IJburg 2e fase? Nee, het is Pearl!

On 30 september 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op Bakkum op 25 september 2011:

Zal IJburg 2e fase ooit nog worden gebouwd? Ik moest eraan denken toen een kennis afgelopen weekeinde begon uit te weiden over zijn anderhalf jaar durend verblijf voor olieconcern Shell in Qatar. In november gaat hij terug voor een korte vakantie. Zijn bestemming is Pearl voor de kust van Doha, de hoofdstad van het Emiraat aan de Perzische Golf. Pearl, vertelde hij, is een geweldige stadswijk op een kunstmatig eiland, door Belgische baggeraars onlangs opgespoten in een ondiep deel van de zee waar vroeger naar parels werd gedoken. In 2009 konden de eerste kopers hun appartementen betrekken. Uiteindelijk zullen er op de 400 hectare nieuw land 40.000 mensen komen te wonen. Mijn kennis vertelde over de levendigheid in het superieure winkelcentrum rond de kunstmatige baai waar de duurste jachten liggen en waar het goed toeven is tijdens de zeer warme avonden. Pearl is nu al uitgegroeid tot de populairste toeristische trekpleister van Qatar.

De snelheid en het gemak waarmee de kleine olie- en aardgasstaat Qatar het kunstmatige eiland aanlegt staat in schril contrast tot de traagheid en wijfelmoedigheid waarmee het aardgasland Nederland – nota bene thuisbasis van Shell – het project IJburg benadert. Vergeet niet, IJburg aanleggen en bebouwen is op termijn een winstgevende aangelegenheid. Het land van de baggeraars blijkt echter niet in staat de financiering van de 400 hectare op te spuiten zand in het ondiepe IJmeer te regelen, en op die manier een aantrekkelijke, levendige woonwijk toe te voegen aan de hoofdstad, zelf ooit bekend als ‘het Venetië van het Noorden’. Opnieuw dreigt uitstel. Zelden zag ik duidelijker de nieuwe mondiale verhoudingen in de vaderlandse stedenbouw weerspiegeld.

Tagged with:
 

Food desert

On 29 september 2011, in duurzaamheid, voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 24 september 2011:

Niet alleen de getto’s van Chicago, ook het chique Oud-Zuid in Amsterdam blijkt een ware food desert te zijn. Dat schokkende nieuws stond te lezen in Het Parool afgelopen zaterdag. Een 77-jarige inwoonster van de buurt vertelde de journalist van de krant over het vertrek van de laatste groenteboer en de bakker uit de buurt, ze zijn allemaal verdrongen door de dure modewinkels en de makelaars: “De laatste bakker verdween twee jaar geleden uit mijn straat. Nu is echt alles weg.” Het goede nieuws is dat de buurtbewoners zich hebben georganiseerd en vanaf afgelopen zaterdag elke week een voedselmarkt organiseren op de kruising van de Johannes Verhulststraat en de Jacob Obrechtstraat. Daar bevindt zich een aardig pleintje. “Van aardappels tot appeltaart, zolang het maar zo duurzaam en regionaal mogelijk is.” De bewoners peilden eerst de belangstelling in de buurt en regelden vervolgens het voedsel zelf: de inkoop, het vervoer en de verkoop. “Niemand van ons heeft verstand van markten, maar het is gelukt.” Honderd buurtbewoners vormen inmiddels een coöperatie die samen de markt organiseren. “Elke week zal een groepje leden van de coöperatie in een bestelbusje naar boeren in de omgeving van Amsterdam gaan om groente, fruit en aardappels in te kopen. Zaterdag verkopen ze alles dan weer in een kraam.” De markt zal bestaan uit zeventien kramen; de helft levert groente en fruit van de coöperatie, de andere helft is voor winkels uit de buurt. Door zelf in te kopen zorgt de coöperatie ervoor dat de prijzen laag blijven.

Het burgerinitiatief past in een trend die niet meer valt te veronachtzamen. Mensen stemmen met hun voeten, want door de middenstand worden ze niet bediend. Ze hebben hun buik vol van niet-duurzaam voedsel dat van over de wereld per vliegtuig wordt aangevoerd; in plaats daarvan kiezen ze voor milieuvriendelijk voedsel dat dicht bij huis wordt geteeld en dat in hun eigen straat wordt verhandeld. Desnoods sluiten ze de kringlopen zelf als een ander dat niet doet. De gemeente, als marktmeester, had overal kleinschalige markten kunnen introduceren, maar doet dat kennelijk niet. Wel verleende in dit geval het stadsdeel haar medewerking, dat wel. Het initiatief lag echter bij de burgers. Een duidelijker staaltje marktfalen ken ik niet. Maar ook een mooi voorbeeld van wat PBL-directeur Maarten Hajer noemt ‘de energieke samenleving’. De zon lachtte de leden van de coöperatie toe, daar in Oud-Zuid, die afgelopen zaterdag. Ik hoop dat hun ledental is verdubbeld.

Tagged with:
 

Stad van aankomst

On 28 september 2011, in stadsvernieuwing, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De trek naar de stad’ (2010) van Doug Saunders:

Morgen neemt Paul Scheffer afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Hij vertrekt naar Tilburg. In de PS bijlage van Het Parool van afgelopen zaterdag 24 september stond een interview met de vertrekkende hoogleraar. De afgelopen acht jaar bezette Scheffer de zogenaamde Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. Die leerstoel richt zich op grootstedelijke vraagstukken. Scheffer: “Over diversiteit hoeven we ons met 150 nationaliteiten geen zorgen te maken. Wat hebben we nodig aan gemeenschappelijkheid om het samen uit te houden? Dat is de vraag die mij de afgelopen acht jaar het meest heeft beziggehouden.” Zijn antwoord: een naturalisatieceremonie in de burgerzaal van het Paleis op de Dam, meer kennis van de eigen geschiedenis. In zijn onderzoek stuitte hij op het gegeven dat de Amsterdamse (en ook Rotterdamse) criminaliteit tussen 1994 en 2007 met veertien procent is gedaald. Een goed teken. Ook stelt hij vast dat in Amsterdam zich een middenklasse vormt van mensen met een migrantenachtergrond. Het gaat dus veel beter. “Mijn stelling is dat de begrippen autochtoon en allochtoon van binnenuit zijn opgevreten. In grote delen van Nederland roept dat weerstand op, maar ik denk dat Amsterdam klaar is om die begrippen vaarwel te zeggen.” En over Amsterdam in 2025 merkt hij op: “Ik ben hoopvol dat het tegen die tijd een volwaardige migrantenstad is met minder segregatie en een versterkte middenklass van nakomelingen van niet-westerse immigranten.”

Het interview herinnerde me aan het fantastische boek ‘Arrival City’ van de Canadese journalist Doug Saunders. Onder de Nederlandse titel ‘De trek naar de stad’ verscheen het vorig jaar in een vertaling bij De Bezige Bij. Saunders schetst erin hoe in dertig steden in zestien landen migranten zich een bestaan proberen te creëren in een voor hen onbekende omgeving. Doorgaans betreft het de stedelijke periferie. Saunders reisde en schreef het boek in drie jaar tijd. Voorwerk werd verricht door een grote groep vrijwilligers in de verschillende steden. Zijn columns in The Globe and Mail gebruikte hij om zijn gedachten te ordenen. Amsterdam is een van de steden. Vol bewondering schrijft hij over de stedelijke herstructurering van Slotervaart. “Eerder had Slotervaart er goed uitgezien vanuit een helikopter en vanuit het standpunt van een planoloog in het centrum. In een radicale ommezwaai besloot Amsterdam Slotervaart er aantrekkelijk uit te laten zien voor een nieuwkomer uit een dorp. De bewoners werden veel dichter naar elkaar toegebracht, niet alleen omdat ze dat wilden – en vanuit overwegingen van veiligheid en gemak en vanuit zakelijke motieven wilden ze dat dolgraag – maar ook vanuit de overtuiging dat een grotere bevolkingsdichtheid de sociale cohesie en de welvaart ten goede komt.” Deze fysieke benadering spreekt Saunders aan. “Door vorm en gedaante van de buurt te bepalen – en te zorgen dat de buurt minder geordend, gepland en voorbestemd wordt – zal dit niet alleen een sterkere fysieke en economische band met de rest van de stad scheppen, maar ook een aantal andere fundamentele problemen van de mislukking van de stad van aankomst oplossen.” Titel en inhoud van Saunders boek - ‘Arrival City’ – en het boek dat Scheffer schreef – ‘Het land van aankomst’ – vertonen treffende gelijkenissen.

Tagged with:
 

Waar Amy Winehouse woonde

On 27 september 2011, in sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Arrival City’ (2010) van Doug Saunders:

Terug naar de Londense rellen na de dood van Mark Duggan, afgelopen zomer. Ze bleken te passen in een patroon. In 1981 vonden er ook al zulke rellen plaats in Brixton, in 1985 in Tottenham, in 1995 opnieuw in Brixton, in 2001 in Oldham en in 2011, alweer, in Tottenham. Londen telt ruim 7,7 miljoen inwoners, ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking. Daarvan is op dit moment bijna 70 procent blank, 13 procent Indiaas/Pakistaans, 10 procent zwart en 4 procent Chinees. De dynamiek is er groot. Elk jaar trekken uit de hele wereld grote aantallen migranten naar Londen, op zoek naar werk, onderdak en inkomen. Tottenham, waar dit jaar de rellen begonnen, is een van de armste, meest multiculturele wijken van de Britse hoofdstad: vijftig procent is er zwart (Caribisch), 25 procent blank en 25 procent Aziatisch. Eigenlijk is Tottenham een soort Babylon, waar liefst 190 verschillende talen worden gesproken en waar 10 procent van de bevolking werkloos is. “Ondanks de sombere economische statistieken gaat het in Tottenham een stuk beter dan in 1985, toen hier de Broadwater Farm-rellen plaatsvonden,” schreef Patrick van IJzendoorn na het uitbreken van de rellen in de Volkskrant. Londen is wel wat gewend. En het gaat steeds beter. Zo bezien moet men de ernst van de onlusten ook relativeren.

Het bijzondere van Londen is dat arm en rijk er door elkaar wonen. “Lambeth Place, de hoofdstedelijke residentie van de aartsbisschop, ligt nabij de sociale wooncomplexen van Lambeth; Islington, het hart van New Labour, kent gevaarlijke straten; in Notting Hill, de wijk van de rassenrellen in de jaren ‘50, staan goedkope huurflats; de bankiers van Canary Wharf kijken uit over Poplar met haar Bijlmer-achtige Robin Hood Gardens; en de luxe-appartementen langs de Theems ten oosten van Tower Bridge staan met hun rug tegen de toepasselijk geheten Dickens Estate in Bermondsey.” Of neem Somers Town, een wijk die ligt ingeklemd tussen St Pancras en Euston: 51 procent is daar sociale woningbouw. “Het is een niemandsland waar je nooit zomaar terechtkomt. Met grote woonblokken die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gebouwd, in eerste instantie in opdracht van een priester die de krotten die er stonden wilde vervangen door iets stevigs,” zo schreef NRC Handelsblad. Somers Town staat bekend om zijn informele economie. Toch gaat het ook hier beter; er vindt stadsvernieuwing plaats en de wijkbewoners zijn zelf bezig met een projecten. Iets verderop ligt Primrose Hill, de ‘grachtengordel’ van Londen, waar onder andere acteur Jude Law en oppositieleider Miliband wonen en waar de gemiddelde huizenprijs 710.317 pond is. En iets noordelijker ligt Camden Town, “bekend om zijn muziekscene, de café’s en de hippiemarkt.” Amy Winehouse woonde er. Van IJzendoorn spreekt van “een demografische lat-relatie.” Daardoor leek het echter even alsof heel Londen deze zomer in brand stond. Maar met Londen zelf is weinig aan de hand. Metropolen zijn steden van aankomst; ze zijn, aldus Doug Saunders in ‘Arrival City’, “het cruciale hulpmiddel voor de vorming van een nieuwe middenklasse, de uitbanning van de gruwelen van de armoede op het platteland en de opheffing van ongelijkheid.” Om de zoveel jaar komt de spanning tot een ontlading.

Tagged with:
 

Age of Global Capitalism

On 26 september 2011, in geschiedenis, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Age of Capital 1848-1875’ (1975) van Eric Hobsbawm:

Terug in Wenen lijkt alles naar het verleden te verwijzen: de hotelkamer met het hemelbed, de schilderijen van Franz Josef, de taartjes van Sacher, de muziek van Mozart, Liszt en Strauss, de ambtenaren van de Magistratur. En eigenlijk vond ik de opgepoetste negentiende eeuwse architectuur in en rond het centrum ook verschrikkelijk obligaat. Alleen de stedenbouw van de Ringstrasse imponeerde. In München, zei mijn collega Stephan Reiss-Schmidt, is het niet anders. “Wat dacht je van het Oktoberfest?” De zelfgenoegzaamheid van deze Centraal-Europese steden geeft je weinig energie. Buiten waait het, daar raast een hevige crisis. Maar hier lijkt alles alleen maar naar het verleden te verwijzen. Geeft het een veilig, geborgen gevoel? Zonder enige weerstand overviel me een deprimerende herfststemming.

De Britse historicus Eric Hobsbawm beschrijft in ‘The Age of Capitalism’ het Europa van het midden van de negentiende eeuw. Het is de tijd van Parijs, Londen, Wenen en Berlijn. De voor die tijd ongekende verstedelijking brengt de bourgeoisie op het oude continent aan de macht. Alleen, in het hoofdstuk over de kunsten laat Hobsbawm zich uiterst kritisch uit over wat die burgerij zoal voortbrengt aan kunst en kunstnijverheid. Terwijl de wetenschap grote sprongen vooruit maakt, lijken de kunsten te verdorren. Burgers, lijkt hij te willen zeggen, hebben weinig op met de kunsten. Deze worden door hen vooral commercieel geëxploiteerd. Alleen voor Rusland maakt hij een uitzondering. In Wenen ziet hij slechts twee grote componisten: Bruckner en Brahms. De architectuur vindt hij er affreus. Wat domineert is de ingenieurskunst, meestal verstopt achter stompzinnige architectonische facades, met in haar kielzog de planning en de stedenbouw. “The Paris rebuilt by Haussmann is impressive for its planning, but not for the buildings which lined its new squares and boulevards. Vienna, which aimed at masterpieces more single-mindedly, achieved only a rather doubtful success.” Het is ironisch. Terwijl het creatieve genie wordt gekoesterd en er meer kunst en boeken dan ooit tevoren worden verkocht, verkommeren diezelfde kunsten onder de handen van een materialistisch ingestelde burgerij. Uitgerekend deze cultuurgoederen van een commerciële snit worden op dit moment opgepoetst, vertroeteld en geëtaleerd. Daardoor is Wenen nu economisch buitengewoon succesvol. Maar wat zegt dit over onze hedendaagse cultuur?

Tagged with:
 

Congressen van Wenen

On 23 september 2011, in benchmarks, economie, by Zef Hemel

Gezien in Wenen op 19 september 2011:

De vrouw die met me het vliegtuig binnenstoof bleek oogarts te zijn. Ze had vijf dagen in Wenen doorgebracht voor een duur oogartsencongres. Nu vloog ze terug naar huis. Het regende pijpenstelen. “Weinig nieuws”, meldde ze me nog, terwijl ze de vliegtuigtrappen oprende, “het is alsof de medische bedrijven hun nieuwste technologie niet willen prijsgeven.” Congressen, had ik even eerder geleerd, zijn de cashcow van Wenen. En thuisgekomen lees ik op de website van O+S – de Amsterdamse statistische dienst – een bericht van 11 augustus 2011 waarin staat dat Wenen opnieuw de grootste congresstad ter wereld is. Amsterdam staat nog net in de top tien. Na Wenen komen eerst Barcelona, Parijs en Berlijn. Die top vier is al jaren in beton gegoten, maar het Spaanse Madrid is bezig met een onstuimige opmars, dat wel. Amsterdam helaas niet, ook al groeit de congresmarkt in de wereld met liefst 9 procent per jaar. In het Strategisch Marketingplan van de Nederlandse hoofdstad lees ik dat de mensen die erover gaan tussen 2009 en 2012 twintig extra congressen naar Amsterdam willen halen om van de moeizaam bevochten plaats 9 naar plaats 8 te komen. Aan de luchthaven zal het niet liggen; die van Amsterdam is vijfmaal groter dan die van Wenen. (We zouden dus gerust met een kleinere luchthaven toekunnen.) Nee, het zit hem in de stad en in de agenda’s van de Nederlandse regering, die liever lege containers wil verslepen dan dure congresgangers faciliteren.

In Wenen hoorde ik overigens over de schaduwkanten van zo’n hoge notering. Het Weense stadsbestuur rekent jaar in jaar uit op die mooie plaats 1. Staat Wenen niet bovenaan de wereldlijstjes, dan wordt getwijfeld aan de benchmark. Ook München klaagde over ditzelfde fenomeen; ook haar stadsbestuur gaat er telkens voetstoots van uit dat de Beierse stad tenminste in de top drie staat van om het even welk stedenlijstje. Deze ongekende luxe en rijkdom kent Amsterdam helaas niet. De Nederlandse hoofdstad mag blij zijn als ze niet verder daalt op de ranglijsten van wereldsteden. En nogmaals, aan de bereikbaarheid ligt het niet. Asfalt en landingsbanen in overvloed. Het gaat om comfort, goed eten, hoogwaardige kennis, cultuur en andere grootstedelijke kwaliteiten. In dat soort zaken gelooft de Nederlander niet.

Tagged with:
 

Ralph Flanders

On 22 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Terug naar Boston. Nogmaals de vraag: waardoor presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Eerder meldde ik dat Ed Glaeser in zijn magistrale ‘Triumph of the City’ de aanwezigheid, van oudsher, van universiteiten en kennisinstellingen in Boston verklaarde uit de studie van de bijbel door de protestantse kolonisten. Zo ontwikkelde zich aan de kust van Massachusetts een traditie van leren, studeren en investeren in menselijk kapitaal. De afwezigheid van grondstoffen en de gelijkenis van de producten die de stad maakte met die welke het moederland produceerde, hielpen mee in deze langjarige stedelijke oriëntatie. Glaeser stelt vast dat Boston in de twintigste eeuw wegkwijnde toen de industrialisatie niet om kennis bleek te vragen, maar om grondstoffen, transport en goedkope arbeidskrachten. Sinds kennis, talent en innovatie wèl weer bepalend zijn voor economisch succes, kan Boston’s economie vanaf de jaren zeventig weer groeien. Wat heet, Boston doet het op dit moment tien keer beter dan Amsterdam.

Jane Jacobs schrijft de opleving van Boston toe aan de persoon van Ralph Flanders. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ gebruikt de Amerikaanse urbaniste de figuur van Flanders om duidelijk te maken hoe belangrijk het is om voor een stad de juiste diagnose te stellen. Alle diagnoses voor de ziekte van Boston waren destijds verkeerd geweest. Ralph Flanders echter wist het wèl: Boston kwijnde weg omdat de stad te weinig kleine bedrijfjes voortbracht. Er was weliswaar veel talent in de stad, maar de afgestudeerden gingen allemaal werken bij Du Pont en Eastman Kodak. Flanders overtuigde een aantal gefortuneerde stedelingen ervan om een fonds te vormen waaruit kleine bedrijfjes in Boston startkapitaal konden lenen. De eerste venture capitalists deden zo hun intrede. Flanders deed wat elke stad tegenwoordig zou moeten doen: eigen talent vasthouden en met kleine leningen op weg helpen. ”Upon this base, upon its many subsequent ramifications and breakaways, and upon the multiplying suppliers of materials, instruments, tools and services that served the new enterprises and thus were supported by them and by one another, the Boston regional economy was stunningly rejuvenated.” Dus wat Amsterdam zou moeten doen? Afstappen van alle gateway-verhalen, daarentegen investeren in het opkweken van heel veel nieuwe, kleine, lokale bedrijfjes.

Tagged with:
 

Maarten Hajer en Mark Rutte zien het verkeerd

On 21 september 2011, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in Scientific American van september 2011:

Zo, dat was Prinsjesdag. Dat was Den Haag. We moeten ons dus voorbereiden op een ernstige crisis. Ik lees een buitenlands tijdschrift, gekocht op de luchthaven van Wenen. Scientific American is deze maand geheel gewijd aan metropolen. In Nederland moet het eerste tijdschrift nog verschijnen dat een special wijdt aan grote steden. Het onderwerp leeft hier niet. Wij blijven liever komkommers telen. De redactie van het Amerikaanse wetenschapstijdschrift daarentegen trekt de grootstedelijke agenda, wijdt een heel nummer aan het onderwerp en is opvallend optimistisch. De strekking is: metropolen gaan de wereld redden. Opvallend is de bijna politieke agenda die de redactie aan het begin van het nummer dicteert. De titel ervan luidt ‘In fairness to Cities’. Men pleit voor een ‘level playing field’ tussen steden, suburbs en platteland. Dus terwijl de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving in Nederland, Maarten Hajer, zich nu al weer druk maakt over het verarmende Nederlandse platteland, wijzen de Amerikaanse geleerden op de stelselmatig politieke bevoordeling van het platteland en de suburbane gebieden door de regering.

Als, stelt men, grote steden zo duurzaam, innovatief en sociaal zijn als de wetenschappelijke studies aangeven, waarom bevoordeelt de politiek dan nog altijd het platteland? “In matters of housing, education, transportation, the environment and sociale services, existing rules and spending priorities give cities a raw deal.” Goedkope benzine, gesubsidieerde autosnelwegen, belastingvoordelen voor huiseigenaren, weinig aandacht voor grootstedelijke onderwijsvoorzieningen en nog veel meer, ze bevoordelen de buitenwijken en plattelandsgebieden boven de grote steden. In Amerika geeft zelfs de stedelijk georiënteerde regering Obama aan de vijf minst bevolkte staten tweemaal zoveel overheidsmiddelen per inwoner als aan de rest van het land. “Ultimately, the trouble is that the U.S. political system is rigged against densely populated areas.” In Nederland is het niet anders. En we weten allang, het is allerminst duurzaam, het vergroot de ecologische voetafdruk van dit dichtbevolkte land en het gaat zich ook economisch wreken. “From het perspective both of simple fairness and of rational, science-based public policy, eliminating the incentives for citizens to spread out should be our goal.” Het klinkt bijna boosaardig. Nee, het is erger, men vindt het allemaal irrationeel, dom en zelfs regelrecht rampzalig.

Tagged with:
 

It’s the bible, stupid!

On 20 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Waarom presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Een antwoord begint met de vaststelling dat dat niet altijd zo is geweest. Ook Boston kende zijn magere jaren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bijvoorbeeld stond Boston er economisch beroerd voor; de stad leek tot stilstand gekomen. Maar dat gold toentertijd ook voor Amsterdam, dat letterlijk al zijn inwoners naar de provincie doorverwees en niet meer geïnteresseerd leek in economische groei. Kennelijk hebben beide steden zichzelf daarna opnieuw uitgevonden. Boston deed en doet dat beter dan Amsterdam. Dus wàt doet Boston dan zoveel beter dan de Nederlandse hoofdstad?

De econoom Ed Glaeser wijdt in zijn nieuwste boek ‘Triumph of the City’ een paragraaf aan het economische wonder Boston. In het hoofdstuk ‘How do cities succeed’ behandelt hij achtereenvolgens Boston, Minneapolis en Milaan als voorbeelden van ‘smart cities’. Hij begint zijn betoog met een relativering. Steden, stelt hij, kunnen hun eigen economie maar ten dele beïnvloeden, de dominante economische politiek wordt immers door regeringen bepaald. Datzelfde geldt voor het onderwijs. Ook daarover beslissen tegenwoordig regeringen, niet steden. Verder speelt toeval altijd een grote rol. Het belangrijkste zijn echter de opeenvolgingen van beslissingen door de tijd heen die het lot van steden bepalen. Bij Boston begint dat al in de zeventiende eeuw, ten tijde van de stadstichting. De protestantse kolonisten onder leiding van John Winthrop hadden weinig goederen of grondstoffen om te exporteren. Maar ze hadden wel de bijbel. Hun bijbelstudie ligt aan de basis van vele scholen en universiteiten die in Boston werden gesticht: er was geld en er waren boeken voor de Latijnse school, opgericht in 1635, voor Boston college ingesteld het jaar daarop, voor de school van John Harvard, een Puriteinse dominee uit Cambridge. De kleine staat Massachusetts bleek al snel een federatie van parochies waar mensen intensief lazen en studeerden, “possibly the most literate society then existing in the world.” Die gerichtheid op onderwijs, op menselijk kapitaal, op studie in plaats van goederen of handel, heeft daarna de stadsontwikkeling bepaald. Toen infrastructuur en transport in de industriële tijd uitmaakten of steden groeiden of niet, kwam Boston tot stilstand. Maar toen vanaf de jaren zeventig kennis en menselijk talent aan betekenis wonnen, won ook Boston weer aan kracht. Amsterdam daarentegen bleef steken in transport en logistiek, de Nederlandse regering vatte niet de grote betekenis van kennis en talent in de zich ontvouwende eenentwintigste eeuw. Eeuwig zonde.

Tagged with:
 

Boston bijvoorbeeld

On 19 september 2011, in benchmarks, economie, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 15 september 2011:

Komt het doordat mijn oudste dochter sinds deze zomer in Boston, USA, studeert? Allemachtig, wat heeft ze het naar haar zin! Naar Nederland, zegt ze, wil ze niet meer terug. Iedereen is er zo eager, heel anders dan in Amsterdam. In de rangorde van ‘s werelds krachtigste stedelijke economieën die The Atlantic afgelopen week publiceerde, zag ik dat Boston inderdaad op plaats 6 staat, na Tokio, New York, Londen, Chicago en Parijs. Boston is ongeveer zo groot als Amsterdam, maar presteert vele malen beter dan de Nederlandse hoofdstad. Sterker, Amsterdam komt in de hele top vijfentwintig niet voor. Interessant is dus om te zien waarom de Amerikaanse stad van nog geen miljoen inwoners, gelegen op ruim drie uur treinen van de metropool New York (vergelijkbaar met Amsterdam-Parijs), het zo opvallend goed doet. Boston heeft in ieder geval geen groot vliegveld, geen grote haven, geen greenport, geen mainport. Is het eagerness?

Eerst de cijfers. Qua innovatie scoort de stad waanzinnig goed (wereldwijd een verdiende plaats 6); als financieel centrum scoort ze 655, dat is vergelijkbaar met Parijs maar minder dan Hong Kong; de economische output van de stad bedraagt 290 miljard dollar (dat is de helft van Parijs, met 460 miljard dollar, maar meer dan rivaal Hong Kong, met 211 miljard dollar). De vergelijkende cijfers zijn gegenereerd door Richard Florida – wat ze precies behelzen kan ik vanaf hier niet helemaal doorgronden, maar dat maakt ook niet uit. De relevante vraag is: hoeveel zou Amsterdam op al deze punten scoren? Beduidend minder dus. Eigenlijk weten we het wel. Boston is de stad van Harvard University, van MIT (Massachusetts Institute of Technology), Boston University en Boston College. Vier imposante universiteiten. Qua intellect en menselijk kapitaal is de stad vele malen krachtiger dan Amsterdam. En talent trekt talent, talent trekt bedrijven, of beter, lokaal talent creëert lokale bedrijven. Boston hoeft niet de halve wereld af te reizen om filialen van internationale hoofdkantoren naar zich toe te halen. Ze creëert haar eigen, lokale economie. Boston hoeft ook geen miljoenen transferpassagiers te accommoderen om met de wereld verbonden te zijn. Al die verbindingen zijn niet zo relevant. Als er één stad in de wereld is waar Amsterdam zich aan zou moeten spiegelen, dan is het Boston. Waar blijft die hoogwaardige technische universiteit die de hoofdstad in 1963 was beloofd maar die er nooit is gekomen? Dit schrijf ik vanuit Wenen, de stad die mij gevraagd heeft te adviseren. Wenen staat op plaats 22.

Tagged with: