Gehoord in Pakhuis de Zwijger Amsterdam op 28 februari 2012:

Een van de oprichters van Twitter, Dom Sagolla, sprak gistermiddag in Amsterdam, om precies te zijn in Pakhuis de Zwijger. Ik schatte hem niet ouder dan 35. Ik was een van degenen die de organisatoren hadden gevraagd om hem te interviewen. In de zaal zaten meer dan tweehonderd veelal jonge ondernemers. De meesten werken in start-up’s, waarvan Amsterdam er inmiddels vele kent; in kleine teams werken ze aan de ontwikkeling van nieuwe apps voor Apples en Androïds. Sagolla vertelde hen het verhaal van de oprichting van Twitter: de start in 2001 als Odeo, de eerste demo van april 2006, het jonge team en de aanvankelijke technische problemen, het ambacht van het maken, de visie (“you can change the world in 140 characters”), de tegenslag en de twijfel, toen de gelukkige komst van de iPhone in de zomer van 2007, de revolutie in 2008 (eerst het incident in Egypte, toen de terroristische aanslag in Mumbai, tenslotte de onlusten in Teheran) en ten slotte de doorbraak. Een revolutionaire opkomst van een klein bedrijf in amper vijf jaar. Voor de jonge ondernemers in de zaal een succesverhaal mèt tegenslagen, heerlijk om zich aan te spiegelen.

Echter wie zich een voorstelling van de toekomst wilde maken – ‘How do we get to tomorrow?’ was het thema –, kwam bedrogen uit. Gezien de snelle ontwikkeling van het medium is zoiets ook nauwelijks mogelijk. Op mijn vraag bijvoorbeeld hoe je van een medium als Twitter maximaal gebruik kunt maken bij de stadsontwikkeling in de toekomst, kon Sagolla alleen maar een praktisch antwoord geven: wees selectief wie je volgt, ga voor kwaliteit, gebruik de ‘timeline’ en: “Twitter geeft elk individu een hele krachtige stem.” Hij geloofde wel dat social media zeer geschikt zijn voor lokale samenwerking en actie, maar erg veel concreter daarin werd hij niet. Presentator Francisco van Jole vroeg hem of het waar was dat sommige mensen de laatste aardbeving in San Francisco via Twitter hadden opgemerkt nog voordat de schok in de stad was gevoeld. Sagolla greep naar zijn broek, haalde zijn iPhone als een revolver in een handomdraai uit zijn zak en deed voor hoe hij het twitterscherm snel observeerde. Na afloop kreeg ik nog een tip van Van Jole. Onder degenen die deze Rotterdammer volgt bevindt zich een grote groep goed geïnformeerde localo’s. Zo blijft hij op de hoogte van wat alles er in zijn eigen stad gebeurt.

Tagged with:
 

Collectieve intelligentie

On 28 februari 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning in the Public Domain’ (1987) van John Friedmann:

Hoe werken mensen samen in steden? Wanneer Richard Sennett de figuur van opbouwwerker Saul Alinsky (1909-1979) opvoert, doet hij dat om te laten zien dat er ook andere vormen van samenwerking bestaan dan consensusvorming aan de top. In ‘Together’ (2012) staat Alinsky en zijn aanpak in de Southside in Chicago model voor een coöperatieve werkwijze van onderop. Diens benadering, schrijft hij, is informeel, losjes, mensen samenbrengen, hen informeren, een open dialoog voeren. Sennett begrijpt het wel: “unite-and-fight has to be rethought, because clarity and precision do not animate local communities.” Vervolgens citeert hij Alinsky: “There are no fixed chronological points or definite issues. The demands are always changing; the situation is fluid and ever-shifting; and many of the goals are not in concrete terms of dollars or hours…” Ziedaar een werkwijze die verre van efficiënt is, maar wel buitengewoon effectief. Sennett spreekt zelfs van “dialogical exchange with a vengeance.” Wat bedoelt hij daarmee? Het is: het achterkamertjes-onderhandelen van het top-down samenwerkingsmodel, met zijn interne conflicten en rituelen die gezichtsverlies moeten voorkomen, wordt erdoor te kijk gezet.

Ook de Amerikaanse planner John Friedmann voert Saul Alinsky op in ‘Planning in the Public Domain’ (1987), zijn overzichtswerk van de twintigste eeuwse planning. Ditmaal staat Alinsky model voor een planningbenadering die een ideologie ontbeert. Alle andere vormen van sociale mobilisatie zijn juist sterk ideologisch gedreven, aldus Friedmann. “What ideology, if any, can an organizer have in a free society, working for a free society?”, citeert Friedmann Alinsky. “A free man working for an open society is in a serious dilemma. To begin with he does not have a fixed truth, he has no final answers, no dogma, no formula, no panacea.” Was Alinsky een nihilist? Nee, want hij schrijft: “In the end, [the free-society organizer] has one all-consuming conviction, one belief, one article of faith – a belief in people, a complete commitment to the belief that if people have the power, the opportunity to act, in the long-run they will, most of the time, reach the right decisions.” Friedmann wijst er op dat Alinsky het eigenbelang van mensen vooropstelt, waarop hij concludeert dat het hem er kennelijk alleen om te doen was de zwarte onderklasse van Chicago te geven waar ze recht op had. Was het zo banaal? Volgens mij was Alinsky ‘collectieve intelligentie’ op het spoor. Alleen, hij leefde nog in een wereld van grote ideologische tegenstellingen en kon alleen vanuit groepsbelangen opereren. Anno 2012 zijn we van die tegenstellingen eindelijk verlost. Wat rest, is geloof in mensen en in bottom-up processen die ons tot intelligent gedrag aanzetten. Of we geloven zelfs dat niet, en resteert alleen nog het geld. 

Tagged with:
 

Samenwerken

On 27 februari 2012, in participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen op de website van isocarp.org:

Niet alleen Amsterdam en Abu Dhabi, maar ook het Israelische Rahat won afgelopen najaar in Wuhan een Award for Excellence van de wereldorganisatie van planners, ISOCARP. Rahat werd in China vertegenwoordigd door planoloog Amos Brandeis. Een slimme man met veel onderkoelde, soms hardvochtige humor. Ik mocht hem graag. Tien jaar geleden werd hij door de Bedouïnen Nederzettingen Autoriteit gevraagd om de planning van een nieuw deel van de stad van 50.000 bedouïenen op zich te nemen, het geheel moet verdubbelen vóór 2020. Het nomadische woestijnvolk is bezig zich te vestigen op zijn eigen grondgebied, een flink eind ten zuiden van Tel Aviv. Joden en Moslims moeten hier vredig samenleven. Brandeis kende de Bedouïnen niet, maar antwoordde: “Why not?” Een paar dagen later zat hij al tegenover het stadsbestuur. De burgemeester vroeg hem om inzage in de plannen. Brandeis antwoordde dat men kon kiezen: òf hij maakte studie van de stad in zijn kantoor en kwam met een compleet plan naar buiten, òf ze gingen samenwerken. Voor de betaling maakte het niet uit, en de eerste optie was voor hem wel zo makkelijk, maar de tweede optie was natuurlijk beter. Waarop de oppositieleider in de gemeenteraad sprak: “This is the first time we were ever asked how we want our children to live. We cannot let this opportunity go. I ask you all to collaborate fully with the planner.” Met hulp van tientallen mensen ontwikkelde Amos het plan voor 12.000 woningen, rekening houdend met de wensen van alle betrokken stammen, zoals aangepaste woningen voor polygamie, aparte vertrekken voor vrouwen, enz. In 2004 begon de bouw met een eerstesteenlegging; de nieuwe woningen worden door de Bedouïnen zelf gebouwd. Een fraai staaltje zelfbouw dus.

Voor Brandeis betekende het winnen van de ISOCARP Award dat hij afgelopen januari werd uitgenodigd door de 88-jarige Israelische president om op zijn paleis te komen vertellen over de planning van Rahat. Shimon Peres had daartoe zelf het initiatief genomen nadat hij over het winnen van de prijs had gehoord. In plaats van klagen over regeldruk en lastige verdienmodellen, hadden ze het over samenwerken en ambitie. Brandeis: “He was enthusiastic, and immediately raised ideas and ways to help develop further the Bedioun city. He wants to bring Rahat to new levels of success and equality, and the Negev residents to a higher degree of co-existence.” Ik zag een foto van de planner en de president op de website van ISOCARP. Wat een geweldig initiatief, en wat een uitstekende president, een ware koning-filosoof! We wensen Amos en de Bedouïnen alle goeds toe.

Tagged with:
 

No Impact Man

On 24 februari 2012, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘No Impact Man’ (2009) van Colin Beavan:

Op zoek naar een eigentijdse Thoreau, stuitte ik op Colin Beavan. Een jaar lang probeerde deze New Yorker geen voetafdruk op aarde na te laten. Hij schreef er, net als Thoreau, een boek over, getiteld ‘No Impact Man’. Ik las het gretig. Het is weliswaar minder literair dan ‘Walden’ (1854), maar wel buitengewoon actueel en het tobt eigenlijk nog steeds met dezelfde vragen. Waarom kopen wij zoveel spullen? Waarom eten wij ongezond? Waarom belasten wij de aarde? Waarom richten wij ons niet meer op het immateriële? Is ons geluk dan zo verbonden met al die spullen? “A quick and partial inventory of the crap I found in our rubbish bags in only four days: 14 plastic coffee cups, 12 plastic straws, 19 paper napkins, 14 small paper bags, 9 sets of plastic cutlery (unused)….” Hij besluit met vrouw, hond en kind een jaar lang bewust te leven en zo weinig mogelijk de aarde te belasten. Het lukt hem wonderwel. En hij leert veel. Zoals: “In fact, according to Bill McKibben’s ‘Deep Economy’, small, local farms produce more food per acre than industrial farms and use land, water and fossil fuels more efficiently.” Over dat soort inzichten gaat zijn boek. Hij wil, schrijft hij op het eind, geen martelaar lijken, maar vraagt zijn lezers wel of ze niet net als hij hun leven willen veranderen. Dat is meer dan Thoreau durfde te doen. Thoreau trok zich terug in de bossen bij Concord en schreef over zijn eenvoudige leven in de natuur. Echter, hij liet aan zijn lezers over om zelf te beslissen hoe zij hun leven wilden leiden. Hij had aan zijn hut en zijn potten en pannen genoeg.

Thoreau en Beavan zijn typisch grootstedelijke fenomenen. Thoreau keerde het geciviliseerde Boston de rug toe en trok zich terug in de bossen bij Concord, Beavan deed zijn experiment vanuit zijn appartement in hartje Manhattan. Beiden waren niet geïnteresseerd in geld, wel in natuur, cultuur, kunst, religie, Boeddhisme. Waar de een de stad Boston zelden noemt, daar grossiert de ander in New Yorkse zaken. Je hoeft niet terug naar de natuur om zonder voetafdruk te leven – dat is de hoopgevende boodschap van Beavan. “Good Lord, man, “ National Public Radio presenter Scott Simon would say to me during an interview for Talk of the Nation, “isn’t the whole point of living in New York to enjoy the good life?” Eerst nog dacht Beavan dat zijn interviewer gelijk had (“Self-restraint. Crap!”), maar later komt bij hem het inzicht. “The truth is that we feel we can live comfortably using a bit less than we used to.” Niet dat dat genoeg is. Maar door oneindig goed te doen kan een mens veel schade compenseren. “All our potentials for good are unlimited.”

Tagged with:
 

Saul Alinsky

On 23 februari 2012, in planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Hoe werken mensen effectief met elkaar samen? Daarover gaat Richard Sennett’s nieuwste boek. Al vrij snel komt de auteur – hij is socioloog en filosoof tegelijk – te spreken over Saul Alinsky (1909-1972). Volgens Sennett was Alinsky de effectiefste opbouwwerker van de Verenigde Staten. Hij zet diens werkwijze, gepraktiseerd in de sloppenwijken van Chicago, af tegen die van politieke bewegingen en vakbonden als die van de ‘Daley machine’ (Daley was burgemeester van Chicago), waarbij hoofdpersonen liefst zaken doen in ‘achterkamertjes’, zich al snel in bureaucratieën hullen en vervreemden van hun achterbannen. Ressentimenten zijn het gevolg. Politieke partijen, aldus Sennett, denken fundamenteel anders over samenwerking dan opbouwwerkers als Alinsky. “His method of organizing was to learn from the streets of a community, gossip with people, get them together, and hope for the best; he never told people what to do, instead encouraging the shy to speak up, himself providing information in a neutral manner whenever it was requested.” Sennett leerde Alinsky persoonlijk kennen, deze kwam vaak bij zijn ouders thuis. “Funny as well as feisty – ‘booze’, he once told my mother, ‘is the organizer’s most important tool’ – he cast a spell over young followers, who have included Barack Obama and Hillary Rodham Clinton, both of whom later strayed from the master’s path.” Wat bedoelde Alinsky precies met ‘booze’? Letterlijk vertaald gaat het om zuipen, drinken. De gelagkamer als de plek waar mensen leren samenwerken? Nee, het is plezier en pret als grondslagen van samenwerking. Obama en Clinton zijn daar inderdaad ver van verwijderd geraakt.

Alinsky was ervan overtuigd dat zijn methode betere samenwerking produceerde dan die van vakbonden en politieke partijen. “Labor union organizers turned out to be poor community organizers.” Het ‘unite-and-fight’ principe wees hij van de hand. In plaats van de dialectiek van het politieke debat pleitte hij voor de open dialoog. “By getting together people who have never really talked, providing them with facts they did not know and suggesting further contacts the Alinsky-style community organizer hopes to sustain dialogical talk.” Over Alinsky oordeelde David Remnick overigens heel anders. In ‘The Bridge’ (2010) vertelt hij hoe Barack Obama en Hillary Rodney (Clinton) in Chicago geleidelijk afstand nemen van diens aanpak. Hoewel, Rodney schrijft een scriptie over hem waarin ze haar zorg uitspreekt over Alinsky’s aarzeling om de mainstreampolitiek in te gaan en veranderingen op grotere schaal te bevechten, en de hardwerkende Obama omarmt weliswaar de dialoog, maar het ‘booze’-element wordt bij hem minder. Voor Amsterdam, waar de stadsdelen zullen worden opgeheven, lijkt me het niettemin een relevant gegeven. De werkwijze van Alinsky, aangepast aan de Amsterdamse omgeving, zou ook hier goed van pas komen. Sterker, de nieuwe stadsontwikkeling van de hoofdstad zou in het licht van de crisis misschien wel in zijn geheel op die andere leest moeten worden geschoeid. Plezier en ‘booze’, een open dialoog, geen achterkamertjes, geen vervreemding, minder bureaucratie, wie wil het niet? Echte samenwerking wordt dan mogelijk.

Tagged with:
 

The City of Capitalism Rampant

On 22 februari 2012, in film, politiek, by Zef Hemel

Gezien op 20 februari 2012 in Amsterdam:

Terwijl mijn vrouw bioscoopkaartjes kocht voor ‘The Iron Lady’, trad Job Cohen terug als partijleider van de PvdA. De film die we even later gingen zien, gaat over een politiek leider. We zagen een 86-jarige Margareth Thatcher terugblikken op haar roerige carrière. Hoe anders was ze dan de fatsoenlijke Cohen. Hier vocht een ‘ijzeren dame’ zich meedogenloos naar de top. Opvallend was haar gebrekkige communicatie; die was er typisch een van ‘one to many’. Geen vraag stelde ze in de film, geen twijfel viel er in haar te bespeuren, ze had ook geen vrienden, het was alleen maar zenden; er ontbrak elk spoor van een dialoog. Thatcher haatte coalities, ze bleek louter ideologie. Met gevoelens, zei ze, had ze niets te maken, men moest vooral een dáád stellen. Dat deed ze dan ook. Terwijl buiten een burgeroorlog woedde en ze in Brighton door een bom van de IRA bijna een hotel werd uitgeblazen, zette ze haar oorlog tegen de eigen bevolking stug door. Uiteindelijk had ze een Falklands oorlog nodig om de sympathie van de bevolking terug te winnen. Het resultaat waren honderden doden. De democratie was op dat moment vrijwel buiten werking gesteld. Het parlement kon haar ten slotte alleen nog afzetten. Eenzaam en verbitterd verliet ze het politieke toneel. Hoewel er sympathie voor haar doorklinkt in het scenario, kan je dit gedrag en deze politiek van een vrouw alleen maar afkeuren. Nee, dan Job Cohen.

Sir Peter Hall schreef weinig vleiend over de periode-Thatcher. Het was er een van ijskoud populisme. In ‘Cities and Civilization’ (1998) typeert hij Thatchers politiek als een radicale afbraak van de verzorgingsstaat, “one result of was collapse of the urban order on the streets of Britain, of a kind never seen in the twentieth century.” Thatcher, schreef hij, noemde haar land ziek – moreel, sociaal en economisch. Nergens, aldus Hall, was dit duidelijker zichtbaar dan in Londen. “Thatcher did not teeter: her ruthless project for London was actually to assist the processes to their logical completion: through a creative combination of public spending and private enterprise, London would cease to be a centre of goods making and goods handling, and instead would devote itself wholeheartedly and enthusiastically to the new informational economy.” De uitkomst van haar stedelijke politiek was er een van toenemende verschillen, grote tegenstellingen, intense verdeeldheid, nee verscheurdheid. “The capital, like the country, was divided: inner city versus outer suburbs, west versus east.” De film gaat eraan voorbij, maar het land heeft er nog steeds last van. Welke scenarioschrijver staat op om een film te maken over Job Cohen in Amsterdam? Een film over moord en doodslag, jazeker. Met in de hoofdrol Job Cohen die ‘de boel bij elkaar houdt.” Een film met dialogen, vragen en twijfels; een film over democratie.

Tagged with:
 

Ingezonden brief

On 21 februari 2012, in economie, infrastructuur, internationaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 18 februari 2012:

Onder de kop ‘Amsterdam kan zich niet nog een bouwput veroorloven’ verscheen afgelopen weekeinde in de Volkskrant een ingezonden brief van Rudy Stroink, CEO van projectontwikkelaar TCN. Ik las zijn brief met stijgende verbazing. Na bijna twintig jaar rekenen en tekenen en onderhandelen kwamen in de voorafgaande week de bestuurders van rijk, provincie, stadsregio en stad met elkaar overeen om de snelweg A10 ter hoogte van de Zuidas over een lengte van 1200 meter onder de grond te brengen. Kosten 1,3 miljard euro, bouwtijd 8 jaar. In 2023 zal de klus zijn afgerond. Het besluit valt midden in de economische crisis. Je zou zeggen, een dapper besluit van minister Schultz van Haegen (VVD), Gedeputeerde Staten van Noord-Holland en wethouder Van Poelgeest (GroenLinks) van Amsterdam. Maar nee, Stroink wil eindelijk rust in Amsterdam en schrijft het besluit toe aan doordrukken door de hoofdstad; hij spreekt van “een onbedwingbare behoefte bij de gemeente om de Zuidas te helpen.” Na deze passage stelt hij de vraag of de investering het publieke belang wel dient. Terechte vraag. Woningen op de Zuidas? Die kun je beter elders bijbouwen, is zijn standpunt. Het ergste, schrijft hij, is die bouwput. “Waarom midden in een recessie die ons nog minimaal vijf jaar kwetsbaar maakt een redelijke functionerende ontmoetingsplek van internationale allure op de schop nemen? Een winkel ga je verbouwen als je zeker bent van betere tijden, niet als je je klandizie aan het verleiden bent.” Vervolgens stelt hij: “Amsterdam moet nu af.” Hij wil geen nieuwe bouwputten meer. En ja, je moet de weg helemaal niet onder de grond brengen. Het vastgoed kun je dan niet meer zien.

Waarschuwen is belangrijk, maar de timing is slecht. Wat me vooral stoort is het tendentieuze in de brief, de verdachtmaking die in dit boze landje toch al gretig gehoor vindt. Niemand houdt immers van Amsterdam, zeker nu de Amsterdamse regio zo’n succes heeft en de projectontwikkeling elders stilvalt. De problemen met de Noord/Zuidlijn, het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum maken de kwestie bovendien kwetsbaar. Ik ga niet – even tendentieus – vragen naar waar het bezit van TCN zich precies bevindt en of hier misschien zakelijke belangen spelen en ik ga niet wijzen op eerder genomen besluiten rond mega-investeringen voor het onder de grond brengen van stukken snelweg in Maastricht en Utrecht. En tja, een stad met een winkel vergelijken is onzin en nee, een stad is nooit af. De vraag van Stroink is terecht of de Zuidas-investering het wel waard is. Is woningbouw daar nou zo nodig? Moet daar wel een groot station worden gebouwd? Het was de markt die destijds aangaf dat Amsterdam dáár moest bouwen, dat Amsterdam nu eindelijk eens een stuk stad van internationale kwaliteit moest maken, met voorzieningen, woningen, parken van allure. Verrassend snel ontwikkelt de Zuidas zich tot een internationaal zakenmilieu. Dat eist meer dan wat er is, het wil levendigheid, voorzieningen, hogere standaarden. De concurrentie bevindt zich in Londen, Parijs, Frankfurt, Brussel, Wenen (zie foto) en Zürich; de Nederlandse overheid moet nu iets doen. Zeker, op een bouwput zit niemand te wachten. Maar de snelweg moet worden verbreed (naar 2 x 6 rijstroken) en het station kan de reizigersstromen niet meer aan. Een put is onvermijdelijk en anticyclisch investeren is het beste van de overheid op dit moment kan doen. Alle spoor blijft boven de grond, dus zichtbaarheid van al die mooie architectuur is verzekerd. In Rotterdam houden ze van bouwputten, dus waarom zou de hoofdstad er niet mee kunnen leven? Is ze geen teken van metropolitane dynamiek? Stroink kan beter constructief meedenken, in plaats van vermoeid achterover leunen.

Tagged with:
 

Het ‘silo effect’

On 20 februari 2012, in regionale planning, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

‘The Craftsman’ heette het eerste boek van socioloog Richard Sennett over vaardigheden die mensen in staat stellen een waardevol leven te leiden – het zogenaamde ‘homo faber project’. Het verscheen in 2008. Dingen maken en daar plezier aan te beleven wordt in de huidige tijd vervangen door vluchtig en weinig prikkelend werk, was de boodschap van Sennett in ‘The Craftsman’. Dingen maken kan ook denkwerk betreffen – ook dat wordt steeds moeilijker. Onlangs verscheen deel twee, getiteld ‘Together’. Het boek vertelt het verhaal van het samenwerken en hoe moeilijk dat eigenlijk is. Eigenlijk is het heel praktisch werk, dat samenwerken. “My focus in ‘Together’ is on responsiveness to others, such as listening skills in conversation, and on the practical application of responsivesness at work or in the community.” Ik ben het boek aan het lezen en ik moet zeggen, het is fascinerend en tegelijk huiveringwekkend. Deel drie is in de maak. Het zal gaan over het bouwen van steden. “They aren’t made very well today; urban design is a craft in peril.” U bent gewaarschuwd: “my hope is that understanding material craftmanship and social cooperation can generate new ideas about how cities might become better made.” Ziedaar het uiteindelijke doel van de reeks: steden worden steeds slechter gebouwd, maar het kan beter.

Zonder samenwerking kun je geen steden bouwen en zonder de vaardigheid om dingen te maken kun je niet samenwerken, het klinkt allemaal logisch. Elke maatschappij eist samenwerking, aldus Sennett. Maar management deelt mensen op in organisaties en eenheden; dit noemt hij het ‘silo effect’. Dat effect leidt ertoe dat mensen van elkaar vervreemden en dat er een antagonistische wij-zij-verhouding ontstaat die samenwerking juist belemmert. Door snelle wisselingen wordt die samenwerking nog lastiger gemaakt. Een jonge werknemer die in 2000 in dienst treedt, zal twaalf tot vijftien keer van werkgever wisselen. Managers zorgen ervoor dat mensen gemiddeld niet langer dan negen tot twaalf maanden in hetzelfde teamverband werken. Niemand raakt ingewerkt en ingespeeld op de ander. De moderne samenleving, aldus Sennett, leert mensen hun vaardigheden af om samen te werken. De uitkomst zijn slecht gebouwde steden: qua vorm homogeen en rigide, sociaal drukt de stad nauwelijks nog een persoonlijke of gedeelde ervaring uit. “These are unfortunately familiar complaints.” Door ‘The Craftsman’ en ‘Together’ te schrijven hoopt Sennett dat wij weer betere steden zullen gaan bouwen. Kunnen wij nog meester worden over onze omgeving? Ik hoop het. En ik zie uit naar het derde en laatste deel.

Tagged with:
 

Autostad

On 17 februari 2012, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘J.T.P.Bijhouwer’ (2011) van Gerrie Andela:

Jan Bijhouwer, geboren in Amsterdam op 15 november 1898, was een vooraanstaand landschapsarchitect. In 1927 bezocht hij Boston, Massachusetts; dat was zes jaar na beëindiging van zijn studie botanie in Wageningen. Zijn bestemming was Arnold Arboretum, de door Olmsted ontworpen bomentuin die tegenwoordig deel uitmaakt van Harvard University. Afgelopen jaarwisseling was ik er. Het arboretum is onderdeel van de Emerald Necklace, een zeven mijl lang stelsel van parken dat dwars door Boston voert en dat, naast Central Park in New York, tot het beste werk van Olmsted moet worden gerekend. Bijhouwer reisde op een fellowship van de Rockefeller Foundation, maar besloot een jaar langer te blijven. In zijn onderhoud voorzag hij door in Amerika werk te zoeken. Hij, amper 29 jaar oud, reisde in een T-Ford door het immense land. Gerrie Andela’s recent verschenen monografie van Bijhouwer opent met de reis, die volgens haar bepalend zou zijn geweest voor zijn latere leven. “De kleinschalige en overzichtelijke wereld van Nederland lag ver achter hem.” Hij zou er zijn echtgenote, Evelyn Oliver, leren kennen, die afkomstig was uit Maine.

In 1952 keerde Bijhouwer naar Amerika terug. Zijn vrouw was op het eind van de oorlog, door honger verzwakt, bezweken aan tuberculose. Opnieuw bezocht hij Boston. Zijn ‘Amerikaanse notities’ verschenen in het tijdschrift Bouw. Op dat moment beschikte elk gezin in Boston reeds over een auto; Bijhouwer keek er zijn ogen uit. Aan de zuidkant van Boston zag hij de dertig hectare omvattende ‘The Shoppers World’ – de eerste shopping mall, met parkeerterreinen voor duizenden auto’s. Andela: “Om de afstanden inzichtelijk te maken verplaatst Bijhouwer het naar een Nederlandse context, met Amsterdam als vergelijkbaar stadscentrum en de zuidgrens van Amstelveen als locatie voor het nieuwe winkelgebied.” Voor de lezers van Bouw, amper bekomen van de oorlog, zal het een ongekend moderne ervaring zijn geweest. Wel gek, want tien jaar later zou in datzelfde Amstelveen een begin worden gemaakt met de bouw van de Binnenhof, het winkelcentrum van het snel groeiende Amstelveen langs de snelweg A9. De parkeerterreinen zouden spoedig volgen, want het autobezit in ons land maakte midden jaren zestig een enorme inhaalslag. Amstelveen werd in één klap een autostad. En ondertussen plantte Amsterdam met Sloterplas, Nieuwe Meer, Amsterdamse Bos, Gijsbrecht van Aemstelpark en Amstelpark (Floriade 1972) zijn eigen modernistische Emerald Necklace. Amsterdam ging ineens op Boston lijken. Goed gezien door Bijhouwer.

Tagged with:
 

Guerilla advisering

On 16 februari 2012, in innovatie, participatie, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op 15 februari 2012 in Amsterdam:

Plug de Dag is een initiatief van drie jonge vrouwen, woonachtig in Amsterdam. Femke Haccou, Martine de Jong en Jetske Roetman – de een werkzaam bij de gemeente, de andere twee bij gerenommeerde adviesbureaus in Den Haag en Rotterdam – startten een jaar geleden een gezamenlijke adviespraktijk op locatie. Ze wilden minder met de auto naar hun werk en ze wilden uit hun dagelijkse routine. Ergens in Amsterdam, in telkens wisselende panden, strijken ze iedere woensdag neer; de ruimten staan doorgaans leeg; iedereen die wil kan bij ze aansluiten. Er wordt keihard gewerkt (voor de baas) en tussen de middag is er een gezamenlijke lunch. Tijdens die lunch wordt een maatschappelijk probleem opgelost dat speelt op de locatie waar ze op dat moment werken. Zo trekken ze de stad door, van pand naar pand, van kwestie naar kwestie; telkens zijn er weer andere dertigers die hen vergezellen, die hun laptop ergens inpluggen en die hen bijstaan in het oplossen van een probleem. Inmiddels is er een vaste kern van ‘Pluggers’, maar het netwerk staat open voor iedereen. Lekker eten is belangrijk, en gezamenlijkheid, locatie, afwisseling, inspiratie, telkens nieuwe ideeën. Plug de Dag voorziet voor betrokkenen in veel dingen, maar vooral in frisheid, in het gevoel van een "blijvende eerste ontmoeting."

Afgelopen week was ik er, samen met de twee andere ‘bazen’. We spraken over hun ervaringen tot nu toe. Het was een gesprek over wat dat nu is, een zelforganiserend netwerk. Allicht was het allemaal zoekend, intuïtief. Ik ontmoette dertigers die duidelijk iets anders willen, maar die niet precies kunnen duiden wat dat nu is. Er was ook geen sprake van een zich afzetten tegen bestaande praktijken, er was geen verzet, geen heilige missie, zelfs geen visie. Wel optimisme, openheid en een kwetsbaarheid die gemakkelijk werd toegelaten. Vluchtig leek het me allemaal wel. De vraag is of het beklijft en of Amsterdam hierdoor beter wordt. Wat me opviel was die wonderlijke mengeling van hoogstpersoonlijke drijfveren en maatschappelijke betrokkenheid die zonder gene werden geëtaleerd. Is dit een verwende generatie die het zich kan permitteren om uit de ‘verdienmodellen’ te stappen? Of zijn dit moedige jonge vrouwen die eindelijk het stadium van zelfverwerkelijking hebben bereikt? Lef hebben ze wel. En groot optimisme. Vol energie trapte ik mijn fiets terug naar huis.

Tagged with: