Epidemisch

On 30 maart 2012, in infrastructuur, stedenbouw, voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 28 maart 2012:

Obesitas is een van de alarmerendste trends in de gezondheidstoestand van Amerikanen. In The Atlantic verscheen dezer dagen een artikel van de hand van Kaid Benfield, directeur van het ‘Sustainable Communities and Smart Growth programme’ van de Natural Resources Defense Council. Een daarin opgenomen statistiek toont de snelle groei van het verschijnsel over de laatste veertien jaar. Waren in 1994 alleen nog de staten in het zuiden van de VS aangedaan, anno 2008 zijn vrijwel alle staten onder invloed geraakt van obesitas. Het is alsof een felle brand uitslaat. Het gemiddelde percentage van de bevolking liep in die veertien jaar op van 15 tot 19 procent naar 25 tot 29 procent en in sommige staten zelfs tot boven de 30 procent. Het gecombineerde aandeel van overgewicht en obesitas is in de VS zelfs gestegen tot boven de 60 procent. Ook het aandeel diabetes stijgt al jaren angstaanjagend. De kans op sterfte is onder deze groep patiënten ruim tweemaal groter dan normaal. Daarmee prijkt Amerika helemaal bovenaan in de statistieken. Na de VS volgen eerst Mexico en Groot Brittannië, daarna Australië, Nieuw Zeeland en Slowakije, vervolgens Hongarije, Tsjechië, Portugal en IJsland. Helemaal onderaan treft men Korea en Japan aan. Nederland bevindt zich ergens in het midden, wat ook niet geruststellend is.

Deels heeft de epidemie te maken met slechte voeding, deels met gebrek aan bewegen. Amerikanen bewegen steeds minder. Duitsers bijvoorbeeld bewegen veel meer, net als Brazilianen. Hoe dit komt? Volgens Benfield heeft dit alles te maken met hoe de Amerikaanse steden zijn ingericht. Ze zijn helemaal gebouwd op de auto. Hij haalt Howard Frumkin aan, een expert op het gebied van obesitas, die zegt: “we have engineered walking and bicycling out of our communities.” Daarom pleit Benfield voor de herintroductie van ‘complete straten’, met gescheiden fiets- en voetpaden, fijnmaziger stratenpatronen, compactere bebouwing en buurtwinkels in plaats van shopping malls. Zulke stedenbouwkundige structuren bouw je echter niet zomaar terug – dat kost jaren. Ondertussen neemt het obesitasvraagstuk verder toe; het is een tijdbom die binnen tien jaar zal afgaan. Rest de vraag waarom ook Nederland er relatief slecht op staat. Hier zijn toch veel fiets- en wandelpaden? Jawel, maar het helpt niet. Nederlanders gebruiken relatief vaak de auto. Nederland is met zijn VINEX, na Groot Brittannië, de meest gesuburbaniseerde natie van Europa. En niemand die er iets aan doet.

Tagged with:
 

Heldenstatus

On 29 maart 2012, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the Urban Revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Het laatste hoofdstuk van Jeb Brugmann’s ‘Welcome to the Urban Revolution’ is getiteld ‘Cocreating the Citysystem: toward a World of Urban Regimes’. We zijn hier aangeland bij de oplossingsgerichte strategieën voor het vraagstuk van de snelle mondiale verstedelijking in tijden van crisis. Tal van voorbeelden komen in het boek voorbij. Nederlandse steden schitteren door afwezigheid. Welke steden noemt Brugmann dan wel? Zijn voorbeelden zijn Silicon Valley, Chicago, Curitiba, Bangalore, Toronto. Zijn grote held is David Crombie, de burgemeester van Toronto die dertig jaar de Canadese stad bestuurde, van de jaren ‘60 tot de jaren ‘90. Hij was het die Jane Jacobs als adviseur van de stad aan zich bond. In zijn tijd was de volle omvang van het stedelijke vraagstuk nog niet duidelijk. Maar zijn benadering sneed wel hout. “A city must know its purpose in a world that demands so much from it. To fullfill that purpose, the city must suck from its own roots.’’ Crombie was ervan overtuigd dat een stad niet andere steden moet imiteren en ook geen wereldklassestatus moet nastreven. Toen Toronto door de Verenigde Naties als voorbeeld werd aangemerkt, raakte de stad uit zijn doen, ze werd arrogant. “Toronto ended up in a golden funk.” Crombie zag wat Boston deed en wat Detroit naliet, en besloot het allemaal heel anders te doen.

Wat deed burgemeester Crombie dan wel? Hij koos de stadsbuurt als eenheid van planning en daagde elke buurt uit zich te organiseren en te vernieuwen. Daarop besloten de burgers van Toronto hun wapens thuis te laten en te gaan samenwerken. Voor de burgervader bleef de rol over van mediator; Crombie genoot van die rol. “Mediation is not about compromise. You have to find out what the new space is. You have to spend time finding out where you’re going. When you see the new space emerge, then you help others to see it.” Brugmann noemt Crombie zowel strateeg als activist, een echte leider. Voor de burgemeester waren de ruimtelijke ordening en de sociale ordening één ondeelbaar geheel. Laat Amsterdam dus Toronto vooral niet imiteren en ook niet de wereldstedenstatus ambiëren, maar teruggaan naar haar wortels en haar eigen weg bewandelen. Welk ‘urban regime’ past bij Amsterdam?

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Hervormen

On 27 maart 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the urban revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Hoe mobieler mensen, goederen, geld en kennis worden, hoe meer locatie ertoe doet. We denken nog te weinig ruimtelijk, te weinig in steden. De Amerikaanse strateeg Jeb Brugmann schreef hierover een indrukwekkend boek. De financiële crisis van 2008, schrijft hij in ‘Welcome to the urban revolution’, is veroorzaakt door het in elkaar storten van “an American city model building boom’’. De crisis gaat dus over onze steden. Geen econoom die daaraan denkt. Ons model van stadsontwikkeling is ondeugdelijk gebleken. “We have been building cities everywhere like industrial commodities, measuring them in undifferentiated square footage, while marketing them with names that stimulate our memories of citysystems and their community life.” Om de wereld van de ondergang te redden moeten we heel andere steden gaan bouwen dan die volgens het gangbare ‘corporate city’-model. Maar hoe? Hier introduceert Brugmann het begrip ‘urbanism’. ‘Urbanism’ is een stedelijke strategie die actieve participatie toelaat van burgers en bedrijven en die streeft naar werkelijk duurzame groei. Zo’n strategie vereist dat natie-staten een flinke stap terugdoen en niet langer voorschrijven hoe steden moeten opereren. ‘Urbanism’ veronderstelt daarentegen dat lokale bedrijven actief gaan deelnemen aan de ontwikkeling van hun stad en zich niet langer afzijdig houden. Het is ook in hun belang dat steden creatief en duurzaam worden. “Embuing corporate city model building with a process of cocreation with communities, users, and local urbanists is one of the most important challenges and opportunities of urban practice in the final phase.”

Wat vereist dit van stadsbesturen? Besluitvorming zou niet langer achter de gesloten deuren van het stadhuis moeten plaatsvinden, in college, raad en voorbereid door de bureaucratie. De macht zou moeten worden gedeeld met burgers, ondernemingen en gemeenschappen. Het dominante stedelijke regime zou juist deelname van allen moeten stimuleren en private actie ondersteunen. Het moet weliswaar doelgericht zijn, maar ook gebaseerd op inspiratie en ondersteuning van anderen. Het juiste regime is stabiel, maar ook open en relatief informeel. “In a very important sense, a regime is empowering.” Strategische allianties zijn volgens Brugmann niet genoeg. Om te overleven en zich snel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden zullen steden zich zo snel mogelijk regimes eigen moeten maken die fundamenteel op cocreatie zijn gericht. Volgens Brugmann is er geen tijd te verliezen. Hervormen dus!

Tagged with:
 

Occupy Floriade

On 26 maart 2012, in duurzaamheid, regionale planning, voedsel, by Zef Hemel

Gehoord op 24 maart 2012 in Amsterdam:

Woensdag 4 april 2012 opent de Floriade in Venlo zijn poorten. Afgelopen vrijdag kwam een journalist van ‘Change Magazine’ mij interviewen over het Floriade-fenomeen. ‘Change Magazine’ is een tijdschrift over duurzaamheid en klimaatverandering; het interview paste in een zogenaamde ‘Floriade Dialoog’. De journalist vroeg me vooral over het stadsgroen en over hoe ik over stadslandbouw dacht. Stadslandbouw, antwoordde ik, is in feite een moderne beweging die de trekken vertoont van de Occupy-beweging: een grootstedelijk protest tegen de ontwikkelingen in de tuinbouwsector. Stedelingen accepteren niet langer de vervreemding van hun voedsel, van hun bloemen, bomen en planten. Stadslandbouw is ook geen antwoord, maar een protest, geen modeverschijnsel, maar een beweging. Volkstuinen kennen de grote steden al lang; nieuw is het allemaal niet, nee. Steden willen iets duidelijk maken. Hun bevolking wil weer eerlijk voedsel, eten dat zij kent en dat ze kan vertrouwen. Het is een appèl aan de tuinbouwsector om te veranderen. Daarom bezetten de mensen hun plantsoenen en braakliggende terreinen en kweken ze groenten en fruit op hun dakterrassen of balcons. Als creatief protest.

Ik betwijfel of dat ze dat in Venlo begrijpen. De Wageningse hoogleraar Arnold van der Valk vertelde me laatst over de voedselstrategie van New York, die hij drie maanden ter plekke bestudeerde. In het Hudsondal ten noorden van Manhattan gebeurt iets heel eigenaardigs. Directe verkoop van boer aan afnemer is daar sterk gestegen, van 0% naar liefst 17% (van de totale productie). De kiem ervan werd gelegd in de hongerige, ongezonde en gesegregeerde metropool van de jaren zeventig. Daar begon de stadslandbouw als een modern protest in de buurten en wijken. Inmiddels is ze uitgegroeid tot een enorme beweging die het voedselsysteem van New York radicaal wil veranderen en die zijn sporen trekt tot in de verre uithoeken van het ‘metropolitane landschap’. Ondanks de crisis groeit daar het aandeel ‘organisch’ buitengewoon snel. Het gevolg is dat nieuwe bedrijfjes in het gat springen dat de traditionele sector laat vallen. Locale en regionale voedselplanning is zelfs een belangrijk onderwerp geworden binnen de American Planning Association. Ik vertelde Van der Valk dat wij in Amsterdam sinds 2006 dezelfde voedselstrategie volgen. Hij wist het niet. “Wageningen,” verontschuldigde hij zich, “is nu eenmaal ver weg van Amsterdam.”

Tagged with:
 

De stad opkrikken

On 23 maart 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 8 februari 2012:

Twee artikelen uitgeknipt en naast elkaar gelegd: een recensie van ‘World 3.0’ van Pankaj Ghemawat, de ander een interview met Pascal Lamy. Ghemawat is econoom in Barcelona, Lamy is topman van de Wereldhandelsorganisatie WTO. Beiden bieden een mondiaal perspectief en zijn niet bang voor grote getallen. Ghemawat leert ons dat slechts 20 procent van het bruto wereldproduct wordt geëxporteerd, dus 80 procent is nog altijd lokaal. Lamy vertelt dat Europa voor 65 procent met zichzelf handelt, Azië voor 55 procent, Noord-Amerika meer dan 40 procent en Latijns-Amerika 30 procent. Meer dan vijftig procent van de wereldhandel in producten betreft halffabrikaten, componenten. Met de globalisering valt het dus nog wel mee. Niet alles wordt tegenwoordig in China gefabriceerd. Grenzen, aldus Ghemawat, hebben dus nog steeds betekenis. “Iedere procent extra geografische afstand leidt tot een procent minder handel.” Deregulering, voegt hij eraan toe, is dus rampzalig.

Beide artikelen deden met denken aan het briljante artikel van de Amerikaanse econoom Paul Krugman uit New Perspective Quarterly (1995), getiteld ‘De lokalisering van de wereldeconomie’.  Krugman voert daarin twee Amerikaanse steden ten tonele: Los Angeles en Chicago. Hij ontdekte dat de exportbasis van beide steden in hoge mate gespecialiseerd is en dat het merendeel van de economie zich binnen de steden afspeelt. Dit noemt hij ‘de paradox van de wereldeconomie’. Daarmee bedoelt hij dat de internationale handel, als percentage van de wereldproductie, nu niet veel groter is dan een eeuw geleden. Voor mondiale concurrentie hoeven mensen dus ook niet zo bang te zijn. Doordat machines op afstand halffabrikaten produceren, kunnen steden zich vrijmaken en richten op de niet-tastbare dingen. Diensten bijvoorbeeld. Of kunsten. En kennis. Diensten zijn lokaal. En kennis kan ver reizen zonder dat een stad deze verliest. Grote steden als Los Angeles en Chicago lijken onderhand geheel los te staan van hun fysieke omgeving. Grondstoffen hebben ze bijna niet meer nodig. “De elf miljoen inwoners van het moderne Los Angeles zijn daar vanwege elkaar; als je de hele stad zou kunnen opkrikken en duizend kilometer verplaatsen, zou de economische basis nauwelijks zijn aangetast.” Hun economieën gaan steeds meer op elkaar lijken. Die worden abstract. Voor Nederland geldt dit alles niet; wij spelen liever voor doorvoerland van overwegend halffabrikaten. Steden hebben wij niet nodig.

Tagged with:
 

Gelezen in Second Sight van 16 januari 2012:

Kort na de Tegenlicht-uitzending over coöperaties in het Baskische Mondragon ontmoette ik Leanne Bogers van clev, creatief communicatiebureau in Amsterdam. We spraken over het fenomeen ‘coöperatie’ als een nieuwe conditie voor effectieve planning. Wist u dat de Verenigde Naties 2012 hebben uitgeroepen tot Jaar van de Coöperatie? Ze zond me een recent interview met Herman Wijffels, voormalige voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, tevens ambassadeur voor de coöperatieve organisatiestructuur, verschenen in Second Sight. in ‘A New World View’ zet hij uiteen hoe de opkomst van de coöperatieve structuur volgens hem samenhangt met de huidige stand van de sociaal-economische ontwikkeling en met de opkomst van nieuwe werkrelaties. De welvaart is gestegen, de wereldbevolking is sterk toegenomen en het gemiddelde onderwijsniveau is hoger dan ooit. Individualisme en creativiteit zijn de dominante trends. Deze nopen tot andere samenwerkingsverbanden. “On the one hand that leads to crisis, because old systems no longer work properly and on the other hand new principles must be adopted.” Het is noodzakelijk dat we ons op zodanige wijze organiseren dat we gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven, nee, dat we er met z’n allen ervoor gaan zorgen dat we zullen overleven.

Omdat we in staat zijn zoveel spullen te produceren dat we de aarde gemakkelijk kunnen uitputten, moeten we leren ons te beheersen en de grondstoffen beter te gebruiken. Daartoe moeten we veel inniger samenwerken en ook innovatiever zijn. Veel mensen willen dit ook. Er zijn voldoende kleinschalige technologieën beschikbaar die ons daarbij behulpzaam kunnen zijn. Coöperaties zijn de ideale werkvorm om dat te doen. Mensen organiseren zichzelf, in kleine groepen, ze nemen verantwoordelijkheid voor elkaar en voor hun omgeving. Ze ontvluchten de piramidale hiërarchische structuren van het grootkapitaal en de machtige overheden. “Selforganization is now becoming an important phenomenon.” Wijffels spreekt van een ware cultuuromslag die leidt tot samenwerking – een die vertrekt vanuit het idee van eenheid en ondeelbaarheid. Vooral de laatste twee jaar gaat het snel. Veel mensen – vooral elites – zien dit nog als een bedreiging en een verlies, maar wie het nieuwe wereldbeeld omarmt ziet het juist als een kans. Voor Wijffels is het de essentie van het streven naar duurzaamheid. “If we continue as we are, we will further erode the basis of life. It’s not merely a hobby, it is an absolute necessity.” Stel dat de grote steden hun logge bureaucratieën weten om te vormen tot meer coöperatieve structuren, dan zou de wereld veel duurzamer worden. Zoiets.

Tagged with:
 

Springen om boven te komen

On 21 maart 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verhalen uit Gaasperdam’ (2010) van de Dienst Ruimtelijke Ordening:

We spraken over Gaasperdam, Amsterdam Zuidoost. Toeval of niet, in m’n boekenkast dook de bescheiden publicatie op, getiteld ‘Verhalen uit Gaasperdam’, uit 2010. De bundel is geschreven door Femke Haccou, Dick Bruijne, Flora Nycolaas en Amber Maessen, allen medewerker van de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam. De bundel verzamelt ervaringen, opgedaan tijdens zes maanden experimenteel werken in het gebied, van april tot september 2010. Tijdens dit zogenaamde A-lab werd open planning bedreven. "De werkwijze van de A-labs draait om het luisteren naar mensen. We hebben dit gedaan door te schouwen in het gebied, gespreksbijeenkomsten te organiseren en gerichte interviews te houden." Van de uitkomsten werden maquettes gemaakt. Gespreksthema’s dienden zich aan: ouderen en groen; priveruimte en ontmoetingsruimte; veiligheid, gezondheid en jongeren. Een van de ontwerpen heet ’seniorenparadijs’, een ander ‘verheven dreven’, weer een ander ‘De Grote Levensloop’. "We stelden deze onderwerpen niet van tevoren vast, maar we hebben ons laten leiden door wat we tegenkwamen." De werkwijze was intuitief. In de bundel komen tal van mensen aan het woord, de gekozen vorm is verhalend.

Op het eind van de publicatie blikken de planners terug op de gehanteerde werkwijze. "De manier van werken wijkt af van de gangbare manier. Het is geen project met een vastgelegd traject of einddoel. De resultaten zijn onvoorspelbaar. Het moeilijke aan deze aanpak is dat er een oneindig aantal wegen is die je in kunt slaan. Het is een duik in het diepe. Het is van belang om op het juiste moment te trechteren. Deels gebeurt dit trechteren willekeurig en toevallig. Het is afhankelijk van wat een gesprekspartner inbrengt." Er werden geen presentaties gegeven, er werd niet gezonden, wel werden er vragen gesteld en mensen geholpen om zelf te tekenen. Stel mensen op hun gemak door in hun eigen omgeving te werken, is het devies. "Dit kan een informele sfeer opleveren en het toont je echte interesse in het gebied aan." De maquettes hielpen om het gebied in de vingers te krijgen. "Deze manier van werken dwingt je om de verhalen te plaatsen in een concrete ruimtelijke situatie." De planners zijn achteraf positief. "Het is niet makkelijk, je springt en hoopt op een bepaalde manier weer boven te komen." Is dit wat Hans Boutellier bedoelt met improvisatiemaatschappij?

Tagged with:
 

Sleutel tot verandering

On 20 maart 2012, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 13 maart 2012:

‘Extremely Loud & Incredibly Close’ (2005) van schrijver Jonathan Safran Foer gaat over het New York van na 9/11. Foer zelf woont in Brooklyn, om de hoek woont Paul Auster; ‘Extremely Loud’ lijkt sterk op het werk van Auster. De clou van ‘Extremely Loud’ moet Foer echter hebben ontleend aan Kurt Vonnegut’s ‘Slaughterhouse Five’, waar de piloot van de bommenwerper troost vindt door de film van het bombardement op Dresden achterstevoren af te draaien. Ook Vunnegut woonde in New York, op de hoek van East 48th Street en Second Avenue, met zicht op Brooklyn. Alle drie de schrijvers zijn Joods, maar wat vooral telt is dat alle drie hun domicilie in New York hebben en dat alle drie over die stad schrijven. “Die avond lag ik in mijn bed iets te bedenken: onder elk kussen in New York zou een speciale afvoer moeten komen die in verbinding staat met de grote vijver in Central Park. De tranen van iedereen die zich in slaap huilt, zouden dan naar één plek stromen, en ‘s ochtends meldt de weerman of het peil in de Tranenvijver is gestegen of gezakt, en dan weet je of New York in mineur is of niet. En als er echt iets verschrikkelijks gebeurt – zoals een atoombom, of dan toch op zijn minst een aanval met chemische wapens – zou er een keiharde sirene afgaan die alle bewoners oproept naar Central Park te komen om zandzakken rond de grote vijver te leggen.” Het boek gaat over New York dus, maar het is ook een typisch Joods boek; wat dat betreft had de plaats van handeling ook Jerusalem of Dresden kunnen zijn.

In een interview met Foer naar aanleiding van de verfilming van ‘Extremely Loud’ vertelt hij over zijn schrijven. Hij schrijft heel intuïtief. “Ik benader schrijven niet met een structuur.” Hij wil in de eerste plaats verhalen vertellen. Elkaar verhalen vertellen en samen eten zijn volgens hem beide ‘essentiële menselijke activiteiten’. Hij wil met zijn boeken ook niet overtuigen, maar zaken bespreekbaar maken. Hij wil de wereld veranderen, maar niet door radicaal te zijn, wel door de cultuur en de conversatie bij te sturen. “Je kunt tot mensen doordringen als je niet agressief, irritant of prekerig doet, maar nederig en eerlijk. Daarmee erken je hoe moeilijk het kan zijn om overtuiging in actie om te zetten.” Foer is tegen het zwartwitdenken, want zo zitten mensen niet in elkaar. “Ons denken en voelen zijn grijs en genuanceerd.” Hij zou, besluit hij,  nooit de politiek in gaan of actievoerder kunnen zijn, waarna de journalist – Diederik van Hoogstraten – hem in het interview neerzet als denker, geen activist, wat weer een typisch voorbeeld van zwartwitdenken is. Ikzelf denk dat Foer een hele goede planoloog zou zijn. Hij kent namelijk de sleutel tot verandering.

Binnen of buiten de ring

On 19 maart 2012, in sociaal, stedenbouw, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Local & Global Anchor Points, Stepping Stone Analysis Amsterdam’ (2010):

In 2010 werkte Peter de Bois, lector aan de Hogeschool van Amsterdam, met Spaanse en Italiaanse studenten aan een analyse van het stratenpatroon van Amsterdam. In ‘Local & Global Anchor Points’ doet hij daarvan verslag. Ik kreeg een exemplaar toegestuurd. Afgelopen week sprak ik De Bois en las ik zijn werk. Tien willekeurige ankerpunten, verspreid over Amsterdam, werden door zijn studenten bestudeerd. De verbondenheid en aantakking van elk van de tien punten op de rest van de stad en de wereld werden nauwkeurig in kaart gebracht. De conclusie van het onderzoek luidt dat Amsterdam over een voortreffelijk stedelijk weefsel beschikt dat verbondenheid op vele niveaus garandeert – een gegeven dat volgens De Bois uiterst belangrijk is voor hechting en stedelijke vitaliteit. Echter, in Noord, West en Oost bevinden zich een aantal fysieke barrieres die dit in verschillende mate belemmeren: in Noord is dat vanzelfsprekend het IJ, in Oost is dat het watersysteem (Oost is een gefragmenteerd eilandenrijk) en in West de Schinkel en Kostverlorenvaart. “It are ruptures like these that have great influence on the quality of the connectivity, accessibility and reach of the local anchorpoints, on their functional use, on their role and importance within the city of Amsterdam and on the vitality of Amsterdam as a whole.”

Toen ik het las vond ik het erg logisch klinken. Vooral de voortreffelijke score van de Maasstraat en eigenlijk van alle punten in Berlage-Zuid verbaasden me niets. Dat is precies de reden waarom ik er woon en waarom, aldus De Bois, iedereen er graag wil wonen en de vastgoedwaarden in Zuid zo hoog zijn. Jammer alleen dat hij Amsterdam Zuidoost niet in zijn studie betrok. Niet dat ik verwacht dat de scores daar heel hoog zullen zijn, integendeel. Het gebrekkige weefsel met die beroerde aantakking op de rest van de stad  is nu precies de makke van Amsterdam-Zuidoost. Wat ik wel weer erg leuk vond is te beseffen dat de ring A10 geen negatieve invloed heeft op het scorepatroon. Binnen de ring of buiten de ring wonen, het maakt niet zoveel uit. Wonen dicht bij de ring heeft zelfs grote voordelen. De ring als probleem lijkt eerder een politieke zorg, afgeleid uit statistieken, niet iets dat op stedenbouwkundig onderzoek is gebaseerd. Ik zou zeggen, liever de barriere van de Kostverlorenvaart slechten.

Tagged with: