In dienst van de dingen

On 31 januari 2012, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 28 december 2011:

We hadden het er laatst nog over. Waarom we toch zoveel spullen hebben en of we ons niet van veel van die spullen moeten ontdoen. Judith de Leeuw is filmmaakster. In ‘Overal spullen’ filmt ze de relatie tussen mensen en hun spullen en stelt ze de vraag waarom we altijd maar meer spullen willen. Huize De Leeuw telt 15.734 spullen; het is de slotsom van een telling die De Leeuw begon in een loods waar ze haar inboedel naartoe transporteerde om de telactie te doen. “Aanvankelijk stapelt ze alles op in haar huis aan het Amsterdamse Singel, tot ze beseft dat ze, als ze alles wil uitstallen, acht keer de oppervlakte van haar huis nodig heeft.” Ze telt ze niet alleen, maar ze stickert en categoriseert ze ook nog. Ze wil haar spullen ‘managen’, “omdat ze het gevoel heeft dat ze als een wild beest op haar afkomen.” Nog zo’n herkenbare observatie: “Dat mijn zoon, toen hij net geboren was, al zoveel spullen had dat ze twintig keer zijn lichaamsoppervlakte in beslag namen.” Spullen, zegt De leeuw, zijn eigenlijk bedoeld om het leven makkelijker te maken. Maar we hebben tegenwoordig zoveel spullen in huis, dat de spullen ons de baas zijn, dat wij in dienst staan van de dingen.

Woningen staan tegenwoordig vol met spullen; zolders, kelders, kasten, schuren, garages, ze zijn er vaak helemaal mee volgestouwd. De woningbouwproductie lijkt ook niet meer van overheidswege aangewakkerd om mensen aan een dak boven hun hoofd te helpen, maar om de consumptie van goederen in en rond de woning verder op te voeren. Zo stimuleren we de economie. In ‘The Great Reset’ (2010) rekent de Amerikaanse econoom Richard Florida onze nieuwe omgang met spullen tot de kern van een nieuwe, meer duurzame leefwijze na de crisis. Zijn creatieve economie wordt gekenmerkt door de overgang van overwegend goederenproductie, ontaardend in ‘conspicious consumption’, naar een dominante dienstverlening. Stort de economie in elkaar als we voortaan minder spullen zouden kopen? Nee, natuurlijk niet. We zullen juist meer diensten gaan kopen. We kopen dan meer onderwijs, kunst, cultuur en beleving. Dat type werk heeft ook meer betekenis voor ons dan de seriematige productie van apparaten. Florida: “We have to move forward from this starting point to make service jobs even more innovative, more productive, and higher paying. We cannot stop until they pay better and afford a better way of life than manufacturing jobs did for a couple of previous generations.” En het mooie is, werken in de dienstverlening is lokaal en lastig uit te besteden. “These kind of jobs are among the most firmly rooted in specific places.” Steden kunnen er dus stevig van profiteren. Het enige wat we moeten doen is ons huishoudgeld anders besteden en de perverse prikkels uit onze economie halen die ons aanzetten tot de aanschaf van altijd maar meer goederen, woningen en auto’s. Judith de Leeuw ging ons al voor. Als we de spullen niet meer kunnen managen, zegt ze, dan is het misschien tijd geworden om te denken: jezus, waarom doen we dit eigenlijk?

Tagged with:
 

Dirty footprint

On 30 januari 2012, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Wat moeten we hier van denken? In hoofdstuk 8 van ‘Triumph of the City’ stipt Harvard-econoom Ed Glaeser het onderwerp van duurzaamheid aan. In ‘Dirty Footprint’ wijst hij erop dat steden als Houston en Atlanta door hun uitgestrektheid en lage dichtheid benzine vreten en daardoor een enorme ecologische voetafdruk bezitten. Daarbij voegt hij elektriciteitsverbruik, koeling en verwarming, waarna hij komt te spreken over het klimaat. In het zuiden en midden van de USA zijn de zomers heet, aan de oostkust zijn de winters koud. In deze streken wordt bijgevolg veel energie verbruikt. “Coastal California is by far the greenest part of the country.” Dus waarom leven er niet meer Amerikanen in Californië?, vraagt hij zich af. Er is daar ruimte genoeg. Er zouden er nog miljoenen mensen kunnen wonen. Zelfs in het hart van Silicon Valley, langs route 280, ervaart de automobilist het landschap als “an open Eden”. Toch is de bevolkingsgroei er dramatisch teruggelopen na 1990. “Over the last seventeen years, Silicon Valley has been one of the most productive places on the planet, but its population growth has lagged behind the rest of the nation’s.” Ed Glaeser begrijpt het niet. Uit oogpunt van duurzaamheid zouden minder mensen in Houston en Dallas moeten wonen, en juist veel meer in Silicon Valley. Het klimaat is daar gunstiger, de inkomens zijn er hoger, en ook de prijzen van onroerend goed lachen je toe.

Het antwoord weet hij. Volgens hem worden in Silicon Valley te weinig huizen gebouwd. Dat komt doordat de milieubeweging woningbouw verhindert. In 2000 was al een kwart van het land in de Bay Area beschermd gebied. Hij wijst erop dat de milieuactivisten daar zeer trots op zijn, maar trekt hun triomf in twijfel. Wanneer milieubeschermers de bouw in bepaalde gebieden verhinderen, dan zal die bouw elders neerslaan. Vaak zijn die plekken ongunstiger gelegen. “While limits on California’s growth may make that state seem greener, they’re making the country as a whole browner and increasingly carbon emissions worldwide.” Ik moest onmiddellijk denken aan de grote steden in de Randstad. Vooral rond Amsterdam wordt veel grond tegen woningbouw beschermd. Nee, het is erger. Zelfs IJburg tweede fase lijkt niet van de grond te komen. Maar als Amsterdam zelfs IJburg II niet bouwt, dan zal de woningbouw elders neerslaan. Grote klimaatverschillen kennen we binnen Nederland niet. Maar de afstanden tussen woning en werk kunnen wel flink oplopen. Is er iemand in Nederland die hier op let?

Portland’s sociaal kapitaal

On 27 januari 2012, in duurzaamheid, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Better Together’ (2003) van Robert Putnam en Lewis Feldstein:

Sociaal kapitaal. Dat begrip hanteren de Amerikaanse sociologen Putnam en Feldstein in hun zoektocht naar nieuwe gemeenschappen in Amerikaanse steden. Het begrip staat voor de verbetering van de levens van mensen in de steden door samenwerking en actieve participatie. In ‘Better Together’ beschrijven de auteurs nieuw sociaal kapitaal in liefst twaalf steden. Een van die steden is Portland, Oregon. Ik raadpleegde het boek, niet alleen omdat sociaal kapitaal op zichzelf mij interesseert, maar ook om op de vraag of het benutten van sociaal kapitaal ook leidt tot betere plannen een antwoord te krijgen. Beter in de zin van: duurzamer, de ecologische voetafdruk verkleinend. In de huidige crisis, met zijn zoektocht naar nieuwe vormen van gebiedsontwikkeling, zou dat goed van pas komen. Sterker, wat minder nadruk op grondprijzen, erfpacht, vastgoed en woningproductie lijkt mij bitter noodzakelijk. Zelfs spontanestadremedies zouden wel eens minder effectief kunnen blijken dan het werken met sociaal kapitaal. Portland dus, ooit een geliefde bestemming van dure Nederlandse planologische excursies gericht op light railsystemen en duurzaamheid. Werkt het?

Een van de bronnen van Putnam en Feldstein is een studie van Steven Johnson naar de planning van Johnson Creek. Die rivier stroomt door Portland voordat hij uitmondt in de Willamete River. In meer dan vijftig jaar werden niet minder dan zesenveertig rapporten geschreven en plannen gemaakt om het verstedelijkte stroomdal van de Johnson Creek – groot 45 vierkante mijl – schoon te krijgen en te temmen. Want de rivier zorgde voor veel overlast, er waren veel overstromingen. De plankosten groeiden tot astronomische bedragen; het tijdverlies was dramatisch. De uiteindelijk voorgestelde oplossing kostte ook nog eens tien miljoen dollar; alleen voor de rijke buurten bleek te zijn gezorgd. Bewoners waren het op een gegeven moment helemaal zat. Gedwongen door hun protesten verzette de overheid uiteindelijk de bakens. Bewoners en ondernemers werden nu actief gemobiliseerd. Ook benaderde de gemeente niet minder dan 175 nonprofit organisaties met het verzoek om hulp. Het werd een groot succes. Meer dan 6.000 van de 175.000 duizend inwoners besloten actief te participeren. “Urban watershed management is as much about mastering the art of civic participation as it is about the science of ecosystem management.” Denk nu niet dat die participatie alleen bedoeld was om draagvlak te verwerven. De inhoud van de plannen veranderde; ze werd duurzamer, rechtvaardiger en ook nog goedkoper. “The organizing principle changed from flood control to resource preservation.” Ja dus, het werkt.

Tagged with:
 

Ongewoon vitaal

On 26 januari 2012, in demografie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 november 2011:

Op het verkeerde been gezet door een enorme afbeelding van een schilderij van Rembrandt, vergat ik het bijbehorende krantenartikel te lezen. Echter, de reproductie was weer zo boeiend dat ik het artikel toch uitknipte en bewaarde. Nu las ik het. Het betreft een demografisch onderzoek naar de levensverwachting van kunstenaars in de zeventiende eeuw. Frans van Poppel, Dirk van der Kaa en Govert Bijwaard distilleerden uit 108.000 levensbeschrijvingen in totaal 15.000 Nederlandse kunstenaars, geboren tussen 1500 en 1909. Wat bleek? Kunstenaars geboren voor 1500 werden gemiddeld 63 jaar oud. Vanaf de Gouden Eeuw daalt hun levensverwachting naar zo’n 55 jaar. Die daling zou verband houden met pestepidemieën. "Voor de Zeeuwen duurt de dip het langst, maar die leefden in het algemeen korter, mogelijk doordat ze naast pest, pokken en cholera ook te lijden hadden van overstromingen, malaria en door verzilting vervuild water." Na de zeventiende eeuw constateren de onderzoekers in de levensverwachting weer een stijgende lijn, om na 1850 het eerbiedwaardige getal te bereiken van 70. Begin twintigste eeuw is ze zelfs 75 voor mannelijke kunstenaars respectievelijk 79 voor vrouwen.

Kunstenaars behoorden tot de middenklasse, ze leefden in steden, dicht bij hun clientèle, maar ze behoorden daar niet tot de elite. Tot diep in de negentiende eeuw waren steden demografische ‘zwarte gaten’, ze hadden open riolen, stinkende grachten en zaten vol met ratten en ander ongedierte. Je werd er snel ziek en je ging er vroeg dood. Toch werden kunstenaars gemiddeld ouder dan de elite, die doorgaans leefde op het veel gezondere platteland. Voor de demografen was dit een opzienbarende uitkomst van hun onderzoek. Hoe kan dat nou, in de stad wonen en toch oud worden? Naar een verklaring, zo lees ik, moeten ze gissen. Was het omdat schilders en beeldhouwers zelden ten strijde trokken? Of omdat ze over weinig personeel beschikten, dat dikwijls ziektes overbracht? Ze weten het niet. "Misschien waren kunstenaars wel ongewoon vitaal." Zeker, dat is mogelijk. Maar een andere verklaring is ook denkbaar. Misschien waren de steden om in te wonen, ook toen, zo slecht nog niet. Wel voor de onderklasse natuurlijk, maar niet voor de middenklasse. Dat zou betekenen dat historici hun oren hebben laten hangen naar de mening van de elite, die het land verkoos boven de stad, ver weg van het plebs. Maar dat land was, goed beschouwd, helemaal zo gezond nog niet. Is het denkbaar?

Tagged with:
 

Het mirakel van Amsterdam

On 25 januari 2012, in sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 21 januari 2012:

Goed nieuws, nee heel goed nieuws. “Voor het eerst hele stad tevreden met eigen buurt”, kopte afgelopen zaterdag Het Parool op de voorpagina. Wat blijkt? Voor het eerst in tien jaar zijn alle Amsterdammers tevreden met hun eigen buurt. Ja, ook in de Bijlmer. Dat blijkt uit onderzoek dat de gemeente en de woningbouwcorporaties onlangs hebben laten uitvoeren. Tien jaar geleden kregen nog veertien buurten een onvoldoende. De snelste stijger is nota bene de buurt die twee jaar geleden nog zwaar onvoldoende scoorde: Overtoomse Veld. Maar het goede nieuws wordt nog beter. Het gemiddelde rapportcijfer dat inwoners aan hun eigen buurt gaven steeg van 6,9 in 2001 naar 7,3 in 2011. Het hoogste cijfer dat mensen aan hun buurt toekenden was een 8. Dat rapportcijfer ging uiteraard naar de westelijke grachtengordel en naar landelijk Noord (Ransdorp, Holysloot). Een gemiddelde van 7,3 is dus vrij uitzonderlijk en geen onvoldoende meer is voor een grote stad ronduit opzienbarend. Dacht u nu heus dat steden als Parijs of Berlijn, laat staan Londen, over de hele linie ooit positief scoorden?

Vanzelfsprekend werd er in de krant onmiddellijk naar een verklaring voor het wonder van Amsterdam gezocht. De onderzoeker van de woningbouwcorporaties schreef het resultaat toe aan de herstructureringsoperaties van de woningbouwcorporaties en de stadsdelen. Er was, zei hij, gewoon in de gebouwen geïnvesteerd. Ook het onderhoud aan de openbare ruimte zou aan het positieve oordeel hebben bijgedragen. “De leefbaarheid in aandachtswijken kruipt langzaam richting het niveau van het stedelijke gemiddelde.” En verder meende hij dat bewoners hun buurt bewuster kiezen. En ook dat Amsterdam gewoon een heel aantrekkelijke stad is geworden. Wat mijzelf vooral opviel was dat bewoners meer het gevoel hadden dat hun medebewoners zich betrokken voelen bij hun buurt. Ook dachten zij overwegend positief over hoe hun buurt zich de komende jaren zal ontwikkelen. Dat lijkt mij minder met stenen stapelen te maken te hebben, ook omdat door de crisis er weinig meer wordt gebouwd. Zou er niet sprake kunnen zijn van eigen initiatief? Gewoon van een groeiend sociaal verband over de volle breedte in de stad zonder dat de woningbouwcorporaties of de stadsdelen daar direct de hand in hebben gehad? Een spontane mentaliteitsverandering? Wat meer vriendelijkheid op straat, wat meer warmte, en dat mensen elkaar hebben aangestoken? Mijn eigen ervaring is dat wanneer ik besluit positiever in het leven te staan, de stad mij direct toelacht en ik overal schoonheid zie en mensen mij ook gaan toelachen. Ik weet het niet. Ik had het de bewoners van Amsterdam graag willen vragen.

Tagged with:
 

Te mooi om waar te zijn

On 24 januari 2012, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Town Planning in the Netherlands since 1800’ (2011) van Cor Wagenaar:

Vlak voor de kerst verscheen een meer dan zeshonderd pagina’s tellend boek over twee eeuwen Nederlandse stedenbouw: 1800-heden. Auteur Cor Wagenaar is historicus, hij doceert aan de TU Delft. Het fraai uitgegeven overzichtswerk getuigt van grote ambitie en noeste arbeid. Eerlijk gezegd komt het niet vaak voor dat de discipline zo’n groot overzichtswerk krijgt toegespeeld van een eminent historicus. En dan nog wel geschreven voor een internationaal publiek. ‘Rule and Order’ van Andreas Faludi (1994) was volgens mij de laatst serieuze poging daartoe, want van ‘Ruimtelijke Ordening’ van Van der Cammen en De Klerk (2003) bestaat bij mijn weten alleen een Nederlandstalige editie. De ondertitel van het nieuwe boek luidt: “Responses to Enlightenment Ideas and Geopolitical Realities.” De ruimtelijke ontwerpdiscipline wordt in de context geplaatst van politiek, economie en cultuur. Hier herkennen we de Groningse school van Taverne. Het hele boek gelezen heb ik nog niet. Wel de index. De meest genoemde geografische aanduiding in het boek is Amsterdam, op de voet gevolgd door Rotterdam, vervolgens is er lange tijd niets, eerst daarna komen Duitsland, Berlijn, dan Engeland en Frankrijk. De twee grote steden zetten dus de toon. Bij het namenregister is de dominantie nog opvallender. Bovenaan prijkt H.P. Berlage, gevolgd door J.J.P. Oud, een trap lager staan C.van Eesteren en M.Granpré Molière, gevolgd door Werner Hegemann en Camillo Sitte; pas daarna is het S.J. van Embden, die zelfs Le Corbusier nog de loef afsteekt. Niet het modernisme, maar de traditie wint het bij Wagenaar, dat is het nieuwe historische beeld.

Ronduit vleiend vond ik het einde van het boekwerk, waar Wagenaar over de nieuwe structuurvisie van Amsterdam reflecteert. Hij vergelijkt de visie met niet minder dan het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934. De visiekaart staat over liefst twee bladzijden afgedrukt. Wagenaar: “Accepted by the municipality in 2011, it is a brilliant reminder of Van Eesteren’s general expansion plan of 1934.” De kartografie herinnert hem aan de hoogtijdagen van de planning (de jaren dertig), in de opzet blijken de lessen van Jane Jacobs te zijn geleerd, landschap en infrastructuur worden principieel regionaal benaderd, de stad wordt voorbereid op een olie- en gasloos tijdperk, de ambitie is om jong talent aan te trekken en het internationale milieu van de Zuidas wordt stevig neergezet. In alle opzichten, schrijft hij, draagt de Amsterdamse visie duurzaamheid uit. Tegelijk klinkt er argwaan in zijn lovende commentaar. Wagenaar is bang dat dit alles plaatsvindt in een context die de economie vooropstelt en dat de schoonheid van de visie eerder voortkomt uit citymarketing dan uit de inhoud van het beleid. “While they make full use of the tremendous advertizing potential of urban imagery, they largely lack the means to actually implement the – invariably beautiful – visions they conjure up.” Eigenlijk vertrouwt hij het zaakje niet. Ook al is de visie nog zo mooi, Amsterdam zal hem, Wagenaar, eerst moeten overtuigen.

Tagged with:
 

Hokjesgeest

On 23 januari 2012, in stedenbouw, wonen, by Zef Hemel

Gezien in ‘Nederland van boven’ van de VPRO op 17 januari 2012:

Was weer een boeiende editie van ‘Nederland van boven’. Ditmaal over hoe wij Nederlanders wonen. Opnieuw bepaalde de beeldregie grotendeels het verhaal, we zagen van vrijwel elke provincie een mooi fragment (ontbrak Overijssel? Aan het twitteren te merken van wel). Stad en land werden afgewisseld, niemand kon klagen, iedereen werd keurig bediend. Er was ook goed gewaakt voor Randstad-centrisme. De stad Utrecht speelde weliswaar een hoofdrol – het middelpunt van Nederland –, en na het grote Amsterdam kwam direct aandacht voor Rotterdam, (dat was natuurlijk erg belangrijk), maar de nieuwe inwoners van Blauwestad in Groningen kwamen uit de Bollenstreek en speelden een belangrijke nevenrol; die waren daar dik tevreden, ook al werd hun eilandenrijk door de bevolkingskrimp niet afgebouwd. Geef ze eens ongelijk! En verder natuurlijk aandacht voor Urk. Golven van regionaal chauvinisme spoelden door de twitterosfeer. Wat we zagen waren vooral de resultaten van VINEX: Vathorst (Amersfoort), Stad van de Zon (Heerhugowaard), Blauwestad (Winschoten), Almere, Oostelijk Havengebied en niet te vergeten Brandevoort (Helmond) en Haverleij (Den Bosch). Veel gekke retro. Wat me opviel was het grote verschil tussen het rijke Brabant en het arme Groningen! Vooralsnog lag het land er welvarend bij.

Daar verscheen ineens de planoloog in beeld, onder ons, in een blauwe helikopter tegen een achtergrond van overwegend bos. Volgens de commentaarstem plaatste hij “ons het liefste in hokjes”. Boze vermoedens werden bewaarheid. Werkelijk, de mensen beneden werden door die planoloog letterlijk in vakjes geduwd! Even later zagen we bestrate woonerven van Almere met hoekige muren en meerdere auto’s op het eigen terrein – volgens de planoloog waren we hier onmiskenbaar in ‘betaland’ –, vervolgens keken we op de daken van de mensen in het Amsterdamse Oostelijk Havengebied – opnieuw zagen we hokjes, maar nu op de platte daken, heel krap, als luchtplaatsen voor gevangenen. De planoloog sprak ondertussen over alfa’s, die zich makkelijk laten stapelen en die houden van een gemengde, rommelige buurt. Die rommeligheid beneden zagen we echter niet. In werkelijkheid vloog hij ook boven het Gooi en vertelde hij een verhaal over landschappen en over hoe mensen, net als dieren, hun eigen woonstek zoeken. Over hoe beta’s de rechte lijnen van de droogmakerijen accepteren en hoe alpha’s het veel lossere zand en de rommelige stad prefereren. Maar ja, dat landschap, dat was waarschijnlijk een te moeilijk verhaal. En is het niet aanlokkelijk het cliché te vertellen over de planoloog die mensen het liefst in hokjes plaatst? Misschien had die planoloog het er ook wel naar gemaakt. Ik proefde verzet. Mensen willen nu eenmaal zelf beslissen, ook al vertonen ze kuddegedrag. Weg dus met de planologen!

Tagged with:
 

Food, fun and friends

On 20 januari 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Odyssey’ (1987) van Johan Sculley:

Een stad is geen bedrijf. Toch kan een planoloog veel leren van een onderneming als Apple. John Sculley, destijds topman van het Californische computerbedrijf, beschrijft in ‘Odyssey’ hoe de onderneming na de moeilijke beginjaren ‘80 weer overeind krabbelt. De Macintosh slaat eerst niet aan, de markt laat het afweten, het product wordt niet ondersteund door andere bedrijven en het personeel verliest alle vertrouwen in de leiding. Steve Jobs wordt door Sculley aan de kant gezet en Steve Wozniak verlaat het bedrijf. Echter, Wozniak wordt later weer door Sculley teruggehaald. Samen met Alan Kay gaat Hij de wereld over om presentaties over Apple te geven. In een half jaar tijd vertellen de twee ruim tachtig keer over Apple een geloofwaardig toekomstverhaal. Sculley: “Woz’ homecoming was momentous.” Het verhaal over Apple dat Steve Wozniak keer op keer vertelt slaat aan. “Happiness is the only thing life’s about,” stelde Wozniak. “You don’t buy a computer unless you think it’s a road to greater happiness. You don’t do anything in life unless it’s for happiness. That’s the only way you can measure life, by the number of smiles per day. It’s food, fun and friends.” Het verhaal gaat over zingeving en wat de producten van Apple kunnen betekenen voor gewone mensen. Die gaan daardoor weer geloven in Apple. Woz probeert ze niet te overtuigen, maar inspireert. Wozniak blijkt ook geen nerd, maar iemand die werkelijk communiceert.

Het succes deed me denken aan een klein boekje dat ik met de jaarwisseling van Han Admiraal kreeg. Admiraal ontmoette ik in China. Mijn verhaal over ‘Wikicity’ sloot aan bij zijn aanpak. Uit een oplage van 150 boekjes stuurde deze managementconsultant van Emprodes uit Rotterdam een genummerde exemplaar naar mijn werkadres. In ‘Over dialoog gesproken’ zet hij zijn managementfilosofie uiteen. Participatie van burgers in beleidsprocessen, schrijft hij, is niet meer weg te denken. Bestuurders kunnen geëmancipeerde burgers niet meer overreden met overtuigingskracht alleen. Dialoog is onderdeel van hoe mensen zich in de postmoderne samenleving met elkaar willen verstaan. Vervolgens citeert hij Harry Kunneman, docent aan de school voor de Humanistiek in Utrecht, die aansprekende verhalen ziet als enige wat bestuurders en ambtenaren nog rest. “Geen grote verhalen, wel kleine, persoonlijke verhalen. Verhalen over hoe mensen de wereld beleven, hoe zij tegen nieuwe ontwikkelingen aankijken. Verhalen die tot verrijking leiden en tot besluitvorming waar iedereen zich in kan herkennen.” Admiraal besluit met de opmerking: “Alleen een samenleving die zelf verantwoordelijkheid neemt, heeft toekomst.” Een ‘civil society’ wordt, stelt hij, juist door persoonlijke verhalen geschraagd. Met andere woorden, planologen moeten toekomstverhalen gaan vertellen, niet over wat dreigt, wat mooi of onvermijdelijk is, maar verhalen met betekenisgeving. Ze moeten mensen niet willen overtuigen, maar de dialoog aangaan. Admiraal: “’Ik heb daaraan bijgedragen’ geeft iedereen een beter gevoel dan ‘ik heb me weer laten overreden’.”

Tagged with:
 

Knowledge City

On 19 januari 2012, in economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Boston beschikt niet alleen over een enorme concentratie culturele instellingen in Fenway, de concentratie ziekenhuizen, even boven Roxbury, is al even indrukwekkend. Zelden zag ik zoveel ziekenhuizen op zo’n klein oppervlak bij elkaar. Het is kenmerkend voor de stad; welbeschouwd bestaat ze uit talrijke gespecialiseerde campussen. Die rond de ziekenhuizen stamt uit de zeventiende eeuw, toen de medici van Harvard Medical School autopsieën pleegden in het kapelletje in Harvard Yard. Ed Glaeser schrijft in ‘Triumph of the City’ niet zonder plezier dat hij in dat kapelletje tegenwoordig les geeft. De Harvard-econoom gebruikt de geneeskunde als voorbeeld van de heruitvinding van Boston in de twintigste eeuw, toen de stad zich noodgedwongen moest oriënteren op haar vele onderwijsinstellingen nadat de industrie de stad had verlaten. De biomedische economie in Boston is een regelrechte spin off van deze succesvolle stedelijke politiek. Boston Scientific, ooit begonnen in Watertown, was een kweekvijver voor nieuwe bedrijfjes als Biogen en Genzyme. Novartis kwam naar Boston om talent aan trekken en vestigde zich in de voormalige snoepfabriek in Cambrigde (Necco Wafers), dicht bij MIT. Boston produceert niet alleen extreem veel medisch talent, de stad haalt zijn zieken ook van ver, geneest ze en zendt ze weer naar huis. Boston, aldus Glaeser, exporteert gezondheid op wereldschaal.

Een stedelijke structuur van campussen heeft niet alleen maar voordelen. Er zijn ook nadelen. Een nadeel is bijvoorbeeld dat er van een stedelijk centrum feitelijk geen sprake meer is. Het centrum van Boston lijkt te ontbreken. Het historische centrum heet nu financieel district – een gebied waar buiten kantoortijden eigenlijk niemand meer komt. De toeristenbussen, op zoek naar de begraafplaats van John Winthrop, rijden er door bijna lege straten. Als er van een centrum nog sprake is, dan lijkt die te liggen ten westen van Boston Common. Eigenlijk geldt dat voor elke campus: slechts op bepaalde tijden is het er levendig en druk, daarbuiten is het er uitgestorven. Om het stedelijk leven te ervaren moet je goed weten waar je op dat moment moet zijn en zit je voortdurend in de auto, op weg naar de plek waar het gebeurt. Het studentenleven speelt zich geheel af op de campussen, waardoor de rest van de stad feitelijk niets van dit opwindende uitgaansleven merkt en er ook allerminst van profiteert. Het lijkt een econoom als Ed Glaeser allemaal niet te deren. Hij geeft er les, maar woont elders, vermoedelijk net als zijn collega’s ver buiten de stad. Dat is het grootste, wèl erkende probleem van Boston, namelijk dat het verkeer op alle autowegen in en rond de stad in de spitsuren vast staat. Boston produceert extreem veel verkeer.

Tagged with:
 

De campus en de stad

On 18 januari 2012, in onderwijs, stedelijkheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Campus and the City’ (2007) van Kerstin Hoeger en Kees Christiaanse:

De campussen van MIT en Harvard in Boston en die van Stanford, Silicon Valley, maken wereldwijd furore. Iedere grote stad wil tegenwoordig binnen zijn grenzen wel zo’n vermaarde campus hebben. Kerstin Hoeger van de EHT in Zürich beschreef deze trend onlangs in ‘Campus and the City’ als volgt: “Worldwide, universities and their host cities are evolving into ‘knowledge cities’. University and corporate campuses thereby not only take on a central role for the cultural, economic and social development of the city, they are also establishing themselves as laboratories for a new Denkkultur.” Bijgevolg groeien steden en campussen naar elkaar toe, dat wil zeggen, een campus in de periferie probeert een stad in zichzelf te worden en een campus in de stad probeert zich angstvallig naar die gaststad te openen. De Uithof in Utrecht, de High Tech Campus in Eindhoven en Paddepoel in Groningen zijn voorbeelden van het eerste, de VU en de UvA in Amsterdam van het tweede. Jammer genoeg wil elke instelling die ook maar iets met kennis doet tegenwoordig een campus bouwen, waardoor steden een aaneenschakeling van campussen dreigen te worden. Vaak blijkt het niet meer te zijn dan ‘veel vastgoed op een afgebakend terrein’. De ratio is bezuinigen op beheer en exploitatie, het argument van kennisuitwisseling een doekje voor het bloeden. Alle stedelijkheid sijpelt ondertussen weg. Boston is daarvan een treffend voorbeeld. Vandaar dat Harvard een gemengd stedelijk gebied aan de stadse kant van de Charles River wil bouwen, om de bestaande campus met de stad te verbinden. Voor de steden is een campus inderdaad een weinig aantrekkelijk perspectief.

Immens zijn de campussen in Azië. Ik zag er laatst eentje in Guangzhou, China. Hij wordt gebouwd op een eiland in de Pearl River aan de zuidkant van de stad en is liefst 18 vierkante kilometer groot. In 2003 startte de bouw. Wanneer de campus voltooid is, zullen er 200.000 studenten wonen en werken, in totaal 350.000 mensen – studenten en staf ineen. Guangzhou telt op dit moment 12 miljoen inwoners, er zijn 30 universiteiten en hogescholen; tien daarvan worden in ‘Guangzhou University City’ ondergebracht. Zhu Wenyi, verbonden aan de Tsinhua Universiteit in Peking, typeert in ‘Campus and the City’ deze GZUC als ‘the first and the largest mega university campus in the world’. Ik begrijp het wel, de Chinezen zijn gewend aan steden die bestaan uit louter compounds; en een universiteitscampus is niets anders dan een zoveelste compound, ook al is het een hele grote. Ook Kerstin Hoeger vindt het opvallend dat in Azië geen toenadering tot de stad wordt gezocht. Maar voor haar maakt het uiteindelijk toch niet uit. “Each of the campuses featured in this book has found a unique strategy – based on its individual vision for the future – to deal with this conundrum. To what extent the desired development will match the intent is something that time alone will tell.” Het boek toont alleen de campussen, los van hun stedelijke context. En dat is tekenend.

Tagged with: