen. Vrouwen kunnen tegenwoordig in hun eigen levensonderhoud voorzien. ‘Going Solo’ bevat driehonderd interviews met stedelingen die alleen leven, zonder partner. Ze blijken niet minder gelukkig of succesvol te zijn dan echtparen. Alleen wonen is ook niet langer een vloek, al wil lang niet iedereen zijn hele leven zonder verbintenis leven. De groep ‘Happy Singles’ is naar verhouding klein.

Klinenberg merkt op dat de groei van grote steden dit proces nog heeft versneld. “Een stad biedt een plek aan mensen die zich individueel willen uiten, en creëert nieuwe subculturen.” Als voorbeeld noemt hij groepen veertig-plussers die kiezen voor woongroepen, waar ze samenleven zonder te veel verplichtingen. Ook gelooft hij dat de opkomst van social media als facebook en skype het sociale leven van mensen overhoop gooit. “Interessant is dat die communicatiemiddelen mensen niet afstompen of vervreemden van hun omgeving, ze gaan juist sneller naar feesten of andere ontmoetingen.” Social media bevorderen dus het grootstedelijke leven. Klinenberg: “Er is een gigantische verschuiving van ons sociale leven gaande en niemand weet nog of dat goed of slecht is.” De strekking van zijn betoog deed me denken aan ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) van Richard Florida. Daarin schetste deze Amerikaanse econoom een beeld van nieuwe opkomende samenlevingsvormen die onze culturele economie sterk aanjagen: “Our evolving communities and emerging society are marked by a greater diversity of friendships, more individualistic pursuits and weaker ties within the community. People want diversity, low entry barriers and the ability to be themselves.” Voorwaarden voor economische groei, dat zijn het.

Tagged with:
 

Wat wil het technium?

On 10 april 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van Technologie’ (2010) van Kevin Kelly:

De auteur Kevin Kelly kennen we van ‘Out of Control’, dat weergaloze boek uit 1994. Nu is er een nieuw boek van zijn hand verschenen: De Wil van Technologie. Ik lees het met rode oortjes. Kort samengevat komt het hierop neer: het geheel van technologieën dat ons omringt – het Technium – is ouder dan de mensheid, het groeit, het groeit steeds sneller en het groeit in een bepaalde richting. Haar eigenschappen lijken op die van de natuur, zij het dat in de natuur soorten uitsterven, terwijl in het technium alles blijft bestaan. Nieuwe technologie bouwt voort op oude technologie, de introductie van nieuwe technologie in een omgeving zonder oude technologie blijkt niet te werken. “Alle complexe, adaptieve systemen met een stabiele zelforganisatie kennen voorbeschikte vormen en karakteristieke gerichtheden.” Technologie dijt uit, stuwt zich voort en niemand die er wat aan kan doen, zelfs de Unabomber niet. “De versnelling van de vooruitgang op lange termijn is te danken aan de groei van het Technium als een soort biologisch systeem.” Alles wat leeft wil zichzelf behouden, zichzelf verbeteren en groeien, en dat geldt ook voor het Technium. Sterker, wij mensen leven in een symbiose met de technologie, die wij niet kunnen verwerpen. Doen wij dat toch, dan is dat een vorm van zelfhaat. We moeten daarom beter luisteren naar de technologie en kiezen voor het onvermijdelijke.

Steden noemt Kelly de grootste technologische constructen die wij mensen maken. Op de schaal van de evolutie is verstedelijking een verschijnsel van zeer recente datum. Tot de laatste twee eeuwen gebeurt er niet veel. “Dan explodeert de bevolkingsgroei, neemt de innovatie razendsnel toe, komt de informatie tot bloei, ontwikkelen de vrijheden zich en heersen de steden.” De wijze waarop steden groeien – rommelig, vanuit krottenwijken – is die van de technologie: het begint met een krakkemikkig prototype, iets wat nauwelijks werkt, daarna volgt de verbetering, de verbeteringen volgen elkaar steeds sneller op. “De stad als geheel is een prachtige technologische uitvinding, die de energiestromen en de denkkracht bundelt in een computerchipachtige dichtheid. Binnen een betrekkelijk kleine omtrek biedt een stad niet alleen woonruimte op een minimum aan oppervlakte, maar produceert ze ook een maximum aan ideeën en uitvindingen.” Dankzij het technische construct ‘stad’ bloeit de informatie en groeit de menselijke vrijheid. De stad is geen Utopia en de menselijke vrijheid is niet onbegrensd. Want, schrijft Kelly, de technologie heeft een eigen wil. Maar daarbinnen kunnen mensen wel uit steeds meer mogelijkheden kiezen. Dat is vrijheid. En dat is wat Kelly met zijn eigen leven doet: zich met technologie omringen die hem de grootst mogelijke keuzeruimte biedt. In de stad, in zijn geval San Francisco.

Tagged with: