Mad Modernism

On 23 december 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The Chicago Tapes (1987):

Gevonden in de boekenkast bij het opruimen: The Chicago Tapes, een verslag van een architectenconferentie gehouden in juni 1986 op de Universiteit van Illinois, Chicago. Onderwerp: hoe verder met het modernisme in de architectuur. Deelnemers waren onder anderen Robert Stern, Stanley Tigerman, Cesar Pelli, Leon Krier, Michael Graves, Josef Kleihues, Peter Eisenman, Rem Koolhaas, en nog zo wat beroemdheden. Mooi om te lezen hoe Tigerman in zijn voorwoord zijn eigen stad Chicago typeert: niet alleen het geografische centrum, maar ook “more open and forthcoming than just about anywhere on the East Coast,” en: “without the viciousness endemic to such places as New York, where performance is, more often than not, measured by an exaggerated proportion of agitation and aggravation,” en ook: “an architectural Garden of Eden – the original center of America’s monumental modernist model”, nee zelfs “the last remaining American bastion of modernism.” Uiteraard refereert hij hier aan de werken van Louis Sullivan, Frank Lloyd Wright en Mies van der Rohe. In ieder geval getuigt het van een opmerkelijk staaltje stedentrots, waarin tevens weer die afgunst jegens andere, oudere, leukere steden doorklinkt, een sentiment dat Abram de Swaan ooit zo treffend typeerde als ‘voorstadgevoel’.

Mooi is hoe de Amerikaanse architect Robert Stern vervolgens kwam te spreken over Nederland. Het werk dat hij besprak betrof zijn verbouwing van een 125-jaar oude zilverfabriek in Voorschoten, in opdracht van een bekend modemerk. Stern: “To build in Holland is to confront a reverse cultural context from the American situation where we have very little collective building fabric; in Holland, the collective fabric is among the most consistently maintained that I’ve experienced.” Vervolgens komt hij tot zijn punt: “There is a quality of Dutch modernism which is slightly mad that I both admire and that scares me to death.” Daarmee bedoelt hij de verregaande perfectionering van het modernistische idioom in een omgeving die zelf het modernisme uitstraalt. Stern eindigt zijn bespreking met een bijzondere observatie: “Working in Holland has made me understand the reaction that the generation after the First World War had to the past in a way I could never imagine before. All that fabulously perfect environment, beautifully cared for, can drive you crazy. It lacks vitality. You want to take a sledgehammer to it.” Nederland is te perfectionistisch, te collectief, te keurig, het mist daardoor vitaliteit. Althans, bezien vanuit Chicago, ‘the architectural Garden of Eden’, in 1986. De VINEX-operatie moest toen nog beginnen.

Tagged with:
 

Etruskische lessen

On 22 december 2011, in cultuur, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Pierson Museum te Amsterdam:

In het Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam ging ik deze week de Etrusken bewonderen. Het betreft het ene deel van de dubbeltentoonstelling ‘Vrouwen met aanzien, mannen met macht.’ Het andere deel is in Leiden te zien. Intrigerend materiaal van een oud volk in het hart van Italië, in Toscane tussen Florence en Rome. Ik zag een grafkamer in een necropolis en het gereconstrueerd dak van een huis, en verder heel veel spullen. Van Etruskische steden echter geen spoor. Wel repte de introductiefilm over steden, of eigenlijk over een vereniging van Etruskische stadstaten. Maar het commentaar luidde dat dit losse verbond van steden, vaak op rotsen gebouwd, te zwak was om echt macht uit te oefenen, alsof macht gelijk staat met grote cultuur. De hoogstaande Etruskische beschaving werd vooral toegeschreven aan de zeevaart en de handel, niet aan de steden zelf. Waarom toch altijd die zeevaart? Waarom die nadruk op handel? Vreemd.

Je hoeft ‘The Economy of Cities’ (1969) van Jane Jacobs er maar op na te slaan om te beseffen dat juist de Etruskische steden de bron waren van alle welvaart en hoogstaande cultuur. “When Rome was still only an in consequential little settlement occupied by herdsmen (who were possibly also raiders) on a hill protected by ravines – the hill that was to become the Palatine – looking across at another hill occupied by the Sabines, the Etruscans had a dozen flourishing cities in Etruria to the north.” De drie oudste steden lagen aan de kust, de jongere – negen stuks – landinwaarts. Deze steden, aldus Jacobs, waren de eerste afzetmarkten van Rome. Hoe waren ze dat geworden? Door importvervanging. Zeker, ze hadden het kostbare metaal eerst moeten invoeren uit steden als Urartu in Klein-Azië, en dat is handel, maar al snel waren ze het metaal zelf gaan maken, met ertsen die ze aantroffen in de buurt van hun steden. “When the Etruscans shifted imports, their cities must have become expanding markets for materials they had previously bought either in much lesser amounts or not at all.” In de tentoonstelling was dit fraai te zien; ergens stond een amfora, maar die bleek Grieks, niet Etruskisch! En inderdaad, eens in de periferie van het Etruskische stedenstelsel groeide stilletjes Rome. Het stadje importeerde nog spullen uit Etrurië. De stad zou uiteindelijk de Etruskische steden gaan overvleugelen. Waarom? Niet vanwege macht of handel. Nee, omdat ook Rome uiteindelijk beter bleek in de kunst van importvervanging.

Tagged with:
 

Met dank aan New York

On 21 december 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 januari 2011:

Afgelopen jaar bestond Samsonite precies honderd jaar. Het Amerikaanse bedrijf vierde zijn eeuwfeest met de uitgave van een goudkleurige Cosmopolite-koffer. Ik las een korte bedrijfsgeschiedenis in Het Parool eerder dit jaar en op de website FundingUniverse staat over het bedrijf meer te lezen. Opnieuw een mooi voorbeeld van hoe intens een bedrijf met steden is verweven. Samsonite werd door de 28-jarige Jesse Schwayder opgericht in Denver, Colorado. Zijn eerste koffers waren van hout, zijn bedrijf was niet meer dan een buurtwinkel, een ruimte van 50 bij 150 voet die hij huurde in de binnenstad. Het vak had Schwayder geleerd in New York, waar hij had gewerkt bij de Seward Trunk and Bag Company. Een kwestie van kopiëren dus. Maar Schwayder deed het net even anders dan hij had geleerd in New York: “He realized that he was facing stiff competition from deep-pocketed luggage manufacturers. So, rather than trying to compete with other luggage companies on price, he would differentiate his products by quality and charge as high a price as the market would bear.” Zijn eerste koffer noemde hij ‘Samson’, vernoemd naar de sterke Bijbelse figuur. Zijn afzetmarkt was toen nog lokaal. Acht jaar later veroverde hij de stedelijke markten aan de oostkust van de VS. Voor het eerst stonden zijn koffers te koop in Macy’s, New York. In 1924 opende hij een hypermoderne fabriek in Zuid-Denver. Koffers werden er nu geproduceerd aan de lopende band. Tijdens de Grote Depressie daalde echter de omzet en schakelde de fabriek over op de productie van kentekenplaten, voederbakken voor honden enzovoort. Samsonite werd later, in de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog, zelfs ingeschakeld voor de wapenindustrie. Desondanks bleef Schwayder zijn kofferproducten innoveren. Synthetische materialen deden nu hun intrede. Specialiseren was het motto – het bedrijf maakte bijvoorbeeld koffers voor muziekinstrumenten. Vanaf 1956 ging het zijn producten exporteren naar Europa, Canada en Japan. De eerste Europese fabriek werd in 1966 gevestigd in Oudenaarde, België. In 1965 kreeg het bedrijf zijn naam: Samsonite. Het verkocht en produceerde nu ook LEGO. In de jaren ‘70 ging het naar de beurs, het was een multinational geworden: “it had 1,000 locations around the world, 8,000 different products, more than 65,000 employees.”

Ziedaar hoe Samsonite de wereld veroverde vanuit Denver, Colorado. Met dank aan New York. Jane Jacobs schreef erover in ‘The Economy of Cities’ (1969): “New cities do not arise by spontaneous generation. The spark of city economic life is passed on from older cities to younger.” Zo was het ook met New York zelf. “New York, far from having sprung from the Erie Canal (a mere artifact of New York), is more likely the great-great-great-great-grandcity of Urartu, say, by a descent that traces back through London, Venice, Constantinople, Rome, and Vetulonia or Tarquinii, oldest of the Etruscan cities.” Het jonge Denver, een stad nu even groot als Rotterdam, is dus dank verschuldigd aan New York. En misschien wel aan meer steden in de wereld. Zouden de oude Etruskische steden ook koffers hebben geproduceerd?

Tagged with:
 

Eenrichtingverkeer

On 20 december 2011, in afval, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘When a Billion Chinese Jump’ (2010) van Jonathan Watts:

Vanavond alweer de derde aflevering van de tiendelige VPRO-serie ‘Nederland van Boven’. Ik ben nog aan het bijkomen van deel twee. Dat ging over Nederland als doorvoerhaven van spullen. Het zag er allemaal fantastisch uit. De Rotterdamse haven werd voorgesteld als een heroïsch verdeelcentrum van goederen voor vijfhonderd miljoen Europeanen. We zagen hoe reusachtige containerschepen de Nieuwe Waterweg naderden. De duizenden containers die ze vervoerden bleken volgeladen met linkerschoenen, printerplaten enzovoort, ze naderden de ‘open muil van de hongerige delta’. We zagen vervolgens het ‘precisie-uurwerk’ van de moderne logistiek: onbemand, gerobotiseerd, grootschalig, op tijd. En ergens tussen al dat anonieme containergeweld, op het grootste natuurterrein van Nederland (de Tweede Maasvlakte), was een eenzame jager lieve konijntjes aan het doodschieten. “Iemand moet het doen.” De konijnen waren een gevaar omdat ze de dijkjes doorgroeven die bij calamiteiten de olie uit de leeglopende olietanks moeten opvangen. Dat neerknallen bleek nog niet gerobotiseerd. Maar gelukkig, dat ene hertje tussen de Mazarati’s dat de lak dreigde te beschadigen, had de jager gespaard.

Alle mooie, dure spullen die we zagen waren bestemd voor het Europese achterland. Maar wat gebeurde er met de containers als ze eenmaal waren geleegd? In Jonathan Watts’ “When a Billion Chinese Jump’ valt te lezen hoe de containers in Rotterdam gevuld worden met afval. In Zuidoost-China, in Guangdong, arriveert al dat ‘foreign rubbish’ van een dolgedraaide consumptiemaatschappij om er te worden ‘gerecycled’. Watts: “Carrier bags and bottles were shipped to Shunde and Heshan from London, Rotterdam and Hong Kong for chopping, melting and remoulding into pellets. In the electronic waste communities of Guiyu and Qingyuan, old computers, televisions and home appliances from the US, Japan and South Korea were stripped down and broken up.” Watts begrijpt het wel. “In handelstermen is het zeer voor de hand liggend om afval te verschepen en elders te laten recyclen.” De schepen varen van China naar het Westen, maar dreigen leeg terug te keren. Wat is er voordeliger dan ze te vullen met soms zwaar vervuild afval? “It was cheaper to send a container of waste from London to Guangdong on an otherwise empty ship than it was to truck it to Manchester.” Het gevolg: “People in other countries were being exposed to risks and pollution that wealthy foreign consumers were not willing to accept themselves.” Watts bezoekt Guiyu, ‘s werelds grootste begraafplaats van computers. Kinderen hebben er 50 procent meer lood in hun bloed dan gezondheidsorganisaties aanvaardbaar achten. Het brengt hem tot de volgende conclusie: “Rather than cut down on consumption, which would hurt economic growth, governments encouraged citizens to recycle, which appeared to be a clean, efficient alternative to burning and landfilling. But all too often this meant sending the waste overseas, particularly to China.” We zagen het vorige week allemaal niet. In de uitzending scheen boven Rotterdam vooral de zon.

Tagged with:
 

Elysische Velden

On 19 december 2011, in geschiedenis, monumentenzorg, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het beeld van de dood’ (1983) van Philippe Ariès:

Vorige week in het Tropenmuseum de tentoonstelling ‘De dood leeft’ gezien. Was het toeval dat we de week daarop in het kader van ‘Amsterdam Noir’ kwamen te spreken over begraafplaatsen in de hoofdstad? Niek Bosch en Bart Vlaanderen (DRO) weten er alles over te vertellen. Bijvoorbeeld over de vele Joodse begraafplaatsen rond Amsterdam. Waarom zo ver weg, helemaal in Diemen, Oost en Ouderkerk aan de Amstel? In ‘Het beeld van de dood’ (1983) schrijft Philippe Ariès dat alles begon in de vroegstedelijke beschaving van Mesopotamië. In het Mesopotamische wereldbeeld bestond naast de aarde het eiland Dilmoen. De Perzen noemden haar Paridaiza. Op Dilmoen woonde Utnapisjtim, de enige mens die de goden onsterfelijkheid hadden verleend. De Egyptische variant van Dilmoen waren de Eeuwige Rietvelden. Uit de combinatie van Dilmoen en Eeuwige Rietvelden boetseerden de Grieken later hun Elysische Velden. De stap naar het Christelijke Paradijs is dan nog maar klein. De ruimtelijke vorm is die van de begraafplaats. Buiten de stadsmuren van de Europese steden begroeven de burgers hun doden in ommuurde tuinen. Ariès ziet ze als tekenen van de ‘verplattelandsing’ van de samenleving. “De rijenbegraafplaats is een van de dominerende beelden uit een cultuur die niet meer zo’n specifiek stedelijk karakter heeft als die van daarvóór: de grafheuvels van de grote leiders nemen niet meer alle ruimte in beslag, zoals de graven van de honestiores dat deden bij de Romeinse steden uit de eerste en tweede eeuw.” Door stedelijke groei kwamen deze begraaftuinen later in het stadslichaam te liggen. Zo kregen ze alsnog hun stedelijke vorm. Tegenwoordig fungeren ze als stadsparken waar de levenden hun geliefde doden kunnen bezoeken. De Nieuwe Ooster en Zorgvlied zijn de Amsterdamse pendanten van Père Lachaise. Stedelijkheid en sterfelijkheid met elkaar verenigd.

Bespeurde ik enig misprijzen ten aanzien van Westgaarde? Het moderne Westgaarde ligt nog altijd buiten de stad, aan de rand van Osdorp. Het groene carré verheft zich er in de diepgelegen polder, goed zichtbaar door de ophoging en de vele beplanting. Het is het klassieke beeld van de omsloten tuin. De begraafplaats staat met de stad in verbinding door middel van de fraaie, met lindenbomen beplante Osdorper Ban. Hoe dichter je bij de begraafplaats komt, hoe breder de rij lindenbomen. In omgekeerde richting voert de weg je naar het drukke centrum aan de Sloterplas. Deze magistrale compositie van Cornelis van Eesteren – dood en leven met elkaar verbonden – paste hij eerder toe in Nagele, het in vele opzichten bijzondere dorp in de Noordoostpolder. In zijn oeuvre verwijst het naar een vroeg ontwerp van Ernst May voor een grote begraafplaats in Frankfurt. Het is een prachtige compositie, een monumentenstatus waardig. Mooi ook als ze straks wordt opgenomen in ‘De Tuinen van West’. De Tuinen van West met hun boerenland en verpozende stedelingen, ze worden de Elysische Velden van Amsterdam.

Tagged with:
 

A purpose, not a plan

On 16 december 2011, in muziek, by Zef Hemel

Gelezen in Lapham’s Quarterly 2010 nr 4:

De jonge Canadese planoloog Mitchell Reardon ontmoette ik eerst in Wenen, later in Wuhan, China. Vorige week maakte hij zijn opwachting in Amsterdam. Ik kreeg van hem een exemplaar van Lapham’s Quarterly van eind vorig jaar cadeau. Het nummer gaat over steden. Lewis Lapham zelf schreef het voorwoord, ‘City Light’. Het hele nummer staat vol met fragmenten uit de wereldliteratuur over steden, stuk voor stuk schitterend. Ergens achterin bleef ik steken. Het gaat om een interview met George Gershwin uit 1931. Gershwin: “Rhapsody in Blue, you see, began as a purpose, not a plan. I worked out a few themes, but just at this time I had to appear in Boston for the premiere of Sweet Little Devil. It was on the train, with its steely rhymths, its rattlety bang that is often so stimulating to a composer (I frequently hear music in the heart of noise), that I suddenly heard – even saw on paper – the complete construction of the Rhapsody, from beginning to end.” Gershwin was destijds amper 25 jaar oud. “By the time I reached Boston I had a definite plot of the piece, as distinguished from its actual substance.” Het later zo beroemd geworden stuk noemt hij een muzikaal kaleidoscoop “of our metropolitan madness.”

Zelf heb ik de pianoversie van de Rhapsody, gespeeld door Alicia Zizzo. Wat ik niet wist is dat zij de originele partituur uit de archieven opdook en dat wat lange tijd was gespeeld, gebaseerd was het tweede pianodeel van de orkestbewerking en dat daarbij liefst vijftig ingrepen waren gedaan, waardoor er weinig meer over was van het origineel. “The impact was enormous,” schreef Edward Jablonski in 1995. “Future generations were to play the Rhapsody in Blue in the style of the movies of the 1940’s when in fact it was written in the era of Rudolf Valentino and the silent cinema and Vaudeville!” Zelfs Gershwin werd het te gortig. Nog in 1933 kondigde hij aan naar zijn muziekuitgever te zullen stappen om de vele fouten recht te laten zetten, maar zijn vroegtijdige dood verhinderde hem dit te doen. Zizzo speelt uiteindelijk het origineel, zich daarbij baserend op het manuscript van Ferde Grofé, die het ooit voor orkest bewerkte. “Grofé respected Gershwin’s original manuscript completely, leaving the piano part totally intact.” Verdraaid! Ik hoor inderdaad de trein naar Boston! Boston, here we come!

Tagged with:
 

Le Corbusier chinois

On 15 december 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Urbanews.fr van 8 december 2011:

Josselin Thonnellier, verbonden aan het Institut d’Urbanisme de Grenoble, valt het op dat sinds de hervormingen van Deng Xiaoping alle uitbreidingen in de periferie van de Chinese steden op vrijwel identieke wijze plaatsvinden. Die vaststelling deed hij onlangs in de digitale nieuwskrant Urbanews.fr. Ik kan het beamen. Elke chinese stad gebruikt ongeveer dezelfde orthogonale motieven, waardoor ruimtelijke eenheden – doorgaans carré’s – worden gevormd die door autosnelwegen gemakkelijk worden ontsloten. Het geheel oogt als een ‘hyper-rationeel landschap’, volkomen gestandaardiseerd, ook in de hoogte, een machinelandschap dat vooral verwijst naar winstmaximalisatie voor ontwikkelaars en bouwbedrijven. “Point de départ des stratégies commerciales et immobilières, les secteurs offrent ainsi aux développeurs la possibilité de maximaliser la rentabilité de leurs projets jusqu’à standardiser le moindre de leurs éléments, de la hauteur des batiments en passant par le coefficient d’occupation des sols ou le taux d’espaces réservés à un usage ‘public’.” Toen ik het afgelopen najaar de nieuwe uitleg zag, schrok ik. Ik moest onmiddellijk denken aan het werk van Le Corbusier.

Het vreemde is dat Thonnellier de verbinding met zijn eigen verleden niet legt, maar in plaats daarvan de Amerikaanse suburbs als maatstaf voor vergelijking kiest: “certains secteurs des périphéries des grandes villes chinoises ressemblent de plus en plus et à s’y méprendre à de vastes complexes américains sécurisés.” Stellig doelt hij hier op de ‘gated communities’, hij moest er vooral aan denken, schrijft hij, toen hij ergens in deze chinese grids complete golfterreinen zag liggen. Hij realiseert zich dat Chinesen een rijk verleden hebben als het gaat om het wonen in afgesloten eenheden. Hij noemt ook de befaamde ilongs. Maar hij gelooft niet dat de Chinese steden hierop werkelijk teruggrijpen. “Loin de constituer un modèle hérité, celui des secteurs de la ville chinoise contemporaine correspond davantage à l’expression du syncrétisme de l’idéologie communiste, des traditions et d’un modèle capitaliste chinois en devenir.” Vreemd is dat. Thonnellier zou hierin toch Le Corbusier moeten herkennen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben veel Franse steden dergelijke hoogbouwwijken-in-het-groen gebouwd. Sterker, dit soort Bijlmerachtige structuren hebben uitgerekend de Fransen naar het buitenland geëxporteerd. Sinds kort dus ook naar China.

Tagged with:
 

Oneffenheden gladstrijken

On 14 december 2011, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Holleeder. De jonge jaren’ (2011) van Auke Kok:

Vandaag weer eens onze verbazing uitgesproken over het enorme succes van de Amsterdamse woningmarkt. Het aandeel koop was lange tijd laag, maar is de afgelopen jaren substantieel gegroeid en eigelijk genormaliseerd, het aantal kooptransacties is weliswaar iets afgenomen, maar nog altijd 6.000 per jaar (was 10.000 op het hoogtepunt, maar 3.000 was normaal). Alle woningen staan er piekfijn bij. En iedereen wil weer in Amsterdam wonen. Amsterdam staat binnen Nederland al een paar jaar nummer 1 op de woonaantrekkelijkheidsindex. En het is niet alleen de grachtengordel die zo aantrekkelijk is, binnen Amsterdam deelt een steeds groter gebied in het succes, het gaat nu al tot over de ring A10. In toenemende mate moeten de problemen op de Amsterdamse woningmarkt in de regio worden gezocht, niet in Nieuw-West, in Noord of in Jerusalem. Het is allemaal te danken aan de opbloei van de Amsterdamse economie, die nieuwe mensen aantrekt en die investeringen losmaakt, ook in vastgoed. Dat is wel eens anders geweest.

Het deed me denken aan Auke Kok’s boeiende geschiedenis van de jonge jaren van Willem Holleeder. Kok neemt je mee naar de Jordaan van de vroege jaren zestig. Je verwacht er veel van, maar er valt weinig romantisch aan die tijd aan te beleven. De grachten stonken nog, het waren open riolen. Vooral richting Brouwersgracht lag menig straat erbij “als een verkeersslachtoffer.” Kok: “Ramen waren dichtgespijkerd en sommige halfgesloopte huizen toonden hun ingewanden, bedekt met onkruid en aanplakbiljetten, golfplaten en prikkeldraad. Alles in de wijk was vaal en smerig.” Was het er werkelijk zo vies? Jazeker. “In de jaren zestig was de ellende hier niet meer zo ingrijpend als vlak na de oorlog, toen hele raamkozijnen waren verdwenen in illegaal gestookte kachels, en een wc een vorm van luxe was. Maar nog steeds hadden de meeste kinderen thuis geen douche. “ Leefden in de Jordaan rond 1900 niet minder dan 80.000 mensen, in de jaren zestig was hun aantal geslonken tot amper twintigduizend. Desondanks woonden mensen er nog dicht op elkaar en genoot de Jordaan de bedenkelijke status van achterbuurt. De gemeente wilde haar het liefste onmiddellijk slopen. Dat was nog geen vijftig jaar geleden. Mensen met enig historisch besef zullen zich realiseren dat de Amsterdamse woningmarkt op dit moment weinig problemen meer kent, behalve een paar oneffenheden, en dat ook die oneffenheden door de tijd zullen worden gladgestreken. Mensen die alleen in het heden leven denken nog altijd aan sloop en nieuwbouw, wat de crisis op dit moment gelukkig verhindert.

Tagged with:
 

Global Thought

On 13 december 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord op 12 december 2011 in Amsterdam:

In de Oude Lutherse Kerk – “Luther, is he present here?” – sprak Saskia Sassen ter gelegenheid van de opening van het Centre for Urban Studies, gevestigd aan de Universiteit van Amsterdam. Sassen is hoogleraar sociologie aan Columbia University, New York. Ze sprak over ‘The Urbanization of Global Networks’. Daarmee bedoelde ze dat in de netwerken die de wereld omspannen steden steeds bepalender worden, soms zelfs bepalender dan landen; immers, sommige steden bevinden zich “at the intersection of multiple mobilities, multiple histories, multiple stories”, soms gaat het ook om meer onzichtbare verstedelijking van mondiale netwerken. Van elke vorm gaf ze voorbeelden en ze hoopte maar dat het publiek dit ten minste als een mogelijkheid wilde aanvaarden. Zo bespeurde ze binnen landen assen van sleutelsteden, voor elk netwerk probeerde ze de bepalende steden te vatten. Voor China waren dat Peking en Hong Kong, volgens haar niet Shanghai. Voor Turkije waren het Istanbul en Ankara. In de Verenigde Staten zijn het New York, Washington en Los Angeles. Chicago voegde ze daar nog aan toe. In Europa noemde ze de as Berlijn-Frankfurt en meende daarmee de nodige controverse uit te lokken. Even later schaarde ze Brussel in het opmerkelijke rijtje. Ze prees de hoofdstad van Europa, vanuit wereldperspectief bezien achtte ze Brussel zelfs “a heroic attempt to develop soft power, unique in its effort,” en: “I wish the world had more of it.” Ten slotte noemde ze de “admirable axis” van Genève, Wenen en Nairobi. Die drie steden deelden volgens haar veel kennis over mondiale armoede, hongersnood en internationale hulpverlening. In haar artikel in Foreign Policy hierover had de redactie ze echter geschrapt. Alle steden die ze noemde beschreef ze als sterren aan het firmament en de stedenassen waren als sterrenbeelden. Er waren duizenden netwerken, zei ze, en in elk netwerk spelen weer andere steden een meer of minder strategische rol.

Steden worden ook in concrete zin steeds bepalender in het politieke en sociale domein. Ze maken nieuwe realiteiten. De Occupy-beweging noemde ze als treffend voorbeeld. Met zijn bezetting van stedelijke pleinen door middel van tenten wist deze beweging een nieuwe politieke realiteit te scheppen, alles heel fysiek want “they enter a territory of global finance and with their encampment they make the political, the social.” Occupy vond ze heel anders dan het gebruikelijke kortstondige demonstreren op straat. Hier werd een nieuwe democratie uitgevonden, sommigen bedreven er urban agriculture, mensen leerden talen, men bracht duurzaamheid in praktijk, en dat alles in de directe nabijheid van Wall Street. Het feit dat stad na stad zich aansloot zonder direct contact vond ze een sterk voorbeeld van het ontstaan van “emergent urban political systems” via mondiale netwerken. Het Tahrirplein in Caïro had model gestaan, zeker, maar de makers hadden er hun eigen betekenis aan gegeven. Occupy, zei ze, liet mooi zien “the capabilities of urban space,” oftewel hoe mensen zonder macht geschiedenis kunnen maken en dingen daadwerkelijk naar hun hand kunnen zetten. Kortom, iedereen opgelet: grote steden, gevat in mondiale netwerken, zijn bezig de wereld snel en ingrijpend te veranderen.

Tagged with:
 

Moving bodies

On 12 december 2011, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Human Web’ (2003) van J.R.McNeill & William McNeill:

Zo tegen het eind van het jaar maken we de balans op. Ondanks alle miljonairs die hier af en aanrijden in de richting van de RAI (Miljonairs Fair), ziet het komende jaar er beroerd uit. De crisis is nog lang niet voorbij, zeker in Europa wacht ons nog veel ellende, de klimaatverandering is allesbehalve gekeerd, politiek is de situatie verre stabiel, van de Tweede Kamer – ‘doe eens normaal, man’- hebben we niet veel te verwachten, de wereld lijkt af te stevenen op een catastrofe. In ieder geval kunnen we vaststellen dat de Nederlanders, hoewel weldoorvoed en tevredener dan ooit, niet kunnen doorgaan met feesten. Wie eenmaal in China is geweest, weet dat de wereld ingrijpend is veranderd. Er gaat iets onherroepelijks gebeuren. Het beste is nu om de grote steden in de gaten te houden. Want daar gebeurt het.

In de Leeuwarder Courant van dit weekeinde lees ik dat de noordelijke provinciale besturen opnieuw studie hebben laten verrichten naar de aanleg van de Zuiderzeelijn, tussen Groningen en Lelystad. Denken ze nou echt dat zo’n spoorlijn op dit moment prioriteit moet krijgen? Dit kan alleen maar aardgas zijn. Het is alsof je honderd jaar wordt teruggeworpen in de tijd. Wereldhistorici John McNeill en William McNeill schreven in 2004 dat de nieuwe netwerken die van elektriciteit en glasvezel zijn, niet die van de trein en de auto. En kapitaal is de economische groeimotor, niet goederen of diensten. “Capital flows accelerated when a great ‘financialization’ of the world economy began in the late 1970s. (…) This newly relaxed regulatory environment combined with new technologies to make it far easier to make money in finance rather than in production or trade.” Het gevolg was dat de economie in de jaren tachtig en negentig veel langzamer groeide dan daarvoor, maar dat sommigen op aarde wel schatrijk werden. “People who could offer capital in the global marketplace enjoyed a tremendous advantage once capital could migrate instantly with few restrictions. People who could offer only labor prospered much less, because moving bodies remained more expensive and slower than moving money – and more regulated too.”  We hebben het geweten. Amper drie jaar na het verschijnen ging Lehman Brothers failliet, en daarna ging het mis, goed mis. Is het wel tijd voor een nieuwe Zuiderzeelijn? Voor nog meer ‘moving bodies?’ Ik dacht het niet. Eerder voor een nieuwe Marx.

Tagged with: